Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Koninklijk besluit tot vaststelling van boek II -Organisatorische structuren en sociaal overleg van de codex over het welzijn op het werk

In het kort

Dit Koninklijk Besluit stelt Boek II van de codex over het welzijn op het werk vast, dat gaat over de organisatorische structuren en het sociaal overleg met betrekking tot het welzijn van werknemers. Het regelt de inrichting en taken van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk.

Wat het reguleert

  • De indeling van werkgevers in vier groepen (A, B, C, D) op basis van het aantal werknemers en de bedrijfstak.
  • De berekening van het aantal werknemers voor deze groepsindeling.
  • De opdrachten en taken van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk.
  • De samenwerking tussen de interne en externe diensten voor preventie en bescherming op het werk.

Wie het betreft

  • Werkgevers die werknemers tewerkstellen.
  • Werknemers, met betrekking tot hun welzijn op het werk.

Kernpunten

  • Werkgevers worden ingedeeld in groepen A, B, C of D, afhankelijk van het aantal werknemers en de sector.
  • Groep A omvat werkgevers met meer dan 1.000 werknemers, met uitzonderingen voor specifieke bedrijfstakken waar de grens lager ligt (500, 200 of 50 werknemers).
  • Groep D omvat werkgevers met minder dan 20 werknemers, waarbij de werkgever zelf de preventieadviseur is.
  • De interne dienst assisteert de werkgever, leidinggevenden en werknemers bij de toepassing van welzijnsbepalingen en preventiemaatregelen.
Wettekst
Wettekst

28 APRIL 2017. - Koninklijk besluit tot vaststelling van boek II -Organisatorische structuren en sociaal overleg van de codex over het welzijn op het werk FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zi

§ 3

, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2004 en 27 november 2015, artikel 41, artikel 44, gewijzigd bij de wetten van 13 februari 1998 en 30 december 2009, artikel 45, artikel 47, artikel 47bis, artikel 53, artikel 65, gewijzigd bij de wet van 23 april 2008, artikel 67 en artikel 68; Gelet op het koninklijk besluit van 31 maart 1992 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden alsmede de criteria voor de uitrusting en werking van de laboratoria en diensten bedoeld in artikel 148decies, 1, § 6, tweede lid, van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming en in artikel 64nonies, tweede lid, van het Algemeen Reglement betreffende de maatregelen op gebied van hygiëne en gezondheid der werknemers in de mijnen, ondergrondse groeven en graverijen; Gelet op het koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 31/03/1998 numac 1998012229 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 31/03/1998 numac 1998012230 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk sluiten betreffende de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk; Gelet op het koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 31/03/1998 numac 1998012229 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 31/03/1998 numac 1998012230 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk sluiten betreffende de Externe Diensten voor Preventie en Bescherming op het werk; Gelet op het koninklijk besluit van 29 april 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 29/04/1999 pub. 02/09/1999 numac 1999012364 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controles op de werkplaats sluiten betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controles op de werkplaats; Gelet op het koninklijk besluit van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/05/1999 pub. 10/07/1999 numac 1999012359 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor preventie en bescherming op het werk sluiten betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor preventie en bescherming op het werk; Gelet op het koninklijk besluit van 5 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/1999 pub. 13/07/1999 numac 1999012524 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet betreffende de controlegeneeskunde type wet prom. 13/06/1999 pub. 01/09/2009 numac 2009000543 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de controlegeneeskunde Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 betreffende de deskundigheden van de preventieadviseurs van de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk; Gelet op het koninklijk besluit van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/1999 pub. 13/07/1999 numac 1999012524 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet betreffende de controlegeneeskunde type wet prom. 13/06/1999 pub. 01/09/2009 numac 2009000543 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de controlegeneeskunde Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 betreffende de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk; Gelet op het koninklijk besluit van 17 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/1999 pub. 13/07/1999 numac 1999012524 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet betreffende de controlegeneeskunde type wet prom. 13/06/1999 pub. 01/09/2009 numac 2009000543 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de controlegeneeskunde Officieuze coördinatie in het Duits sluiten4 betreffende de vorming en de bijscholing van de preventieadviseurs van de interne en externe diensten voor preventie en bescherming op het werk; Gelet op het koninklijk besluit van 27 oktober 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/1999 pub. 13/07/1999 numac 1999012524 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet betreffende de controlegeneeskunde type wet prom. 13/06/1999 pub. 01/09/2009 numac 2009000543 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de controlegeneeskunde Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 betreffende de oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst voor preventie en bescherming op het werk; Gelet op het advies nr. 189 van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk, gegeven op 11 december 2015; Gelet op het advies nr. 59.620/1/V van de Raad van State, gegeven op 9 september 2016 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.Boek II.- Organisatorische structuren en sociaal overleg van de codex over het welzijn op het werk wordt vastgesteld als volgt : « BOEK II. - ORGANISATORISCHE STRUCTUREN EN SOCIAAL OVERLEG TITEL 1. - DE INTERNE DIENST VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen Artikel II.1-1.- Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder preventieadviseur : de preventieadviseur van de interne dienst, met uitsluiting van het administratief en medisch hulppersoneel (paramedisch personeel) en van de deskundigen met vaardigheden bedoeld in artikel II.1-13, derde lid, 3° en 4°. Art. II.1-2.- § 1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel worden de werkgevers in vier groepen ingedeeld. Groep A bevat de werkgevers die meer dan 1.000 werknemers tewerkstellen. Dit aantal werknemers wordt verminderd tot : 1° 500 voor de werkgevers van wie de onderneming behoort tot :

  1. a)de industrie voor winning, reiniging en distributie van water;
  2. b)de metaalverwerkende industrie, en de fijnmechanische en optische industrie, met uitzondering van de ondernemingen bedoeld in 2°, f), g),
  3. h)en i);
  4. c)de andere be- en verwerkende industrieën, met uitzondering van de ondernemingen bedoeld in 2°,
  5. j)en l);2° 200 voor de werkgevers van wie de onderneming behoort tot :
  6. a)de industrie voor productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en warm water;
  7. b)de industrie voor vervaardiging en eerste verwerking van metalen;
  8. c)de industrie voor vervaardiging van steen, cement, betonwaren, aardewerk, glas en dergelijke;
  9. d)de chemische industrie, met uitzondering van de ondernemingen bedoeld in 3°,
  10. d)
  11. e)en f);
  12. e)de kunstmatige en synthetische continugaren- en vezelindustrie;
  13. f)de industrie voor vervaardiging van producten uit metaal;
  14. g)de machinebouwnijverheid;
  15. h)de industrie van de automobielbouw en de fabrieken van auto-onderdelen;
  16. i)de overige transportmiddelenfabrieken;
  17. j)de houtindustrie en de fabrieken van houten meubelen;
  18. k)de bouwnijverheid;
  19. l)de vleesverwerkende nijverheid;
  20. m)de menselijke gezondheidszorg;
  21. n)het vervoer en opslag;3° 50 voor de werkgevers van wie de onderneming behoort tot :
  22. a)de industrie voor winning en vervaardiging van splijt- en kweekstoffen;
  23. b)de cokesovenbedrijven;
  24. c)de aardolie-industrie;
  25. d)de chemische grondstoffenfabrieken;
  26. e)de petro- en carbochemische industrie;
  27. f)de industrie voor de vervaardiging van andere chemische producten met voornamelijk industriële of agrarische toepassing. Groep B omvat de werkgevers : 1° die tussen 200 en 1.000 werknemers tewerkstellen en die niet opgenomen zijn in groep A; 2° die tussen 100 en 200 werknemers tewerkstellen en van wie de onderneming behoort tot de bedrijfstakken bedoeld bij het derde lid, 1° ;3° die tussen 50 en 200 werknemers tewerkstellen en van wie de onderneming behoort tot de bedrijfstakken bedoeld bij het derde lid, 2° ;4° die tussen 20 en 50 werknemers tewerkstellen en van wie de onderneming behoort tot de bedrijfstakken bedoeld bij het derde lid, 3°. Groep C omvat de werkgevers die minder dan 200 werknemers tewerkstellen en die niet zijn opgenomen in de groepen A en B. Groep D omvat de werkgevers die minder dan 20 werknemers tewerkstellen en waar de werkgever zelf de functie van preventieadviseur vervult. Indien een technische bedrijfseenheid, bedoeld in artikel 35, § 3 van de wet moet worden ingedeeld in één van de groepen bedoeld in deze paragraaf wordt de activiteit van de technische bedrijfseenheid in aanmerking genomen. § 2. Het aantal werknemers wordt berekend door het aantal kalenderdagen waarop elke werknemer, gedurende een periode van de vier trimesters die elk trimester voorafgaan, ingeschreven is in het personeelsregister waarvan het bijhouden wordt opgelegd door het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, of in elk ander document dat hiertoe bijgehouden wordt indien de werkgever aan de bepalingen van genoemd koninklijk besluit niet onderworpen is, te delen door driehonderd vijfenzestig. Wanneer het werkelijke uurrooster van een werknemer niet drie vierde bereikt van het uurrooster dat het zijne zou zijn geweest indien hij voltijds tewerkgesteld was, wordt het aantal kalenderdagen waarop hij in het personeelsregister werd ingeschreven tijdens de in het eerste lid bedoelde periode gedeeld door twee. Het aantal gelijkgestelde personen bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 1°,
  28. b)tot
  29. e)van de wet wordt berekend door het aantal uren waarop zij arbeid, stage of een vorm van arbeid verrichten tijdens een periode van vier trimesters die elk trimester voorafgaat, te delen door duizend zevenhonderd vijftig. HOOFDSTUK II. - De opdrachten van de interne dienst Art. II.1-3.- De interne dienst staat de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers bij voor de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en alle andere preventiemaatregelen en -activiteiten. De interne dienst mag eveneens de opdrachten inzake gezondheidstoezicht bedoeld in artikel II.1-5 uitoefenen, indien hij beantwoordt aan de voorwaarden opgelegd door artikel II.1-12, § 2. De interne dienst werkt samen met de externe dienst, telkens wanneer op die dienst een beroep wordt gedaan. De bepalingen van deze titel doen geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de werkgever om voor specifieke problemen die rijzen in verband met het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en die een bijzondere deskundigheid vergen die niet verplicht aanwezig is in de externe dienst, een beroep te doen op andere diensten of instellingen die gespecialiseerd zijn of bijzonder bevoegd zijn op de domeinen bedoeld in artikel 4 van de wet en op het vlak van de mindervalide werknemers. De werkgever doet een beroep op de in het vierde lid bedoelde diensten of instellingen met de medewerking van de interne of externe dienst en na advies van het Comité. De mogelijkheid om beroep te doen op de bovenvermelde diensten of instellingen moet beschreven zijn in het jaaractieplan. Art. II.1-4.- De interne dienst heeft als opdracht de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers bij te staan in de uitwerking, programmatie, uitvoering en evaluatie van het beleid bepaald door het dynamisch risicobeheersingssysteem. In het kader van dit dynamisch risicobeheersingssysteem heeft de interne dienst volgende opdrachten : 1° in verband met de risicoanalyse :
  30. a)meewerken aan de identificatie van de gevaren;
  31. b)advies verlenen over de resultaten die voortvloeien uit het vaststellen en nader bepalen van de risico's, en maatregelen voorstellen teneinde over een permanente risicoanalyse te beschikken;
  32. c)advies verlenen en voorstellen formuleren voor de opstelling, uitvoering en bijsturing van het globaal preventieplan en het jaaractieplan;2° deelnemen aan de studie van de factoren die van invloed zijn op het ontstaan van ongevallen of incidenten en aan de studie van de oorzaken van doorslaggevende aard van elk ongeval dat een arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft gehad;3° deelnemen aan de analyse van de oorzaken van beroepsziekten;4° deelnemen aan de analyse van de oorzaken van psychosociale risico's op het werk;5° bijdragen tot en meewerken aan het onderzoek van de fysieke en mentale belasting op het werk, de aanpassing van de techniek en de arbeidsomstandigheden aan de menselijke fysiologie evenals de voorkoming van overmatige professionele fysieke en mentale vermoeidheid en deelnemen aan de analyse van de oorzaken van aandoeningen te wijten aan de werkdruk;6° advies verlenen over de organisatie van de arbeidsplaats, de werkpost, de omgevingsfactoren en fysische, chemische, carcinogene en biologische agentia, de arbeidsmiddelen en de individuele uitrusting en over de andere elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk;7° advies verlenen over de hygiëne op de arbeidsplaats inzonderheid wat de keukens, refters, kleedkamers, sanitaire installaties, werk- en rustzitplaatsen en andere bijzondere sociale voorzieningen eigen aan de onderneming betreft die bestemd zijn voor de werknemers;8° advies verlenen over het opstellen van instructies betreffende :
  33. a)het gebruik van arbeidsmiddelen;
  34. b)het gebruik van chemische en kankerverwekkende stoffen en mengsels en biologische agentia;
  35. c)het gebruik van collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen;
  36. d)de voorkoming van brand;
  37. e)de toe te passen procedures in geval van ernstig en onmiddellijk gevaar;9° advies verlenen over de vorming van de werknemers :
  38. a)bij indienstneming;
  39. b)bij een overplaatsing of verandering van functie;
  40. c)bij invoering van een nieuw arbeidsmiddel of verandering van arbeidsmiddel;
  41. d)bij invoering van een nieuwe technologie;10° voorstellen doen voor het onthaal, de begeleiding, de informatie, de vorming en de sensibilisering van de werknemers inzake de maatregelen in verband met het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk van toepassing in de onderneming of instelling en meewerken aan de maatregelen en de uitwerking van propagandamiddelen die in dat verband worden vastgesteld door het Comité;11° aan de werkgever en aan het Comité advies verstrekken over ieder ontwerp, maatregel of middel waarvan de werkgever de toepassing overweegt en die rechtstreeks of onrechtstreeks, onmiddellijk of op termijn, gevolgen kunnen hebben voor het welzijn van de werknemers;12° deelnemen aan de coördinatie, de samenwerking en de informatie inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, wat betreft de ondernemingen van buitenaf en zelfstandigen, en meewerken aan de coördinatie, de samenwerking en de informatie inzake veiligheid en gezondheid wat betreft de ondernemingen en instellingen die bedrijvig zijn op eenzelfde arbeidsplaats of wat betreft de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen;13° ter beschikking staan van de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers voor alle vragen die rijzen in verband met de toepassing van de wet en de codex en deze, in voorkomend geval, voorleggen voor advies aan de externe dienst;14° meewerken aan de uitwerking van de interne noodprocedures en de toepassing van de maatregelen te nemen ingeval van ernstig en onmiddellijk gevaar;15° meewerken aan de organisatie van de eerste hulp van werknemers die slachtoffer zijn van een ongeval of die onwel worden;16° het verzekeren van het secretariaat van het Comité;17° alle andere opdrachten verrichten die worden opgelegd door de wet en de codex. Art. II.1-5.- Naast de samenwerking voor het uitvoeren van de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 zijn de volgende opdrachten voorbehouden aan de preventieadviseurs-arbeidsgeneesheren, die behoren tot het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht : 1° het onderzoeken van de wisselwerking tussen de mens en de arbeid en hierdoor bijdragen tot een betere afstemming van de mens op zijn taak enerzijds en de aanpassing van het werk aan de mens anderzijds;2° het gezondheidstoezicht op de werknemers verzekeren inzonderheid om :
  42. a)te vermijden dat werknemers worden tewerkgesteld aan taken waarvan zij, wegens hun gezondheidstoestand, normaal de risico's niet kunnen dragen en te vermijden dat personen tot het werk worden toegelaten die getroffen zijn door ernstige besmettelijke aandoeningen of die een gevaar voor de veiligheid inhouden van de andere werknemers;
  43. b)de tewerkstellingskansen te bevorderen voor iedereen, onder meer door het voorstellen van aangepaste werkmethodes, het voorstellen van aanpassingen van de werkpost en het zoeken naar aangepast werk, ook voor personen met een beperkte arbeidsgeschiktheid;
  44. c)zo vroeg mogelijk beroepsziekten en de aandoeningen gebonden aan de arbeid op te sporen, de werknemers te informeren en te adviseren over de aandoeningen en gebreken waardoor zij zijn getroffen en mee te werken aan het opsporen en de studie van de risicofactoren die van invloed zijn op beroepsziekten en aandoeningen gebonden aan de uitvoering van het werk;3° toezicht houden op de organisatie van de eerste hulp van de werknemers die het slachtoffer zijn van een ongeval of die onwel worden. Art. II.1-6.- § 1. Om deze opdrachten te vervullen zijn de preventieadviseurs ertoe gehouden ten minste de volgende taken uit te oefenen : 1° in het kader van de permanente risicoanalyse en het opstellen en het bijsturen van het globaal preventieplan en het jaaractieplan :
  45. a)verrichten van veelvuldige en systematische onderzoeken op de arbeidsplaats, hetzij op eigen initiatief, hetzij op vraag van de werkgever, hetzij binnen de kortst mogelijke tijd na een aanvraag van de werknemers of hun vertegenwoordigers;
  46. b)op eigen initiatief, op vraag van de werkgever of op vraag van de betrokken werknemers de werkposten onderzoeken telkens wanneer een werknemer die op die werkpost wordt tewerkgesteld wordt blootgesteld aan de verhoging van de risico's of aan nieuwe risico's;
  47. c)ten minste één maal per jaar een grondig onderzoek verrichten van de arbeidsplaatsen en van de werkposten;
  48. d)onderzoeken doen naar aanleiding van arbeidsongevallen en incidenten die zich op de arbeidsplaats hebben voorgedaan;
  49. e)de nuttige, de nodige en pertinente onderzoeken en opsporingen verrichten voor de verbetering van het welzijn van de werknemers;
  50. f)zelf analyses of controles uitvoeren of doen uitvoeren onder de voorwaarden bepaald door de wet en de codex;
  51. g)kennis nemen van de fabricageprocédés, werkmethodes en arbeidsprocessen en ze ter plaatse onderzoeken en maatregelen voorstellen om de risico's te verhelpen die eruit voortvloeien;
  52. h)de nodige documentatie bijhouden waarvan de inhoud bepaald is in bijlage II.1-1;
  53. i)in geval van dringende noodzakelijkheid en de onmogelijkheid om op de directie beroep te doen, zelf de nodige maatregelen treffen om de oorzaken van het gevaar of de hinder te verhelpen;
  54. j)de taken uitvoeren die de werkgever hen geeft, teneinde de herhaling van ernstige arbeidsongevallen te voorkomen;
  55. k)kennis nemen van de elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk; 2° in het kader van het beheer en de werking van de dienst te zorgen voor :
  56. a)het opstellen bij de werkgevers van de groepen A, B en C van de maandverslagen en bij de werkgevers die minder dan 50 werknemers tewerkstellen en die niet behoren tot groep B van de driemaandelijkse verslagen waarvan de inhoud is bepaald in bijlage II.1-2;
  57. b)het opstellen van het jaarverslag waarvan de inhoud is bepaald in bijlage II.1-3;
  58. c)het opstellen van de arbeidsongevallensteekkaart waarvan de inhoud is bepaald in bijlage II.1-4 of het invullen van het formulier voor de aangifte van het arbeidsongeval, overeenkomstig artikel I.6-12; 3° de documenten op te stellen, aan te vullen of te viseren in het kader van de keuze, de aankoop, het gebruik en het onderhoud van arbeidsmiddelen en PBM;4° de kennisgevingen die in toepassing van de wet en de codex aan de overheid moeten worden verricht bij te houden; 5° taken in het kader van het secretariaatswerk van het Comité te verrichten zoals bepaald in artikel II.7-24; 6° bijhouden van het document bedoeld in artikel I.2-11, tweede lid, 9°. § 2. In het kader van de opdrachten inzake gezondheidstoezicht bepaald in artikel II.1-5 zijn volgende taken voorbehouden aan de afdeling belast met het medisch toezicht :
  59. a)ervoor zorgen dat de werknemers die het slachtoffer zijn van een ongeval of die onwel worden, de eerste hulp krijgen, tenzij andere medische diensten opgericht in toepassing van de arbeidsongevallen wet van 10 april 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1971 pub. 17/10/2014 numac 2014000710 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Arbeidsongevallenwet type wet prom. 10/04/1971 pub. 23/03/2018 numac 2018030615 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Arbeidsongevallenwet sluiten hiermee belast zijn;
  60. b)de aangifte doen van beroepsziekten. Art. II.1-7.- Onverminderd de bepalingen van de artikelen II.1-8 tot II.1-11 worden de opdrachten en taken bedoeld in de artikelen II.1-4 tot II.1-6 uitgeoefend door de interne dienst of de externe dienst. Onverminderd de bepaling van artikel II.1-10, kunnen alle opdrachten en taken bedoeld in het eerste lid worden uitgeoefend door de interne dienst, indien deze over de vereiste bekwaamheid beschikt. De werkgever moet het in het vierde lid bedoelde identificatiedocument, hetzij apart, hetzij als deel van het jaarverslag van de dienst, hetzij als een bijlage bij de overeenkomst met de externe dienst ter beschikking houden van de met het toezicht belaste ambtenaar. Dit document vermeldt : 1° de identificatie van de werkgever;2° de opdrachten die door de interne dienst worden verricht, eventueel middels een verwijzing naar de desbetreffende bepalingen van deze titel;3° de samenstelling van de interne dienst, het aantal preventieadviseurs, hun kwalificaties en hun prestatieduur;4° de vaardigheden die vertegenwoordigd zijn in de interne dienst, zodat de opdrachten volledig en doeltreffend kunnen worden vervuld;5° de administratieve, technische en financiële middelen waarover de interne dienst beschikt;6° de adviezen van het Comité;7° wanneer het gaat om de opdracht inzake gezondheidstoezicht, een kopie van de erkenning verleend door de bevoegde Gemeenschap. Art. II.1-8.- Bij de werkgevers van groep A en B worden de volgende opdrachten en taken steeds vervuld door de interne dienst : 1° de opdrachten van artikel II.1-4, eerste lid en tweede lid, 1°, 5°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 12°, 13°, 14°, 15° en 16° ; 2° de taken opgesomd in artikel II.1-6, § 1, 1°,
  61. a)
  62. b)
  63. c)
  64. e)
  65. f)
  66. g)
  67. h)i), 2°, 3°, 4° en 5° ; 3° de opdrachten en taken bedoeld in artikel II.1-11 indien beroep gedaan wordt op een externe dienst. Art. II.1-9.- Bij de werkgevers van de groep C wordt de interne dienst steeds belast met de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4, tweede lid, 7°, 13° en 16° en de taken bedoeld in artikel II.1-6, § 1, 1°,
  68. a)
  69. c)
  70. h)i), 2°, 3°, 4° en 5° evenals met de opdrachten en taken bedoeld in artikel II.1-11 indien beroep gedaan wordt op een externe dienst. Art. II.1-10.- § 1. De werkgevers waarvan de interne dienst geen departement heeft dat belast is met het medisch gezondheidstoezicht dat beantwoordt aan de bepalingen van artikel II.1-12, § 2, zijn steeds verplicht een beroep te doen op een externe dienst. De externe dienst verricht in dat geval steeds de volgende opdrachten en taken : 1° de opdrachten bedoeld in artikel II.1-5; 2° de taken bedoeld in artikel II.1-6, § 2, b). § 2. Bij de werkgevers van de groep C waarbij de interne dienst geen preventieadviseur heeft die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd zoals bepaald in artikel II.1-21, worden de volgende opdrachten en taken steeds verricht door een externe dienst : 1° de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4, eerste en tweede lid, 1° ; 2° verrichten van onderzoeken op de arbeidsplaats na een arbeidsongeval op de arbeidsplaats met vier of meer dagen arbeidsongeschiktheid tot gevolg; 3° de opdrachten en taken die de werkgever hen geeft in toepassing van de artikelen I.6-1 tot I.6-6, teneinde de herhaling van ernstige arbeidsongevallen te voorkomen. § 3. Bij de werkgevers van groep D worden de opdrachten en taken bedoeld in § 2 steeds verricht door een externe dienst. Art. II.1-11.- Onverminderd de bepalingen van de artikelen II.1-8 tot II.1-10, is de interne dienst, telkens wanneer een beroep gedaan wordt op een externe dienst, steeds belast met de volgende opdrachten : 1° de samenwerking met de externe dienst organiseren;2° de coördinatie verzekeren met de externe dienst door aan deze externe dienst alle nuttige informatie te verstrekken die zij nodig heeft voor het vervullen van haar opdrachten;3° in het kader van de risicoanalyse samenwerken met de externe dienst, door de preventieadviseur van de externe dienst te vergezellen bij onderzoekingen op de arbeidsplaats en hem bij te staan bij het onderzoeken van de oorzaken van arbeidsongevallen en beroepsziekten en bij het opstellen van inventarissen;4° meewerken met de externe dienst in het kader van de implementatie van de preventiemaatregelen die op basis van de risicoanalyse zijn vastgesteld inzonderheid door advies te verstrekken in verband met de maatregelen inzake propaganda en inzake het onthaal, de informatie, de vorming en de sensibilisering van de werknemers en inzake het opstellen van de instructies ten behoeve van de werknemers;5° het meewerken aan de uitwerking van de procedures te volgen bij ernstig en onmiddellijk gevaar, en aan de organisatie van de eerste hulp. HOOFDSTUK III De organisatie en werking van de interne dienst Art. II.1-12.- § 1. De interne dienst bestaat al dan niet uit afdelingen overeenkomstig artikel 35 en 36 van de wet. § 2. De werkgever die ervoor kiest dat de opdrachten bedoeld in artikel II.1-5 worden uitgeoefend door de interne dienst, richt binnen de interne dienst een departement op belast met het medisch toezicht, dat erkend kan worden door de Gemeenschappen. Het departement dat belast is met het medisch toezicht wordt geleid door een preventieadviseur-arbeidsgeneesheer bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 2°. Het personeel dat deel uitmaakt van dit departement oefent zijn opdrachten uit onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van deze preventieadviseur. De samenstelling van dit departement en de prestatieduur van de leden ervan zijn conform aan de bepalingen van de artikelen II.3-33 tot II.3-35. § 3. De medische dienst van de krijgsmacht mag belast worden met de opdrachten van een departement belast met het medisch toezicht. In elk geval moet deze dienst voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° de door de bepalingen van deze titel opgelegde verplichtingen kunnen vervullen, zowel wat betreft de uitvoering van de taken die hierin zijn voorgeschreven als wat betreft de titels en wetenschappelijke kwalificaties die de preventieadviseurs aan wie die taken worden toevertrouwd, moeten bezitten;2° de structuur van deze dienst is zodanig dat zijn onafhankelijkheid wordt gewaarborgd alsook die van de preventieadviseurs;3° het medisch dossier maakt het voorwerp uit van een afzonderlijke behandeling, wat de arbeidsgeneeskunde betreft. Art. II.1-13.- Onverminderd de bepalingen betreffende het departement belast met het medisch toezicht, is de interne dienst dermate samengesteld dat zijn opdrachten kunnen worden vervuld op grond van het principe van multidisciplinariteit. Het principe van multidisciplinariteit wordt bereikt door het gecoördineerd optreden van preventieadviseurs en deskundigen die beschikken over verschillende vaardigheden die bijdragen tot de bevordering van het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Deze vaardigheden hebben inzonderheid betrekking op : 1° de arbeidsveiligheid;2° de arbeidsgeneeskunde;3° de ergonomie;4° de arbeidshygiëne;5° de psychosociale aspecten van de arbeid waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. De werkgever bepaalt, rekening houdend met het globaal preventieplan en, na voorafgaand advies van het Comité, welke vaardigheden in zijn onderneming of instelling aanwezig moeten zijn en voor welke vaardigheden hij een beroep doet op een externe dienst. De werkgever geeft gevolg aan dit advies overeenkomstig artikel II.7-19. In elk geval mogen de vaardigheden inzake arbeidsveiligheid en deze inzake arbeidsgeneeskunde nooit door één en dezelfde persoon worden beoefend. De werkgever die over één van de vaardigheden bedoeld in het derde lid, 3° en 4° moet beschikken, in toepassing van het globaal preventieplan, kan hiervoor ook een beroep doen op andere personen in zijn onderneming of instelling die niet behoren tot de interne dienst, voor zover deze personen over de deskundigheid beschikken bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 3° en 4° en voor zover deze personen kunnen beschikken over de nodige tijd en middelen. Art. II.1-14.- Wanneer een interne dienst bestaat uit meerdere afdelingen in de zin van artikel 35 en 36 van de wet of wanneer een departement belast met het medisch toezicht is opgericht, bepaalt de werkgever, na voorafgaand advies van het Comité, de verhouding tussen, in voorkomend geval, de afdelingen, het departement en de centrale dienst en door wie en op welke wijze de leiding van de dienst en, in voorkomend geval, van elke afdeling wordt verzekerd. De leiding van de dienst of de afdeling wordt verzekerd door : 1° ofwel een preventieadviseur die met vrucht een erkende cursus van niveau I heeft beëindigd, wanneer de werkgever of de technische bedrijfseenheid behoort tot groep A;2° ofwel een preventieadviseur die met vrucht een erkende cursus van ten minste niveau II heeft beëindigd, wanneer de werkgever of de technische bedrijfseenheid behoort tot groep B;3° ofwel de preventieadviseur belast met de leiding van het departement belast met het medisch toezicht. Wanneer de preventieadviseur belast met de leiding van het departement belast met het medisch toezicht, de leiding van de interne dienst of de afdeling waarneemt, moet de interne dienst of de afdeling al naargelang de werkgever of de technische bedrijfseenheid behoort tot groep A of B eveneens beschikken over een preventieadviseur die voldoet aan de voorwaarden bepaald in het tweede lid, 1° en 2°. Art. II.1-15.- De preventieadviseur belast met de leiding van de dienst hangt rechtstreeks af van de persoon belast met het dagelijks beheer van de onderneming of instelling en heeft rechtstreeks toegang tot de persoon of personen belast met het dagelijks beheer van de technische bedrijfseenheid of bedrijfseenheden. De preventieadviseur belast met de leiding van een afdeling hangt rechtstreeks af van de persoon belast met het dagelijks beheer van de technische bedrijfseenheid waarvoor de afdeling werd opgericht en heeft rechtstreeks toegang tot de persoon belast met het dagelijks beheer van de onderneming of instelling. De preventieadviseur belast met de leiding van het departement belast met het medisch toezicht bedoeld in artikel II.1-12, § 2 heeft eveneens rechtstreeks toegang tot de personen belast met het dagelijks beheer, bedoeld in het eerste lid. Art. II.1-16.- § 1. De werkgever bepaalt, na voorafgaand advies van het Comité : 1° de wijze van samenstelling van de interne dienst;2° de technische en wetenschappelijke middelen, de lokalen en de financiële middelen, evenals het administratief personeel dat ter beschikking wordt gesteld van de interne dienst. De werkgever geeft gevolg aan dit advies overeenkomstig artikel II.7-19. § 2. De werkgever bepaalt, na voorafgaand akkoord van het Comité, de minimumduur van de prestaties van de preventieadviseurs zodat de aan de interne dienst toegewezen opdrachten te allen tijde volledig en doeltreffend worden vervuld. Op verzoek van elke belanghebbende partij kan de minimumduur van de prestaties worden gewijzigd, volgens dezelfde procedure. Onder duur van de prestaties moet worden verstaan de tijd die minimaal moet worden besteed om de opdrachten en activiteiten toegekend aan de preventieadviseurs te kunnen vervullen. Art. II.1-17.- Opdat de preventieadviseurs hun opdrachten en activiteiten doeltreffend zouden kunnen vervullen : 1° stelt de werkgever hen in kennis van de fabricageprocédés, de werktechnieken, de werk- en productiemethodes evenals de stoffen en producten die in de onderneming worden gebruikt of die men zich voorneemt in de onderneming te gebruiken;2° licht de werkgever hen in en raadpleegt hij hen over de wijzigingen die worden aangebracht aan de fabricageprocédés, de werktechnieken of de installaties indien zij bestaande risico's kunnen verergeren of er nieuwe kunnen doen ontstaan, evenals wanneer nieuwe producten worden gebruikt of gefabriceerd en over de wijzigingen die worden aangebracht aan de andere elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk;3° geven de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers hen alle informatie die zij vragen om hen in de mogelijkheid te stellen de opdrachten van de interne dienst te vervullen;4° brengt de werkgever de preventieadviseur belast met de leiding van de dienst of van de afdeling op de hoogte van alle activiteiten die op de arbeidsplaats worden uitgevoerd door de tussenkomst van ondernemingen van buitenaf, zelfstandigen of uitzendkrachten;5° deelt de werkgever aan de preventieadviseur belast met de leiding van de dienst de lijst van de werknemers mee, aangevuld met de gegevens die nodig zijn voor de uitoefening van zijn opdrachten. HOOFDSTUK IV. - Statuut van de preventieadviseurs van een interne dienst Art. II.1-18.- De preventieadviseurs zijn verbonden met de werkgever door middel van een arbeidsovereenkomst of door middel van een statuut waarbij hun rechtspositie eenzijdig is geregeld door de overheid. Zij worden tewerkgesteld in de onderneming of instelling waarvoor de interne dienst is opgericht. De preventieadviseurs van een afdeling zijn werkzaam in de technische bedrijfseenheid waarvoor de afdeling is opgericht. Art. II.1-19.- § 1. De werkgever duidt de preventieadviseurs of hun tijdelijke plaatsvervangers aan, vervangt hen of verwijdert hen uit hun functie, na voorafgaand akkoord van het Comité. Wanneer het de preventieadviseur betreft die belast is met de leiding van een interne dienst die uit verschillende afdelingen bestaat en de preventieadviseurs die hem bijstaan, is het voorafgaand akkoord van alle Comités vereist. Wanneer het een preventieadviseur betreft die werkzaam is in een interne dienst die niet uit afdelingen bestaat, is het voorafgaand akkoord van het Comité vereist. Wanneer het de preventieadviseur betreft die werkzaam is in een afdeling, is het voorafgaand akkoord vereist van het Comité dat bevoegd is voor de technische bedrijfseenheid waarvoor de afdeling werd opgericht. § 2. In geval geen akkoord bereikt wordt binnen één of meerdere Comités, vraagt de werkgever het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar. Deze ambtenaar hoort de betrokken partijen en poogt de standpunten met elkaar te verzoenen. Indien geen verzoening wordt bereikt, verstrekt de met het toezicht belaste ambtenaar een advies waarvan per aangetekend schrijven kennis wordt gegeven aan de werkgever. De werkgever stelt het Comité in kennis van het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving, vooraleer hij de beslissing neemt. De kennisgeving wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de afgifte van de brief aan de post. § 3. De bepalingen van § 1 en § 2 zijn, wat de aanduiding betreft, niet van toepassing op de diensthoofden voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen en hun adjuncten die volgens de bepalingen van artikel 833.2.1. ARAB aangeduid waren vóór 10 april 1998, evenmin als op de arbeidsgeneesheren die volgens de bepalingen van artikel 112 ARAB aangeduid waren vóór 10 april 1998, en die de functie van preventieadviseur blijven uitoefenen en voor zover zij die functie in dezelfde onderneming, instelling of technische bedrijfseenheid blijven uitoefenen. Art. II.1-20.- De preventieadviseurs bezitten voldoende kennis van de wetgeving inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk van toepassing in de onderneming of instelling waarin zij hun opdracht vervullen, en hebben de nodige technische en wetenschappelijke kennis om de activiteiten bedoeld in hoofdstuk II van deze titel te kunnen vervullen. Deze kennis heeft inzonderheid betrekking op : 1° de technieken in verband met de risicoanalyse;2° de coördinatie van preventieactiviteiten : - in de interne dienst; - tussen de interne en externe dienst; - met de werkgevers en werknemers van ondernemingen van buitenaf die in de eigen onderneming werkzaamheden uitvoeren; 3° de maatregelen in verband met de hygiëne op de arbeidsplaatsen;4° de organisatie van de eerste hulp bij werknemers die slachtoffer worden van een ongeval of die onwel worden en de maatregelen te nemen in geval van een ernstig en onmiddellijk gevaar;5° de opdrachten van de preventieadviseurs bedoeld in titel 7 van dit boek;6° de wijze van verslaggeving. Art. II.1-21.- § 1. Bij de werkgevers van groep A en B dient een preventieadviseur met vrucht de aanvullende vorming bepaald in titel 4 van dit boek te hebben gevolgd. Bij de werkgevers die behoren tot groep A moeten de preventieadviseurs die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervullen het bewijs leveren dat zij met vrucht een erkende cursus van ten minste niveau II hebben beëindigd, en moet de preventieadviseur die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervult en belast is met de leiding van de dienst het bewijs leveren dat hij met vrucht een erkende cursus van niveau I heeft beëindigd en ten minste twee jaar ervaring heeft als preventieadviseur in een interne dienst. Bij de technische bedrijfseenheden die behoren tot groep A, moeten de preventieadviseurs die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervullen het bewijs leveren dat zij met vrucht een erkende cursus van ten minste niveau II hebben beëindigd, en moet de preventieadviseur die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervult en die belast is met de leiding van de afdeling het bewijs leveren dat hij met vrucht een erkende cursus van niveau I heeft beëindigd en ten minste twee jaar ervaring heeft als preventieadviseur in een interne dienst. Bij de werkgevers die behoren tot groep B, moet de preventieadviseur die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervult en die belast is met de leiding van de dienst het bewijs leveren dat hij met vrucht een erkende cursus van ten minste niveau II heeft beëindigd. Bij de technische bedrijfseenheden die behoren tot groep B moet de preventieadviseur die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervult en die belast is met de leiding van de afdeling het bewijs leveren dat hij met vrucht een erkende cursus van ten minste niveau II heeft beëindigd. Personen die in het bezit zijn van een diploma, getuigschrift of andere titel waaruit blijkt dat zij de vereiste kwalificatie bezitten om in een lidstaat van de Europese Unie de functie van preventieadviseur te mogen uitoefenen, kunnen, naargelang van het niveau van deze kwalificatie, bij werkgevers van groep A of B, de functie van preventieadviseur uitoefenen, op voorwaarde dat zij kunnen aantonen dat zij bij een inrichter met vrucht de vakken van de multidisciplinaire basismodule en van de specialisatiemodule gevolgd hebben, die betrekking hebben op de juridische en sociale aspecten van deze functie in België. § 2. In afwijking van § 1, volstaat het dat de preventieadviseur die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-5 vervult, het bewijs levert dat hij beantwoordt aan de vereisten gesteld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 2°, zelfs wanneer hij belast wordt met de leiding van de interne dienst of van een afdeling. Art. II.1-22.- De preventieadviseurs hebben het recht en de plicht zich te vervolmaken. Daarom geeft de werkgever hen de toelating alle nuttige contacten te onderhouden met universitaire centra en andere gespecialiseerde instanties die in staat zijn hen de gewenste middelen tot vervolmaking, het gewenste onderwijs en de gewenste medewerking te bezorgen. Art. II.1-23.- De aan vormingsactiviteiten bestede tijd wordt als normale werktijd beschouwd en de daarbij horende kosten worden vergoed. Art. II.1-24.- In toepassing van artikel 43 van de wet vervullen de preventieadviseurs hun opdrachten in volledige onafhankelijkheid ten overstaan van de werkgever en de werknemers. De meningsverschillen betreffende de werkelijkheid van deze onafhankelijkheid worden op verzoek van de preventieadviseur, de werkgever of de werknemers voorgelegd aan het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar. Art. II.1-25.- De preventieadviseurs hebben het recht en de plicht alle contacten die nodig zijn voor de uitvoering van hun opdrachten te onderhouden met de externe dienst, de EDTC en alle andere diensten of instellingen die gespecialiseerd zijn of bijzonder bevoegd zijn op het gebied van arbeidsveiligheid, gezondheid, arbeidshygiëne, ergonomie, leefmilieu en psychosociale aspecten van de arbeid of op het gebied van de mindervaliden, onder dezelfde voorwaarden als deze bepaald in artikel II.1-3, vierde lid. TITEL 2. - DE GEMEENSCHAPPELIJKE INTERNE DIENST VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK HOOFDSTUK I. - Definities Art. II.2-1.- Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder de aanvrager : de onderneming, instelling of organisatie die, namens een werkgever of een groep werkgevers, gemandateerd wordt om een aanvraag te doen tot oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst. HOOFDSTUK II. - Voorwaarden voor de oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst Art. II.2-2.- Een werkgever of groep van werkgevers, kan toegelaten worden een gemeenschappelijke interne dienst op te richten in toepassing van artikel 38, § 1, van de wet, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld : 1° er bestaat een juridische, economische, geografische of technische band tussen de betrokken werkgevers;2° de gemeenschappelijke interne dienst biedt ten opzichte van de afzonderlijke interne diensten van de betrokken werkgevers één of meerdere voordelen.Deze voordelen betreffen inzonderheid : - er is een groter aantal preventieadviseurs aanwezig; - er is een groter aantal disciplines vertegenwoordigd; - er is een hoger niveau van aanvullende vorming aanwezig; - er is meer tijd beschikbaar om te besteden aan preventietaken; - er worden meer middelen, zoals bedoeld in artikel II.1-16, § 1, eerste lid, 2°, ter beschikking gesteld; 3° een planning van de organisatie van de gemeenschappelijke interne dienst is uitgewerkt, met dien verstande dat voor het vastleggen van het aantal preventieadviseurs, hun niveau van aanvullende vorming evenals hun prestatieduur de bepalingen bedoeld in titel 1 van dit boek worden toegepast op het geheel van de betrokken werkgevers die de gemeenschappelijke interne dienst wensen op te richten;4° er bestaat een voorafgaand akkoord tussen de betrokken werkgevers ingeval ze : - de opname wensen in de gemeenschappelijke interne dienst van een bestaand departement belast met het medisch toezicht; - een beroep wensen te doen op de deskundigheden ergonomie, arbeidshygiëne of psychosociale aspecten van de arbeid, voor zover werknemers van één of meerdere betrokken werkgevers over de deskundigheid beschikken bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 3°, 4° of 5° ; 5° de voorafgaande adviezen van de betrokken Comités zijn gevraagd met betrekking tot de oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst en de prestatieduur van de preventieadviseurs. HOOFDSTUK III. - Procedure voor de aanvraag tot oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst Art. II.2-3.- De aanvrager vult het formulier bedoeld in bijlage II.2-1 in. Hij maakt dit formulier, evenals de erbij horende stukken, over aan de algemene directie HUA. Art. II.2-4.- De algemene directie HUA gaat na of de aanvraag volledig is en zendt deze vervolgens voor onderzoek en advies naar de algemene directie TWW. De algemene directie TWW houdt bij het geven van haar advies in het bijzonder rekening met : 1° het aantal voorziene preventieadviseurs, hun niveau van aanvullende vorming evenals de tijd die voorgesteld wordt om te besteden aan preventietaken;2° het niveau van aanvullende vorming van de preventieadviseur belast met de leiding van de gemeenschappelijke interne dienst en de tijd die voorgesteld wordt om te besteden aan preventietaken;3° in voorkomend geval, het aantal contactpersonen tussen de gemeenschappelijke interne dienst en de betrokken werkgevers. Art. II.2-5.- In geval van gunstig advies van de algemene directie TWW maakt de algemene directie HUA een ontwerp van ministerieel besluit houdende toelating tot het oprichten van een gemeenschappelijke interne dienst over aan de Minister. In geval van ongunstig advies van de algemene directie TWW brengt de algemene directie HUA de Minister hiervan op de hoogte. Art. II.2-6.- De Minister beslist de toelating tot oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst al dan niet te geven. Hij verleent de toelating bij wege van ministerieel besluit. Dit besluit bevat tenminste de bepalingen bedoeld in artikel II.2-4, tweede lid. Dit besluit kan, in voorkomend geval, bijkomende voorwaarden opleggen betreffende : 1° de financiële aspecten van de werking van de gemeenschappelijke interne dienst;2° de oprichting van een beheerscomité, bestaande uit personen aangeduid door de aangesloten werkgevers en vertegenwoordigers aangeduid door de representatieve werknemersorganisaties, belast met het toezicht op het beleid van de gemeenschappelijke interne dienst. De Minister kan eveneens nadere bepalingen vastleggen betreffende : 1° de wijze waarop werkgevers kunnen toetreden tot de gemeenschappelijke interne dienst;2° de wijze waarop werkgevers zich kunnen terugtrekken uit de gemeenschappelijke interne dienst. In geval van weigering tot oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst, motiveert de Minister zijn beslissing en wordt deze bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de aanvrager. HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de samenstelling van een gemeenschappelijke interne dienst Art. II.2-7.- Voor elke wijziging inzake de samenstelling van de gemeenschappelijke interne dienst wat betreft de aangesloten werkgevers, wordt de procedure vermeld in hoofdstuk III van deze titel gevolgd. HOOFDSTUK V. - Verplichtingen ingeval van aanvullend beroep op een externe dienst Art. II.2-8.- Onverminderd de bepalingen van artikel II.3-2, derde, vierde en vijfde lid, doen de bij een gemeenschappelijke interne dienst aangesloten werkgevers, wanneer het aanvullend beroep op een externe dienst vereist is, een beroep op dezelfde externe dienst. In afwijking van het eerste lid, mogen de werkgevers, bedoeld in artikel 36, § 1 en § 2, van de wet, een beroep doen op verschillende externe diensten voor elk gebied van een hoog overlegcomité, van een basisoverlegcomité of van een orgaan dat minstens vijftig werknemers telt. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor de duur van de opzeggingstermijn bedoeld in artikel II.3-13 ten aanzien van werkgevers die, om te voldoen aan de in het eerste lid bedoelde verplichting, de overeenkomst met hun externe dienst hebben opgezegd. HOOFDSTUK VI. - Bijzondere bepalingen betreffende de werking van de gemeenschappelijke interne dienst Art. II.2-9.- De preventieadviseurs van de gemeenschappelijke interne dienst behoren tot het personeel van één van de betrokken werkgevers. Ze hebben toegang tot de bedrijven van alle betrokken werkgevers om hun opdrachten uit te oefenen. Art. II.2-10.- De eventuele maandverslagen en het jaarverslag van de interne dienst, zoals bedoeld in artikel II.1-6, § 1, 2°,
  71. a)en b), bevatten bijlagen met afzonderlijke gegevens betreffende elk van de betrokken werkgevers. HOOFDSTUK VII. - Overgangsbepaling Art. II.2-11.- De machtigingsbesluiten tot oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst die in toepassing van artikel 38, § 2, van de wet, werden genomen vóór 26 november 2009, blijven rechtsgeldig mits naleving van de erin vermelde voorwaarden. TITEL 3. - DE EXTERNE DIENST VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK HOOFDSTUK I Algemene bepalingen betreffende de externe dienst Art. II.3-1.- Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder de preventieadviseur : de preventieadviseur van de externe dienst die gespecialiseerd is in één van de disciplines bedoeld in artikel II.3-29 en voldoet aan de voorwaarden van artikel II.3-30. Art. II.3-2.- Telkens de werkgever een beroep doet of beroep moet doen op een externe dienst om de opdrachten uit te voeren bedoeld in hoofdstuk II van titel 1 van dit boek doet hij beroep op één enkele externe dienst. De externe dienst voert de in het eerste lid bedoelde opdrachten uit, werkt samen met de interne dienst en staat ter beschikking van de werkgever, van de leden van de hiërarchische lijn en van de werknemers, inzonderheid door hen alle nuttige informatie en adviezen te verstrekken. In afwijking van het eerste lid moet de werkgever een beroep doen op een tweede externe dienst wanneer een technische bedrijfseenheid gelegen is op het grondgebied van een Gemeenschap waarvoor de eerste dienst niet over de erkenning beschikt, bedoeld in artikel 40, § 3, vierde lid van de wet. In afwijking van het eerste lid en onverminderd de mogelijkheid waarin artikel II.1-3, vierde lid voor de werkgever voorziet, mag deze een beroep doen op een tweede externe dienst wanneer de technische bedrijfseenheid op voortdurende wijze beroep moet doen op bijzondere bekwaamheden en op technische middelen die nodig zijn voor de uitvoering van voornoemde opdrachten en die niet aanwezig zijn in de eerste externe dienst. In afwijking van het eerste lid, kan de werkgever een beroep doen op een andere externe dienst voor elke technische bedrijfseenheid die opgericht is. In elke technische bedrijfseenheid voert een enkele externe dienst het geheel van de in het eerste lid bedoelde opdrachten uit. Art. II.3-3.- De werkgever die op eigen initiatief of op vraag van het Comité, beslist om ofwel een beroep te doen op meer dan één externe dienst, ofwel om de opdrachten van de interne dienst toe te vertrouwen aan de externe dienst, ofwel om de interne dienst de opdrachten te laten uitvoeren die hij had toevertrouwd aan een externe dienst, ofwel om te veranderen van externe dienst, vraagt het voorafgaand advies van de bevoegde Comités. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, vraagt de werkgever het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar. Deze ambtenaar hoort de betrokken partijen en poogt de standpunten te verzoenen. Indien geen verzoening wordt bereikt, verstrekt de met het toezicht belaste ambtenaar een advies waarvan per aangetekend schrijven kennis wordt gegeven aan de werkgever. De werkgever stelt het Comité in kennis van het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving, vooraleer hij de beslissing neemt. De kennisgeving wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de afgifte van de brief aan de post. HOOFDSTUK II. - Oprichting van de externe dienst en algemene principes betreffende het beheer Art. II.3-4.- Een externe dienst kan worden opgericht door : 1° werkgevers;2° de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de openbare instellingen, de provincies en de gemeenten. Hij wordt opgericht, ofwel voor het volledige Belgische grondgebied, ofwel voor een gebied waarvoor één of meerdere Gemeenschappen bevoegd zijn, ofwel voor een te bepalen gebied, ofwel voor een bepaalde activiteitensector of voor verschillende activiteitensectoren binnen een bepaald gebied. De territoriale of sectorale bevoegdheid van de externe dienst wordt uitsluitend bepaald door de erkenning bedoeld in artikel 40, § 3, eerste lid van de wet, met inbegrip van de afdeling belast met het medisch toezicht. Art. II.3-5.- De externe dienst wordt opgericht volgens Belgisch recht onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk. In afwijking van het eerste lid, kan de Minister, na advies van de Vaste Operationele Commissie, de instellingen van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de openbare instellingen, de provincies en de gemeenten die niet zijn opgericht onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk eveneens erkennen. Art. II.3-6.- De rechtspersoon heeft uitsluitend als maatschappelijk doel : 1° het beheer van de externe dienst;2° het vervullen van de opdrachten van een externe dienst en andere preventieactiviteiten die er onmiddellijk verband mee houden, zoals bepaald door de wet en de codex. De externe dienst is er altijd toe gehouden een overeenkomst met een werkgever te sluiten, voor zover deze werkgever er zich toe verbindt de bepalingen van de wet en de codex en deze van de overeenkomst na te leven. De afdelingen waaruit de externe dienst bestaat mogen geen eigen rechtspersoonlijkheid hebben. Art. II.3-7.- § 1. De externe dienst mag geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben in de ondernemingen of instellingen waarin hij zijn opdrachten moet vervullen. § 2. De externe dienst voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° de externe dienst oefent zijn opdrachten uit volgens de principes van integrale kwaliteitszorg;2° bij de aanvang van zijn activiteiten dient hij te beschikken over een beleidsverklaring inzake integrale kwaliteitszorg. § 3. De externe dienst past een kwaliteitssysteem toe dat gecertificeerd is volgens de norm NBN EN ISO 9001 en levert hiervan het bewijs. De externe dienst die voor de eerste maal erkend wordt, moet het in het eerste lid bedoelde bewijs uiterlijk binnen een termijn van twee jaar van activiteiten kunnen voorleggen. Het in het eerste lid bedoelde bewijs wordt geleverd door een certificaat voor het uitvoeren van de opdrachten bedoeld in hoofdstuk II van titel 1 van dit boek uitgereikt door een certificatie-instelling die specifiek voor het uitvoeren van de certificatie van deze kwaliteitssystemen geaccrediteerd is door het Belgisch Accreditatiesysteem, overeenkomstig de wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/1990 pub. 26/05/2011 numac 2011000307 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 20/07/1990 pub. 10/06/2010 numac 2010000325 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 20/07/1990 pub. 02/12/2010 numac 2010000669 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de voorlopige hechtenis Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de accreditatie van certificatie- en keuringsinstellingen alsmede van beproevingslaboratoria, of door een gelijkwaardige accreditatieinstelling opgericht binnen de Europese Economische Ruimte. De externe dienst mag geen gebruik maken van de mogelijkheid voorzien door de norm NBN EN ISO 9001 om bepaalde van zijn eisen niet toe te passen. Art. II.3-8.- De externe dienst beschikt over de nodige materiële, technische, wetenschappelijke en financiële middelen om te allen tijde zijn opdrachten volledig en doeltreffend te kunnen vervullen. Deze middelen worden door de raad van bestuur vastgesteld, rekening houdend met de te verrichten opdrachten, de aard van de risico's en de grootte van de ondernemingen of instellingen die op de externe dienst een beroep doen en de principes van integrale kwaliteitszorg of het kwaliteitssysteem bedoeld in artikel II.3-7. Art. II.3-9.- De externe dienst voert een boekhouding overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel 3, hoofdstuk 2 van het Wetboek van Economisch Recht en zijn uitvoeringsbesluiten, en inzonderheid rekening houdend met de bepalingen van het koninklijk besluit van 23 januari 1992 op de boekhouding, de jaarrekening en de begroting van de interbedrijfsgeneeskundige diensten, met inbegrip van de opdrachten van de bedrijfsrevisor. Art. II.3-10.- Elke externe dienst stelt een tariefregeling vast voor de opdrachten die zij zal vervullen. Deze tariefregeling wordt meegedeeld aan de Minister. Deze tariefregeling houdt rekening met de verplichte forfaitaire minimumbijdragen uit hoofde van de prestaties van de preventieadviseurs vastgesteld in hoofdstuk III van deze titel. Art. II.3-11.- Geen enkele vorm van korting, ristorno, terugbetaling of andere commerciële praktijk die tot doel of als gevolg heeft het bedrag van de verplichte forfaitaire minimumbijdragen bedoeld in hoofdstuk III van deze titel te verlagen, mag door de externe dienst worden toegepast of voorgesteld aan de werkgever en deze laatste mag dit noch vragen noch aanvaarden, zelfs niet wanneer de overeenkomst werd gesloten ingevolge een overheidsopdracht. Art. II.3-12.- De werkingsopbrengsten van de externe dienst worden aangewend om de dienst in staat te stellen de opdrachten te vervullen die hem zijn toevertrouwd in toepassing van de wet en de codex. Wat overblijft, moet uitsluitend worden besteed aan : 1° het verrichten van wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;2° het uitwerken van specifieke actieprogramma's met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk in de ondernemingen of instellingen of voor een bepaalde sector. Art. II.3-13.- De externe dienst sluit met de werkgever die op zijn diensten een beroep doet een schriftelijke overeenkomst die aan het voorafgaand advies van het Comité werd voorgelegd, en waarin inzonderheid de volgende bedingen zijn opgenomen : 1° de opdracht of de opdrachten die aan de externe dienst worden toevertrouwd;2° de aard, de omvang en de minimumduur van de prestaties die aan de werkgever zullen worden geleverd om elk van de overeengekomen opdrachten te vervullen;3° de middelen die de werkgever ter beschikking stelt van de externe dienst onder de vorm van lokalen en uitrusting in zijn onderneming of instelling;4° de wijze waarop samengewerkt wordt met de interne dienst;5° de betrekkingen met het Comité; 6° de wijze waarop de overeenkomst wordt beëindigd, inzonderheid de weerslag ervan op de aanpassing van de forfaitaire bijdragen bedoeld in artikel II.3-15. De overeenkomst wordt gesloten voor onbepaalde tijd. Zij wordt beëindigd : 1° ambtshalve, wanneer de externe dienst niet meer erkend is;2° door opzegging door één van de partijen, met naleving van een opzeggingstermijn van ten minste zes maanden die aanvangt op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin de opzegging werd gegeven en die eindigt op 31 december van, al naargelang het geval, het lopende of het volgende kalenderjaar. De overeenkomst wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar. De externe dienst is ertoe gehouden de opdrachten die het voorwerp zijn van de overeenkomst zelf uit te voeren. HOOFDSTUK III. - Verplichte forfaitaire minimumbijdragen uit hoofde van de prestaties van de externe diensten Art. II.3-14.- Dit hoofdstuk is van toepassing op de werkgevers en de daarmee gelijkgestelde personen, bedoeld in artikel 2 van de wet, alsook op de externe diensten waarop zij een beroep doen bij toepassing van de artikelen II.1-7 tot II.1-10. Art. II.3-15.- § 1. De werkgever is jaarlijks aan de externe dienst een forfaitaire minimumbijdrage per werknemer verschuldigd waarvan het bedrag wordt bepaald door de tariefgroep waartoe de werkgever behoort op grond van zijn hoofdactiviteit, zoals bepaald in bijlage II.3-1. § 2. De forfaitaire minimumbijdrage bedoeld in § 1 bedraagt : 1° 41,50 euro in tariefgroep 1;2° 60,50 euro in tariefgroep 2;3° 75,50 euro in tariefgroep 3;4° 95,50 euro in tariefgroep 4;5° 112,00 euro in tariefgroep 5. In afwijking van het eerste lid, bedraagt de forfaitaire minimumbijdrage voor werkgevers die maximum vijf werknemers tewerkstellen op 30 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bijdrage is verschuldigd : 1° 35,50 euro in tariefgroep 1;2° 51,50 euro in tariefgroep 2;3° 64,00 euro in tariefgroep 3;4° 81,00 euro in tariefgroep 4;5° 95,00 euro in tariefgroep 5. § 3. De werkgever is de forfaitaire minimumbijdrage verschuldigd voor een werknemer die gedurende een volledig kalenderjaar bij hem is geregistreerd via Dimona, of, bij ontstentenis hiervan, is ingeschreven in een document of register dat op een vergelijkbare wijze het personeelsbestand weergeeft. Voor een werknemer die geen volledig kalenderjaar is geregistreerd bij de werkgever, is deze werkgever een twaalfde van de forfaitaire minimumbijdrage verschuldigd per kalendermaand waarin de werknemer ten minste één dag bij hem is geregistreerd. Indien er voor deze werknemer een individuele prestatie wordt geleverd, is de forfaitaire minimumbijdrage in haar geheel verschuldigd. Art. II.3-16.- § 1. De werkgever van groep C of D, die in zijn interne dienst niet beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd zoals bepaald in artikel II.1-21, heeft in ruil voor de forfaitaire minimumbijdrage recht op de volgende algemene prestaties : 1° het actief meewerken aan het opstarten, uitvoeren en updaten van de risicoanalyse; 2° het voorstellen van de preventiemaatregelen die moeten worden genomen op basis van de risicoanalyse op het niveau van de organisatie in haar geheel, op het niveau van elke groep van werkposten of functies en op het niveau van het individu, zoals voorzien in de artikelen I.2-6 en I.2-7; 3° met uitzondering van de bijkomende handelingen bedoeld in artikel I.4-27, § 2, het uitvoeren van de volgende preventieve handelingen in het kader van het gezondheidstoezicht die voorbehouden zijn aan de afdeling belast met het medisch toezicht :
  72. a)de voorafgaande en periodieke gezondheidsbeoordelingen;
  73. b)de spontane raadplegingen;
  74. c)de onderzoeken bij werkhervatting;
  75. d)de bezoeken voorafgaand aan de werkhervatting;
  76. e)het voortgezet gezondheidstoezicht;
  77. f)de onderzoeken in het kader van de moederschapsbescherming, zoals bedoeld in artikel X.5-9; 4° het organiseren van een inzagerecht in het gezondheidsdossier, zoals bedoeld in artikel I.4-95, binnen een termijn van vijf werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst door de externe dienst van het verzoek tot inzage; 5° het meewerken aan de analyse, in voorkomend geval aangevuld met een bevraging of een ander instrument, en het voorstellen van preventiemaatregelen inzake beeldschermwerk, zoals bedoeld in artikel VIII.2-3; 6° het meewerken aan de opleiding in verband met voedselhygiëne en aan de analyse van de risico's inzake contact met voedingswaren, zoals bedoeld in hoofdstuk VII van titel 1 van boek VII; 7° het bijwonen van de vergaderingen van het Comité overeenkomstig artikel II.7-25, eerste lid, 3° ; 8° met een maximum van vijf prestatie-uren van een preventieadviseur, het verlenen van bijstand naar aanleiding van een ernstig arbeidsongeval zoals bedoeld in artikel 94bis van de wet, van zodra de externe dienst hiervan kennis heeft, meer bepaald :
  78. a)het voorstellen van bewarende maatregelen, zoals bedoeld in artikel 94septies, § 2 van de wet;
  79. b)het uitvoeren van de onderzoeken van ernstige arbeidsongevallen;9° het uitvoeren van de opdrachten van de preventieadviseur psychosociale aspecten die voortvloeien uit de behandeling van het individuele verzoek tot informele of formele psychosociale interventie van de werknemer in toepassing van hoofdstuk Vbis van de wet, met uitzondering van de prestaties in het kader van de formele psychosociale interventie die volgen op de mededeling van de identiteit van de verzoeker aan de werkgever;10° het verrichten van een onderzoek van de arbeidsplaatsen en van de werkposten, nodig voor het uitvoeren van de in dit artikel vermelde prestaties; 11° het onder de verantwoordelijkheid van de preventieadviseur afleveren, binnen vijf jaar na de datum van aansluiting, van een gemotiveerd beleidsadvies over het preventiebeleid van de werkgever, waarvan de inhoud en de modaliteiten worden bepaald in bijlage II.3-2, en dat op geregelde tijdstippen, en minstens driejaarlijks, wordt geactualiseerd; 12° het online beschikbaar houden van een inventaris van de bij de werkgever uitgevoerde prestaties, zoals bedoeld in de artikelen II.3-37 en II.3-38. De externe dienst wordt geacht de prestaties bedoeld in het eerste lid, 1° en 2° te hebben geleverd indien ze een gestandaardiseerde werkwijze hanteert die :
  80. a)voor één of meerdere sectoren of voor bepaalde functies werd ontwikkeld, en door de sociale partners van de betrokken sector werd goedgekeurd, en vervolgens aan de algemene directie HUA werd gemeld;
  81. b)resulteert in een instrument dat toelaat ten minste de resultaten van de risicoanalyse, de te nemen preventiemaatregelen, de vereiste kwalificaties en opleiding en de verplichtingen inzake gezondheidstoezicht vast te stellen op het niveau van de organisatie in haar geheel en op het niveau van elke groep van werkposten of functies;
  82. c)bijdraagt tot het opstellen van het beleidsadvies;
  83. d)minstens driejaarlijks wordt geactualiseerd of aangevuld, evenals bij belangrijke wijzigingen aan functies of werkposten waarvan de werkgever de externe dienst op de hoogte brengt;
  84. e)indien nodig wordt aangevuld met een benadering tot op het niveau van het individu. § 2. Voor de werkgever van groep A, B of C die in zijn interne dienst beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd zoals bepaald in artikel II.1-21, wordt de forfaitaire minimumbijdrage omgezet in preventie-eenheden zoals bepaald in artikel II.3-17, die bij voorrang worden besteed aan de volgende prestaties :
  85. a)de preventieve handelingen in het kader van het gezondheidstoezicht, evenals het organiseren van het inzagerecht in het gezondheidsdossier, zoals bedoeld in § 1, 3° en 4° ;
  86. b)het uitvoeren van de opdrachten van de preventieadviseur psychosociale aspecten, tenzij de werkgever binnen zijn interne dienst beschikt over een preventieadviseur psychosociale aspecten; Indien er preventie-eenheden overblijven na het uitvoeren van de prestaties bedoeld in het eerste lid, kunnen deze preventie-eenheden door de werkgever, in overleg met de externe dienst, worden opgenomen onder de vorm van andere prestaties die rechtstreeks verband houden met het preventiebeleid van de onderneming. De overblijvende preventie-eenheden zijn overdraagbaar. Indien er onvoldoende preventie-eenheden zijn om de in het eerste lid bedoelde prestaties te kunnen leveren, garandeert de externe dienst niettemin dat deze prestaties worden uitgevoerd; in dat geval worden deze prestaties afzonderlijk aangerekend. § 3. De werkgever die binnen de interne dienst beschikt over een departement belast met het medisch toezicht, is aan de externe dienst een bijdrage verschuldigd die overeenstemt met de prestaties die uitdrukkelijk en gedetailleerd worden vermeld in de overeenkomst gesloten met toepassing van artikel II.3-13, eerste lid, 1° en 2°. Art. II.3-17.- § 1. Een preventie-eenheid bedraagt 150 euro. Preventie-eenheden kunnen door de werkgever worden opgenomen door middel van prestaties door het personeel van de externe dienst zoals bepaald in § 2, of door omzetting van de kostprijs van de prestaties zoals bedoeld in artikel II.3-18. § 2. De werkgever kan de preventie-eenheden opnemen door middel van prestaties vanwege de externe dienst met toepassing van de volgende wegingsfactoren, die rekening houden met de gemiddelde kostprijs per door het personeel van een externe dienst gepresteerd uur, bruto uurloonkost, extralegale voordelen en overheadkosten inbegrepen :
  87. a)1 preventie-eenheid per gepresteerd uur door een preventieadviseur deskundig op het gebied van arbeidsveiligheid, zoals bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 1° ;
  88. b)1,25 preventie-eenheden per gepresteerd uur door een preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, zoals bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 2° ;
  89. c)1 preventie-eenheid per gepresteerd uur door een preventieadviseur deskundig op het gebied van de ergonomie, zoals bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 3° ;
  90. d)1 preventie-eenheid per gepresteerd uur door een preventieadviseur deskundig op het gebied van arbeidshygiëne, zoals bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 4° ;
  91. e)1 preventie-eenheid per gepresteerd uur door een preventieadviseur deskundig op het gebied van psychosociale aspecten van de arbeid, zoals bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 5° ;
  92. f)0,75 preventie-eenheden per gepresteerd uur door een persoon die de preventieadviseur bijstaat en die met vrucht een erkende aanvullende vorming tot preventieadviseur van ten minste niveau II beëindigd heeft;
  93. g)0,75 preventie-eenheden per gepresteerd uur door een verpleegkundige die de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer bijstaat. Art. II.3-18.- Worden beschouwd als aanvulling op de prestaties bedoeld in artikel II.3-16, § 1 en § 2, eerste lid, en kunnen door de externe dienst afzonderlijk aan de werkgever worden aangerekend : 1° de technische handelingen in het kader van de opdrachten inzake risicobeheer en die deel uitmaken van de analyse- en expertisemethoden, inzonderheid onderzoeken, controles en metingen die een laboratoriumanalyse vergen;2° de bijkomende handelingen in het kader van de opdrachten inzake gezondheidstoezicht, inzonderheid de kosten van de analyses, radiologische onderzoeken, gerichte onderzoeken of gerichte functionele tests, die worden aangerekend conform de erelonen die zijn opgenomen in de nomenclatuur van de gezondheidsprestaties, die is opgesteld in uitvoering van artikel 35 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering, gecoördineerd op 14 juli 1994;3° de reële verplaatsingskosten van de preventieadviseurs en van de personen die hen bijstaan. Art. II.3-19.- § 1. De volgende prestaties in het kader van de opdrachten inzake risicobeheer worden aangerekend aan 115 euro per gepresteerd uur met toepassing van de wegingsfactoren bedoeld in artikel II.3-17, § 2 : 1° de prestaties die niet opgenomen zijn in artikel II.3-16, § 1, bij een werkgever van groep C of D die in zijn interne dienst niet beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd; 2° de prestaties die worden uitgevoerd na uitputting van de preventie-eenheden bedoeld in artikel II.3-17, bij een werkgever van groep A, B of C die in zijn interne dienst beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd. § 2. De volgende prestaties in het kader van de opdrachten inzake gezondheidstoezicht worden aangerekend aan 77,53 euro per prestatie of aan 115 euro per gepresteerd uur met toepassing van de wegingsfactoren bedoeld in artikel II.3-17, § 2 : 1° de preventieve handelingen in het kader van het gezondheidstoezicht die niet zijn opgenomen in artikel II.3-16, § 1, 3°, bij een werkgever van groep C of D die in zijn interne dienst niet beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd; 2° de preventieve handelingen in het kader van het gezondheidstoezicht die afzonderlijk moeten worden aangerekend na uitputting van de preventie-eenheden bedoeld in artikel II.3-17, bij een werkgever van groep A, B of C die in zijn interne dienst beschikt over een preventieadviseur die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd. Art. II.3-20.- De forfaitaire minimumbijdragen worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de beginselen bepaald door de artikelen 2, 4, 5 en 6, 1° van de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/03/1977 pub. 05/03/2009 numac 2009000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Artikel 4 van dezelfde wet, aangevuld met artikel 18, § 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen, voorziet dat enkel de gezuiverde gezondheidsindex in aanmerking mag worden genomen voor de sociale prestaties. De basisspilindex bedraagt 101,02. De bedragen in deze afdeling worden elk jaar op 1 januari aangepast aan de spilindex. Art. II.3-21.- De werkgever stelt de externe dienst schriftelijk in gebreke indien deze dienst de prestaties bedoeld in artikel II.3-16 niet heeft uitgevoerd. Indien de externe dienst kennelijk in gebreke blijft om zijn prestaties alsnog uit te voeren, is de werkgever de forfaitaire minimumbijdrage bedoeld in artikel II.3-15 niet verschuldigd. Een afschrift van de ingebrekestelling wordt voorgelegd aan het adviescomité bedoeld in artikel II.3-22, volgens de modaliteiten bepaald in het kwaliteitshandboek van de externe dienst. HOOFDSTUK IV. - De organisatie van de externe dienst Art. II.3-22.- Binnen de externe dienst wordt een adviescomité opgericht dat paritair is samengesteld uit leden die de werkgevers vertegenwoordigen die de vereniging vormen, en uit leden die de werknemers van de werkgevers waarmee een overeenkomst werd gesloten, vertegenwoordigen. De leden die de werknemers vertegenwoordigen worden aangeduid door de werknemersorganisaties die vertegenwoordigd zijn in de Hoge Raad. Deze leden worden aangeduid voor een termijn van vier jaar en zijn herbenoembaar. Hun aantal mag niet lager zijn dan drie en niet hoger dan vijf. De leden die de werkgevers vertegenwoordigen worden aangeduid door de werkgeversorganisaties die vertegenwoordigd zijn in de Hoge Raad, en het aantal van deze leden mag niet hoger zijn dan het aantal van de leden die de werknemers vertegenwoordigen. Eén van de leden van het adviescomité neemt het voorzitterschap op. Voor elk lid van het adviescomité wordt een plaatsvervanger aangeduid die het werkend lid vervangt wanneer dit verhinderd is. In geval van onenigheid omtrent de aanduiding van de leden die de werkgevers vertegenwoordigen of van de leden die de werknemers vertegenwoordigen, beslist de Vaste Operationele Commissie. Het adviescomité stelt een huishoudelijk reglement op waarin ten minste de nadere regels zijn opgenomen betreffende het vereiste aanwezigheidsquorum om rechtsgeldig te kunnen vergaderen evenals de wijze waarop wordt vastgesteld dat een akkoord werd bereikt. Art. II.3-23.- Onverminderd de bepalingen van de artikelen II.3-26, II.3-28 en II.3-32, is het adviescomité, in verband met de organisatie en het beheer van de externe dienst, bevoegd voor de volgende domeinen : 1° de jaarrekeningen en de begroting van de externe dienst; 2° de toepassing van de principes van integrale kwaliteitszorg en het kwaliteitssysteem bedoeld in artikel II.3-7, § 3, eerste lid; 3° de samenstelling van de afdelingen in verhouding tot het aantal preventieadviseurs en hun deskundigheid;4° de verdeling van de taken tussen de preventieadviseurs en de personen die hen bijstaan;5° de minimale prestaties die moeten worden uitgevoerd bij de werkgevers met wie de overeenkomst is gesloten, in functie van de kenmerken van deze werkgevers;6° de aanduiding, de vervanging of de verwijdering van de preventieadviseurs en de personen die hen bijstaan;7° de aanwending van de inkomsten van de externe dienst;8° de trimestriële opvolging van de activiteiten van de externe dienst met inbegrip van de prestaties;9° de jaarlijkse activiteitenverslagen van de externe dienst;10° de hernieuwing van de erkenning van de externe dienst. Het adviescomité geeft een advies over de domeinen bedoeld in het eerste lid, 1° en 7° tot 10°. Het geeft een voorafgaand akkoord over de criteria van intern beleid inzake de domeinen bedoeld in het eerste lid, 2° tot 6°. Op vraag van minstens drie leden van het adviescomité verschaft de raad van bestuur of de persoon belast met de leiding van de dienst het adviescomité het geheel van informatie en documenten die het nodig acht voor het volbrengen van de opdrachten inzake de domeinen bedoeld in het eerste lid. Indien geen akkoord wordt bereikt, vraagt het adviescomité of de raad van bestuur het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar, na de Vaste Operationele Commissie hierover te hebben ingelicht. Deze ambtenaar hoort de betrokken partijen en poogt de standpunten te verzoenen. Indien geen verzoening wordt bereikt, verstrekt de met het toezicht belaste ambtenaar een advies waarvan per aangetekend schrijven kennis wordt gegeven aan de raad van bestuur. De kennisgeving wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de afgifte van de brief aan de post. De raad van bestuur stelt het adviescomité in kennis van het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de kennisgeving, vooraleer hij de beslissing neemt. Art. II.3-24.- Om de opdrachten bedoeld in artikel II.3-23 te vervullen, vergadert het adviescomité driemaandelijks. Ten minste één maand voor de datum van elk van die vergaderingen, zendt de persoon belast met de leiding van de dienst aan de leden een verslag betreffende de afgelopen periode, dat betrekking heeft op de activiteiten van de dienst en in voorkomend geval, op alle vraagstukken met betrekking tot de organisatie en het beheer van de dienst, evenals op de toestand van het personeel. De persoon belast met de leiding van de dienst stelt zelf dit verslag voor. Hij wordt bijgestaan door de preventieadviseurs die de afdelingen van de dienst leiden. Dit verslag stemt overeen met het model vastgesteld door de Minister. Op het einde van elk dienstjaar legt de voorzitter van de raad van bestuur de jaarrekeningen van de dienst, waaraan het schriftelijk verslag van de bedrijfsrevisor is toegevoegd, voor aan het adviescomité. De met het toezicht belaste ambtenaren worden tijdig op de hoogte gebracht door de voorzitter van de raad van bestuur van de datum, het uur en de plaats van de vergaderingen van het adviescomité. Zij kunnen ambtshalve deelnemen aan deze vergaderingen en er gehoord worden op hun vraag. Alle informatie die zij in het kader van hun opdrachten wensen te ontvangen, wordt hen verstrekt. Art. II.3-25.- Binnen de externe dienst wordt een persoon aangeduid die belast is met de leiding en het beheer van de dienst en die de eindverantwoordelijkheid voor deze leiding en dat beheer draagt. Deze persoon moet aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° het bewijs leveren dat hij deskundig is op één van de gebieden bedoeld in artikel II.3-29, door de voorwaarden bedoeld in artikel II.3-30 na te leven; 2° beschikken over een aangepaste wetenschappelijke en beroepservaring om de externe dienst met de nodige deskundigheid te kunnen leiden;3° met de externe dienst verbonden zijn door middel van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd;4° een voltijdse activiteit uitoefenen binnen de externe dienst. De voorwaarde bedoeld in het tweede lid, 1° is niet van toepassing op de persoon, belast met de leiding of met het beheer van de externe dienst die deze functie sinds drie jaar uitoefende op 1 januari 2002 onder voorbehoud van een voorafgaandelijk akkoord van het adviescomité, ten laatste bekomen op 1 januari 2003. Deze persoon dient houder te zijn van een universitair einddiploma of van een einddiploma van hoger onderwijs van universitair niveau. Art. II.3-26.- De persoon belast met de leiding van de externe dienst heeft inzonderheid de volgende opdrachten : 1° de activiteiten van de verschillende afdelingen waaruit de externe dienst bestaat, coördineren;2° er over waken dat de opdrachten van de externe dienst die bij een werkgever worden uitgevoerd, worden verricht in samenwerking met de interne dienst van de werkgever;3° zorgen voor de uitwerking en waken over de toepassing van de principes van integrale kwaliteitszorg of van het kwaliteitssysteem van toepassing in de externe dienst;4° een jaarverslag over de werking van de externe dienst opstellen; 5° op schriftelijke wijze een preventieadviseur aanduiden die :
  94. a)in overleg met de interne dienst de lijst opstelt van de aanvullende opdrachten en taken die door de externe dienst moeten of zullen worden verricht overeenkomstig de bepalingen van de artikelen II.1-7 tot II.1-10;
  95. b)de overeenkomst voorbereidt die met de werkgever, overeenkomstig artikel II.3-13, zal worden gesloten. 6° voorstellen doen aan de raad van bestuur wat de materiële, technische en wetenschappelijke middelen betreft, die nodig zijn voor het vervullen van de opdrachten van de externe dienst. De persoon belast met de leiding van de externe dienst is uitsluitend tegenover de raad van bestuur verantwoording verschuldigd voor zijn activiteiten in verband met de leiding van de dienst. Art. II.3-27.- § 1. De externe dienst bestaat uit twee afdelingen, namelijk een afdeling belast met risicobeheersing die multidisciplinair is samengesteld en een afdeling belast met het medisch toezicht. § 2. De externe dienst is samengesteld uit preventieadviseurs die kunnen worden bijgestaan door verpleegkundigen die houder zijn van een graduaatsdiploma, door sociaal assistenten of door personen die met vrucht een erkende cursus van aanvullende vorming van ten minste niveau II hebben beëindigd. Deze personen die de externe dienst aanvullen, oefenen hun activiteiten uit onder de verantwoordelijkheid van de preventieadviseurs die zij bijstaan. In toepassing van artikel II.3-26, 5°, a), wordt een eerste bezoek aan de arbeidsplaatsen bij alle werkgevers uitgevoerd door een preventieadviseur bedoeld in artikel II.3-30. Bij de werkgevers waar geen enkele werknemer onderworpen is aan het verplicht gezondheidstoezicht en bij werkgevers waar de werknemers onderworpen zijn aan een niet-jaarlijks gezondheidstoezicht, wordt het volgende bezoek aan de arbeidsplaatsen om de drie jaar uitgevoerd door een persoon die de preventieadviseur bijstaat en die met succes een erkende aanvullende vorming van tenminste niveau II gevolgd heeft. Bij de werkgevers waar de werknemers een veiligheidspost waarnemen of blootstaan aan een fysieke of mentale belasting of aan psychosociale risico's op het werk, wordt het jaarlijks bezoek aan de arbeidsplaatsen uitgevoerd door een persoon die de preventieadviseur bijstaat bedoeld in het vierde lid of wordt het bezoek om de twee jaar uitgevoerd door een preventieadviseur bedoeld in artikel II.3-30 in het kader van de permanente risicoanalyse. Bij de werkgevers waar de werknemers blootstaan aan fysische, chemische of biologische agentia, die verantwoordelijk zijn voor beroepsziekten of aandoeningen die hun oorsprong vinden in het beroep, wordt een jaarlijks bezoek aan de arbeidsplaatsen uitgevoerd door een preventieadviseur bedoeld in artikel II.3-30. § 3. De persoon belast met de leiding van een afdeling draagt de eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering van de activiteiten van de afdeling. Art. II.3-28.- De afdeling belast met risicobeheersing wordt geleid door een ingenieur die met vrucht een erkende cursus van aanvullende vorming van niveau I heeft beëindigd en die : 1° hetzij academisch gevormd is;2° hetzij industrieel ingenieur is en die het bewijs levert van een nuttige beroepservaring van tien jaar in verband met de preventie en bescherming op het werk. De preventieadviseur belast met het beheer van deze afdeling is uitsluitend tegenover de met de leiding van de dienst belaste persoon verantwoording verschuldigd voor zijn werkzaamheden in verband met de leiding, het beheer en de organisatie van de afdeling. De personen die deel uitmaken van deze afdeling oefenen hun functies uit onder de verantwoordelijkheid van deze preventieadviseur. Art. II.3-29.- De afdeling belast met risicobeheersing bestaat uit preventieadviseurs die deskundig zijn op het gebied van : 1° de arbeidsveiligheid;2° de arbeidsgeneeskunde;3° de ergonomie;4° de arbeidshygiëne;5° de psychosociale aspecten van de arbeid waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. Art. II.3-30.- § 1. Een preventieadviseur is deskundig op één van de in artikel II.3-29 bedoelde gebieden, indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° wat de arbeidsveiligheid betreft, academisch gevormd ingenieur of industrieel ingenieur zijn, en het bewijs leveren dat hij met vrucht een aanvullende vorming van niveau I bepaald in artikel II.4-3 heeft beëindigd; 2° wat de arbeidsgeneeskunde betreft, de houder van een diploma van arts die bovendien :
  96. a)ofwel houder is van een diploma dat toelaat de arbeidsgeneeskunde te beoefenen;
  97. b)ofwel houder is van de titel van specialist in de arbeidsgeneeskunde;
  98. c)ofwel geslaagd is in de theoretische vorming voor het behalen van de titel van specialist in de arbeidsgeneeskunde, waarin de kennis vereist in de multidisciplinaire basisvorming is begrepen, en die titel behaalt ten laatste binnen de drie jaar die er op volgen; 3° wat betreft de ergonomie, de houder van een master diploma van een universiteit of van een master diploma van hoger onderwijs op universitair niveau en die :
  99. a)het bewijs levert met vrucht een multidisciplinaire basisvorming en een module specialisatie ergonomie te hebben beëindigd als bedoeld in artikel II.4-22, § 1, 1° ;
  100. b)bovendien minstens drie jaar nuttige praktische ervaring bewijst; 4° wat betreft de arbeidshygiëne, de houder van een master diploma van een universiteit of van een master diploma van hoger onderwijs op universitair niveau en die :
  101. a)het bewijs levert met vrucht een multidisciplinaire basisvorming en een module specialisatie arbeidshygiëne te hebben beëindigd als bedoeld in artikel II.4-22, § 1, 2° ;
  102. b)bovendien minstens drie jaar nuttige praktische ervaring bewijst; 5° wat de psychosociale aspecten van de arbeid betreft, de houder van een einddiploma van een universiteit of van een einddiploma van hoger onderwijs op universitair niveau waarvan het curriculum een belangrijk aandeel psychologie en sociologie bevat en met daarenboven reeds een eerste specialisatie in de domeinen van arbeid en organisatie en die :
  103. a)het bewijs levert met vrucht een multidisciplinaire basisvorming en een module specialisatie psychosociale aspecten van het werk te hebben beëindigd als bedoeld in artikel II.4-22, § 1, 3° ;
  104. b)bovendien vijf jaar nuttige praktische ervaring bewijst. De in het eerste lid, 3°, 4° en 5° bedoelde personen die met vrucht de specialisatiemodules hebben beëindigd, kunnen hun activiteiten uitoefenen onder de verantwoordelijkheid van een preventieadviseur van de desbetreffende discipline, teneinde de vereiste beroepservaring te verwerven. De personen die in toepassing van de bepalingen van kracht vóór 1 januari 2004 de functie van preventieadviseur deskundig op gebied van psychosociale aspecten van de arbeid uitoefenden in een erkende externe dienst, mogen deze functie blijven vervullen op voorwaarde dat zij zich er toe verbinden om de specialisatiemodules, bedoeld in het eerste lid, 5° met vrucht te beëindigen vóór 1 januari 2008. Evenwel mogen de in het derde lid bedoelde personen die beschikken over één van de einddiploma's bedoeld in het eerste lid, 5°, de functie blijven vervullen, zonder de voormelde specialisatiemodules te volgen, indien zij vóór 1 januari 2004 met vrucht een aanvullende vorming van niveau I hebben beëindigd of deze vorming hebben aangevat en op voorwaarde dat zij het bewijs leveren dat zij gedurende ten minste duizend uren per jaar de desbetreffende discipline beoefenen. § 2. De personen die vóór 1 januari 2013 door een erkende externe dienst werden aangeworven in de disciplines bedoeld in § 1, 3° of 4°, en die niet voldoen aan de voorwaarden bedoeld in § 1, mogen hun functie verder vervullen voor de betrokken discipline voor zover zij kunnen aantonen dat zij :
  105. a)minstens zes jaar ervaring hebben in de disciplines ergonomie of arbeidshygiëne in een erkende externe dienst en in deze periode minstens duizend uren per jaar gepresteerd hebben in hun discipline;
  106. b)een vorming op universitair niveau bezitten in de disciplines ergonomie of arbeidshygiëne;
  107. c)een voldoende kennis bezitten van de juridische en sociale aspecten van welzijn op het werk in België. De in het eerste lid,
  108. a)en
  109. b)bedoelde voorwaarden zijn niet van toepassing op de personen werkzaam in een erkende externe dienst die beschikken over een geldige erkenning als Europees ergonoom volgens de HETPEP criteria (Harmonising European Training Programs for the Ergonomics Profession) verleend door de commissie BREE (Belgian Registration European Ergonomics) van de Belgian Ergonomics Society (BES). § 3. De personen die vóór 1 januari 2004 door een erkende externe dienst werden aangeworven in de disciplines bedoeld in § 1, 3° of 4°, en die niet voldoen aan de voorwaarden bedoeld in de § § 1 of 2, kunnen een aanvraag voor regularisatie indienen bij de leidend ambtenaar HUA die, na unaniem advies van de Vaste Operationele Commissie, beslist of de ingeroepen kwalificaties tenminste gelijkwaardig zijn aan deze die vereist zijn in § 1, 3° of 4°. Art. II.3-31.- Bij de uitoefening van eenzelfde opdracht inzake risicobeheersing mag één enkele preventieadviseur tezelfdertijd niet meer dan twee disciplines vertegenwoordigen. In elk geval mag de discipline inzake arbeidsveiligheid en deze inzake arbeidsgeneeskunde nooit door één en dezelfde persoon beoefend worden. Art. II.3-32.- De afdeling belast met het medisch toezicht wordt geleid door een preventieadviseur-arbeidsgeneesheer die beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in artikel II.3-30, eerste lid, 2° ; Deze preventieadviseur-arbeidsgeneesheer is uitsluitend tegenover de met de leiding van de dienst belaste persoon verantwoording verschuldigd voor zijn werkzaamheden in verband met de leiding, het beheer en de organisatie van de afdeling. Op deze preventieadviseur-arbeidsgeneesheer zijn de bijzondere regels bepaald in de artikelen I.4-17, I.4-18, I.4-22 en I.4-24 van toepassing. Art. II.3-33.- De afdeling belast met het medisch toezicht bestaat uit preventieadviseurs-arbeidsgeneesheren die bijgestaan worden door verplegend personeel en administratief personeel. De personen die deel uitmaken van deze afdeling oefenen hun functies uit onder de verantwoordelijkheid van de in artikel II.3-32 bedoelde preventieadviseur-arbeidsgeneesheer. Op de preventieadviseurs-arbeidsgeneesheren zijn de bijzondere regels bepaald in de artikelen I.4-17, I.4-18, I.4-22 en I.4-24 van toepassing. Tijdens de opdrachten die bij de werkgevers worden uitgevoerd in het kader van het gezondheidstoezicht, wordt de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer uitsluitend bijgestaan door personeel dat deel uitmaakt van de afdeling belast met het medisch toezicht. Voor specifieke prestaties van medische aard opgelegd door de wet en de codex moet de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer beroep doen op specifiek gekwalificeerd personeel zoals bepaald in deze codex. Dit personeel behoort al dan niet tot de afdeling belast met het medisch toezicht. Art. II.3-34.- § 1. Onverminderd de bepalingen van de artikelen II.3-27 en II.3-29 wordt het aantal en de deskundigheid van de preventieadviseurs die deel uitmaken van de afdeling risicobeheersing, en van de preventieadviseurs-arbeidsgeneesheren evenals van het verplegend en administratief personeel, die moeten worden verbonden aan de externe dienst, bepaald, rekening houdend met de eisen die gesteld worden aan de prestaties te verrichten bij elke werkgever die een overeenkomst gesloten heeft met de externe dienst en rekening houdend met het feit dat hun opdrachten te allen tijde volledig en efficiënt moeten worden vervuld. § 2. Het minimum aantal preventieadviseurs wordt berekend volgens de volgende verdeling van hun prestaties : 1° voor de prestaties van een preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, gemiddeld :
  110. a)een uur per werknemer die verplicht onderworpen is aan gezondheidstoezicht;
  111. b)twintig minuten per jongere op het werk bedoeld in artikel X.3-12;
  112. c)twintig minuten per werknemer die blootstaat aan arbeidsdruk, zoals gedefinieerd in artikel I.4-1, § 2, 3°, b); 2° voor de prestaties van de preventieadviseurs die deel uitmaken van de afdeling risicobeheersing, gemiddeld tien minuten per werknemer geteld onder de personeelsleden. § 3. De uren die gepresteerd worden door de preventieadviseurs-arbeidsgeneesheren voor de werknemers die onderworpen zijn aan het gezondheidstoezicht, worden als volgt verdeeld : 1° vijfenveertig minuten per werknemer worden gewijd aan de opdrachten bedoeld in artikel II.1-5; 2° vijftien minuten per werknemer worden gewijd aan de uitvoering van de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 in samenwerking met de preventieadviseurs van andere disciplines en die deel uitmaken van de afdeling risicobeheersing. Art. II.3-35.- Onder prestaties van een preventieadviseur wordt verstaan, het geheel van activiteiten die deze preventieadviseur moet verrichten teneinde de activiteiten toegewezen aan de externe dienst te allen tijde volledig en doeltreffend te kunnen verwezenlijken. De verplaatsingen die de preventieadviseurs moeten doen om zich naar de verschillende werkgevers die aangesloten zijn bij de externe dienst te begeven, behoren niet tot deze prestaties. Deze prestaties houden bovendien rekening met de tijd die wordt besteed aan studies en onderzoek dat nodig is om deze opdrachten integraal en gewetensvol te vervullen. Art. II.3-36.- De externe dienst is dermate georganiseerd dat de verschillende opdrachten van die dienst bij eenzelfde werkgever steeds worden vervuld door dezelfde ploeg van preventieadviseurs. De naam van de preventieadviseur of van de preventieadviseurs wordt meegedeeld door de werkgever aan het Comité. Art. II.3-37.- De externe dienst houdt voor de werkgever op elektronische wijze een inventaris bij van alle uitgevoerde prestaties, die door de werkgever te allen tijde online kan worden geraadpleegd. Deze inventaris bevat per prestatie de volgende gegevens : 1° de datum van de prestatie; 2° de naam van de persoon bedoeld in artikel II.3-17, § 2 die de prestatie heeft uitgevoerd, evenals zijn deskundigheid; 3° een beschrijving van de prestatie met, in voorkomend geval, de aanduiding van de reglementaire bepaling die ze oplegt;4° de verwijzing naar het kwaliteitshandboek;5° de adviezen en besluiten;6° al naargelang het geval, de eisen opgelegd door de specifieke methodes die bij het uitvoeren van de prestatie werden gebruikt; 7° voor de werkgevers bedoeld in artikel II.3-16, § 2, de kostprijs uitgedrukt in preventie-eenheden zoals bedoeld in artikel II.3-17, § 1, teneinde het saldo te kunnen berekenen. Art. II.3-38.- De werkgever brengt het Comité op regelmatige tijdstippen, en telkens wanneer het Comité er om verzoekt, op de hoogte van de inhoud van de inventaris, bedoeld in artikel II.3-37. De met het toezicht belaste ambtenaren kunnen de inventaris inkijken telkens zij erom verzoeken. Art. II.3-39.- De externe dienst stelt een jaarverslag op waarvan de inhoud wordt bepaald door de Minister. Dit jaarverslag wordt voorgelegd aan de raad van bestuur van de vereniging, en aan het adviescomité en de algemene directie HUA, en wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar. HOOFDSTUK V. - Het statuut van de preventieadviseurs Art. II.3-40.- De raad van bestuur van de externe dienst duidt de preventieadviseurs of hun tijdelijke plaatsvervangers aan, vervangt hen of verwijdert hen uit hun functie na voorafgaand akkoord van de leden die de werkgevers vertegenwoordigen en van de leden die de werknemers vertegenwoordigen in het adviescomité. De raad van bestuur vraagt, indien geen akkoord wordt bereikt, het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar. De procedure bedoeld in artikel II.3-23, vijfde tot achtste lid is van toepassing. Art. II.3-41.- Bij toepassing van artikel 43 van de wet, vervullen de preventieadviseurs hun opdrachten in volledige onafhankelijkheid ten overstaan van de werkgevers en de werknemers bij wie zij hun opdrachten uitvoeren evenals ten overstaan van de raad van bestuur. De meningsverschillen betreffende de werkelijkheid van de onafhankelijkheid en betreffende de bekwaamheid van de preventieadviseurs worden op verzoek van één van de betrokken partijen onderzocht door de met het toezicht belaste ambtenaar. Deze ambtenaar hoort de betrokken partijen en poogt de standpunten te verzoenen. Indien geen verzoening wordt bereikt, verstrekt hij een advies waarvan per aangetekend schrijven kennis wordt gegeven aan de betrokken partijen, de raad van bestuur en het adviescomité. De kennisgeving wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de afgifte van de brief aan de post. Art. II.3-42.- De werkgever verzoekt de raad van bestuur de preventieadviseur te vervangen, wanneer deze preventieadviseur die bij deze werkgever opdrachten uitvoert overeenkomstig artikel II.3-36 niet langer het vertrouwen geniet van de werknemers en indien alle werknemersvertegenwoordigers in het Comité hierom verzoeken. De raad van bestuur vervangt de preventieadviseur en licht het adviescomité en de werkgever hierover in. Art. II.3-43.- De preventieadviseurs worden betaald door de raad van bestuur van de externe dienst. HOOFDSTUK VI. - De erkenning van de externe dienst Art. II.3-44.- § 1. De aanvraag tot erkenning of tot hernieuwing van de erkenning wordt gericht tot de Minister. § 2. Bij deze aanvraag dienen de volgende documenten en inlichtingen te worden gevoegd : 1° een kopie van de statuten van de externe dienst;2° een organigram betreffende de structuur van de dienst en de lijst van personen werkzaam in de dienst;3° een kopie van de erkenning verleend door de Gemeenschappen aan de afdeling belast met het medisch toezicht;4° naam en voornaam van de persoon belast met de leiding van de dienst, zijn kwalificaties en beroepservaring;5° naam en voornaam van de preventieadviseur belast met de leiding van de afdeling belast met risicobeheersing en zijn kwalificaties;6° naam en voornaam van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer belast met de leiding van de afdeling belast met het medisch toezicht en zijn kwalificaties; 7° naam en voornaam van de preventieadviseurs bedoeld in artikel II.3-30, evenals hun kwalificaties en, in voorkomend geval, hun beroepservaring; 8° de verklaring waarbij de externe dienst zich ertoe verbindt de principes van integrale kwaliteitszorg toe te passen of een afschrift van het certificaat bedoeld in artikel II.3-7, § 3, derde lid; in geval van gegronde twijfel over de waarachtigheid van de voorgelegde of opgestuurde kopie van dit laatste document dient de in artikel 508, §

§ 3

, van de programmawet van 22 december 2003Relevante gevonden documenten type programmawet prom. 22/12/2003 pub. 31/12/2003 numac 2003021248 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Programmawet sluiten voorziene procedure te worden nageleefd; 9° een inventaris van de materiële middelen. §

  1. De Minister of de met het toezicht belaste ambtenaar kan alle andere relevante inlichtingen of documenten vragen die hij nodig acht. Indien de externe dienst de gevraagde inlichtingen of documenten niet verstrekt binnen twee maanden vanaf de datum van de vraag, wordt de erkenning ambtshalve geweigerd. Deze beslissing wordt door de algemene directie HUA per aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de externe dienst. Art. II.3-45.- §
  2. De erkenningsaanvraag wordt onderzocht door de met het toezicht belaste ambtenaar op basis van de stukken van het dossier, in voorkomend geval aangevuld met de informatie en documenten verstrekt in toepassing van artikel II.3-44, § 3, eerste lid. §
  3. Zodra het dossier volledig is, verricht de met het toezicht belaste ambtenaar een onderzoek ter plaatse en stelt een verslag op. §
  4. Het dossier en het verslag worden voorgelegd aan de Vaste Operationele Commissie die binnen drie maanden na de overzending van die documenten een advies aan de Minister bezorgt. Art. II.3-46.- §
  5. De Minister beslist om de erkenning al dan niet toe te kennen. De Minister verleent de erkenning bij wege van ministerieel besluit. Dit besluit kan in voorkomend geval de voorwaarden concretiseren betreffende : 1° de inhoud en de toepassing van het kwaliteitssysteem, zoals opgelegd door artikel II.3-7; 2° het vereiste minimum aantal preventieadviseurs, evenals hun diplomavereisten en vormingsniveau;3° de uitvoering van de opdrachten van de externe dienst, inzonderheid wat betreft het aantal bezoeken aan de arbeidsplaatsen, het gezondheidstoezicht en het bijwonen van vergaderingen van Comités. De erkenning kan in voorkomend geval worden beperkt tot de opdrachten die het voorwerp zijn van de bestaande overeenkomsten voor een periode bepaald door de Minister. §
  6. De erkenning wordt verleend voor een termijn van vijf jaar. De erkenning kan worden verleend voor een kortere termijn : 1° bij een eerste erkenningsaanvraag voor een nieuw op te richten externe dienst;2° bij een erkenningsaanvraag door een externe dienst waarvan de erkenning was geweigerd in de zin van § 1, eerste lid; 3° bij een erkenningsaanvraag van een externe dienst waarvan de erkenning is verkort of ingetrokken in overeenstemming met artikel II.3-50, § 3, 2° of 3°. §
  7. De gemotiveerde beslissing wordt bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de externe dienst. §
  8. De Vaste Operationele Commissie wordt ingelicht over de gemotiveerde beslissing van de Minister. Art. II.3-47.- §
  9. Uiterlijk één jaar voor het verstrijken van de termijn van erkenning vraagt de externe dienst de hernieuwing van de erkenning aan bij de Minister. In geval van een erkenning van maximum twee jaar kan de Minister een kortere termijn toestaan voor het indienen van de aanvraag tot hernieuwing van de erkenning. §
  10. Bij de aanvraag tot hernieuwing van de erkenning dienen de volgende documenten en inlichtingen te worden gevoegd : 1° de wijzigingen aangebracht in de bij artikel II.3-44, § 2 bedoelde documenten en inlichtingen tijdens de afgelopen erkenningstermijn; 2° een financieel verslag over de werking van de externe dienst tijdens de afgelopen erkenningstermijn;3° een verslag over de organisatie en de werking van de externe dienst en over de opdrachten verricht tijdens de afgelopen erkenningstermijn; 4° een kwaliteitshandboek of een afschrift van het certificaat bedoeld in artikel II.3-7, § 3, derde lid. In geval van gegronde twijfel over de waarachtigheid van de voorgelegde of opgestuurde kopie van dit laatste document dient de in artikel 508, §

§ 3

, van de programmawet van 22 december 2003Relevante gevonden documenten type programmawet prom. 22/12/2003 pub. 31/12/2003 numac 2003021248 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Programmawet sluiten voorziene procedure te worden nageleefd. §

  1. De Minister of de met het toezicht belaste ambtenaar kan alle andere relevante inlichtingen of documenten vragen die hij nodig acht. Indien de externe dienst de gevraagde inlichtingen of documenten niet verstrekt binnen twee maanden vanaf de datum van de vraag, wordt de hernieuwing van de erkenning ambtshalve geweigerd. Deze beslissing wordt door de algemene directie HUA per aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de externe dienst. §
  2. Het onderzoek van de aanvraag tot hernieuwing van de erkenning gebeurt overeenkomstig artikel II.3-
  3. §
  4. De beslissing over de hernieuwing van de erkenning gebeurt overeenkomstig artikel II.3-
  5. Art. II.3-48.- Alle kennisgevingen die gebeuren in toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk worden geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de afgifte aan de post van het aangetekend schrijven. Art. II.3-49.- De erkende externe diensten zijn ertoe gehouden, op eigen initiatief, de volgende inlichtingen en documenten te verstrekken aan de algemene directie HUA : 1° elke wijziging van hun statuten;2° elke wijziging in de organisatie, de beschikbare middelen en het kwaliteitsbeleid dat van aard is de naleving van de voorwaarden van deze titel te beïnvloeden;3° elke indienstneming of vervanging van een preventieadviseur al dan niet belast met de leiding van een dienst of een afdeling; 4° de in artikel II.3-10 bedoelde tariefregeling; 5° het in artikel II.3-39 bedoelde jaarverslag; 6° de begroting evenals de in artikel II.3-24, vijfde lid bedoelde jaarrekeningen; 7° elke intrekking of verval van het in artikel II.3-7, § 3, derde lid, bedoelde certificaat. De in het eerste lid, 5° en 6° bedoelde documenten moeten uiterlijk op 30 juni van het daaropvolgende jaar worden overgezonden. Deze documenten worden ter beschikking gehouden van de Vaste Operationele Commissie. Art. II.3-50.- §
  6. De erkende externe diensten zijn ertoe gehouden, op verzoek van de met het toezicht belaste ambtenaar, alle documenten of inlichtingen te verstrekken die betrekking hebben op hun activiteiten of hun werking of die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van deze titel. §
  7. Indien de met het toezicht belaste ambtenaren vaststellen dat de externe dienst niet meer voldoet aan de bepalingen van deze titel, of de voorwaarden opgelegd in het erkenningsbesluit niet naleeft, kunnen zij een termijn vaststellen waarbinnen de externe dienst die nagekomen moet zijn. Wanneer de externe dienst houder is van het certificaat bedoeld in artikel II.3-7, § 3, derde lid, stelt de algemene directie HUA de certificatie-instelling die het kwaliteitssysteem van de externe dienst gecertificeerd heeft, in kennis van alle vaststellingen die relevant zijn voor de certificatie. §
  8. Indien de externe dienst zich niet in regel heeft gesteld na verloop van de in § 2 bedoelde termijn, of wanneer de algemene directie HUA vaststelt dat het in artikel II.3-7, § 3, derde lid bedoelde certificaat door de certificatie-instelling ingetrokken, niet hernieuwd of niet uitgereikt is, kan de Minister op grond van een omstandig verslag van de met het toezicht belaste ambtenaar, en na advies van de Vaste Operationele Commissie dat verstrekt wordt overeenkomstig artikel II.3-45, § 3 beslissen tot : 1° hetzij het beperken van de erkenning tot de opdrachten die het voorwerp zijn van de bestaande overeenkomsten voor een periode die hij vaststelt;2° hetzij het beperken van de verleende erkenning tot een kortere termijn dan de oorspronkelijk voorziene termijn van de erkenning;3° hetzij het intrekken van de erkenning. §
  9. De beslissingen genomen in uitvoering van §

§ 3

worden, met opgave van de redenen, aan de betrokken externe dienst betekend bij een ter post aangetekende brief. De Vaste Operationele Commissie wordt eveneens van deze gemotiveerde beslissingen op de hoogte gesteld. Art. II.3-51.- De Vaste Operationele Commissie heeft als opdracht : 1° advies te verstrekken over de aanvragen tot erkenning, de aanvragen tot hernieuwing van de erkenning, de aanvragen tot uitbreiding van de territoriale bevoegdheid en de aanvragen tot uitbreiding van de sectorale bevoegdheid;2° adviezen en voorstellen te formuleren over de erkenningsvoorwaarden, inzonderheid wat de principes van integrale kwaliteitszorg betreft;3° de jaarverslagen en financiële verslagen die door de externe dienst worden opgesteld te onderzoeken. TITEL

  1. - VORMING EN BIJSCHOLING VAN DE PREVENTIEADVISEURS HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. II.4-1.- Voor de toepassing van deze titel wordt onder inrichter verstaan : de instelling die de aanvullende vorming organiseert. Art. II.4-2.- De aanvullende vorming van de preventieadviseurs, met uitzondering van de preventieadviseurs-arbeidsgeneesheren, is modulair opgebouwd en omvat een multidisciplinaire basismodule en een specialisatiemodule. HOOFDSTUK II. - De aanvullende vorming niveau I en II Afdeling
  2. - Inhoud en opbouw van de aanvullende vorming Art. II.4-3.- §
  3. De aanvullende vorming niveau I bestaat uit een multidisciplinaire basismodule en een specialisatiemodule niveau I. De aanvullende vorming niveau II bestaat uit een multidisciplinaire basismodule en een specialisatiemodule niveau II. §
  4. De inhoud van de multidisciplinaire basismodule is bepaald in bijlage II.4-
  5. De inhoud van de specialisatiemodule niveau I is bepaald in bijlage II.4-
  6. De inhoud van de specialisatiemodule niveau II is bepaald in bijlage II.4-
  7. Afdeling
  8. - Toelatingsvoorwaarden Art. II.4-4.- §
  9. Worden toegelaten tot de aanvullende vorming van niveau I de kandidaten die houder zijn van een bachelordiploma van een universiteit of van een bachelordiploma van hoger onderwijs op universitair niveau. §
  10. Worden toegelaten tot de aanvullende vorming van niveau II de kandidaten die houder zijn van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs of hogere secundaire leergangen. §
  11. In afwijking van § 1, kunnen kandidaten die houder zijn van een getuigschrift van aanvullende vorming van niveau II en die bewijzen een nuttige praktische ervaring te bezitten van minstens vijf jaar in een interne of externe dienst, worden toegelaten tot de specialisatiemodule van niveau I om een aanvullende vorming van niveau I te verwerven. De praktische ervaring bedoeld in het voorgaande lid geldt niet voor de kandidaten waarvan de werkgever overgaat van groep C of B naar groep A. De kandidaten moeten in dit geval niveau I verwerven binnen de vier jaar na de overgang. §
  12. In afwijking van § 2, kunnen kandidaten die de basiscursus bedoeld in artikel II.4-24 hebben gevolgd en die bewijzen een nuttige praktische ervaring te bezitten van minstens vijf jaar in een interne of externe dienst, worden toegelaten tot de vorming van niveau II. Afdeling
  13. - Organisatie van de aanvullende vorming Art. II.4-5.- De multidisciplinaire basismodule en de specialisatiemodules niveau I en II worden georganiseerd door inrichters die beantwoorden aan de bepalingen van deze afdeling. Art. II.4-6.- De cursusmodules zijn zo opgevat en gestructureerd dat de kandidaat voor een functie van preventieadviseur op het einde van de cursussen de kennis en de vaardigheden heeft verworven, opgesomd in de bijlagen II.4-

II.4-3 of II.4-

  1. Art. II.4-7.- De cursusmodules moeten voldoende gericht zijn op de praktijk en doorweven zijn van de principes van de wet. De cursisten moeten voldoende in contact komen met de sociale partners en andere actoren binnen het bedrijf. Art. II.4-8.- §
  2. Het lesrooster van de multidisciplinaire basismodule beslaat ten minste 120 uren. §
  3. Het lesrooster van de specialisatiemodule van niveau I beslaat ten minste 280 uren. Het lesrooster van de specialisatiemodule van niveau II beslaat ten minste 90 uren, gespreid over maximum één jaar. Art. II.4-9.- §
  4. De organisatie van de cursusmodules wordt overgelaten aan het vrij initiatief van de inrichters voor zover de bepalingen van dit hoofdstuk en de criteria van de bijlagen II.4-2, II.4-3 en II.4-4 worden nageleefd. §
  5. Een inrichter mag slechts cursussen aanvullende vorming organiseren die de multidisciplinaire basismodule en één of beide specialisatiemodules omvatten. §
  6. De organisatie en de omkadering van de aanvullende vorming van niveau I zijn van universitair niveau. Art. II.4-10.- De lesgevers moeten voldoende voeling hebben met de praktijk. Er wordt voor de praktijkgerichte onderdelen van de cursus zo veel mogelijk beroep gedaan op mensen uit de praktijk, in het bijzonder preventieadviseurs van interne en externe diensten, preventieadviseurs-arbeidsgeneesheren, vertegenwoordigers van de sociale partners, EDTC, bevoegde ambtenaren. Art. II.4-11.- De aanvullende vormingen worden afgesloten met een grondige evaluatie van de cursisten. Deze evaluatie omvat : 1° het testen van de kennis en het inzicht in de leerstof;2° het opstellen en de verdediging van een eindwerk waarmee de cursist aantoont de opgedane kennis en vaardigheden in de praktijk te kunnen toepassen. De evaluatie dient in zijn geheel representatief te zijn voor het testen van de kennis en de vaardigheden die krachtens bijlagen II.4-2, II.4-3 en II.4-4 van toepassing zijn op de module waarvoor de proef wordt afgelegd. De inrichters kunnen cursisten vrijstellen van de vakken waarover zij reeds een examen of een proef hebben afgelegd in het kader van een vorming voor bachelor of master. De verdediging van het eindwerk gebeurt voor een multidisciplinaire jury. De bevoegde ambtenaren van de algemene directie TWW worden hierover tijdig ingelicht en worden hiervoor uitgenodigd. Art. II.4-12.- Elke inrichter richt een stuurgroep op. De stuurgroep is samengesteld uit : 1° een vertegenwoordiger van de inrichter;2° minstens één vertegenwoordiger van een andere inrichter die onafhankelijk is ten opzichte van de betrokken inrichter;3° minstens twee vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;4° minstens twee vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties;5° minstens één vertegenwoordiger van de preventieadviseurs;6° minstens één vertegenwoordiger aangeduid door de cursisten. De leidend ambtenaar TWW kan de vergaderingen van de stuurgroep bijwonen als waarnemer. Art. II.4-13.- De stuurgroep heeft als opdracht : 1° aanbevelingen te doen aan de inrichter met betrekking tot de toepassing van de bepalingen van deze afdeling en de wijze waarop de doelstellingen van deze afdeling kunnen worden bereikt; 2° het in artikel II.4-15 bedoelde verslag te evalueren. De stuurgroep stelt van haar activiteiten een verslag op. Een afschrift van dit verslag wordt gestuurd naar de inrichter, de leidend ambtenaar HUA en de leidend ambtenaar TWW en naar de commissie, bedoeld in artikel II.4-
  7. Art. II.4-14.- De stuurgroep vergadert telkens de inrichter een in artikel II.4-15 bedoeld verslag heeft opgesteld en minstens eenmaal per jaar. Art. II.4-15.- Telkens een vormingscyclus is beëindigd, bezorgen de inrichters een verslag aan de in artikel II.4-12 bedoelde stuurgroep, aan de leidend ambtenaar HUA en aan de leidend ambtenaar TWW. Dit verslag vermeldt de volgende gegevens : 1° de wijzigingen in het programma en de organisatie van de cursussen;2° de aangewende methoden;3° de namen en referenties van de lesgevers;4° de voorzieningen voor de cursisten;5° de evaluatie door de cursisten van de cursus en van de lesgevers;6° de cursisten (naam, adres en eventueel bedrijf) die met vrucht de vormingscyclus beëindigd hebben. Het verslag wordt opgesteld ten laatste drie maanden na het beëindigen van de vormingscyclus. Afdeling
  8. - Erkenning van de aanvullende vorming Art. II.4-16.- De aanvraag tot erkenning van een aanvullende vorming wordt ingediend bij de algemene directie HUA en bevat de inlichtingen bepaald in bijlage II.4-
  9. Zij dient te gebeuren ten minste zes maanden voor de start van de cyclus waarvoor de erkenning wordt gevraagd. Art. II.4-17.- De algemene directie HUA onderzoekt de aanvraag. Zij gaat inzonderheid na of de inrichter voldoet aan de voorwaarden inzake het programma, de organisatie en de evaluatie van de aanvullende vorming en of de inhoud van de modules beantwoordt aan de criteria vastgesteld in bijlagen II.4-2, II.4-3 en II.4-
  10. In het kader van haar onderzoek kan de algemene directie HUA alle andere inlichtingen of documenten vragen die zij nodig acht. De algemene directie HUA legt de aanvraag samen met haar advies voor aan de commissie, bedoeld in artikel II.4-
  11. De commissie onderzoekt de overeenstemming van de cursussen met de bepalingen van deze afdeling. De commissie kan de inrichters van de cursussen oproepen en horen. De algemene directie HUA maakt haar advies en dat van de commissie over aan de Minister. Art. II.4-18.- De Minister neemt een beslissing waarbij de erkenning al dan niet wordt verleend. Art. II.4-19.- De erkenning geldt voor een duur van hoogstens vijf jaar. Zij kan evenwel door de Minister worden ingetrokken of geschorst wanneer de modules niet meer beantwoorden aan de bepalingen van deze titel. Vooraleer zijn beslissing tot intrekking of schorsing te nemen wint de Minister het advies in van de algemene directie HUA en van de commissie. Art. II.4-20.- Onverminderd de overige bepalingen van dit hoofdstuk zijn de inrichters van aanvullende vormingen van niveau I vrijgesteld van de bepalingen betreffende het oprichten van een stuurgroep en betreffende de erkenning, op voorwaarde dat : 1° zij onderworpen zijn aan een systeem van kwaliteitsbewaking, opgericht door inrichtingen van hetzelfde niveau als het hunne; 2° zij aan de algemene directie HUA de inlichtingen bedoeld in bijlage II.4-1 overmaken, alsmede de inlichtingen betreffende het systeem van kwaliteitsbewaking waaraan zij zich onderwerpen; 3° zij het verslag bedoeld in artikel II.4-15 aan de algemene directie HUA en de algemene directie TWW overmaken. Art. II.4-21.- De commissie belast met de erkenning van de cursussen aanvullende vorming is de Vaste Operationele Commissie. Deze commissie heeft als opdracht : 1° het uitbrengen van het advies, bedoeld in artikel II.4-17; 2° het uitbrengen van advies over het intrekken of schorsen van de erkenning overeenkomstig artikel II.4-19; 3° het opstellen van leidraden voor de opbouw van de cursusprogramma's overeenkomstig bijlagen II.4-2, II.4-3 en II.4-4 en het aanpassen e

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.