Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Besluit van de Vlaamse Regering tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode

Kort samengevat

Dit besluit regelt het sociale huurstelsel in Vlaanderen, als uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode. Het stelt de regels vast voor wie in aanmerking komt voor een sociale huurwoning en hoe de huurprijs wordt berekend.

Wat het regelt

  • De definitie van "actueel besteedbaar inkomen" voor kandidaat-huurders.
  • De voorwaarden voor wie als "dakloze" wordt beschouwd.
  • De definitie van "huurder" in het kader van de Vlaamse Wooncode, inclusief partners die feitelijk samenwonen.
  • De erkenning van verschillende instanties zoals Centra voor Basiseducatie en Centra voor Volwassenenonderwijs in relatie tot cursussen Nederlands tweede taal.

Wie het aanbelangt

  • Kandidaat-huurders van sociale woningen.
  • Huurders van sociale woningen en hun feitelijk samenwonende partners.

Kernpunten

  • Het "actueel besteedbaar inkomen" wordt berekend over de zes maanden voorafgaand aan de referentiedatum, exclusief inkomens van ongehuwde kinderen jonger dan 25 jaar.
  • Effectief betaalde schuldaflossingen worden alleen in mindering gebracht als de kandidaat-huurder is toegelaten tot een collectieve schuldenregeling of in budgetbegeleiding/budgetbeheer is bij een O.C.M.W. of erkende instelling.
  • Een feitelijk samenwonende partner moet uiterlijk zes maanden na het begin van de samenwoonst de huurovereenkomst mee ondertekenen, mits instemming van de huurder en verhuurder.
  • Een "dakloze" is iemand zonder eigen woongelegenheid, zonder middelen om hierin te voorzien, of iemand die tijdelijk in een tehuis verblijft in afwachting van een eigen woongelegenheid.
Wettekst
Wettekst

wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der inste

artikel 2, eerste lid, 13°, van het Inburgeringsdecreet;4° attest van inburgering : het attest,

artikel 2, eerste lid, 11°, van het Inburgeringsdecreet;5° attest van vrijstelling : het attest,

artikel 2, eerste lid, 12°, van het Inburgeringsdecreet;6° campingverblijf : elke vorm van openluchtrecreatief verblijf, tent uitgezonderd, gelegen op een terrein voor openluchtrecreatieve verblijven,

artikel 2, van het decreet van 3 maart 1993 houdende het statuut van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven;7° cursus Nederlands tweede taal : een opleiding Nederlands tweede taal die georganiseerd wordt door : a) een Centrum voor Basiseducatie,

het decreet van 12 juli 1990 houdende de regeling van basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen;b) een Centrum voor Volwassenenonderwijs,

het decreet van 2 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 02/03/1999 pub. 21/08/1999 numac 1999035844 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs sluiten tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs;c) een talencentrum dat opgericht is bij een universiteit,

het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap;8° dakloze : de persoon die niet over een eigen woongelegenheid beschikt, die niet de middelen heeft om daar op eigen kracht voor te zorgen en daardoor geen verblijfplaats heeft, of tijdelijk in een tehuis verblijft, in afwachting dat hem een eigen woongelegenheid ter beschikking wordt gesteld;9° Huis van het Nederlands : het territoriaal bevoegde provinciale of stedelijke Huis van het Nederlands, erkend en gesubsidieerd overeenkomstig het decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 07/05/2004 pub. 19/11/2004 numac 2004036701 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de Huizen van het Nederlands sluiten betreffende de Huizen van het Nederlands;10° huurder : de huurder, zoals gedefinieerd in artikel 2, § 1, eerste lid, 34°, van de Vlaamse Wooncode.De partner die feitelijk samenwoont met de persoon,

artikel 2, § 1, eerste lid, 34°, a), van de Vlaamse Wooncode moet uiterlijk zes maanden na het begin van de feitelijke samenwoonst de huurovereenkomst mee ondertekenen, op voorwaarde dat de huurder,

artikel 2, § 1, eerste lid, 34°, a), van de Vlaamse Wooncode en de verhuurder daarmee instemmen. Vanaf het ogenblik van de ondertekening wordt die persoon beschouwd als een huurder zoals gedefinieerd in artikel 2, § 1, eerste lid, 34°, c), van de Vlaamse Wooncode; 11° inburgeringsbesluit : het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten9 betreffende de uitvoering van het Vlaamse inburgeringsbeleid;12° inburgeringscontract : het contract,

artikel 2, eerste lid, 9°, van het Inburgeringsdecreet;13° Inburgeringsdecreet : het decreet van 28 februari 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 28/02/2003 pub. 08/05/2003 numac 2003035383 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het Vlaamse inburgeringsbeleid sluiten betreffende het Vlaamse inburgeringsbeleid;14° inburgeringstraject : het primaire inburgeringstraject,

artikel 10 van het Inburgeringsdecreet;15° inkomen : de som van de aan de personenbelasting onderworpen inkomsten, van de niet-belastbare vervangingsinkomsten van de referentiepersoon, met uitsluiting van de ongehuwde kinderen die zonder onderbreking deel uitmaken van het gezin en die minder dan 25 jaar oud zijn op het ogenblik van de referentiedatum.Het inkomen van inwonende ascendenten wordt slechts voor de helft aangerekend. Het wordt niet aangerekend voor de familieleden van de eerste en de tweede graad die erkend zijn als ernstig gehandicapt of die ten minste 65 jaar oud zijn. Ongeacht de periode waarop het inkomen betrekking heeft, wordt dat inkomen steeds geïndexeerd volgens de gezondheidsindex van de maand juni van het jaar dat aan de toepassing ervan voorafgaat en met als basis de maand juni van het jaar waarop het inkomen betrekking heeft. In afwijking hiervan wordt het inkomen niet geïndexeerd als het betrekking heeft op een periode na de maand juni van het jaar dat aan de toepassing ervan voorafgaat. Als het inkomen, desgevallend na indexatie, kleiner is dan het leefloon, rekening houdend met de gezinssamenstelling van de referentiepersoon en zoals van toepassing in de maand juni van het jaar dat aan de vaststelling van het inkomen voorafgaat, wordt het inkomen gelijkgesteld met dat leefloon; 16° intern huurreglement : een openbaar document waarin de verhuurder de aan zijn specifieke situatie aangepaste concrete regels vastlegt onder meer ter uitvoering van artikel 12, 17, 18, 20, 21, 33, 37 en 50;17° kandidaat-huurder : a) voor de toepassing van artikel 6 tot en met 12, 30, eerste lid, 1°, 2° en 3° en 72 : de personen die ingeschreven zijn in het inschrijvingsregister,

artikel 7;b) voor de toepassing van artikel 14 tot en met 16, 18 tot en met 22, 24, 26 tot en met 28, 30, eerste lid, 4°, en 52 : 1) de personen die ingeschreven zijn in het inschrijvingsregister,

artikel 7;2) de meerderjarige personen, andere dan

1), die de sociale huurwoning zullen betrekken bij de aanvang van de huurovereenkomst;3) de persoon,

artikel 2, § 1, eerste lid, 34°, c) en d), van de Vlaamse Wooncode op het ogenblik van de toetreding tot de lopende huurovereenkomst;18° Kruispuntbank Inburgering : de Kruispuntbank Inburgering,

artikel 1, § 1, 6°, van het inburgeringsbesluit;19° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de Huisvesting; 20° niveau A.1. Breakthrough van het Europees referentiekader voor vreemde talen : het niveau dat wordt beschouwd als het laagste niveau van generatief taalgebruik, het punt waarop personen op een eenvoudige manier interactief kunnen zijn, eenvoudige vragen kunnen stellen en beantwoorden over zichzelf, over waar ze wonen, over wie ze kennen en over dingen die ze hebben, eenvoudige uitspraken kunnen doen en beantwoorden op het gebied van primaire behoeften of over zeer vertrouwde onderwerpen, en niet meer uitsluitend vertrouwen op een zeer beperkt, lexicaal geordend repertoire van situatiegebonden frasen; 21° onthaalbureau : het onthaalbureau,

artikel 20 van het inburgeringsbesluit, dat de gemeente bedient waar de referentiepersoon woont;22° persoon ten laste :

  1. a)de persoon die op de referentiedatum bij de referentiepersoon gedomicilieerd is en die minderjarig is, of waarvoor kinderbijslag of wezentoelage wordt uitbetaald, of die door de minister op voorlegging van bewijzen als ten laste wordt beschouwd;
  2. b)de referentiepersoon of de persoon, vermeld onder a), die erkend is als ernstig gehandicapt of erkend was op het ogenblik van pensionering.De minister stelt de voorwaarden hiervoor vast; 23° rationele bezetting : de passende bezetting van een woning, waarbij rekening wordt gehouden met het aantal personen en de fysieke toestand van deze personen;24° referentiedatum : naargelang het geval de datum van de inschrijving, de toewijzing, de huurprijsaanpassing of de actualisering van het inschrijvingsregister;25° referentiejaar : het derde jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de inschrijving, de actualisering van het inschrijvingsregister, de toewijzing of de huurprijsaanpassing plaatsvindt;26° referentiepersoon : naargelang het geval de persoon die zich wil inschrijven, de kandidaat-huurder of de huurder;27° sociaal verhuurkantoor : het sociaal verhuurkantoor dat erkend is overeenkomstig artikel 56 van de Vlaamse Wooncode;28° toezichthouder : de toezichthouder,

artikel 29bis van de Vlaamse Wooncode; 29° verhuurder : de instantie die woningen verhuurt of onderverhuurt overeenkomstig de bepalingen van titel VII van de Vlaamse Wooncode, namelijk een sociale huisvestingsmaatschappij, de VMSW, het Vlaams Woningfonds, een gemeente, een intergemeentelijk samenwerkingsverband, een O.C.M.W., een vereniging als

artikel 118 van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of een sociaal verhuurkantoor; 30° verplichte inburgeraar : de inburgeraar,

artikel 2, eerste lid, 6bis °, van het Inburgeringsdecreet;31° Vlaamse Wooncode : decreet van 15 juli 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/07/1997 pub. 19/08/1997 numac 1997036023 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de Vlaamse Wooncode sluiten houdende de Vlaamse Wooncode;32° VMSW : de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen,

artikel 30 van de Vlaamse Wooncode. HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied Art. 2.De bepalingen van dit besluit zijn niet van toepassing op de woningen die worden verhuurd aan : 1° openbare besturen, welzijnsorganisaties of organisaties die de Vlaamse Regering daartoe erkent, onder de voorwaarden die de minister mits mededeling vooraf aan de Vlaamse Regering, vaststelt;2° de categorieën van personen die de minister, mits mededeling vooraf aan de Vlaamse Regering, bepaalt. HOOFDSTUK III. - Inschrijvingsvoorwaarden Afdeling I. - Algemene inschrijvingsvoorwaarden Art. 3.§ 1. Een natuurlijke persoon kan zich laten inschrijven in het register,

artikel 7, als hij aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° hij is meerderjarig;2° hij beschikt, samen met zijn gezinsleden, niet over een inkomen in het referentiejaar, dat de grenzen,

§ 2

, overschrijdt;3° hij heeft, samen met zijn gezinsleden, geen woning of geen perceel dat bestemd is voor woningbouw volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik in binnen- of buitenland, tenzij het een in het Vlaams Gewest gevestigd campingverblijf betreft;4° hij toont de bereidheid om Nederlands aan te leren;5° hij is bereid het inburgeringstraject te volgen overeenkomstig het Inburgeringsdecreet voorzover hij een verplichte inburgeraar is;6° hij is ingeschreven in de bevolkingsregisters,

artikel 1, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. Voor de toepassing van het eerste lid, 2° en 3°, worden echtgenoten waarvoor de echtscheiding werd ingeleid overeenkomstig artikel 1254 of 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek, of wettelijk samenwonenden die hun wettelijke samenwoning gaan beëindigen niet als gezinsleden beschouwd. De verhuurder kan in individuele gevallen afwijken van : 1° de voorwaarde,

het eerste lid, 1°, in het kader van begeleid zelfstandig wonen van een minderjarige persoon; 2° de voorwaarde,

het eerste lid, 2°, voor zover de persoon die zich wil inschrijven tot een collectieve schuldenregeling is toegelaten, overeenkomstig de wet van 5 juli 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/07/1998 pub. 31/07/1998 numac 1998011215 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen sluiten betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van in beslag genomen onroerende goederen, of in budgetbegeleiding of budgetbeheer is bij een O.C.M.W. of een andere door de Vlaamse Gemeenschap erkende instelling voor schuldbemiddeling. Als het derde lid, 2°, van toepassing is, wordt het actueel besteedbaar inkomen van de persoon die zich wil inschrijven in aanmerking genomen en getoetst aan de inkomensgrenzen,

§ 2

. De persoon die zich wil inschrijven, kan bewijzen dat hij voldoet aan de voorwaarde,

het eerste lid, 3°, via een verklaring op eer voor wat betreft de onroerende goederen in het buitenland. § 2. De grenzen,

§ 1

, eerste lid, 2°, zijn vastgesteld op : 1° 17.900 euro voor een alleenstaande zonder personen ten laste; 2° 19.400 euro voor een alleenstaande gehandicapte als

artikel 1, 22°, b) ; 3° 26.850 euro, verhoogd met 1.500 euro per persoon ten laste voor anderen. Als een persoon beantwoordt aan de definitie van persoon ten laste, als gedefinieerd in artikel 1, 22°, a), en aan de definitie van persoon ten laste, als gedefinieerd in artikel 1, 22°, b), telt die persoon voor twee personen ten laste. § 3. Als de persoon die zich kandidaat wil stellen, tijdens het referentiejaar geen inkomen had, neemt de verhuurder het inkomen in aanmerking van het eerstvolgende jaar waarin wel een inkomen genoten werd. Als het inkomen van het referentiejaar de grens,

§ 2

, overschrijdt, maar in het jaar van de aanvraag daaronder gedaald is, kan de persoon worden ingeschreven. § 4. De inschrijvingsvoorwaarde,

§ 1

, eerste lid, 3°, geldt niet als : 1° de woning die gelegen is in het Vlaamse Gewest, het voorwerp is van een onteigeningsbesluit en door de persoon die zich kandidaat wil stellen, wordt bewoond;2° de woning die gelegen is in het Vlaamse Gewest, maximaal twee maanden voor de inschrijving onbewoonbaar of ongeschikt verklaard is en waarvan de ontruiming noodzakelijk is en die op datum van onbewoonbaar of ongeschikt verklaring bewoond werd door de persoon die zich kandidaat wil stellen;3° de woning die gelegen is in het Vlaamse Gewest, onaangepast is en bewoond wordt door de persoon die zich kandidaat wil stellen die minstens 55 jaar oud is of die gehandicapt is;4° de persoon die zich wil inschrijven, gehandicapt is en ingeschreven is voor een ADL-woning,

artikel 1, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 tot aanmoediging van projecten inzake het zelfstandig wonen van personen met een fysieke handicap in sociale woonwijken. Afdeling II. - Taal- en inburgeringsbereidheid als inschrijvingsvoorwaarde Art. 4.De persoon die zich kandidaat wil stellen en die een van de volgende documenten kan voorleggen, voldoet aan de inschrijvingsvoorwaarde,

artikel 3, § 1, eerste lid, 4° : 1° een getuigschrift van het basisonderwijs, of een getuigschrift of diploma van het secundair onderwijs, of een diploma van het hoger onderwijs in een door de Vlaamse Gemeenschap of in een door het Koninkrijk Nederland erkende, georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinstelling, met uitzondering van de onderwijsinstellingen in Aruba en de Nederlandse Antillen en de Franstalige onderwijsinstellingen in een rand- of taalgrensgemeente als

de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken; 2° een studiebewijs, getuigschrift of diploma waaruit onmiskenbaar blijkt dat hij een niveau van het Nederlands haalt dat tenminste overeenkomt met niveau A.1 Breakthrough van het Europees referentiekader voor vreemde talen; 3° een vrijstelling voor het niveau A.1. Breakthrough op basis van een toelatingsproef van een Centrum voor Basiseducatie of een Centrum voor Volwassenenonderwijs. De persoon die zich kandidaat wil stellen, voldoet aan de inschrijvingsvoorwaarde,

artikel 3, § 1, eerste lid, 4°, als de verhuurder via de Kruispuntbank Inburgering een van de volgende verklaringen krijgt of als de persoon zelf een van de volgende verklaringen kan voorleggen als die niet beschikbaar zijn via de Kruispuntbank Inburgering : 1° een verklaring van het Huis van het Nederlands waaruit blijkt dat de persoon die zich kandidaat wil stellen een niveau van het Nederlands haalt dat ten minste overeenkomt met niveau A.1 Breakthrough van het Europees referentiekader voor vreemde talen; 2° een verklaring van het Huis van het Nederlands waaruit blijkt dat hij een cursus Nederlands tweede taal gevolgd heeft met een minimale aanwezigheid van 80 %; 3° een verklaring van het Huis van het Nederlands waaruit blijkt dat hij deelneemt aan een cursus Nederlands tweede taal van niveau A.1 Breakthrough van het Europees referentiekader voor vreemde talen; 4° een verklaring van het Huis van het Nederlands waaruit blijkt dat het Huis van het Nederlands een intake als

artikel 4, § 1, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 maart 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten6 betreffende het project "Huis van het Nederlands" heeft afgenomen. De minister kan de minimale aanwezigheid van 80 %,

het tweede lid, 2°, versoepelen voor de door de minister vast te stellen categorieën van personen. Aan de persoon die om beroepsmatige, medische of persoonlijke redenen tijdelijk niet kan deelnemen of verder deelnemen aan een cursus Nederlands tweede taal, kan de inschrijvingsvoorwaarde,

artikel 3, § 1, eerste lid, 4°, worden opgeschort. De minister bepaalt de nadere voorwaarden. Aan de persoon die zich kandidaat wil stellen en van wie de gezondheidstoestand deelname of verdere deelname aan een cursus Nederlands tweede taal blijvend onmogelijk maakt, wordt een vrijstelling van de inschrijvingsvoorwaarde,

artikel 3, § 1, eerste lid, 4°, toegestaan, mits voorlegging van een medisch attest. De persoon waarvoor artikel 3, § 1, eerste lid, 5°, van toepassing is, voldoet aan de inschrijvingsvoorwaarde,

artikel 3, § 1, eerste lid, 4°. Art. 5.Om vast te stellen of een persoon die zich kandidaat wil stellen, een verplichte inburgeraar is, gaat de verhuurder via de Kruispuntbank Inburgering na of die persoon over een van de volgende attesten of stukken beschikt : 1° een attest van inburgering;2° een attest van vrijstelling;3° een attest van EVC;4° het inburgeringscontract;5° een attest van aanmelding,

artikel 10, § 2, van het inburgeringsbesluit, uitgereikt door het onthaalbureau. Als de verhuurder niet heeft kunnen vaststellen op basis van de attesten of stukken,

het eerste lid, dat de persoon die zich kandidaat wil stellen een verplichte inburgeraar is, verwijst hij die persoon door naar het onthaalbureau als : 1° die persoon met de Belgische nationaliteit, niet in België geboren is;2° die persoon noch de Belgische nationaliteit, noch de nationaliteit van een van de staten van de EU+, zoals

artikel 2, eerste lid, 17°, van het Inburgeringsdecreet heeft. Als de persoon die zich kandidaat wil stellen, over een van de attesten of stukken,

het eerste lid, beschikt, voldoet hij aan de inschrijvingsvoorwaarde,

artikel 3, § 1, eerste lid, 5°. Art. 6.§ 1 De verhuurder meldt via de Kruispuntbank Inburgering : 1° aan het Huis van het Nederlands de identiteitsgegevens van de kandidaat-huurder, die de verklaring,

artikel 4, tweede lid, 3° of 4°, heeft voorgelegd;2° aan het onthaalbureau de identiteitsgegevens van de kandidaat-huurder die het attest,

artikel 5, eerste lid, 4° of 5°, heeft voorgelegd. Deze gegevens worden binnen zeven werkdagen na de inschrijving in het register,

artikel 7, gemeld. § 2. Op basis van de informatie uit de Kruispuntbank Inburgering of op basis van informatie van de opleidingsverstrekkers kijkt het Huis van het Nederlands na of de kandidaat-huurder de aangeboden cursus Nederlands tweede taal heeft aangevat en regelmatig volgt. Als het Huis van het Nederlands vaststelt dat een kandidaat-huurder,

§ 1

, eerste lid, 1°, de aangeboden cursus Nederlands tweede taal onrechtmatig niet heeft aangevat of minder dan 80 % aanwezig was tijdens de cursus Nederlands tweede taal, meldt het Huis van het Nederlands dat binnen dertig dagen na die vaststelling schriftelijk aan de verhuurder. Als het onthaalbureau vaststelt dat een kandidaat-huurder,

§ 1

, eerste lid, 2°, niet regelmatig heeft deelgenomen aan het vormingsprogramma,

artikel 13, § 2, van het inburgeringsbesluit, of als het onthaalbureau vaststelt dat de kandidaat-huurder zijn vormingsprogramma onrechtmatig vroegtijdig heeft beëindigd, zoals bepaald in artikel 13, § 3, van het inburgeringsbesluit, meldt het onthaalbureau dat binnen dertig dagen na die vaststelling schriftelijk aan de verhuurder. HOOFDSTUK IV. - Inschrijvingsregister Art. 7.Elke verhuurder houdt een register bij waarin volgens de orde van de indiening van de aanvraag tot inschrijving, de kandidaat-huurders worden ingeschreven, met vermelding van de eventuele voorrangsregels,

artikelen 19, 20 en 21, § 2. Als een kandidaat-huurder uit het register wordt geschrapt, wordt de reden van deze schrapping in het register bewaard tot de eerstvolgende actualisatie van het register,

artikel 8, werd voltooid. De minister stelt de nadere regels en het model vast. Om de controle over het register en de toewijzingen te kunnen uitoefenen, houdt de verhuurder het register ter beschikking van de toezichthouder. Die heeft het recht een afschrift van het register te vragen. Een schriftelijke of digitale versie van het register zonder persoonsgebonden gegevens ligt ter inzage van de kandidaat-huurder. Art. 8.De inschrijvingsregisters worden minstens in elk oneven jaar geactualiseerd. Daarbij wordt nagegaan of de kandidaat-huurder nog voldoet aan de inschrijvingsvoorwaarde,

artikel 3, § 1, eerste lid, 2°, rekening houdend met zijn gezinssituatie op 1 mei van dat jaar. De gegevens van de kandidaat-huurders die minder dan zes maanden zijn ingeschreven, worden niet geactualiseerd. De toezichthouder oefent het toezicht uit op deze verrichtingen. Art. 9.Op het ogenblik van de inschrijving deelt de verhuurder aan de kandidaat-huurder het volgende mee : 1° de inschrijvings- en toelatingsvoorwaarden;2° de regel dat alle meerderjarige personen die de sociale huurwoning zullen betrekken bij de aanvang van de huurovereenkomst, alsook de personen,

artikel 2, § 1, eerste lid, 34°, c) en d), van de Vlaamse Wooncode op het ogenblik van de toetreding tot de lopende huurovereenkomst, aan de toelatingsvoorwaarden moeten voldoen;3° de toewijzingsregels;4° informatie over de types van woning die door de kandidaat-huurder rationeel bezet kunnen worden;5° de regel dat aan een kandidaat-huurder die zich wil inschrijven voor een woning die niet voldoet aan de rationele bezetting, de woning slechts wordt toegewezen aan de kandidaat-huurder waarvan de gezinssamenstelling de rationele bezetting het meest benadert voor zover er voor die woning geen andere kandidaat-huurders met een aangepaste rationele bezetting zijn ingeschreven;6° de regel dat als er een aanvraag tot gezinshereniging werd ingediend of zal worden ingediend de kandidaat-huurder zich moet inschrijven voor een woning die voldoet aan de rationele bezetting waarbij er rekening wordt gehouden met de gezinssamenstelling na de gezinshereniging. In het geval de verhuurder een sociale huisvestingsmaatschappij is, deelt zij op het ogenblik van de inschrijving aan de kandidaat-huurder mee dat de kandidaat-huurder de mogelijkheid heeft om zijn kandidatuur door de sociale huisvestingsmaatschappij te laten bezorgen aan de andere sociale huisvestingsmaatschappijen die in die gemeente en de aangrenzende gemeenten actief zijn. De minister kan de toepassing van het tweede lid uitbreiden naar de andere verhuurders. Art. 10.De kandidaat-huurder kan het type en de ligging van de woningen aangeven waarvoor hij zich wil inschrijven. In samenhang hiermee kan hij de maximale huurprijs opgeven die hij wenst te betalen. In dit kader geeft de verhuurder toelichting bij de huurprijsberekening en de huurprijzen van de woningen van het gekozen type met de gekozen ligging. De desgevallend opgegeven maximale huurprijs wordt jaarlijks op 1 januari geactualiseerd, zoals bepaald in artikel 40. De verhuurder kan die voorkeur,

het eerste lid, van de kandidaat-huurder weigeren als die ertoe leidt dat een toewijzing onmogelijk wordt. Als de verhuurder de exacte gezinssamenstelling niet kan verkrijgen via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, deelt de kandidaat-huurder de exacte gezinssamenstelling mee aan de verhuurder op het ogenblik van de inschrijving. De kandidaat-huurder deelt in voorkomend geval op het ogenblik van inschrijving aan de verhuurder de gegevens mee van de leden van het gezin in het buitenland waarvoor een aanvraag tot gezinshereniging werd ingediend of zal worden ingediend. Als na de inschrijvingsdatum de gezinssamenstelling of het adres van de kandidaat-huurder wijzigt, moet de kandidaat-huurder dit binnen een maand na de wijziging meedelen aan de verhuurder. Art. 11.De kandidaat-huurder ontvangt een inschrijvingsbewijs, waarin het volgende wordt vermeld : 1° de inschrijvingsdatum;2° het inschrijvingsnummer;3° de voorkeur,

artikel 10, eerste lid;4° de dagen en uren waarop de schriftelijke of digitale versie van het register zonder persoonsgebonden gegevens ter inzage ligt;5° in voorkomend geval het verzoek van de kandidaat-huurder om zijn kandidatuur te laten bezorgen door de verhuurder aan de andere verhuurders die in die gemeente en de aangrenzende gemeenten actief zijn;6° het verhaalrecht,

artikel 30, en de melding van het klachtrecht dat de kandidaat-huurder heeft op basis van het decreet van 1 juni 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 01/06/2001 pub. 17/07/2001 numac 2001035718 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende toekenning van een klachtrecht ten aanzien van bestuursinstellingen sluiten houdende toekenning van een klachtrecht ten aanzien van bestuursinstellingen;7° de gevallen waarin de verhuurder tot schrapping uit het inschrijvingsregister overgaat;8° de melding dat de kandidaat-huurder door zijn inschrijving de toestemming geeft aan de verhuurder om bij de bevoegde overheden en instellingen en bij de lokale besturen de noodzakelijke verklaringen, attesten of gegevens betreffende de voorwaarden en verplichtingen van dit besluit te verkrijgen;9° de melding dat de kandidaat-huurders,

artikel 1, 17°, b), de sociale huurwoning pas kunnen betrekken als ze op het ogenblik van toewijzing van de sociale huurwoning of toetreding tot de lopende huurovereenkomst voldoen aan de toelatingsvoorwaarden;10° de contactgegevens van het agentschap Inspectie RWO;11° de melding op welke wijze openbaarheid wordt gegeven aan het interne huurreglement. Als een kandidaat-huurder van het verzoek,

artikel 9, tweede lid, gebruikmaakt, bezorgt de sociale huisvestingsmaatschappij binnen een termijn van vijftien kalenderdagen vanaf de inschrijving de kandidatuur aan de andere sociale huisvestingsmaatschappijen die in deze gemeente of in de aangrenzende gemeenten actief zijn. Mits akkoord van de kandidaat-huurder en voor zover beschikbaar bezorgt de sociale huisvestingsmaatschappij aan de andere sociale huisvestingsmaatschappijen binnen dertig dagen na de inschrijving een dossier met de in artikel 3 vermelde gegevens en een afschrift van de bewijsstukken. De andere sociale huisvestingsmaatschappij stuurt de betrokken kandidaat-huurder binnen een termijn van vijftien kalenderdagen vanaf de ontvangst van de kandidatuur een ontvangstmelding van het verzoek en meldt dat de kandidaat-huurder de voorkeur,

artikel 10, eerste lid, kan aangeven binnen een termijn die de andere sociale huisvestingsmaatschappij bepaalt. De kandidaat-huurder ontvangt het inschrijvingsbewijs als hij die voorkeur heeft aangegeven. Art. 12.§ 1. Tot schrapping van een kandidatuur uit het inschrijvingsregister wordt overgegaan in de volgende gevallen : 1° als de kandidaat-huurder een woning die hem aangeboden wordt, heeft aanvaard;2° als blijkt dat de kandidaat-huurder niet meer voldoet aan de inschrijvingsvoorwaarden,

artikelen 3, 4 en 5;3° als, op het ogenblik dat een woning aan de kandidaat-huurder wordt aangeboden, blijkt dat hij niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden,

artikel 14, 15 en 16;4° als de kandidaat-huurder werd ingeschreven ingevolge onjuiste of onvolledige verklaringen of gegevens, die door hem te kwader trouw werden afgelegd of gegeven;5° als de kandidaat-huurder daar schriftelijk om verzoekt;6° bij de tweede weigering of bij het tweemaal niet-reageren door de kandidaat-huurder als hem een woning wordt aangeboden die aan zijn keuze qua ligging, type en maximale huurprijs beantwoordt, op voorwaarde dat de kandidaat-huurder telkens een termijn van minimaal vijftien kalenderdagen, vanaf de postdatum van de brief waarmee het aanbod werd gedaan, kreeg om te reageren.De verhuurder moet bij het aanbod van de volgende woning de kandidaat-huurder uitdrukkelijk op de hoogte brengen dat bij een weigering of het niet-reageren op het aanbod zijn kandidatuur geschrapt zal worden. De verhuurder kan omwille van zwaarwichtige redenen afzien van de toepassing van de schrappingsgrond,

het eerste lid, 6°. De toezichthouder oefent het toezicht uit op die afwijking. De verhuurder kan beslissen om over te gaan tot schrapping van een kandidatuur uit het inschrijvingsregister bij het onbestelbaar terugkeren van een brief bij actualisering van het register of bij het aanbod van een woning op voorwaarde dat hij de brief bij actualisering van het register of bij het aanbod van een woning, verzendt naar het laatst bekende adres dat in het Rijksregister wordt vermeld, tenzij de kandidaat-huurder uitdrukkelijk heeft gevraagd om de briefwisseling naar een ander adres te verzenden. Als de verhuurder beslist om de mogelijkheid tot schrapping,

het derde lid, toe te passen, wordt die schrappingsgrond

het inschrijvingsbewijs,

artikel 11, en in het interne huurreglement. De verhuurder bezorgt een afschrift van het interne huurreglement aan de toezichthouder binnen een termijn van vier maanden na de inwerkingtreding van dit besluit. De latere wijzigingen moeten onmiddellijk worden meegedeeld aan de toezichthouder. De kandidaat-huurder wordt door de verhuurder schriftelijk op de hoogte gebracht van de schrapping, behalve als die schrapping gebeurt met toepassing van het derde lid. § 2. Als de kandidaat-huurders die onder hetzelfde inschrijvingsnummer zijn ingeschreven, na de inschrijving beslissen zich niet langer samen kandidaat te stellen, wordt de volgende procedure gevolgd : 1° als slechts een van de kandidaat-huurders de inschrijving wil behouden, blijft het oorspronkelijke inschrijvingsnummer behouden;2° als meer dan een van de kandidaat-huurders de inschrijving wil behouden, wordt het oorspronkelijke inschrijvingsnummer geschrapt en worden die kandidaat-huurders opnieuw ingeschreven met een nieuw inschrijvingsnummer. HOOFDSTUK V. - Toelatingsvoorwaarden en toewijzing van de sociale huurwoning Afdeling I. - Bevoegd beslissingsorgaan Art. 13.Een sociale huurwoning wordt toegewezen door het beslissingsorgaan van de verhuurder of door de persoon of de personen die hij daartoe aanstelt. Afdeling II. - Toelatingsvoorwaarden Art. 14.Een kandidaat-huurder kan worden toegelaten tot een sociale huurwoning als hij voldoet aan de toelatingsvoorwaarden, die dezelfde zijn als de inschrijvingsvoorwaarden,

artikel

  1. Artikel 3, § 1, tweede lid, is niet van toepassing in het kader van de toelating tot een sociale huurwoning. Als artikel 3, § 4, 2°, 3° of 4° van toepassing is, moet de kandidaat-huurder binnen een jaar na de toewijzing de woning ofwel vervreemden ofwel voor een periode van minstens negen jaar verhuren aan, of, al dan niet kosteloos, ter beschikking stellen van een verhuurder. Als de woning verkocht wordt tijdens de looptijd van de verhuring of terbeschikkingstelling, wordt aan de verhuurder een contractueel recht van voorkoop gegeven. Een sociaal verhuurkantoor kan dat recht van voorkoop overdragen aan een andere verhuurder. Die verhuring of terbeschikkingstelling wordt geregeld via een overeenkomst met de verhuurder, opgemaakt overeenkomstig het model dat de minister kan vaststellen. Afdeling III. - Taal- en inburgeringsbereidheid als toelatingsvoorwaarde Art. 15.§
  2. De kandidaat-huurder voldoet aan de toelatingsvoorwaarde met betrekking tot de bereidheid om het Nederlands aan te leren als : 1° hij bij de inschrijving een van de documenten,

artikel 4, eerste lid, of de verklaring,

artikel 4, tweede lid, 1° of 2°, heeft voorgelegd of als de verhuurder die verklaringen via de Kruispuntbank Inburgering bij de inschrijving van de kandidaat-huurder verkregen heeft, of;2° hij op het moment van toelating een van de documenten,

artikel 4, eerste lid, kan voorleggen,of;3° de verhuurder via de Kruispuntbank Inburgering een van de volgende verklaringen verkrijgt of als hij zelf een van de volgende verklaringen kan voorleggen als die niet beschikbaar zijn via de Kruispuntbank Inburgering : a) de verklaring,

artikel 4, tweede lid, 1°;b) de verklaring,

artikel 4, tweede lid, 2°;

  1. c)een verklaring van het Huis van het Nederlands waaruit blijkt dat de kandidaat-huurder aan een cursus Nederlands tweede taal van niveau A.1 Breakthrough van het Europees referentiekader voor vreemde talen deelneemt en dat hij tot dan minimaal 80 % aanwezig was of nog 80 % aanwezig kan zijn;
  2. d)een verklaring van het Huis van het Nederlands waaruit blijkt dat het Huis van het Nederlands minder dan zes maanden geleden een intake als

artikel 4, § 1, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 maart 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten6 betreffende het project "Huis van het Nederlands", heeft afgenomen. De minister kan de minimale aanwezigheid van 80 %,

het eerste lid, 3°, c), versoepelen voor de door de minister vast te stellen categorieën van personen. § 2. De taalbereidheidsvoorwaarde is niet van toepassing voor de persoon, waarvoor § 1, 3°,

  1. c)of
  2. d)van toepassing is, als die persoon om beroepsmatige, medische of persoonlijke redenen tijdelijk niet kan voldoen aan de voorwaarde. De minister bepaalt de nadere voorwaarden. Aan de kandidaat-huurder van wie de gezondheidstoestand deelname of verdere deelname aan een cursus Nederlands tweede taal blijvend onmogelijk maakt, wordt een vrijstelling van de toelatingsvoorwaarde met betrekking tot de bereidheid om het Nederlands aan te leren, toegestaan, mits voorlegging van een medisch attest. De persoon waarvoor artikel 3, § 1, eerste lid, 5°, van toepassing is, voldoet aan de toelatingsvoorwaarde met betrekking tot de bereidheid om het Nederlands aan te leren. Art. 16.De kandidaat-huurder van wie wordt vastgesteld dat hij een verplichte inburgeraar is, voldoet aan de toelatingsvoorwaarde met betrekking tot de bereidheid om het inburgeringstraject te volgen als : 1° hij bij de inschrijving het attest,

artikel 5, eerste lid, 1° of 2° of 3°, heeft voorgelegd of als de verhuurder die attesten via de Kruispuntbank Inburgering bij de inschrijving van de kandidaat-huurder heeft verkregen, of;2° de verhuurder via de Kruispuntbank Inburgering een van de volgende stukken verkrijgt of als de kandidaat-huurder zelf een van de volgende stukken kan voorleggen als die niet beschikbaar zijn via de Kruispuntbank Inburgering : a) het attest,

artikel 5, eerste lid, 1°;b) het attest,

artikel 5, eerste lid, 2°;c) het attest,

artikel 5, eerste lid, 3°;

  1. d)het inburgeringscontract, voor zover de kandidaat-huurder geen inbreuk heeft gepleegd op artikel 5, § 3, 2°, van het Inburgeringsdecreet;
  2. e)een attest van aanmelding,

artikel 10, § 2, van het inburgeringsbesluit, voor zover de datum van afgifte van het attest niet ouder dan drie maanden is. Afdeling IV. - De standaardvoorrangs- en toewijzingsregels Art. 17.De VMSW en de sociale huisvestingsmaatschappijen gebruiken het toewijzingssysteem,

artikel 18, 19 en 20. De sociale verhuurkantoren gebruiken het toewijzingssysteem,

artikel 21. De andere verhuurders kiezen voor een van de twee bovenvermelde toewijzingssystemen.Het toewijzingssysteem dat door de verhuurder wordt toegepast, wordt integraal opgenomen in het interne huurreglement. Art. 18.In het eerste toewijzingssysteem wordt er achtereenvolgens rekening gehouden met : 1° de rationele bezetting van de woning;2° de absolute voorrangsregels,

artikel 19;3° de optionele voorrangsregels,

artikel 20;4° de chronologische volgorde van de inschrijvingen in het inschrijvingsregister. Voorafgaand aan de toewijzingen geeft de verhuurder een invulling aan de rationele bezetting die aangepast is aan het eigen patrimonium, rekening houdend met het vooropgestelde aantal bewoners,

artikel 50. Die invulling wordt opgenomen in het interne huurreglement. Bij het beoordelen van de rationele bezetting wordt rekening gehouden met kinderen die geplaatst zijn of waarvoor de kandidaat-huurder een co-ouderschap of een omgangsrecht heeft en die daardoor niet permanent in de woning zullen verblijven. Met de kinderen die meerderjarig worden, blijft men rekening houden zolang zij de leeftijd van vijfentwintig jaar niet hebben bereikt en zolang hun deeltijdse verblijf in de woning blijft voortduren. De kandidaat-huurder kan schriftelijk verzaken aan de toepassing van dit recht. Hij kan de verzaking aan dit recht op elk ogenblik herroepen. Als de gezinshereniging,

artikel 10, vierde lid, nog niet heeft plaatsgevonden op het ogenblik dat een woning die aangepast is aan die gezinshereniging, zou kunnen worden toegewezen, wordt aan de kandidaat-huurder een woning die aan zijn huidige gezinssamenstelling en fysieke toestand aangepast is, toegewezen met inachtneming van de voorrangsregels

artikel 19 en 21. Art. 19.In het eerste toewijzingssysteem is de verhuurder verplicht om achtereenvolgens aan de volgende kandidaat-huurders een voorrang toe te kennen : 1° de kandidaat-huurder met toepassing van artikel 30, vierde lid;2° de kandidaat-huurder die overeenkomstig artikel 18, § 2, tweede lid, 26, 60, § 3, en 90, § 1, vierde lid, van de Vlaamse Wooncode opnieuw moet worden gehuisvest.Voor de huurder van een sociale woning die door dezelfde verhuurder opnieuw gehuisvest wordt, geldt artikel 3, § 1, eerste lid, 2°, niet; 3° de kandidaat-huurder die huurder is van een sociale huurwoning die niet voldoet aan de rationele bezetting, en die wil verhuizen naar een sociale huurwoning van dezelfde verhuurder die aan de rationele bezetting voldoet, als de huurder zijn verplichtingen als kandidaat-huurder,

artikel 10, derde en vierde lid, bij zijn initiële inschrijving is nagekomen.Voor die huurder geldt artikel 3, § 1, eerste lid, 2°, niet; 4° de kandidaat-huurder,

artikel 18, vierde lid;5° de kandidaat-huurder die in de gemeente waar de toe te wijzen woning gelegen is, zijn hoofdverblijfplaats had in een onroerend goed dat niet hoofdzakelijk bestemd is voor wonen, op de datum waarop de wooninspecteur dat overeenkomstig artikel 20, § 1, tweede lid van de Vlaamse Wooncode vaststelde;6° de kandidaat-huurder die in de gemeente waar de toe te wijzen woning gelegen is, zijn hoofdverblijfplaats had in een woning op de datum waarop die :

  1. a)onbewoonbaar werd verklaard overeenkomstig artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet, en waarvan de ontruiming noodzakelijk was;
  2. b)overeenkomstig artikel 15 van de Vlaamse Wooncode, ongeschikt of onbewoonbaar werd verklaard, of onderzocht werd door de wooninspecteur, voor zover de woning minstens drie gebreken van categorie III in verband met stabiliteit en vocht of minstens twee gebreken van categorie III in verband met stabiliteit en vocht en een gebrek van categorie IV heeft, volgens het technische verslag, gevoegd als bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 oktober 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2 betreffende de kwaliteitsbewaking, het recht van voorkoop en het sociaal beheersrecht op woningen.Dit geldt ook voor de kamers,

artikel 2, 3°, van het decreet van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en studentenkamers; 7° de kandidaat-huurder die zijn hoofdverblijfplaats had in een woning op de datum waarop die het voorwerp is van een onteigeningsbesluit. Een woning, onroerend goed of kamer kan slechts eenmaal aanleiding geven tot de voorrang,

het eerste lid, 5°, 6° en 7°. Om in aanmerking te komen voor deze voorrang,

het eerste lid, 5°, 6° en 7°, moet de kandidaat-huurder de woning, het onroerend goed of de kamer sedert ten minste zes maanden bewoond hebben.Bovendien wordt de voorrang,

het eerste lid, 5°, 6° en 7°, alleen verleend als de kandidaat-huurder zich binnen maximaal twee maanden na de beslissing van de wooninspecteur, de datum van onbewoonbaar- of ongeschiktverklaring of de datum van het onteigeningsbesluit heeft laten inschrijven in het register,

artikel 7. Een kandidaat-huurder die aan de voorwaarden van een voorrang als

dit artikel beantwoordt, kan na zijn weigering van een aanbod tot toewijzing van een woning die beantwoordt aan zijn keuze met betrekking tot het type, de ligging en de maximale huurprijs, geen aanspraak meer maken op die voorrangsregel. Art. 20.§ 1. In het eerste toewijzingssysteem kan de verhuurder beslissen om, na toepassing van de verplichte voorrangsregels,

artikel 19, en binnen het toewijzingsreglement, opgemaakt ter uitvoering van artikelen 28 en 29, voorrang te geven aan de kandidaat-huurder : 1° die in de periode van zes jaar voor de toewijzing minstens drie jaar inwoner is of geweest is van de gemeente waar de toe te wijzen woning gelegen is of van een gemeente binnen het werkgebied van de verhuurder;2° die nog geen huurder is van een verhuurder of die geen huurovereenkomst van onbepaalde duur heeft met een sociale huisvestingsmaatschappij. De verhuurder kan de voorrangsregels,

het eerste lid, 1°, achtereenvolgens toepassen. De voorrangsregels,

het eerste lid, kunnen voor een deel of voor het volledige patrimonium worden toegepast. § 2. De verhuurder kan beslissen om de afwijking van artikel 3, § 1, eerste lid, 2°,

artikel 19, eerste lid, 2°, ook toe te passen voor huurders van andere verhuurders. Hij kan die uitzondering beperken in de tijd, tot huurders van een welbepaalde verhuurder of tot huurders die naar aanleiding van een specifiek renovatieproject opnieuw gehuisvest moeten worden. § 3. De verhuurder kan beslissen om de voorrangsregel,

artikel 19, eerste lid, 3°, ook toe te passen voor de kandidaat-huurder die huurder is bij een andere verhuurder van een sociale huurwoning die niet voldoet aan de rationele bezetting, en die wil verhuizen naar een woning die aan de rationele bezetting voldoet. De verhuurder kan die voorrang beperken in de tijd, tot huurders van welbepaalde andere verhuurders, tot specifieke types van woningen of tot bepaalde wijken. Hij kan de voorrang beperken tot specifieke verhuisbewegingen, zoals van grotere naar kleinere woningen. Hij kan zelf beslissen of hij de voorwaarden,

artikel 3, § 1, eerste lid, 2° voor deze kandidaat-huurders toepast of niet. § 4. Als de verhuurder beslist om de bepalingen,

§ 1, § 2 of § 3 toe te passen, vermeldt hij dat in het interne huurreglement.

Hij brengt zijn beslissing ter kennis van alle kandidaat-huurders en de toezichthouder. De beslissing kan worden herzien na verloop van een termijn van minstens twaalf maanden. Art. 21.§ 1. In het tweede toewijzingssysteem wordt er achtereenvolgens rekening gehouden met : 1° de rationele bezetting van de woning, overeenkomstig artikel 18, derde en vierde lid;2° de absolute voorrangsregels,

§ 2

;3° het puntensysteem,

§ 3

;4° de chronologische volgorde van de inschrijvingen in het inschrijvingsregister. § 2. De verhuurder is verplicht om achtereenvolgens aan de volgende kandidaat-huurders een voorrang toe te kennen : 1° de kandidaat-huurder,

artikel 19, eerste lid, 1°;2° de kandidaat-huurder,

artikel 19, eerste lid, 2°;3° de kandidaat-huurder,

artikel 19, eerste lid, 4°. Een sociaal verhuurkantoor kan een absolute voorrang verlenen aan een kandidaat-huurder die zelf een woning aanbrengt die is aangepast aan zijn gezinssamenstelling of in voorkomend geval aan zijn fysieke gesteldheid of die van een of meer leden van zijn gezin. Het sociaal verhuurkantoor kan de aangeboden woning weigeren vanwege de contractvoorwaarden, de kwaliteit of het comfort van de woning. Als het sociaal verhuurkantoor beslist om die voorrangsregel toe te passen, vermeldt hij dat in het interne huurreglement § 3. Het puntensysteem wordt gebaseerd op enerzijds vier verplichte gewogen prioriteiten, namelijk de woonnood, de kinderlast, het actueel besteedbaar inkomen en de mutatievraag van een zittende huurder van de verhuurder en anderzijds twee optionele gewogen prioriteiten namelijk het aantal jaren dat de kandidaat-huurder in het inschrijvingsregister ingeschreven is, en het aantal jaren dat de kandidaat-huurder in de gemeente of het werkingsgebied verblijft. De minister definieert de gewogen prioriteiten en bepaalt het gewicht dat eraan wordt gegeven. Art. 22.De verhuurder kan de toewijzing van een woning gemotiveerd weigeren aan de kandidaat-huurder die huurder van een verhuurder is of geweest is en : 1° van wie de huurovereenkomst werd beëindigd op basis van artikel 98, § 3, 2°, van de Vlaamse Wooncode, of na een negatieve evaluatie als

artikel 32, § 1;2° die de woning van een verhuurder bewoont of heeft verlaten voor zover wordt aangetoond dat hij ernstig of blijvend zijn verplichtingen niet nagekomen is. Als de huurovereenkomst werd beëindigd wegens wanbetaling aan een verhuurder, kan de verhuurder de toewijzing van een woning weigeren als de kandidaat-huurder op het ogenblik van de toewijzing de schulden bij die verhuurder nog niet heeft afgelost. De toewijzing kan niet worden geweigerd als de kandidaat-huurder tot een collectieve schuldenregeling overeenkomstig de wet van 5 juli 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/07/1998 pub. 31/07/1998 numac 1998011215 bron ministerie van economische zaken Wet betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen sluiten betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van in beslag genomen onroerende goederen, is toegelaten of in budgetbegeleiding of budgetbeheer bij een O.C.M.W. of een andere door de Vlaamse Gemeenschap erkende instelling voor schuldbemiddeling is. In uitzonderlijke gevallen kan de verhuurder de toewijzing van een woning weigeren aan een kandidaat-huurder voor zover wordt aangetoond dat de kandidaat-huurder in de afgelopen drie jaar klaarblijkelijk zwaarwichtige feiten heeft gepleegd waarvan aangenomen wordt dat deze een rechtstreekse en ernstige bedreiging vormen voor de leefbaarheid. Als blijkt dat de verhuurder op die basis toewijzingen weigert die onvoldoende gemotiveerd zijn, kan de toezichthouder beslissen dat elke beslissing tot weigering op die basis aan hem wordt voorgelegd. In plaats van de toewijzing te weigeren kan de verhuurder de kandidaat-huurder de aanvaarding van begeleidende maatregelen opleggen. De verhuurder is op straffe van nietigheid van de beslissing verplicht om de gemotiveerde weigering tot toewijzing binnen veertien dagen na de beslissing aan de kandidaat-huurder te betekenen met melding van het verhaalrecht,

artikel 30. Als de toewijzing van een woning wordt geweigerd, kan het aanbieden van een woning tijdens een periode van maximaal een jaar na de weigering worden opgeschort. Art. 23.Als het gaat om woningen die gerealiseerd of gefinancierd zijn in het kader van een bijzonder programma en onder beding van specifieke verbintenissen, zijn de bepalingen van artikel 18 tot 21 alleen van toepassing voor zover die verbintenissen zijn nagekomen. In dat geval kan er ook worden afgeweken van de inkomensvoorwaarde,

artikel 3, § 1, eerste lid, 2°, die geldt als inschrijvings- en toelatingsvoorwaarde. Art. 24.§ 1. De verhuurder kan aan een kandidaat-huurder versneld een woning toewijzen door af te wijken van de toewijzingsregels,

artikelen 18 tot en met

  1. De beslissing om versneld een woning toe te wijzen, moet gebaseerd zijn op bijzondere omstandigheden van sociale aard. De toezichthouder oefent het toezicht uit op het versneld toewijzen. Als blijkt dat de verhuurder versnelde toewijzingen doorvoert die onvoldoende gemotiveerd zijn, kan hij beslissen dat elke beslissing tot versneld toewijzen aan hem wordt voorgelegd. §
  2. Het O.C.M.W. van de betrokken gemeente kan ten behoeve van een dakloze aan een verhuurder van die gemeente een versnelde toewijzing vragen van een woning. De verhuurder kan als voorwaarde het aanbieden van begeleidende maatregelen, andere dan de basisbegeleidingstaken,

artikel 32, § 1, derde lid, door het O.C.M.W. of op initiatief van het O.C.M.W. door andere welzijnsactoren stellen. De verhuurder kan het verzoek alleen weigeren als : 1° de verhuurder de versnelde toewijzing wil koppelen aan begeleidende maatregelen door het O.C.M.W. of een andere welzijnsactor op initiatief van het O.C.M.W., maar de dakloze niet bereid is om deze voorwaarde te aanvaarden; 2° de verhuurder de versnelde toewijzing wil koppelen aan begeleidende maatregelen door het O.C.M.W. of een andere welzijnsactor op initiatief van het O.C.M.W., maar het O.C.M.W. niet ingaat op de vraag tot het voorzien van begeleidende maatregelen; 3° hij in verhouding tot het gemiddelde aantal toewijzingen per jaar, in het afgelopen jaar al minimaal 4 % toewijzingen deed op basis van de mogelijkheid tot versnelde toewijzing,

het eerste lid; 4° het O.C.M.W. de financiële verantwoordelijkheid niet wil dragen. De verhuurder deelt zijn gemotiveerde beslissing binnen een maand na de aanvraag mee aan het O.C.M.W. § 3. De versnelde toewijzing kan alleen als er een sociale huurwoning vrijkomt die voldoet aan de voorwaarde van rationele bezetting. Afdeling V. - Bepalingen die van toepassing zijn als een toewijzingsreglement als

artikel 95, § 1, derde lid, 3°, van de Vlaamse Wooncode wordt opgemaakt Onderafdeling I. - Algemene bepaling Art. 25.In afdeling V wordt verstaan onder "de gemeente" : de gemeente of het intergemeentelijk samenwerkingsverband. Onderafdeling II. - Opstellen van het toewijzingsreglement en goedkeuring Art. 26.§

  1. Als de gemeente rekening wil houden met de lokale binding van de kandidaat-huurders, met de woonbehoeftigheid van specifieke doelgroepen of met de verstoorde of bedreigde leefbaarheid in bepaalde wijken of complexen, dan kan ze mits ze rekening houdt met de verder beschreven beperkingen, daartoe specifieke toewijzingsregels opstellen die afwijken van de regels in afdeling IV. Ze betrekt daarbij de verhuurders en de relevante lokale huisvestings- en welzijnsactoren. Het toewijzingsreglement, dat een openbaar document is, kan betrekking hebben op alle sociale huurwoningen van de gemeente of een deel ervan. §
  2. De gemeente legt het toewijzingsreglement en elke wijziging ervan ter goedkeuring aan de minister of zijn gemachtigde voor. In het toewijzingsreglement worden de objectieve gegevens opgenomen ter onderbouwing van de noodzaak tot het opstellen van een toewijzingsreglement. Om ontvankelijk te zijn, moeten aan het toewijzingsreglement de volgende documenten worden toegevoegd : 1° de gemeentelijke beslissing over de te volgen procedure van de totstandkoming van het toewijzingsreglement;2° het advies van de verhuurders en de relevante lokale huisvestings- en welzijnsactoren. De gemeente bepaalt de wijze waarop aan het toewijzingsreglement openbaarheid wordt gegeven. §
  3. De goedkeuring wordt geweigerd als het toewijzingsreglement de wetten, de decreten en de uitvoeringsbesluiten ervan schendt of het algemeen belang schaadt. De beslissing tot goedkeuring of tot weigering van de goedkeuring wordt binnen negentig kalenderdagen na de ontvangstmelding van het verzoek tot goedkeuring door de minister of zijn gemachtigde genomen. Als binnen die termijn geen beslissing aan de gemeente is betekend, is de goedkeuring verworven. Een afschrift van het toewijzingsreglement wordt aan de toezichthouder bezorgd. §
  4. De toezichthouder kan de verhuurder verplichten de toewijzingsregels,

afdeling IV van dit hoofdstuk, toe te passen, als hij de voorwaarden van het goedgekeurde toewijzingsreglement niet naleeft. Onderafdeling III. - De lokale binding van de kandidaat-huurder met de gemeente Art. 27.De optionele voorrangsregel,

artikel 20, eerste lid, 1°, en de optionele gewogen prioriteit het aantal jaren dat de kandidaat-huurder in de gemeente of het werkingsgebied verblijft',

artikel 21, § 3, eerste lid, kunnen worden aangevuld door een regeling die voorrang geeft aan kandidaat-huurders : 1° die werken in de gemeente waar de toe te wijzen woning gelegen is;2° van wie de schoolgaande kinderen naar een school gaan in de gemeente waar de toe te wijzen woning gelegen is;3° die een aantal jaren, te bepalen in het toewijzingsreglement, in de buurt of de wijk waarin de toe te wijzen woning gelegen is, wonen of gewoond hebben. Onderafdeling IV. - De woonbehoeftigheid van specifieke doelgroepen in de gemeente Art. 28.§ 1. De gemeente kan een of meer doelgroepen die specifieke problemen ondervinden om een aangepaste en betaalbare woning te vinden, afbakenen. Ze kan die doelgroepen voorrang geven bij de toewijzing van sociale huurwoningen. Die sociale huurwoningen kunnen alleen met de voorrang,

het eerste lid, worden toegewezen aan de kandidaat-huurders die aan de voorwaarde van rationele bezetting voldoen. § 2. Als de gemeente de voorrang,

§ 1, wil toepassen, moet het toewijzingsreglement een doelgroepenplan bevatten.

Het doelgroepenplan wordt opgesteld in samenspraak met de lokale besturen en de lokale huisvestings- en welzijnsactoren. De gemeente maakt gebruik van de gegevens van het lokaal sociaal beleidsplan, opgesteld overeenkomstig artikel 4 van het decreet van 19 maart 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/03/2004 pub. 12/05/2004 numac 2004035638 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het lokaal sociaal beleid sluiten betreffende het lokaal sociaal beleid. Het doelgroepenplan moet voor elke doelgroep minstens de volgende elementen bevatten : 1° een beschrijving van de doelgroep;2° de specifieke problemen die deze doelgroep ondervindt om een aangepaste en betaalbare woning te vinden;3° indien voorhanden cijfergegevens over het aantal kandidaat-huurders die behoren tot de doelgroep;4° de flankerende maatregelen die ten behoeve van de doelgroep worden genomen door de lokale besturen en de lokale welzijnsactoren. Onderafdeling V. - Bewaken en herstellen van de leefbaarheid Art. 29.§ 1. Als wordt aangetoond dat de leefbaarheid voor een of meer wijken of gebouwen ernstig bedreigd of verstoord is, kunnen er afwijkende toewijzingsregels worden toegepast. In dat geval moet het toewijzingsreglement een leefbaarheidsplan bevatten. Het leefbaarheidsplan wordt opgesteld in samenspraak met de bewoners, de lokale besturen en de relevante lokale huisvestings- en welzijnsactoren. Het leefbaarheidsplan vertrekt van een probleemanalyse. Die probleemanalyse, ondersteund met gegevens die een indicatie vormen van de ernstig bedreigde of verstoorde leefbaarheid, moet aan de bepaling van de te nemen maatregelen voorafgaan. In de probleemanalyse moeten de bewoners- en omgevingskenmerken die de leefbaarheid negatief beïnvloeden, worden bepaald. De te nemen maatregelen kunnen een wijziging in gedrag of houding van de bewoners of van de bewonerssamenstelling beogen of betrekking hebben op het verbeteren van de kwaliteit van de woonomgeving. De afwijkende toewijzingsregels worden in het toewijzingsreglement opgenomen, evenals de wijze waarop ze zullen worden toegepast. Er moeten compenserende maatregelen worden genomen voor de mensen die door de toepassing van de afwijkende toewijzingsregels geen woning wordt toegewezen op het ogenblik dat zij daar volgens de standaardvoorrangs- en toewijzingsregels,

afdeling IV, voor in aanmerking zouden komen. § 2. Als het gemiddelde inkomen van de huurders lager is dan de inkomensgrens,

artikel 3, § 2, eerste lid, 1°, en als minimaal 4 % van de woningen in de gemeente worden verhuurd volgens dit besluit, kan het toepassen van de volgende verhoogde inkomensgrenzen bij de inschrijving, deel uitmaken van het leefbaarheidsplan : 1° 26.850 euro voor een alleenstaande zonder personen ten laste; 2° 28.350 euro voor een alleenstaande gehandicapte als

artikel 1, 22°, b) ; 3° 35.800 euro, verhoogd met 1.500 euro per persoon ten laste voor anderen. Als een persoon beantwoordt aan de definitie van persoon ten laste, als gedefinieerd in artikel 1, 22°, a), en aan de definitie van persoon ten laste, als gedefinieerd in artikel 1, 22°, b), telt die persoon voor twee personen ten laste. De toepassing van die maatregel mag er niet toe leiden dat meer dan 40 % van de huurders van de gemeente een hoger inkomen hebben dan de inkomensgrenzen,

artikel 3, § 2. Die maatregel kan alleen op de wijken of gebouwen waarvoor een leefbaarheidsplan is opgemaakt, worden toegepast. HOOFDSTUK VI. - Verhaal Art. 30.Voor de hierna vermelde beslissingen van de verhuurder kan de kandidaat-huurder of huurder die zich benadeeld acht door die beslissing, met een aangetekende en gemotiveerde brief een beoordeling vragen van de toezichthouder : 1° de beslissing met betrekking tot de toewijzing van een woning;2° de beslissing om geen afwijking toe te staan, als

artikel 3, § 1, derde lid, of een versnelde toewijzing als

artikel 24;3° de beslissing om de kandidaat-huurder te schrappen uit het register;4° de beslissing om de kandidaat-huurder te weigeren, met toepassing van artikel 22;5° de beslissing om de huurovereenkomst te ontbinden. Betrokkene moet de beoordeling van de toezichthouder vragen binnen dertig dagen na de melding van de beslissing, behalve in het geval

het eerste lid, 1°. In dat geval moet hij de beoordeling binnen zes maanden vragen. De toezichthouder beoordeelt de gegrondheid en bezorgt zijn beoordeling aan de verhuurder en aan de betrokkene binnen dertig dagen vanaf de datum van afgifte op de post van de aangetekende brief van betrokkene, behalve in het geval

het eerste lid, 5°. In dat geval bezorgt de toezichthouder zijn beoordeling binnen veertien dagen. De verhuurder betekent zijn nieuwe gemotiveerde beslissing aan de betrokkene binnen dertig dagen na ontvangst van de beoordeling van de toezichthouder, en bezorgt op diezelfde datum een afschrift aan de toezichthouder. Als de verhuurder vaststelt dat in het geval,

het eerste lid, 1°, de toewijzing aan de betrokkene had moeten gebeuren of dat in het geval,

het eerste lid, 4°, dat de betrokkene ten onrechte werd geweigerd, of als er binnen dertig dagen na ontvangst van de beoordeling van de toezichthouder geen beslissing wordt betekend, krijgt de kandidaat-huurder de voorrang,

artikel 19, eerste lid, 1° en artikel 21, § 2, eerste lid, 1°. Als er binnen dertig dagen na ontvangst van de beoordeling van de toezichthouder geen beslissing wordt betekend, wordt : 1° in het geval,

het eerste lid, 2°, de afwijking

artikel 3, § 1, derde lid, of de versnelde toewijzing,

artikel 24 toegestaan;2° in het geval,

het eerste lid, 3°, de schrapping ongedaan gemaakt;3° in het geval,

het eerste lid, 5° de huurovereenkomst niet ontbonden. HOOFDSTUK VII. - Huurovereenkomst, huurlasten en waarborg Afdeling I. - Huurovereenkomst en beëindiging van de huurovereenkomst Art. 31.De overeenkomsten voor de verhuring of onderverhuring worden opgesteld volgens de typehuurovereenkomsten, gevoegd als bijlage I en II bij dit besluit. Van de typehuurovereenkomsten kan alleen worden afgeweken in de gevallen die de minister bepaalt. Art. 32.§ 1. In de typehuurovereenkomst wordt een proefperiode van twee jaar opgenomen. Met uitvoering van artikel 92, § 1, eerste lid, 3°, en 6°, van de Vlaamse Wooncode kan de verhuurder aan het einde van de proefperiode de huurovereenkomst ontbinden als de verhuurder de huurder negatief evalueert. Alvorens de verhuurder kan overgaan tot een negatieve evaluatie, moet hij de huurder gehoord hebben. Bovendien moet hij de huurder voldoende hebben aangemaand en hebben begeleid voor zover het een begeleidingstaak betreft die behoort tot de basisbegeleidingstaken van de verhuurder. De minister bepaalt de basisbegeleidingstaken. Als de huurder gespecialiseerde begeleiding nodig heeft, verwijst de verhuurder de huurder door naar het O.C.M.W. De verhuurder moet aantonen dat hij een beroep heeft gedaan op de bemiddeling van het O.C.M.W. als hij beslist om de huurovereenkomst te ontbinden, als het inkomen van de huurder dat als basis diende voor de huurprijsberekening, minder dan 16.200 euro bedraagt. Als de verhuurder beslist om de huurovereenkomst te ontbinden, brengt hij de huurder drie maanden voor het einde van de proefperiode van de huurovereenkomst op de hoogte van zijn beslissing. Er mag geen kennelijke wanverhouding bestaan tussen de feiten die zich tijdens de duur van de proefperiode hebben voorgedaan, en de beëindiging van deze huurovereenkomst op grond van die feiten. De feiten die aan de grondslag liggen van de ontbinding, zijn gelijk te stellen met ernstige tekortkomingen van de huurder tegenover zijn verplichtingen,

artikel 92, § 3, van de Vlaamse Wooncode. § 2. Als de huurder de verplichting,

artikel 92, § 3, eerste lid, 6° en 7°, van de Vlaamse Wooncode, niet nakomt, en er bovendien wordt aangetoond dat dit leidt tot communicatieproblemen tussen de verhuurder en huurder die de leefbaarheid ongunstig beïnvloeden, ontbindt de verhuurder op het einde van de proefperiode de huurovereenkomst. De huurder zal worden geëvalueerd op het nakomen van die verplichting drie maanden voor het einde van de proefperiode. De verplichting is nagekomen als : 1° de huurder bij de inschrijving, bij de toelating of bij de toetreding tot de lopende huurovereenkomst de documenten,

artikel 4, eerste lid, of de verklaring,

artikel 4, tweede lid, 1° of 2°, heeft voorgelegd of als de verhuurder die verklaringen op die momenten via de Kruispuntbank Inburgering verkregen heeft, of;2° op het moment van de evaluatie een van de volgende stukken door de huurder kan worden voorgelegd of door de verhuurder via de Kruispuntbank Inburgering kan worden verkregen : a) de documenten,

artikel 4, eerste lid;b) de verklaring,

artikel 4, tweede lid, 1° of 2°;c) de verklaring,

artikel 15, § 1, eerste lid, 3°, c), met behoud van de toepassing van artikel 15, § 1, tweede lid en §

  1. §
  2. Als het Huis van het Nederlands tijdens de proefperiode vaststelt dat een huurder de aangeboden en gestarte cursus Nederlands tweede taal niet heeft aangevat of minder dan 80 % aanwezig was tijdens de cursus Nederlands tweede taal, met behoud van de toepassing van artikel 15, § 1, tweede lid, meldt het Huis van het Nederlands dat binnen dertig dagen na die vaststelling schriftelijk aan de verhuurder. De verhuurder brengt er de huurder schriftelijk van op de hoogte dat dit een ernstige tekortkoming is tegenover zijn verplichtingen en op het einde van de proefperiode aanleiding geeft tot het ontbinden van de huurovereenkomst, mits aangetoond wordt dat het niet voldoen aan de verplichting,

artikel 92, § 3, eerste lid, 6° en 7°, van de Vlaamse Wooncode leidt tot communicatieproblemen tussen de verhuurder en huurder die de leefbaarheid ongunstig beïnvloeden. § 4. Als de verplichting,

artikel 92, § 3, eerste lid, 8°, van de Vlaamse Wooncode, niet wordt nagekomen, en er bovendien wordt aangetoond dat dit leidt tot communicatieproblemen tussen de verhuurder en huurder die de leefbaarheid ongunstig beïnvloeden, ontbindt de verhuurder op het einde van de proefperiode de huurovereenkomst. De huurder zal worden geëvalueerd op het nakomen van die verplichting drie maanden voor het einde van de proefperiode. De verplichting is nagekomen als : 1° de huurder bij de inschrijving, bij de toelating of bij de toetreding tot de lopende huurovereenkomst het attest,

artikel 5, eerste lid, 1° of 2° of 3°, heeft voorgelegd of als de verhuurder die attesten op die momenten via de Kruispuntbank Inburgering verkregen heeft, of;2° op het moment van evaluatie een van de volgende stukken door de huurder kan worden voorgelegd of door de verhuurder via de Kruispuntbank Inburgering kan worden verkregen :

  1. a)een attest van inburgering;
  2. b)het inburgeringscontract, voor zover dat een attest van het onthaalbureau bewijst dat de huurder geen inbreuk heeft gepleegd op artikel 5, § 3, 2°, van het Inburgeringsdecreet. § 5. Als het onthaalbureau tijdens de proefperiode vaststelt dat een verplichte inburgeraar niet regelmatig heeft deelgenomen aan het vormingsprogramma, zoals bepaald in artikel 13, § 2, van het inburgeringsbesluit, of als het onthaalbureau vaststelt dat een verplichte inburgeraar zijn vormingsprogramma onrechtmatig vroegtijdig heeft beëindigd, zoals bepaald in artikel 13, § 3, van het inburgeringsbesluit, meldt het onthaalbureau dat binnen dertig dagen na die vaststelling schriftelijk aan de verhuurder. De verhuurder brengt er de huurder schriftelijk van op de hoogte dat dit een ernstige tekortkoming is tegenover zijn verplichtingen en op het einde van de proefperiode aanleiding geeft tot het ontbinden van de huurovereenkomst, mits aangetoond wordt dat het niet voldoen aan de verplichting,

artikel 92, § 3, eerste lid, 8°, van de Vlaamse Wooncode leidt tot communicatieproblemen tussen de verhuurder en huurder die de leefbaarheid ongunstig beïnvloeden. §

  1. De huurovereenkomst wordt ontbonden ten aanzien van alle huurders. Art. 33.§
  2. De verhuurder zegt de huurovereenkomst op tijdens en na de proefperiode in de hierna vermelde gevallen : 1° als de huurder of de minderjarige kinderen tijdens de huurovereenkomst een woning volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik verwerven in het binnen- of buitenland;2° als de huurder of de minderjarige kinderen tijdens de huurovereenkomst een perceel dat bestemd is voor woningbouw, volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik verwerven in het binnen- of buitenland;3° als er bij de huurder een ernstige of blijvende tekortkoming is met betrekking tot de verplichtingen die voortvloeien uit zijn huurovereenkomst;4° als de huurder ingevolge onjuiste of onvolledige verklaringen onrechtmatig bij dit besluit verleende voordelen heeft genoten of onrechtmatig tot een huurwoning werd toegelaten. Als het eerste lid, 1°, van toepassing is, bedraagt de opzeggingstermijn zes maanden. Als het eerste lid, 2°, van toepassing is, bedraagt de opzeggingstermijn vijf jaar. Als het eerste lid, 3° of 4°, van toepassing is, bedraagt de opzeggingstermijn drie maanden. Als de verwerving,

het eerste lid, 1°, kosteloos gebeurt, moet al naargelang het geval de woning of het vruchtgebruik ervan vervreemd worden binnen het jaar na de verwerving. Zoniet wordt de huurovereenkomst opgezegd, met een opzeggingstermijn van zes maanden. Als de verwerving,

het eerste lid, 2°, kosteloos gebeurt, moet al naargelang het geval het perceel dat bestemd is voor woningbouw of het vruchtgebruik ervan, vervreemd worden binnen vijf jaar na de verwerving. Zoniet wordt de huurovereenkomst opgezegd, met een opzeggingstermijn van zes maanden. De opzegging,

het derde lid, vervalt als voor het verstrijken van die opzeggingstermijn afstand wordt gedaan van het vruchtgebruik of als voor het verstrijken van die opzeggingstermijn de verworven woning ofwel vervreemd wordt ofwel voor een periode van minstens negen jaar verhuurd wordt aan, of al dan niet kosteloos ter beschikking gesteld wordt van een verhuurder. Als de woning verkocht wordt tijdens de looptijd van deze verhuur of terbeschikkingstelling, wordt aan de verhuurder contractueel een recht van voorkoop gegeven. Een sociaal verhuurkantoor kan dat recht van voorkoop overdragen aan een andere verhuurder. Die overeenkomst waarin die verhuring of terbeschikkingstelling geregeld wordt, wordt opgemaakt overeenkomstig het model,

artikel 14, derde lid. § 2. Als bij een huurprijsaanpassing op 1 januari voor de woningen die vallen onder het toepassingsgebied van afdeling I van hoofdstuk VIII, blijkt dat de huurder voor het derde jaar op rij de basishuurprijs van de woning,

artikel 38, zal betalen en dat zijn inkomen voor het derde jaar op rij minimaal gelijk is aan het dubbele van de toepasselijke inkomensgrens,

artikel 3, § 2, of in voorkomend geval artikel 29, § 2, eerste lid, kan de verhuurder de opzeg van de huurovereenkomst betekenen, met een opzegtermijn van twaalf maanden. Als de verhuurder die opzeggingsgrond wil toepassen, moet dit worden opgenomen in het interne huurreglement. §

  1. De verhuurder moet aantonen dat hij een beroep heeft gedaan op de bemiddeling van het O.C.M.W. als hij de opzeg betekent aan een huurder van wie het inkomen in het referentiejaar dat als basis diende voor de huurprijsberekening, minder dan 16.200 euro bedraagt. §
  2. De opzeggingstermijn vangt aan op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de verhuurder of de huurder met een aangetekende brief de opzeg heeft gegeven. §
  3. De huurovereenkomst wordt opgezegd ten aanzien van alle huurders. Afdeling II. - Huurlasten en kosten en vergoedingen ten laste van de verhuurder Art. 34.De huurlasten die ten laste van de huurder worden gelegd, zijn opgenomen in artikel 1, § 1, van bijlage III, gevoegd bij dit besluit. De kosten en vergoedingen die ten laste van de verhuurder vallen, met uitzondering van het sociaal verhuurkantoor, zijn opgenomen in artikel 1, § 2, van bijlage III, gevoegd bij dit besluit. Art. 35.Het bedrag van de huurlasten, de wijze van aanrekening en de voorwaarden van de uitoefening van het inzagerecht worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de typehuurovereenkomsten, gevoegd als bijlagen I en II bij dit besluit. Art. 36.De huurlasten worden geboekt overeenkomstig het door de minister vastgesteld rekeningstelsel. Ze worden geboekt op rekeningen van de verhuurder die afgescheiden zijn van die van de huuropbrengsten. Afdeling III. - Waarborg door de huurder of de onderhuurder Art. 37.§ 1 De waarborgregeling,

artikel 10 van afdeling II van titel VIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek, geldt voor de garantie van de naleving van de huurdersverplichtingen in het kader van dit besluit. De basis voor de berekening van de waarborgsom is ofwel de basishuurprijs, voor de woningen die vallen onder het toepassingsgebied van afdeling I van hoofdstuk VIII, ofwel de contractuele huurprijs, voor de woningen die vallen onder het toepassingsgebied van afdeling II van hoofdstuk VIII. § 2. De verhuurder, met uitzondering van het sociaal verhuurkantoor, kan, in afwijking van § 1, beslissen dat de waarborg in zijn handen wordt gestort en niet wordt geplaatst op een geïndividualiseerde rekening op naam van de huurder. Als de verhuurder die keuze maakt, wordt dit opgenomen in het interne huurreglement. In dat geval bedraagt de waarborg maximaal twee maanden de basishuurprijs,

artikel 38, met een beperking tot 800 euro. De waarborg wordt verhoogd met de in de loop van de huurovereenkomst gekapitaliseerde intresten tegen een intrestvoet die minimaal gelijk is aan de creditrentevoet,

artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2005 houdende de regeling inzake het beheer van de eigen middelen van de sociale huisvestingsmaatschappijen door de VMSW. De verhuurder kan bij de beëindiging van de huurovereenkomst, van rechtswege van de gestelde waarborg,

het eerste lid, verhoogd met de gekapitaliseerde intresten, alle sommen afhouden die hem door de huurder verschuldigd zijn. De sommen die na het beëindigen van de huurovereenkomst en het ontruimen van de woning, na verrekening van alle aan de verhuurder verschuldigde bedragen, overblijven, worden aan de rechthebbende terugbetaald. De verhuurder bezorgt aan de huurder een gedetailleerd overzicht van de afgehouden bedragen, evenals de nodige bewijsstukken. De huurder kan de verhuurder jaarlijks vragen om een overzicht te geven van de door de huurder gestelde waarborg,

het eerste lid, verhoogd met de gekapitaliseerde intresten. De huurder moet die aanvraag schriftelijk richten tot de verhuurder. § 3. De waarborgen die in handen van de verhuurder werden gestort ter uitvoering van huurovereenkomsten die werden afgesloten voor 1 januari 1985, brengen in hoofde van de huurder intresten op vanaf 1 januari 2008, tegen de minimale intrestvoet,

§ 2, tweede lid.

Die intresten worden gekapitaliseerd tijdens de verdere duur van de overeenkomst. De intresten op de waarborgen die in handen van de verhuurder werden gestort ter uitvoering van de huurovereenkomsten die werden afgesloten vanaf 1 januari 1985, worden vanaf 1 januari 2001 gekapitaliseerd tijdens de verdere duur van de overeenkomst. Vanaf 1 januari 2008 bedraagt de toepasselijke intrestvoet minimaal de in § 2, tweede lid, vermelde minimale intrestvoet. §

  1. In afwijking van § 1, kan een verhuurder instemmen met een gespreide betaling van de waarborg met maandelijkse afbetalingen volgens de voorwaarden die de verhuurder bepaalt. Eenmaal het bedrag van de waarborg volledig is samengesteld, wordt dit bedrag op een geïndividualiseerde rekening van de huurder geplaatst. De waarborg zal vanaf dat moment in hoofde van de huurder intresten opbrengen. §
  2. De waarborg,

§ 1

, § 2 en § 4, kan worden vervangen door : 1° een schriftelijke garantie van het bevoegde O.C.M.W. in afwachting van een eenmalige doorstorting door het O.C.M.W. van het volledige bedrag, binnen achttien maanden na de ondertekening van de overeenkomst; 2° een schriftelijke borgstelling van het bevoegde O.C.M.W. HOOFDSTUK VIII. - Vaststelling van de huurprijs Afdeling I. - Vaststelling van de huurprijs voor de sociale huurwoningen, met uitzondering van de sociale huurwoningen die verhuurd of onderverhuurd worden door de sociale verhuurkantoren Onderafdeling I. - Definiëring van een aantal begrippen Art. 38.De marktwaarde van een sociale huurwoning is de huurprijs die voor een woning van vergelijkbaar type en vergelijkbare leeftijd en met vergelijkbare onderhoudstoestand in een vergelijkbare omgeving op de private huurmarkt zou worden betaald. Op het ogenblik van het aangaan van een huurovereenkomst wordt de marktwaarde van de woning, zoals die op dat ogenblik van kracht is, vastgelegd in de huurovereenkomst. Die waarde wordt de basishuurprijs genoemd. De huurder betaalt als huurprijs de basishuurprijs. Om de betaalbaarheid te garanderen, wordt die basishuurprijs verminderd met de sociale korting,

artikel 47. De basishuurprijs, verminderd met de sociale korting,

artikel 47, wordt de reële huurprijs genoemd. Met behoud van de toepassing van artikel 52, § 2, heeft de huurder uitsluitend recht op die sociale korting als hij alle noodzakelijke informatie aan de verhuurder bezorgt en die informatie niet frauduleus is. Art. 39.Voor de bepaling van de marktwaarde wordt de marktwaarde van een representatief staal van sociale huurwoningen geschat door een notaris. De VMSW stelt het representatief staal samen en evalueert de samenstelling ervan minimaal om de drie jaar. Iedere woning waarvan de marktwaarde door een notaris werd geschat, wordt aan het representatief staal toegevoegd. De kosten van de schattingen zijn voor de verhuurder. Art. 40.Telkens op 1 januari worden de geschatte marktwaarden geactualiseerd volgens de wijze die de minister vaststelt en die een benadering van de evolutie van de huurprijzen op de private huurmarkt beoogt. De geschatte marktwaarden mogen maximaal negen keer geactualiseerd worden om nog tot het representatief staal gerekend te kunnen worden. Om het representatief staal op peil te houden, wordt het regelmatig aangevuld met nieuwe schattingen. Geschatte woningen die worden verkocht tijdens de negenjarige termijn, blijven nog in het staal opgenomen gedurende de resterende termijn. Art. 41.De marktwaarde van de woningen die niet tot het representatief staal behoren, wordt jaarlijks op 1 januari vastgesteld door de verhuurder. Die marktwaarde moet in redelijke verhouding staan tot de marktwaarde van de woningen in het representatief staal. Als de toezichthouder oordeelt dat die vaststelling kennelijk onredelijk is, kan hij extra schattingen vorderen. Art. 42.Overeenkomstig iedere marktwaarde wordt een minimale huurprijs vastgelegd. Die minimale huurprijs varieert recht evenredig met de marktwaarde en ligt tussen 100 euro en 200 euro. Voor de vaststelling ervan kan rekening gehouden worden met het type woning en de regio. De minister stelt de wijze van bepaling van de minimale huurprijs vast, na mededeling aan de Vlaamse Regering. Art. 43.Overeenkomstig iedere marktwaarde wordt een patrimoniumkorting vastgesteld. Die patrimoniumkorting varieert omgekeerd evenredig met de marktwaarde en ligt tussen 0 euro en 150 euro. Voor de vaststelling ervan kan rekening gehouden worden met het type woning en de regio. De minister stelt de wijze van bepaling van de patrimoniumkorting vast, na mededeling aan de Vlaamse Regering. Art. 44.De minister kan een correctie vaststellen voor de energieprestatie van de woning. Voor een woning die duidelijk sterker presteert dan de instructies, die de VMSW hanteert bij het ontwerp van sociale woningen, kan een prijsverhoging worden toegepast. Voor een woning die duidelijk zwakker presteert, kan een vermindering worden toegepast. Hiervoor kan een onderscheid gemaakt worden tussen nieuwbouw en renovatie. Die correctie is de energiecorrectie. De bepaling van de energiecorrectie wordt door de minister vastgelegd, na overleg met de Vlaamse minister van Energie en na mededeling aan de Vlaamse Regering. Hij streeft er daarbij naar dat de energiecorrectie nooit groter is dan de helft van het voor- of nadeel dat de huurder ondervindt op zijn energiefactuur door de betere of zwakkere energieprestatie van de woning. Art. 45.Voor iedere persoon ten laste wordt een korting toegekend van 15 euro. In afwijking van het eerste lid, wordt de helft van die korting toegekend als de persoon ten laste een kind is, waarvan de ouders niet gezamenlijk de huurwoning betrekken, tenzij de huurder kan aantonen dat hij het ouderlijk gezag alleen draagt. Voor het kind waarover de huurder het ouderlijk gezag heeft, en dat, al dan niet permanent, bij hem verblijft maar dat niet bij hem is gedomicilieerd, wordt de helft van de korting,

het eerste lid, toegekend. Als dit kind erkend is als ernstig gehandicapt, onder de voorwaarden vastgesteld door de minister, dan wordt de volledige korting toegekend. Het totaal van die kortingen is de gezinskorting. Onderafdeling II. - De vaststelling van de huurprijs Art. 46.De aangepaste huurprijs is gelijk aan het verschil tussen : 1° 1/55ste van het inkomen,

artikel 1, 15°;2° de som van de patrimoniumkorting,

artikel 43, de energiecorrectie,

artikel 44, en de gezinskorting,

artikel 45. In afwijking van het eerste lid wordt de aangepaste huurprijs gelijkgesteld aan : 1° de basishuurprijs,

artikel 38, als het verschil,

het eerste lid, groter is dan de basishuurprijs;2° de minimale huurprijs,

artikel 42, als het verschil,

het eerste lid, kleiner is dan de minimale huurprijs. Voor de toepassing van het eerste lid, wordt het inkomen gehanteerd met betrekking tot het referentiejaar, tenzij de huurder in dat jaar geen inkomen had. In dat geval neemt de verhuurder het inkomen in aanmerking van het eerstvolgende jaar waarin wel een inkomen genoten werd. Art. 47.De sociale korting is het positieve verschil tussen de basishuurprijs,

artikel 38, en de som van : 1° de aangepaste huurprijs,

artikel 46;2° de vermindering van onroerende voorheffing, op maandbasis en met betrekking tot de periode waarin de huurprijs wordt toegepast, als de huurder daarop krachtens de gecoördineerde wetten inzake inkomensbelasting recht heeft als hoofd van een groot gezin. De verhuurder mag de verrekening van de vermindering,

het eerste lid, 2°, uitstellen tot op het ogenblik dat hij de vermindering van onroerende voorheffing ontvangt. Na die ontvangst maakt hij binnen twee maanden een afrekening en stort het eventuele saldo door aan de huurder. Art. 48.De reële huurprijs,

artikel 38, wordt jaarlijks op 1 januari aangepast aan het inkomen in het referentiejaar en het aantal personen ten laste van de huurder. De reële huurprijs wordt bovendien aangepast in de volgende gevallen : 1° als een huurder van wie het inkomen bij de huurprijsberekening in aanmerking wordt genomen, overlijdt of uit de huurovereenkomst wordt geschrapt;2° als het inkomen van de huurder van een woning gedurende drie opeenvolgende maanden met minstens 20 % gedaald is ten opzichte van het inkomen in het referentiejaar;3° als er personen tot de huurovereenkomst toetreden van wie het inkomen bij de huurprijsberekening in aanmerking moet worden genomen, als er personen ten laste komen bijwonen of als er personen ten laste wegvallen, uitgezonderd als dat het gevolg is van het overlijden van een persoon ten laste. Als het tweede lid, 1°, van toepassing is, wordt de reële huurprijs uiterlijk vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de feiten met de nodige stavingstukken ter kennis van de verhuurder werden gebracht, aangepast. Als het tweede lid, 2°, van toepassing is, wordt de reële huurprijs uiterlijk vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de huurder de nodige stavingstukken ter kennis van de verhuurder heeft gebracht, aangepast, rekening houdend met het inkomen van de huurder van de drie opeenvolgende maanden. Op zijn vroegst drie maanden na de aanpassing van de reële huurprijs kan de verhuurder aan de huurder vragen om het voortduren van deze toestand opnieuw te bewijzen. Als dat bewijs niet wordt geleverd, wordt de huurprijs onmiddellijk weer aangepast overeenkomstig het eerste lid. Als het tweede lid, 3°, van toepassing is, wordt de reële huurprijs vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de personen erbij kwamen wonen of wegvielen, aangepast. Art. 49.Op het ogenblik van het aangaan van de huurovereenkomst wordt de basishuurprijs in die huurovereenkomst vastgelegd en worden de overeenkomstige patrimoniumkorting, minimale huurprijs en energiecorrectie meegedeeld aan de huurder. Voor de berekening van de reële huurprijs worden die bedragen vanaf dan jaarlijks op 1 januari geïndexeerd volgens de gezondheidsindex. Als referenties worden daarvoor de indexcijfers gebruikt van de maand juni van het jaar waarin de basishuurprijs in de huurovereenkomst werd vastgelegd en de maand juni die aan de huurprijsaanpassing voorafgaat. Op 1 januari van het negende jaar na het aangaan van de huurovereenkomst wordt de basishuurprijs in de huurovereenkomst vervangen door de op dat ogenblik geldende marktwaarde van de woning. Telkens op 1 januari van het negende volgende jaar wordt deze vervanging opnieuw doorgevoerd. De verhuurder kan beslissen om de basishuurprijs vroeger dan na negen jaar te vervangen door de op dat ogenblik geldende marktwaarde in de volgende gevallen : 1° als de marktwaarde met minimaal 5 % gedaald is ten opzichte van de basishuurprijs;2° als de marktwaarde met minimaal 10 % gestegen is ten opzichte van de basishuurprijs ten gevolge van werkzaamheden die op kosten van de verhuurder aan de woning zijn uitgevoerd, met uitzondering van de werkzaamheden die noodzakelijk waren om de woning in overeenstemming te brengen met de vereisten van artikel 5 van de Vlaamse Wooncode. Als het tweede en het derde lid van toepassing zijn, worden telkens de patrimoniumkorting en de minimale huurprijs vervangen door de bedragen die in overeenstemming met de nieuwe basishuurprijs zijn, en wordt de energiecorrectie aangepast aan de voorwaarden die op dat moment van kracht zijn. Art. 50.Als een huurder een onderbezette woning bewoont, betaalt hij een maandelijkse vergoeding die aan de reële huurprijs,

artikel 38, wordt toegevoegd. Een woning wordt als onderbezet beschouwd als ze door minder dan het minimale aantal bewoners wordt bewoond. Een alleenstaande ouder wordt voor deze berekening als twee bewoners geteld. Het minimale aantal bewoners is gelijk aan het vooropgestelde aantal bewoners, verminderd met een. In afwijking van het derde lid, is het minimale aantal bewoners in de volgende gevallen gelijk aan het vooropgestelde aantal bewoners, verminderd met twee : 1° als de woning wordt bewoond door een huurder als

artikel 2, § 1, eerste lid, 34°, a),

  1. b)of
  2. c)van de Vlaamse Wooncode, die 55 jaar of ouder is;2° als de verhuurder een individuele gemotiveerde afwijking aanvaardt. Het vooropgestelde aantal bewoners voor een bestaande woning is het aantal bewoners dat volgens de richtlijnen van de VMSW wordt bepaald bij het ontwerp van nieuwe sociale woningen. De verhuurder kan een soepelere invulling geven aan het vooropgestelde aantal bewoners, mits motivering op basis van een dreiging van te grote bewonersdichtheid of van een tekort aan aanbod van bepaalde woningtypes. Het vooropgestelde aantal bewoners wordt opgenomen in het interne huurreglement. De vergoeding,

het eerste lid, is gelijk aan 25 euro, vermenigvuldigd met het verschil tussen het reële aantal bewoners van de woning en het minimale aantal. Die vergoeding kan alleen worden aangerekend als de huurder weigert om zich kandidaat te stellen voor een aangepaste woning in dezelfde omgeving of als de huurder tweemaal een aangeboden aangepaste woning in dezelfde omgeving weigert. De vergoeding moet worden betaald vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vaststelling van de gevallen,

het zevende lid. Afdeling II. - Vaststelling van de huurprijs voor de sociale huurwoningen die door het sociaal verhuurkantoor worden verhuurd of onderverhuurd Art. 51.Voor de woningen die door het sociaal verhuurkantoor worden onderverhuurd met toepassing van artikel 1717, derde lid van het Burgerlijk Wetboek wordt de huurprijs vastgesteld door het sociaal verhuurkantoor en is in principe dezelfde als de huurprijs die het sociaal verhuurkantoor betaalt aan de private of publieke verhuurder, rekening houdend met eventuele renovatiekosten die gemaakt worden door het sociaal verhuurkantoor. Als het sociaal verhuurkantoor van dat principe wil afwijken, moet ze dat grondig motiveren via een beslissing van de raad van bestuur. De minister bepaalt de marges waarbinnen van het principe kan worden afgeweken. Voor de woningen die eigendom zijn van het sociaal verhuurkantoor of waarover het sociaal verhuurkantoor krachtens een erfpacht of een ander zakelijk recht beschikt, bepaalt de minister de elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de huurprijs. HOOFDSTUK IX. - Onderzoek naar het voldoen aan de voorwaarden en verplichtingen Art. 52.§

  1. De referentiepersoon geeft aan de verhuurder, door zijn aanvraag tot inschrijving in het register, zijn inschrijving als kandidaat-huurder of zijn huurderschap, de toestemming om bij de bevoegde overheden en instellingen en bij de lokale besturen de noodzakelijke documenten of gegevens betreffende de in dit besluit gestelde voorwaarden en verplichtingen te verkrijgen, met behoud van de toepassing van de bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, haar uitvoeringsbesluiten en elke andere bepaling tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer, vastgesteld door of krachtens een wet, decreet of besluit. §
  2. Voor de uitvoering van de bepalingen van dit besluit doet de verhuurder een beroep op informatie die de bevoegde overheden of instellingen of andere verhuurders hem elektronisch kunnen bezorgen. Als op die manier geen of onvoldoende gegevens worden verkregen, wordt de kandidaat-huurder of huurder gevraagd de nodige gegevens te bezorgen. Als via de verkregen informatie van de bevoegde overheden of instellingen of andere verhuurders blijkt dat de kandidaat-huurder of huurder niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden en verplichtingen van dit besluit, wordt die vaststelling meegedeeld aan de kandidaat-huurder of huurder die dan binnen een week na de mededeling kan reageren. Onder de bevoegde overheden en instellingen,

§ 1

en § 2, eerste lid, worden onder meer begrepen : 1° het Rijksregister van de natuurlijk personen,

de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen;2° de instellingen van sociale zekerheid,

artikelen 1 en 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 januari 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/01/1990 pub. 08/07/2010 numac 2010000396 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en de personen waartoe het netwerk van de sociale zekerheid met toepassing van artikel 18 van dezelfde wet werd uitgebreid;3° de Federale Overheidsdienst Financiën;4° de Kruispuntbank Inburgering;5° de Huizen van het Nederlands;6° de onthaalbureaus;7° de coördinatiecel Vlaamse E-government;8° de organisaties en de instellingen,

artikel 4, eerste lid, met inbegrip van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming van de Vlaamse Gemeenschap. §

  1. De huurder moet elke verwerving volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik van een woning of een perceel dat bestemd is voor woningbouw en elke wijziging van de bewonerssamenstelling onmiddellijk aan de betrokken verhuurder melden. §
  2. De verhuurder gaat de gezinssamenstelling na op basis van uittreksels of gegevens uit de bevolkingsregisters, uit het Rijksregister van de natuurlijke personen of uit het kruispuntbankregister,

artikel 4 van de wet van 15 januari 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/01/1990 pub. 08/07/2010 numac 2010000396 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten of, andere bewijskrachtige documenten of feitelijke gegevens en vaststellingen. Ter bepaling van de gezinssamenstelling kan hij ook alle door het gemeen recht toegestane bewijsmiddelen aanvoeren, met uitzondering van de eed. § 5. De VMSW coördineert de elektronische gegevensstromen en elektronische informatie-uitwisseling tussen de diverse actoren

dit besluit. Alle elektronische gegevens mogen in dit kader via de VMSW uitgewisseld worden. De VMSW mag de gegevens ook gebruiken voor statistische verwerking en mag ze ter beschikking stellen van de andere entiteiten van het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Wonen en Onroerend Erfgoed voor statistische verwerking. De VMSW stelt een veiligheidscoördinator aan die de naleving van de wet ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer controleert en hierover op jaarlijkse basis rapporteert aan de gedelegeerd bestuurder. HOOFDSTUK X. - Sancties Art. 53.De toezichthouder is bevoegd om de administratieve maatregelen,

artikel 102bis van de Vlaamse Wooncode, op te leggen aan de verhuurder of de huurder die de bepalingen van titel VII van de Vlaamse Wooncode, de bepalingen van dit besluit of de verplichtingen die zijn opgenomen in de huurovereenkomst, niet naleeft. De beslissing tot het opleggen van de administratieve maatregel wordt schriftelijk bekendgemaakt aan de verhuurder of de huurder, tenzij de maatregel zo spoedeisend is dat de beslissing niet tevoren op schrift kan worden gesteld. In dat geval zorgt de toezichthouder ervoor dat de maatregel zo spoedig mogelijk schriftelijk wordt meegedeeld. Er kunnen geen andere administratieve maatregelen worden bevolen dan de maatregelen die nodig zijn om de inbreuk te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen. De kosten voor de voorbereiding en de uitvoering van de administratieve maatregel moeten worden gedragen door de persoon die de inbreuk pleegde. Als de persoon die administratieve maatregelen kreeg opgelegd, ze niet uitvoert binnen de vastgestelde termijn, kunnen ze worden uitgevoerd door de toezichthouder. De toezichthouder kan daarbij een beroep doen op derden. De beslissing van de toezichthouder bevat : 1° een vermelding van de bepalingen, voorschriften of verplichtingen waarop een inbreuk werd gepleegd;2° een overzicht van de vastgestelde feiten;3° een nauwkeurige omschrijving van de werken, handelingen of activiteiten die door of op kosten van de partij die de inbreuk pleegde, moeten worden stopgezet of uitgevoerd;4° de termijn waarbinnen de werken, handelingen of activiteiten moeten worden uitgevoerd of stopgezet;5° een vermelding dat het uitvoeren of stopzetten van de werken, handelingen of activiteiten gebeurt op kosten van de partij die de inbreuk pleegde;6° de beroepsmogelijkheden. Art. 54.§ 1. De toezichthouder is bevoegd om de administratieve geldboete,

artikel 102bis, § 3, van de Vlaamse Wooncode, op te leggen. De administratieve geldboete kan alleen worden opgelegd als de huurder schriftelijk door de toezichthouder in gebreke is gesteld en is aangemaand de verplichtingen van artikel 92, § 3, van de Vlaamse Wooncode binnen de door de toezichthouder vastgestelde termijn na te komen en hij verder verzuimt dat te doen. Alvorens de administratieve geldboete op te leggen wordt de huurder via een aangetekende brief uitgenodigd zijn verweermiddelen mee te delen. De uitnodiging bevat : 1° de bepalingen houdende de verplichtingen die de huurder verzuimt na te komen;2° een uiteenzetting van de feiten die aanleiding geven tot het opleggen van een administratieve geldboete;3° de melding dat de overtreder zijn verweermiddelen schriftelijk kan uiteenzetten binnen dertig dagen vanaf de datum van de afgifte ter post van de uitnodigingsbrief en dat hij binnen diezelfde termijn schriftelijk om een hoorzitting kan verzoeken;4° de melding dat de huurder zich kan laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman of een huurdersorganisatie of vertrouwenspersoon.In geval van een vertegenwoordiging door een huurdersorganisatie of vertrouwenspersoon is een schriftelijk mandaat van de huurder nodig; 5° de melding dat de huurder het recht heeft zijn dossier en alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te zien, evenals het tijdstip en de plaats waar ze kunnen worden ingezien. De toezichthouder bepaalt in voorkomend geval de dag waarop de overtreder uitgenodigd wordt om zijn zaak mondeling te verdedigen. De toezichthouder maakt een verslag van de hoorzitting. § 2. De beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete bevat minstens : 1° de bepalingen houdende de verplichtingen die de huurder verzuimde na te komen;2° de vaststelling van de feiten die aanleiding geven tot het opleggen van de administratieve geldboete;3° het bedrag van de opgelegde administratieve geldboete en de elementen die in aanmerking werden genomen voor het bepalen van dat bedrag;4° de termijn waarbinnen de administratieve geldboete moet worden voldaan;5° de vermelding van de mogelijkheid om te verzoeken om een kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling als

artikel 102bis, § 4;6° de beroepsmogelijkheden waarin voorzien is in artikel 102bis, § 5 en § 6, van de Vlaamse Wooncode. De beslissing om de administratieve geldboete na een betwisting als

artikel 102bis, § 5, van de Vlaamse Wooncode, te behouden, in voorkomend geval met herziening van het bedrag, bevat minstens : 1° de bepalingen houdende de verplichtingen die de huurder verzuimde na te komen;2° de vaststelling van de feiten die aanleiding geven tot het opleggen van de administratieve geldboete;3° de redenen voor het behouden van de administratieve geldboete en eventueel de redenen voor de herziening van het bedrag;4° het bedrag van de opgelegde administratieve geldboete en de elementen die in aanmerking werden genomen voor het bepalen van dat bedrag;5° de termijn waarbinnen de administratieve geldboete moet worden voldaan;6° de beroepsmogelijkheid waarin voorzien is in artikel 102bis, § 6, van de Vlaamse Wooncode. §

  1. Bij het vaststellen van het bedrag van de administratieve geldboete houdt de toezichthouder onder andere rekening met : 1° de ernst van de tekortkoming in de verplichtingen als huurder;2° de weigering van begeleidingsmaatregelen die werden aangeboden door de verhuurder;3° de duur van het verzuim om te voldoen aan de verplichtingen als huurder;4° het aantal aanmaningen dat de huurder met betrekking tot het verzuim in zijn verplichtingen als huurder ontving;5° de herhaling van tekortkomingen in de verplichtingen als huurder;6° de samenloop van tekortkomingen in de verplichtingen als huurder;7° verzachtende omstandigheden;8° de voortdurende of tijdelijke, algehele of gedeeltelijke onmogelijkheid om aan de verplichtingen als huurder te voldoen. §
  2. Het verzoek tot kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling van de administratieve geldboete,

artikel 102bis, § 4, van de Vlaamse Wooncode, wordt gericht aan de leidend ambtenaar van het agentschap Inspectie RWO. De leidend ambtenaar van het agentschap Inspectie RWO wijst de toezichthouder aan die een beslissing neemt over het verzoek. De toezichthouder die een beslissing neemt over het verzoek, kan niet dezelfde toezichthouder zijn als de toezichthouder die de administratieve geldboete oplegde. § 5. Het bezwaarschrift waarmee de huurder overeenkomstig artikel 102bis, § 5, van de Vlaamse Wooncode de administratieve geldboete betwist, wordt gericht aan de toezichthouder die de administratieve geldboete heeft opgelegd. De toezichthouder deelt zijn nieuwe beslissing mee binnen een termijn van dertig dagen, vanaf de datum van de afgifte ter post van het bezwaarschrift. De toezichthouder verklaart het bezwaarschrift onontvankelijk als : 1° de huurder een verzoek tot kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling van de administratieve geldboete als

artikel 102 bis, § 4, van de Vlaamse Wooncode heeft ingediend;2° er geen gronden voor het bezwaar worden vermeld;3° de naam en het adres van de indiener niet werden meegedeeld. Art. 55.De leidend ambtenaar van het agentschap Inspectie Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed wordt aangewezen als gemachtigde voor het viseren en uitvoerbaar verklaren van de dwangbevelen,

artikel 102bis, § 8, derde lid, van de Vlaamse Wooncode. Hij kan die bevoegdheid verder delegeren. Hij wijst ook de ambtenaren aan die belast zijn met de uitvaardiging van het dwangbevel. HOOFDSTUK XI. - Algemene bepaling Art. 56.Alle bedragen in dit besluit worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex (basis 2004), naar het gezondheidsindexcijfer van de maand juni van het voorgaande jaar en met als basis het gezondheidsindexcijfer van 105,28 voor juni 2007. Het resultaat wordt afgerond naar het eerstvolgende natuurlijke getal. HOOFDSTUK XII. - Wijzigingsbepalingen Art. 57.Artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juni 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 tot aanmoediging van projecten inzake zelfstandig wonen van personen met een fysische handicap in sociale woonwijken wordt vervangen door wat volgt : "Art. 19.De ADL-woningen worden verhuurd overeenkomstig het sociaal huurbesluit. De jaarlijkse basishuurprijs van de ADL-centrale wordt vastgesteld op minimaal 5,5 % van de geactualiseerde kostprijs. Die basishuurprijs wordt verminderd met een bedrag dat overeenstemt met de theoretische annuïteit die de sociale huisvestingsmaatschappij zou moeten dragen op een leningskrediet ten bedrage van de subsidies,

artikel 21, § 1, tweede lid, 3°." Art. 58.In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten4 houdende bepaling van de erkennings- en subsidievoorwaarden van de sociale verhuurkantoren worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt 5° wordt vervangen door wat volgt : "5° intern huurreglement : een openbaar document waarin de verhuurder de aan zijn specifieke situatie aangepaste concrete regels vastlegt ter uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode";2° punt 7° wordt opgeheven. Art. 59.Artikel 3 en 4 van hetzelfde besluit worden opgeheven. Art. 60.In artikel 6 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in punt 5° worden de woorden "het interne toewijzingsreglement" vervangen door de woorden "het interne huurreglement";2° in punt 7° worden de woorden "de bepalingen van hoofdstuk III" vervangen door de woorden "het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode". Art. 61.In artikel 11, § 1, 8°, van hetzelfde besluit worden de woorden "het interne toewijzingsreglement" vervangen door de woorden "het interne huurreglement". Art. 62.In artikel 28 van hetzelfde besluit wordt § 1 opgeheven. Art. 63.In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 ter uitvoering van de bepalingen over de oprichting en de organisatie van het Garantiefonds voor huisvesting in het kader van PPS-projecten sociale huisvesting worden punt 3° en 9° vervangen door wat volgt : "3° basishuurprijs : de marktwaarde van een sociale huurwoning,

artikel 38 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode;"; "9° reële huurprijs : de reële huurprijs,

artikel 38 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode;". Art. 64.Artikel 11 van hetzelfde besluit wordt opgeheven. Art. 65.Artikel 17 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : "Art. 17.PPS-woningen worden verhuurd overeenkomstig de bepalingen van titel VII van de Vlaamse Wooncode." Art. 66.In artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten7 betreffende de aanwending van de kapitalen van het Fonds B2 door het Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen, ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de tweede zin van het eerste lid wordt vervangen door wat volgt : "Zij stelt de huurvoorwaarden en de huurprijzen vast voor de in huur te geven woningen, rekening houdend, enerzijds met het inkomen en de gezinslast van de kandidaat-huurders alsmede met de hen eventueel door het Vlaamse Gewest toegekende huursubsidies, en anderzijds met de kostprijs en de huurwaarde van de woning, voor zover de woning geen sociale huurwoning is, zoals gedefinieerd in artikel 2, § 1, eerste lid, 22°, van de Vlaamse Wooncode.In dat geval wordt de woning verhuurd overeenkomstig de bepalingen van titel VII van de Vlaamse Wooncode."; 2° het derde lid wordt geschrapt. Art. 67.Artikel 14 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : "Art. 14.Om overbewoning of onderbezetting van de in huur gegeven woningen te voorkomen, kan het VWF, voor zover de met de huurder gesloten huurovereenkomst het toelaat, de huurders van verschillende woningen muteren, voor zover de woning geen sociale huurwoning is, zoals gedefinieerd in artikel 2, § 1, eerste lid, 22°, van de Vlaamse Wooncode. In dat geval zijn de bepalingen van titel VII van de Vlaamse Wooncode van toepassing.". Art. 68.Artikel 169 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8 tot gedeeltelijke operationalisering van het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed en houdende aanpassingen van de regelgeving inzake wonen als gevolg van bestuurlijk beleid wordt vervangen door wat volgt : "De regeling in artikel 167, 3°, blijft gelden voor de nog niet afgesloten dossiers, met dien verstande dat wordt verstaan onder : 1° de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij : de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij of haar rechtsopvolger;2° een door de VHM erkende vennootschap : een sociale huisvestingsmaatschappij die erkend is overeenkomstig artikel 40 of 106 van de Vlaamse Wooncode;3° de afdeling Financiering Huisvestingsbeleid : het intern verzelfstandigd agentschap Wonen-Vlaanderen of het intern verzelfstandigd agentschap Inspectie RWO, naargelang de in voormelde regeling vermelde bevoegdheden betrekking hebben op de dossierbehandeling of op de controle. Voor de verhuring van de woningen die het voorwerp uitmaken van de tegemoetkoming,

de regeling in artikel 167, 3°, en die eigendom zijn, ter beschikking gesteld worden of verhuurd worden aan een publiekrechtelijke persoon, geldt de reglementering van het sociale huurstelsel voor de woningen die worden verhuurd met toepassing van titel VII van het decreet van 15 juli 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/07/1997 pub. 19/08/1997 numac 1997036023 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de Vlaamse Wooncode sluiten houdende de Vlaamse Wooncode." HOOFDSTUK XIII. - Opheffingsbepalingen Art. 69.§ 1. De volgende besluiten worden opgeheven : 1° het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 1985 betreffende de huurlasten, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Executieve van 12 oktober 1988 en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8.2° het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 1994 tot reglementering van het sociale huurstelsel voor de woningen die door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij of door de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende lokale sociale huisvestingsmaatschappijen worden verhuurd in toepassing van artikel 80ter van de Huisvestingscode, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 8 maart 1995 en 1 oktober 1996, met uitzondering van hoofdstuk III;3° het besluit van de Vlaamse Regering van 6 april 1995 tot bepaling van de vorm, de inhoud, de wijze van bijhouden, de nadere regelen van de actualisering en de controle van de registers van de kandidaat-huurders voor sociale woningen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. -

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.