📄 Wettekst
GEMEENSCHAPPELIJKE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Deze tekst vernietigt en vervangt degene die verschenen is in het Belgisch Staatsblad van 2 september 2008, tweede uitgave, blzn. 45908 tot 45964.
5 JUNI 2008. - Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad
INHOUDSTAFEL BOEK I. - ALGEMEEN TITEL I. - Toepassingsgebied TITEL II. - Definities BOEK II. - ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. - Organisatie van de Diensten van het Verenigd College HOOFDSTUK I. - Struktuur van de Diensten HOOFDSTUK II. - Opdrachten van het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn HOOFDSTUK III. - Personeelsformatie HOOFDSTUK IV. - Ambtenaren Afdeling 1. - Graden
Afdeling 2. - Opdrachten en taken van de Ambtenaren-generaal
HOOFDSTUK V. - Directieraad HOOFDSTUK VI. - Commissie van beroep inzake ambtenarenzaken Afdeling 1. - Oprichting en samenstelling
Afdeling 2. - Procedures
Onderafdeling 1. - Beroep inzake stage Onderafdeling 2. - Beroep inzake evaluatie Onderafdeling 3. - Beroep inzake verloven, afwezigheden en disponibiliteit Afdeling 3. - Werking
HOOFDSTUK VII. - Werktijdregeling TITEL II. - Rechten en plichten TITEL III. - Onverenigbaarheden TITEL IV. - Werving HOOFDSTUK I. - Toelaatbaarheidsvereisten HOOFDSTUK II. - Werving van personen met een handicap HOOFDSTUK III. - Vergelijkende selectieproeven TITEL V. - Stage HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK II. - Verloop van de stage TITEL VI. - Benoeming als ambtenaar TITEL VII. - Het onthaal, de vorming en de voorlichting TITEL VIII. - Evaluatie TITEL IX. - Anciënniteit TITEL X. - Loopbaan van de ambtenaren HOOFDSTUK I. - Algemene regels inzake de loopbaan en de bevorderingen HOOFDSTUK II. - Functionele loopbaan Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Functionele loopbaan
HOOFDSTUK III. - Bevordering tot de graad van directeur HOOFDSTUK IV. - Aanstelling tot de graden van leidend ambtenaar en adjunct-leidend ambtenaar HOOFDSTUK V. - Uitoefening van een hogere functie TITEL XI. - Dienstaanwijzing, overplaatsing en wedertewerkstelling TITEL XII. - Tuchtregeling HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling HOOFDSTUK II. - Tuchtstraffen HOOFDSTUK III. - Principes in vervand met de tuchtprocedure HOOFDSTUK IV. - Procedures Afdeling 1. - Voorstel van straf
Afdeling 2. - Uitspraak van de straf
HOOFDSTUK V. - Doorhaling van de tuchtstraf HOOFDSTUK VI. - Verjaring van de tuchtvordering HOOFDSTUK VII. - Raden van beroep Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Raden van beroep
Afdeling 3. - Beroepsprocedure
Afdeling 4. - Uitspraak van de straf na beroep
TITEL XIII. - Schorsing in het belang van de dienst HOOFDSTUK I. - Feiten die kunnen aanleiding geven tot een schorsing in het belang van de dienst HOOFDSTUK II. - Bevoegde overheid HOOFDSTUK III. - Procedure HOOFDSTUK IV. - Duur en gevolgen van de schorsing in het belang van de dienst HOOFDSTUK V. - Beroep HOOFDSTUK VI. - Einde van de schorsing in het belang van de dienst TITEL XIV. - Verloven en administratieve standen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK II. - Dienstactiviteit Afdeling 1. - Algemeen
Afdeling 2. - Verloven voor jaarlijkse vakantie en op de feestdagen,
omstandigheidsverlof en uitzonderlijk verlof Afdeling 3. - Verlof voor moederschapsbescherming en vaderschapsverlof
Afdeling 4. - Ouderschapsverlof, voor opvang met het oog op adoptie of
pleegvoogdij Afdeling 5. - Verlof om dwingende redenen van familiaal belang
Afdeling 6. - Ziekteverlof
Afdeling 7. - Verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke
aangelegenheden Afdeling 8. - Verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte
Afdeling 9. - Verlof om zich kandidaat te stellen bij verkiezingen of
om een politiek mandaat uit te oefenen Afdeling 10. - Verlof voor sociale promotie en om deel te nemen aan
vormingsactiviteiten Afdeling 11. - Verlof wegens op-dracht
Afdeling 12. - Verlof voor vakbondsopdracht
Afdeling 13. - Verlof voor werkzaamheden bij een politieke groep die
erkend is in een wetgevende vergadering van de Staat, van een Gemeenschap of een Gewest, respectievelijk bij de voorzitter van een van die groepen Afdeling 14. - Verlof om een ambt uit te oefenen bij het kabinet van
een federale minister of staatssecretaris, of bij het kabinet van een regeringslid van een Gemeenschap of een Gewest of bij het kabinet van een lid van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van de Colleges van de Vlaamse of Franse Gemeenschapscommissies Afdeling 15. - Verlof voor het verrichten van sommige militaire
prestaties in vredestijd en van diensten bij de civiele bescherming of van taken van openbaar nut op grond van het koninklijk besluit van 20 februari 1980 houden de coördinatie van de wetten betreffende het statuut van de gewetensbezwaarden Afdeling 16. - Verlof om een stage te vervullen bij een andere
openbare dienst Afdeling 17. - Andere verloven
HOOFDSTUK II. - Non-activiteit HOOFDSTUK IV. - Disponibiliteit Afdeling 1. - Algemeen
Afdeling 2. - Disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van
de dienst Afdeling 3. - Disponibiliteit wegens ziekte of gebrekkigheid
TITEL XV. - Verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en definitieve ambtsneerlegging TITEL XVI. - Overgangsbepalingen BOEK III. - GELDELIJK STATUUT TITEL I. - Voorafgaande bepaling TITEL II. - Organieke regeling HOOFDSTUK I. - Vaststelling van de weddenschalen HOOFDSTUK II. - Vaststelling van de wedde HOOFDSTUK III. - Vaststelling van de weddenschaal HOOFDSTUK IV. - In aanmerking komende diensten HOOFDSTUK V. - Berekening van de anciënniteit en de wedde HOOFDSTUK VI. - Uitbetaling van de wedde HOOFDSTUK VII. - Wedde in geval van verminderde prestaties TITEL III. - Gewaarborgde bezoldiging, haard- of standplaatstoelage, vakantiegeld en eindejaarstoelage TITEL IV. - Toelagen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK II. - Toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt HOOFDSTUK III. - Toelagen aan de boekhouder en rekenplichtigen Afdeling 1. - Algemene bepaling
Afdeling 2. - Toelage voor het uitoefenen van de functie van
boekhouder en van rekenplichtigen Afdeling 3. - Toelage aan de beheerders van voorschotten
HOOFDSTUK IV. - Toelage aan sommige laureaten van een vergelijkende selectie voor overgang naar het hoger niveau HOOFDSTUK V. - Tweetaligheidstoelage HOOFDSTUK VI. - Mandaatstoelage TITEL V. - Vergoedingen HOOFDSTUK I. - De vergoeding voor reiskosten gemaakt in het belang van de dienst HOOFDSTUK II. - De vergoeding voor het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer HOOFDSTUK III. - De vergoedingen voor het gebruik van de fiets HOOFDSTUK IV. - Vergoeding van de begrafeniskosten bij overlijden van een ambtenaar TITEL VI. - Overgangsbepalingen BOEK IV. - OPHEFFINGS- EN SLOTBEPALINGEN BIJLAGE Tabellen der weddenschalen
5 JUNI 200 8. - Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad Het Verenigd College, Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, inzonderheid op artikel 79, § 1;
Gelet op het besluit van het Verenigd College van 18 maart 1993 betreffende het statuut van de personeelsleden van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, gewijzigd bij de besluiten van het Verenigd College van 22 december 1994, 20 mei 1999, 12 december 2002, 27 mei 2004 en 15 september 2005;
Gelet op het besluit van het Verenigd College van 15 septembre 2005 houdende het geldelijk statuut van de personeelsleden van de diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, gewijzigd bij besluit van het Verenigd College van 11 oktober 2007;
Gelet op het besluit van het Verenigd College van 11 oktober 2007 tot vaststelling van de modaliteiten van erkenning van het in aanmerking komen van de door de personeelsleden van de diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad verrichte diensten in de privésector of als zelfstandige;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 7 februari 2007;
Gelet op het advies van de Directieraad;
Gelet op het akkoord van de federale Minister van Pensioenen, gegeven op 17 juli 2007;
Gelet op het akkoord van de Leden van het Verenigd College, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 12 december 2007;
Gelet op het akkoord van de Leden van het Verenigd College, bevoegd voor Openbaar Ambt, gegeven op 12 december 2007;
Gelet op protocols nr 2007/22 en 2007/28 van het Sectorcomité XV van 1 oktober en 5 november 2007;
Gelet op het advies 43.959/2, gegeven op 11 februari 2008, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Overwegende het samenwerkingsakkoord, gesloten op 5 juni 2008, tussen de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, over de oprichting van een gezamelijke commissie van beroep inzake ambtenarenzaken en gemeenschappelijke raden van beroep voor het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad;
Op de voordracht van de Leden van het Verenigd College, bevoegd voor het Openbaar Ambt;
Na beraadslaging, Besluit : BOEK I. - ALGEMEEN TITEL I. - Toepassingsgebied Artikel 1.Dit besluit is toepasselijk op de ambtenaren van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad en, in de voorwaarden die het bepaalt, op de stagiairs.
TITEL II. - Definities Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder : 1° "Ministers" : de Leden van het Verenigd College, bevoegd voor het Openbaar Ambt;2° "Dienst van de Staat" : elke niet over afzonderlijke rechtspersoonlijkheid beschikkende dienst die ressorteert onder de wetgevende en uitvoerende machten van de Staat, van de Gemeenschappen en Gewesten of van de rechterlijke macht;3° "Andere openbare diensten dan de diensten van de Staat en de diensten van Afrika " : a) elke dienst met afzonderlijke rechtsper-soonlijkheid die ressorteert onder de uitvoerende macht van de Staat, van de Gemeenschappen, van de Gewesten en van de Vlaamse en Franse Gemeenschapscommissies; b) elke dienst die ressorteert onder een provincie, een gemeente, een O.C.M.W., een vereniging van gemeenten of een vereniging van O.C.M.W.'s, een agglomeratie of die ressorteert onder een federatie van gemeenten, alsook elke dienst die ressorteert onder een aan een provincie of gemeente ondergeschikte instelling; c) elke andere instelling onder Belgisch recht, die voldoet aan collectieve nood-wendigheden van algemeen of lokaal belang, en waarbij de openbare overheid bij de oprichting of de bijzondere leiding klaarblijkelijk een overwegend aandeel heeft;4° "Vakorganisaties" : de representatieve vakorganisaties die zetelen in Sectorcomité XV in uitvoering van artikel 8, § 1, van de
wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/12/1974
pub.
05/10/2012
numac
2012000586
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;5° "Werkdagen" : het geheel van de kalenderdagen, met uitsluiting van de zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen alsmede 2 en 15 november en 26 december. Art. 3.Ambtenaar van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie is elkeen die, in vast dienstverband, benoemd is bij de Diensten van het Verenigd College. Hij verkeert in een statutaire situatie waaraan in de bij dit besluit bepaalde gevallen een einde kan worden gesteld.
Stagiair is elkeen die werd toegelaten tot een stage met het oog op een benoeming in vast dienstverband.
BOEK II. - ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. - Organisatie van de Diensten van het Verenigd College HOOFDSTUK I. - Structuur van de Diensten Art. 4.De Diensten van het Verenigd College bestaan uit : 1° de Directie van de Algemene diensten, samengesteld door de Dienst voor personeelsbeleid, de Dienst Economaat en Informatica en de Taaldienst;2° de Directie Gezondheidszorg;3° de Directie Welzijnszorg;4° de Directie Boekhouding en Begroting;5° de Directie van de diensten voor ondersteuning van de besluitvorming, samengesteld door : a) de Inspectiedienst;b) de dienst Infrastructuur;6° de Studiedienst, hierna genoemd het « Observatorium voor Gezondheid en Welzijn ». HOOFDSTUK II. - Opdrachten van het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn Art. 5.Het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn heeft onder andere als opdracht de noodzakelijke informatie voor de uitwerking van een gecoördineerd beleid zowel inzake gezondheid als inzake welzijn op het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad te verzamelen, te verwerken en te verspreiden.
Deze opdracht omvat inzonderheid de volgende aspecten : 1° de sociaal-sanitaire en sociaal-economische karakteristieken van voornoemd gebied in het licht te stellen;2° de nuttige informaties verzamelen, verwerken en verspreiden;3° een balans opmaken van de bestaande gegevens en de specifieke enquêtes die reeds in samenwerking met de documentatiediensten werden verwezenlijkt;4° bijdragen tot de evaluatie van het beleid inzake preventie en inzake gezondheidsopvoeding;5° thematische studies verwezenlijken teneinde de acties gevoerd in een welbepaalde gezondheids- of welzijnssector te kunnen evalueren en oriënteren;6° elk advies of elk voorstel formuleren over al de aangelegenheden die op de sociaal-sanitaire en sociaaleconomische problematiek betrekking hebben;7° de coördinatie bevorderen van de op het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad door de verschillende gezondheids- en welzijnsinstanties en actoren op het terrein gevoerde acties;8° meewerken aan het opstellen van het armoederapport en van de sociale barometer, bedoeld in de artikelen 3 en 9 van de ordonnantie van 20 juli 2006 betreffende het opstellen van het armoederapport van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;9° de structurele samenwerking met het "Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting", zoals voorzien in artikel 6, § 2, van het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten betreffende de bestendiging van het armoedebeleid, ondertekend te Brussel, op 5 mei 1998. HOOFDSTUK III. - Personeelsformatie Art. 6.De personeelsformatie bepaalt, per niveau, per rang en per graad, het aantal betrekkingen dat noodzakelijk wordt geacht om de permanente opdrachten van de Diensten van het Verenigd College uit te voeren. Art. 7.Na advies van de Directieraad en van het Basisoverlegcomité, bepaalt het Verenigd College de personeelsformatie. Art. 8.Na advies van de Directieraad, stellen de Ministers het organogram van iedere Directie vast.
Dit, evenals elke wijziging ervan, wordt bij dienstnota of bij ieder ander intern communicatiemiddel aan de personeelsleden medegedeeld. Art. 9.Overminderd het tweede lid, leggen de Ministers, op de voordracht van de Directieraad, de functiebeschrijvingen vast.
Indien het de functiebeschrijvingen van de betrekkingen van rang A3 betreft, gaat het voorstel uit van de ambtenaren-generaal.
De vereiste kwalificaties worden aan iedere functiebeschrijving toegevoegd. Er dient onder kwalificaties te worden verstaan, het geheel van kennis en vaardigheden die vereist zijn om de functie uit te oefenen. HOOFDSTUK IV. - Ambtenaren Afdeling 1. - Graden
Art. 10.De ambtenaren worden benoemd in graden, hiërarchisch verdeeld in vier niveaus en in zeven rangen, overeenkomstig artikel 11 van dit besluit. Art. 11.§ 1. Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie volgens de kwalificatie van de opleiding en de geschikt-heid waarvan blijk moet worden gegeven opdat die graad kan worden toegekend. § 2. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau.
Elke rang wordt met een letter gevolgd door een cijfer aangeduid : de letter verwijst naar het niveau, het cijfer plaatst de rang binnen het niveau; het hoogste cijfer stemt overeen met de hoogste rang.
De rangen worden verdeeld onder de niveau als volgt : 1° in niveau A, vier rangen gerangschikt van rang A1 tot rang A5;2° in niveau B, één rang gerangschikt in rang B1;3° in niveau C, één rang gerangschikt in rang C1;4° in niveau D, één rang gerangschikt in rang D1. Het niveau A is het hoogste niveau. § 3. De graad is de titel die de ambtenaar in een rang situeert en hem machtigt tot het bekleden van een van de betrekkingen welke met die graad overeenstemmen.
Volgende graden worden opgericht : in rang A5 : leidend ambtenaar; in rang A4 : adjunct-leidend ambtenaar; in rang A3 : directeur; in rang A1 : geneesheer; ingenieur; attaché; in rang B1 : assistent; in rang C1 : adjunct; in rang D1 : klerk. § 4. Zijn ambtenaren-generaal, de ambtenaren die titularis zijn van een graad behorend tot niveau A en die respectievelijk is ingedeeld in de rangen A5 en A4. Art. 12.Onverminderd artikel 104, worden de ambtenaren van de niveaus A en B door het Verenigd College benoemd.
De ambtenaren van de niveaus C en D worden door de Ministers benoemd. Afdeling 2. - Opdrachten en taken van de Ambtenaren-generaal
Art. 13.De leidend ambtenaar, onverminderd de opdrachten en taken die hem bij dit besluit worden toevertrouwd : 1° leidt, onder het gezag van het Verenigd College, de Diensten van het Verenigd College en zorgt voor hun goede werking en de co-ördinatie van het geheel van de directies en diensten en van hun activiteiten;2° oefent het hoog gezag uit over al het personeel en is in het bijzonder belast met de handhaving van de tucht en de orde;3° beslist over de verdeling van de werkingsmiddelen van de Diensten van het Verenigd College;4° leidt en coördineert de opstelling van de begrotingen en ziet toe op de uitvoering ervan;5° coördineert de activiteiten van in artikel 4 bedoelde directies en diensten;6° ziet toe op de uitvoering van de beslissingen van het Verenigd College en van zijn Leden; Met dit doel, zendt hij aan de bevoegde diensten de dossiers en de ministeriële beslissingen en onderrichtingen, in voorkomend geval, samen met de nodige inlichtingen.
Hij viseert de naar de Leden van het Verenigd College gezonden dossiers en voegt er, in voorkomend geval, zijn opmerkingen aan toe; 7° voert de opdrachten en taken uit die hem door het Verenigd College worden gedelegeerd;8° neemt deel, samen met de Adviesraad voor Gezondheids- en Welzijnszorg, opgericht bij ordonnantie van 17 juli 1991, gewijzigd bij de ordonnanties van 8 december 1994 en 5 juni 2008, aan het uitwerken van voorstellen tot bepaling van het beleid inzake Gezondheid en Bijstand aan personen vastgelegd door het Verenigd College. Art. 14.De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar werken een billijke en evenwichtige verdeling van de verantwoordelijkheden uit; deze verdeling wordt ter goedkeuring aan het Verenigd College voorgelegd.
De adjunct-leidend ambtenaar oefent bovendien de in artikel 13 bepaalde opdrachten en taken van de leidend ambtenaar uit, wanneer deze afwezig of verhinderd is. Met dit doel, houdt hij zich regelmatig op de hoogte van de beslissingen van het Verenigd College, toegezonden bij middel van de notulen van de beraadslagingen ervan. HOOFDSTUK V. - Directieraad Art. 15.Binnen de Diensten van het Verenigd College is er een directieraad. Deze bestaat uit de leidend ambtenaar, de adjunct-leidend ambtenaar en de directeurs. Art. 16.Behalve de bevoegdheid die dit statuut hem met name toekent, neemt de directieraad kennis van alle vraagstukken met algemene strekking die verband houden met de toepassing van de statutaire regels. Hij oefent onder meer het hoog gezag uit over het verloop van de loopbaan van de ambtenaren.
Bovendien beraadslaagt de directieraad over de algemene werking en de organisatie van de Diensten van het Verenigd College; hij kan ook beraadslagen over bevoegdheidsgeschillen binnen de Diensten en over de eindversie van de begrotingsvoorstellen die aan de Leden van het Verenigd College, bevoegd voor de Begroting, dienen te worden toegestuurd.
Elke aangelegenheid die betrekking heeft op de organisatie van de Diensten van het Verenigd College kan bij de directieraad door één van zijn leden worden aanhangig gemaakt.
De directieraad wordt geraadpleegd voor de specifieke uitvoeringsmaatregelen van het statuut.
Elke individuele beslissing, door de directieraad genomen ten opzichte van een personeelslid, gebeurt bij geheime stemming. Art. 17.De directieraad wordt voorgezeten door de leidend ambtenaar of, in geval van afwezigheid of van verhindering, door de adjunct-leidend ambtenaar.
Een secretaris wordt buiten de directieraad aangeduid.
De directieraad stelt zijn reglement van inwendige orde op dat ten minste de frequentie van de vergaderingen, het vereiste aanwezigheidsquotum en de, voor de geldigheid van zijn beslissingen, vereiste meerderheid vastlegt. Dit wordt door het Verenigd College goedgekeurd en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. HOOFDSTUK VI. - Commissie van beroep inzake ambtenarenzaken Afdeling 1. - Oprichting en samenstelling
Art. 18.Met toepassing van artikel 1 het samenwerkingsakkoord, gesloten op 5 juni 2008, tussen de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, over de oprichting van een gezamenlijke commissie van beroep inzake ambtenarenzaken en gemeenschappelijke raden van beroep voor het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, wordt, voor de beroepen inzake stage, evaluatie, afwezigheden, verloven, disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid, een gezamenlijke commissie van beroep voor de Diensten van het Verenigd College en het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opgericht.
Overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van het voornoemde samenwerkingsakkoord, bestaat deze commissie uit : 1° een effectieve en een plaatsvervangende voorzitter, magistraten of op rust gestelde magistraten, aangewezen door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;2° per taalrol, drie ambtenaren van niveau A, aangeduid door het Verenigd College, die zetelen telkens bedoelde commissie samenkomt op beroep van een ambtenaar van de Diensten van het Verenigd College;3° per taalrol, drie leden die de vakorganisaties vertegenwoordigen, door deze aangewezen. De plaatsvervangende leden worden op dezelfde wijze aangewezen. Afdeling 2. - Procedures
Onderafdeling 1. - Beroep inzake stage Art. 19.In de in artikel 62, § 3, eerste lid, bedoelde gevallen en overeenkomstig artikel 2 van het in artikel 18 bedoelde samenwerkingsakkoord, roept de voorzitter van de commissie de stagiair op. Deze kan zich door een persoon van zijn keuze laten bijstaan.
De ambtenaar belast, krachtens artikel 56, eerste lid, met de leiding van de stage brengt verslag uit over het verloop van de stage. Deze en de directeur van de Algemene diensten belast, krachtens artikel 72, met de vorming worden gehoord.
De commissie kan beslissen : 1° de stage te verlengen, volgens de nadere regels die zij bepaalt, met inachtneming van de maximumtermijnen bedoeld in artikel 60, § 2, tweede lid;3° de benoeming voor te stellen, hetzij aan het Verenigd College, voor de stagiairs van de niveaus A en B, hetzij aan de Ministers, voor de stagiairs van de niveaus C en D;3° de afdanking wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij de Diensten van het Verenigd College voor te stellen, hetzij aan het Verenigd College, voor de stagiairs van niveau A, hetzij aan de Ministers, voor de stagiairs van de andere niveaus. De commissie beslist binnen drie maanden nadat het dossier bij haar werd ingediend. Bij ontstentenis, wordt de benoeming van de stagiair voorgesteld aan de in het vorige lid bedoelde overheden.
In geval van verlenging van de stage wordt de stagiair geëvalueerd zoals tijdens de initiële stage. Artikel 62 is toepasselijk, met dien verstaande dat de directieraad geen tweede verlenging van de stage kan voorstellen.
Onderfadeling 2. - Beroep inzake evaluatie en verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid Art. 20.In de in de artikelen 79, § 3, en 80, § 2, bedoelde gevallen en overeenkomstig artikel 2 van het in artikel 18 bedoelde samenwerkingsakkoord, dient elk beroep te worden ingeschreven binnen een maand nadat het op de agenda van de commissie van beroep werd geplaatst.
Bedoelde commissie dient zich uit te spreken binnen drie maanden na ontvangst van het beroep en heeft een beslissende bevoegdheid.
Onverminderd artikel 80, § 3, bevestigt de commissie de toegekende globale evaluatievermelding of ze kent een van de andere in artikel 77, § 3, tweede lid, voorziene vermeldingen toe.
De ambtenaar wordt op eigen verzoek of wanneer de commissie dit nodig acht gehoord. Hij kan zich door een persoon naar keuze laten bijstaan.
Onderafdeling 3. - Beroep inzake verloven, afwezigheden en disponibiliteit Art. 21.In de in de artikelen 164, eerste lid, en 213, eerste lid, bedoelde gevallen en overeenkomstig artikel 2 van het in artikel 18 bedoelde samenwerkingsakkoord, wordt de ambtenaar op eigen verzoek gehoord. Hij kan zich door een persoon naar keuze laten bijstaan.
De betwiste beslissing wordt verdedigd door een ambtenaar aangewezen door de leidend ambtenaar.
De beslissing van de commissie is definitief.
De commissie beslist binnen een termijn van een maand die aanvangt op de dag dat het beroep werd ingediend. Afdeling 3. - Werking
Art. 22.§ 1. Overeenkomstig artikel 2 van het in artikel 18 bedoelde samenwerkingsakkoord, vergadert de commissie in afdelingen per taalrol.
De secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wijst onder de ambtenaren van dit ministerie een secretaris en een plaatsvervangend secretaris aan voor elke afdeling. § 2. De verenigde afdelingen stellen een gemeenschappelijk huishoudelijk reglement op. § 3. Elke afdeling van de commissie beraadslaagt slechts geldig indien de meerderheid van de leden aanwezig is.
Tijdens de stemming moet het aantal leden aangewezen door het Verenigd College en aangewezen door de vakorganisaties gelijk zijn; in voorkomend geval, wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van een of meerdere leden, na loting. § 4. Elk lid van de commissie, met inbegrip van de voorzitter, is stemgerechtigd. HOOFDSTUK VII. - Werktijdregeling Art. 23.De gemiddelde wekelijkse arbeidsduur wordt op achtendertig uur maximum vastgesteld, gespreid over vijf werkdagen, wat een dagelijkse uurregeling van zeven uur en zesendertig minuten betekent.
In afwijking van het vorige lid, kunnen de Ministers voor specifieke werkzaamheden een bijzondere werktijdregeling bepalen.
De dagelijkse uurregeling wordt in glij- en stamtijden verdeeld.
De toepassingsmodaliteiten van dit artikel worden door het arbeidsreglement van de Diensten van het Verenigd College vastgesteld.
Deze bepalingen zijn van toepassing op de stagiairs.
TITEL II. - Rechten en plichten Art. 24.De ambtenaren oefenen hun ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit onder het gezag van hun hiërarchische meerderen.
Zij dienen daartoe de van kracht zijnde wetten, ordonnanties en reglementeringen alsmede de richtlijnen waaronder de gedragsregels inzake deontologie, van de overheid waartoe zij behoren na te leven. Art. 25.De ambtenaren behandelen de gebruikers van hun diensten welwillend en zonder enige discriminatie. Art. 26.Buiten de uitoefening van hun ambt vermijden de ambtenaren elke handelwijze die het vertrouwen van het publiek in hun dienst kan aantasten.
Zelfs buiten hun ambt doch ter oorzake ervan, mogen de ambtenaren rechtstreeks of bij tussenpersoon, geen giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen. Art. 27.De ambtenaren hebben het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan zij kennis hebben uit hoofde van hun ambt.
Het is hun enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en de vrijheden van de burger en in het bijzonder het recht op eerbied voor het privé-leven. Dit ver-bod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen.
De bepalingen van de voorgaande leden gelden eveneens voor de ambtenaren die hun ambt hebben neergelegd. Art. 28.De ambtenaren hebben recht op informatie wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de taakvervulling. Art. 29.De ambtenaren houden zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling van de technieken, regelingen en opzoekingen in de materies waarmee ze beroepshalve belast zijn.
De ambtenaar heeft recht op opleiding die nuttig is voor zijn functioneren binnen de Diensten van het Verenigd College. De overheid voorziet in die opleiding en waarborgt tevens de toegang tot de voortgezette opleiding onder meer met het oog op de uitbouw van de beroepsloopbaan.
Periodes van afwezigheid gerechtvaardigd door deelname aan verplichte opleidingsactiviteiten worden in ieder opzicht gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit. Art. 30.Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen. Art. 31.Elke overtreding van de artikelen 24 tot 27 wordt, naargelang het geval dit vereist, bestraft met een van de tuchtstraffen voorzien in artikel 121, onverminderd de toepassing van de wetgeving inzake strafrecht. Art. 32.De bepalingen van deze Titel zijn van toepassing op de stagiairs.
TITEL III. - Onverenigbaarheden Art. 33.Met de hoedanigheid van ambtenaar is onverenigbaar elke bezigheid die, hetzij door de ambtenaar zelf, hetzij door een tussenpersoon verricht wordt, en die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt in strijd is. Art. 34.§ 1. De cumulatie van beroepsactiviteiten is verboden.
Onder beroepsactiviteit wordt verstaan elke bezigheid die een belastbaar beroepsinkomen verschaft en die niet inherent is aan de uitoefening van het ambt.
Inherent aan het ambt is elke opdracht die, overeenkomstig een wettelijke of reglementaire bepaling, verbonden is aan het ambt of waarvoor de ambtenaar door de overheid waaronder hij ressorteert, wordt aangewezen. § 2. Een politiek mandaat wordt niet als een beroepsactiviteit beschouwd.
De verkozen ambtenaar verwittigt hiervan de leidend ambtenaar.
De uitoefening van een in artikel 104 bedoelde mandaat is onverenigbaar met een politiek mandaat waarvan het overeenstemmende politiek verlof een vierde van een voltijdse betrekking overschrijdt. Art. 35.Van deze titel kan, op schriftelijk verzoek van de belanghebben en op verslag van de directieraad, worden afgeweken door de Ministers. Art. 36.Het in artikel 35 bedoelde schriftelijk verzoek wordt bij de leidend ambtenaar ingediend, door middel van een modelformulier dat door de dienst voor personeelsbeleid wordt verstrekt. De directeur van de dienst geeft vooraf in het vak dat op het formulier daartoe is voorzien, een gemotiveerd advies.
De verzoeker wordt in kennis gesteld van de beslissing van de Ministers. Art. 37.De bepalingen van deze Titel gelden eveneens voor de stagiairs.
TITEL IV. - Werving HOOFDSTUK I. - Toelaatbaarheidsvereisten Art. 38.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hierna-volgende voorwaarden : 1° de voor de toe te wijzen betrekking vereiste toelaatbaarheidsvoorwaarden vervullen;2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie georganiseerd door het SELOR;3° met goed gevolg de stage volbrengen;4° de eventueel vereiste lichamelijke en medische geschiktheid bezitten om de betrekking uit te oefenen. De dienst voor arbeidsgeneeskunde voert de onder 4° van het vorige lid bedoelde lichamelijke en medische geschiktheidsonderzoeken uit. Art. 39.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende algemene toelaatbaarheidsvereisten : 1° Belg zijn wanneer de uit te oefenen functies verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag en ten doel hebben de algemene belangen van de Staat te behartigen, of, in de andere gevallen, Belg zijn of burger van een andere Staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat;2° van een gedrag zijn dat beantwoordt aan de vereisten van de betrekking;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, volgens de lijst als bijlage toegevoegd aan het
koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/05/2001
pub.
29/06/2001
numac
2001007141
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht
sluiten2 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommisie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen of vereist door de in artikel 9 bedoelde functiebeschrijving. Art. 40.In voorkomend geval kunnen bijzondere toelaatbaarheidsvereisten worden opgelegd overeenkomstig het hierna bepaalde : 1° wanneer de aard van het ambt dit vereist, overeenkomstig artikel 9, wordt, voor selectie in bepaalde graden of betrekkingen, het bezit van diploma's of studiegetuigschriften voorgeschreven;2° wanneer die eis gewettigd is wegens de behoeften van de dienst kunnen de Ministers, na het advies van de afgevaardigd beheerder van het SELOR te hebben ingewonnen, voor een bepaalde betrekking het bezit voorschrijven van bijzondere diploma's of studiegetuigschriften aan te wijzen : a) ofwel onder de diploma's en studiegetuigschriften vermeld onder punt A;b) ofwel onder de diploma's of studiegetuigschriften vermeld in de bijlagen bij voornoemd
koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/05/2001
pub.
29/06/2001
numac
2001007141
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht
sluiten2;3° na overleg met de afgevaardigd bestuurder van het SELOR, kunnen de Ministers voor een bepaalde vergelijkende selectie een minimumleeftijd voorschrijven of bijzondere eisen stellen inzake beroepsbekwaamheid verworven in een Staat die deel uitmaakt van de Europese economische ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat, namelijk het bezit van praktische kennis of de uitoefening van een vorige werkzaamheid, wanneer de aard van de te verlenen betrekkingen zodanige eisen wettigt;4° wanneer de afgevaardigd bestuurder van het SELOR vermoedt dat het aantal deelnemers niet groot genoeg zal zijn om voldoende kandidaten of geslaagden op te leveren, kan hij tot een bepaalde vergelijkende selectie de studenten toelaten die in het laatste jaar zit- ten van de studies voor het behalen van het vereiste diploma of getuigschrift.In dat geval worden tot die selectie ook toegelaten zij die voldaan hebben aan het examen van het voorlaatste jaar en verklaren dat zij het examen van het laatste jaar voor de examencommissie van hun Gemeenschap zullen afleggen.
Evenwel kunnen diegenen die, met toepassing van het eerste lid, aan de vergelijkende selectie deelnamen en slaagden, zich voor hun benoeming eerst op hun rangschikking beroepen vanaf de dag waarop zij aan de afgevaardigd bestuurder van het SELOR het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd; 5° wanneer de vereisten van het uit te oefenen ambt daaraan niet in de weg staan, kan de afgevaardigd bestuurder van het SELOR voor de selectie in een bepaalde graad, naast de diploma's vermeld in de bijlage bij voornoemd
koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/05/2001
pub.
29/06/2001
numac
2001007141
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht
sluiten2, andere door hem aan te wijzen diploma's en getuigschriften mede in aanmerking laten komen : a) diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs van socio-culturele promotie;b) diploma's en getuigschriften van het technisch, het kunst- of het beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan;6° voor de selectie in bepaalde graden van de niveaus A, B en C kan de afgevaardigd bestuurder van het SELOR de houders van door hem aan te wijzen vormingsdiploma's en vormingsgetuigschriften toelaten wan neer die eis verantwoord is door de technische of de gespecialiseerde aard van het uit te oefenen ambt en voor zover de houders van die diploma's of getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in de bijlagen bij voor-noemd
koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/05/2001
pub.
29/06/2001
numac
2001007141
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht
sluiten2. HOOFDSTUK II. - Werving van personen met een handicap Art. 41.Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt verstaan onder "erkenningsinstellingen" de vijf volgende instellingen : 1° het Waals Agentschap voor de integratie van gehandicapte personen, in het kort A.W.I.P.H.; 2° de Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor personen met een handicap (Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung); 3° het Vlaams Agentschap voor Personen met een handicap, in het kort V.A.P.H.; 4° de Brusselse Franstalige dienst voor mindervaliden;5° de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad. Art. 42.De Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie moeten personen met een handicap tewerkstellen a rato van twee percent van de personeelsformatie.
De betrekkingen die voor personen met een handicap bestemd zijn, kunnen bekleed worden door kandidaten die bij hun aanwerving ten minste één van de volgende voorwaarden vervullen : 1° ingeschreven zijn bij één van de erkenningsinstellingen bedoeld in artikel 41 of het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot tegemoetkoming vanwege één van deze instellingen en één van deze instellingen in kennis te hebben gesteld van elke beslissing betreffende maatregelen inzake hulp of sociale integratie of inschakeling in het arbeidsproces, die door de federale of gemeenschapsoverheid is genomen;2° het slachtoffer zijn geweest van een arbeidsongeval en een attest voorleggen van het Fonds voor Arbeidsongevallen of van de Sociaal-Medische Rijksdienst waarbij een blijvende ongeschiktheid van ten minste 30 % wordt bevestigd;3° door een beroepsziekte zijn getroffen en een attest voorleggen van het Fonds voor Beroepsziekten of van de Sociaal-Medische Rijksdienst waarbij een blijvende ongeschiktheid van ten minste 30 % wordt bevestigd;4° het slachtoffer zijn geweest van een gemeenrechtelijk ongeval en een door de griffie van de rechtbank afgeleverd afschrift van het vonnis voorleggen waarbij een handicap of een blijvende ongeschiktheid van ten minste 30 % wordt bevestigd;5° het slachtoffer zijn geweest van een thuis-ongeval en een afschrift van de beslissing van de verzekeringsinstelling voorleggen waarbij een blijvende ongeschiktheid van ten minste 30 % wordt bevestigd;6° een inkomensvervangende of integratie-tegemoetkoming genieten krachtens de
wet van 27 februari 1987Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
27/02/1987
pub.
18/10/2004
numac
2004000528
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling
sluiten betreffende de tegemoetkomingen aan de personen met een handicap. Art. 43.De leidend ambtenaar zendt de lijst van de vacante berekkingen die door een persoon met een handicap bekleed kunnen worden naar de erkenningsinstellingen bedoeld in artikel 41.
Hij voegt er een fiche bij met de functiebeschrijving, de vereiste kwalificaties en bekwaamheden voor elke betrekking. Art. 44.§ 1. De Ministers richten zich tot de afgevaardigd bestuurder van het SELOR om een persoon met een handicap aan te werven.
De persoon met een handicap moet voldoen aan de wervingsvoorwaarden voor elke betrekking en slagen voor een wervingsexamen dat aangepast is aan de beperkingen opgelegd door zijn handicap en bestemd zijn om zijn bekwaamheid tot het bekleden van de betrekking na te gaan.
De afgevaardigd bestuurder duidt de kandidaten aan die naar zijn mening het beste profiel voor het bekleden van de betrekking bezitten. § 2. De leidend ambtenaar duidt een ambtenaar aan, belast met de begeleiding van de bij de Diensten van het Verenigd College tewerkgestelde personen met een handicap die dit wensen. HOOFDSTUK III. - Vergelijkende selectieproeven Art. 45.De vergelijkende selectieproeven worden georganiseerd voor de werving in de graden van de rangen A1, B1, C1 en D1.
Worden als wervingsgraden beschouwd : in niveau A, rang A1 : geneesheer; ingenieur; attaché; in niveau B, rang B1 : assistent; in niveau C, rang C1 : adjunct; in niveau D, rang D1 : klerk. Art. 46.De vergelijkende selectieproeven worden georganiseerd door de afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid (SELOR).
De afgevaardigd bestuurder van het SELOR kondigt elke vergelijkende selectieproef aan via een in het Belgisch Staatsblad te plaatsen bericht en, wanneer hij dat wenselijk acht, door elk ander middel van bekendmaking dat hij passend vindt.
Het bericht vermeldt ten minste de algemene vereisten waaraan de gegadigden moeten voldoen om benoemd te kunnen worden alsook de datum waarop de vereisten moeten vervuld zijn; het vermeldt tevens het aantal stagiairs dat kan worden toegelaten. Art. 47.De Ministers stellen, na advies van de directieraad, het programma van de selectieproeven vast, in samenspraak met de afgevaardigd bestuurder van het SELOR. De programma's moeten toelaten te onderzoeken of de kandidaten over de vereiste bekwaamheden beschikken om de toe te wijzen betrekking uit te oefenen. Art. 48.De afgevaardigd bestuurder van het SELOR bepaalt de modaliteiten van de vergelijkende selectieproeven, in overleg met de leidend ambtenaar.
Onder deze modaliteiten moet worden verstaan : 1° het opstellen van de richtlijnen met betrekking tot het organiseren en het publiceren van de selecties;deze verlopen mondeling, schriftelijk, met behulp van gestandaardiseerde vragenlijsten of computergestuurd; 2° het opstellen van een selectiereglement dat : a) de termijn bepaalt binnen de welke de inschrijvingen ontvankelijk zijn;b) het overeenkomstig artikel 47 vastgestelde programma van de proeven alsmede de deelnemingsvoorwaarden omvat en de datum vastlegt waarop aan al deze voorwaarden moet voldaan zijn;c) het aantal punten bepaalt dat wordt toegekend aan de selectie in haar totaliteit, aan elk van de proeven en, in voorkomend geval, voor de onderverdelingen ervan;d) het minimum aantal punten bepaalt, dat vereist is voor de selectie in haar totaliteit, aan elk van de proeven en, in voorkomend geval, voor de onderverdelingen ervan;3° het aanwijzen van de leden van de examencommissies;4° het vaststellen van de datum en de plaats van de selectie;5° het opstellen van de lijst van de kandidaten die toelaatbaar zijn verklaard om deel te nemen aan de vergelijkende selectie;6° het oproepen van de kandidaten;7° het opstellen van het proces-verbaal waarin de rangschikking van de kandidaten wordt bepaald;8° het bekendmaken van de behaalde uitslagen aan de kandidaten. Art. 49.De Ministers bepalen of er al dan niet een wervingsreserve dient samengesteld. De geldigheidsduur van deze reserve beloopt maximum drie jaar. Art. 50.De afgevaardigd bestuurder van het SELOR vermeldt in het proces-verbaal de lijst van de kandidaten die geslaagd zijn voor de selectieproeven en duidt hun respectievelijke rangschikking aan.
Deze rangschikking wordt vastgesteld op basis van het totaal aantal punten dat behaald werd.
De geldigheidsduur van de selectie neemt een aanvang vanaf de datum waarop het proces-verbaal van het hele examen wordt afgesloten.
De afgevaardigd bestuurder van het SELOR staat in voor de bekendmaking van de uitslag van de vergelijkende selectie in het Belgisch Staatsblad. Art. 51.Na het afsluiten van het proces-verbaal van de vergelijkende selectie, ontvangt iedere deelnemer bericht van zijn uitslag.
De behaalde uitslag wordt in bijzonderheden in het persoonlijk dossier opgenomen als de gegadigde, volgens de volgorde bepaald door de in artikel 50 bedoelde rangschikking, tot ambtenaar wordt benoemd.
TITEL V. - Stage HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 52.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit.
De bepalingen van dit besluit gelden voor hem slechts in zover zij uitdrukkelijk op hem toepasselijk zijn verklaard. Art. 53.Wanneer een door de Ministers vacant verklaarde betrekking door een geslaagde van een vergelijkende selectieproef moet worden ingevuld, richten zij een verzoek in deze zin aan de afgevaardigde bestuurder van het SELOR. De leidend ambtenaar roept de geselecteerde kandidaat in dienst, met het genot van al zijn administratieve en geldelijke rechten, uiterlijk op de eerste dag van de derde maand volgend op die van de toelaatbaarheidsverklaring door de afgevaardigd bestuurder van het SELOR. Wanneer een geslaagde een opzeggingsperiode moet volbrengen bij toepassing van de bepalingen van de
wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
03/07/2008
numac
2008000527
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
12/03/2009
numac
2009000158
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten, wordt de in het tweede lid vastgestelde termijn, in voorkomend geval, verlengd tot de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de opzegging verstrijkt. Art. 54.Indien, overeenkomstig artikel 38, 4°, het nagaan van de lichamelijke geschiktheid van de laureaat is vereist, kan hij tot benoeming toegelaten worden alvorens deze is gebeurd. Voldoet hij niet aan deze vereiste, dan wordt hij ambtshalve ontslagen.
Ten laatste op de datum van dit ontslag ambtshalve wordt met de betrokkene een arbeidscontract voor bepaalde duur gesloten, waarvan deze laatste overeenstemt met de minimumduur welke in zijn geval vereist is om werkloosheidsuitkeringen te genieten.
Wanneer hij op de ingangsdatum van het contract arbeidsongeschikt is of, tijdens de uit-voering ervan arbeidsongeschikt wordt, wordt hem een wedde uitbetaald in het eerste geval gedurende zes maanden en in het tweede geval gedurende de periode nodig om de wachttijd te dekken voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen. Art. 55.§ 1. Om de duur van de stage te berekenen, worden alle perioden waarin de stagiair in actieve dienst is, in aanmerking genomen. § 2. Zelfs indien de stagiair in actieve dienst is, leiden de afwezigheden die zich voordoen nadat de stagiair reeds tien werkdagen in één of verschillende malen afwezig is geweest, tot schorsing van de stage.
Komen voor de berekening van deze dagen afwezigheid niet in aanmerking, de verloven bedoeld in de artikelen 163, 1°, 2°, 5° en 13°, en 172, 2°. § 3. In geval van schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair en zijn administratieve toestand wordt vastgesteld overeenkomstig de reglementsbepalingen die op hem van toepassing zijn. § 4. Na het einde van een afwezigheidsperiode die een schorsing van de stage tot gevolg heeft gehad, beslist de directieraad of er voor de stagiair een reden bestaat om de vorming voort te zetten.
Gedurende de periode van verlenging van de stage behouden de betrokkenen hun hoedanigheid van stagiair. Art. 56.De leidend ambtenaar wijst de ambtenaren van rang A aan die de leiding van de stage uitoefenen, naargelang van de taalrol van de stagiair.
De ambtenaar belast met de leiding van de stage stelt drie uitvoerige verslagen op ter omkleding van zijn evaluatie en maakt deze over aan de Dienst voor personeelsbeleid.
Het eerste verslag wordt overgemaakt voor het einde van de tweede maand voor de stagiairs van de niveaus C en D en voor het einde van de vierde maand voor de stagiairs van de niveaus A en B. Het tweede verslag wordt overgemaakt voor het einde van de vierde maand voor de stagiairs van de niveaus C en D en voor het einde van de achtste maand voor de stagiairs van de niveaus A en B. Het derde verslag wordt overgemaakt voor het einde van de zesde maand voor de stagiairs van de niveaus C en D en voor het einde van de twaalfde maand voor de stagiairs van de niveaus A en B. Ieder verslag wordt ter kennis gebracht van de stagiair, die er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt, en van de directeur van de dienst waarin de stagiair is ingedeeld; het wordt in zijn persoonlijk dossier opgenomen. Art. 57.§ 1. De stagiair kan worden afgedankt wegens beroepsongeschiktheid mits een opzeggingstermijn van drie maanden.
Ten laatste op de datum van de beslissing tot afdanking wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur van drie maanden gesloten die overeenstemt met de in het eerste lid bedoelde opzeggingstermijn. § 2. Voor elke zware fout begaan gedurende of ter gelegenheid van de stage kan de stagiair die er zich schuldig aan maakt zonder opzegging worden afgedankt. Hij moet vooraf worden gehoord of aangemaand. § 3. De afdanking wordt door het Verenigd College uitgesproken, voor de stagiairs van niveau A, en door de Ministers, voor de stagiairs van de andere niveaus. HOOFDSTUK II. - Verloop van de stage Art. 58.Het Verenigd College stelt de algemene beginselen inzake de stage vast. Art. 59.De directieraad stelt, met inachtneming van de in artikel 58 bedoelde beginselen, de in artikel 71 bedoelde vormingsactiviteiten vast waaraan de stagiairs moeten deelnemen.
De stagiairs van de niveaus A en B moeten bovendien een eindverhandeling indienen bij de directieraad volgens de modaliteiten en binnen de termijn die hij bepaalt. Art. 60.§ 1. De laureaten die door de afgevaardigd bestuurder van het SELOR zijn toegelaten voor een betrekking van niveau A, worden als stagiair benoemd door het Verenigd College.
De laureaten die door de afgevaardigd bestuurder van het SELOR werden toegelaten voor betrekkingen van de andere niveaus, worden als stagiair benoemd door de Ministers. § 2. De stage duurt één jaar voor de niveaus A en B en zes maanden voor de niveaus C en D. In de gevallen bedoeld in artikel 62, kan zij met ten hoogste één jaar, voor de niveaus A en B, en met ten hoogste zes maanden, voor de niveaus C en D, worden verlengd. Art. 61.De stagiair wordt onder het gezag van de ambtenaar belast met de leiding van de stage geplaatst. Hij wordt eraan gehouden deel te nemen aan de vormingsactiviteiten die de directieraad oplegt. Art. 62.§ 1. Indien de drie in artikel 56 bedoelde verslagen over hun geheel niet gunstig zijn voor de stagiair of indien de stagiair van de niveaus A en B niet voldoet aan de verplichtingen bedoeld in artikel 59, tweede lid, legt de leidend ambtenaar het geval voor aan de directieraad.
Daartoe maakt hij een verslag op dat hij aan de stagiair mededeelt. § 2. De directieraad, binnen vijftien werkdagen nadat hij is geadieerd en na de nodige informatie te hebben ingewonnen, inzonderheid bij de betrokken hiërarchische meerderen, en naargelang van het geval : 1° beslist of de stage moet verlengd worden;2° legt hetzij aan het Verenigd College, voor de stagiairs van niveau A, hetzij aan de Ministers, voor de stagiairs van de andere niveaus, een met redenen omkleed afdankingsvoorstel voor;3° legt hetzij aan het Verenigd College, voor de stagiairs van de niveaus A en B, hetzij aan de Ministers, voor de stagiairs van de niveaus C en D, een met redenen omkleed benoemingsvoorstel voor. De directieraad hoort de stagiair, op zijn verzoek.
De stagiair verschijnt in eigen persoon; hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. De verdediger mag hoe dan ook geen deel uitmaken van de directieraad. § 3. In de in § 2, 1° en 2°, bedoelde gevallen, legt de directieraad het dossier voor aan de in artikel 18 bedoelde commissie. Hij voegt er het voorstel van beslissing aan toe.
Hij betekent bedoelde voorlegging aan de stagiair. De datum van de betekening doet de in artikel 19, vierde lid, bedoelde termijn lopen. Art. 63.De door de directieraad geschikt bevonden stagiair wordt tot ambtenaar benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld.
Voor de berekening van zijn anciënniteit in de weddenschaal en voor zijn rangschikking, neemt hij rang in op de dag waarop zijn stage is begonnen.
Dit artikel mag geen afbreuk doen aan de in artikel 54 bedoelde bepalingen die van toepassing zijn op de wegens lichamelijke ongeschiktheid onder voorbehoud toegelaten stagiairs.
TITEL VI. - Benoeming als ambtenaar Art. 64.De stagiairs leggen de eed af wanneer zij tot ambtenaar worden benoemd.
Zij worden geacht als ambtenaar in dienst te zijn getreden zodra zij eed hebben afgelegd. Art. 65.De in het vorig artikel bedoelde eed wordt afgelegd in de termen, bepaald bij artikel 2 van het
decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/05/2001
pub.
29/06/2001
numac
2001007141
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht
sluiten4. Art. 66.De ambtenaren van de niveaus A en B leggen de eed af in handen van de Ministers; de ambtenaren van de andere niveaus leggen de eed af in handen van de leidend ambtenaar. Art. 67.Indien zij verzuimen de in artikel 65 bedoelde eed af te leggen, wordt hun benoe-ming met terugwerkende kracht vernietigd.
TITEL VII. - Het onthaal, de vorming en de voorlichting Art. 68.Onder onthaal dient elke maatregel te worden verstaan tot bevordering van de integratie van de nieuwe personeelsleden binnen de Diensten van het Verenigd College. Art. 69.Onder vorming dient elke activiteit te worden verstaan die tot doel heeft : 1° zich te vormen en te vervolmaken in het beroep;2° te voldoen aan de bevorderingscriteria;3° te voldoen aan de evaluatiecriteria. Tijdens de periodes van afwezigheid die gerechtvaardigd worden door deelname aan verplichte of toegelaten activiteiten georganiseerd in het raam van het eerste lid, is de ambtenaar in actieve dienst. Art. 70.Onder voorlichting dient elke maatregel te worden verstaan waarbij nuttige inlichtingen aan de ambtenaren worden verschaft. Art. 71.Het Verenigd College neemt, op voordracht van de Ministers de algemene beginselen inzake onthaal en vorming aan.
Met inachtneming van de algemene beginselen uitgevaardigd op grond van voorgaand lid, stelt de directieraad het onthaal- en vormingsprogramma vast dat aan de behoeften van het bestuur en zijn personeel beantwoordt. Hij kan in samenwerking met de erkenningsinstellingen bedoeld in artikel 41, het onthaal, de vorming en de inschakeling in het arbeidsproces van de personen met een handicap organiseren. Art. 72.De directeur van de algemene diensten is belast met de functies van verantwoordelijke voor de opleiding en voorlichting. Art. 73.De verantwoordelijke voor de opleiding en voorlichting dient in het bezit te zijn van een bekwaamheidsattest, dat afgeleverd wordt na een opleidingscursus waarvan het College de nadere regelen vaststelt. Art. 74.De verantwoordelijke voor de opleiding en voorlichting is belast met : 1° de uitvoering van de onthaalprogramma's;2° de opmaak van een jaarlijks opleidingsplan.Dit plan bevat : a) de te bereiken algemene doelstellingen van de vorming, zowel kwalitatief als kwantitatief;b) de prioriteiten voor het komende jaar;c) de inhoud, de vorm en duur van de vormingen;d) het al dan niet verplicht karakter van de vormingen;e) de te voorziene begroting voor ieder van de vormingsdoelstellingen;f) na verloop van het eerste vormingsplan, een evaluatie van de mate waarin de doelstellingen werden verwezenlijkt. Het plan wordt door de Ministers goedgekeurd, na overleg met de vakorganisaties. 3° de organisatie van de voorgeschreven opleidingen voor de vergelijkende bevorderingsselecties;4° de organisatie van de opleidingen voor de ambtenaren die het voorstel inzake voorlopige globale vermelding en de vermelding van globale evaluatie dienen op te stellen;5° de organisatie van de noodzakelijke vervolmakingscursussen voor de ambtenaren;6° de opmaak van een strategisch plan voor de interne en externe communicatie. TITEL VIII. - Evaluatie Art. 75.De evaluatie, uitgevoerd op basis van een in artikel 81 beschreven individueel evaluatiedossier, heeft tot doel het werk van de ambtenaar in de functie die hij vervult, aan de hand van de functiebeschrijving ervan, doorlopend te beoordelen. Ze is verplicht voor elke ambtenaar. Art. 76.§ 1. Onverminderd artikel 83, § 2, gebeurt de evaluatie door de hiërarchische meerdere van de ambtenaar, met eerbiediging van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Indien hij niet tot dezelfde taalrol als de ambtenaar behoort, dient de hiërarchische meerdere een voldoende kennis van de taal van de geëvalueerde ambtenaar te bezitten, als ambtenaar behorend tot het tweetalig kader, die krachtens artikel 43, § 3, derde lid van dezelfde wetten het bewijs heeft geleverd de tweede taal voldoende te kennen, ofwel omdat hij in het bezit is van een taalbewijs waaruit de voldoende kennis van de andere taal blijkt dat uitgereikt is op grond van de artikelen 7, 11 of 12 van het
koninklijk besluit van 8 maart 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/05/2001
pub.
29/06/2001
numac
2001007141
bron
ministerie van landsverdediging
Wet houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht
sluiten3 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van dezelfde wetten.
Indien de hiërarchische meerdere niet voldoet aan de in het vorige lid bepaalde vereiste, wijst de leidend ambtenaar de gemachtigde ambtenaar aan.
Een hiërarchische meerdere mag geen evaluatie uitvoeren zonder eerst een vorming te hebben genoten. § 2. Voor de evaluatie van de ambtenaren van de niveaus B, C en D is de hiërarchische meerdere met ten minste een graad van rang A1 bekleed.
Voor de graden van rang A1 is dit de directeur waarvan de geëvalueerde ambtenaar afhangt.
Voor de graden van de rang A3 zijn dit de leidende ambtenaren.
De hiërarchische meerdere die de ambtenaar niet onder zijn gezag heeft gehad gedurende de volledige evaluatieperiode, raadpleegt de vorige rechtstreekse hiërarchische meerderen van de ambtenaar voor het evaluatiegesprek.
Indien de hiërarchische meerdere niet de functionele meerdere van de ambtenaar is, dient hij de functionele meerdere te raadplegen voor de evaluatiegesprekken. Art. 77.§ 1. De …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.