← België

Koninklijk besluit tot vaststelling van boek II -Organisatorische structuren en sociaal overleg van de codex over het welzijn op het werk

In het kort

Dit Koninklijk Besluit stelt Boek II van de codex over het welzijn op het werk vast, dat gaat over de organisatorische structuren en het sociaal overleg met betrekking tot het welzijn van werknemers. Het regelt de inrichting en taken van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
28 APRIL 2017. - Koninklijk besluit tot vaststelling van boek II -Organisatorische structuren en sociaal overleg van de codex over het welzijn op het werk FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 sluiten betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, artikel 4, § 1, genummerd bij de wet van 7 april 1999 en gewijzigd bij de wet van 28 februari 2014, artikel 33, § 3, artikel 38, § 1, gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998, artikel 39, eerste lid en derde lid, gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, artikel 40, § 2 en § 3, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2004 en 27 november 2015, artikel 41, artikel 44, gewijzigd bij de wetten van 13 februari 1998 en 30 december 2009, artikel 45, artikel 47, artikel 47bis, artikel 53, artikel 65, gewijzigd bij de wet van 23 april 2008, artikel 67 en artikel 68; Gelet op het koninklijk besluit van 31 maart 1992 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden alsmede de criteria voor de uitrusting en werking van de laboratoria en diensten bedoeld in artikel 148decies, 1, § 6, tweede lid, van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming en in artikel 64nonies, tweede lid, van het Algemeen Reglement betreffende de maatregelen op gebied van hygiëne en gezondheid der werknemers in de mijnen, ondergrondse groeven en graverijen; Gelet op het koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 31/03/1998 numac 1998012229 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 31/03/1998 numac 1998012230 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk sluiten betreffende de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk; Gelet op het koninklijk besluit van 27 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 31/03/1998 numac 1998012229 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk type koninklijk besluit prom. 27/03/1998 pub. 31/03/1998 numac 1998012230 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk sluiten betreffende de Externe Diensten voor Preventie en Bescherming op het werk; Gelet op het koninklijk besluit van 29 april 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 29/04/1999 pub. 02/09/1999 numac 1999012364 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controles op de werkplaats sluiten betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controles op de werkplaats; Gelet op het koninklijk besluit van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/05/1999 pub. 10/07/1999 numac 1999012359 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor preventie en bescherming op het werk sluiten betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor preventie en bescherming op het werk; Gelet op het koninklijk besluit van 5 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/1999 pub. 13/07/1999 numac 1999012524 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet betreffende de controlegeneeskunde type wet prom. 13/06/1999 pub. 01/09/2009 numac 2009000543 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de controlegeneeskunde Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 betreffende de deskundigheden van de preventieadviseurs van de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk; Gelet op het koninklijk besluit van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/1999 pub. 13/07/1999 numac 1999012524 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet betreffende de controlegeneeskunde type wet prom. 13/06/1999 pub. 01/09/2009 numac 2009000543 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de controlegeneeskunde Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 betreffende de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk; Gelet op het koninklijk besluit van 17 mei 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/1999 pub. 13/07/1999 numac 1999012524 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet betreffende de controlegeneeskunde type wet prom. 13/06/1999 pub. 01/09/2009 numac 2009000543 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de controlegeneeskunde Officieuze coördinatie in het Duits sluiten4 betreffende de vorming en de bijscholing van de preventieadviseurs van de interne en externe diensten voor preventie en bescherming op het werk; Gelet op het koninklijk besluit van 27 oktober 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/1999 pub. 13/07/1999 numac 1999012524 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet betreffende de controlegeneeskunde type wet prom. 13/06/1999 pub. 01/09/2009 numac 2009000543 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de controlegeneeskunde Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 betreffende de oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst voor preventie en bescherming op het werk; Gelet op het advies nr. 189 van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk, gegeven op 11 december 2015; Gelet op het advies nr. 59.620/1/V van de Raad van State, gegeven op 9 september 2016 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.Boek II.- Organisatorische structuren en sociaal overleg van de codex over het welzijn op het werk wordt vastgesteld als volgt : « BOEK II. - ORGANISATORISCHE STRUCTUREN EN SOCIAAL OVERLEG TITEL 1. - DE INTERNE DIENST VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen Artikel II.1-1.- Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder preventieadviseur : de preventieadviseur van de interne dienst, met uitsluiting van het administratief en medisch hulppersoneel (paramedisch personeel) en van de deskundigen met vaardigheden bedoeld in artikel II.1-13, derde lid, 3° en 4°. Art. II.1-2.- § 1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel worden de werkgevers in vier groepen ingedeeld. Groep A bevat de werkgevers die meer dan 1.000 werknemers tewerkstellen. Dit aantal werknemers wordt verminderd tot : 1° 500 voor de werkgevers van wie de onderneming behoort tot : a) de industrie voor winning, reiniging en distributie van water;b) de metaalverwerkende industrie, en de fijnmechanische en optische industrie, met uitzondering van de ondernemingen bedoeld in 2°, f), g), h) en i);c) de andere be- en verwerkende industrieën, met uitzondering van de ondernemingen bedoeld in 2°, j) en l);2° 200 voor de werkgevers van wie de onderneming behoort tot : a) de industrie voor productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en warm water;b) de industrie voor vervaardiging en eerste verwerking van metalen;c) de industrie voor vervaardiging van steen, cement, betonwaren, aardewerk, glas en dergelijke;d) de chemische industrie, met uitzondering van de ondernemingen bedoeld in 3°, d) e) en f);e) de kunstmatige en synthetische continugaren- en vezelindustrie;f) de industrie voor vervaardiging van producten uit metaal;g) de machinebouwnijverheid;h) de industrie van de automobielbouw en de fabrieken van auto-onderdelen;i) de overige transportmiddelenfabrieken;j) de houtindustrie en de fabrieken van houten meubelen;k) de bouwnijverheid;l) de vleesverwerkende nijverheid;m) de menselijke gezondheidszorg;n) het vervoer en opslag;3° 50 voor de werkgevers van wie de onderneming behoort tot : a) de industrie voor winning en vervaardiging van splijt- en kweekstoffen;b) de cokesovenbedrijven;c) de aardolie-industrie;d) de chemische grondstoffenfabrieken;e) de petro- en carbochemische industrie;f) de industrie voor de vervaardiging van andere chemische producten met voornamelijk industriële of agrarische toepassing. Groep B omvat de werkgevers : 1° die tussen 200 en 1.000 werknemers tewerkstellen en die niet opgenomen zijn in groep A; 2° die tussen 100 en 200 werknemers tewerkstellen en van wie de onderneming behoort tot de bedrijfstakken bedoeld bij het derde lid, 1° ;3° die tussen 50 en 200 werknemers tewerkstellen en van wie de onderneming behoort tot de bedrijfstakken bedoeld bij het derde lid, 2° ;4° die tussen 20 en 50 werknemers tewerkstellen en van wie de onderneming behoort tot de bedrijfstakken bedoeld bij het derde lid, 3°. Groep C omvat de werkgevers die minder dan 200 werknemers tewerkstellen en die niet zijn opgenomen in de groepen A en B. Groep D omvat de werkgevers die minder dan 20 werknemers tewerkstellen en waar de werkgever zelf de functie van preventieadviseur vervult. Indien een technische bedrijfseenheid, bedoeld in artikel 35, § 3 van de wet moet worden ingedeeld in één van de groepen bedoeld in deze paragraaf wordt de activiteit van de technische bedrijfseenheid in aanmerking genomen. § 2. Het aantal werknemers wordt berekend door het aantal kalenderdagen waarop elke werknemer, gedurende een periode van de vier trimesters die elk trimester voorafgaan, ingeschreven is in het personeelsregister waarvan het bijhouden wordt opgelegd door het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, of in elk ander document dat hiertoe bijgehouden wordt indien de werkgever aan de bepalingen van genoemd koninklijk besluit niet onderworpen is, te delen door driehonderd vijfenzestig. Wanneer het werkelijke uurrooster van een werknemer niet drie vierde bereikt van het uurrooster dat het zijne zou zijn geweest indien hij voltijds tewerkgesteld was, wordt het aantal kalenderdagen waarop hij in het personeelsregister werd ingeschreven tijdens de in het eerste lid bedoelde periode gedeeld door twee. Het aantal gelijkgestelde personen bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, b) tot e) van de wet wordt berekend door het aantal uren waarop zij arbeid, stage of een vorm van arbeid verrichten tijdens een periode van vier trimesters die elk trimester voorafgaat, te delen door duizend zevenhonderd vijftig. HOOFDSTUK II. - De opdrachten van de interne dienst Art. II.1-3.- De interne dienst staat de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers bij voor de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en alle andere preventiemaatregelen en -activiteiten. De interne dienst mag eveneens de opdrachten inzake gezondheidstoezicht bedoeld in artikel II.1-5 uitoefenen, indien hij beantwoordt aan de voorwaarden opgelegd door artikel II.1-12, § 2. De interne dienst werkt samen met de externe dienst, telkens wanneer op die dienst een beroep wordt gedaan. De bepalingen van deze titel doen geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de werkgever om voor specifieke problemen die rijzen in verband met het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en die een bijzondere deskundigheid vergen die niet verplicht aanwezig is in de externe dienst, een beroep te doen op andere diensten of instellingen die gespecialiseerd zijn of bijzonder bevoegd zijn op de domeinen bedoeld in artikel 4 van de wet en op het vlak van de mindervalide werknemers. De werkgever doet een beroep op de in het vierde lid bedoelde diensten of instellingen met de medewerking van de interne of externe dienst en na advies van het Comité. De mogelijkheid om beroep te doen op de bovenvermelde diensten of instellingen moet beschreven zijn in het jaaractieplan. Art. II.1-4.- De interne dienst heeft als opdracht de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers bij te staan in de uitwerking, programmatie, uitvoering en evaluatie van het beleid bepaald door het dynamisch risicobeheersingssysteem. In het kader van dit dynamisch risicobeheersingssysteem heeft de interne dienst volgende opdrachten : 1° in verband met de risicoanalyse : a) meewerken aan de identificatie van de gevaren;b) advies verlenen over de resultaten die voortvloeien uit het vaststellen en nader bepalen van de risico's, en maatregelen voorstellen teneinde over een permanente risicoanalyse te beschikken;c) advies verlenen en voorstellen formuleren voor de opstelling, uitvoering en bijsturing van het globaal preventieplan en het jaaractieplan;2° deelnemen aan de studie van de factoren die van invloed zijn op het ontstaan van ongevallen of incidenten en aan de studie van de oorzaken van doorslaggevende aard van elk ongeval dat een arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft gehad;3° deelnemen aan de analyse van de oorzaken van beroepsziekten;4° deelnemen aan de analyse van de oorzaken van psychosociale risico's op het werk;5° bijdragen tot en meewerken aan het onderzoek van de fysieke en mentale belasting op het werk, de aanpassing van de techniek en de arbeidsomstandigheden aan de menselijke fysiologie evenals de voorkoming van overmatige professionele fysieke en mentale vermoeidheid en deelnemen aan de analyse van de oorzaken van aandoeningen te wijten aan de werkdruk;6° advies verlenen over de organisatie van de arbeidsplaats, de werkpost, de omgevingsfactoren en fysische, chemische, carcinogene en biologische agentia, de arbeidsmiddelen en de individuele uitrusting en over de andere elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk;7° advies verlenen over de hygiëne op de arbeidsplaats inzonderheid wat de keukens, refters, kleedkamers, sanitaire installaties, werk- en rustzitplaatsen en andere bijzondere sociale voorzieningen eigen aan de onderneming betreft die bestemd zijn voor de werknemers;8° advies verlenen over het opstellen van instructies betreffende : a) het gebruik van arbeidsmiddelen;b) het gebruik van chemische en kankerverwekkende stoffen en mengsels en biologische agentia;c) het gebruik van collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen;d) de voorkoming van brand;e) de toe te passen procedures in geval van ernstig en onmiddellijk gevaar;9° advies verlenen over de vorming van de werknemers : a) bij indienstneming;b) bij een overplaatsing of verandering van functie;c) bij invoering van een nieuw arbeidsmiddel of verandering van arbeidsmiddel;d) bij invoering van een nieuwe technologie;10° voorstellen doen voor het onthaal, de begeleiding, de informatie, de vorming en de sensibilisering van de werknemers inzake de maatregelen in verband met het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk van toepassing in de onderneming of instelling en meewerken aan de maatregelen en de uitwerking van propagandamiddelen die in dat verband worden vastgesteld door het Comité;11° aan de werkgever en aan het Comité advies verstrekken over ieder ontwerp, maatregel of middel waarvan de werkgever de toepassing overweegt en die rechtstreeks of onrechtstreeks, onmiddellijk of op termijn, gevolgen kunnen hebben voor het welzijn van de werknemers;12° deelnemen aan de coördinatie, de samenwerking en de informatie inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, wat betreft de ondernemingen van buitenaf en zelfstandigen, en meewerken aan de coördinatie, de samenwerking en de informatie inzake veiligheid en gezondheid wat betreft de ondernemingen en instellingen die bedrijvig zijn op eenzelfde arbeidsplaats of wat betreft de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen;13° ter beschikking staan van de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers voor alle vragen die rijzen in verband met de toepassing van de wet en de codex en deze, in voorkomend geval, voorleggen voor advies aan de externe dienst;14° meewerken aan de uitwerking van de interne noodprocedures en de toepassing van de maatregelen te nemen ingeval van ernstig en onmiddellijk gevaar;15° meewerken aan de organisatie van de eerste hulp van werknemers die slachtoffer zijn van een ongeval of die onwel worden;16° het verzekeren van het secretariaat van het Comité;17° alle andere opdrachten verrichten die worden opgelegd door de wet en de codex. Art. II.1-5.- Naast de samenwerking voor het uitvoeren van de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 zijn de volgende opdrachten voorbehouden aan de preventieadviseurs-arbeidsgeneesheren, die behoren tot het departement of de afdeling belast met het medisch toezicht : 1° het onderzoeken van de wisselwerking tussen de mens en de arbeid en hierdoor bijdragen tot een betere afstemming van de mens op zijn taak enerzijds en de aanpassing van het werk aan de mens anderzijds;2° het gezondheidstoezicht op de werknemers verzekeren inzonderheid om : a) te vermijden dat werknemers worden tewerkgesteld aan taken waarvan zij, wegens hun gezondheidstoestand, normaal de risico's niet kunnen dragen en te vermijden dat personen tot het werk worden toegelaten die getroffen zijn door ernstige besmettelijke aandoeningen of die een gevaar voor de veiligheid inhouden van de andere werknemers;b) de tewerkstellingskansen te bevorderen voor iedereen, onder meer door het voorstellen van aangepaste werkmethodes, het voorstellen van aanpassingen van de werkpost en het zoeken naar aangepast werk, ook voor personen met een beperkte arbeidsgeschiktheid;c) zo vroeg mogelijk beroepsziekten en de aandoeningen gebonden aan de arbeid op te sporen, de werknemers te informeren en te adviseren over de aandoeningen en gebreken waardoor zij zijn getroffen en mee te werken aan het opsporen en de studie van de risicofactoren die van invloed zijn op beroepsziekten en aandoeningen gebonden aan de uitvoering van het werk;3° toezicht houden op de organisatie van de eerste hulp van de werknemers die het slachtoffer zijn van een ongeval of die onwel worden. Art. II.1-6.- § 1. Om deze opdrachten te vervullen zijn de preventieadviseurs ertoe gehouden ten minste de volgende taken uit te oefenen : 1° in het kader van de permanente risicoanalyse en het opstellen en het bijsturen van het globaal preventieplan en het jaaractieplan : a) verrichten van veelvuldige en systematische onderzoeken op de arbeidsplaats, hetzij op eigen initiatief, hetzij op vraag van de werkgever, hetzij binnen de kortst mogelijke tijd na een aanvraag van de werknemers of hun vertegenwoordigers;b) op eigen initiatief, op vraag van de werkgever of op vraag van de betrokken werknemers de werkposten onderzoeken telkens wanneer een werknemer die op die werkpost wordt tewerkgesteld wordt blootgesteld aan de verhoging van de risico's of aan nieuwe risico's;c) ten minste één maal per jaar een grondig onderzoek verrichten van de arbeidsplaatsen en van de werkposten;d) onderzoeken doen naar aanleiding van arbeidsongevallen en incidenten die zich op de arbeidsplaats hebben voorgedaan;e) de nuttige, de nodige en pertinente onderzoeken en opsporingen verrichten voor de verbetering van het welzijn van de werknemers;f) zelf analyses of controles uitvoeren of doen uitvoeren onder de voorwaarden bepaald door de wet en de codex;g) kennis nemen van de fabricageprocédés, werkmethodes en arbeidsprocessen en ze ter plaatse onderzoeken en maatregelen voorstellen om de risico's te verhelpen die eruit voortvloeien; h) de nodige documentatie bijhouden waarvan de inhoud bepaald is in bijlage II.1-1; i) in geval van dringende noodzakelijkheid en de onmogelijkheid om op de directie beroep te doen, zelf de nodige maatregelen treffen om de oorzaken van het gevaar of de hinder te verhelpen;j) de taken uitvoeren die de werkgever hen geeft, teneinde de herhaling van ernstige arbeidsongevallen te voorkomen;k) kennis nemen van de elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk; 2° in het kader van het beheer en de werking van de dienst te zorgen voor : a) het opstellen bij de werkgevers van de groepen A, B en C van de maandverslagen en bij de werkgevers die minder dan 50 werknemers tewerkstellen en die niet behoren tot groep B van de driemaandelijkse verslagen waarvan de inhoud is bepaald in bijlage II.1-2; b) het opstellen van het jaarverslag waarvan de inhoud is bepaald in bijlage II.1-3; c) het opstellen van de arbeidsongevallensteekkaart waarvan de inhoud is bepaald in bijlage II.1-4 of het invullen van het formulier voor de aangifte van het arbeidsongeval, overeenkomstig artikel I.6-12; 3° de documenten op te stellen, aan te vullen of te viseren in het kader van de keuze, de aankoop, het gebruik en het onderhoud van arbeidsmiddelen en PBM;4° de kennisgevingen die in toepassing van de wet en de codex aan de overheid moeten worden verricht bij te houden; 5° taken in het kader van het secretariaatswerk van het Comité te verrichten zoals bepaald in artikel II.7-24; 6° bijhouden van het document bedoeld in artikel I.2-11, tweede lid, 9°. § 2. In het kader van de opdrachten inzake gezondheidstoezicht bepaald in artikel II.1-5 zijn volgende taken voorbehouden aan de afdeling belast met het medisch toezicht : a) ervoor zorgen dat de werknemers die het slachtoffer zijn van een ongeval of die onwel worden, de eerste hulp krijgen, tenzij andere medische diensten opgericht in toepassing van de arbeidsongevallen wet van 10 april 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/04/1971 pub. 17/10/2014 numac 2014000710 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Arbeidsongevallenwet type wet prom. 10/04/1971 pub. 23/03/2018 numac 2018030615 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Arbeidsongevallenwet sluiten hiermee belast zijn;b) de aangifte doen van beroepsziekten. Art. II.1-7.- Onverminderd de bepalingen van de artikelen II.1-8 tot II.1-11 worden de opdrachten en taken bedoeld in de artikelen II.1-4 tot II.1-6 uitgeoefend door de interne dienst of de externe dienst. Onverminderd de bepaling van artikel II.1-10, kunnen alle opdrachten en taken bedoeld in het eerste lid worden uitgeoefend door de interne dienst, indien deze over de vereiste bekwaamheid beschikt. De werkgever moet het in het vierde lid bedoelde identificatiedocument, hetzij apart, hetzij als deel van het jaarverslag van de dienst, hetzij als een bijlage bij de overeenkomst met de externe dienst ter beschikking houden van de met het toezicht belaste ambtenaar. Dit document vermeldt : 1° de identificatie van de werkgever;2° de opdrachten die door de interne dienst worden verricht, eventueel middels een verwijzing naar de desbetreffende bepalingen van deze titel;3° de samenstelling van de interne dienst, het aantal preventieadviseurs, hun kwalificaties en hun prestatieduur;4° de vaardigheden die vertegenwoordigd zijn in de interne dienst, zodat de opdrachten volledig en doeltreffend kunnen worden vervuld;5° de administratieve, technische en financiële middelen waarover de interne dienst beschikt;6° de adviezen van het Comité;7° wanneer het gaat om de opdracht inzake gezondheidstoezicht, een kopie van de erkenning verleend door de bevoegde Gemeenschap. Art. II.1-8.- Bij de werkgevers van groep A en B worden de volgende opdrachten en taken steeds vervuld door de interne dienst : 1° de opdrachten van artikel II.1-4, eerste lid en tweede lid, 1°, 5°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 12°, 13°, 14°, 15° en 16° ; 2° de taken opgesomd in artikel II.1-6, § 1, 1°, a) b) c) e) f) g) h) i), 2°, 3°, 4° en 5° ; 3° de opdrachten en taken bedoeld in artikel II.1-11 indien beroep gedaan wordt op een externe dienst. Art. II.1-9.- Bij de werkgevers van de groep C wordt de interne dienst steeds belast met de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4, tweede lid, 7°, 13° en 16° en de taken bedoeld in artikel II.1-6, § 1, 1°, a) c) h) i), 2°, 3°, 4° en 5° evenals met de opdrachten en taken bedoeld in artikel II.1-11 indien beroep gedaan wordt op een externe dienst. Art. II.1-10.- § 1. De werkgevers waarvan de interne dienst geen departement heeft dat belast is met het medisch gezondheidstoezicht dat beantwoordt aan de bepalingen van artikel II.1-12, § 2, zijn steeds verplicht een beroep te doen op een externe dienst. De externe dienst verricht in dat geval steeds de volgende opdrachten en taken : 1° de opdrachten bedoeld in artikel II.1-5; 2° de taken bedoeld in artikel II.1-6, § 2, b). § 2. Bij de werkgevers van de groep C waarbij de interne dienst geen preventieadviseur heeft die met vrucht een aanvullende vorming niveau I of II heeft beëindigd zoals bepaald in artikel II.1-21, worden de volgende opdrachten en taken steeds verricht door een externe dienst : 1° de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4, eerste en tweede lid, 1° ; 2° verrichten van onderzoeken op de arbeidsplaats na een arbeidsongeval op de arbeidsplaats met vier of meer dagen arbeidsongeschiktheid tot gevolg; 3° de opdrachten en taken die de werkgever hen geeft in toepassing van de artikelen I.6-1 tot I.6-6, teneinde de herhaling van ernstige arbeidsongevallen te voorkomen. § 3. Bij de werkgevers van groep D worden de opdrachten en taken bedoeld in § 2 steeds verricht door een externe dienst. Art. II.1-11.- Onverminderd de bepalingen van de artikelen II.1-8 tot II.1-10, is de interne dienst, telkens wanneer een beroep gedaan wordt op een externe dienst, steeds belast met de volgende opdrachten : 1° de samenwerking met de externe dienst organiseren;2° de coördinatie verzekeren met de externe dienst door aan deze externe dienst alle nuttige informatie te verstrekken die zij nodig heeft voor het vervullen van haar opdrachten;3° in het kader van de risicoanalyse samenwerken met de externe dienst, door de preventieadviseur van de externe dienst te vergezellen bij onderzoekingen op de arbeidsplaats en hem bij te staan bij het onderzoeken van de oorzaken van arbeidsongevallen en beroepsziekten en bij het opstellen van inventarissen;4° meewerken met de externe dienst in het kader van de implementatie van de preventiemaatregelen die op basis van de risicoanalyse zijn vastgesteld inzonderheid door advies te verstrekken in verband met de maatregelen inzake propaganda en inzake het onthaal, de informatie, de vorming en de sensibilisering van de werknemers en inzake het opstellen van de instructies ten behoeve van de werknemers;5° het meewerken aan de uitwerking van de procedures te volgen bij ernstig en onmiddellijk gevaar, en aan de organisatie van de eerste hulp. HOOFDSTUK III De organisatie en werking van de interne dienst Art. II.1-12.- § 1. De interne dienst bestaat al dan niet uit afdelingen overeenkomstig artikel 35 en 36 van de wet. § 2. De werkgever die ervoor kiest dat de opdrachten bedoeld in artikel II.1-5 worden uitgeoefend door de interne dienst, richt binnen de interne dienst een departement op belast met het medisch toezicht, dat erkend kan worden door de Gemeenschappen. Het departement dat belast is met het medisch toezicht wordt geleid door een preventieadviseur-arbeidsgeneesheer bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 2°. Het personeel dat deel uitmaakt van dit departement oefent zijn opdrachten uit onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van deze preventieadviseur. De samenstelling van dit departement en de prestatieduur van de leden ervan zijn conform aan de bepalingen van de artikelen II.3-33 tot II.3-35. § 3. De medische dienst van de krijgsmacht mag belast worden met de opdrachten van een departement belast met het medisch toezicht. In elk geval moet deze dienst voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° de door de bepalingen van deze titel opgelegde verplichtingen kunnen vervullen, zowel wat betreft de uitvoering van de taken die hierin zijn voorgeschreven als wat betreft de titels en wetenschappelijke kwalificaties die de preventieadviseurs aan wie die taken worden toevertrouwd, moeten bezitten;2° de structuur van deze dienst is zodanig dat zijn onafhankelijkheid wordt gewaarborgd alsook die van de preventieadviseurs;3° het medisch dossier maakt het voorwerp uit van een afzonderlijke behandeling, wat de arbeidsgeneeskunde betreft. Art. II.1-13.- Onverminderd de bepalingen betreffende het departement belast met het medisch toezicht, is de interne dienst dermate samengesteld dat zijn opdrachten kunnen worden vervuld op grond van het principe van multidisciplinariteit. Het principe van multidisciplinariteit wordt bereikt door het gecoördineerd optreden van preventieadviseurs en deskundigen die beschikken over verschillende vaardigheden die bijdragen tot de bevordering van het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Deze vaardigheden hebben inzonderheid betrekking op : 1° de arbeidsveiligheid;2° de arbeidsgeneeskunde;3° de ergonomie;4° de arbeidshygiëne;5° de psychosociale aspecten van de arbeid waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. De werkgever bepaalt, rekening houdend met het globaal preventieplan en, na voorafgaand advies van het Comité, welke vaardigheden in zijn onderneming of instelling aanwezig moeten zijn en voor welke vaardigheden hij een beroep doet op een externe dienst. De werkgever geeft gevolg aan dit advies overeenkomstig artikel II.7-19. In elk geval mogen de vaardigheden inzake arbeidsveiligheid en deze inzake arbeidsgeneeskunde nooit door één en dezelfde persoon worden beoefend. De werkgever die over één van de vaardigheden bedoeld in het derde lid, 3° en 4° moet beschikken, in toepassing van het globaal preventieplan, kan hiervoor ook een beroep doen op andere personen in zijn onderneming of instelling die niet behoren tot de interne dienst, voor zover deze personen over de deskundigheid beschikken bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 3° en 4° en voor zover deze personen kunnen beschikken over de nodige tijd en middelen. Art. II.1-14.- Wanneer een interne dienst bestaat uit meerdere afdelingen in de zin van artikel 35 en 36 van de wet of wanneer een departement belast met het medisch toezicht is opgericht, bepaalt de werkgever, na voorafgaand advies van het Comité, de verhouding tussen, in voorkomend geval, de afdelingen, het departement en de centrale dienst en door wie en op welke wijze de leiding van de dienst en, in voorkomend geval, van elke afdeling wordt verzekerd. De leiding van de dienst of de afdeling wordt verzekerd door : 1° ofwel een preventieadviseur die met vrucht een erkende cursus van niveau I heeft beëindigd, wanneer de werkgever of de technische bedrijfseenheid behoort tot groep A;2° ofwel een preventieadviseur die met vrucht een erkende cursus van ten minste niveau II heeft beëindigd, wanneer de werkgever of de technische bedrijfseenheid behoort tot groep B;3° ofwel de preventieadviseur belast met de leiding van het departement belast met het medisch toezicht. Wanneer de preventieadviseur belast met de leiding van het departement belast met het medisch toezicht, de leiding van de interne dienst of de afdeling waarneemt, moet de interne dienst of de afdeling al naargelang de werkgever of de technische bedrijfseenheid behoort tot groep A of B eveneens beschikken over een preventieadviseur die voldoet aan de voorwaarden bepaald in het tweede lid, 1° en 2°. Art. II.1-15.- De preventieadviseur belast met de leiding van de dienst hangt rechtstreeks af van de persoon belast met het dagelijks beheer van de onderneming of instelling en heeft rechtstreeks toegang tot de persoon of personen belast met het dagelijks beheer van de technische bedrijfseenheid of bedrijfseenheden. De preventieadviseur belast met de leiding van een afdeling hangt rechtstreeks af van de persoon belast met het dagelijks beheer van de technische bedrijfseenheid waarvoor de afdeling werd opgericht en heeft rechtstreeks toegang tot de persoon belast met het dagelijks beheer van de onderneming of instelling. De preventieadviseur belast met de leiding van het departement belast met het medisch toezicht bedoeld in artikel II.1-12, § 2 heeft eveneens rechtstreeks toegang tot de personen belast met het dagelijks beheer, bedoeld in het eerste lid. Art. II.1-16.- § 1. De werkgever bepaalt, na voorafgaand advies van het Comité : 1° de wijze van samenstelling van de interne dienst;2° de technische en wetenschappelijke middelen, de lokalen en de financiële middelen, evenals het administratief personeel dat ter beschikking wordt gesteld van de interne dienst. De werkgever geeft gevolg aan dit advies overeenkomstig artikel II.7-19. § 2. De werkgever bepaalt, na voorafgaand akkoord van het Comité, de minimumduur van de prestaties van de preventieadviseurs zodat de aan de interne dienst toegewezen opdrachten te allen tijde volledig en doeltreffend worden vervuld. Op verzoek van elke belanghebbende partij kan de minimumduur van de prestaties worden gewijzigd, volgens dezelfde procedure. Onder duur van de prestaties moet worden verstaan de tijd die minimaal moet worden besteed om de opdrachten en activiteiten toegekend aan de preventieadviseurs te kunnen vervullen. Art. II.1-17.- Opdat de preventieadviseurs hun opdrachten en activiteiten doeltreffend zouden kunnen vervullen : 1° stelt de werkgever hen in kennis van de fabricageprocédés, de werktechnieken, de werk- en productiemethodes evenals de stoffen en producten die in de onderneming worden gebruikt of die men zich voorneemt in de onderneming te gebruiken;2° licht de werkgever hen in en raadpleegt hij hen over de wijzigingen die worden aangebracht aan de fabricageprocédés, de werktechnieken of de installaties indien zij bestaande risico's kunnen verergeren of er nieuwe kunnen doen ontstaan, evenals wanneer nieuwe producten worden gebruikt of gefabriceerd en over de wijzigingen die worden aangebracht aan de andere elementen van de arbeidsorganisatie, de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en de interpersoonlijke relaties op het werk die aanleiding kunnen geven tot psychosociale risico's op het werk;3° geven de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers hen alle informatie die zij vragen om hen in de mogelijkheid te stellen de opdrachten van de interne dienst te vervullen;4° brengt de werkgever de preventieadviseur belast met de leiding van de dienst of van de afdeling op de hoogte van alle activiteiten die op de arbeidsplaats worden uitgevoerd door de tussenkomst van ondernemingen van buitenaf, zelfstandigen of uitzendkrachten;5° deelt de werkgever aan de preventieadviseur belast met de leiding van de dienst de lijst van de werknemers mee, aangevuld met de gegevens die nodig zijn voor de uitoefening van zijn opdrachten. HOOFDSTUK IV. - Statuut van de preventieadviseurs van een interne dienst Art. II.1-18.- De preventieadviseurs zijn verbonden met de werkgever door middel van een arbeidsovereenkomst of door middel van een statuut waarbij hun rechtspositie eenzijdig is geregeld door de overheid. Zij worden tewerkgesteld in de onderneming of instelling waarvoor de interne dienst is opgericht. De preventieadviseurs van een afdeling zijn werkzaam in de technische bedrijfseenheid waarvoor de afdeling is opgericht. Art. II.1-19.- § 1. De werkgever duidt de preventieadviseurs of hun tijdelijke plaatsvervangers aan, vervangt hen of verwijdert hen uit hun functie, na voorafgaand akkoord van het Comité. Wanneer het de preventieadviseur betreft die belast is met de leiding van een interne dienst die uit verschillende afdelingen bestaat en de preventieadviseurs die hem bijstaan, is het voorafgaand akkoord van alle Comités vereist. Wanneer het een preventieadviseur betreft die werkzaam is in een interne dienst die niet uit afdelingen bestaat, is het voorafgaand akkoord van het Comité vereist. Wanneer het de preventieadviseur betreft die werkzaam is in een afdeling, is het voorafgaand akkoord vereist van het Comité dat bevoegd is voor de technische bedrijfseenheid waarvoor de afdeling werd opgericht. § 2. In geval geen akkoord bereikt wordt binnen één of meerdere Comités, vraagt de werkgever het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar. Deze ambtenaar hoort de betrokken partijen en poogt de standpunten met elkaar te verzoenen. Indien geen verzoening wordt bereikt, verstrekt de met het toezicht belaste ambtenaar een advies waarvan per aangetekend schrijven kennis wordt gegeven aan de werkgever. De werkgever stelt het Comité in kennis van het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving, vooraleer hij de beslissing neemt. De kennisgeving wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de afgifte van de brief aan de post. § 3. De bepalingen van § 1 en § 2 zijn, wat de aanduiding betreft, niet van toepassing op de diensthoofden voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen en hun adjuncten die volgens de bepalingen van artikel 833.2.1. ARAB aangeduid waren vóór 10 april 1998, evenmin als op de arbeidsgeneesheren die volgens de bepalingen van artikel 112 ARAB aangeduid waren vóór 10 april 1998, en die de functie van preventieadviseur blijven uitoefenen en voor zover zij die functie in dezelfde onderneming, instelling of technische bedrijfseenheid blijven uitoefenen. Art. II.1-20.- De preventieadviseurs bezitten voldoende kennis van de wetgeving inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk van toepassing in de onderneming of instelling waarin zij hun opdracht vervullen, en hebben de nodige technische en wetenschappelijke kennis om de activiteiten bedoeld in hoofdstuk II van deze titel te kunnen vervullen. Deze kennis heeft inzonderheid betrekking op : 1° de technieken in verband met de risicoanalyse;2° de coördinatie van preventieactiviteiten : - in de interne dienst; - tussen de interne en externe dienst; - met de werkgevers en werknemers van ondernemingen van buitenaf die in de eigen onderneming werkzaamheden uitvoeren; 3° de maatregelen in verband met de hygiëne op de arbeidsplaatsen;4° de organisatie van de eerste hulp bij werknemers die slachtoffer worden van een ongeval of die onwel worden en de maatregelen te nemen in geval van een ernstig en onmiddellijk gevaar;5° de opdrachten van de preventieadviseurs bedoeld in titel 7 van dit boek;6° de wijze van verslaggeving. Art. II.1-21.- § 1. Bij de werkgevers van groep A en B dient een preventieadviseur met vrucht de aanvullende vorming bepaald in titel 4 van dit boek te hebben gevolgd. Bij de werkgevers die behoren tot groep A moeten de preventieadviseurs die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervullen het bewijs leveren dat zij met vrucht een erkende cursus van ten minste niveau II hebben beëindigd, en moet de preventieadviseur die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervult en belast is met de leiding van de dienst het bewijs leveren dat hij met vrucht een erkende cursus van niveau I heeft beëindigd en ten minste twee jaar ervaring heeft als preventieadviseur in een interne dienst. Bij de technische bedrijfseenheden die behoren tot groep A, moeten de preventieadviseurs die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervullen het bewijs leveren dat zij met vrucht een erkende cursus van ten minste niveau II hebben beëindigd, en moet de preventieadviseur die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervult en die belast is met de leiding van de afdeling het bewijs leveren dat hij met vrucht een erkende cursus van niveau I heeft beëindigd en ten minste twee jaar ervaring heeft als preventieadviseur in een interne dienst. Bij de werkgevers die behoren tot groep B, moet de preventieadviseur die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervult en die belast is met de leiding van de dienst het bewijs leveren dat hij met vrucht een erkende cursus van ten minste niveau II heeft beëindigd. Bij de technische bedrijfseenheden die behoren tot groep B moet de preventieadviseur die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-4 vervult en die belast is met de leiding van de afdeling het bewijs leveren dat hij met vrucht een erkende cursus van ten minste niveau II heeft beëindigd. Personen die in het bezit zijn van een diploma, getuigschrift of andere titel waaruit blijkt dat zij de vereiste kwalificatie bezitten om in een lidstaat van de Europese Unie de functie van preventieadviseur te mogen uitoefenen, kunnen, naargelang van het niveau van deze kwalificatie, bij werkgevers van groep A of B, de functie van preventieadviseur uitoefenen, op voorwaarde dat zij kunnen aantonen dat zij bij een inrichter met vrucht de vakken van de multidisciplinaire basismodule en van de specialisatiemodule gevolgd hebben, die betrekking hebben op de juridische en sociale aspecten van deze functie in België. § 2. In afwijking van § 1, volstaat het dat de preventieadviseur die de opdrachten bedoeld in artikel II.1-5 vervult, het bewijs levert dat hij beantwoordt aan de vereisten gesteld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 2°, zelfs wanneer hij belast wordt met de leiding van de interne dienst of van een afdeling. Art. II.1-22.- De preventieadviseurs hebben het recht en de plicht zich te vervolmaken. Daarom geeft de werkgever hen de toelating alle nuttige contacten te onderhouden met universitaire centra en andere gespecialiseerde instanties die in staat zijn hen de gewenste middelen tot vervolmaking, het gewenste onderwijs en de gewenste medewerking te bezorgen. Art. II.1-23.- De aan vormingsactiviteiten bestede tijd wordt als normale werktijd beschouwd en de daarbij horende kosten worden vergoed. Art. II.1-24.- In toepassing van artikel 43 van de wet vervullen de preventieadviseurs hun opdrachten in volledige onafhankelijkheid ten overstaan van de werkgever en de werknemers. De meningsverschillen betreffende de werkelijkheid van deze onafhankelijkheid worden op verzoek van de preventieadviseur, de werkgever of de werknemers voorgelegd aan het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar. Art. II.1-25.- De preventieadviseurs hebben het recht en de plicht alle contacten die nodig zijn voor de uitvoering van hun opdrachten te onderhouden met de externe dienst, de EDTC en alle andere diensten of instellingen die gespecialiseerd zijn of bijzonder bevoegd zijn op het gebied van arbeidsveiligheid, gezondheid, arbeidshygiëne, ergonomie, leefmilieu en psychosociale aspecten van de arbeid of op het gebied van de mindervaliden, onder dezelfde voorwaarden als deze bepaald in artikel II.1-3, vierde lid. TITEL 2. - DE GEMEENSCHAPPELIJKE INTERNE DIENST VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK HOOFDSTUK I. - Definities Art. II.2-1.- Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder de aanvrager : de onderneming, instelling of organisatie die, namens een werkgever of een groep werkgevers, gemandateerd wordt om een aanvraag te doen tot oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst. HOOFDSTUK II. - Voorwaarden voor de oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst Art. II.2-2.- Een werkgever of groep van werkgevers, kan toegelaten worden een gemeenschappelijke interne dienst op te richten in toepassing van artikel 38, § 1, van de wet, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld : 1° er bestaat een juridische, economische, geografische of technische band tussen de betrokken werkgevers;2° de gemeenschappelijke interne dienst biedt ten opzichte van de afzonderlijke interne diensten van de betrokken werkgevers één of meerdere voordelen.Deze voordelen betreffen inzonderheid : - er is een groter aantal preventieadviseurs aanwezig; - er is een groter aantal disciplines vertegenwoordigd; - er is een hoger niveau van aanvullende vorming aanwezig; - er is meer tijd beschikbaar om te besteden aan preventietaken; - er worden meer middelen, zoals bedoeld in artikel II.1-16, § 1, eerste lid, 2°, ter beschikking gesteld; 3° een planning van de organisatie van de gemeenschappelijke interne dienst is uitgewerkt, met dien verstande dat voor het vastleggen van het aantal preventieadviseurs, hun niveau van aanvullende vorming evenals hun prestatieduur de bepalingen bedoeld in titel 1 van dit boek worden toegepast op het geheel van de betrokken werkgevers die de gemeenschappelijke interne dienst wensen op te richten;4° er bestaat een voorafgaand akkoord tussen de betrokken werkgevers ingeval ze : - de opname wensen in de gemeenschappelijke interne dienst van een bestaand departement belast met het medisch toezicht; - een beroep wensen te doen op de deskundigheden ergonomie, arbeidshygiëne of psychosociale aspecten van de arbeid, voor zover werknemers van één of meerdere betrokken werkgevers over de deskundigheid beschikken bedoeld in artikel II.3-30, § 1, eerste lid, 3°, 4° of 5° ; 5° de voorafgaande adviezen van de betrokken Comités zijn gevraagd met betrekking tot de oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst en de prestatieduur van de preventieadviseurs. HOOFDSTUK III. - Procedure voor de aanvraag tot oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst Art. II.2-3.- De aanvrager vult het formulier bedoeld in bijlage II.2-1 in. Hij maakt dit formulier, evenals de erbij horende stukken, over aan de algemene directie HUA. Art. II.2-4.- De algemene directie HUA gaat na of de aanvraag volledig is en zendt deze vervolgens voor onderzoek en advies naar de algemene directie TWW. De algemene directie TWW houdt bij het geven van haar advies in het bijzonder rekening met : 1° het aantal voorziene preventieadviseurs, hun niveau van aanvullende vorming evenals de tijd die voorgesteld wordt om te besteden aan preventietaken;2° het niveau van aanvullende vorming van de preventieadviseur belast met de leiding van de gemeenschappelijke interne dienst en de tijd die voorgesteld wordt om te besteden aan preventietaken;3° in voorkomend geval, het aantal contactpersonen tussen de gemeenschappelijke interne dienst en de betrokken werkgevers. Art. II.2-5.- In geval van gunstig advies van de algemene directie TWW maakt de algemene directie HUA een ontwerp van ministerieel besluit houdende toelating tot het oprichten van een gemeenschappelijke interne dienst over aan de Minister. In geval van ongunstig advies van de algemene directie TWW brengt de algemene directie HUA de Minister hiervan op de hoogte. Art. II.2-6.- De Minister beslist de toelating tot oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst al dan niet te geven. Hij verleent de toelating bij wege van ministerieel besluit. Dit besluit bevat tenminste de bepalingen bedoeld in artikel II.2-4, tweede lid. Dit besluit kan, in voorkomend geval, bijkomende voorwaarden opleggen betreffende : 1° de financiële aspecten van de werking van de gemeenschappelijke interne dienst;2° de oprichting van een beheerscomité, bestaande uit personen aangeduid door de aangesloten werkgevers en vertegenwoordigers aangeduid door de representatieve werknemersorganisaties, belast met het toezicht op het beleid van de gemeenschappelijke interne dienst. De Minister kan eveneens nadere bepalingen vastleggen betreffende : 1° de wijze waarop werkgevers kunnen toetreden tot de gemeenschappelijke interne dienst;2° de wijze waarop werkgevers zich kunnen terugtrekken uit de gemeenschappelijke interne dienst. In geval van weigering tot oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst, motiveert de Minister zijn beslissing en wordt deze bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de aanvrager. HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de samenstelling van een gemeenschappelijke interne dienst Art. II.2-7.- Voor elke wijziging inzake de samenstelling van de gemeenschappelijke interne dienst wat betreft de aangesloten werkgevers, wordt de procedure vermeld in hoofdstuk III van deze titel gevolgd. HOOFDSTUK V. - Verplichtingen ingeval van aanvullend beroep op een externe dienst Art. II.2-8.- Onverminderd de bepalingen van artikel II.3-2, derde, vierde en vijfde lid, doen de bij een gemeenschappelijke interne dienst aangesloten werkgevers, wanneer het aanvullend beroep op een externe dienst vereist is, een beroep op dezelfde externe dienst. In afwijking van het eerste lid, mogen de werkgevers, bedoeld in artikel 36, § 1 en § 2, van de wet, een beroep doen op verschillende externe diensten voor elk gebied van een hoog overlegcomité, van een basisoverlegcomité of van een orgaan dat minstens vijftig werknemers telt. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor de duur van de opzeggingstermijn bedoeld in artikel II.3-13 ten aanzien van werkgevers die, om te voldoen aan de in het eerste lid bedoelde verplichting, de overeenkomst met hun externe dienst hebben opgezegd. HOOFDSTUK VI. - Bijzondere bepalingen betreffende de werking van de gemeenschappelijke interne dienst Art. II.2-9.- De preventieadviseurs van de gemeenschappelijke interne dienst behoren tot het personeel van één van de betrokken werkgevers. Ze hebben toegang tot de bedrijven van alle betrokken werkgevers om hun opdrachten uit te oefenen. Art. II.2-10.- De eventuele maandverslagen en het jaarverslag van de interne dienst, zoals bedoeld in artikel II.1-6, § 1, 2°, a) en b), bevatten bijlagen met afzonderlijke gegevens betreffende elk van de betrokken werkgevers. HOOFDSTUK VII. - Overgangsbepaling Art. II.2-11.- De machtigingsbesluiten tot oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst die in toepassing van artikel 38, § 2, van de wet, werden genomen vóór 26 november 2009, blijven rechtsgeldig mits naleving van de erin vermelde voorwaarden. TITEL 3. - DE EXTERNE DIENST VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK HOOFDSTUK I Algemene bepalingen betreffende de externe dienst Art. II.3-1.- Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder de preventieadviseur : de preventieadviseur van de externe dienst die gespecialiseerd is in één van de disciplines bedoeld in artikel II.3-29 en voldoet aan de voorwaarden van artikel II.3-30. Art. II.3-2.- Telkens de werkgever een beroep doet of beroep moet doen op een externe dienst om de opdrachten uit te voeren bedoeld in hoofdstuk II van titel 1 van dit boek doet hij beroep op één enkele externe dienst. De externe dienst voert de in het eerste lid bedoelde opdrachten uit, werkt samen met de interne dienst en staat ter beschikking van de werkgever, van de leden van de hiërarchische lijn en van de werknemers, inzonderheid door hen alle nuttige informatie en adviezen te verstrekken. In afwijking van het eerste lid moet de werkgever een beroep doen op een tweede externe dienst wanneer een technische bedrijfseenheid gelegen is op het grondgebied van een Gemeenschap waarvoor de eerste dienst niet over de erkenning beschikt, bedoeld in artikel 40, § 3, vierde lid van de wet. In afwijking van het eerste lid en onverminderd de mogelijkheid waarin artikel II.1-3, vierde lid voor de werkgever voorziet, mag deze een beroep doen op een tweede externe dienst wanneer de technische bedrijfseenheid op voortdurende wijze beroep moet doen op bijzondere bekwaamheden en op technische middelen die nodig zijn voor de uitvoering van voornoemde opdrachten en die niet aanwezig zijn in de eerste externe dienst. In afwijking van het eerste lid, kan de werkgever een beroep doen op een andere externe dienst voor elke technische bedrijfseenheid die opgericht is. In elke technische bedrijfseenheid voert een enkele externe dienst het geheel van de in het eerste lid bedoelde opdrachten uit. Art. II.3-3.- De werkgever die op eigen initiatief of op vraag van het Comité, beslist om ofwel een beroep te doen op meer dan één externe dienst, ofwel om de opdrachten van de interne dienst toe te vertrouwen aan de externe dienst, ofwel om de interne dienst de opdrachten te laten uitvoeren die hij had toevertrouwd aan een externe dienst, ofwel om te veranderen van externe dienst, vraagt het voorafgaand advies van de bevoegde Comités. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, vraagt de werkgever het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar. Deze ambtenaar hoort de betrokken partijen en poogt de standpunten te verzoenen. Indien geen verzoening wordt bereikt, verstrekt de met het toezicht belaste ambtenaar een advies waarvan per aangetekend schrijven kennis wordt gegeven aan de werkgever. De werkgever stelt het Comité in kennis van het advies van de met het toezicht belaste ambtenaar binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving, vooraleer hij de beslissing neemt. De kennisgeving wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de afgifte van de brief aan de post. HOOFDSTUK II. - Oprichting van de externe dienst en algemene principes betreffende het beheer Art. II.3-4.- Een externe dienst kan worden opgericht door : 1° werkgevers;2° de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de openbare instellingen, de provincies en de gemeenten. Hij wordt opgericht, ofwel voor het volledige Belgische grondgebied, ofwel voor een gebied waarvoor één of meerdere Gemeenschappen bevoegd zijn, ofwel voor een te bepalen gebied, ofwel voor een bepaalde activiteitensector of voor verschillende activiteitensectoren binnen een bepaald gebied. De territoriale of sectorale bevoegdheid van de externe dienst wordt uitsluitend bepaald door de erkenning bedoeld in artikel 40, § 3, eerste lid van de wet, met inbegrip van de afdeling belast met het medisch toezicht. Art. II.3-5.- De externe dienst wordt opgericht volgens Belgisch recht onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk. In afwijking van het eerste lid, kan de Minister, na advies van de Vaste Operationele Commissie, de instellingen van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de openbare instellingen, de provincies en de gemeenten die niet zijn opgericht onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk eveneens erkennen. Art. II.3-6.- De rechtspersoon heeft uitsluitend als maatschappelijk doel : 1° het beheer van de externe dienst;2° het vervullen van de opdrachten van een externe dienst en andere preventieactiviteiten die er onmiddellijk verband mee houden, zoals bepaald door de wet en de codex. De externe dienst is er altijd toe gehouden een overeenkomst met een werkgever te sluiten, voor zover deze werkgever er zich toe verbindt de bepalingen van de wet en de codex en deze van de overeenkomst na te leven. De afdelingen waaruit de externe dienst bestaat mogen geen eigen rechtspersoonlijkheid hebben. Art. II.3-7.- § 1. De externe dienst mag geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben in de ondernemingen of instellingen waarin hij zijn opdrachten moet vervullen. § 2. De externe dienst voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° de externe dienst oefent zijn opdrachten uit volgens de principes van integrale kwaliteitszorg;2° bij de aanvang van zijn activiteiten dient hij te beschikken over een beleidsverklaring inzake integrale kwaliteitszorg. § 3. De externe dienst past een kwaliteitssysteem toe dat gecertificeerd is volgens de norm NBN EN ISO 9001 en levert hiervan het bewijs. De externe dienst die voor de eerste maal erkend wordt, moet het in het eerste lid bedoelde bewijs uiterlijk binnen een termijn van twee jaar van activiteiten kunnen voorleggen. Het in het eerste lid bedoelde bewijs wordt geleverd door een certificaat voor het uitvoeren van de opdrachten bedoeld in hoofdstuk II van titel 1 van dit boek uitgereikt door een certificatie-instelling die specifiek voor het uitvoeren van de certificatie van deze kwaliteitssystemen geaccrediteerd is door het Belgisch Accreditatiesysteem, overeenkomstig de wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/1990 pub. 26/05/2011 numac 2011000307 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet ter bevordering van de evenwichtige aanwezigheid van mannen en vrouwen in organen met adviserende bevoegdheid. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 20/07/1990 pub. 10/06/2010 numac 2010000325 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 20/07/1990 pub. 02/12/2010 numac 2010000669 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de voorlopige hechtenis Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de accreditatie van certificatie- en keuringsinstellingen alsmede van beproevingslaboratoria, of door een gelijkwaardige accreditatieinstelling opgericht binnen de Europese Economische Ruimte. De externe dienst mag geen gebruik maken van de mogelijkheid voorzien door de norm NBN EN ISO 9001 om bepaalde van zijn eisen niet toe te passen. Art. II.3-8.- De externe dienst beschikt over de nodige materiële, technische, wetenschappelijke en financiële middelen om te allen tijde zijn opdrachten volledig en doeltreffend te kunnen vervullen. Deze middelen worden door de raad van bestuur vastgesteld, rekening houdend met de te verrichten opdrachten, de aard van de risico's en de grootte van de ondernemingen of instellingen die op de externe dienst een beroep doen en de principes van integrale kwaliteitszorg of het kwaliteitssysteem bedoeld in artikel II.3-7. Art. II.3-9.- De externe dienst voert een boekhouding overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel 3, hoofdstuk 2 van het Wetboek van Economisch Recht en zijn uitvoeringsbesluiten, en inzonderheid rekening houdend met de bepalingen van het koninklijk besluit van 23 januari 1992 op de boekhouding, de jaarrekening en de begroting van de interbedrijfsgeneeskundige diensten, met inbegrip van de opdrachten van de bedrijfsrevisor. Art. II.3-10.- Elke externe dienst stelt een tariefregeling vast voor de opdrachten die zij zal vervullen. Deze tariefregeling wordt meegedeeld aan de Minister. Deze tariefregeling houdt rekening met de verplichte forfaitaire minimumbijdragen uit hoofde van de prestaties van de preventieadviseurs vastgesteld in hoofdstuk III van deze titel. Art. II.3-11.- Geen enkele vorm van korting, ristorno, terugbetaling of andere commerciële praktijk die tot doel of als gevolg heeft het bedrag van de verplichte forfaitaire minimumbijdragen bedoeld in hoofdstuk III van deze titel te verlagen, mag door de externe dienst worden toegepast of voorgesteld aan de werkgever en deze laatste mag dit noch vragen noch aanvaarden, zelfs niet wanneer de overeenkomst werd gesloten ingevolge een overheidsopdracht. Art. II.3-12.- De werkingsopbrengsten van de externe dienst worden aangewend om de dienst in staat te stellen de opdrachten te vervullen die hem zijn toevertrouwd in toepassing van de wet en de codex. Wat overblijft, moet uitsluitend worden besteed aan : 1° het verrichten van wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoerin …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.