📄 Wettekst
VLAAMSE OVERHEID
Leefmilieu, Natuur en Energie
31 MEI 2011. - Ministerieel besluit tot wijziging van bijlage I van het
ministerieel besluit van 19 maart 2004Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
19/03/2004
pub.
14/10/2004
numac
2004036442
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
sluiten houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, artikel 20, eerste lid, gewijzigd bij de decreten van 21 december 1990 en 26 maart 2004;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, artikel 1.1.2, het laatst gewijzigd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011Relevante gevonden documenten
type
besluit van de vlaamse regering
prom.
14/01/2011
pub.
23/02/2011
numac
2011035179
bron
vlaamse overheid
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en van bijlage 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning
sluiten, en artikel 5.9.2.1bis, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2003;
Gelet op het
ministerieel besluit van 19 maart 2004Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
19/03/2004
pub.
14/10/2004
numac
2004036442
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
sluiten houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
Gelet op advies 49.564/3 van de Raad van State, gegeven op 10 mei 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, Besluit : Artikel 1.In het
ministerieel besluit van 19 maart 2004Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
19/03/2004
pub.
14/10/2004
numac
2004036442
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
sluiten houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne wordt bijlage I vervangen door de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd. Art. 2.Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Brussel, 31 mei 2011.
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, J. SCHAUVLIEGE
Bijlage bij het ministerieel besluit van 31 mei 2011 tot wijziging van het
ministerieel besluit van 19 maart 2004Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
19/03/2004
pub.
14/10/2004
numac
2004036442
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
sluiten houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne Bijlage I bij het
ministerieel besluit van 19 maart 2004Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
19/03/2004
pub.
14/10/2004
numac
2004036442
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
sluiten houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne Bijlage I. Lijst van ammoniakemissiearme stallen HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen 1.1. Deze bijlage bepaalt de ammoniakemissiearme stalsystemen toepasbaar in varkens- en pluimveestallen. De ammoniakemissiearme stalsystemen voor varkensstallen worden opgenomen in de V-lijst. De ammoniakemissiearme stalsystemen voor pluimveestallen worden opgenomen in de P-lijst. De S-lijst omvat de nageschakelde technieken die uitgaande stallucht zuiveren en kunnen toegepast worden op mechanisch geventileerde varkens- en pluimveestallen. Elk ammoniakemissiearm stalsysteem wordt aangeduid met een unieke letter-cijfer combinatie en een korte omschrijving. Van elk ammoniakemissiearm stalsysteem wordt een beschrijving gegeven van de werking, de eisen aan de uitvoering, de eisen aan het gebruik en de nadere bijzonderheden. In de O-lijst worden de varkens- en pluimveecategorieën waarvoor geen of onvoldoende aan de praktijk getoetste ammoniakemissiearme stalsystemen bestaan, opgelijst. 1.2. Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder : 1° Emitterend mestoppervlak : contactoppervlak van de mest in de mestkelder, mestkanaal, mestbak of mestpan, binnen en buiten de afdeling met de stallucht.2° Leefruimte : voor de dieren vrij toegankelijk, vrij vloeroppervlak.3° Mestafvoersysteem : systeem om de mest uit de mestkanalen of andere (voorlopige) recipiënten af te voeren naar een andere, van voornoemde kanalen of recipiënten afgesloten, externe of dieper gelegen mestopslag.4° Breedte van het mestkanaal : de breedte van de rooster boven het mestkanaal, tenzij anders vermeld.5° Niet mestaanhechtend materiaal : alle vlakke, gladde, mestbestendige, corrosiebestendige en goed te reinigen materialen waar de mest zich niet aan vasthecht zoals bijvoorbeeld polyester, polyethyleen, polypropyleen, roestvrij staal, vlak beton, materiaal voorzien van een coating, geglazuurde tegels.6° Rooster : vloer waarvan de verhouding openingen op de totale oppervlakte van de vloer minstens 15 % bedraagt.7° Rooster met verhoogde mestdoorlaat : vloer waarvan de verhouding openingen op de totale oppervlakte minstens 40 % bedraagt en waarbij de vorm van de roosterbalkjes aangepast is zodat deze onderaan smaller zijn dan bovenaan, zoals bij een metalen driekantrooster.8° Dichte vloer : vloer die voor 100 % dicht is.9° Ziekenboeg : gedeelte van de stal voor het tijdelijk houden van zieke dieren dat aan volgende voorwaarden voldoet : a) het aantal dierplaatsen bedraagt niet meer dan 5 % van het totaal aantal dierplaatsen in de stal;b) de uitvoering verschilt van deze van de normale afdeling bijvoorbeeld stro versus rooster;c) de mogelijkheid is voorzien om de dieren individueel te huisvesten;d) een aparte, ingestrooide of van een andere vloerbedekking voorziene ligruimte is aanwezig.Bij het gebruik van stro(oisel), moet na elke bezetting het stro(oise)l-mestpakket volledig worden verwijderd. 10° Biggen : biggen van spenen tot een leeftijd van 10 weken.11° Jonge zeug : vrouwelijk varken, ongeacht de leeftijd, tot het moment van de eerste worp.12° Diepte van het mestkanaal : afstand gemeten tussen de onderzijde van de roosters en de bodem van het mestkanaal.13° Diepte van het waterkanaal : afstand gemeten tussen de onderzijde van de roosters en de bodem van het waterkanaal.14° Afsluiter : automatisch of handmatig bediend systeem waarmee afvoerpunten of afvoerleidingen van mestkanalen, waterkanalen, mestbakken en mestpannen kunnen afgesloten worden.15° Helling van een schuine wand : de scherpe hoek die gevormd wordt door de schuine wand en het verlengde van de bodem van het mestkanaal of waterkanaal, tenzij anders vermeld. 1.3. Wanneer een ammoniakemissiearm stalsysteem grenst aan een niet-ammoniakemissiearm stalsysteem dan mogen de respectievelijke mestopslagen van beide stalsystemen niet met elkaar in verbinding staan. 1.4. Jonge zeugen worden tot het moment van dekken of insemineren ingedeeld onder de vleesvarkens. Voor jonge zeugen tot het moment van dekken of insemineren zijn dezelfde ammoniakemissiearme stalsystemen van toepassing als voor vleesvarkens. 1.5. Wanneer de oorspronkelijke plaatsen in de stal ingenomen door de zieke dieren onbezet blijven moet in het gedeelte van de stal dat uitgevoerd is als ziekenboeg geen ammoniakemissiearm stalsysteem toegepast worden. 1.6. Afsluiters in afvoerpunten of afvoerleidingen van mestkanalen, waterkanalen, mestbakken en mestpannen moeten mestbestendig zijn en moeten in de gesloten positie alle mest vasthouden in het betreffende mestkanaal, waterkanaal, mestbak of mestpan. De afsluiter mag niet door de mestdruk in de onderliggende afvoerleiding worden geopend. 1.7. Wanneer in een stalsysteem zowel waterkanalen als mestkanalen of mestbakken of mestpannen aanwezig zijn, dan mogen de waterkanalen op dezelfde hoofdafvoerleiding aangesloten worden als de mestkanalen, mestbakken of mestpannen. 1.8. Controle op vloeistofdichtheid van de afvoerleidingen van mestkanalen, waterkanalen, mestbakken en mestpannen moet gebeuren voor het betonstorten d.m.v. het vullen van de afvoerleidingen met water. 1.9. Schuine wanden in mest- en waterkanalen moeten gemaakt zijn van een niet mestaanhechtend materiaal. 1.10. Wanneer schuine wanden worden toegepast moeten deze tot op de bodem van het mest- of waterkanaal worden gemonteerd en steeds vloeistofdicht aansluiten op de wanden en de bodem van het mest- of waterkanaal. 1.11. Wanneer bij de constructie van een water of mestkanaal hulpstukken in de betonconstructie worden ingestort dan moeten deze vloeistofdicht aansluiten bij de betonconstructie. 1.12. Het mestkanaal mag niet in open verbinding staan met gelijk welk ander aanwezig water- of luchtkanaal onder de roosters en/of vloeren, alsook niet met de ruimtes onder de schuine putwanden. 1.13. Het waterkanaal mag niet in open verbinding staan met eventueel toegepaste mestkanalen, kanalen onder de dichte vloer, kanalen onder de dienstgang, werkgang, voergang of de ruimtes onder de schuine putwanden. 1.14. Daar waar zich een voederbak boven het waterkanaal bevindt, mag over een lengte van maximaal 0,50 m onder de voederbak een afwijkend rooster of afdekking op het waterkanaal toegepast worden. 1.15. Het reinigingswater van de hokken mag gebruikt worden voor het vullen van waterkanalen. HOOFDSTUK 2. - Maximale emissiefactoren voor ammoniakemissiearme stalsystemen 2.1. De maximale emissiefactoren voor ammoniakemissiearme stalsystemen voor varkens, uitgedrukt in kg NH3 per dierplaats per jaar, bedragen :
kg NH3 per dierplaats per jaar
Biggen
0,30
Zeugen in kraamhokken
4,45
Zeugen in dek- en drachtstallen
2,60
Vleesvarkens
1,40
2.2. De maximale emissiefactoren voor ammoniakemissiearme stalsystemen voor pluimvee, uitgedrukt in kg NH3 per dierplaats per jaar, bedragen :
kg NH3 per dierplaats per jaar
Opfokpoeljen van legkippen - kooi- of batterijsystemen
0,023
Opfokpoeljen van legkippen - grondhuisvesting
0.085
Legkippen incl. (groot)ouderdieren van legrassen - kooi- of batterijsystemen
0,050
Legkippen incl. (groot)ouderdieren van legrassen - grondhuisvesting
0,158
Slachtkuikenouderdieren
0,290
Slachtkuikens
0,045
Opfokpoeljen slachtkuikenouderdieren
0,155
HOOFDSTUK 3. - V-lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen voor varkens Afdeling 1. - Ammoniakemissiearme stalsystemen voor biggen
3.1.1. Systeem V-1.2. Ondiepe mestkelders met water- en mestkanaal 3.1.1.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak. Aan de voorkant van het hok bevindt zich een smal waterkanaal en aan de achterkant wordt de mest opgevangen in een breed mestkanaal, beide voorzien van een rooster met verhoogde mestdoorlaat. 3.1.1.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Mestkanaal : a) het emitterend mestoppervlak van het mestkanaal mag maximaal 0,13 m2 per dierplaats bedragen;b) het mestkanaal moet voorzien zijn van een rooster met verhoogde mestdoorlaat;c) het mestkanaal mag maximaal 0,50 m diep zijn.2° Waterkanaal : a) het waterkanaal moet een breedte hebben van minimaal 0,30 m;b) het waterkanaal moet voorzien zijn van een rooster met verhoogde mestdoorlaat;c) het waterkanaal mag maximaal 0,50 m diep zijn.3° Hokuitvoering : a) van het totale vloeroppervlak in de hokken moet 45 % -55 % dichte vloer zijn.Deze dichte vloer wordt bol uitgevoerd; b) de hokbreedte mag maximaal 1,30 m zijn en de diepte/breedte verhouding van het hok moet groter dan of gelijk aan 2,10 zijn;c) de tussenhokafscheiding moet dicht uitgevoerd worden met uitzondering van het gedeelte boven het achterste mestkanaal.De hokafscheiding daar is een open hekwerk, waarvan de onderste 0,30 m dicht mag worden uitgevoerd. 4° Mestafvoer : Verschillende varianten voor de uitvoering van de afvoer van de mest en het water zijn mogelijk.De doorsnede van de afvoeropening moet in alle gevallen minimaal 150 mm zijn. 3.1.1.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Na elke ronde moeten het water- en mestkanaal afgelaten worden, waarna het hok kan worden gereinigd.2° De afsluiters van het mestkanaal moeten beurtelings worden geopend.3° Het waterniveau in het waterkanaal moet steeds minimaal 0,05 m bedragen. 3.1.1.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,26 kg NH3 per dierplaats per jaar bij huisvesting met maximaal 0,35 m2 leefruimte per dierplaats. 3.1.2. Systeem V-1.3. Gescheiden afvoer van mest en urine door middel van een hellende mestband 3.1.2.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door de mest en urine op te vangen op een mestband die zich onder de roosters bevindt. Omdat de mestband zowel in dwarsrichting als in lengterichting schuin is opgesteld, wordt de urine continu uit de stal afgevoerd. De mest wordt uit de stal verwijderd doordat de mestband minstens 10 keer per dag wordt afgedraaid. 3.1.2.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet voorzien zijn van een rooster met verhoogde mestdoorlaat.2° Onder het roosteroppervlak bevindt zich een mestband waarop alle mest en urine terecht moet komen.3° De mestband moet van kunststof zijn en een afschot hebben van minimaal 3 % in de dwarsrichting en van 1 % in de lengterichting.4° De mestband kan in lengterichting naar voren dan wel naar achteren aflopend geplaatst worden.5° De zijkanten van de mestband worden met speciale kunststof platen, die tegen de wanden van het mestkanaal zijn bevestigd, beschermd.De mestband wordt ondersteund door platen of rollen die onder de band in het mestkanaal gemonteerd zijn. 6° De mestband wordt regelmatig afgedraaid waarbij de mest door middel van een roestvast stalen- of kunststofschraper wordt verwijderd.Deze schraper moet nauw aansluiten bij de mestband. De schraper moet de vaste mest van de mestband zo verwijderen dat geen mestresten op de band achterblijven noch dat de mest over de band uitgesmeerd wordt.
Vanwege het afschot van de mestband wordt de urine continu afgevoerd. 7° Via een transportsysteem moeten faeces en urine buiten de stal worden opgeslagen in een afgesloten mestopslag.Via het transportsysteem mag geen transport van lucht tussen afdelingen en tussen mestopslag en afdelingen plaatsvinden. 3.1.2.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De mestband moet minstens 10 keer per dag worden afgedraaid.Het afdraaien vindt minstens eenmaal per twee uur plaats in de periode tussen 4.00 en 22.00 uur. In de periode tussen 22.00 en 4.00 uur is het afdraaien van de band niet nodig omdat in die periode weinig of geen mest wordt geproduceerd. 2° Een automatische tijdklok met terugleesmogelijkheid moet een overzicht kunnen geven van het aantal malen afdraaien van de mestband gedurende de afgelopen 7 dagen.Tevens moet de afdraaitijd geregistreerd worden. 3° Na afloop van elke ronde moet de mestband met water schoongespoten worden.4° De exploitant moet een onderhoudscontract hebben waarbij eenmaal per jaar controle en onderhoud van het systeem plaatsvindt. 3.1.2.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt : 1° 0,20 kg NH3 per dierplaats en per jaar bij huisvesting met maximaal 0,35 m2 leefruimte per dierplaats.2° 0,25 kg NH3 per dierplaats en per jaar bij huisvesting met meer dan 0,35 m2 leefruimte per dierplaats. 3.1.3. Systeem V-1.4. Koeldeksysteem met 150 % koeloppervlak 3.1.3.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door de mest boven in het mestkanaal te koelen met behulp van drijvende koelelementen. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt. 3.1.3.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet voorzien zijn van een rooster met verhoogde mestdoorlaat.2° Bij huisvesting met een leefruimte van maximaal 0,35 m2 per dierplaats mag het emitterend mestoppervlak van het mestkanaal niet groter zijn dan 0,50 m2 per dierplaats.3° Bij huisvesting met een leefruimte van meer dan 0,35 m2 per dierplaats mag het emitterend mestoppervlak van het mestkanaal niet groter zijn dan 0,67 m2 per dierplaats.4° In de mestkanalen zijn koelelementen aangebracht, elk bestaande uit een aantal lamellen van 0,14 m breed en gemaakt van hoogwaardige kunststof.De lamellen zijn geplaatst onder een hoek van ongeveer 60° en opgehangen in een drijvend frame. Gevuld met water blijven de lamellen juist onder het mestoppervlak drijven. Het oppervlak van de koelelementen moet minimaal 150 % van het oppervlak van het mestkanaal bedragen. 5° De oppervlakte van een lamel is gelijk aan de omtrek van de lamel (0,30 m) vermenigvuldigd met de lengte van de lamel.6° De koelelementen zijn per mestkanaal in serie verbonden en tussen de mestkanalen volgens het Tichelmann-principe parallel aangesloten op de aan- en afvoerleiding van het water.Hierdoor stroomt door elk mestkanaal een gelijk waterdebiet. Een drukmeter zorgt ervoor dat als er ergens lekkage van water optreedt de watertoevoer direct wordt gestopt. 7° Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt.Het door de koelelementen rondgepompte water wordt vervolgens weer teruggepompt in de grond. 3.1.3.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De temperatuur van het in de grond teruggepompte water mag maximaal 14 °C bedragen en maximaal 3 °C zijn opgewarmd.2° De mesttemperatuur bovenin het mestkanaal mag niet hoger zijn dan 15 °C.3° De temperatuur van zowel de mest bovenin het mestkanaal als van het opgepompte en teruggepompte water wordt gemeten en automatisch geregistreerd.Deze registratie moet voorzien in een terugkijkmogelijkheid van minstens 7 dagen. 4° De hoeveelheid opgepompt grondwater moet geregistreerd worden.5° Er moet een onderhoudscontract afgesloten zijn waarbij tweemaal per jaar controle en onderhoud van het systeem plaatsvindt. 3.1.3.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt : 1° 0,15 kg NH3 per dierplaats per jaar bij huisvesting met maximaal 0,35 m2 leefruimte per dierplaats.2° 0,19 kg NH3 per dierplaats per jaar bij huisvesting met meer dan 0,35 m2 leefruimte per dierplaats. 3.1.4. Systeem V-1.5. Volledig rooster met water-en mestkanalen, eventueel voorzien van schuine putwand(en), emitterend mestoppervlak kleiner dan 0,10 m2 3.1.4.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak per dierplaats door het toepassen van water- en mestkanalen. 3.1.4.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Mestkanaal : a) de breedte van het mestkanaal moet minimaal 0,90 m zijn;b) het emitterend mestoppervlak in het mestkanaal mag maximaal 0,10 m2 per dierplaats bedragen;c) het roosteroppervlak boven het mestkanaal mag maximaal 0,12 m2 per dierplaats bedragen;d) het mestkanaal moet voorzien zijn van een rooster met verhoogde mestdoorlaat. Indien het mestkanaal wordt uitgevoerd met schuine putwand(en), dan geldt : e) de omvang van het emitterend mestoppervlak in het mestkanaal moet worden gewaarborgd door een overloop;f) een schuine putwand moet uitgevoerd worden onder een helling van minimaal 45°.2° Waterkanaal : a) het waterkanaal mag met rechte wand(en) of met schuine wand(en) worden uitgevoerd;b) indien het waterkanaal met (een) schuine putwand(en) wordt uitgevoerd dan moet(en) deze een helling hebben van minimaal 45°;c) het waterkanaal moet voorzien zijn van een kunststofrooster, maximaal 0,07 m2 per dierplaats van dit kunststofrooster mag uitgevoerd worden als dichte vloerverwarmingsplaat mits de nodige voorzieningen getroffen worden zodat er geen mest op de verwarmingsplaat achterblijft bij incidentele bevuiling.3° Hokuitvoering : De voederplaatsen mogen niet boven het mestkanaal van het hok zijn gesitueerd.4° Mestafvoer : a) voor de afvoer van de mest uit het mestkanaal moet een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem worden aangebracht, zodat de mest frequent en restloos uit de mestkanalen kan worden afgevoerd;b) de doorsnede van de afvoeropening moet minimaal 150 mm zijn, de afvoerbuisdiameter minimaal 200 mm;c) het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem heeft per mestkanaal een centrale afsluiter;d) verder moet de afvoer van mest zodanig gewaarborgd zijn dat het emitterend mestoppervlak nooit groter wordt dan 0,10 m2 per dierplaats.Dit moet worden gerealiseerd middels een overloop met een minimale doorlaat van 75 mm waarvan de instroomopening zichtbaar in het mestkanaal is aangebracht. Voorts moet de overloop zijn voorzien van een stankafsluiter. De overloop mag niet worden aangesloten op de hoofdleiding van het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem; e) in het afvoersysteem van het waterkanaal moet een (centrale) afsluiter worden aangebracht. 3.1.4.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Na elke ronde moeten de water- en mestkanalen afgelaten worden.2° De eventueel aanwezige schuine putwand(en) in de mestkanalen moeten na elke ronde gereinigd worden.3° Het waterniveau in het waterkanaal moet steeds minimaal 0,05 m bedragen. 3.1.4.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,20 kg NH3 per dierplaats per jaar 3.1.5. Systeem V-1.6. Gedeeltelijk rooster met een (water- en) mestkanaal, eventueel voorzien van schuine putwand(en) 3.1.5.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak per dierplaats door sturing van het mestgedrag en het eventueel toepassen van een waterkanaal en/of schuine putwand(en) in het mestkanaal. 3.1.5.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Mestkanaal : a) de breedte van het mestkanaal moet minimaal 0,60 m zijn;b) het emitterend mestoppervlak in het mestkanaal mag maximaal 0,10 m2 per dierplaats bedragen;c) het roosteroppervlak boven het mestkanaal mag maximaal 0,15 m2 per dierplaats bedragen;d) het mestkanaal moet voorzien zijn van een rooster met verhoogde mestdoorlaat. Indien het mestkanaal wordt uitgevoerd met schuine putwand(en), dan geldt : e) de omvang van het emitterend mestoppervlak in het mestkanaal moet worden gewaarborgd door een overloop;f) een schuine putwand tegen de dichte vloer moet uitgevoerd worden onder een helling van minimaal 45°;g) een schuine putwand tegen de achtermuur moet uitgevoerd worden onder een helling van minimaal 60°;2° Er zijn twee hokuitvoeringen mogelijk : a) het hok wordt uitgevoerd met gedeeltelijk rooster, waarbij het hok vooraan bestaat uit een hellend dicht vloergedeelte.Achterin het hok bevindt zich het roostergedeelte, waaronder zich het mestkanaal bevindt; b) het hok wordt uitgevoerd met in het midden een bolle vloer.Aan de voorzijde van het hok bevindt zich een waterkanaal en aan de achterzijde een mestkanaal, waarbij : i. het roosteroppervlak boven het waterkanaal nooit groter mag zijn dan het roosteroppervlak boven het mestkanaal; ii. de breedte van het wateroppervlak max. 0,60 m is; iii. het waterkanaal met rechte wand(en) of met schuine wand(en) mag worden uitgevoerd; indien het waterkanaal met schuine putwand(en) wordt uitgevoerd dan moet(en) deze een helling hebben van minimaal 45°; c) voor beide types hokuitvoering geldt : i.de voerplaatsen mogen niet boven het mestkanaal van het hok zijn gesitueerd; ii. per dierplaats moet een dicht vloeroppervlak van minimaal 0,12 m2 aanwezig zijn. 3° Mestafvoer : a) voor de afvoer van de mest uit het mestkanaal moet een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem worden aangebracht, zodat de mest frequent en restloos uit de mestkanalen kan worden afgevoerd;b) de doorsnede van de afvoeropening moet minimaal 150 mm zijn, de afvoerbuisdiameter minimaal 200 mm;c) het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem heeft per mestkanaal een centrale afsluiter;d) verder moet de afvoer van mest zodanig gewaarborgd zijn dat het emitterend mestoppervlak nooit groter wordt dan 0,10 m2 per dierplaats.Dit moet worden gerealiseerd middels een overloop met een minimale doorlaat van 75 mm waarvan de instroomopening zichtbaar in het mestkanaal is aangebracht. Voorts moet de overloop zijn voorzien van een stankafsluiter. De overloop mag niet worden aangesloten op de hoofdleiding van het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem; e) in het afvoersysteem van het waterkanaal moet een (centrale) afsluiter worden aangebracht. 3.1.5.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Na elke ronde moeten de (water- en) mestkanalen afgelaten worden.2° De eventuele schuine wand(en) in de mestkanalen moeten na elke ronde gereinigd worden.3° Indien een waterkanaal wordt toegepast, moet het waterniveau in het waterkanaal steeds minimaal 0,05 m bedragen. 3.1.5.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,18 kg NH3 per dierplaats per jaar. Afdeling 2. - Ammoniakemissiearme stalsystemen voor zeugen (incl.
biggen tot spenen) in kraamstallen 3.2.1. Systeem V-2.1. Mestkanaal met mestafvoersysteem 3.2.1.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door de mest op te vangen in een mestkanaal onder de roosters en deze mest minstens eens per twee dagen d.m.v. een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem uit de stal te verwijderen. 3.2.1.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet : a) het gehele roosteroppervlak omvatten zodat er vanuit de mestkelder geen ammoniak naar de stal ontwijkt;b) voorzien zijn van twee schuine putwanden;de achterwand moet een helling hebben van 60° en de voorwand moet een helling van 45° hebben. 2° In de vloer van het mestkanaal moeten, op een onderlinge afstand van maximaal 2 meter, afvoerpunten naar de onder het mestkanaal gelegen riolering aanwezig zijn.De mest in het mestkanaal moet afgelaten worden alvorens een mestniveau van 0,10 m is bereikt. Om dit te garanderen wordt tevens een overloop in het mestkanaal voorzien. De overloop moet goed bereikbaar en zichtbaar aangebracht zijn. 3° Per mestkanaal moet een centrale afsluiter aanwezig zijn en de afgevoerde mest moet opgeslagen worden in een afgesloten mestopslag. 3.2.1.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Minstens eens per twee dagen moet de mest uit het mestkanaal via het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem verwijderd worden.2° Er moet een laagje van circa 0,02 m mest achterblijven om aankoeken van de vaste fractie te voorkomen. 3.2.1.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 3,20 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.2.2. Systeem V-2.2. Ondiepe mestkelders met mest- en waterkanaal 3.2.2.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak. Onder de roosters wordt de ondiepe mestkelder door middel van een muurtje gesplitst in een waterkanaal met minimaal 0,05 m water en een mestkanaal onder de achterzijde van de zeug. 3.2.2.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De mestkelder mag maximaal 1,00 m diep zijn.2° De mestkelder wordt door een mestdicht muurtje gescheiden in een breed waterkanaal onder de voorzijde van de zeug en een smal mestkanaal onder de achterzijde van de zeug.De vorm van het mestdicht muurtje is vrij, zolang aan de eisen voor oppervlakte en afmetingen van het mestkanaal en voor situering van het mestdicht muurtje wordt voldaan zoals bepaald in punt 3°, punt 4° en punt 5°. 3° De oppervlakte van het mestkanaal mag maximaal 0,80 m2 per dierplaats bedragen.4° Om het emitterend oppervlak te beperken is de breedte van het mestkanaal niet overal gelijk : a) per kraamhok mag het mestkanaal over een lengte van minimaal 0,60 m en maximaal 0,70 m breder zijn dan 0,30 m;b) elders is het mestkanaal minimaal 0,20 m en maximaal 0,30 m breed.5° Waar het mestkanaal het breedst is, is de afstand van de voorkant van de zeugenbox tot het mestdicht muurtje bij een rechte opstelling maximaal 1,60 m en bij een schuine opstelling maximaal 1,70 m.6° Per kraamhok is één aflaatpunt vereist dat zich centraal in het mestkanaal bevindt, tenzij a) de kraamboxen staart aan staart gesitueerd zijn, zonder tussenliggende ruimte, in dat geval mogen de 2 mestkanalen als 1 kanaal worden uitgevoerd, met één aflaatpunt per 2 kraamhokken, en waarbij de breedte van dit dubbel mestkanaal, waar het mestkanaal het smalst is, minimaal 0,30 m en maximaal 0,60 m is;b) de kraamboxen diagonaal opgesteld zijn, en waarbij 2 naburige zeugen zich staart tegen staart bevinden, volstaat één aflaatpunt per 2 naburige kraamboxen, dit aflaatpunt situeert zich ter hoogte van de tussenwand. 3.2.2.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De vloeistof in het waterkanaal moet aan het einde van elke kraamperiode middels afsluiters afgelaten worden, waarna het kraamhok gereinigd kan worden.2° Het waterniveau in het waterkanaal moet steeds minimaal 0,05 m bedragen. 3.2.2.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 4,00 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.2.3. Systeem V-2.3. Schuiven in mestgoot 3.2.3.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak in het mestkanaal in combinatie met frequente mestafvoer en beperking van het contact tussen mest en urine. Het mestkanaal is voorzien van schuine wanden en een goot. Door meerdere schuiven wordt de mest van zowel de schuine wanden als in de goot frequent verwijderd. 3.2.3.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De kraamhokken moeten voorzien zijn van een gedeelte dichte vloer en een gedeelte met roosters bestaande uit een rooster met verhoogde mestdoorlaat.2° Het mestkanaal moet voorzien zijn van schuine wanden met een helling van minimaal 40° ten opzichte van de roosters en onderin een ronde goot met een diameter van 250-300 mm.Het geheel van schuine wanden en goot kan in een prefab kunststof vorm in het mestkanaal worden aangebracht. 3° Mestschuif : Het schuifsysteem bestaat uit een combinatie van zes schuiven, die bevestigd zijn aan een cilinder.De cilinder is 0,60 m lang en heeft aan beide uiteinden een roestvrij stalen ronde plaat, voorzien van een rubberen ring, die als schuif voor de goot fungeert.
De schuine wanden zijn voorzien van elk twee rechte roestvrijstalen strips die gekoppeld zijn aan de cilinder. De strips schrapen de mest van de wand. De schuifcombinatie wordt voortbewogen met behulp van een staalkabel. Eén schuifbeweging bestaat uit een heengaande beweging : bij een volgende schuifbeweging gaat de schuif weer terug. 4° Mestafvoer : Het grootste deel van de urine moet continu weg stromen via afvoerpunten aan beide uiteinden van het mestkanaal.Bij elke schuifbeweging wordt de vaste mest en het resterende deel van de urine via dezelfde afvoerpunten afgevoerd naar een opslag. De afvoerpunten moeten voorzien zijn van een klep die opengaat als er mest en/of urine op komt en weer dicht gaat als de mest en/of urine afgevoerd is. Kieren van de klep (door bijvoorbeeld bevuiling met mest) mag niet optreden. 3.2.3.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De mest moet minimaal achtmaal per dag uit de afdeling geschoven worden.2° Het besturingssysteem moet een overzicht kunnen geven van het aantal schuifbewegingen gedurende de afgelopen zeven dagen. 3.2.3.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 2,50 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.2.4. Systeem V-2.4. Koeldeksysteem met 150 % koeloppervlak 3.2.4.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door de laag mest bovenin het mestkanaal te koelen met behulp van drijvende koelelementen. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt. 3.2.4.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet voorzien zijn van kunststof- of metalen roosters en het emitterend mestoppervlak per dierplaats mag maximaal 5,0 m2 bedragen.2° In de mestkanalen zijn koelelementen aangebracht, elk bestaande uit een aantal lamellen van 14 cm breed en gemaakt van hoogwaardige kunststof.De lamellen zijn geplaatst onder een hoek van ongeveer 60° en opgehangen in een drijvend frame. Gevuld met water blijven de lamellen juist onder het mestoppervlak drijven. Het oppervlak van de koelelementen moet minimaal 150 % van het oppervlak van het mestkanaal bedragen. 3° De koelelementen zijn per mestkanaal in serie verbonden en tussen de mestkanalen volgens het Tichelmann-principe parallel aangesloten op de aan- en afvoerleiding van het water.Hierdoor stroomt door elk mestkanaal een gelijk waterdebiet. Een drukmeter zorgt ervoor dat als er ergens lekkage van water optreedt, de watertoevoer direct wordt gestopt. 4° Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt.Het door de koelelementen rondgepompte water wordt vervolgens weer teruggepompt in de grond. 3.2.4.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De temperatuur van het in de grond teruggepompte water mag maximaal 14 °C bedragen en maximaal 3 °C zijn opgewarmd.2° De mesttemperatuur bovenin het mestkanaal mag niet hoger zijn dan 15 °C.3° De temperatuur van zowel de mest bovenin het mestkanaal als van het opgepompte en teruggepompte water wordt gemeten en automatisch geregistreerd.Deze registratie moet voorzien in een terugkijkmogelijkheid van minstens 7 dagen. 4° De hoeveelheid opgepompt grondwater moet geregistreerd worden.5° De exploitant moet een onderhoudscontract hebben waarbij twee maal per jaar controle en onderhoud plaatsvindt. 3.2.4.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 2,40 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.2.5. Systeem V-2.5. Mestbak onder kraamhok 3.2.5.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak tot maximaal 1,10 m2 per dierplaats en het aanbrengen van een mestbak. 3.2.5.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Hokuitvoering : a) het emitterend mestoppervlak mag niet groter zijn dan 1,10 m2 per dierplaats;b) onder elke kraamzeug wordt een mestbak aangebracht.Een mestbak is een ondiep recipiënt dat onder de roosters wordt gehangen; c) het systeem is ook toepasbaar in kraamhokken in schuine opstelling, waarbij van belang is dat het achterwerk van de zeug is gesitueerd boven het diepste deel van de mestbak.2° Mestbak : a) mestbakken kunnen prefab worden geproduceerd en zijn vervaardigd van glad en goed te reinigen materiaal;b) de diepte van de mestbak moet aan de voorzijde minimaal 0,05 m bedragen, gemeten vanaf de onderzijde van de rooster;c) de diepte van de mestbak aan de achterzijde bedraagt minimaal 0,20 m;d) de mestbak moet het gehele roosteroppervlak omvatten;e) de hellingshoek van de mestbak naar het afvoerpunt moet minimaal 3° zijn, door gebruik van een hellende bodemplaat.3° Aflaatmoment en aflaatfrequentie : a) de mest moet worden afgelaten voor het moment dat het emitterend mestoppervlak groter wordt dan 1,10 m2 per dierplaats.Dit wordt gereguleerd door een overloopbeveiliging; b) minimaal elke drie dagen moet de mest automatisch afgelaten worden.4° Mestafvoer : a) voor de afvoer van de mest uit de mestbak moet een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem worden aangebracht, zodat de mest frequent en restloos kan worden afgevoerd;b) de doorsnede van de afvoeropening moet minimaal 90 mm inwendig zijn, de afvoerbuisdiameter minimaal 110 mm tot maximaal 125 mm (tot aan de afsluiter). 3.2.5.3 Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° In het kader van de controle en handhaafbaarheid moet de frequentie van het aflaten van de mest automatisch worden geregeld.2° Er moet een terugkijkmogelijkheid zijn van 7 dagen, waarbij de aflaatmomenten zichtbaar zijn. 3.2.5.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 2,90 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.2.6. Systeem V-2.6. Mestpan met water- en mestkanaal onder kraamhok 3.2.6.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak tot maximaal 0,80 m2 per dierplaats en het aanbrengen van een mestpan met water- en mestkanaal onder het kraamhok. 3.2.6.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Hok- en vloeruitvoering : a) het emitterend mestoppervlak mag niet groter zijn dan 0,80 m2 per dierplaats;b) onder elk kraamhok wordt een mestpan aangebracht.Een mestpan is een ondiep recipiënt dat onder de roosters wordt gehangen. De mestpan is verdeeld in een water- en mestkanaal; c) het systeem is toepasbaar in kraamhokken met rechte en schuine opstelling alsmede bij gedeeltelijk en volledig rooster, waarbij het van belang is dat het achterwerk van de kraamzeug is gesitueerd boven het mestkanaal.2° Mestpan : a) mestpannen kunnen prefab worden geproduceerd en zijn vervaardigd van glad, corrosiebestendig, niet mestaanhechtend en goed te reinigen materiaal;b) de mestpan moet het gehele roosteroppervlak omvatten;c) het mestkanaal moet minimaal de achterste 0,20 m van de mestpan omvatten, alsmede de mestplaats van de kraamzeug.De rest van de mestpan omvat het waterkanaal. 3° Afvoer mestpan : a) de mest moet worden afgelaten voor het moment dat een mestniveau van 0,12 m is bereikt.Dit wordt gereguleerd door een overloopbeveiliging. De overloopbeveiliging moet goed bereikbaar en zichtbaar aangebracht zijn; b) voor de afvoer van de mest en het water uit de mestpan moet een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem worden aangebracht, zodat de mest en het water frequent en restloos kunnen worden afgevoerd;c) de doorsnede van de afvoeropening moet minimaal 90 mm inwendig zijn, de afvoerbuisdiameter minimaal 110 mm (tot aan de afsluiter). 3.2.6.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Na elke ronde moeten de water- en mestkanalen afgelaten worden, waarna het hok gereinigd kan worden.2° Het waterniveau in het waterkanaal moet steeds minimaal 0,05 m bedragen. 3.2.6.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 2,90 kg NH3 per dierplaats per jaar. Afdeling 3. - Ammoniakemissiearme stalsystemen voor zeugen in dek- en
drachtstallen 3.3.1. Systeem V-3.1. Smalle mestkanalen met rooster met verhoogde mestdoorlaat (alleen toepasbaar bij individuele huisvesting) 3.3.1.1. Dit systeem is alleen toegelaten voor het huisvesten van de zeugen in de periode van dekken tot 4 weken erna. 3.3.1.2. De ammoniakemissie wordt beperkt door in de zeugenbox uitsluitend het vloergedeelte te onderkelderen waar de zeugen mesten en dit mestkanaal te voorzien van een rooster met verhoogde mestdoorlaat. De vloer tussen de rijen boxen is hetzij uitgevoerd als dichte vloer hetzij volledig uitgevoerd als rooster met daaronder een waterkanaal. 3.3.1.3. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Mestkanaal : a) het mestkanaal heeft een breedte van minimaal 0,50 m en maximaal 0,60 m;b) het emitterend mestoppervlak in het mestkanaal mag maximaal 0,40 m2 per dierplaats bedragen.2° Waterkanaal : a) tussen de mestkanalen (met andere woorden tussen de staart-aan-staart opgestelde rijen boxen) wordt al dan niet een waterkanaal voorzien;b) indien een waterkanaal toegepast wordt dan moet dit voorzien worden van een rooster;c) de maximale oppervlakte van het waterkanaal bedraagt 0,75 m2 per dierplaats; d) het waterkanaal moet steeds minimaal 0.05 m water bevatten. 3° Roosters en mestspleet : a) het mestkanaal moet voorzien zijn van een rooster met verhoogde mestdoorlaat met een balkbreedte van 1,0 tot 1,2 cm en een spleetbreedte van minimaal 1,2 en maximaal 2,0 cm, dat tevens voorzien is van een mestspleet van minimaal 10 en maximaal 12 cm;b) enkel voor het verplaatsen van dieren kan de mestspleet tijdelijk worden afgesloten. 3.3.1.4. Voor het gebruik van dit systeem geldt de volgende eis : Indien een waterkanaal wordt toegepast, moet dit waterkanaal minstens zes keer per jaar worden afgelaten. 3.3.1.5. De ammoniakemissiefactor bedraagt 2,40 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.3.2. Systeem V-3.2. Mestkanaal met combinatierooster en frequente mestafvoer (alleen toepasbaar bij individuele huisvesting) 3.3.2.1. Dit systeem is alleen toegelaten voor het huisvesten van de zeugen in de periode van dekken tot 4 weken erna. 3.3.2.2. De ammoniakemissie wordt beperkt door de mest op te vangen in een mestkanaal onder de roosters en deze mest door middel van een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem frequent uit de stal te verwijderen. 3.3.2.3. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet : a) het gehele roosteroppervlak omvatten zodat er vanuit de mestkelder geen ammoniak naar de stal ontwijkt;b) voorzien zijn van twee schuine putwanden waarbij de achterwand een helling van 80° tot 90° en de voorwand een helling van 50° tot 55° moet hebben.Tussen de achterwand en de voorwand is de bodem van het mestkanaal maximaal 0,30 m breed. 2° In de vloer van het mestkanaal moeten, op een onderlinge afstand van maximaal 2,0 m, afvoerpunten naar de onder het mestkanaal gelegen riolering aanwezig zijn.3° Per mestkanaal moet een centrale afsluiter aanwezig zijn en de afgevoerde mest moet opgeslagen worden in een afgesloten mestopslag.4° Het combinatierooster moet, aansluitend op het deel dat bestaat uit een rooster met verhoogde mestdoorlaat, een brede spleet (0,10 m) bezitten om de mestdoorlaat te verbeteren.Onder combinatierooster wordt begrepen roosters met achteraan over minimaal 27 % van de breedte een rooster met verhoogde mestdoorlaat. 3.3.2.4. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Eenmaal per dag moet de mest uit het mestkanaal via het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem verwijderd worden.Hierbij moet een laagje van circa 0,02 m mest achterblijven om aankoeken van de vaste fractie te voorkomen. 2° Het mestafvoersysteem moet voorzien zijn van een overloop die waarborgt dat het mestkanaal maximaal 0,10 m mest bevat. 3.3.2.5. De ammoniakemissiefactor bedraagt 1,80 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.3.3. Systeem V-3.3. Koeldeksysteem met 115 % koeloppervlak 3.3.3.1. De ammoniakemissie uit de mest wordt beperkt door de laag mest bovenin het mestkanaal te koelen met behulp van drijvende koelelementen. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt. 3.3.3.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet voorzien zijn van beton-, kunststof- of metalen roosters en het emitterend mestoppervlak per dierplaats mag maximaal 1,0 m2 bedragen.2° In de mestkanalen zijn koelelementen aangebracht, elk bestaande uit een aantal lamellen van 0,14 breed en gemaakt van hoogwaardige kunststof.De lamellen zijn geplaatst onder een hoek van ongeveer 60° en opgehangen in een drijvend frame. Gevuld met water blijven de lamellen juist onder het mestoppervlak drijven. Het oppervlak van de koelelementen moet minimaal 115 % van het oppervlak van het mestkanaal bedragen. 3° De koelelementen zijn per mestkanaal in serie verbonden en tussen de mestkanalen volgens het Tichelmann-principe parallel aangesloten op de aan- en afvoerleiding van het water.Hierdoor stroomt door elk mestkanaal een gelijk waterdebiet. Een drukmeter zorgt ervoor dat als er ergens lekkage van water optreedt, de watertoevoer direct wordt gestopt. 4° Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt.Het door de koelelementen rondgepompte water wordt vervolgens weer teruggepompt in de grond. 3.3.3.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De temperatuur van het in de grond teruggepompte water mag maximaal 14 °C bedragen, en maximaal 3 °C zijn opgewarmd.2° De mesttemperatuur bovenin het mestkanaal mag niet hoger zijn dan 15 °C.3° De temperatuur van zowel de mest bovenin het mestkanaal als van het opgepompte en teruggepompte water wordt gemeten en automatisch geregistreerd.Deze registratie moet voorzien in een terugkijkmogelijkheid van minstens 7 dagen. 4° De hoeveelheid opgepompt grondwater moet geregistreerd worden.5° De exploitant van de stal moet een onderhoudscontract hebben waarbij twee maal per jaar controle en onderhoud plaatsvindt. 3.3.3.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 2,20 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.3.4. Systeem V-3.4. Koeldeksysteem met 135 % koeloppervlak 3.3.4.1. De ammoniakemissie uit de mest wordt beperkt door de laag mest bovenin het mestkanaal te koelen met behulp van drijvende koelelementen. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt. 3.3.4.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet voorzien te zijn van beton-, kunststof- of metalen roosters en het emitterend mestoppervlak mag maximaal 1,10 m2 per dierplaats bedragen.2° In de mestkanalen zijn koelelementen aangebracht, elk bestaande uit een aantal lamellen van 0,14 m breed en gemaakt van hoogwaardige kunststof.De oppervlakte per lamel is de omtrek van de lamel (0,30 m) vermenigvuldigd met de lengte van de lamel. De lamellen zijn geplaatst onder een hoek van 90° en opgehangen in een drijvend frame. Gevuld met water blijven de lamellen net onder het mestoppervlak drijven. Het oppervlak van de koelelementen moet minimaal 135 % van het oppervlak van het mestkanaal bedragen. 3° De koelelementen zijn per mestkanaal in serie verbonden en tussen de mestkanalen volgens het Tichelmann-principe parallel aangesloten op de aan- en afvoerleiding van het water.Hierdoor stroomt door elk mestkanaal een gelijk waterde biet. Een drukmeter zorgt ervoor dat als er ergens lekkage van water optreedt, de watertoevoer direct wordt gestopt. 4° Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt.Het door de koelelementen rondgepompte water wordt vervolgens weer teruggepompt in de grond. 3.3.4.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De temperatuur van het in de grond teruggepompte water mag maximaal 14 °C bedragen en maximaal 3 °C zijn opgewarmd.2° De mesttemperatuur bovenin het mestkanaal mag niet hoger zijn dan 15 °C.3° De temperatuur van zowel de mest bovenin het mestkanaal als van het opgepompte en teruggepompte water wordt gemeten en automatisch geregistreerd.Deze registratie moet voorzien in een terugkijkmogelijkheid van minstens 7 dagen. 4° De hoeveelheid opgepompt grondwater moet geregistreerd worden.5° De exploitant van de stal moet een onderhoudscontract hebben waarbij twee maal per jaar controle en onderhoud plaatsvindt. 3.3.4.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 2,20 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.3.5. Systeem V-3.5. Groepshuisvestingsysteem, zonder strobed en met schuine putwanden in het mestkanaal 3.3.5.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak 3.3.5.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Er zijn meerdere uitvoeringen mogelijk : a) het stalsysteem wordt uitgevoerd met voer(lig)boxen.De ruimte achter de voer(lig)boxen wordt gebruikt als uitloop; b) het stalsysteem wordt uitgevoerd met zeugenvoerstation(s) of andere voersystemen en ligplaatsen.2° Mestkanalen : a) het emitterend mestoppervlak mag maximaal 0,55 m2 per dierplaats bedragen indien een rooster met verhoogde mestdoorlaat voorzien wordt;b) het emitterend mestoppervlak maximaal 0,50 m2 per dierplaats bedragen indien een betonrooster voorzien wordt;c) het emitterend mestoppervlak van de mestkanalen moet worden beveiligd door een overloop;d) de schuine wanden moeten uitgevoerd worden onder een helling van minimaal 45°.3° Afvoer mestkanalen : a) voor de afvoer van de mest uit de mestkanalen moet een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem worden aangebracht, zodat de mest frequent en restloos uit de mestkanalen kan worden afgevoerd;b) de doorsnede van de afvoeropening moet minimaal 150 mm zijn;c) de afvoerbuisdiameter is minimaal 200 mm;d) de afvoer van mest moet zodanig gewaarborgd zijn dat het emitterend mestoppervlak nooit groter wordt dan 0,55 m2 per dierplaats indien roosters met verhoogde mestdoorlaat gebruikt worden of 0,50 m2 per dierplaats indien betonroosters gebruikt worden.Dit moet worden gerealiseerd middels een overloop met een minimale doorlaat van 75 mm waarvan de instroomopening zichtbaar in het mestkanaal is aangebracht.
Voorts moet de overloop zijn voorzien van een stankafsluiter. De overloop mag niet worden aangesloten op de hoofdleiding van het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem; e) het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem heeft per mestkanaal een centrale afsluiter. 3.3.5.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Minimaal éénmaal per twee weken moeten de mestkanalen afgelaten worden.2° Wanneer de drachtige zeugenstal eveneens gebruikt wordt als dekstal dan kan dit stalsysteem wanneer het uitgevoerd wordt met voer(lig)boxen eveneens toegepast worden voor individuele huisvesting van de zeugen in de periode van dekken tot 4 weken erna.Zeugen mogen niet in een individueel hok worden opgesloten gedurende een periode die start vanaf 4 weken na dekken tot 7 dagen voor de verwachte worpdatum. Uitzonderlijk mogen individuen die bijzonder agressief zijn, of die aangevallen zijn door andere zeugen, of die ziek of gekwetst zijn, tijdelijk in individuele hokken worden gehouden. Deze individuele hokken moeten toelaten dat de dieren zich gemakkelijk kunnen omdraaien. Wanneer de zeugen in de periode 4 weken na het dekken tot 7 dagen voor de verwachte worpdatum verplaats worden naar een drachtige zeugenstal dan kan dit stalsysteem niet gebruikt worden als systeem voor individuele huisvesting voor de periode vanaf het dekken tot 4 weken na het dekken maar moet een overeenkomstig stalsysteem specifiek voor individuele huisvesting gekozen worden voor de dekstal (systeem V-3.1, systeem V-3.2 of systeem V-3.8). 3.3.5.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt : 1° 2,30 kg NH3 per dierplaats per jaar bij een emitterend mestoppervlak van 0,55 m2 en bij gebruik van rooster met verhoogde mestdoorlaat.2° 2,60 kg NH3 per dierplaats per jaar bij een emitterend mestoppervlak van 0,50 m2 en bij gebruik van betonroosters. 3.3.6. Systeem V-3.6. Rondloopstal met zeugenvoederstation en strobed 3.3.6.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak door sturing van het mestgedrag en door het veranderen van de mestsamenstelling, doordat de zeugen stro opnemen.
Dit wordt bereikt door een specifieke stalindeling die erop gericht is om de dagelijkse activiteiten van de zeugen zo ongestoord mogelijk te laten verlopen en door het toepassen van "mest- en stromanagement". 3.3.6.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Hokuitvoering en roosters : a) de stal bestaat uit één ruimte die is onderverdeeld in een ligruimte, voorzien van een strobed en in een activiteitsruimte.De ligruimte is volledig bedekt met een laag stro en wordt door de zeugen gebruikt als rustplaats. Onder de activiteitsruimte wordt de ruimte verstaan waarin de zeugen eten, drinken en mesten. De activiteitsruimte bestaat uit de volgende functionele ruimtes : loopgang, wachtruimte, voerstation(s) en drinkruimte : per groep zeugen moet een duidelijke scheiding tussen ligruimte en activiteitsruimte aangebracht worden; b) het totaal beschikbaar hokoppervlak bedraagt maximaal 2,50 m2 per dierplaats.Ruimtes die niet direct beschikbaar zijn voor de zeugen, zoals bijvoorbeeld de separatieruimte, het berenhok, alsmede de ruimte tussen de voerstations, mogen hierbij niet worden meegerekend. 2° Ligruimte, inclusief strobed : a) de vloer is dicht en is volledig ingestrooid met stro zodat een strobed ontstaat;b) het beschikbaar ligoppervlak bedraagt minimaal 1,30 m2 en maximaal 1,50 m2 per dierplaats;c) in de ligruimte mogen zeer beperkt mestplekken aanwezig zijn;d) het strobed heeft een dikte van minimaal 0,15 en maximaal 0,40 m;e) de ligruimte mag verdeeld zijn in meerdere vakken of ligbedden;f) elk strobed heeft een oppervlak van minimaal 25 m2;g) per strobed is één doorgang naar de activiteitsruimte aanwezig;h) de doorgang naar de activiteitsruimte is minimaal 2,0 m en maximaal 4,0 m breed;i) elk strobed is, behoudens de doorgang naar de activiteitsruimte, volledig omgeven door een dichte hokafscheiding met een hoogte van minimaal 1,0 m, gemeten vanaf de vloer;j) de afstand vanaf de rand van de doorgang naar de activiteitsruimte tot aan het verst gelegen punt van de hokafscheiding, gemeten over het strobed, mag niet groter zijn dan 16 m.3° Activiteitsruimte, inclusief loopgang : a) mag worden voorzien van zowel een rooster als van een dichte vloer;b) de loopgang moet minimaal 2,0 m breed zijn, zodat de zeugen elkaar ongehinderd kunnen passeren;c) bij de centrale drinkwatervoorziening (kan bestaan uit meerdere drinkbakken of uit drinknippels) is een vrije ruimte van minimaal 3,0 m bij 3,0 m aanwezig;d) het emitterend mestoppervlak in de mestkelder in geval van roosters mag maximaal 1,10 m2 per dierplaats bedragen.In geval van dichte vloer is de maximale oppervlakte van de dichte vloer 1,10 m2 per dierplaats. 4° Mestafvoer : a) indien (een gedeelte van) de activiteitsruimte wordt voorzien van een rooster, dan moet zich hieronder een mestkelder bevinden, eventueel voorzien van een mestafvoersysteem;b) de mestkelder, eventueel in combinatie met een mestafvoersysteem, moet zodanig aangelegd zijn dat de mest snel en restloos uit de kelder kan worden afgevoerd. 3.3.6.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Minimaal tweemaal per week moet het strobed in de ligruimte aangevuld worden met vers stro.Minimaal één keer per jaar moet het gehele strobed in de ligruimte vervangen worden. 2° Elke dag moet de mest verwijderd worden die toch op het strobed of op de dichte vloer van de activiteitsruimte, inclusief de loopgang, terecht is gekomen. 3.3.6.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 2,60 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.3.7. Systeem V-3.7. Zeugen in voederligbox op strobed 3.3.7.1. De verlaagde ammoniakemissie wordt bekomen door het opvangen van de mest in het stro en het regelmatig aanvullen en vervangen van het stro. 3.3.7.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De zeugen zijn gehuisvest in compartimenten van 6 tot 12 zeugen. Ieder compartiment bestaat uit 2 delen zijnde de voederligbox en het ligbed op stro. 2° Voor de voederligbox geldt : a) iedere zeug beschikt over een voederligbox geplaatst in volle vloer;b) de voederligbox heeft een breedte tussen 0,50 m en 0,65 m;c) de minimale lengte van de volle vloer bedraagt 1,55 m.3° Voor het ligbed op stro geldt : a) het ligbed, gelegen achter de voederligboxen, heeft een minimale oppervlakte van 1,50 m2 per zeugplaats;b) de (volle) vloer van het ligbed is 0,30 à 0,40 m gelegen onder het niveau van de vloer van de voederligboxen. 3.3.7.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Bij de start van iedere ronde wordt het ligbed voldoende ingestrooid (0,30 m à 0,40 m stro).Er moet voldoende stro aanwezig zijn zodanig dat het niveauverschil tussen het strobed en de vloer van de ligboxen maximaal 0,10 m bedraagt. 2° Minimaal driemaal per week moet het strobed aangevuld worden met vers stro, zodanig dat er geen vuile en vochtige mestplekken ontstaan in het strobed.3° Het strobed in de ligruimte wordt om de 5 weken vervangen.4° Het stroverbruik wordt geschat op 2 kg per zeug per dag.5° Het strobed mag maximaal 0,50 m dik zijn. 3.3.7.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 1,00 kg NH3 per dierplaats per jaar (op basis van oriënterende metingen). 3.3.8. Systeem V-3.8. Gescheiden afvoer van mest en urine door middel van een conische mestband (alleen toepasbaar bij individuele huisvesting) 3.3.8.1. Dit systeem is alleen toegelaten voor het huisvesten van de zeugen in de periode van dekken tot 4 weken erna. 3.3.8.2. De ammoniakemissie wordt beperkt door de mest en urine op te vangen op een conische mestband die zich onder de roosters bevindt.
Door de conische uitvoering van de mestband loopt de urine van de mestband af naar een onderliggende opslag terwijl de vaste mest blijft liggen op de mestband. De vaste mest wordt uit de stal verwijderd naar een gesloten opslag doordat de mestband 10 keer per etmaal wordt afgedraaid. 3.3.8.3. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal achter elke rij zeugenboxen moet voorzien zijn van een rooster met verhoogde mestdoorlaat.2° Op maximum 40 cm onder het roosteroppervlak bevindt zich een conische mestband waarop alle mest en urine terecht moet komen.De mestband is minstens 20 cm breder dan de breedte van de roosters waaronder ze geplaatst worden. Indien nodig kunnen meerdere overlappende mestbanden voorzien worden, opgesteld op verschillende hoogte (onderliggende afstand max. 40 cm). Deze mestbanden moeten elkaar minstens 20 cm overlappen. 3° De mestband(en) is (zijn) uitgevoerd in kunststof.4° De mestband wordt regelmatig afgedraaid waarbij de mest door middel van een roestvrij stalen- of kunststofschraper verwijderd wordt.Deze schraper moet nauw aansluiten bij de mestband. De schraper moet de vaste mest van de mestband zo verwijderen dat geen mestresten op de band achterblijven noch dat de mest over de band uitgesmeerd wordt. 5° Langs de zijkanten van de mestband worden roestvrij stalen- of kunststofgeleiders voorzien die zodanig geplaatst worden dat de vaste mest zowel wanneer de band in rust is als tijdens het schrapen niet van de band kan vallen.6° De conische vorm van de mestband moet een continue afvoer van de urine garanderen.7° Voor de ondersteuning van de band worden platen of rollen onder de band in het mestkanaal gemonteerd.8° De vaste mest wordt afgevoerd naar een gesloten mestopslag.Telkens de mestband afgedraaid wordt, moet de vaste mest aanwezig op de banden afgevoerd worden tot buiten de stal. Via een transportsysteem moet de vaste mest naar een gesloten opslag gelegen buiten de stal afgevoerd worden. Indien een deel van het transportsysteem zich buiten de stal bevindt moet dit overkapt en afgesloten zijn. De urine kan in een kelderruimte onder het mestkanaal opgeslagen worden of afgevoerd naar een geslo …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.