Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Ministerieel besluit tot wijziging van bijlage I van het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissie

Kort samengevat

Dit besluit wijzigt een eerdere regeling over ammoniakemissiearme stalsystemen door de lijst van toegestane systemen te actualiseren en specifieke eisen en maximale emissiefactoren vast te stellen. Het doel is de ammoniakuitstoot vanuit varkens- en pluimveestallen te verminderen.

Wat het reguleert

  • De lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen voor varkens- en pluimveestallen.
  • De maximale ammoniakemissiefactoren per dierplaats per jaar voor verschillende diercategorieën.
  • Specifieke eisen voor de uitvoering en het gebruik van deze stalsystemen.
  • Definities van termen zoals "emitterend mestoppervlak" en "rooster met verhoogde mestdoorlaat".

Wie het aanbelangt

  • Varkenshouders en pluimveehouders die ammoniakemissiearme stalsystemen gebruiken.
  • Producenten en leveranciers van stalsystemen voor varkens en pluimvee.

Kernpunten

  • De bijlage I van het ministerieel besluit van 19 maart 2004, die de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen bevat, wordt volledig vervangen.
  • Er zijn aparte lijsten (V-lijst en P-lijst) voor varkens- en pluimveestallen, en een S-lijst voor nageschakelde luchtreinigingstechnieken.
  • Maximale ammoniakemissiefactoren zijn vastgesteld, bijvoorbeeld 0,30 kg NH3 per dierplaats per jaar voor biggen en 0,045 kg NH3 per dierplaats per jaar voor slachtkuikens.
  • Algemene bepalingen omvatten eisen voor mest- en waterkanalen, zoals de diepte (maximaal 0,50 m voor mest- en waterkanaal bij biggen) en het gebruik van niet-mestaanhechtend materiaal voor schuine wanden.
Wettekst
Wettekst

VLAAMSE OVERHEID Leefmilieu, Natuur en Energie 31 MEI 2011. - Ministerieel besluit tot wijziging van bijlage I van het ministerieel besluit van 19 maart 2004Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 19/03/2004 pub. 14/10/2004 numac 2004036442 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne sluiten houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, artikel 20, eerste lid, gewijzigd bij de decreten van 21 december 1990 en 26 maart 2004; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, artikel 1.1.2, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 14/01/2011 pub. 23/02/2011 numac 2011035179 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering houdende de wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en van bijlage 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning sluiten, en artikel 5.9.2.1bis, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2003; Gelet op het ministerieel besluit van 19 maart 2004Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 19/03/2004 pub. 14/10/2004 numac 2004036442 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne sluiten houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne; Gelet op advies 49.564/3 van de Raad van State, gegeven op 10 mei 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, Besluit : Artikel 1.In het ministerieel besluit van 19 maart 2004Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 19/03/2004 pub. 14/10/2004 numac 2004036442 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne sluiten houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne wordt bijlage I vervangen door de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd. Art. 2.Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Brussel, 31 mei 2011. De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, J. SCHAUVLIEGE Bijlage bij het ministerieel besluit van 31 mei 2011 tot wijziging van het ministerieel besluit van 19 maart 2004Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 19/03/2004 pub. 14/10/2004 numac 2004036442 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne sluiten houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne Bijlage I bij het ministerieel besluit van 19 maart 2004Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 19/03/2004 pub. 14/10/2004 numac 2004036442 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne sluiten houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne Bijlage I. Lijst van ammoniakemissiearme stallen HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen 1.1. Deze bijlage bepaalt de ammoniakemissiearme stalsystemen toepasbaar in varkens- en pluimveestallen. De ammoniakemissiearme stalsystemen voor varkensstallen worden opgenomen in de V-lijst. De ammoniakemissiearme stalsystemen voor pluimveestallen worden opgenomen in de P-lijst. De S-lijst omvat de nageschakelde technieken die uitgaande stallucht zuiveren en kunnen toegepast worden op mechanisch geventileerde varkens- en pluimveestallen. Elk ammoniakemissiearm stalsysteem wordt aangeduid met een unieke letter-cijfer combinatie en een korte omschrijving. Van elk ammoniakemissiearm stalsysteem wordt een beschrijving gegeven van de werking, de eisen aan de uitvoering, de eisen aan het gebruik en de nadere bijzonderheden. In de O-lijst worden de varkens- en pluimveecategorieën waarvoor geen of onvoldoende aan de praktijk getoetste ammoniakemissiearme stalsystemen bestaan, opgelijst. 1.2. Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder : 1° Emitterend mestoppervlak : contactoppervlak van de mest in de mestkelder, mestkanaal, mestbak of mestpan, binnen en buiten de afdeling met de stallucht.2° Leefruimte : voor de dieren vrij toegankelijk, vrij vloeroppervlak.3° Mestafvoersysteem : systeem om de mest uit de mestkanalen of andere (voorlopige) recipiënten af te voeren naar een andere, van voornoemde kanalen of recipiënten afgesloten, externe of dieper gelegen mestopslag.4° Breedte van het mestkanaal : de breedte van de rooster boven het mestkanaal, tenzij anders vermeld.5° Niet mestaanhechtend materiaal : alle vlakke, gladde, mestbestendige, corrosiebestendige en goed te reinigen materialen waar de mest zich niet aan vasthecht zoals bijvoorbeeld polyester, polyethyleen, polypropyleen, roestvrij staal, vlak beton, materiaal voorzien van een coating, geglazuurde tegels.6° Rooster : vloer waarvan de verhouding openingen op de totale oppervlakte van de vloer minstens 15 % bedraagt.7° Rooster met verhoogde mestdoorlaat : vloer waarvan de verhouding openingen op de totale oppervlakte minstens 40 % bedraagt en waarbij de vorm van de roosterbalkjes aangepast is zodat deze onderaan smaller zijn dan bovenaan, zoals bij een metalen driekantrooster.8° Dichte vloer : vloer die voor 100 % dicht is.9° Ziekenboeg : gedeelte van de stal voor het tijdelijk houden van zieke dieren dat aan volgende voorwaarden voldoet :

  1. a)het aantal dierplaatsen bedraagt niet meer dan 5 % van het totaal aantal dierplaatsen in de stal;
  2. b)de uitvoering verschilt van deze van de normale afdeling bijvoorbeeld stro versus rooster;
  3. c)de mogelijkheid is voorzien om de dieren individueel te huisvesten;
  4. d)een aparte, ingestrooide of van een andere vloerbedekking voorziene ligruimte is aanwezig.Bij het gebruik van stro(oisel), moet na elke bezetting het stro(oise)l-mestpakket volledig worden verwijderd. 10° Biggen : biggen van spenen tot een leeftijd van 10 weken.11° Jonge zeug : vrouwelijk varken, ongeacht de leeftijd, tot het moment van de eerste worp.12° Diepte van het mestkanaal : afstand gemeten tussen de onderzijde van de roosters en de bodem van het mestkanaal.13° Diepte van het waterkanaal : afstand gemeten tussen de onderzijde van de roosters en de bodem van het waterkanaal.14° Afsluiter : automatisch of handmatig bediend systeem waarmee afvoerpunten of afvoerleidingen van mestkanalen, waterkanalen, mestbakken en mestpannen kunnen afgesloten worden.15° Helling van een schuine wand : de scherpe hoek die gevormd wordt door de schuine wand en het verlengde van de bodem van het mestkanaal of waterkanaal, tenzij anders vermeld. 1.3. Wanneer een ammoniakemissiearm stalsysteem grenst aan een niet-ammoniakemissiearm stalsysteem dan mogen de respectievelijke mestopslagen van beide stalsystemen niet met elkaar in verbinding staan. 1.4. Jonge zeugen worden tot het moment van dekken of insemineren ingedeeld onder de vleesvarkens. Voor jonge zeugen tot het moment van dekken of insemineren zijn dezelfde ammoniakemissiearme stalsystemen van toepassing als voor vleesvarkens. 1.5. Wanneer de oorspronkelijke plaatsen in de stal ingenomen door de zieke dieren onbezet blijven moet in het gedeelte van de stal dat uitgevoerd is als ziekenboeg geen ammoniakemissiearm stalsysteem toegepast worden. 1.6. Afsluiters in afvoerpunten of afvoerleidingen van mestkanalen, waterkanalen, mestbakken en mestpannen moeten mestbestendig zijn en moeten in de gesloten positie alle mest vasthouden in het betreffende mestkanaal, waterkanaal, mestbak of mestpan. De afsluiter mag niet door de mestdruk in de onderliggende afvoerleiding worden geopend. 1.7. Wanneer in een stalsysteem zowel waterkanalen als mestkanalen of mestbakken of mestpannen aanwezig zijn, dan mogen de waterkanalen op dezelfde hoofdafvoerleiding aangesloten worden als de mestkanalen, mestbakken of mestpannen. 1.8. Controle op vloeistofdichtheid van de afvoerleidingen van mestkanalen, waterkanalen, mestbakken en mestpannen moet gebeuren voor het betonstorten d.m.v. het vullen van de afvoerleidingen met water. 1.9. Schuine wanden in mest- en waterkanalen moeten gemaakt zijn van een niet mestaanhechtend materiaal. 1.10. Wanneer schuine wanden worden toegepast moeten deze tot op de bodem van het mest- of waterkanaal worden gemonteerd en steeds vloeistofdicht aansluiten op de wanden en de bodem van het mest- of waterkanaal. 1.11. Wanneer bij de constructie van een water of mestkanaal hulpstukken in de betonconstructie worden ingestort dan moeten deze vloeistofdicht aansluiten bij de betonconstructie. 1.12. Het mestkanaal mag niet in open verbinding staan met gelijk welk ander aanwezig water- of luchtkanaal onder de roosters en/of vloeren, alsook niet met de ruimtes onder de schuine putwanden. 1.13. Het waterkanaal mag niet in open verbinding staan met eventueel toegepaste mestkanalen, kanalen onder de dichte vloer, kanalen onder de dienstgang, werkgang, voergang of de ruimtes onder de schuine putwanden. 1.14. Daar waar zich een voederbak boven het waterkanaal bevindt, mag over een lengte van maximaal 0,50 m onder de voederbak een afwijkend rooster of afdekking op het waterkanaal toegepast worden. 1.15. Het reinigingswater van de hokken mag gebruikt worden voor het vullen van waterkanalen. HOOFDSTUK 2. - Maximale emissiefactoren voor ammoniakemissiearme stalsystemen 2.1. De maximale emissiefactoren voor ammoniakemissiearme stalsystemen voor varkens, uitgedrukt in kg NH3 per dierplaats per jaar, bedragen : kg NH3 per dierplaats per jaar Biggen 0,30 Zeugen in kraamhokken 4,45 Zeugen in dek- en drachtstallen 2,60 Vleesvarkens 1,40 2.2. De maximale emissiefactoren voor ammoniakemissiearme stalsystemen voor pluimvee, uitgedrukt in kg NH3 per dierplaats per jaar, bedragen : kg NH3 per dierplaats per jaar Opfokpoeljen van legkippen - kooi- of batterijsystemen 0,023 Opfokpoeljen van legkippen - grondhuisvesting 0.085 Legkippen incl. (groot)ouderdieren van legrassen - kooi- of batterijsystemen 0,050 Legkippen incl. (groot)ouderdieren van legrassen - grondhuisvesting 0,158 Slachtkuikenouderdieren 0,290 Slachtkuikens 0,045 Opfokpoeljen slachtkuikenouderdieren 0,155 HOOFDSTUK 3. - V-lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen voor varkens Afdeling 1. - Ammoniakemissiearme stalsystemen voor biggen 3.1.1. Systeem V-1.2. Ondiepe mestkelders met water- en mestkanaal 3.1.1.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak. Aan de voorkant van het hok bevindt zich een smal waterkanaal en aan de achterkant wordt de mest opgevangen in een breed mestkanaal, beide voorzien van een rooster met verhoogde mestdoorlaat. 3.1.1.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Mestkanaal :
  5. a)het emitterend mestoppervlak van het mestkanaal mag maximaal 0,13 m2 per dierplaats bedragen;
  6. b)het mestkanaal moet voorzien zijn van een rooster met verhoogde mestdoorlaat;
  7. c)het mestkanaal mag maximaal 0,50 m diep zijn.2° Waterkanaal :
  8. a)het waterkanaal moet een breedte hebben van minimaal 0,30 m;
  9. b)het waterkanaal moet voorzien zijn van een rooster met verhoogde mestdoorlaat;
  10. c)het waterkanaal mag maximaal 0,50 m diep zijn.3° Hokuitvoering :
  11. a)van het totale vloeroppervlak in de hokken moet 45 % -55 % dichte vloer zijn.Deze dichte vloer wordt bol uitgevoerd;
  12. b)de hokbreedte mag maximaal 1,30 m zijn en de diepte/breedte verhouding van het hok moet groter dan of gelijk aan 2,10 zijn;
  13. c)de tussenhokafscheiding moet dicht uitgevoerd worden met uitzondering van het gedeelte boven het achterste mestkanaal.De hokafscheiding daar is een open hekwerk, waarvan de onderste 0,30 m dicht mag worden uitgevoerd. 4° Mestafvoer : Verschillende varianten voor de uitvoering van de afvoer van de mest en het water zijn mogelijk.De doorsnede van de afvoeropening moet in alle gevallen minimaal 150 mm zijn. 3.1.1.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Na elke ronde moeten het water- en mestkanaal afgelaten worden, waarna het hok kan worden gereinigd.2° De afsluiters van het mestkanaal moeten beurtelings worden geopend.3° Het waterniveau in het waterkanaal moet steeds minimaal 0,05 m bedragen. 3.1.1.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,26 kg NH3 per dierplaats per jaar bij huisvesting met maximaal 0,35 m2 leefruimte per dierplaats. 3.1.2. Systeem V-1.3. Gescheiden afvoer van mest en urine door middel van een hellende mestband 3.1.2.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door de mest en urine op te vangen op een mestband die zich onder de roosters bevindt. Omdat de mestband zowel in dwarsrichting als in lengterichting schuin is opgesteld, wordt de urine continu uit de stal afgevoerd. De mest wordt uit de stal verwijderd doordat de mestband minstens 10 keer per dag wordt afgedraaid. 3.1.2.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet voorzien zijn van een rooster met verhoogde mestdoorlaat.2° Onder het roosteroppervlak bevindt zich een mestband waarop alle mest en urine terecht moet komen.3° De mestband moet van kunststof zijn en een afschot hebben van minimaal 3 % in de dwarsrichting en van 1 % in de lengterichting.4° De mestband kan in lengterichting naar voren dan wel naar achteren aflopend geplaatst worden.5° De zijkanten van de mestband worden met speciale kunststof platen, die tegen de wanden van het mestkanaal zijn bevestigd, beschermd.De mestband wordt ondersteund door platen of rollen die onder de band in het mestkanaal gemonteerd zijn. 6° De mestband wordt regelmatig afgedraaid waarbij de mest door middel van een roestvast stalen- of kunststofschraper wordt verwijderd.Deze schraper moet nauw aansluiten bij de mestband. De schraper moet de vaste mest van de mestband zo verwijderen dat geen mestresten op de band achterblijven noch dat de mest over de band uitgesmeerd wordt. Vanwege het afschot van de mestband wordt de urine continu afgevoerd. 7° Via een transportsysteem moeten faeces en urine buiten de stal worden opgeslagen in een afgesloten mestopslag.Via het transportsysteem mag geen transport van lucht tussen afdelingen en tussen mestopslag en afdelingen plaatsvinden. 3.1.2.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De mestband moet minstens 10 keer per dag worden afgedraaid.Het afdraaien vindt minstens eenmaal per twee uur plaats in de periode tussen 4.00 en 22.00 uur. In de periode tussen 22.00 en 4.00 uur is het afdraaien van de band niet nodig omdat in die periode weinig of geen mest wordt geproduceerd. 2° Een automatische tijdklok met terugleesmogelijkheid moet een overzicht kunnen geven van het aantal malen afdraaien van de mestband gedurende de afgelopen 7 dagen.Tevens moet de afdraaitijd geregistreerd worden. 3° Na afloop van elke ronde moet de mestband met water schoongespoten worden.4° De exploitant moet een onderhoudscontract hebben waarbij eenmaal per jaar controle en onderhoud van het systeem plaatsvindt. 3.1.2.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt : 1° 0,20 kg NH3 per dierplaats en per jaar bij huisvesting met maximaal 0,35 m2 leefruimte per dierplaats.2° 0,25 kg NH3 per dierplaats en per jaar bij huisvesting met meer dan 0,35 m2 leefruimte per dierplaats. 3.1.3. Systeem V-1.4. Koeldeksysteem met 150 % koeloppervlak 3.1.3.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door de mest boven in het mestkanaal te koelen met behulp van drijvende koelelementen. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt. 3.1.3.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet voorzien zijn van een rooster met verhoogde mestdoorlaat.2° Bij huisvesting met een leefruimte van maximaal 0,35 m2 per dierplaats mag het emitterend mestoppervlak van het mestkanaal niet groter zijn dan 0,50 m2 per dierplaats.3° Bij huisvesting met een leefruimte van meer dan 0,35 m2 per dierplaats mag het emitterend mestoppervlak van het mestkanaal niet groter zijn dan 0,67 m2 per dierplaats.4° In de mestkanalen zijn koelelementen aangebracht, elk bestaande uit een aantal lamellen van 0,14 m breed en gemaakt van hoogwaardige kunststof.De lamellen zijn geplaatst onder een hoek van ongeveer 60° en opgehangen in een drijvend frame. Gevuld met water blijven de lamellen juist onder het mestoppervlak drijven. Het oppervlak van de koelelementen moet minimaal 150 % van het oppervlak van het mestkanaal bedragen. 5° De oppervlakte van een lamel is gelijk aan de omtrek van de lamel (0,30
  14. m)vermenigvuldigd met de lengte van de lamel.6° De koelelementen zijn per mestkanaal in serie verbonden en tussen de mestkanalen volgens het Tichelmann-principe parallel aangesloten op de aan- en afvoerleiding van het water.Hierdoor stroomt door elk mestkanaal een gelijk waterdebiet. Een drukmeter zorgt ervoor dat als er ergens lekkage van water optreedt de watertoevoer direct wordt gestopt. 7° Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt.Het door de koelelementen rondgepompte water wordt vervolgens weer teruggepompt in de grond. 3.1.3.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De temperatuur van het in de grond teruggepompte water mag maximaal 14 °C bedragen en maximaal 3 °C zijn opgewarmd.2° De mesttemperatuur bovenin het mestkanaal mag niet hoger zijn dan 15 °C.3° De temperatuur van zowel de mest bovenin het mestkanaal als van het opgepompte en teruggepompte water wordt gemeten en automatisch geregistreerd.Deze registratie moet voorzien in een terugkijkmogelijkheid van minstens 7 dagen. 4° De hoeveelheid opgepompt grondwater moet geregistreerd worden.5° Er moet een onderhoudscontract afgesloten zijn waarbij tweemaal per jaar controle en onderhoud van het systeem plaatsvindt. 3.1.3.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt : 1° 0,15 kg NH3 per dierplaats per jaar bij huisvesting met maximaal 0,35 m2 leefruimte per dierplaats.2° 0,19 kg NH3 per dierplaats per jaar bij huisvesting met meer dan 0,35 m2 leefruimte per dierplaats. 3.1.4. Systeem V-1.5. Volledig rooster met water-en mestkanalen, eventueel voorzien van schuine putwand(en), emitterend mestoppervlak kleiner dan 0,10 m2 3.1.4.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak per dierplaats door het toepassen van water- en mestkanalen. 3.1.4.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Mestkanaal :
  15. a)de breedte van het mestkanaal moet minimaal 0,90 m zijn;
  16. b)het emitterend mestoppervlak in het mestkanaal mag maximaal 0,10 m2 per dierplaats bedragen;
  17. c)het roosteroppervlak boven het mestkanaal mag maximaal 0,12 m2 per dierplaats bedragen;
  18. d)het mestkanaal moet voorzien zijn van een rooster met verhoogde mestdoorlaat. Indien het mestkanaal wordt uitgevoerd met schuine putwand(en), dan geldt :
  19. e)de omvang van het emitterend mestoppervlak in het mestkanaal moet worden gewaarborgd door een overloop;
  20. f)een schuine putwand moet uitgevoerd worden onder een helling van minimaal 45°.2° Waterkanaal :
  21. a)het waterkanaal mag met rechte wand(
  22. en)of met schuine wand(
  23. en)worden uitgevoerd;
  24. b)indien het waterkanaal met (een) schuine putwand(
  25. en)wordt uitgevoerd dan moet(
  26. en)deze een helling hebben van minimaal 45°;
  27. c)het waterkanaal moet voorzien zijn van een kunststofrooster, maximaal 0,07 m2 per dierplaats van dit kunststofrooster mag uitgevoerd worden als dichte vloerverwarmingsplaat mits de nodige voorzieningen getroffen worden zodat er geen mest op de verwarmingsplaat achterblijft bij incidentele bevuiling.3° Hokuitvoering : De voederplaatsen mogen niet boven het mestkanaal van het hok zijn gesitueerd.4° Mestafvoer :
  28. a)voor de afvoer van de mest uit het mestkanaal moet een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem worden aangebracht, zodat de mest frequent en restloos uit de mestkanalen kan worden afgevoerd;
  29. b)de doorsnede van de afvoeropening moet minimaal 150 mm zijn, de afvoerbuisdiameter minimaal 200 mm;
  30. c)het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem heeft per mestkanaal een centrale afsluiter;
  31. d)verder moet de afvoer van mest zodanig gewaarborgd zijn dat het emitterend mestoppervlak nooit groter wordt dan 0,10 m2 per dierplaats.Dit moet worden gerealiseerd middels een overloop met een minimale doorlaat van 75 mm waarvan de instroomopening zichtbaar in het mestkanaal is aangebracht. Voorts moet de overloop zijn voorzien van een stankafsluiter. De overloop mag niet worden aangesloten op de hoofdleiding van het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem;
  32. e)in het afvoersysteem van het waterkanaal moet een (centrale) afsluiter worden aangebracht. 3.1.4.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Na elke ronde moeten de water- en mestkanalen afgelaten worden.2° De eventueel aanwezige schuine putwand(
  33. en)in de mestkanalen moeten na elke ronde gereinigd worden.3° Het waterniveau in het waterkanaal moet steeds minimaal 0,05 m bedragen. 3.1.4.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,20 kg NH3 per dierplaats per jaar 3.1.5. Systeem V-1.6. Gedeeltelijk rooster met een (water-
  34. en)mestkanaal, eventueel voorzien van schuine putwand(
  35. en)3.1.5.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak per dierplaats door sturing van het mestgedrag en het eventueel toepassen van een waterkanaal en/of schuine putwand(
  36. en)in het mestkanaal. 3.1.5.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Mestkanaal :
  37. a)de breedte van het mestkanaal moet minimaal 0,60 m zijn;
  38. b)het emitterend mestoppervlak in het mestkanaal mag maximaal 0,10 m2 per dierplaats bedragen;
  39. c)het roosteroppervlak boven het mestkanaal mag maximaal 0,15 m2 per dierplaats bedragen;
  40. d)het mestkanaal moet voorzien zijn van een rooster met verhoogde mestdoorlaat. Indien het mestkanaal wordt uitgevoerd met schuine putwand(en), dan geldt :
  41. e)de omvang van het emitterend mestoppervlak in het mestkanaal moet worden gewaarborgd door een overloop;
  42. f)een schuine putwand tegen de dichte vloer moet uitgevoerd worden onder een helling van minimaal 45°;
  43. g)een schuine putwand tegen de achtermuur moet uitgevoerd worden onder een helling van minimaal 60°;2° Er zijn twee hokuitvoeringen mogelijk :
  44. a)het hok wordt uitgevoerd met gedeeltelijk rooster, waarbij het hok vooraan bestaat uit een hellend dicht vloergedeelte.Achterin het hok bevindt zich het roostergedeelte, waaronder zich het mestkanaal bevindt;
  45. b)het hok wordt uitgevoerd met in het midden een bolle vloer.Aan de voorzijde van het hok bevindt zich een waterkanaal en aan de achterzijde een mestkanaal, waarbij : i. het roosteroppervlak boven het waterkanaal nooit groter mag zijn dan het roosteroppervlak boven het mestkanaal; ii. de breedte van het wateroppervlak max. 0,60 m is; iii. het waterkanaal met rechte wand(
  46. en)of met schuine wand(
  47. en)mag worden uitgevoerd; indien het waterkanaal met schuine putwand(
  48. en)wordt uitgevoerd dan moet(
  49. en)deze een helling hebben van minimaal 45°;
  50. c)voor beide types hokuitvoering geldt : i.de voerplaatsen mogen niet boven het mestkanaal van het hok zijn gesitueerd; ii. per dierplaats moet een dicht vloeroppervlak van minimaal 0,12 m2 aanwezig zijn. 3° Mestafvoer :
  51. a)voor de afvoer van de mest uit het mestkanaal moet een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem worden aangebracht, zodat de mest frequent en restloos uit de mestkanalen kan worden afgevoerd;
  52. b)de doorsnede van de afvoeropening moet minimaal 150 mm zijn, de afvoerbuisdiameter minimaal 200 mm;
  53. c)het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem heeft per mestkanaal een centrale afsluiter;
  54. d)verder moet de afvoer van mest zodanig gewaarborgd zijn dat het emitterend mestoppervlak nooit groter wordt dan 0,10 m2 per dierplaats.Dit moet worden gerealiseerd middels een overloop met een minimale doorlaat van 75 mm waarvan de instroomopening zichtbaar in het mestkanaal is aangebracht. Voorts moet de overloop zijn voorzien van een stankafsluiter. De overloop mag niet worden aangesloten op de hoofdleiding van het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem;
  55. e)in het afvoersysteem van het waterkanaal moet een (centrale) afsluiter worden aangebracht. 3.1.5.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Na elke ronde moeten de (water-
  56. en)mestkanalen afgelaten worden.2° De eventuele schuine wand(
  57. en)in de mestkanalen moeten na elke ronde gereinigd worden.3° Indien een waterkanaal wordt toegepast, moet het waterniveau in het waterkanaal steeds minimaal 0,05 m bedragen. 3.1.5.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,18 kg NH3 per dierplaats per jaar. Afdeling 2. - Ammoniakemissiearme stalsystemen voor zeugen (incl. biggen tot spenen) in kraamstallen 3.2.1. Systeem V-2.1. Mestkanaal met mestafvoersysteem 3.2.1.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door de mest op te vangen in een mestkanaal onder de roosters en deze mest minstens eens per twee dagen d.m.v. een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem uit de stal te verwijderen. 3.2.1.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet :
  58. a)het gehele roosteroppervlak omvatten zodat er vanuit de mestkelder geen ammoniak naar de stal ontwijkt;
  59. b)voorzien zijn van twee schuine putwanden;de achterwand moet een helling hebben van 60° en de voorwand moet een helling van 45° hebben. 2° In de vloer van het mestkanaal moeten, op een onderlinge afstand van maximaal 2 meter, afvoerpunten naar de onder het mestkanaal gelegen riolering aanwezig zijn.De mest in het mestkanaal moet afgelaten worden alvorens een mestniveau van 0,10 m is bereikt. Om dit te garanderen wordt tevens een overloop in het mestkanaal voorzien. De overloop moet goed bereikbaar en zichtbaar aangebracht zijn. 3° Per mestkanaal moet een centrale afsluiter aanwezig zijn en de afgevoerde mest moet opgeslagen worden in een afgesloten mestopslag. 3.2.1.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Minstens eens per twee dagen moet de mest uit het mestkanaal via het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem verwijderd worden.2° Er moet een laagje van circa 0,02 m mest achterblijven om aankoeken van de vaste fractie te voorkomen. 3.2.1.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 3,20 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.2.2. Systeem V-2.2. Ondiepe mestkelders met mest- en waterkanaal 3.2.2.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak. Onder de roosters wordt de ondiepe mestkelder door middel van een muurtje gesplitst in een waterkanaal met minimaal 0,05 m water en een mestkanaal onder de achterzijde van de zeug. 3.2.2.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De mestkelder mag maximaal 1,00 m diep zijn.2° De mestkelder wordt door een mestdicht muurtje gescheiden in een breed waterkanaal onder de voorzijde van de zeug en een smal mestkanaal onder de achterzijde van de zeug.De vorm van het mestdicht muurtje is vrij, zolang aan de eisen voor oppervlakte en afmetingen van het mestkanaal en voor situering van het mestdicht muurtje wordt voldaan zoals bepaald in punt 3°, punt 4° en punt 5°. 3° De oppervlakte van het mestkanaal mag maximaal 0,80 m2 per dierplaats bedragen.4° Om het emitterend oppervlak te beperken is de breedte van het mestkanaal niet overal gelijk :
  60. a)per kraamhok mag het mestkanaal over een lengte van minimaal 0,60 m en maximaal 0,70 m breder zijn dan 0,30 m;
  61. b)elders is het mestkanaal minimaal 0,20 m en maximaal 0,30 m breed.5° Waar het mestkanaal het breedst is, is de afstand van de voorkant van de zeugenbox tot het mestdicht muurtje bij een rechte opstelling maximaal 1,60 m en bij een schuine opstelling maximaal 1,70 m.6° Per kraamhok is één aflaatpunt vereist dat zich centraal in het mestkanaal bevindt, tenzij
  62. a)de kraamboxen staart aan staart gesitueerd zijn, zonder tussenliggende ruimte, in dat geval mogen de 2 mestkanalen als 1 kanaal worden uitgevoerd, met één aflaatpunt per 2 kraamhokken, en waarbij de breedte van dit dubbel mestkanaal, waar het mestkanaal het smalst is, minimaal 0,30 m en maximaal 0,60 m is;
  63. b)de kraamboxen diagonaal opgesteld zijn, en waarbij 2 naburige zeugen zich staart tegen staart bevinden, volstaat één aflaatpunt per 2 naburige kraamboxen, dit aflaatpunt situeert zich ter hoogte van de tussenwand. 3.2.2.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De vloeistof in het waterkanaal moet aan het einde van elke kraamperiode middels afsluiters afgelaten worden, waarna het kraamhok gereinigd kan worden.2° Het waterniveau in het waterkanaal moet steeds minimaal 0,05 m bedragen. 3.2.2.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 4,00 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.2.3. Systeem V-2.3. Schuiven in mestgoot 3.2.3.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak in het mestkanaal in combinatie met frequente mestafvoer en beperking van het contact tussen mest en urine. Het mestkanaal is voorzien van schuine wanden en een goot. Door meerdere schuiven wordt de mest van zowel de schuine wanden als in de goot frequent verwijderd. 3.2.3.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De kraamhokken moeten voorzien zijn van een gedeelte dichte vloer en een gedeelte met roosters bestaande uit een rooster met verhoogde mestdoorlaat.2° Het mestkanaal moet voorzien zijn van schuine wanden met een helling van minimaal 40° ten opzichte van de roosters en onderin een ronde goot met een diameter van 250-300 mm.Het geheel van schuine wanden en goot kan in een prefab kunststof vorm in het mestkanaal worden aangebracht. 3° Mestschuif : Het schuifsysteem bestaat uit een combinatie van zes schuiven, die bevestigd zijn aan een cilinder.De cilinder is 0,60 m lang en heeft aan beide uiteinden een roestvrij stalen ronde plaat, voorzien van een rubberen ring, die als schuif voor de goot fungeert. De schuine wanden zijn voorzien van elk twee rechte roestvrijstalen strips die gekoppeld zijn aan de cilinder. De strips schrapen de mest van de wand. De schuifcombinatie wordt voortbewogen met behulp van een staalkabel. Eén schuifbeweging bestaat uit een heengaande beweging : bij een volgende schuifbeweging gaat de schuif weer terug. 4° Mestafvoer : Het grootste deel van de urine moet continu weg stromen via afvoerpunten aan beide uiteinden van het mestkanaal.Bij elke schuifbeweging wordt de vaste mest en het resterende deel van de urine via dezelfde afvoerpunten afgevoerd naar een opslag. De afvoerpunten moeten voorzien zijn van een klep die opengaat als er mest en/of urine op komt en weer dicht gaat als de mest en/of urine afgevoerd is. Kieren van de klep (door bijvoorbeeld bevuiling met mest) mag niet optreden. 3.2.3.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De mest moet minimaal achtmaal per dag uit de afdeling geschoven worden.2° Het besturingssysteem moet een overzicht kunnen geven van het aantal schuifbewegingen gedurende de afgelopen zeven dagen. 3.2.3.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 2,50 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.2.4. Systeem V-2.4. Koeldeksysteem met 150 % koeloppervlak 3.2.4.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door de laag mest bovenin het mestkanaal te koelen met behulp van drijvende koelelementen. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt. 3.2.4.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet voorzien zijn van kunststof- of metalen roosters en het emitterend mestoppervlak per dierplaats mag maximaal 5,0 m2 bedragen.2° In de mestkanalen zijn koelelementen aangebracht, elk bestaande uit een aantal lamellen van 14 cm breed en gemaakt van hoogwaardige kunststof.De lamellen zijn geplaatst onder een hoek van ongeveer 60° en opgehangen in een drijvend frame. Gevuld met water blijven de lamellen juist onder het mestoppervlak drijven. Het oppervlak van de koelelementen moet minimaal 150 % van het oppervlak van het mestkanaal bedragen. 3° De koelelementen zijn per mestkanaal in serie verbonden en tussen de mestkanalen volgens het Tichelmann-principe parallel aangesloten op de aan- en afvoerleiding van het water.Hierdoor stroomt door elk mestkanaal een gelijk waterdebiet. Een drukmeter zorgt ervoor dat als er ergens lekkage van water optreedt, de watertoevoer direct wordt gestopt. 4° Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt.Het door de koelelementen rondgepompte water wordt vervolgens weer teruggepompt in de grond. 3.2.4.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De temperatuur van het in de grond teruggepompte water mag maximaal 14 °C bedragen en maximaal 3 °C zijn opgewarmd.2° De mesttemperatuur bovenin het mestkanaal mag niet hoger zijn dan 15 °C.3° De temperatuur van zowel de mest bovenin het mestkanaal als van het opgepompte en teruggepompte water wordt gemeten en automatisch geregistreerd.Deze registratie moet voorzien in een terugkijkmogelijkheid van minstens 7 dagen. 4° De hoeveelheid opgepompt grondwater moet geregistreerd worden.5° De exploitant moet een onderhoudscontract hebben waarbij twee maal per jaar controle en onderhoud plaatsvindt. 3.2.4.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 2,40 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.2.5. Systeem V-2.5. Mestbak onder kraamhok 3.2.5.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak tot maximaal 1,10 m2 per dierplaats en het aanbrengen van een mestbak. 3.2.5.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Hokuitvoering :
  64. a)het emitterend mestoppervlak mag niet groter zijn dan 1,10 m2 per dierplaats;
  65. b)onder elke kraamzeug wordt een mestbak aangebracht.Een mestbak is een ondiep recipiënt dat onder de roosters wordt gehangen;
  66. c)het systeem is ook toepasbaar in kraamhokken in schuine opstelling, waarbij van belang is dat het achterwerk van de zeug is gesitueerd boven het diepste deel van de mestbak.2° Mestbak :
  67. a)mestbakken kunnen prefab worden geproduceerd en zijn vervaardigd van glad en goed te reinigen materiaal;
  68. b)de diepte van de mestbak moet aan de voorzijde minimaal 0,05 m bedragen, gemeten vanaf de onderzijde van de rooster;
  69. c)de diepte van de mestbak aan de achterzijde bedraagt minimaal 0,20 m;
  70. d)de mestbak moet het gehele roosteroppervlak omvatten;
  71. e)de hellingshoek van de mestbak naar het afvoerpunt moet minimaal 3° zijn, door gebruik van een hellende bodemplaat.3° Aflaatmoment en aflaatfrequentie :
  72. a)de mest moet worden afgelaten voor het moment dat het emitterend mestoppervlak groter wordt dan 1,10 m2 per dierplaats.Dit wordt gereguleerd door een overloopbeveiliging;
  73. b)minimaal elke drie dagen moet de mest automatisch afgelaten worden.4° Mestafvoer :
  74. a)voor de afvoer van de mest uit de mestbak moet een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem worden aangebracht, zodat de mest frequent en restloos kan worden afgevoerd;
  75. b)de doorsnede van de afvoeropening moet minimaal 90 mm inwendig zijn, de afvoerbuisdiameter minimaal 110 mm tot maximaal 125 mm (tot aan de afsluiter). 3.2.5.3 Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° In het kader van de controle en handhaafbaarheid moet de frequentie van het aflaten van de mest automatisch worden geregeld.2° Er moet een terugkijkmogelijkheid zijn van 7 dagen, waarbij de aflaatmomenten zichtbaar zijn. 3.2.5.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 2,90 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.2.6. Systeem V-2.6. Mestpan met water- en mestkanaal onder kraamhok 3.2.6.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak tot maximaal 0,80 m2 per dierplaats en het aanbrengen van een mestpan met water- en mestkanaal onder het kraamhok. 3.2.6.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Hok- en vloeruitvoering :
  76. a)het emitterend mestoppervlak mag niet groter zijn dan 0,80 m2 per dierplaats;
  77. b)onder elk kraamhok wordt een mestpan aangebracht.Een mestpan is een ondiep recipiënt dat onder de roosters wordt gehangen. De mestpan is verdeeld in een water- en mestkanaal;
  78. c)het systeem is toepasbaar in kraamhokken met rechte en schuine opstelling alsmede bij gedeeltelijk en volledig rooster, waarbij het van belang is dat het achterwerk van de kraamzeug is gesitueerd boven het mestkanaal.2° Mestpan :
  79. a)mestpannen kunnen prefab worden geproduceerd en zijn vervaardigd van glad, corrosiebestendig, niet mestaanhechtend en goed te reinigen materiaal;
  80. b)de mestpan moet het gehele roosteroppervlak omvatten;
  81. c)het mestkanaal moet minimaal de achterste 0,20 m van de mestpan omvatten, alsmede de mestplaats van de kraamzeug.De rest van de mestpan omvat het waterkanaal. 3° Afvoer mestpan :
  82. a)de mest moet worden afgelaten voor het moment dat een mestniveau van 0,12 m is bereikt.Dit wordt gereguleerd door een overloopbeveiliging. De overloopbeveiliging moet goed bereikbaar en zichtbaar aangebracht zijn;
  83. b)voor de afvoer van de mest en het water uit de mestpan moet een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem worden aangebracht, zodat de mest en het water frequent en restloos kunnen worden afgevoerd;
  84. c)de doorsnede van de afvoeropening moet minimaal 90 mm inwendig zijn, de afvoerbuisdiameter minimaal 110 mm (tot aan de afsluiter). 3.2.6.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Na elke ronde moeten de water- en mestkanalen afgelaten worden, waarna het hok gereinigd kan worden.2° Het waterniveau in het waterkanaal moet steeds minimaal 0,05 m bedragen. 3.2.6.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 2,90 kg NH3 per dierplaats per jaar. Afdeling 3. - Ammoniakemissiearme stalsystemen voor zeugen in dek- en drachtstallen 3.3.1. Systeem V-3.1. Smalle mestkanalen met rooster met verhoogde mestdoorlaat (alleen toepasbaar bij individuele huisvesting) 3.3.1.1. Dit systeem is alleen toegelaten voor het huisvesten van de zeugen in de periode van dekken tot 4 weken erna. 3.3.1.2. De ammoniakemissie wordt beperkt door in de zeugenbox uitsluitend het vloergedeelte te onderkelderen waar de zeugen mesten en dit mestkanaal te voorzien van een rooster met verhoogde mestdoorlaat. De vloer tussen de rijen boxen is hetzij uitgevoerd als dichte vloer hetzij volledig uitgevoerd als rooster met daaronder een waterkanaal. 3.3.1.3. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Mestkanaal :
  85. a)het mestkanaal heeft een breedte van minimaal 0,50 m en maximaal 0,60 m;
  86. b)het emitterend mestoppervlak in het mestkanaal mag maximaal 0,40 m2 per dierplaats bedragen.2° Waterkanaal :
  87. a)tussen de mestkanalen (met andere woorden tussen de staart-aan-staart opgestelde rijen boxen) wordt al dan niet een waterkanaal voorzien;
  88. b)indien een waterkanaal toegepast wordt dan moet dit voorzien worden van een rooster;
  89. c)de maximale oppervlakte van het waterkanaal bedraagt 0,75 m2 per dierplaats;
  90. d)het waterkanaal moet steeds minimaal 0.05 m water bevatten. 3° Roosters en mestspleet :
  91. a)het mestkanaal moet voorzien zijn van een rooster met verhoogde mestdoorlaat met een balkbreedte van 1,0 tot 1,2 cm en een spleetbreedte van minimaal 1,2 en maximaal 2,0 cm, dat tevens voorzien is van een mestspleet van minimaal 10 en maximaal 12 cm;
  92. b)enkel voor het verplaatsen van dieren kan de mestspleet tijdelijk worden afgesloten. 3.3.1.4. Voor het gebruik van dit systeem geldt de volgende eis : Indien een waterkanaal wordt toegepast, moet dit waterkanaal minstens zes keer per jaar worden afgelaten. 3.3.1.5. De ammoniakemissiefactor bedraagt 2,40 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.3.2. Systeem V-3.2. Mestkanaal met combinatierooster en frequente mestafvoer (alleen toepasbaar bij individuele huisvesting) 3.3.2.1. Dit systeem is alleen toegelaten voor het huisvesten van de zeugen in de periode van dekken tot 4 weken erna. 3.3.2.2. De ammoniakemissie wordt beperkt door de mest op te vangen in een mestkanaal onder de roosters en deze mest door middel van een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem frequent uit de stal te verwijderen. 3.3.2.3. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet :
  93. a)het gehele roosteroppervlak omvatten zodat er vanuit de mestkelder geen ammoniak naar de stal ontwijkt;
  94. b)voorzien zijn van twee schuine putwanden waarbij de achterwand een helling van 80° tot 90° en de voorwand een helling van 50° tot 55° moet hebben.Tussen de achterwand en de voorwand is de bodem van het mestkanaal maximaal 0,30 m breed. 2° In de vloer van het mestkanaal moeten, op een onderlinge afstand van maximaal 2,0 m, afvoerpunten naar de onder het mestkanaal gelegen riolering aanwezig zijn.3° Per mestkanaal moet een centrale afsluiter aanwezig zijn en de afgevoerde mest moet opgeslagen worden in een afgesloten mestopslag.4° Het combinatierooster moet, aansluitend op het deel dat bestaat uit een rooster met verhoogde mestdoorlaat, een brede spleet (0,10
  95. m)bezitten om de mestdoorlaat te verbeteren.Onder combinatierooster wordt begrepen roosters met achteraan over minimaal 27 % van de breedte een rooster met verhoogde mestdoorlaat. 3.3.2.4. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Eenmaal per dag moet de mest uit het mestkanaal via het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem verwijderd worden.Hierbij moet een laagje van circa 0,02 m mest achterblijven om aankoeken van de vaste fractie te voorkomen. 2° Het mestafvoersysteem moet voorzien zijn van een overloop die waarborgt dat het mestkanaal maximaal 0,10 m mest bevat. 3.3.2.5. De ammoniakemissiefactor bedraagt 1,80 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.3.3. Systeem V-3.3. Koeldeksysteem met 115 % koeloppervlak 3.3.3.1. De ammoniakemissie uit de mest wordt beperkt door de laag mest bovenin het mestkanaal te koelen met behulp van drijvende koelelementen. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt. 3.3.3.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet voorzien zijn van beton-, kunststof- of metalen roosters en het emitterend mestoppervlak per dierplaats mag maximaal 1,0 m2 bedragen.2° In de mestkanalen zijn koelelementen aangebracht, elk bestaande uit een aantal lamellen van 0,14 breed en gemaakt van hoogwaardige kunststof.De lamellen zijn geplaatst onder een hoek van ongeveer 60° en opgehangen in een drijvend frame. Gevuld met water blijven de lamellen juist onder het mestoppervlak drijven. Het oppervlak van de koelelementen moet minimaal 115 % van het oppervlak van het mestkanaal bedragen. 3° De koelelementen zijn per mestkanaal in serie verbonden en tussen de mestkanalen volgens het Tichelmann-principe parallel aangesloten op de aan- en afvoerleiding van het water.Hierdoor stroomt door elk mestkanaal een gelijk waterdebiet. Een drukmeter zorgt ervoor dat als er ergens lekkage van water optreedt, de watertoevoer direct wordt gestopt. 4° Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt.Het door de koelelementen rondgepompte water wordt vervolgens weer teruggepompt in de grond. 3.3.3.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De temperatuur van het in de grond teruggepompte water mag maximaal 14 °C bedragen, en maximaal 3 °C zijn opgewarmd.2° De mesttemperatuur bovenin het mestkanaal mag niet hoger zijn dan 15 °C.3° De temperatuur van zowel de mest bovenin het mestkanaal als van het opgepompte en teruggepompte water wordt gemeten en automatisch geregistreerd.Deze registratie moet voorzien in een terugkijkmogelijkheid van minstens 7 dagen. 4° De hoeveelheid opgepompt grondwater moet geregistreerd worden.5° De exploitant van de stal moet een onderhoudscontract hebben waarbij twee maal per jaar controle en onderhoud plaatsvindt. 3.3.3.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 2,20 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.3.4. Systeem V-3.4. Koeldeksysteem met 135 % koeloppervlak 3.3.4.1. De ammoniakemissie uit de mest wordt beperkt door de laag mest bovenin het mestkanaal te koelen met behulp van drijvende koelelementen. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt. 3.3.4.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet voorzien te zijn van beton-, kunststof- of metalen roosters en het emitterend mestoppervlak mag maximaal 1,10 m2 per dierplaats bedragen.2° In de mestkanalen zijn koelelementen aangebracht, elk bestaande uit een aantal lamellen van 0,14 m breed en gemaakt van hoogwaardige kunststof.De oppervlakte per lamel is de omtrek van de lamel (0,30
  96. m)vermenigvuldigd met de lengte van de lamel. De lamellen zijn geplaatst onder een hoek van 90° en opgehangen in een drijvend frame. Gevuld met water blijven de lamellen net onder het mestoppervlak drijven. Het oppervlak van de koelelementen moet minimaal 135 % van het oppervlak van het mestkanaal bedragen. 3° De koelelementen zijn per mestkanaal in serie verbonden en tussen de mestkanalen volgens het Tichelmann-principe parallel aangesloten op de aan- en afvoerleiding van het water.Hierdoor stroomt door elk mestkanaal een gelijk waterde biet. Een drukmeter zorgt ervoor dat als er ergens lekkage van water optreedt, de watertoevoer direct wordt gestopt. 4° Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt.Het door de koelelementen rondgepompte water wordt vervolgens weer teruggepompt in de grond. 3.3.4.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De temperatuur van het in de grond teruggepompte water mag maximaal 14 °C bedragen en maximaal 3 °C zijn opgewarmd.2° De mesttemperatuur bovenin het mestkanaal mag niet hoger zijn dan 15 °C.3° De temperatuur van zowel de mest bovenin het mestkanaal als van het opgepompte en teruggepompte water wordt gemeten en automatisch geregistreerd.Deze registratie moet voorzien in een terugkijkmogelijkheid van minstens 7 dagen. 4° De hoeveelheid opgepompt grondwater moet geregistreerd worden.5° De exploitant van de stal moet een onderhoudscontract hebben waarbij twee maal per jaar controle en onderhoud plaatsvindt. 3.3.4.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 2,20 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.3.5. Systeem V-3.5. Groepshuisvestingsysteem, zonder strobed en met schuine putwanden in het mestkanaal 3.3.5.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak 3.3.5.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Er zijn meerdere uitvoeringen mogelijk :
  97. a)het stalsysteem wordt uitgevoerd met voer(lig)boxen.De ruimte achter de voer(lig)boxen wordt gebruikt als uitloop;
  98. b)het stalsysteem wordt uitgevoerd met zeugenvoerstation(
  99. s)of andere voersystemen en ligplaatsen.2° Mestkanalen :
  100. a)het emitterend mestoppervlak mag maximaal 0,55 m2 per dierplaats bedragen indien een rooster met verhoogde mestdoorlaat voorzien wordt;
  101. b)het emitterend mestoppervlak maximaal 0,50 m2 per dierplaats bedragen indien een betonrooster voorzien wordt;
  102. c)het emitterend mestoppervlak van de mestkanalen moet worden beveiligd door een overloop;
  103. d)de schuine wanden moeten uitgevoerd worden onder een helling van minimaal 45°.3° Afvoer mestkanalen :
  104. a)voor de afvoer van de mest uit de mestkanalen moet een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem worden aangebracht, zodat de mest frequent en restloos uit de mestkanalen kan worden afgevoerd;
  105. b)de doorsnede van de afvoeropening moet minimaal 150 mm zijn;
  106. c)de afvoerbuisdiameter is minimaal 200 mm;
  107. d)de afvoer van mest moet zodanig gewaarborgd zijn dat het emitterend mestoppervlak nooit groter wordt dan 0,55 m2 per dierplaats indien roosters met verhoogde mestdoorlaat gebruikt worden of 0,50 m2 per dierplaats indien betonroosters gebruikt worden.Dit moet worden gerealiseerd middels een overloop met een minimale doorlaat van 75 mm waarvan de instroomopening zichtbaar in het mestkanaal is aangebracht. Voorts moet de overloop zijn voorzien van een stankafsluiter. De overloop mag niet worden aangesloten op de hoofdleiding van het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem;
  108. e)het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem heeft per mestkanaal een centrale afsluiter. 3.3.5.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Minimaal éénmaal per twee weken moeten de mestkanalen afgelaten worden.2° Wanneer de drachtige zeugenstal eveneens gebruikt wordt als dekstal dan kan dit stalsysteem wanneer het uitgevoerd wordt met voer(lig)boxen eveneens toegepast worden voor individuele huisvesting van de zeugen in de periode van dekken tot 4 weken erna.Zeugen mogen niet in een individueel hok worden opgesloten gedurende een periode die start vanaf 4 weken na dekken tot 7 dagen voor de verwachte worpdatum. Uitzonderlijk mogen individuen die bijzonder agressief zijn, of die aangevallen zijn door andere zeugen, of die ziek of gekwetst zijn, tijdelijk in individuele hokken worden gehouden. Deze individuele hokken moeten toelaten dat de dieren zich gemakkelijk kunnen omdraaien. Wanneer de zeugen in de periode 4 weken na het dekken tot 7 dagen voor de verwachte worpdatum verplaats worden naar een drachtige zeugenstal dan kan dit stalsysteem niet gebruikt worden als systeem voor individuele huisvesting voor de periode vanaf het dekken tot 4 weken na het dekken maar moet een overeenkomstig stalsysteem specifiek voor individuele huisvesting gekozen worden voor de dekstal (systeem V-3.1, systeem V-3.2 of systeem V-3.8). 3.3.5.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt : 1° 2,30 kg NH3 per dierplaats per jaar bij een emitterend mestoppervlak van 0,55 m2 en bij gebruik van rooster met verhoogde mestdoorlaat.2° 2,60 kg NH3 per dierplaats per jaar bij een emitterend mestoppervlak van 0,50 m2 en bij gebruik van betonroosters. 3.3.6. Systeem V-3.6. Rondloopstal met zeugenvoederstation en strobed 3.3.6.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak door sturing van het mestgedrag en door het veranderen van de mestsamenstelling, doordat de zeugen stro opnemen. Dit wordt bereikt door een specifieke stalindeling die erop gericht is om de dagelijkse activiteiten van de zeugen zo ongestoord mogelijk te laten verlopen en door het toepassen van "mest- en stromanagement". 3.3.6.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Hokuitvoering en roosters :
  109. a)de stal bestaat uit één ruimte die is onderverdeeld in een ligruimte, voorzien van een strobed en in een activiteitsruimte.De ligruimte is volledig bedekt met een laag stro en wordt door de zeugen gebruikt als rustplaats. Onder de activiteitsruimte wordt de ruimte verstaan waarin de zeugen eten, drinken en mesten. De activiteitsruimte bestaat uit de volgende functionele ruimtes : loopgang, wachtruimte, voerstation(
  110. s)en drinkruimte : per groep zeugen moet een duidelijke scheiding tussen ligruimte en activiteitsruimte aangebracht worden;
  111. b)het totaal beschikbaar hokoppervlak bedraagt maximaal 2,50 m2 per dierplaats.Ruimtes die niet direct beschikbaar zijn voor de zeugen, zoals bijvoorbeeld de separatieruimte, het berenhok, alsmede de ruimte tussen de voerstations, mogen hierbij niet worden meegerekend. 2° Ligruimte, inclusief strobed :
  112. a)de vloer is dicht en is volledig ingestrooid met stro zodat een strobed ontstaat;
  113. b)het beschikbaar ligoppervlak bedraagt minimaal 1,30 m2 en maximaal 1,50 m2 per dierplaats;
  114. c)in de ligruimte mogen zeer beperkt mestplekken aanwezig zijn;
  115. d)het strobed heeft een dikte van minimaal 0,15 en maximaal 0,40 m;
  116. e)de ligruimte mag verdeeld zijn in meerdere vakken of ligbedden;
  117. f)elk strobed heeft een oppervlak van minimaal 25 m2;
  118. g)per strobed is één doorgang naar de activiteitsruimte aanwezig;
  119. h)de doorgang naar de activiteitsruimte is minimaal 2,0 m en maximaal 4,0 m breed;
  120. i)elk strobed is, behoudens de doorgang naar de activiteitsruimte, volledig omgeven door een dichte hokafscheiding met een hoogte van minimaal 1,0 m, gemeten vanaf de vloer;
  121. j)de afstand vanaf de rand van de doorgang naar de activiteitsruimte tot aan het verst gelegen punt van de hokafscheiding, gemeten over het strobed, mag niet groter zijn dan 16 m.3° Activiteitsruimte, inclusief loopgang :
  122. a)mag worden voorzien van zowel een rooster als van een dichte vloer;
  123. b)de loopgang moet minimaal 2,0 m breed zijn, zodat de zeugen elkaar ongehinderd kunnen passeren;
  124. c)bij de centrale drinkwatervoorziening (kan bestaan uit meerdere drinkbakken of uit drinknippels) is een vrije ruimte van minimaal 3,0 m bij 3,0 m aanwezig;
  125. d)het emitterend mestoppervlak in de mestkelder in geval van roosters mag maximaal 1,10 m2 per dierplaats bedragen.In geval van dichte vloer is de maximale oppervlakte van de dichte vloer 1,10 m2 per dierplaats. 4° Mestafvoer :
  126. a)indien (een gedeelte van) de activiteitsruimte wordt voorzien van een rooster, dan moet zich hieronder een mestkelder bevinden, eventueel voorzien van een mestafvoersysteem;
  127. b)de mestkelder, eventueel in combinatie met een mestafvoersysteem, moet zodanig aangelegd zijn dat de mest snel en restloos uit de kelder kan worden afgevoerd. 3.3.6.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Minimaal tweemaal per week moet het strobed in de ligruimte aangevuld worden met vers stro.Minimaal één keer per jaar moet het gehele strobed in de ligruimte vervangen worden. 2° Elke dag moet de mest verwijderd worden die toch op het strobed of op de dichte vloer van de activiteitsruimte, inclusief de loopgang, terecht is gekomen. 3.3.6.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 2,60 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.3.7. Systeem V-3.7. Zeugen in voederligbox op strobed 3.3.7.1. De verlaagde ammoniakemissie wordt bekomen door het opvangen van de mest in het stro en het regelmatig aanvullen en vervangen van het stro. 3.3.7.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De zeugen zijn gehuisvest in compartimenten van 6 tot 12 zeugen. Ieder compartiment bestaat uit 2 delen zijnde de voederligbox en het ligbed op stro. 2° Voor de voederligbox geldt :
  128. a)iedere zeug beschikt over een voederligbox geplaatst in volle vloer;
  129. b)de voederligbox heeft een breedte tussen 0,50 m en 0,65 m;
  130. c)de minimale lengte van de volle vloer bedraagt 1,55 m.3° Voor het ligbed op stro geldt :
  131. a)het ligbed, gelegen achter de voederligboxen, heeft een minimale oppervlakte van 1,50 m2 per zeugplaats;
  132. b)de (volle) vloer van het ligbed is 0,30 à 0,40 m gelegen onder het niveau van de vloer van de voederligboxen. 3.3.7.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Bij de start van iedere ronde wordt het ligbed voldoende ingestrooid (0,30 m à 0,40 m stro).Er moet voldoende stro aanwezig zijn zodanig dat het niveauverschil tussen het strobed en de vloer van de ligboxen maximaal 0,10 m bedraagt. 2° Minimaal driemaal per week moet het strobed aangevuld worden met vers stro, zodanig dat er geen vuile en vochtige mestplekken ontstaan in het strobed.3° Het strobed in de ligruimte wordt om de 5 weken vervangen.4° Het stroverbruik wordt geschat op 2 kg per zeug per dag.5° Het strobed mag maximaal 0,50 m dik zijn. 3.3.7.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 1,00 kg NH3 per dierplaats per jaar (op basis van oriënterende metingen). 3.3.8. Systeem V-3.8. Gescheiden afvoer van mest en urine door middel van een conische mestband (alleen toepasbaar bij individuele huisvesting) 3.3.8.1. Dit systeem is alleen toegelaten voor het huisvesten van de zeugen in de periode van dekken tot 4 weken erna. 3.3.8.2. De ammoniakemissie wordt beperkt door de mest en urine op te vangen op een conische mestband die zich onder de roosters bevindt. Door de conische uitvoering van de mestband loopt de urine van de mestband af naar een onderliggende opslag terwijl de vaste mest blijft liggen op de mestband. De vaste mest wordt uit de stal verwijderd naar een gesloten opslag doordat de mestband 10 keer per etmaal wordt afgedraaid. 3.3.8.3. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal achter elke rij zeugenboxen moet voorzien zijn van een rooster met verhoogde mestdoorlaat.2° Op maximum 40 cm onder het roosteroppervlak bevindt zich een conische mestband waarop alle mest en urine terecht moet komen.De mestband is minstens 20 cm breder dan de breedte van de roosters waaronder ze geplaatst worden. Indien nodig kunnen meerdere overlappende mestbanden voorzien worden, opgesteld op verschillende hoogte (onderliggende afstand max. 40 cm). Deze mestbanden moeten elkaar minstens 20 cm overlappen. 3° De mestband(
  133. en)is (zijn) uitgevoerd in kunststof.4° De mestband wordt regelmatig afgedraaid waarbij de mest door middel van een roestvrij stalen- of kunststofschraper verwijderd wordt.Deze schraper moet nauw aansluiten bij de mestband. De schraper moet de vaste mest van de mestband zo verwijderen dat geen mestresten op de band achterblijven noch dat de mest over de band uitgesmeerd wordt. 5° Langs de zijkanten van de mestband worden roestvrij stalen- of kunststofgeleiders voorzien die zodanig geplaatst worden dat de vaste mest zowel wanneer de band in rust is als tijdens het schrapen niet van de band kan vallen.6° De conische vorm van de mestband moet een continue afvoer van de urine garanderen.7° Voor de ondersteuning van de band worden platen of rollen onder de band in het mestkanaal gemonteerd.8° De vaste mest wordt afgevoerd naar een gesloten mestopslag.Telkens de mestband afgedraaid wordt, moet de vaste mest aanwezig op de banden afgevoerd worden tot buiten de stal. Via een transportsysteem moet de vaste mest naar een gesloten opslag gelegen buiten de stal afgevoerd worden. Indien een deel van het transportsysteem zich buiten de stal bevindt moet dit overkapt en afgesloten zijn. De urine kan in een kelderruimte onder het mestkanaal opgeslagen worden of afgevoerd naar een gesloten mestopslag buiten de stal. Via het transportsysteem mag geen transport van lucht tussen afdelingen en tussen mestopslag en afdelingen plaatsvinden. 3.3.8.4. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De mestband moet 10 keer per dag worden afgedraaid.Het afraaien van de mestbanden is geregeld via een automatische aandrijving gekoppeld aan een interventieklok. Het afdraaien vindt eenmaal per twee uur plaats in de periode tussen 04.00 en 22.00 uur. In de periode tussen 22.00 en 4.00 uur is het afdraaien van de band niet nodig omdat in die periode weinig of geen mest wordt geproduceerd. 2° Een automatische tijdklok met terugleesmogelijkheid moet een overzicht kunnen geven van het aantal malen afdraaien van de mestband gedurende de afgelopen 7 dagen.Tevens moet de afdraaitijd geregistreerd worden. 3° Na afloop van elke ronde moet de mestband met water schoongespoten worden.4° De exploitant van de stal moet een onderhoudscontract hebben waarbij eenmaal per jaar controle en onderhoud van het systeem plaatsvindt. 3.3.8.5. De ammoniakemissiefactor werd niet bepaald via metingen. De verwachte ammoniakemissiefactor wordt geacht vergelijkbaar te zijn met andere systemen voor individuele huisvesting van zeugen gekenmerkt door een frequente mestafvoer (systeem V-3.2). Afdeling 4. - Ammoniakemissiearme stalsystemen voor vleesvarkens 3.4.1. Systeem V-4.1. Mestopvang in en spoelen met beluchte mestvloeistof - hokoppervlak van 0,65 tot en met 0,80 m2 3.4.1.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door de verse mest op te vangen in een vloeistoflaag van beluchte mest van circa 0,10 m. Het mengsel wordt minimaal 1 maal per drie dagen uit de stal verwijderd. Meteen daarna wordt opnieuw beluchte mest toegevoerd zodat continu een vloeistoflaag van circa 0,10 m aanwezig is. 3.4.1.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet geschikt zijn om de spoelvloeistof, zijnde de beluchte mest, vast te houden en tijdens het spoelen het mengsel van beluchte mest en verse mest goed af te voeren en te vervangen door schone spoelvloeistof.2° Behandeling van het mengsel verse mest/beluchte mest :
  134. a)voorbehandeling met behulp van poly-electroliet, waardoor de organische stof gebonden wordt, en een trommelzeef, waardoor zand en organische bestanddelen uit het mengsel verwijderd worden, zodat het beluchtingsproces efficiënter verloopt;
  135. b)beluchting, waarbij het actief slib ammoniak omzet, waardoor het ammoniakgehalte in het mengsel daalt;
  136. c)nabezinking, waarbij het actief slib bezinkt en waarna de bovenstaande laag beluchte mest naar het mestkanaal terug wordt gepompt. 3.4.1.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Er moet bij gesloten afvoer een laag van minimaal 0,10 m vloeistof aanwezig zijn in het mestkanaal.2° Minimaal éénmaal per drie dagen moet de mest in het mestkanaal verwijderd worden.Meteen daarna moet nieuwe beluchte mest toegevoerd worden. 3° Het goed functioneren van het systeem moet gecontroleerd worden door het ammoniakgehalte te bepalen van zowel de beluchte mest in de nabezinking als van het mengsel dat uit de stal terugkomt.Het ammoniakgehalte in de beluchte mest in de nabezinking moet lager zijn dan 100 mg N per liter. Het ammoniakgehalte in het mengsel dat uit de stal terugkomt, moet lager zijn dan 200 mg N per liter. Met sneltesten, zijnde strookjes of cuvetten, kunnen periodiek indicatieve metingen worden verricht. Eenmaal per kwartaal moet een erkend laboratorium het ammoniakgehalte chemisch analyseren. 4° Alle processtappen moeten geheel geautomatiseerd verlopen.5° Bij de voorbehandelingsunit en de beluchtingsinstallatie moeten een handleiding voor gebruik en een overzicht van de dimensioneringsgrondslagen, beide te leveren door de leverancier, aanwezig zijn.6° De exploitant van de stal moet een onderhoudscontract sluiten met de leverancier. 3.4.1.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 1,40 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.4.2. Systeem V-4.2. Mestopvang in beluchte mest en vervanging hiervan via een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem - hokoppervlak van 0,65 tot en met 0,80 m2 3.4.2.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door de verse mest op te vangen in een vloeistoflaag van beluchte mest van circa 0,10 m. Het mengsel wordt dagelijks door middel van een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem uit de stal verwijderd. Meteen daarna wordt opnieuw beluchte mest toegevoerd zodat continu een vloeistoflaag van circa 0,10 m aanwezig is. 3.4.2.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° In de bodem van het mestkanaal moeten, op een onderlinge afstand van maximaal 2,0 m, afvoerpunten naar de onder het mestkanaal gelegen riolering aanwezig zijn.De vloer moet glad afgewerkt zijn. 2° Behandeling van het mengsel verse mest/beluchte mest :
  137. a)voorscheiding, waardoor zand en zware organische bestanddelen uit het mengsel verwijderd worden;
  138. b)beluchting, waarbij het actief slib ammoniak omzet, waardoor het ammoniakgehalte in het mengsel daalt;
  139. c)nabezinking, waarbij het actief slib bezinkt en waarna de bovenstaande laag beluchte mest naar het mestkanaal terug wordt gepompt. 3.4.2.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Er moet bij gesloten afvoer een laag van minimaal 0,10 m vloeistof aanwezig zijn in het mestkanaal.2° Eénmaal per dag moet de mest in het mestkanaal via het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem verwijderd worden.Meteen daarna moet nieuwe beluchte mest toegevoerd worden. 3° Het goed functioneren van het systeem moet gecontroleerd worden door het ammoniakgehalte van de beluchte mest in de nabezinking te bepalen : Het ammoniakgehalte moet lager zijn dan 200 mg N per liter. Een ammoniakgehalte van meer dan 500 mg N per liter duidt op een onvoldoende functionerend beluchtingsproces. Met sneltesten, zijnde strookjes of cuvetten, kunnen periodiek indicatieve metingen worden verricht. Eenmaal per kwartaal moet een erkend laboratorium het ammoniakgehalte chemisch analyseren. 4° Bij de beluchtingsinstallatie moeten een handleiding voor gebruik en een overzicht van de dimensioneringsgrondslagen, beide te leveren door de leverancier, aanwezig zijn.5° De exploitant van de stal moet een onderhoudscontract sluiten met de leverancier. 3.4.2.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 1,40 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.4.3. Systeem V-4.3. Koeldeksysteem met 170 % koeloppervlak en met rooster met verhoogde mestdoorlaat 3.4.3.1. De ammoniakemissie uit de mest wordt beperkt door de laag mest bovenin het mestkanaal te koelen met behulp van drijvende koelelementen. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt. 3.4.3.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet voorzien zijn van roosters met verhoogde mestdoorlaat en het emitterend mestoppervlak per varkensplaats mag maximaal 0,50 m2 bedragen.2° De leefruimte bedraagt maximaal 0,80 m2 per varkensplaats.3° In de mestkanalen zijn koelelementen aangebracht, elk bestaande uit een aantal lamellen van 0,14 m breed en gemaakt van hoogwaardige kunststof.De lamellen zijn geplaatst onder een hoek van ongeveer 60° en opgehangen in een drijvend frame. Gevuld met water blijven de lamellen juist onder het mestoppervlak drijven. Het oppervlak van de koelelementen moet minimaal 170 % van het oppervlak van het mestkanaal bedragen. 4° De koelelementen zijn per mestkanaal in serie verbonden en tussen de mestkanalen volgens het Tichelmann-principe parallel aangesloten op de aan- en afvoerleiding van het water.Hierdoor stroomt door elk mestkanaal een gelijk waterdebiet. Een drukmeter zorgt ervoor dat als er ergens lekkage van water optreedt, de watertoevoer direct wordt gestopt. 5° Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt.Het door de koelelementen rondgepompte water wordt vervolgens weer teruggepompt in de grond. 3.4.3.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De temperatuur van het in de grond teruggepompte water mag maximaal 14 °C bedragen en maximaal 3 °C zijn opgewarmd.2° De mesttemperatuur bovenin het mestkanaal mag niet hoger zijn dan 15 °C.3° De temperatuur van zowel de mest bovenin het mestkanaal als van het opgepompte en teruggepompte water wordt gemeten en automatisch geregistreerd.Deze registratie moet voorzien in een terugkijkmogelijkheid van minstens 7 dagen. 4° De hoeveelheid opgepompt grondwater moet geregistreerd worden.5° De exploitant van de stal moet een onderhoudscontract hebben waarbij twee maal per jaar controle en onderhoud plaatsvindt. 3.4.3.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 1,10 kg NH3 per dierplaats per jaar bij een maximaal hokoppervlak van 0,80 m2. 3.4.4. Systeem V-4.4. Koeldeksysteem met 200 % koeloppervlak en met roosters met verhoogde mestdoorlaat, maximaal 0,80 m2 emitterend mestoppervlak 3.4.4.1. De ammoniakemissie uit de mest wordt beperkt door de laag mest bovenin het mestkanaal te koelen met behulp van drijvende koelelementen. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt. 3.4.4.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet voorzien zijn van roosters met een verhoogde mestdoorlaat en het emitterend mestoppervlak per varkensplaats mag maximaal 0,80 m2 bedragen.2° In de mestkanalen zijn koelelementen aangebracht, elk bestaande uit een aantal lamellen van 0,14 m breed en gemaakt van hoogwaardige kunststof.De lamellen zijn geplaatst onder een hoek van ongeveer 60° en opgehangen in een drijvend frame. Gevuld met water blijven de lamellen juist onder het mestoppervlak drijven. Het oppervlak van de koelelementen moet minimaal 200 % van het oppervlak van het mestkanaal bedragen. 3° De koelelementen zijn per mestkanaal in serie verbonden en tussen de mestkanalen volgens het Tichelmann-principe parallel aangesloten op de aan- en afvoerleiding van het water.Hierdoor stroomt door elk mestkanaal een gelijk waterdebiet. Een drukmeter zorgt ervoor dat als er ergens lekkage van water optreedt, de watertoevoer direct wordt gestopt. 4° Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt.Het door de koelelementen rondgepompte water wordt vervolgens weer teruggepompt in de grond. 3.4.4.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De temperatuur van het in de grond teruggepompte water mag maximaal 14 °C bedragen, en maximaal 3 °C zijn opgewarmd.2° De mesttemperatuur bovenin het mestkanaal mag niet hoger zijn dan 15 °C.3° De temperatuur van zowel de mest bovenin het mestkanaal als van het opgepompte en teruggepompte water wordt gemeten en automatisch geregistreerd.Deze registratie moet voorzien in een terugkijkmogelijkheid van minstens 7 dagen. 4° De hoeveelheid opgepompt grondwater moet geregistreerd worden.5° De exploitant van de stal moet een onderhoudscontract hebben waarbij twee maal per jaar controle en onderhoud plaatsvindt. 3.4.4.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 1,20 kg NH3 per dierplaats per jaar. 3.4.5. Systeem V-4.5. Koeldeksysteem 200 % koeloppervlak en met andere dan roosters met verhoogde mestdoorlaat 3.4.5.1. De ammoniakemissie uit de mest wordt beperkt door de laag mest bovenin het mestkanaal te koelen met behulp van drijvende koelelementen. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt. 3.4.5.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Het mestkanaal moet voorzien zijn van roosters andere dan roosters met verhoogde mestdoorlaat en het emitterend mestoppervlak per varkensplaats mag maximaal 0,60 m2 bedragen.2° In de mestkanalen zijn koelelementen aangebracht, elk bestaande uit een aantal lamellen van 0,14 m breed en gemaakt van hoogwaardige kunststof.De lamellen zijn geplaatst onder een hoek van ongeveer 60° en opgehangen in een drijvend frame. Gevuld met water blijven de lamellen juist onder het mestoppervlak drijven. Het oppervlak van de koelelementen moet minimaal 200 % van het oppervlak van het mestkanaal bedragen. 3° De koelelementen zijn per mestkanaal in serie verbonden en tussen de mestkanalen volgens het Tichelmann-principe parallel aangesloten op de aan- en afvoerleiding van het water.Hierdoor stroomt door elk mestkanaal een gelijk waterdebiet. Een drukmeter zorgt ervoor dat als er ergens lekkage van water optreedt, de watertoevoer direct wordt gestopt. 4° Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt.Het door de koelelementen rondgepompte water wordt vervolgens weer teruggepompt in de grond. 3.4.5.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De temperatuur van het in de grond teruggepompte water mag maximaal 14 °C bedragen, en maximaal 3 °C zijn opgewarmd.2° De mesttemperatuur bovenin het mestkanaal mag niet hoger zijn dan 15 °C.3° De temperatuur van zowel de mest bovenin het mestkanaal als van het opgepompte en teruggepompte water wordt gemeten en automatisch geregistreerd.Deze registratie moet voorzien in een terugkijkmogelijkheid van minstens 7 dagen. 4° De hoeveelheid opgepompt grondwater moet geregistreerd worden.5° De exploitant van de stal moet een onderhoudscontract hebben waarbij twee maal per jaar controle en onderhoud plaatsvindt. 3.4.5.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 1,40 kg NH3 per dierplaats per jaar bij een emitterend mestoppervlak van maximaal 0,6 m2. 3.4.6. Systeem V-4.6. Mestkelders met (water-) en mestkanaal, eventueel voorzien van schuine putwand(
  140. en)en met roosters met verhoogde mestdoorlaat 3.4.6.1. de ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het mestoppervlak per dierplaats. Aan de achterkant wordt de mest opgevangen in een breed mestkanaal, voorzien van een rooster met verhoogde mestdoorlaat en schuine putwand(en). 3.4.6.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Mestkanaal :
  141. a)de breedte van het mestkanaal moet minimaal 1,10 m zijn;
  142. b)het emitterend mestoppervlak moet kleiner zijn dan 0,27 m2 per dierplaats;
  143. c)het emitterend mestoppervlak van het mestkanaal moet worden beveiligd door een overloop;
  144. d)het mestkanaal moet voorzien zijn van een rooster met verhoogde mestdoorlaat;
  145. e)het roosteroppervlak boven het mestkanaal moet gelijk zijn aan of groter zijn dan het roosteroppervlak boven het waterkanaal;
  146. f)de wand tegen de bolle vloer moet uitgevoerd worden onder een helling die ligt in de range van 45° tot en met 90°;
  147. g)de schuine wand tegen de achtermuur is niet vereist, indien wel toegepast moet de wand een helling van minimaal 60° hebben;
  148. h)ook is het mogelijk om een goot toe te passen om het emitterend mestoppervlak te beperken.2° Hokuitvoering :
  149. a)er zijn twee soorten hokuitvoering mogelijk : i.het hok wordt uitgevoerd met gedeeltelijk rooster, waarbij het hok vooraan bestaat uit een dichte vloer. Achterin het hok bevindt zich het mestkanaal; ii. het hok wordt uitgevoerd met in het midden een bolle vloer. Aan de voorkant bevindt zich een kanaal voorzien van een rooster. Het is toegestaan om dit kanaal als een zogenaamd waterkanaal uit te voeren;
  150. b)indien het voorste kanaal als een zogenaamd waterkanaal wordt uitgevoerd, dan geldt : i.het roosteroppervlak boven het waterkanaal mag nooit groter zijn dan het roosteroppervlak boven het mestkanaal; ii. de breedte van het wateroppervlak mag niet meer bedragen dan 0,60 m. Om dit te realiseren kan het waterkanaal uitgevoerd worden met een schuine wand tegen de bolle vloer.Deze moet uitgevoerd worden onder een helling die ligt in de range van 45° tot en met 90°. Ook is het mogelijk om twee schuine wanden in het waterkanaal te gebruiken of een goot; iii. na elke mestronde moet het waterkanaal afgelaten worden waarna het hok gereinigd kan worden; iv. het waterniveau in het waterkanaal moet steeds minimaal 0,10 m zijn;
  151. c)voor beide types hokuitvoering geldt : i.het hok mag worden uitgerust met een brij- of droogvoerbak of met een (dwars)trog; ii. de hokafscheiding kan open of dicht worden uitgevoerd; iii. per dierplaats moet een dicht vloeroppervlak van minimaal 0.30 m2 aanwezig zijn of als de totale vloeroppervlakte per dier minder bedraagt dan 0.65 m2 dan moet de oppervlakte dichte vloer minstens 45 % van deze totale oppervlakte per dier bedragen. 3° Mestafvoer :
  152. a)voor de afvoer van de mest uit het mestkanaal moet een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem worden aangebracht, zodat de mest frequent en restloos uit de mestkanalen kan worden afgevoerd;
  153. b)de doorsnede van de afvoeropening moet minimaal 150 mm zijn, de afvoerbuisdiameter minimaal 200 mm;
  154. c)verder moet de afvoer van mest zodanig gewaarborgd zijn dat het emitterend mestoppervlak nooit groter wordt dan 0,27 m2 per dierplaats.Dit moet worden gerealiseerd middels een overloop met een minimale doorlaat van 75 mm waarvan de instroomopening zichtbaar in het mestkanaal is aangebracht. Voorts moet de overloop zijn voorzien van een stankafsluiter. De overloop mag niet worden aangesloten op de hoofdleiding van het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem;
  155. d)in het afvoersysteem van het waterkanaal moet een (centrale) afsluiter worden aangebracht;
  156. e)het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem heeft per mestkanaal een centrale afsluiter. 3.4.6.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Na elke ronde moeten de kanalen afgelaten worden, waarna het hok gereinigd kan worden.2° De schuine wand(
  157. en)in het mestkanaal moeten na elke ronde schoongespoten worden.3° Het waterniveau in het waterkanaal moet steeds minimaal 0,10 m bedragen. 3.4.6.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt : 1° 1,00 kg NH3 per dierplaats per jaar bij maximaal 0,18 m2 emitterend mestoppervlak van het mestkanaal per dierplaats.2° 1,40 kg NH3 per dierplaats per jaar bij meer dan 0,18 m2 maar minder dan 0,27 m2 emitterend mestoppervlak van het mestkanaal per dierplaats. 3.4.7. Systeem V-4.7. Mestkelders met (water-) en mestkanaal, de laatste met schuine putwand(
  158. en)en met andere dan roosters met verhoogde mestdoorlaat. 3.4.7.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het mestoppervlak per dierplaats. Aan de achterkant wordt de mest opgevangen in een breed mestkanaal, voorzien van een rooster en schuine putwand(en). 3.4.7.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Mestkanaal :
  159. a)de breedte van het mestkanaal moet minimaal 1,10 m zijn;
  160. b)het emitterend mestoppervlak mag maximaal 0,18 m2 bedragen;
  161. c)het emitterend mestoppervlak van het mestkanaal moet worden beveiligd door een overloop;
  162. d)het roosteroppervlak boven het mestkanaal moet gelijk zijn aan of groter zijn dan het roosteroppervlak boven het waterkanaal;
  163. e)de wand tegen de bolle vloer moet uitgevoerd worden onder een helling die ligt in de range van 45° tot en met 90°;
  164. f)de schuine wand tegen de achtermuur is niet vereist, indien wel toegepast moet de wand een helling van minimaal 60° hebben;
  165. g)ook is het mogelijk om een goot toe te passen.2° Hokuitvoering :
  166. a)er zijn twee soorten hokuitvoeringen mogelijk : i.het hok wordt uitgevoerd met gedeeltelijk rooster, waarbij het hok vooraan bestaat uit een dichte vloer. Achterin het hok bevindt zich het mestkanaal; ii. het hok wordt uitgevoerd met in het midden een bolle vloer. Aan de voorkant bevindt zich een kanaal voorzien van een rooster. Het is toegestaan om dit kanaal als een zogenaamd waterkanaal uit te voeren;
  167. b)indien het voorste kanaal als een zogenaamd waterkanaal wordt uitgevoerd, dan geldt : i.het roosteroppervlak boven het waterkanaal mag nooit groter zijn dan het roosteroppervlak boven het mestkanaal; ii. de breedte van het wateroppervlak mag niet meer bedragen dan 0,60 m. Om dit te realiseren kan het waterkanaal worden uitgevoerd met een schuine wand tegen de bolle vloer.Deze moet uitgevoerd worden onder een helling die ligt in de range van 45° tot en met 90°. Ook is het mogelijk om twee schuine wanden in het waterkanaal te gebruiken of een goot; iii. na elke mestronde moet het waterkanaal afgelaten worden waarna het hok gereinigd kan worden; iv. het waterniveau in het waterkanaal moet minimaal 0,10 m bedragen;
  168. c)voor beide type hokuitvoering geldt : i.het hok mag worden uitgerust met een brij- of droogvoederbak of met een (dwars)trog; ii. de hokafscheiding kan open of dicht worden uitgevoerd; iii. per dierplaats moet een dicht vloeroppervlak van minimaal 0.30 m2 aanwezig zijn of als de totale vloeroppervlakte per dier minder bedraagt dan 0.65 m2 dan moet de oppervlakte dichte vloer minstens 45 % van deze totale oppervlakte per dier bedragen; 3° Mestafvoer :
  169. a)voor de afvoer van de mest uit het mestkanaal moet een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem worden aangebracht, zodat de mest frequent en restloos uit de mestkanalen kan worden afgevoerd;
  170. b)de doorsnede van de afvoeropening moet minimaal 150 mm zijn, de afvoerbuisdiameter minimaal 200 mm;
  171. c)verder moet de afvoer van mest zodanig gewaarborgd zijn dat het emitterend mestoppervlak nooit groter wordt dan 0,18 m2 per dierplaats.Dit moet worden gerealiseerd middels een overloop met een minimale doorlaat van 75 mm waarvan de instroomopening zichtbaar in het mestkanaal is aangebracht Voorts moet de overloop zijn voorzien van een stankafsluiter. De overloop mag niet worden aangesloten op de hoofdleiding van het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem;
  172. d)in het afvoersysteem van het waterkanaal moet een (centrale) afsluiter worden aangebracht;
  173. e)het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem heeft per mestkanaal een centrale afsluiter. 3.4.7.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Na elke ronde moeten de kanalen afgelaten worden, waarna het hok gereinigd kan worden.2° De schuine wand(
  174. en)in het mestkanaal moeten na elke ronde schoongespoten worden.3° Het waterniveau in het waterkanaal moet minimaal 0,10 m bedragen. 3.4.7.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 1,20 kg NH3 per dierplaats per jaar bij een emitterend mestoppervlak van maximaal 0,18 m2. HOOFDSTUK 4. - P-lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen voor pluimvee Afdeling 1. - Ammoniakemissiearme kooi- of batterijsystemen voor opfokpoeljen van legkippen 4.1.1. Systeem P-1.1. Mestbandbatterij voor natte mest met afvoer naar een gesloten mestopslag 4.1.1.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door tweemaal per week de mest, die op de mestbanden ligt, uit de stal te verwijderen. 4.1.1.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Onder de batterijkooien waarin zich de dieren bevinden, zijn mestbanden geplaatst.Op deze mestbanden wordt de door de dieren geproduceerde mest opgevangen. 2° De mest wordt met behulp van de mestbanden uit de stal verwijderd en vervolgens opgeslagen in een afgesloten mestopslag. 4.1.1.3. Voor het gebruik van dit systeem geldt de volgende eis : De mest moet minimaal twee maal per week met behulp van de mestbanden uit de stal verwijderd worden. 4.1.1.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,020 kg NH3 per dierplaats per jaar. 4.1.2. Systeem P-1.2. Compactbatterij met tweemaal per dag afvoer naar een gesloten mestopslag 4.1.2.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door tweemaal per dag de geproduceerde mest uit de stal te verwijderen. 4.1.2.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Op de batterijen waarin de dieren zich bevinden (uitgezonderd de bovenste batterij), liggen platen.De mest wordt twee maal per dag, tijdens het vullen van de voergoot, van deze platen geschoven met behulp van schuiven die aan de voerhopper zijn bevestigd. Deze platen moeten van een glad en niet mestaanhechtend materiaal vervaardigd zijn. De mest valt tussen de batterijen door op een mestband onder de onderste batterij. De mest valt van de onderste batterij direct op deze mestband. 2° De mest wordt met behulp van de mestbanden uit de stal verwijderd en vervolgens opgeslagen in een afgesloten mestopslag. 4.1.2.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De mest moet tweemaal per dag met behulp van mestbanden uit de stal verwijderd worden.2° Een pulsteller op de mestbanden onder de batterijen moet een overzicht kunnen geven van de afdraaifrequentie van de mestbanden gedurende de afgelopen zeven dagen. 4.1.2.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,011 kg NH3 per dierplaats per jaar. 4.1.3. Systeem P-1.3. Mestbandbatterij voor droge mest met geforceerde mestdroging 4.1.3.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door over de mest, die op mestbanden ligt, lucht te blazen. De mest wordt hierdoor droger en geeft minder ammoniakemissie. 4.1.3.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Onder de batterijkooien waarin zich de dieren bevinden, zijn mestbanden geplaatst.Deze zijn vervaardigd uit polypropyleen of een trevira doek. Op deze mestbanden wordt de door de dieren geproduceerde mest opgevangen. 2° Tussen of onder de batterijkooien zijn kokers geplaatst waarmee lucht van minimaal 15 °C over de mest op de mestbanden geblazen wordt. Een alternatief vormt het drogen van de mest met behulp van een waaiersysteem. Hiermee wordt met behulp van een waaier in een koker stallucht over de mest op de mestbanden geblazen. 4.1.3.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De hoeveelheid lucht die door de kokers over de mestbanden geblazen wordt, moet minimaal 0,2 m3 per dier per uur bedragen.2° De mest op de mestband moet in een week gedroogd zijn tot minimaal 45 % droge stof en wekelijks uit de stal afgevoerd worden. 4.1.3.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,020 kg NH3 per dierplaats per jaar. 4.1.4. Systeem P-1.4. Mestbandbatterij met geforceerde mestdroging belucht met 0,4 m3 lucht per dier per uur, mest afdraaien per vijf dagen, de mest heeft dan een droge stofgehalte van minimaal 55 % 4.1.4.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door over de mest, die op mestbanden ligt, continu voorverwarmde lucht van minimaal 17 °C te blazen. De mest wordt éénmaal per 5 dagen uit de stal afgevoerd en bevat dan minimaal 55 % droge stof. Dit stalsysteem is een verdere ontwikkeling van systeem P-1.3. en wordt gekenmerkt door een lagere ammoniakemissie. Het aantal etages kan variëren per mestbandbatterij. 4.1.4.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Onder de batterijkooien waarin zich de dieren bevinden, zijn mestbanden geplaatst.Op deze mestbanden wordt de door de dieren geproduceerde mest opgevangen. 2° Tussen of onder de batterijkooien zijn kokers geplaatst waarmee continu lucht van minimaal 17 °C over de mest op de mestbanden wordt geblazen.De mest wordt gedroogd met voorverwarmde lucht uit b.v. een warmtewisselaar of uit een luchtmengkast al dan niet voorzien van een verwarmingseenheid. 3° De luchttoevoer naar de mestbanden en de temperatuur van deze lucht moeten volautomatisch geregistreerd en gestuurd worden.Per stal moet in het hoofdtoevoerluchtkanaal een luchtsnelheidsmeter geplaatst worden en de temperatuur van de lucht moet afleesbaar zijn, juist voordat deze lucht de koker boven de mestband ingaat. Verder moet een bedrijfsurenteller geplaatst worden die het aantal draaiuren van de ventilator in de luchtmengkast weergeeft. Ook moet geregistreerd worden op welke datum de verschillende koppels de hokken ingaan en uitgaan. Op deze wijze is controle op de vereiste minimale hoeveelheden lucht per dier per uur mogelijk. 4.1.4.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De hoeveelheid lucht die door de kokers over de mestbanden wordt geblazen, moet minimaal 0,4 m3 per dier per uur bedragen en een temperatuur van minimaal 17 °C hebben.2° De mest op de mestband moet in 5 dagen gedroogd zijn tot minimaal 55 % droge stof en éénmaal per vijf dagen uit de stal afgevoerd worden.Indien het niet halen van de 55 % droge stof te wijten is aan een aantoonbare ziektetoestand van de dieren, kan er afgeweken worden van deze eis. 3° De afdraaifrequentie van de mestbanden moet geregistreerd worden.4° Bovenstaande eisen aan het gebruik gelden niet voor de eerste 5 weken van de opfokfase van de dieren omdat de mestproductie dan te gering is. 4.1.4.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,006 kg NH3 per dierplaats per jaar. 4.1.5. Systeem P-1.5. Mestbandbatterij met geforceerde mestdroging in combinatie met een droogtunnel en/of droogvloer 4.1.5.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door de verse mest op de mestbanden, die zich onder elke etage bevinden, te drogen met stallucht en deze mest naar de bovenliggende droogtunnels en/of de droogvloer te transporteren, alwaar verdere droging plaatsvindt. De mest in de droogtunnels en/of droogvloer wordt gedroogd met stallucht. 4.1.5.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Staluitvoering :
  175. a)onder iedere etage loopt een mestband, waarop alle mest van de dieren wordt opgevangen;
  176. b)de mest die op de mestbanden onder de kooien valt, wordt gedroogd met stallucht.2° Droogtunnels :
  177. a)boven iedere kooi is een droogtunnel geplaatst, geïntegreerd in de stal of achter of naast de stal;
  178. b)de mest van de etages wordt per kooi naar de droogtunnel boven de kooien getransporteerd.Dit gebeurt aan het achtereinde van iedere kooi;
  179. c)de droogtunnels van de seperate kooien staan via een pijp met elkaar in verbinding.3° Ventilatie :
  180. a)de ventilatie moet van 1,0 tot 3,2 m3 per dier per uur via de droogtunnel lopen;
  181. b)de mest moet bij het verlaten van de droogtunnels 50 tot 60 % droge stof bevatten.4° Registratie :
  182. a)er moet een bedrijfscomputer aanwezig zijn, waarin de volgende gegevens worden vastgelegd, die door de veehouder niet kunnen worden veranderd : i.de verblijftijd van de mest op de mestbanden in de stal en de verblijftijd van de mest in de droogtunnel; ii. de ventilatiecapaciteit van de droogtunnel : deze is ingesteld op minimaal 1 m3 per dier per uur;
  183. b)er moet een verplaatsingsmeter op de mestbanden worden geïnstalleerd, waarmee de draaisnelheid van de mestbanden wordt aangegeven. 4.1.5.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De mest op de mestbanden onder de etages wordt in maximaal 6 uur naar de droogtunnels getransporteerd.2° De mest in de droogtunnel wordt in maximaal 18 uur gedroogd met stallucht.3° Bij het verlaten van de droogtunnels heeft de mest een droge stofgehalte van minimaal 50 %.4° De exploitant van de stal moet per stal eens per kwartaal een mestmonster laten analyseren door een erkend laboratorium op droge stofgehalte van de mest die uit de stal wordt verwijderd. 4.1.5.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,010 kg NH3 per dierplaats per jaar. Afdeling 2. - Ammoniakemissiearme niet-kooisystemen voor opfokpoeljen van legkippen 4.2.1. Systeem P-2.1. Volièreopfokhuisvesting, minimaal 50 % van de leefruimte is rooster, met daaronder een mestband, mestbanden minimaal eenmaal per week afdraaien, roosters minimaal in twee etages 4.2.1.1. De dieren worden gehouden in een stal met geheel of gedeeltelijke strooiselvloeren en etages met roosters. De mest van de roosters valt op de daaronder gelegen mestband en wordt al of niet gedroogd met lucht. 4.2.1.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Hokuitvoering en roosters :
  184. a)per m2 bruikbare leefoppervlakte worden in de dierruimte maximaal 16 dieren opgezet;
  185. b)minimaal 50 % van de bruikbare leefoppervlakte bestaat uit roosters met daaronder een mestband.De roosters minimaal in twee etages. Van het bruikbare leefoppervlak is minimaal 1/3 deel grondoppervlak bedekt met strooisel. 2° De voer- en drinkwatervoorzieningen zijn boven een rooster aangebracht.3° De afvoer van de op de roosters geproduceerde mest vindt plaats via de mestbanden. 4.2.1.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De mest op de mestbanden moet minimaal een keer per week uit de stal worden verwijderd.2° Deze mest wordt of direct van het bedrijf afgevoerd, of maximaal twee weken opgeslagen in een afgedekte container.3° Bij toepassing van een mestnadroogsysteem moet de mest minimaal twee keer per week uit de stal verwijderd worden. 4.2.1.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,050 kg NH3 per dierplaats per jaar en is vastgesteld middels een verhoudingsgetal ten opzichte van hetzelfde huisvestingssysteem voor leghennen. Afdeling 3. - Ammoniakemissiearme kooi- of batterijsystemen voor legkippen incl. (groot)ouderdieren van legrassen 4.3.1. Systeem P-3.1. Kooi (indien voor legkippen : verrijkte kooi) voor natte mest met afvoer naar een gesloten mestopslag 4.3.1.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door twee maal per week de mest, die op de mestbanden ligt, uit de stal te verwijderen. 4.3.1.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Onder de kooien waarin de dieren zich bevinden, zijn mestbanden geplaatst.Deze zijn vervaardigd uit polypropyleen of een trevira doek. Op deze mestbanden wordt de door de dieren geproduceerde mest opgevangen. 2° De mest wordt met behulp van de mestbanden uit de stal verwijderd en vervolgens opgeslagen in een afgesloten mestopslag. 4.3.1.3. Voor het gebruik van dit systeem geldt de volgende eis : De mest moet minimaal twee maal per week met behulp van de mestbanden uit de stal verwijderd worden. 4.3.1.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,035 kg NH3 per dierplaats per jaar. 4.3.2. Systeem P-3.2. Kooi (indien voor legkippen : verrijkte kooi) met tweemaal per dag afvoer naar een gesloten mestopslag 4.3.2.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door twee maal per dag de geproduceerde mest uit de stal te verwijderen. 4.3.2.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Op de kooien waarin de dieren zich bevinden (uitgezonderd de bovenste kooien), liggen platen.De mest wordt twee maal per dag, tijdens het vullen van de voergoot, van deze platen geschoven met behulp van schuiven die aan de voerhopper zijn bevestigd. Deze platen moeten van een glad en niet mestaanhechtend materiaal vervaardigd zijn. De mest valt tussen de kooien door op een mestband onder de onderste etage. De mest valt van de onderste etage direct op deze mestband. 2° De mest wordt met behulp van de mestbanden uit de stal verwijderd en vervolgens opgeslagen in een afgesloten mestopslag. 4.3.2.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De mest moet twee maal per dag met behulp van de mestbanden uit de stal verwijderd worden.2° Een pulsteller op de mestbanden onder de kooien moet een overzicht kunnen geven van de afdraaifrequentie van de mestbanden gedurende de afgelopen zeven dagen. 4.3.2.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,020 kg NH3 per dierplaats per jaar. 4.3.3. Systeem P-3.3. Kooi (indien voor legkippen verrijkte kooi) voor droge mest met geforceerde mestdroging 4.3.3.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door over de mest, die op mestbanden ligt, lucht te blazen. De mest wordt hierdoor droger en geeft minder ammoniakemissie. 4.3.3.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Onder de kooien waarin de dieren zich bevinden, zijn mestbanden geplaatst.Deze zijn vervaardigd uit polypropyleen of een trevira doek. Op deze mestbanden wordt de door de dieren geproduceerde mest opgevangen. 2° Tussen of onder de kooien zijn kokers geplaatst waarmee lucht van minimaal 15 °C over de mest op de mestbanden geblazen wordt.Een alternatief vormt het drogen van de mest met behulp van een waaiersysteem. Hiermee wordt met behulp van een waaier in een koker stallucht over de mest op de mestbanden geblazen. 4.3.3.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De hoeveelheid lucht die door de kokers over de mestbanden geblazen wordt, moet minimaal 0,4 m3 per dier per uur bedragen.2° De mest op de mestband moet in een week gedroogd zijn tot minimaal 45 % droge stof en wekelijks uit de stal afgevoerd worden. 4.3.3.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,035 kg NH3 per dierplaats per jaar. 4.3.4. Systeem P-3.4. Kooi (indien voor legkippen : verrijkte kooi) met geforceerde mestdroging belucht met 0,7 m3 lucht per dier per uur, mest afdraaien per vijf dagen, de mest heeft dan een droge stofgehalte van minimaal 55 %. 4.3.4.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door over de mest, die op mestbanden ligt, continu voorverwarmde lucht van minimaal 17 °C te blazen. De mest wordt éénmaal per 5 dagen uit de stal afgevoerd en bevat dan minimaal 55 % droge stof. Dit stalsysteem is een verdere ontwikkeling van Systeem P-3.3 en wordt gekenmerkt door een lagere ammoniakemissie. Het aantal etages kan variëren. 4.3.4.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Onder de kooien waarin de dieren zich bevinden, zijn mestbanden geplaatst.Op deze mestbanden wordt de door de dieren geproduceerde mest opgevangen. 2° Tussen of onder de kooien zijn kokers geplaatst waarmee continu lucht van minimaal 17 °C over de mest op de mestbanden wordt geblazen. De mest wordt gedroogd met voorverwarmde lucht uit b.v. een warmtewisselaar of uit een luchtmengkast al dan niet voorzien van een verwarmingseenheid. 3° De luchttoevoer naar de mestbanden en de temperatuur van deze lucht moeten volautomatisch geregistreerd en gestuurd worden.Per stal moet in het hoofdtoevoerluchtkanaal een luchtsnelheidsmeter geplaatst worden en de temperatuur van de lucht moet afleesbaar zijn, juist voordat deze lucht de koker boven de mestband ingaat. Verder moet een bedrijfsurenteller geplaatst worden die het aantal draaiuren van de ventilator in de luchtmengkast weergeeft. Ook moet geregistreerd worden op welke datum de verschillende koppels de hokken ingaan en uitgaan. Op deze wijze is controle op de vereiste minimale hoeveelheden lucht per dier per uur mogelijk. 4.3.4.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De hoeveelheid lucht die door de kokers over de mestbanden wordt geblazen, moet minimaal 0,7 m3 per dier per uur bedragen en een temperatuur van minimaal 17 °C hebben.2° De mest op de mestband moet in 5 dagen gedroogd zijn tot minimaal 55 % droge stof en éénmaal per vijf dagen uit de stal afgevoerd worden.Indien het niet halen van de 55 % droge stof te wijten is aan een aantoonbare ziektetoestand van de dieren, kan er afgeweken worden van deze eis. 3° De afdraaifrequentie van de mestbanden moet geregistreerd worden. 4.3.4.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,010 kg NH3 per dierplaats per jaar. 4.3.5. Systeem P-3.5. Kooisysteem (indien voor legkippen : verrijkte kooi) met geforceerde mestdroging in combinatie met een droogtunnel en/of droogvloer 4.3.5.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door de verse mest op de mestbanden, die zich onder elke etage bevinden, te drogen met stallucht en deze mest naar de bovenliggende droogtunnels te transporteren, alwaar verdere droging plaatsvindt. De mest in de droogtunnels wordt gedroogd met stallucht. 4.3.5.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1. Staluitvoering :
  186. a)onder iedere etage loopt een mestband, waarop alle mest van de dieren wordt opgevangen;
  187. b)de mest die op de mestbanden onder de kooien valt, wordt gedroogd met stallucht.2° Droogtunnels :
  188. a)boven iedere kooi is een droogtunnel geplaatst, geïntegreerd in de stal of achter of naast de stal;
  189. b)de mest van de etages wordt per kooi naar de droogtunnel boven de kooien getransporteerd.Dit gebeurt aan het achtereinde van iedere kooi;
  190. c)de droogtunnels van de seperate kooien staan via een pijp met elkaar in verbinding.3° Ventilatie :
  191. a)de ventilatie moet van 1,0 tot 3,2 m3 per dier per uur via de droogtunnel lopen;
  192. b)de mest moet bij het verlaten van de droogtunnels 50 tot 60 % droge stof bevatten.4° Registratie :
  193. a)er moet een bedrijfscomputer aanwezig zijn, waarin de volgende gegevens worden vastgelegd, die door de veehouder niet kunnen worden veranderd : i.de verblijftijd van de mest op de mestbanden in de stal en de verblijftijd van de mest in de droogtunnel; ii. de ventilatiecapaciteit van de droogtunnel : deze is ingesteld op minimaal 1 m3 per dier per uur;
  194. b)er moet een verplaatsingsmeter op de mestbanden worden geïnstalleerd, waarmee de draaisnelheid van de mestbanden wordt aangegeven. 4.3.5.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De mest op de mestbanden onder de etages wordt in maximaal 6 uur naar de droogtunnels getransporteerd.2° De mest in de droogtunnel wordt in maximaal 18 uur gedroogd met stallucht.3° Bij het verlaten van de droogtunnels heeft de mest een droge stofgehalte van minimaal 50 %.4° De exploitant van de stal moet per stal eens per kwartaal een mestmonster laten analyseren door een erkend laboratorium op droge stofgehalte van de mest die uit de stal wordt verwijderd. 4.3.5.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,015 kg NH3 per dierplaats per jaar. Afdeling 4. - Ammoniakemissiearme niet-kooisystemen voor legkippen incl. (groot)ouderdieren van legrassen 4.4.1. Systeem P-4.1. Grondhuisvesting met beluchting onder gedeeltelijk verhoogde roosters (perfosysteem) 4.4.1.1. Onder het roostergedeelte ligt minimaal 10 cm boven de putbodem een geperforeerde schijnvloer. De ammoniakemissie wordt beperkt door vanonder de schijnvloer continu lucht door de perforaties te blazen, waardoor de mest die bovenop het rooster wordt gedeponeerd en op de schijnvloer valt, wordt gedroogd. 4.4.1.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De stal heeft een traditionele bovenbouw.2° Het strooiseloppervlak verhoudt zich tot het roosteroppervlak als 30 % staat tot 70 % van het bruto-oppervlak, waarbij de legnesten tot het roosteroppervlak worden gerekend.3° Onder het roostergedeelte moet een put aanwezig zijn om de mest gedurende een gehele productieperiode op de daarin aanwezige geperforeerde vloer op te kunnen vangen en te drogen.De totale ruimte tussen de perfovloer en het rooster moet minimaal 0,8 m zijn. 4° De geperforeerde schijnvloer :
  195. a)de geperforeerde schijnvloer en de ondersteunende constructie kunnen uitgevoerd worden met verschillende soorten materialen (kunststof, hout, metaal of combinaties daarvan), waarbij de constructie belastbaar moet zijn tot 400 kg/m2 (gewicht droge mest + veiligheidsmarge);
  196. b)de beluchtingsruimte tussen de putbodem en de geperforeerde schijnvloer moet minimaal 0,10 m bedragen;
  197. c)de schijnvloer moet gelijkmatig zijn geperforeerd met een totaal luchtdoorlatend vloeroppervlak van minimaal 20 %.De vorm van de perforaties is niet relevant. De doorsnede van de openingen mag aan de kortste zijde niet meer dan 5 mm bedragen;
  198. d)de geperforeerde vloer moet in segmenten worden opgebouwd, waarbij de grootte van de segmenten afhankelijk is van de methode van ontmesten;
  199. e)voor aanvang van de ronde moet de bovenzijde van de geperforeerde vloer worden ingestrooid met een laagje strooisel van minimaal 40 mm;
  200. f)eventueel is boven de laatste meter van de putbodem ter hoogte van de buitenmuur geen geperforeerde vloer aanwezig (dit i.v.m. uitmesting). 5° Beluchting van de geperforeerde vloer :
  201. a)voor de beluchting van de geperforeerde schijnvloer wordt stallucht gebruikt;
  202. b)er moeten minimaal twee beluchtingsventilatoren worden geïnstalleerd.In totaal moet een beluchtingscapaciteit met een debiet van minimaal 7 m3 per dier per uur bij 90 Pascal worden geïnstalleerd;
  203. c)de gekozen ventilatoren moeten hoge drukweerstanden kunnen overwinnen, minimaal 90 Pascal en moeten worden aangestuurd middels een frequentieregelaar;
  204. d)voor de positionering van de beluchtingsventilatoren zijn er verschillende uitvoeringsmogelijkheden : i.plaatsing aan beide uiteinden op de roosters; ii. plaatsing verspreid over de roosters aan beide zijden van de legnesten of juist in lijn met de legnesten, waarbij bij de laatste variant gekozen kan worden voor een centraal luchtkanaal onder de legnesten van waaruit de lucht onder de geperforeerde schijnvloer wordt geblazen. 6° De drinkvoorzieningen (ronddrinkers of drinknippels) moeten boven de roosters gepositioneerd zijn.7° Ter controle op het goed functioneren van het stalsysteem moet :
  205. a)de vereiste minimale beluchtingscapaciteit/-debiet afleesbaar zijn op de frequentieregelaar of klimaatcomputer waarmee de beluchting wordt gestuurd;
  206. b)het cumulatief aantal bedrijfsuren vanaf de start van de ronde van de beluchting op ieder moment afleesbaar zijn op de frequentieregelaar of klimaatcomputer waarmee de beluchting wordt gestuurd;
  207. c)het cumulatieve energieverbruik of opgenomen vermogen van de beluchtingsventilatoren vanaf de start van de ronde op elk moment afleesbaar zijn. 4.4.1.3. Voor het gebruik van dit systeem geldt de volgende eis : het drogestofgehalte van de mest moet minimaal 75 % bedragen. 4.4.1.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,110 kg NH3 per dierplaats per jaar. 4.4.2. Systeem P-4.2. Grondhuisvesting met mestbeluchting via buizen onder de roosters 4.4.2.1. Stal voorzien van betonvloer met daarop strooiselmateriaal waarin de dieren los worden gehouden. Een gedeelte van de vloer is verhoogd en voorzien van roosters (hout, kunststof of draadgaas) met daaronder een mestopslag. De ammoniakemissie wordt verminderd door het beluchten van de mest onder de roosters met lucht uit een warmtewisselaar of luchtmengkast. 4.4.2.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Hokuitvoering en roosters :
  208. a)bij legkippen worden maximaal 9 dieren per m2 opgezet in de dierruimte, bij (groot)ouderdieren worden maximaal 10 dieren per m2 opgezet in de dierruimte, inclusief de hanen;
  209. b)de totale bruikbare dieroppervlakte bestaat tot maximaal 2/3 deel uit roosters en minimaal 1/3 deel uit strooiselvloer;
  210. c)boven de roosters (beun) zijn zitstokken aanwezig.2° De voorzieningen voor voer en drinkwater zijn geplaatst boven de roosters.3° Beluchting :
  211. a)onder de roosters zijn buizen aangebracht waardoor lucht wordt aangevoerd;
  212. b)de buizen zijn evenwijdig aan de legnesten opgehangen en verticaal beweegbaar met het niveau van de mest mee zodat de verticale afstand van de buizen tot de mest circa 200 mm bedraagt;
  213. c)per dier wordt 0,9 m3 lucht per uur over de mest geblazen, met een minimale temperatuur van 17 °C.4° Registratie :
  214. a)de temperatuur van de lucht in de beluchtingsbuizen moet geregistreerd worden en vastgelegd.Vastgelegde waarden van minimaal een week geleden moeten opvraagbaar zijn. De temperatuur wordt gemeten in het hoofdtoevoerkanaal;
  215. b)voor controle op aanstaan van de beluchting moet hiervoor geschikte apparatuur (urenteller, kWhmeter, toerenteller of meetventilator) aanwezig zijn, waarmee het in bedrijf zijn van de beluchting afdoende kan worden aangetoond. 4.4.2.3. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,125 kg NH3 per dierplaats per jaar. 4.4.3. Systeem P-4.3.Volièrehuisvesting, minimaal 50 % van de leefruimte is rooster met daaronder een mestband, mestbanden minimaal eenmaal per week afdraaien, roosters minimaal in twee etages 4.4.3.1. De dieren worden gehouden in een stal met geheel of gedeeltelijke strooiselvloeren en etages met roosters. De mest van de roosters valt op de daaronder gelegen mestband en wordt al of niet gedroogd met lucht. 4.4.3.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Hokuitvoering en roosters :
  216. a)bij legkippen worden maximaal 9 dier per m2 bruikbaar leefoppervlak opgezet, bij (groot)ouderdieren worden maximaal 10 dieren per m2 bruikbaar leefoppervlak opgezet, inclusief de hanen;
  217. b)minimaal 50 % van de bruikbare (leef)oppervlakte bestaat uit roosters met daaronder een mestband.De roosters minimaal in twee etages. Van het bruikbare leefoppervlak is minimaal 1/3 deel grondoppervlak, bedekt met strooisel. 2° De voer- en drinkwatervoorzieningen zijn boven een rooster aangebracht.3° De afvoer van de op de roosters geproduceerde mest vindt plaats via de mestbanden. 4.4.3.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De mest op de mestbanden moet minimaal een keer per week uit de stal worden verwijderd.2° Deze mest wordt of direct van het bedrijf afgevoerd, of maximaal twee weken opgeslagen in een afgedekte container.3° Bij toepassing van een mestnadroogsysteem de mest minimaal twee keer per week uit de stal verwijderen. 4.4.3.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,09 kg NH3 per dierplaats per jaar. Afdeling 5. - Ammoniakemissiearme stalsystemen voor slachtkuikenouderdieren 4.5.1. Systeem P-5.1. Groepskooi voorzien van mestband en geforceerde mestdroging 4.5.1.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door de mest op de mestbanden te drogen met voorverwarmde lucht en de mest op de mestbanden éénmaal per week af te voeren uit de stal. 4.5.1.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De slachtkuikenouderdieren worden gehuisvest in kooien met een volledige rooster. 2° De mest die op de mestbanden onder de kooien valt, wordt gedroogd met voorverwarmde lucht uit b.v. een luchtmengkast al dan niet voorzien van een verwarmingseenheid. 3° De dimensionering hiervan moet zodanig zijn dat de mest bij afdraaien van de mestbanden minimaal 50 % droge stof bevat. 4.5.1.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De mest op de mestbanden moet éénmaal per week uit de stal verwijderd worden en deze mest moet minimaal 50 % droge stof hebben.2° De exploitant van de stal moet per stal eens per kwartaal een mestmonster laten analyseren op droge stofgehalte van de mest die uit de stal wordt verwijderd. 4.5.1.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,080 kg NH3 per dierplaats per jaar. 4.5.2. Systeem P-5.2. Volièrehuisvesting met mestbeluchting 4.5.2.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door de mest op de mestbanden te drogen met voorverwarmde lucht en de mest op de mestbanden minimaal eenmaal per week af te voeren uit de stal. 4.5.2.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De slachtkuikenouderdieren worden gehuisvest op etages met roosters en een strooiselvloer.2° De mest op de roosters valt op de daaronder gelegen mestband en wordt gedroogd met lucht uit bijvoorbeeld een luchtmengkast of een een verwarmingseenheid.3° De dimensionering en bedrijfsvoering hiervan moet zodanig zijn dat de mest bij afdraaien van de mestbanden na één week minimaal 50 % droge stof bevat. 4.5.2.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De mest op de mestbanden moet éénmaal per week uit de stal verwijderd worden en deze mest moet minimaal 50 % droge stof hebben.2° De exploitant van de stal moet per stal eens per kwartaal een mestmonster laten analyseren op droge stofgehalte van de mest die uit de stal wordt verwijderd. 4.5.2.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,17 kg NH3 per dierplaats per jaar. 4.5.3. Systeem P-5.3. Volièrehuisvesting met geforceerde mest- en strooiseldroging 4.5.3.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door de mest op de mestbanden en op de strooiselvloer te drogen met voorverwarmde lucht en de mest op de mestbanden minimaal eenmaal per week af te voeren uit de stal. 4.5.3.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De slachtkuikenouderdieren worden gehuisvest op etages met roosters en een strooiselvloer.2° De mest op de roosters valt op de daaronder gelegen mestband en wordt evenals de mest op de strooiselvloer, gedroogd met lucht uit bijvoorbeeld een luchtmengkast of een verwarmingseenheid.3° De dimensionering en bedrijfsvoering hiervan moet zodanig zijn dat de mest bij afdraaien van de mestbanden na één week minimaal 50 % droge stof bevat. 4.5.3.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De mest op de mestbanden moet éénmaal per week uit de stal verwijderd worden en deze mest moet minimaal 50 % droge stof hebben.2° De exploitant van de stal moet per stal eens per kwartaal een mestmonster laten analyseren op droge stofgehalte van de mest die uit de stal wordt verwijderd. 4.5.3.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,13 kg NH3 per dierplaats per jaar 4.5.4. Systeem P-5.4. Grondhuisvesting met mestbeluchting via buizen onder de roosters 4.5.4.1. Stal voorzien van betonvloer met daarop strooiselmateriaal waarin de dieren los worden gehouden. Een gedeelte van de vloer is verhoogd en voorzien van roosters met daaronder mestopslag. De ammoniakemissie wordt verminderd door het beluchten van de mest onder de roosters met lucht uit een warmtewisselaar of luchtmengkast. 4.5.4.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Hokuitvoering en roosters :
  218. a)er worden maximaal 7 tot 8 dieren per m2 opgezet in de dierruimte, inclusief de hanen;
  219. b)van de totale bruikbare dieroppervlakte mag maximaal 2/3 bestaan uit rooster en is minimaal 1/3 strooiselvloer.2° De drinkwatervoorziening is aangebracht boven de roosters.3° Beluchting :
  220. a)onder de roosters zijn buizen aangebracht waardoor lucht wordt aangevoerd;
  221. b)de buizen zijn evenwijdig aan de legnesten opgehangen en verticaal beweegbaar met het niveau van de mest mee zodat de verticale afstand van de buizen tot de mest circa 200 mm bedraagt;
  222. c)per dier wordt 1,5 m3 lucht per uur over de mest geblazen, waarvan minimaal 50 % buitenlucht;
  223. d)de lucht heeft een minimale temperatuur van 20 °C.4° Registratie :
  224. a)de temperatuur van de lucht in de beluchtingsbuizen moet geregistreerd worden en vastgelegd.Vastgelegde waarden van minimaal een week geleden moeten opvraagbaar zijn. De temperatuur moet gemeten worden in het hoofdtoevoerkanaal;
  225. b)voor controle op aanstaan van de beluchting moet hiervoor geschikte apparatuur (urenteller, kWhmeter, toerenteller of meetventilator) aanwezig zijn, waarmee het in bedrijf zijn van de beluchting afdoende kan worden aangetoond. 4.5.4.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,250 kg NH3 per dierplaats per jaar 4.5.5. Systeem P-5.5. Grondhuisvesting met beluchting onder gedeeltelijk verhoogde roosters (perfosysteem) 4.5.5.1. Onder het roostergedeelte ligt minimaal 10 cm boven de putbodem een geperforeerde schijnvloer. De ammoniakemissie wordt beperkt door vanonder de schijnvloer continu lucht door de perforaties te blazen, waardoor de mest die bovenop het rooster wordt gedeponeerd en op de schijnvloer valt, wordt gedroogd. 4.5.5.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De slachtkuikenouderdierenstal heeft een traditionele bovenbouw.2° Het strooiseloppervlak verhoudt zich tot het roosteroppervlak als 30 % staat tot 70 % van het bruto-oppervlak, waarbij de legnesten tot het roosteroppervlak worden gerekend.3° Onder het roostergedeelte moet een put aanwezig zijn om de mest gedurende een gehele productieperiode op de daarin aanwezige geperforeerde vloer op te kunnen vangen en te drogen.De totale ruimte tussen de perfovloer en het rooster moet minimaal 0,8 m zijn. 4° De geperforeerde schijnvloer :
  226. a)de geperforeerde schijnvloer en de ondersteunende constructie kunnen uitgevoerd worden met verschillende soorten materialen (kunststof, hout, metaal of combinaties daarvan), waarbij de constructie belastbaar moet zijn tot 400 kg/m2 (gewicht droge mest + veiligheidsmarge);
  227. b)de beluchtingsruimte tussen de putbodem en de geperforeerde schijnvloer moet minimaal 0,10 m bedragen;
  228. c)de schijnvloer moet gelijkmatig zijn geperforeerd met een totaal luchtdoorlatend vloeroppervlak van minimaal 20 %.De vorm van de perforaties is niet relevant. De doorsnede van de openingen mag aan de kortste zijde niet meer dan 5 mm bedragen;
  229. d)de geperforeerde vloer moet in segmenten worden opgebouwd, waarbij de grootte van de segmenten afhankelijk is van de methode van ontmesten;
  230. e)voor aanvang van de ronde moet de bovenzijde van de geperforeerde vloer worden ingestrooid met een laagje strooisel van minimaal 40 mm;
  231. f)eventueel is boven de laatste meter van de putbodem ter hoogte van de buitenmuur geen geperforeerde vloer aanwezig (dit i.v.m. uitmesting). 5° Beluchting van de geperforeerde vloer :
  232. a)voor de beluchting van de geperforeerde schijnvloer wordt stallucht gebruikt;
  233. b)er moeten minimaal twee beluchtingsventilatoren worden geïnstalleerd.In totaal moet een beluchtingscapaciteit met een debiet van minimaal 7 m3 per dier per uur bij 90 Pascal worden geïnstalleerd;
  234. c)de gekozen ventilatoren moeten hoge drukweerstanden kunnen overwinnen, minimaal 90 Pascal en moeten worden aangestuurd middels een frequentieregelaar;
  235. d)voor de positionering van de beluchtingsventilatoren zijn er verschillende uitvoeringsmogelijkheden : i.plaatsing aan beide uiteinden op de roosters; ii. plaatsing verspreid over de roosters aan beide zijden van de legnesten of juist in lijn met de legnesten, waarbij bij de laatste variant gekozen kan worden voor een centraal luchtkanaal onder de legnesten van waaruit de lucht onder de geperforeerde schijnvloer wordt geblazen. 6° Drinkvoorziening : de drinkvoorzieningen (ronddrinkers of drinknippels) moeten boven de roosters gepositioneerd zijn.7° Ter controle op het goed functioneren van het stalsysteem moet :
  236. a)de vereiste minimale beluchtingscapaciteit/-debiet afleesbaar zijn op de frequentieregelaar of klimaatcomputer waarmee de beluchting wordt gestuurd;
  237. b)het cumulatief aantal bedrijfsuren vanaf de start van de ronde van de beluchting op ieder moment afleesbaar zijn op de frequentieregelaar of klimaatcomputer waarmee de beluchting wordt gestuurd;
  238. c)het cumulatieve energieverbruik of opgenomen vermogen van de beluchtingsventilatoren vanaf de start van de ronde op elk moment afleesbaar zijn. 4.5.5.3. Voor het gebruik van dit systeem geldt de volgende eis : het drogestofgehalte van de mest moet minimaal 75 % bedragen. 4.5.5.4. De ammoniakemissiefactor bedraagt 0,23 kg NH3 per dierplaats per jaar. 4.5.6. Systeem P-5.6. Grondhuisvesting met dagelijkse mestverwijdering d.m.v. mestschuif onder de gedeeltelijk verhoogde roosters 4.5.6.1. Stal voorzien van betonvloer met daarop strooiselmateriaal waarin de dieren los worden gehouden. Een gedeelte van de vloer is verhoogd en voorzien van roosters met daaronder tijdelijke mestopvang op een gepolierde betonvloer. De ammoniakemissie wordt verminderd door het dagelijks verwijderen van de mest onder de roosters met behulp van een goed aansluitende mestschuif op de gepolierde vloer. De mest wordt afgevoerd naar een gesloten mestopslag. 4.5.6.2. Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° Hokuitvoering en roosters :
  239. a)er worden maximaal 7 tot 8 dieren per m2 opgezet in de dierruimte, inclusief de hanen;
  240. b)van de totale bruikbare dieroppervlakte mag maximaal 2/3 bestaan uit roosters en is minimaal 1/3 tot maximaal 2/3 strooiselvloer.2° De drinkwatervoorziening is aangebracht boven de roosters.3° Mestverwijdering :
  241. a)de betonvloer onder de rooster is gepolierd zodat een glad (niet mestaanhechtend) oppervlak is ontstaan;
  242. b)hierop is een nauwaansluitende mestschuif geïnstalleerd die de volledige breedte van de betonvloer onder de rooster bestrijkt en de volledige oppervlakte onder de roosters bereikt;
  243. c)voor controle op de dagelijkse mestverwijdering moet hiervoor geschikte apparatuur (urenteller, toerenteller) aanwezig zijn, waarmee het in bedrijf zijn van de mestschuif afdoende kan worden aangetoond. 4.5.6.3. Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 1° De mestschuif schuift de mest minstens éénmaal per dag naar de gesloten opslag.2° Om de emissie van de mest die in de scharrelruimte terechtkomt te minimaliseren, moet het droge stofgehalte van de strooisellaag minstens 65 % bedragen, tenzij uitzonderlijke omstandigheden kunnen worden aangetoond (ziekte, overmacht).3° Bij aanvang van de ronde moet minimaal een strooisellaag van 3 cm zuiver strooisel in de scharrelruimte aangebracht worden. 4.5.6.4. Op basis van metingen uitgevoerd bij een gelijkaardig systeem voor leghennen wordt geschat dat de ammoniakemissiefactor niet meer dan 0.290 kg NH3 per dierplaats en per jaar bedraagt. Afdeling 6. - Ammoniakemissiearme stalsystemen voor slachtkuikens 4.6.1. Systeem P-6.1. Grondhuisvesting met vloerverwarming en vloerkoeling 4.6.1.1. De ammoniakemissie wordt beperkt door de mest-strooisellaag te verwarmen waardoor ze droogt en de vorming van ammoniak wordt geremd. De koeling heeft tot doel de afbraak van urinezuur en eiwitten te remmen. De stal is voorzien van een betonvloer met daarop strooiselmateriaal waarin de dieren los gehouden wordt. In de vloer zijn op een isolatielaag warmtewisselaars

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.