Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Koninklijk besluit tot vaststelling van het administratief statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie

Kort samengevat

Dit Koninklijk Besluit regelt het administratief statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT), waarbij de autonomie van het BIPT en de "Copernicus"-hervorming van het federale openbare ambt als inspiratie dienden. Het doel is om de statuten toegankelijker en transparanter te maken.

Wat het regelt

  • De organisatie van de gradenstructuur van het personeel in vier niveaus (A, B, C, D).
  • De procedures voor werving en aanstelling van zowel statutaire als contractuele personeelsleden.
  • De rechten en plichten van het personeel.
  • De regels betreffende onverenigbaarheden, zoals het cumuleren van beroepsactiviteiten.

Wie het aanbelangt

  • Statutaire ambtenaren van het BIPT, inclusief diegenen die ter beschikking gesteld worden van de Ombudsdienst voor Telecommunicatie.
  • Contractueel personeel van het BIPT.

Kernpunten

  • De Minister van Telecommunicatie beheert het Instituut niet meer hiërarchisch; de Raad heeft nu de bevoegdheid om alle nodige daden te stellen.
  • De gradenstructuur is ingedeeld in vier niveaus: A, B, C en D, vergelijkbaar met het federale openbare ambt.
  • Het evaluatiesysteem is omgevormd tot een communicatie- en begeleidingsinstrument, gebaseerd op functiebeschrijvingen.
  • De aanwerving in contractueel verband blijft de uitzondering, met een maximale duur van vijf jaar voor contracten, tenzij een statutaire ambtenaar langer afwezig is.
Wettekst
Wettekst

11 JANUARI

  1. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het administratief statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie VERSLAG AAN DE KONING Sire, De wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014009 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014010 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector sluiten met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector heeft het statuut van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT) gewijzigd. Aan het BIPT werd een grotere autonomie toegekend. De Minister van Telecommunicatie beheert het Instituut niet meer als hiërarchische meerdere. Hij treedt enkel nog op als vertegenwoordiger van de Belgische Staat, met als opdracht de controle van een gedecentraliseerde instelling. Bijgevolg werd een groot deel van de bevoegdheden van de Minister overgedragen aan de Raad, die voortaan de bevoegdheid heeft om alle daden te stellen die nodig zijn voor het volbrengen van de opdrachten van het Instituut en die het vertegenwoordigt. Het past derhalve de statuten van het personeel van het Instituut dienovereenkomstig te herzien. Anderzijds heeft bij het federale openbare ambt een diepgaande vernieuwing van het statuut van zijn ambtenaren plaatsgehad, de « Copernicus »-hervorming genoemd, waarop het onderhavige statuut van het personeel van het Instituut zich heeft geïnspireerd, maar waarbij de specificiteiten verbonden aan de regulerende opdracht behouden werden. Deze specificiteiten rechtvaardigden reeds dat het Instituut van bij zijn oprichting een statuut voor zijn personeel verkreeg dat verschillend was van dat van de andere instellingen van openbaar nut. Er werd tevens van de gelegenheid gebruikgemaakt om de statuten van het BIPT toegankelijker en doorzichtiger te maken. Te dien einde werd gekozen voor een nieuwe tekst waardoor een volledige herziening mogelijk was, eerder dan een wijzigende tekst. Het geheel van de bepalingen die het statuut van het personeel van het Instituut regelen, was tot nog toe verspreid over vijftien koninklijke besluiten van 18 maart
  2. Van die vijftien besluiten blijven er slechts vijf ongewijzigd. De tien overige worden verenigd in twee koninklijke besluiten houdende respectievelijk het administratief en het geldelijk statuut. Het is het eerste van die twee dat U hier wordt voorgelegd. Samen zullen zij de ruggengraat van het statuut van het personeel van het Instituut vormen. De krachtlijnen van de hervorming zijn de volgende : - nieuwe gradenstructuur, vergelijkbaar met die van het federale openbare ambt, ingedeeld in vier niveaus, A, B, C en D; - verscheidene maatregelen om het personeel beter te motiveren : in de eerste plaats door het omvormen van het evaluatiesysteem, dat voortaan gebaseerd zal zijn op functiebeschrijvingen, in een communicatie- en begeleidingsinstrument, vervolgens door het valoriseren van de rol van titularissen van specifieke functies, van coördinator of voor het uitvoeren van een project en ten slotte door het scheppen van een promotiemogelijkheid naar niveau A. Dit verslag, dat een verduidelijking beoogt van de filosofie achter sommige bepalingen in de tekst, is tamelijk ongebruikelijk voor een besluit houdende een administratief statuut. Het is niettemin gerechtvaardigd door het belang van de tekst en draagt bij tot het streven naar doorzichtigheid. De verklaringen die het bevat zijn toegespitst op de vernieuwingen die aangebracht worden in het statuut van 18 maart 1993 en zijn verenigd per titel. Bespreking van de titels Titel I - Algemene bepalingen Het administratief statuut is niet alleen van toepassing op de statutaire ambtenaren van het Instituut, inclusief diegenen die ter beschikking gesteld worden van de Ombudsdienst voor Telecommunicatie. Voor de eerste maal worden ook de delen van het statuut die van toepassing zijn op het contractueel personeel, expliciet gedefinieerd. Het advies van de Raad van State om in de Franse tekst van de definities opgenomen in art. 1 het woord « agent » te vervangen door de woorden « agent statutaire » wordt gevolgd. In de Nederlandse tekst wordt echter het woord « ambtenaar » niet vervangen door de woorden « personeelslid in vast dienstverband » maar wel door de woorden « statutaire ambtenaar ». Dit niet alleen omdat het beter aansluit bij de voorgestelde Franse tekst, maar vooral ook omdat met deze definitie in het huidige statuut, zowel als in onderhavig besluit, niet uitsluitend de vastbenoemde ambtenaren worden bedoeld maar ook de op proef benoemde personeelsleden en beiden worden als « ambtenaren » aanzien. Door de wijziging van het statuut van het Instituut wordt de bevoegdheid tot het benoemen van de statutaire ambtenaren overgedragen van de Minister aan de Raad. Hetzelfde geldt voor de aanwerving van contractuelen, het nemen van tuchtmaatregelen, toestaan van overplaatsingen en van alle vormen van afwezigheden, het nemen van beslissingen over het cumuleren van beroepsactiviteiten of het neerleggen van functies. De opbouw in niveaus, rangen en graden wordt behouden. Wel zijn, naar analogie van de « Copernicus »-hervorming, de niveaus 1, 2 en 3 respectievelijk de niveaus A, C en D geworden, ermee rekening houdende dat er in de personeelsformatie van het Instituut nooit betrekkingen van niveau 4 zijn geweest. Nog altijd naar het voorbeeld van het federale openbaar ambt werden de graden van administratief sectiechef, technisch sectiechef en hoofdcontroleur, behorend tot rang 24, opgewaardeerd en geplaatst in het nieuwe niveau B, dat overeenstemt met het vroegere niveau 2+ van het federale openbaar ambt. Binnen de verschillende niveaus zijn de verschillende graden hiërarchisch op gelijke voet geplaatst en gelijkwaardig verklaard, wat de verdwijning van het begrip « rang » ten gevolge heeft. Een uitzondering hierop wordt gevormd door niveau A, waar de 3 onderstaande rangen blijven bestaan. In de oorspronkelijke benamingen van deze rangen wordt telkens het cijfer 1 van niveau 1 vervangen door de letter A van niveau A. De rangen 15, 13 en 12 worden dus respectievelijk A5, A3 en A
  3. - rang A5 - dus de vroegere rang 15 - waarin de graad « administrateur (in uitdoving) » wordt geplaatst; - rang A2 die de wervingsgraden van adviseur en ingenieur-adviseur bevat, alsook de nieuwe graad van informaticus-adviseur die ingevoerd wordt tot opwaardering van deze functie in navolging van wat gebeurd is bij het federale openbaar ambt; - rang A3, waarin alle ambtenaren van rang A2 na 8 jaar graadanciënniteit terechtkomen in de respectieve graden van eerste adviseur, eerste ingenieur-adviseur en eerste informaticus-adviseur. Zoals aangeduid in bijlage I bij het besluit waarin alle bij het Instituut bestaande graden zijn opgenomen, worden twee graden in uitdoving geplaatst, namelijk « administrateur » en « controleur ». De graad van administrateur wordt alleen behouden ten behoeve van de statutaire ambtenaren van rang 15 die deel uitmaakten van de Directieraad, die vervangen werd door de Raad bij de inwerkingtreding van de wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014009 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014010 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector sluiten met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector. De graad van controleur wordt in uitdoving geplaatst omdat de controletaken tegenwoordig zowel betrekking hebben op administratieve als op technische aspecten en omdat een specifieke graad derhalve niet meer gerechtvaardigd is. De graad van hoofdcontroleur wordt voorlopig behouden om een bevorderingsmogelijkheid te behouden voor de titularissen van de graad van controleur (in uitdoving). Ten slotte wordt erop gewezen dat de graden van vertaler-revisor en vertaler-revisor (vlakke loopbaan in uitdoving) worden opgeheven. De titularissen worden ondergebracht in de graad van adviseur. Titel II. Werving SELOR blijft de instelling die belast wordt met de aanwerving van het personeel. Niettemin wordt, om het hoofd te kunnen bieden aan dikwijls dringende en specifieke behoeften, in artikel 16 in de mogelijkheid voorzien dat het Instituut zelf vergelijkende selecties kan organiseren onder eigen verantwoordelijkheid. Deze hypothese moet nochtans de uitzondering blijven en moet onderworpen worden aan voorafgaand overleg met de representatieve vakorganisaties. Bovendien zullen deze selecties gebeuren onder kwaliteitscontrole van SELOR. De wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven voorzag in het bestaan van sommige gespecialiseerde functies waarin kon worden aangeworven, niet na het slagen van een examen of een vergelijkend examen, maar op basis van drie of vijf jaar nuttige beroepservaring naargelang van de graad. Die gespecialiseerde functies verdwijnen. Een nuttige beroepservaring kan voortaan nochtans opgelegd worden door de Raad als een bijzondere toelaatbaarheidsvereiste die wordt toegevoegd aan de algemene diplomavereisten. Het geldelijk statuut bepaalt dat die vereiste nuttige beroepservaring bijgevolg kan gevaloriseerd worden door ze in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de geldelijke anciënniteit. De aanwerving in contractueel verband blijft de uitzondering ten opzichte van de statutaire aanwerving, die de regel blijft zoals bepaald in artikel 73, § 2, 2e lid van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. Het koninklijk besluit van 18 maart 1993 betreffende de indienstneming van contractueel personeel bij het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie wordt opgenomen in het onderhavige besluit. De beperking van de duur van de contracten tot maximaal vijf jaar wordt behouden, behalve indien de periode van afwezigheid van een vervangen statutair ambtenaar deze duur overschrijdt. Het blijkt inderdaad niet in het belang van de dienst te zijn dat na vijf jaar een einde moet worden gesteld aan een vervangingscontract van een ervaren personeelslid terwijl de vervangen statutaire ambtenaar de dienst nog niet heeft hervat of andere ambtenaren die soortgelijke taken vervullen, vervangen moeten worden. Bij de indienstneming van de statutaire ambtenaren moet het Instituut de rangschikking van de vergelijkende selectie respecteren indien die specifiek voor het Instituut door SELOR werd georganiseerd of indien de selectie door het Instituut zelf werd ingericht. Indien echter een beroep gedaan wordt op geslaagde kandidaten van een algemene selectie georganiseerd door SELOR, waarin naar algemene competenties wordt gepeild, organiseert het Instituut vervolgens een bijkomende proef onder het toezicht van SELOR. Daarin worden meer specifieke of bijkomende competenties gemeten. De geslaagde kandidaten worden uitgenodigd aan deze bijkomende proef deel te nemen in de volgorde van hun rangschikking in het algemene gedeelte. Het is echter de rangschikking die opgemaakt wordt na die bijkomende proef die de volgorde van indiensttreding bepaalt. In artikel 30 wordt de notie « hiërarchische meerdere » gedefinieerd en worden de administratieve standplaatsen voor het eerst aangeduid. In het kader van de proefperiode die de vaste benoeming voorafgaat, wordt het gebruik van het opmaken van een louter indicatief, tussentijds verslag na zes maanden, bekrachtigd, met als enig doel de op proef benoemde statutaire ambtenaar kennis te laten nemen van de wijze waarop zijn prestaties beoordeeld worden. Zo kan hij zichzelf eventueel verbeteren vooraleer een definitief verslag wordt opgemaakt na verloop van de proefperiode. Titel III. Rechten en plichten Deze bepalingen werden geactualiseerd verwijzend naar het statuut van het federale openbaar ambt. Titel IV. Onverenigbaarheden De aanvragen tot cumulatie van beroepsactiviteiten werden bij het Instituut steeds behandeld in overeenstemming met de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 46 van 10 juni
  4. De programmawet van 24 december 2002Relevante gevonden documenten type programmawet prom. 24/12/2002 pub. 31/12/2002 numac 2002021488 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Programmawet

(1)type programmawet prom. 24/12/2002 pub. 31/12/2002 numac 2002021495 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Programmawet
(1)sluiten kondigt echter de opheffing van dit besluit aan. De datum van inwerkingtreding van deze opheffing moet nog bepaald worden door de Koning bij een in de Ministerraad overlegd besluit. Iedere instelling die onder het toepassingsgebied van het koninklijk besluit nr. 46 valt, zal dan zelf de nodige richtlijnen moeten uitvaardigen. Vooruitlopend hierop worden de nadere regels voor het toestaan van de cumulatie van beroepsactiviteiten aan de ambtenaren van het Instituut nu reeds opgenomen in deze titel. De bedoelde bepalingen treden echter pas in werking bij de opheffing van het koninklijk besluit nr.
  1. Behalve dat de toestemming zal worden gegeven door de Raad in plaats van door de Minister, zijn de opgenomen nadere regels vrijwel identiek met diegene die in het vermelde koninklijk besluit zijn vastgelegd. Het spreekt vanzelf dat geen toestemming kan gegeven worden die indruist tegen artikel 27 van de wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014009 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014010 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector sluiten. Titel V. Overplaatsing Behoudens de overdracht van de bevoegdheden van de Minister aan de Raad, zijn die bepalingen ongewijzigd gebleven. Titel VI. Rangschikking en anciënniteit Die bepalingen bleven ongewijzigd. Titel VII. Functiebeschrijving en beoordeling De verplichte beoordeling wordt omgevormd tot een communicatie- en begeleidingsinstrument dat gebaseerd zal zijn op een functiebeschrijving. De wisselwerking met de veralgemeende en progressieve beheerstoelage, zoals die vastgelegd wordt in het geldelijk statuut, zal er een motiverend managementstool van maken. Dit heeft eveneens betrekking op de contractuele personeelsleden voorzover de duur van hun contract gelijk is aan of groter dan twaalf maanden. De functiebeschrijving is het beginpunt van het gehele systeem. Ze bestaat uit een overzicht van alle taken die in een bepaalde dienst door eenzelfde groep van personeelsleden worden verricht. Ze kan nochtans geïndividualiseerd worden op basis van de elementen die in aanmerking worden genomen tijdens het functiegesprek. Die functiebeschrijvingen mogen nochtans geen keurslijf vormen, maar moeten, in het belang van de dienst, het nog altijd mogelijk maken om in specifieke gevallen taken die er niet in omschreven zijn, op te leggen. Omgekeerd, mogen ze niet gebruikt worden om aan een personeelslid taken toe te wijzen die geen verband houden met zijn functie. De procedure voor de individuele beoordeling bestaat uit een jaarlijkse cyclus. Ze vangt aan met een planningsgesprek waarin doelstellingen worden vastgelegd. De realisatie van die doelstellingen en, meer in het algemeen, het functioneren van het personeelslid zijn het onderwerp van twee verplichte functioneringsgesprekken. Het eerste vindt plaats na zes maanden en leidt tot een eerste waarderingscijfer. Het tweede gesprek heeft plaats na afloop van de jaarlijkse cyclus en leidt tot een tweede waarderingscijfer. Ieder van die halfjaarlijkse waarderingscijfers bepaalt het bedrag van de daarmee overeenstemmende beheerstoelage. Na afloop van de cyclus heeft eveneens een eindgesprek plaats waarin een balans wordt opgemaakt van het volledige voorbije jaar. In geval van duidelijk ondermaatse prestaties, dat wil zeggen een totaal waarderingscijfer (gemiddelde van beide bovenvermelde halfjaarlijkse waarderingscijfers) lager dan 50/100, wordt de vermelding « onvoldoende » toegekend aan het personeelslid. Aan die laatste wordt tevens een begeleidingsplan opgelegd dat een verbetering van zijn prestaties beoogt. Indien de vermelding « onvoldoende » twee opeenvolgende keren wordt toegekend, leidt dit tot het ambtshalve ontslag of de beëindiging van het contract van het personeelslid wegens beroepsongeschiktheid. Vermits de beoordelingscyclus loopt over een volledig kalenderjaar, met daarin twee onderscheiden perioden van zes maanden waarna een waarderingscijfer wordt toegekend in het kader van de beheerstoelage, is het onbegonnen werk om voor iedere procedurefout de cyclus ab initio te herbeginnen. Derhalve werd het nuttig bevonden in artikel 64 die inbreuken op de procedure aan te duiden die aanleiding geven tot een nieuwe toekenning van een zesmaandelijks waarderingscijfer. Er wordt nooit overgegaan tot het heropstarten van de volledige beoordelingscyclus. In artikel 66 wordt, ter bescherming van het personeelslid, een afwijking ingevoerd in die zin dat hij ten minste 120 kalenderdagen gewerkt moet hebben en een functioneringsgesprek plaatsgehad moet hebben, alvorens hem een tweede vermelding « onvoldoende » kan worden toegekend dat leidt tot het ambtshalve ontslag. De Raad van State meent dat de vaststelling van de ontslagvergoeding in geval van ontslag wegens twee opeenvolgende vermeldingen « onvoldoende » op basis van de wedde bij voltijdse prestaties resulteert in een discriminatie ten nadele van de ambtenaren die voltijds werken. Net zoals bij de rijksambtenaren wordt de ontslagvergoeding berekend op basis van de wedde verbonden aan een voltijdse tewerkstelling, eventueel op fictieve wijze samengesteld indien de betrokkene deeltijds werkt. Deze vergoeding betreft enkel de statutaire ambtenaren. Voor de contractuele personeelsleden wordt verwezen naar de bepalingen van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten en naar de interpretatie gegeven door het Arbitragehof in zijn arrest nr. 45/99 van 20 april 1999 betreffende de berekening van het bruto jaarloon van een deeltijdse bediende, waar het besluit dat er geen discriminatie is. In plaats van het voorstel van de Raad van State te volgen wordt er de voorkeur aan gegeven de termijn voor het indienen van een beroep tegen het voorstel van een beoordeling « onvoldoende », vast te stellen op vijftien werkdagen vanaf de ontvangst van het beschrijvend beoordelingsverslag. Dit komt overeen met de som van de vijf werkdagen voorzien in artikel 59, § 2, derde lid en de oorspronkelijk in het ontwerp voorziene termijn van tien werkdagen na de teruggave van het beoordelingsverslag. Titel VIII. Loopbaan In overeenstemming met het federale openbaar ambt, wordt duidelijk een onderscheid gemaakt tussen de bevordering door verhoging in graad en de bevordering in wedde, die verbonden is aan het geldelijk statuut. Zoals voor de aanwervingen, blijft SELOR belast met de organisatie van vergelijkende selecties voor de bevorderingen, maar ook hier kan het Instituut onder dezelfde voorwaarden als voor de aanwervingen overgaan tot het organiseren onder eigen verantwoordelijkheid. De voorwaarden voor deelname aan de bevorderingsselecties, voordien vastgelegd in een ministerieel besluit, worden nu geïntegreerd in het onderhavige besluit, net zoals de procedure die voordien opgenomen was in bepalingen die van toepassing waren op de rijksambtenaren. Het vroegere BIPT-statuut voorzag niet in een promotiemogelijkheid naar niveau 1, dat nu niveau A geworden is. Het onderhavige besluit wijzigt dit dus door te voorzien in een promotiemogelijkheid naar niveau A. Het is immers moeilijk te verantwoorden dat de doorstroming van bekwame en ervaren statutaire ambtenaren wordt belet. Die promotie wordt opengesteld voor statutaire ambtenaren van zowel niveau B als niveau C. Terwijl de statutaire ambtenaren van niveau B drie jaar niveauanciënniteit moeten hebben om bevorderd te kunnen worden, wordt van de statutaire ambtenaren van niveau C daarentegen zes jaar niveauanciënniteit vereist. Anderzijds moet de specificiteit worden erkend van het werkgebied van het Instituut waardoor vaak een doorgedreven specialisatie wordt geëist van de statutaire ambtenaren van niveau A. Bijgevolg wordt 80 % van de betrekkingen in de graad van « adviseur » voorbehouden voor werving en dus voor houders van een specifiek universitair diploma. De overige 20 % is toegankelijk voor de bevordering. Niettemin zijn er beperkte uitzonderingen op deze regel. Het ontbreken van een bevorderingsmogelijkheid voor de overige statutaire ambtenaren van niveau A naar de graad van administrateur, door het in uitdoving plaatsen van deze graad, betekent dat geen enkele loopbaanontwikkeling mogelijk is binnen dit niveau. Bijgevolg voorzag het vroegere statuut ter compensatie in een geldelijke vlakke loopbaan gespreid over vier opeenvolgende weddenschalen. Het onderhavige besluit neemt dat systeem over en vervolledigt het door er bovendien voor te zorgen dat aan de overgang naar het derde barema eveneens de automatische toekenning verbonden is van de hogere graad van eerste adviseur, eerste ingenieur-adviseur of eerste informaticus-adviseur. De elektronische communicatie is van nature een sector die zich snel ontwikkelt. Het beheer van de human resources van het Instituut was verplicht om met deze specificiteit rekening te houden. Dat is de reden waarom de voorkeur werd gegeven aan het invoeren van de hoedanigheid van « opdrachthouder », eerder dan het aantal hiërarchische trappen te verhogen. Behalve dat dit een motiverend element vormt voor het personeel, beantwoordt deze nieuwigheid bovendien aan verscheidene behoeften; vandaar dat er verschillende types zijn van « opdrachthouder » : - belast met een bepaald project - daardoor zal er minder een beroep moeten worden gedaan op outsourcing en zullen derhalve dit type van kosten voor het Instituut verminderen. Dit betekent ook dat, voor zover de kennis of ervaring op hoog niveau bij het Instituut aanwezig is, die op deze wijze kan gebruikt en gevaloriseerd worden zonder dat hiervoor contractuele personeelsleden aangeworven moeten worden; - belast met de coördinatie van collega's van niveau A, ter vervanging van de invoering van een tussenliggende graad; - of ook om bijzondere functies uit te oefenen waaraan bijzondere verantwoordelijkheden verbonden zijn en die specifieke bekwaamheden vergen. Typisch voor dit soort opdracht is niet zozeer het tijdelijke karakter van de functie, maar wel de wenselijkheid om in functies waaraan een bijzondere vertrouwensrelatie of bijkomende vereisten verbonden zijn, zoals deze van secretaris van de Raad, niemand definitief te benoemen. De vertrouwensrelatie is ook de reden waarom de Raad enkel voor deze soort opdrachten kan afzien van een oproep tot kandidaten. Die verschillende types behouden nochtans meerdere gemene karaktertrekken. Ten eerste is de « opdracht » in principe van nature uit beperkt in de tijd. Om te vermijden dat dezelfde personeelsleden de uitvoering van sommige opdrachten monopoliseren, mag de betrokkene over een periode van twaalf jaar niet meer dan gedurende een al dan niet ononderbroken periode van acht jaar opdrachten uitvoeren. Ten tweede is ze onderworpen aan een voorafgaande beschrijving van de bekwaamheden die vereist zijn om ze te kunnen uitvoeren evenals van de vaststelling van meetbare doelstellingen waarvan de realisatie op gezette tijden wordt geëvalueerd. Elke beschrijving van nieuwe opdrachten of substantiële wijziging in bestaande opdrachten moet vooraf onderworpen worden aan het overleg met de representatieve vakorganisaties. Het uitschrijven van opdrachten is onderworpen aan een oproep voor het indienen van kandidaturen die zowel toegankelijk is voor statutaire ambtenaren als voor contractuele personeelsleden met een contract van onbepaalde duur. Onder contractuele personeelsleden met een contract van onbepaalde duur wordt bedoeld, enerzijds de contractuele personeelsleden belast met onderhoudswerkzaamheden en anderzijds de personeelsleden die met een dergelijk contract overgekomen zijn van Belgacom naar het Instituut naar aanleiding van de oprichting van de « Ombudsdienst voor Telecommunicatie ». De opdrachten kunnen naargelang van hun aard toegekend worden aan personeelsleden van alle niveaus (A, B en C samen of D). Als reactie op de opmerking van de Raad van State, wordt er voorzien dat, als een geschiktheidstest wordt opgelegd of de organisatie ervan mogelijk is, de nadere regels van deze test worden vastgelegd in een ministerieel uitvoeringsbesluit. Een opdracht kan op verschillende wijzen worden beëindigd : ofwel door de Raad om functionele redenen of in geval van een negatieve beoordeling van de uitvoering van de opdracht, ofwel door toedoen van het betrokken personeelslid, expliciet of als gevolg van een regime van deeltijdse arbeid van minder dan 4/
  2. Om te antwoorden op een opmerking van de Raad van State, wordt er de aandacht op gevestigd dat, wat de contractuele personeelsleden betreft, de beëindiging van een opdracht niet noodzakelijk betekent dat er een einde gesteld wordt aan hun arbeidsovereenkomst. Dit zijn twee onderscheiden handelingen. Op te merken valt dat op geldelijk gebied de opdrachthouder een specifieke premie ontvangt in overeenstemming met het respectieve gewicht van de hem toevertrouwde opdracht. Ten slotte moeten nog sommige bijzonderheden onderstreept worden die verbonden zijn aan de opdracht van secretaresse van een lid van de Raad of van een administrateur. Die opdracht kan namelijk ook toevertrouwd worden aan een titularis met een contract van bepaalde duur; bovendien kan de opdracht onbeperkt verlengd worden. Daarentegen heeft het einde van de opdracht tot gevolg dat een sabbatsperiode van 4 jaar wordt ingesteld waarin de betrokkene geen enkele opdracht meer mag uitvoeren, behoudens een nieuwe opdracht van secretaresse. Titel IX. Tuchtregeling De tuchtregeling van het Instituut wordt in overeenstemming gebracht met diegene die opgenomen is in de « algemene principes ». Zo werd bijvoorbeeld de « berisping » vervangen door de « terechtwijzing » en de « blaam » en de « terugzetting in rang » door de « lagere inschaling ». Bovendien werd de procedure die het strafvoorstel voorafgaat opgenomen in het onderhavige besluit, evenals de termijnen voor de uitwissing van iedere straf. Titel X. Raad van beroep De samenstelling van de Raad van Beroep blijft ongewijzigd. De hervorming van het statuut van het Instituut, en in het bijzonder de overdracht van de meeste bevoegdheden van de Minister aan de Raad, maken nochtans de aanpassing van de werking van deze beroepsinstantie noodzakelijk. Na een voor de verzoeker gunstig advies van de Raad van Beroep, werd voordien de eindbeslissing steeds genomen door de overheid die hoger geplaatst was dan diegene waarvan het voorstel of de beslissing het voorwerp uitmaakte van het beroep. De nieuwe autonomie van het Instituut heeft de Raad op de hoogste trap van de hiërarchie gezet in plaats van de Minister. Voortaan zullen de beroepen dus ingediend moeten worden tegen voorstellen en niet meer tegen beslissingen. De Raad van Beroep spreekt zich dus in geval van beroep uit tegen die voorstellen. Na kennis genomen te hebben van het advies, neemt de Raad de eindbeslissing. Indien het aanvankelijke voorstel uitgaat van een lid van de Raad, wordt de eindbeslissing, na het beroep, genomen door de volledige Raad, doch in afwezigheid van het betrokken lid. De procedure voor de Raad van Beroep werd aangevuld en verduidelijkt : nieuwe termijnen werden ingevoerd, de rol van de voorzitter werd verduidelijkt en afgestemd op het statuut van de rijksambtenaren : hij stemt niet meer, behalve bij gelijkheid der stemmen in de Raad van Beroep. Op te merken valt dat, om de werking van de Raad van Beroep niet te belemmeren, er de voorkeur aan gegeven wordt om de bepaling van het statuut van de rijksambtenaren inzake het aantal assessoren dat aanwezig moet zijn om de Raad van Beroep geldig te laten zetelen, te behouden. Titel XI. Administratieve standen, verloven en afwezigheden In tegenstelling tot het vorige statuut, waarbij de reglementaire bepalingen inzake verloven en afwezigheden, alsook inzake administratieve standen waaraan de rijksambtenaren onderworpen zijn, bij een afzonderlijk besluit toepasselijk werden gesteld op het personeel van het Instituut, worden die bepalingen door het onderhavige besluit onmiddellijk van toepassing gesteld op het personeel van het Instituut. Anderzijds wordt door het weglaten van iedere opsomming vermeden dat de teksten die van toepassing zijn op het Instituut bij iedere wijziging door het federale openbaar ambt aangepast moeten worden, waarbij wel de mogelijkheid wordt gelaten er in bepaalde gevallen voor het Instituut van af te wijken. Zoals dat reeds het geval was in het vorige statuut, rechtvaardigt de bijzondere situatie van het Instituut bovendien dat sommige delen van de teksten die erop van toepassing worden gesteld, dienovereenkomstig worden aangepast. Een nieuwigheid is het anciënniteitsverlof dat jaarlijks aan de personeelsleden wordt toegekend naar rato van één dag verlof per schijf van vijf jaar anciënniteit. Dit was een billijke wens van de representatieve vakorganisaties. Gevolggevend aan een opmerking van de Raad van State werden in de eerste zin van artikel 116 de woorden « zoals zij gewijzigd zijn » weggelaten tussen de woorden « volgende besluiten » en « van toepassing op ». Aan het voorstel van de Raad van State om ook de tweede zin van dit artikel te schrappen, wordt daarentegen geen gevolg gegeven omdat dit er juist toe zou leiden dat nieuwe bepalingen over hetzelfde onderwerp maar die in de context van een toekomstige reglementering de huidige vervangt, niet meer van toepassing zouden zijn op het Instituut, wat niet overeenstemt met de bedoeling van de auteur. Mutatis mutandis geldt dit ook voor art.10 waar de Raad van State dezelfde bemerking maakt. Wat de opmerking van de Raad van State betreft over het uitzonderlijk verlof dat vermeld wordt in het ontworpen artikel 10, § 4, eerste streepje van het koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 02/05/2003 numac 2003000309 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie sluiten0 dat volgens artikel 132 van onderhavig ontwerp voor het Instituut anders moet worden gelezen, moet worden opgemerkt dat wel degelijk het uitzonderlijk verlof wordt bedoeld dat vermeld wordt in artikel 16 van vermeld koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 02/05/2003 numac 2003000309 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie sluiten0 en dat toegekend wordt « voor een periode die overeenkomt met de duur van de verkiezingscampagne waaraan de betrokkenen als kandidaat deelnemen ». Titel XII. Definitieve ambtsneerlegging Twee punten moeten gemeld worden. In de eerste plaats wordt verduidelijkt dat de ambtsneerlegging wegens medische ongeschiktheid voortvloeit uit de vaststelling van de definitieve ongeschiktheid opgemaakt door de Pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst. Er wordt vervolgens op gewezen dat het nieuwe beoordelingssysteem, in het geval van twee opeenvolgende beoordelingen « onvoldoende », de ambtsneerlegging wegens beroepsongeschiktheid tot gevolg heeft. In dat geval wordt aan de afgedankte statutaire ambtenaar of het contractuele personeelslid een vergoeding uitbetaald waarvan de berekeningswijze identiek is met deze toegekend aan de rijksambtenaren ( koninklijk besluit van 26 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 02/05/2003 numac 2003000309 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie sluiten1 tot regeling van de afdanking wegens beroepsongeschiktheid van het rijkspersoneel). In tegenstelling tot het advies van de Raad van State blijkt dit geen discriminatie te veroorzaken tussen het personeel dat voltijds werkt en het personeel dat deeltijdse prestaties levert. Titel XIII. Overgangsbepalingen Tot nog toe werden de geslaagden voor een examen voor bevordering in hetzelfde niveau steeds benoemd in volgorde van hun anciënniteit. In het nieuwe statuut worden de bevorderingsexamens vervangen door vergelijkende selecties waarvan enkel de resultaten de volgorde bepalen van de benoeming van de laureaten. Het Instituut telt nog een aantal geslaagden voor examens voor bevordering in de graden van administratief en technisch sectiechef die nog niet benoemd konden worden bij gebrek aan vacante betrekkingen. In afwijking van de bovenvermelde bepaling schrijft een overgangsbepaling - artikel 151 - voor dat die geslaagde kandidaten het voordeel van het slagen voor hun examen behouden, evenals hun benoeming in volgorde van de anciënniteit. Artikel 154 dient er onder andere toe te verduidelijken dat de houders van de tijdelijke mandaten « administrateur-generaal » en « directeur-generaal », rekening houdend met het feit dat de 6 jarige duurtijd van de aanstelling verliep op 31 december 2005, kunnen terugvallen op de graad van administrateur. Zoals de opneming van de graad van vertaler-revisor in de bestaande graad van adviseur met terugwerkende kracht op 1 juli 2004 toepasselijk is op de ambtenaren die op het ogenblik van de inwerkingtreding van het onderhavige besluit in dienst zijn, gebeurt de overgang naar de nieuwe graad van informaticus-adviseur voor de betrokken ambtenaren op dezelfde datum. Aldus wenst het Instituut deze betrekkingen te herwaarderen en ze structureel in te passen in het niveau A. In artikel 157 wordt een conversietabel opgenomen die nodig is voor de perequatie van de pensioenen van de op rust gestelde BIPT-ambtenaren. Artikel 158 wordt genomen om de rechten te vrijwaren van de ambtenaren die van andere openbare instellingen overgekomen zijn bij de oprichting van het Instituut. Titel XIV. Slotbepalingen In reactie op een opmerking van de Raad van State wordt gepreciseerd dat de koninklijke besluiten die bij artikel 159, § 1 « niet meer van toepassing gesteld worden op de ambtenaren », niet opgeheven worden omdat zij nog van toepassing zijn op de personeelsleden van de vroegere Dienst Kijk- en Luistergeld die in 1997 van Belgacom overgeheveld werden naar het Instituut en die ondertussen ter beschikking gesteld zijn van verscheidene federale overheidsdiensten. Om aan het bezwaar geformuleerd door de Raad van State tegemoet te komen, moet opgemerkt worden dat de inwerkingtreding van Titel I en van hoofdstuk II van Titel XIII met terugwerkende kracht tot 1 juli 2004, evenals van de artikelen 132 en 152 tot 1 januari 2006, gerechtvaardigd wordt door de ruime tijd die nodig was om de in het Sectorcomité gemaakte afspraken met de representatie vakorganisaties, vast te leggen in reglementaire teksten. Deze retroactiviteit, die in hoofdzaak regels betreft die voordelen toekennen, schaadt geenszins het gelijkheidsbeginsel, noch verworven rechten en draagt bij tot de goede werking van de diensten van het Instituut. Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, M. VERWILGHEN ADVIES 41.494/4 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 17 oktober 2006 door de Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « tot vaststelling van het administratief statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie », heeft op 13 november 2006 het volgende advies gegeven : Aangezien de adviesaanvraag is ingediend op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 02/05/2003 numac 2003000309 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie sluiten, beperkt de afdeling wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten, haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten. Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen. Strekking van het ontwerp Het ontworpen koninklijk besluit heeft tot doel het administratief statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (hierna : het Instituut) aan te passen aan de wijzigingen die voortvloeien uit de wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014009 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014010 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector sluiten met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector, die de autonomie van het Instituut ten aanzien van de overheid heeft doen toenemen. Bovendien neemt het ontwerp in het statuut van het personeel van het Instituut de beginselen op die voortvloeien uit de zogenaamde « Copernicushervorming », inzonderheid door de structuur van de graden te hervormen en door diverse maatregelen in te voeren om het personeel beter te motiveren. Meer algemeen strekt het ontworpen besluit ertoe in een enkele tekst alle bepalingen samen te brengen die het administratief statuut van het personeel van het Instituut regelen. Deze bepalingen zijn thans verspreid over een reeks andere teksten die bij het voorliggende ontwerp worden opgeheven of vervangen. Tegelijk met het voorliggende ontwerp is aan de afdeling wetgeving van de Raad van State ter fine van advies een ontwerp van koninklijk besluit voorgelegd houdende bezoldigingsregeling van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie; dat advies is heden uitgebracht onder het nr. 41.195/4 . Zoals blijkt uit het verslag aan de Koning dat bij het voorliggende ontwerp gaat, zullen beide ontwerpen samen « de ruggengraat van het statuut van het personeel van het Instituut »
(1)vormen. Voorafgaand vormvereiste In de aanhef wordt verwezen naar de akkoordbevinding van de Minister van Ambtenarenzaken van 5 oktober
  1. De Minister heeft op deze datum weliswaar effectief zijn instemming met het ontwerp betuigd, doch op voorwaarde dat een bepaald aantal wijzigingen worden aangebracht. Een van die wijzigingen is onder meer het verzoek van de Steller van het ontwerp om de organisatie van alle vergelijkende selecties ter fine van goedkeuring voor te leggen aan SELOR. Uit artikel 16 van het ontwerp blijkt evenwel dat vergelijkende selecties die worden georganiseerd onder de eigen verantwoordelijkheid van het BIPT, die goedkeuring niet behoeven. Bovendien maakt de Minister van Ambtenarenzaken in dezelfde brief een aantal meer technische opmerkingen waarmee slechts gedeeltelijk rekening is gehouden. Daarvan zal in voorkomende geval gewag worden gemaakt bij het onderzoek van de artikelen. Algemene opmerkingen
  2. De steller van het ontwerp wordt erop gewezen dat de thans geldende overeenkomsten gesloten tussen het BIPT en de leden van het personeel ervan, de partijen tot wet strekken en alleen kunnen worden gewijzigd met de wederzijdse toestemming van deze partijen.Zulks heeft tot gevolg dat de aanpassingen die het ontworpen koninklijk besluit aanbrengt in de aanvullende bepalingen van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten niet geacht kunnen worden onmiddellijk van toepassing te zijn op de lopende overeenkomsten. Deze toepasbaarheid kan in voorkomend geval alleen voortvloeien uit aanvullingen van de geldende overeenkomsten. 2.
  3. In artikel 82, § 1, van het ontwerp, wordt de kwalificatie « opdrachthouder » alleen toegekend ofwel aan de ambtenaren ofwel aan de « bij arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur in dienst genomen contractuele personeelsleden ». Uit de artikelen 20 tot 24 van het ontwerp blijkt evenwel dat, met als enige uitzondering de contractuele personeelsleden bedoeld in artikel 24, § 2, van het ontwerp, waarin wordt verwezen naar degenen die in dienst worden genomen voor het vervullen van bijzondere taken, alle andere contractuele personeelsleden voor een bepaalde duur worden in dienst genomen
(2). Dit gebrek aan samenhang moet worden verholpen. Bovendien rijst de vraag of de indienstneming bij arbeidsovereenkomst van de personeelsleden bedoeld in artikel 24, § 2, niet reeds geheel of gedeeltelijk beantwoordt aan de specifieke behoeften waarin de aanstelling van « houders van een projectopdracht en van een functieopdracht » beoogt te voorzien. 2.
  1. De definitie die in paragraaf 3 van artikel 82 van het ontwerp wordt gegeven van « functieopdracht » is in onbegrijpelijke bewoordingen gesteld, waarbij bovendien het onderscheid niet kan worden gemaakt tussen deze specifieke opdracht en de « projectopdracht » in paragraaf
  2. 2.
  3. Ten slotte heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State bedenkingen bij de reële strekking van deze onduidelijke bepalingen die zullen kunnen worden toegepast op zowel ambtenaren als contractuele personeelsleden
(3)die behoren tot de niveaus A, B en C samen en D
(4)en inzonderheid vraagt zij zich af hoe zulke belangrijke of moeilijke opdrachten zullen kunnen worden opgedragen aan personen die behoren tot lagere niveaus in beide categorieën van vastbenoemd of contractueel personeel. 2.
  1. Alle bepalingen moeten grondig worden herzien. Bijzondere opmerkingen Aanhef
  2. De wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, die vermeld wordt in de eerste aanhefverwijzing, levert niet de rechtsgrond op van het ontworpen besluit.De eerste aanhefverwijzing moet dus vervallen.
  3. Artikel 26, derde lid, van de wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014009 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014010 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector sluiten met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector vormt de rechtsgrond van het ontworpen besluit. In de tweede aanhefverwijzing dienen de woorden « inzonderheid op artikel 13 » vervangen te worden door de woorden « inzonderheid op artikel 26, derde lid, gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2006 pub. 28/07/2006 numac 2006202314 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen sluiten ».
  4. In de aanhef van het ontworpen besluit dient verwezen te worden naar alle besluiten die de ontworpen tekst wijzigt of opheft.De verwijzing naar die teksten moet geschieden met vermelding van alle uitdrukkelijke nog geldende wijzigingen die deze teksten hebben ondergaan; daartoe dienen alleen de aard en de datum van de wijzigingsteksten te worden aangegeven. Deze teksten moeten in de aanhef worden vermeld naar tijdsorde, te beginnen met de oudste.
  5. Het ministerieel besluit van 4 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 02/05/2003 numac 2003000309 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie sluiten2, aangehaald in de zevende aanhefverwijzing, wordt niet opgeheven bij het ontworpen besluit.De zevende aanhefverwijzing moet bijgevolg vervallen.
  6. Artikel 26, derde lid, van de voormelde wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014009 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014010 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector sluiten bepaalt dat het administratief statuut van het Instituut door de Koning wordt vastgesteld « op voorstel van het Instituut en na akkoord van de ministers van Ambtenarenzaken en Begroting ».Bijgevolg dient vóór de aanhefverwijzing waarin het advies van de Inspecteur van Financiën wordt vermeld, een aanhefverwijzing te worden ingevoegd met vermelding van het voorstel van het Instituut van 10 februari
  7. In plaats van « Gelet op het advies van de afgevaardigde van de Minister van Begroting, gegeven op 7 juli 2006 », schrijve men « Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 7 juli 2006 ». Dispositief Artikel 1 In onderdeel 4° dient duidelijkheidshalve in de Franse tekst het woord « agent » vervangen te worden door de woorden « agent statutaire ». De gehele tekst moet dienovereenkomstig worden herzien. Artikel 2 In artikel 2, § 2, wordt voorgesteld in een onderdeel 6° (waarbij het huidige onderdeel 6° onderdeel 7° wordt) eveneens melding te maken van titel VIII, hoofdstuk III. Hoofdstuk III van titel VIII, betreffende de « opdrachthouders », is immers ook van toepassing op de contractuele personeelsleden. Artikel 6
  8. In artikel 6, § 1, 5 °, van het ontwerp wordt bepaald dat voor de graden die worden opgesomd in bijlage II, men geslaagd moet zijn « voor een vergelijkende selectie ».Uit artikel 78, § 1, van het ontwerp blijkt evenwel dat sommige van de in bijlage II opgesomde graden bij wege van bevordering kunnen worden verleend. De vraag rijst of het wel de bedoeling is die graden ofwel via werving, ofwel bij wege van bevordering te verlenen.
  9. In paragraaf 2 schrijve men in de Franse tekst « conformément à la loi ». Artikel 7
  10. In artikel 7, eerste streepje, laat het zich aanzien dat « bedoeld in artikel 6, § 1, 4° » dient te worden gelezen in plaats van « bedoeld in artikel 6, § 1, 5° ».
  11. Onder het tweede streepje is er sprake van praktische kennis en beroepservaring verworven in een Lid-Staat van de Europese Unie of in de Zwitserse Bondsstaat.Krachtens artikel 6, § 1, 1°, kunnen tot ambtenaar worden benoemd de personen met de nationaliteit van een Lid-Staat van de Europese Economische Ruimte (die dus niet noodzakelijk onderdanen zijn van een Lid-Staat van de Europese Unie) of de Zwitserse Bondsstaat. Het zou beter zijn in artikel 7, tweede streepje, de woorden « Europese Unie » te vervangen door de woorden « Europese Economische Ruimte », om elk probleem te voorkomen van discriminatie ten aanzien van gegadigden die praktische kennis of nuttige beroepservaring hebben opgedaan in een Lid-Staat van de Europese Economische Ruimte, doch niet van de Europese Unie. Artikel 10 In paragraaf 2 zouden de woorden « zoals het gewijzigd is », alsmede de tweede zin, moeten vervallen. Met deze tweevoudige wijziging wordt tegemoetgekomen aan het opzet van de steller van het ontwerp om zowel de huidige als de toekomstige versies van het besluit van 1 maart 2003 toepasselijk te verklaren. Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor artikel 16 van het ontwerp. Artikel 14 In artikel 14, 2°, zou het woord « eventueel » moeten vervallen. Het zou bovendien nuttig zijn te preciseren dat de assessoren eveneens stemgerechtigd zijn. Artikel 16 In plaats van te schrijven « in uitzonderlijke omstandigheden », zou het duidelijker zijn om, zoals in het verslag aan de Koning wordt uitgelegd, te schrijven « in geval van noodzaak gerechtvaardigd door dringende en specifieke behoeften van het Instituut »
(5). Deze precisering maakt het mogelijk te controleren of het Instituut geen onrechtmatig gebruik maakt van de in artikel 16 geboden mogelijkheid.
  1. De Minister van Ambtenarenzaken heeft in zijn brief van 5 oktober 2006 bovendien gesteld dat de mogelijkheid om vergelijkende selecties te organiseren ten minste ter goedkeuring zal moeten worden voorgelegd aan Selor en dat Selor moet toezien op de kwaliteit van de in dat kader verrichte selecties. Artikel 16 voorziet in casu wel in een kwaliteitscontrole door Selor, doch niet in de goedkeuring van Selor. Artikel 17 Er zou moeten worden gepreciseerd uit welke personen de voorzitter van de in artikel 17 bedoelde selectiecommissies kan worden gekozen. Artikel 19 In het tweede lid schrijve men « gesteld bij artikel 6, § 1 ». Artikelen 20, 21, 22 en
  2. Het is wenselijk in artikel 20, eerste lid, te preciseren dat gedoeld wordt op de buitengewone en tijdelijke personeelsbehoeften « in de zin van artikel 73, § 2, tweede lid, l°, van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven », naar het voorbeeld van de werkwijze in artikel 24, § § 1 en 2, eerste lid, van het ontwerp.
  3. In artikel 21, § 1, eerste lid, moet verwezen worden naar onderdeel 2° van de voormelde wetsbepaling.
  4. In artikel 22, eerste lid, moet verwezen worden naar onderdeel 3° van diezelfde bepaling.
  5. In artikel 24, § 1, schrijve men « zoals bedoeld in artikel 73, § 2, tweede lid, 4°, [...] ». Om rekening te houden met het feit dat een koninklijk besluit, krachtens het beginsel van de hiërarchie in de regelgeving, geen wet mag interpreteren, wordt bovendien aangeraden tussen het woord « moet » en de woorden « worden verstaan », de woorden « voor de toepassing van dit besluit » in te voegen. In artikel 24, § 1, 4°, is er sprake van « het personeel bestemd om onvolledige prestaties te verrichten ». De afdeling wetgeving wijst erop dat dit personeel en het personeel waarvan sprake is in artikel 73, § 2, tweede lid, 4°, niet noodzakelijk met elkaar overeenstemmen. De tekst moet dienovereenkomstig worden herzien.
  6. In artikel 24, § 2, schrijve men « zoals bedoeld in artikel 73, § 2, tweede lid, 4°, [...] ». Om de hierboven opgegeven redenen wordt voorgesteld om tussen het woord « moet » en de woorden « worden verstaan » de woorden « voor de toepassing van dit besluit » in te voegen. Artikel 25
  7. Wat paragraaf 3 betreft, zou het wenselijk zijn in het verslag aan de Koning de inhoud te vermelden van respectievelijk « het algemene gedeelte » en de zogenaamde « bijkomende proef ».
  8. Uit paragraaf 3, tweede lid, kan niet worden opgemaakt of alle geslaagden voor het algemene gedeelte zullen worden opgeroepen om deel te nemen aan het bijkomende gedeelte.Indien zulks het geval is, zijn de woorden « in de volgorde van hun rangschikking » nutteloos. Als het in de bedoeling ligt in de volgorde van de rangschikking na het algemene gedeelte slechts een aantal gegadigden op te roepen in verhouding tot het aantal openstaande betrekkingen, zou deze precisering in de tekst moeten worden opgenomen. Artikel 26 In paragraaf 1, eerste lid, verdient het aanbeveling te preciseren of de woorden « mededeling van de beslissing » doelen op het toezenden van de beslissing door de raad dan wel op de ontvangst ervan door de geslaagde. Een zodanige precisering voorkomt interpretatieproblemen in geval van betwisting.
  9. Om elk probleem ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van non-discriminatie, die door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden bekrachtigd, te voorkomen, wordt voorgesteld in paragraaf 1, tweede lid, de woorden « met toepassing van de bepalingen van nationaal of internationaal recht » te gebruiken in plaats van de thans ontworpen beperkende formulering.
  10. De redactie van paragraaf 2, eerste zin, zou moeten worden verduidelijkt.Voor deze eerste zin zou de volgende formulering in aanmerking kunnen worden genomen, indien zij echt overeenstemt met de bedoeling van de steller van het ontwerp : « Indien verscheidene geslaagden uit eenzelfde vergelijkende selectie terzelfder tijd worden opgeroepen, hebben zij rang op grond van hun rangschikking bij de eerste vergelijkende selectie. »
  11. De betekenis van de tweede zin van artikel 26, § 2, eerste lid, is niet duidelijk.Indien men na de woorden « de laagste na hem gerangschikte » de woorden « die reeds in dienst is » erbij moet denken, zou het beter zijn zulks uitdrukkelijk te vermelden in de tekst. Hoe dan ook moet er klaarheid worden gebracht in deze zin. De vraag rijst ook of het logisch en billijk is dat een geslaagde, van wie na onderzoek blijkt dat zijn gedrag voldoet aan de vereisten van het ambt, desondanks benadeeld wordt in zijn rangschikking ten aanzien van de overige gegadigden naar wier gedrag geen onderzoek is verricht.
  12. Het is de afdeling wetgeving niet duidelijk wat het nut is van de woorden « en zij kunnen alleen tot de proeftijd worden toegelaten indien een betrekking vrijkomt vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergelijkende selectie » in paragraaf 2, tweede lid.Aan die voorwaarde lijkt te moeten zijn voldaan vóór iedere aanwerving, aangezien het slagen voor een vergelijkende selectie geen recht geeft op een benoeming. Voorgesteld wordt derhalve dit zinsdeel weg te laten. Artikel 27 In de paragrafen 2 en 3 moet vóór het woord « geschiktheidsvoorwaarden » het woord « medische » ingevoegd worden. Artikel 28
  13. In artikel 28, eerste lid, moeten de woorden « controleert de afgevaardigd bestuurder de algemene toelaatbaarheidsvereisten voorzien in artikel 6, 5° (lees : bepaald in artikel 6, § 1, 5°) » gepreciseerd worden. Indien daarmee alleen wordt bedoeld dat wordt nagegaan of de betrokkene geslaagd is voor een vergelijkende selectie in de zin van artikel 6, § 1, 5°, zou het beter zijn de genoemde woorden te vervangen door de volgende formulering « controleert de afgevaardigd bestuurder, in voorkomend geval
(6), of het algemene toelaatbaarheidsvereiste bepaald in artikel 6, § 1, 5°, vervuld is ».
  1. In artikel 28, eerste lid, in fine, moet in de Franse tekst, ter wille van een eenvormige terminologie, het woord « particulières » vervangen worden door het woord « spéciales ».
  2. Bovendien moeten in artikel 28, tweede lid, de woorden « de overige toelaatbaarheidsvereisten » vervangen worden door de woorden « de toelaatbaarheidsvereisten bepaald in artikel 6, § 1, 1° tot 4° », ten minste als dat de bedoeling is van de steller van het ontwerp.Die voorwaarden moeten in ieder geval gepreciseerd worden. Artikel 29 Het volledige opschrift van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 02/05/2003 numac 2003000309 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie sluiten4 moet worden vermeld ( decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 02/05/2003 numac 2003000309 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie sluiten4 betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie). Artikel 31 De afdeling wetgeving merkt op dat het omstandigheidsverlof genoemd in artikel 15bis van het koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 02/05/2003 numac 2003000309 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie sluiten0 niet vermeld wordt in artikel 31, § 2, derde lid, 3°, van het ontwerp. Er wordt voorgesteld na te gaan of dat verlof bewust is weggelaten. Artikel 33
  3. Wat paragraaf 2 betreft, zou het nuttig zijn te preciseren dat de proeftijd slechts één keer kan worden verlengd.
  4. Voorgesteld wordt om aan het einde van paragraaf 2 de volgende zin toe te voegen : « Er wordt te werk gegaan als vermeld in para graaf 1 ». Artikelen 34 en 35
  5. De afdeling wetgeving vraagt zich af of het voorstel bedoeld in artikel 35, § 1, niet eveneens zou moeten worden vermeld in artikel 34 als een voorstel waartegen beroep kan worden ingesteld bij de Raad van beroep.In dat geval zou de volgorde van de artikelen 34 en 35 moeten worden omgekeerd.
  6. In verband met het ontslag zonder opzegging wegens een zware fout, waarin artikel 35, § 2, voorziet, merkt de afdeling wetgeving op dat de idee van een aanmaning zich niet verdraagt met de idee van een zware fout.De woorden « of aangemaand » zouden dus moeten vervallen. Artikel 36 Om iedere onduidelijkheid te voorkomen omtrent de betekenis van de woorden « in de volgorde » gebruikt in de Nederlandse versie, en de woorden « dans l'ordre suivant », gebruikt in de Franse tekst, wordt de volgende tekst voorgesteld : « Bij hun aanstelling in vast verband worden de ambtenaren, met ranginneming op de datum van de benoeming op proef en met inachtneming, in elk van de hiernavolgende groepen, van de rangschikking waarvan sprake in artikel 8, eerste lid, in deze volgorde gerangschikt : eerst zij die na de normale duur van de proeftijd voldoening geven, en vervolgens zij die voldoening geven na verlenging van de proeftijd ». Artikel 39 In artikel 39, tweede lid, is het beter te schrijven « cette interdiction vaut également [...] », in plaats van « ceci vaut également [...] »; die formulering zou bovendien nauwer aansluiten bij de Nederlandse versie van de tekst. Artikel 40 Aan paragraaf 2, tweede lid, behoort, zoals in artikel 11, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, te worden toegevoegd dat « de Raad daartoe de toegang waarborgt tot de voortgezette opleiding, onder meer met het oog op de uitbouw van de beroepsloopbaan ». Artikel 42 In de Franse versie van artikel 42 lijkt er in de plaats van « de consulter personnellement son dossier » het volgende te moeten staan : « de consulter son dossier personnel », in navolging van wat er in artikel 9 van het voornoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1937 staat. Artikel 43 In artikel 43 is er eerst sprake van ambtenaren en contractuele personeelsleden (« Met de hoedanigheid van ambtenaar of contractueel personeelslid is onverenigbaar [...] »), maar daarna enkel nog van ambtenaren, wat niet logisch is. Voorgesteld wordt artikel 43 als volgt te stellen : « Met de hoedanigheid van ambtenaar of contractueel personeelslid is onverenigbaar elke bezigheid die door de betrokkene zelf, hetzij door zijn echtgenoot of de persoon met wie hij samenleeft, hetzij door een tussenpersoon, wordt verricht, en die het Instituut nadeel kan berokkenen, het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt in strijd is. » Artikel 44 In artikel 44, § 1, tweede lid, moet de verwijzing naar artikel 20 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen begrepen worden als een verwijzing naar artikel 23 van dat Wetboek. De bepaling moet in die zin worden verbeterd. Artikel 45
  7. In paragraaf 1, eerste lid, schrijve men « In afwijking van artikel 44, § 1, eerste lid », in plaats van « Bij afwijking van artikel 45, § 1, eerste lid ».
  8. Het laatste lid van paragraaf 2 moet vervallen, aangezien de betrokken beslissingen hoe dan ook gemotiveerd moeten worden krachtens de wet van 29 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/07/1991 pub. 18/12/2007 numac 2007001008 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. - Duitse vertaling sluiten.Dezelfde opmerking geldt voor de artikelen 87, § 3, en 88, § 2, derde lid. Artikel 46
  9. Voorgesteld wordt in paragraaf 3 aan de woorden « zijn rechten op een eventueel (lees : eventuele) latere benoeming » de woorden « in die graad » toe te voegen.
  10. De afdeling wetgeving vraagt zich af of de bepaling van paragraaf 3 zo begrepen moet worden dat ingeval de ambtenaar een bevordering weigert, deze een recht van voorrang heeft om in de eerstvolgende bevorderingsbetrekking die nadien openvalt bevorderd te worden.Het zou hoe dan ook beter zijn de tekst te verduidelijken. Artikel 48 Het is beter te schrijven « nodig blijkt » in plaats van « noodzakelijk wordt bevonden. » Artikel 57
  11. De inhoud van de functioneringsgesprekken is thans zeer vaag bepaald in artikel 57.Aangezien die gesprekken onder meer bedoeld zijn om het bedrag van de beheerstoelage die voor de afgelopen periode voorgesteld zal worden, toe te lichten, lijkt het raadzaam die bepaling concreter te stellen. Zo bijvoorbeeld zou artikel 57, § 1, tweede lid, 2°, als volgt kunnen worden gesteld : « 2° de resultaten bereikt door het personeelslid en de algemene bekwaamheden waarvan hij blijk heeft gegeven ten aanzien van de doelstellingen die hem tijdens het voorgaande planningsgesprek uiteen zijn gezet. »
  12. De laatste zin van paragraaf 4, tweede lid, lijkt overbodig, aangezien in artikel 63, § 1, 3°, reeds bepaald is dat het verslag « van alle al dan niet verplichte functioneringsgesprekken » moet worden neergelegd.Die zin moet bijgevolg vervallen. Artikel 58 Het zou duidelijker zijn artikel 58, § 1, derde lid, als volgt te stellen : « Tijdens het begeleidingsplan wordt maandelijks een gesprek gehouden waarvan de voornaamste vaststellingen en afspraken worden genoteerd. Dat begeleidingsplan loopt tot het volgende verplichte functioneringsgesprek en wordt tijdig gestart zodat het steeds minimaal 3 maanden duurt. » Artikel 59
  13. Naar analogie van het tekstvoorstel gedaan in de Franse versie van dit advies, schrijve men in paragraaf 2, eerste lid, « stelt de beoordelaar het beschrijvende beoordelingsverslag op » in plaats van « finaliseert de beoordelaar het beschrijvende beoordelingsverslag ».
  14. Het zou beter zijn in hetzelfde lid aan het einde te schrijven « en de persoonlijke bijdrage van de beoordeelde aan het bereiken daarvan » in plaats van « en de persoonlijke bijdrage van de beoordeelde hieraan ». Artikel 60
  15. De uitdrukking « Het beschrijvende beoordelingsverslag van het eindgesprek » in artikel 60, § 1, initio, is enigszins vreemd.Het zou misschien beter zijn te spreken van « Het beschrijvende beoordelingsverslag dat volgt op het eindgesprek ». Deze opmerking geldt ook voor artikel
  16. In diezelfde paragraaf 1 lijkt het beter te schrijven « bevat geen voorstel van eindvermelding » in plaats van « omvat geen eindvermelding ».Zoals blijkt uit artikel 61 beslist immers de Raad en niet de beoordelaar over de beoordeling die wordt toegekend.
  17. Wat artikel 60, § 2, tweede lid, betreft, wordt verwezen naar opmerking nr.4 bij artikel 48 in het voornoemde advies 41.495/
  18. Het zou juister zijn in de Franse versie van artikel 60, 3, in fine « cycle d'évaluation écoulé » te schrijven in plaats van « cycle d'évaluation précédent ». Artikel 61
  19. Artikel 61 hoort veeleer thuis tussen de huidige artikelen 63 en 64, zodat de chronologische volgorde van de verschillende fasen van de procedure geëerbiedigd wordt.In dat geval zouden de artikelen 62 en 63 de artikelen 61 en 62 worden, en zou artikel 61 artikel 63 worden.
  20. Het zou nuttig kunnen zijn aan het einde van het huidige artikel 61 toe te voegen dat de Raad zich uitspreekt over de beoordelingsvoorstellen « op basis van het individueel beoordelingsdossier ». Artikel 64 Het is de afdeling wetgeving niet duidelijk waarom alleen voor de vormvoorschriften bepaald in de in artikel 64 opgesomde artikelen in een specifieke regeling is voorzien. Moeten de overige vormvoorschriften beschouwd worden als procedurefouten die ertoe leiden dat de hele procedure ab initio onregelmatig is ? Artikel 64 moet wat dat betreft verduidelijkt worden. Artikel 66
  21. Het zou nuttig zijn dat in het verslag aan de Koning wordt uitgelegd wat de strekking is van de afwijking waarvan sprake in paragraaf 2, tweede zin van de voorliggende bepaling.
  22. In paragraaf 3 schrijve men « Het ontslag of de afdanking na... » . Artikel 67
  23. Het zou duidelijker zijn in het tweede lid te schrijven''[...] aan achtmaal deze bezoldiging indien de ambtenaar minstens tien jaar en minder dan twintig jaar dienst heeft en aan zesmaal deze bezoldiging indien de ambtenaar minder dan tien jaar dienst heeft ». Daarnaast wordt voorgesteld aan het einde van het tweede lid te preciseren op welk tijdstip die anciënniteitvoorwaarden vervuld moeten zijn (bijvoorbeeld « op het tijdstip waarop het ontslag hem wordt betekend »).
  24. In het derde lid staat dat de bezoldiging die in aanmerking genomen moet worden, de bezoldiging is die verschuldigd is voor volledige prestaties.Indien daaruit afgeleid moet worden dat de vergoeding van twaalf-, acht- of zesmaal de laatste maandbezoldiging steeds berekend wordt op basis van « voltijdse » bezoldigingen, ook al werkte de werknemer deeltijds, zou er een probleem van discriminatie zijn ten aanzien van de voltijds werkende werknemers. Het derde lid moet zo worden gesteld dat zulk een probleem van discriminatie voorkomen wordt. Artikel 68 De tekst moet worden aangevuld met de volgende woorden « bij het verstrijken van de termijn van vijf werkdagen bepaald in artikel 59, § 2, derde lid ». Artikel 69
  25. In onderdeel 1° moet de tekst aangevuld worden met de woorden « Ze wordt bevordering door verhoging in graad genoemd ».
  26. De uitdrukking « benoeming van een ambtenaar tot een graad van een hoger niveau » in artikel 69 is dubbelzinnig.Het is niet duidelijk of hiermee alleen de overgang naar een hoger niveau wordt bedoeld (waarbij onder de term « niveau » de niveaus A, B, C en D worden verstaan), dan wel of het ook kan gaan om de overgang naar een hogere graad van hetzelfde niveau. Het is ongetwijfeld deze tweede uitleg die overeenstemt met de bedoeling van de steller van het ontworpen besluit
(7); de betrokken uitdrukking moet bijgevolg vervangen worden door de woorden « benoeming van een ambtenaar tot een graad van een hoger niveau of van een hogere rang ». Artikel 70 In paragraaf 1 moeten de woorden « een bevordering in graad » vervangen worden door de woorden « een bevordering door verhoging in graad ». Artikel 72
  1. In paragraaf 2 hebben de woorden « doet de Raad een beroep op Selor » geen juridische strekking.Het zou bijvoorbeeld beter zijn te schrijven dat die vergelijkende selecties georganiseerd worden « onder de verantwoordelijkheid van Selor ».
  2. Met betrekking tot de woorden « in uitzonderlijke omstandigheden » wordt verwezen naar opmerking nr.1 bij artikel
  3. Artikel 78
  4. De steller van het ontwerp wordt verzocht na te gaan of de vermelding van de graad « eerste adviseur » in paragraaf 1 geen vergissing is.In bijlage II van het ontworpen besluit wordt de graad « eerste adviseur » immers niet genoemd als één van de graden die toegankelijk zijn bij wege van werving. Bovendien is er in paragraaf 1, tweede lid, sprake van « graad » in het enkelvoud, en wordt verder in artikel 78 alleen de graad « adviseur » genoemd. De vermelding van de graad « eerste adviseur » in paragraaf 1 moet in voorkomend geval vervallen.
  5. De strekking van paragraaf 2 is niet duidelijk.Er behoort te worden nagegaan of de woorden « sélection de carrière » gebruikt in de Franse versie wel overeenstemmen met de Nederlandse term « bevorderingsselectie ». Het zou misschien beter zijn in de Franse versie de woorden « sélection comparative de promotion » te gebruiken. Artikel 80
  6. Voorgesteld wordt in paragraaf 2, eerste lid, veeleer te schrijven « aan de ambtenaren die in aanmerking komen voor een bevordering met toepassing van paragraaf 1 » in plaats van « aan de voor benoeming in aanmerking komende ambtenaren ».
  7. Het zou beter zijn het tweede lid van dezelfde paragraaf 2 als volgt te stellen : « Alleen de sollicitaties die in de vorm en binnen de termijn bepaald door de Raad zijn ingediend, worden in aanmerking genomen.» Artikel 81 In artikel 81, § 2, worden strengere anciënniteitsvoorwaarden bepaald voor de bevordering van de geslaagden tot adviseur, dan die welke voorgeschreven zijn in artikel 73, § 2, om te mogen deelnemen aan een vergelijkende selectie voor bevordering tot adviseur. Het is dus mogelijk dat geslaagden voor de vergelijkende selectie voor adviseur niet onmiddellijk benoemd kunnen worden. Die situatie is een afwijking op artikel 76, luidens hetwelk de geslaagden bevorderd worden in de volgorde van hun rangschikking. Het ontwerp moet op dat punt worden verduidelijkt. Artikel 83
  8. Artikel 83, § 2, bepaalt dat de functieopdracht « secretaresse van een Administrateur (in uitdoving), of van de Voorzitter of van een Lid van de Raad, steeds verlengbaar is ».Uit artikel 82, § 3, laatste zin, blijkt overigens dat een functieopdracht ook toegekend kan worden aan contractuele personeelsleden met een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur. De aandacht van de steller van het ontwerp wordt gevestigd op de artikelen 10, 10bis en 11 van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten, waarbij het afsluiten van verscheidene opeenvolgende arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur aan strenge voorwaarden wordt verbonden voor wat betreft de arbeidscontractanten aan wie die opdracht wordt toevertrouwd.
  9. In dezelfde paragraaf schrijve men in de Franse tekst « du Président ou d'un Membre du Conseil ».
  10. In paragraaf 4 is de strekking van de woorden « tenzij vooraf aangetoond wordt dat de opdracht een tijdelijk karakter heeft » niet duidelijk.Indien aan die woorden de betekenis moet worden gegeven « tenzij onmiddellijk duidelijk is dat de opdracht minder lang zal duren
(8)», zou het beter zijn de laatstgenoemde formulering te gebruiken. Artikel 85
  1. In paragraaf 1 moet bij datgene wat vermeld moet worden in de oproep tot het indienen van kandidaturen, ook de vermelding staan of voorzien wordt in een geschiktheidstest, zoals genoemd in artikel 86, tweede en derde lid.Zo ja, moeten nauwkeurig de aard, de strekking en het verloop van die test worden bepaald.
  2. Wat het tweede streepje van de opsomming van de inhoud van de oproep tot het indienen van kandidaturen betreft, lijken de woorden « tot aanbeveling strekken » niet erg geschikt.Het zou beter zijn te schrijven : « een voordeel opleveren » of « ook in aanmerking komen ». Deze opmerking geldt ook voor artikel 86, eerste lid, in fine.
  3. Wat paragraaf 2 betreft, moet in de tekst zelf worden vermeld in welke gevallen kan worden afgeweken van de oproep tot de gegadigden. Het vereisen van een motivering blijkt onvoldoende. Artikel 86 Wat de geschiktheidtesten vermeld in het tweede en het derde lid betreft, wordt verwezen naar opmerking nr. 1 bij artikel
  4. Artikel 87 Wat paragraaf 2 betreft, wordt voorgesteld om een vierde lid toe te voegen waarin wordt gepreciseerd dat de Raad in voorkomend geval besluit om de opdracht in te trekken. Artikel 88
  5. Artikel 88, § 1, zou beter paragraaf 4 van artikel 87 worden.Zo zou artikel 87 alle gevallen van beslissingen tot intrekking van een opdracht bevatten. Als dat voorstel wordt gevolgd, zouden de paragrafen 2, 3 en 4 van artikel 88 de paragrafen 1, 2 en 3 van die bepaling worden.
  6. In de huidige paragraaf 2 (die paragraaf 1 wordt), eerste lid, is het gebruik van de woorden « zoals bepaald in art.55, § 3 van het geldelijk statuut » niet duidelijk. Artikel 55, § 3, van het geldelijk statuut gaat over het percentage van de bezoldiging dat als uitgangspunt dient voor het vaststellen van het bedrag van de toelagen. De steller van het ontwerp wordt verzocht na te gaan of de verwijzing naar artikel 55, § 3, van het geldelijk statuut moet worden behouden.
  7. De woorden « deze beslissing » in het laatste lid van de huidige paragraaf 2 (die paragraaf 1 wordt) zouden moeten worden verduidelijkt.Het zou bijvoorbeeld duidelijker zijn te schrijven « (...) stelt de representatieve vakorganisaties in kennis van de beslissing om de opdracht bedoeld in het tweede lid ambtshalve in te trekken ».
  8. In verband met paragraaf 3 (die paragraaf 2 wordt) wordt erop gewezen dat de steller van het ontwerp niet mag afwijken van de uitleggingsbepalingen van de voornoemde wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten inzake de opzeggingen die in acht moeten worden genomen wanneer de opdrachthouders bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen worden. Wat de ambtenaren betreft, wordt aangeraden niet alleen de minimale, maar ook de maximale opzeggingstermijn die van de opdrachthouder kan worden geëist te preciseren, om ervoor te zorgen dat de mogelijkheid die de opdrachthouder wordt gegeven om een eind te maken aan die opdracht, werkelijk een recht is. Artikel 90 In paragraaf 1, eerste lid, in fine, zou moeten worden verduidelijkt dat het dringend en grondig onderzoek wordt verricht door de hiërarchische meerdere. Artikel 91 Paragraaf 3 zou moeten worden aangevuld met de vermelding van de handeling waarmee de tuchtvordering geacht wordt ingesteld te zijn. Artikel 93 De steller van het ontwerp wordt erop attent gemaakt dat alleen de partijen in het strafgeding recht hebben op een kopie van de vonnissen. Voor de overige personen wordt de kennisgeving van het vonnis afhankelijk gesteld van een uitdrukkelijke toestemming van de procureur-generaal bij het hof van beroep of van de auditeurgeneraal
(9). De kennisgeving van de einduitspraak van het gerecht aan het Instituut kan dus slechts als zeker worden beschouwd als het Instituut is opgetreden als burgerlijke partij in het strafgeding. In artikel 93, tweede lid, zou moeten worden verduidelijkt hoe de verjaringstermijn van zes maanden wordt berekend ingeval het openbaar ministerie de uitspraak van het gerecht niet ter kennis heeft gebracht. Artikel 95 In paragraaf 2, derde lid, zou het beter zijn in de Franse versie « agents nommés à titre définitif' te schrijven in plaats van « agents définitifs ». In het Nederlands schrijve men « vastbenoemde ambtenaren » in plaats van « ambtenaren ». In datzelfde lid zouden de woorden « goede dienst » moeten worden vervangen door een ander begrip met een juridisch controleerbare strekking. Artikel 97
  1. Het is raadzaam de woorden « zijn voornemen te kennen te geven » te laten vallen.Voorts zouden de vorm waarin een zaak aanhangig moet worden gemaakt bij de Raad van Beroep (bijvoorbeeld door het zenden van een aangetekende brief), alsook het adres en de verdere gegevens van de instantie waarbij het beroep rechtsgeldig wordt ingesteld nader moeten worden gepreciseerd.
  2. Het is ook wenselijk dat wordt gepreciseerd of de dag waarop de betrokkene het voorstel van maatregel of straf heeft geviseerd, inbegrepen is in de termijn van tien werkdagen (een andere mogelijke formulering zou zijn : « die ingaat de dag nadat hij het voorstel van maatregel of straf heeft geviseerd »).
  3. Tot slot is het raadzaam artikel 97 aan te vullen met de volgende woorden : « In dat geval gaat de termijn van tien werkdagen in de dag na die vaststelling.» Artikel 99 Het zou beter zijn in paragraaf 2 te bepalen dat een afdeling slechts op geldige wijze zitting houdt als ze is samengesteld uit evenveel assessoren aangewezen door de vakorganisaties als assessoren aangewezen door de Raad (waardoor het systeem van latere uitschakeling bij loting tijdens de stemming overbodig wordt). Het beoogde evenwicht tussen de vertegenwoordigers van de vakorganisaties en die van de Raad zal zo beter worden gewaarborgd, in het bijzonder in de ogen van de verzoeker als deze persoonlijk voor de Raad van Beroep verschijnt. Artikel 101 Voorgesteld wordt artikel 101, § 1, aan te vullen met een tweede lid dat als volgt zou kunnen worden gesteld (om rekening te houden met de termijn van tien dagen voorgeschreven in paragraaf 2, tweede lid) : « Tussen de datum van de oproeping voor de zitting en de zitting zelf moet een termijn van ten minste tien werkdagen liggen. » Artikel 104 In paragraaf 1, tweede lid, schrijve men beter « in voorkomend geval » in plaats van « eventueel ». Artikel 108 In de Franse versie van artikel 108 schrijve men beter « obtient des » in plaats van « reçoit les ». Artikel 112 Men schrijve « op non-activiteit » in plaats van « in non-activiteit ». Dezelfde opmerking geldt voor artikel
  4. In de Franse tekst gebruike men in plaats van het woord « fixé » beter het woord « prévu ». Artikel 114 In het eerste lid voege men de woorden « van indisponibiliteitstelling » toe na de woorden « onder de voorwaarden ». Artikel 120 In artikel 120 van het ontwerp lijkt « In afwijking van artikel 107 [...] » te moeten worden gelezen in plaats van « In afwijking van artikel 108 [...] » Artikel 121 In artikel 121 moet worden verwezen naar artikel 91, §§ 1 en 3, en artikel 89 van het administratief statuut in plaats van naar artikel 92, §§ 1 en 3, en artikel 90, 5°, van dat statuut. Artikelen 125 en 128 In de artikelen 125 en 128 van het ontwerp zou het beter zijn de woorden « wanneer een afwezigheid van één jaar wordt voorzien » te vervangen door de woorden « wanneer een afwezigheid van ten minste één jaar wordt voorzien ». Artikel 129 De afdeling wetgeving merkt op dat in artikel 129 van het ontwerp (ontworpen artikel 1, § 3, 7°,) niet wordt verwezen naar het adoptieverlof, terwijl in artikel 136, tweede lid, van het ontwerp (ontworpen artikel 12, § 1, vijfde lid) wel naar dat soort verlof wordt verwezen. De steller van het ontwerp wordt verzocht na te gaan of dat wel coherent is. Artikel 132
  5. Met uitzondering van artikel 132 van afdeling VI van titel XI, hoofdstuk V, dienen de bepalingen zich niet aan als uitdrukkelijke wijzigingsbepalingen van het koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 02/05/2003 numac 2003000309 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie sluiten0 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen - wat overigens niet het geval zou kunnen zijn, gelet op de specifieke strekking van het voorliggende ontwerp -, maar als bepalingen waarin wordt voorgeschreven hoe de genoemde bepalingen van dat koninklijk besluit moeten worden gelezen voor zover ze krachtens artikel 116, eerste lid, van het ontwerp van toepassing zijn op het personeel van het BIPT. Zo moeten ook de paragrafen 3, 4 en 5 van artikel 10 van het voornoemde besluit van 19 november 1998, die worden vermeld in artikel 132 van het ontwerp, worden ingekleed, zelfs als die paragrafen, in tegenstelling tot de andere bepalingen van de voormelde afdeling VI, alleen van toepassing zouden zijn op de leden van het BIPT. De redactionele methode moet immers eenvormig blijven. Zoals de voormelde paragrafen 4 en 5 zijn gesteld en naar de vorm zijn ingevoegd in het voormelde artikel 10, lijken ze bovendien een algemene strekking te hebben in het voormelde besluit van 19 november 1998 en zou paragraaf 3 alleen van toepassing zijn op « het Instituut » zonder dat in het voornoemde besluit van 19 november 1998, dal niet uitdrukkelijk wordt gewijzigd, vooraf zou zijn verduidelijkt dat het om het BIPT gaat. De inleidende zin van artikel 132 moet dus als volgt worden gesteld : « Artikel 10 moet zo worden gelezen dat het paragrafen 3, 4 en 5 bevat die als volgt zijn gesteld : »
  6. Wat het ontworpen artikel 10, § 4, eerste streepje, betreft, moet worden opgemerkt dat de ambtenaar het genoemde uitzonderlijk verlof niet krijgt « om zich kandidaat te stellen », maar wel om het mandaat uit te oefenen waartoe die kandidatuur kan leiden.De tekst moet in die zin worden rechtgezet. Deze opmerking geldt ook voor artikel 135 van het ontwerp. Artikel 138 Er bestaat al een paragraaf 5 in artikel 14 van het voormelde koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 02/05/2003 numac 2003000309 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie sluiten
  7. Als het de bedoeling is van de steller van het ontwerp dat de voorgestelde tekst wordt gelezen als een vervangende tekst voor het huidige artikel 14, § 5, van het voormelde koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 02/05/2003 numac 2003000309 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie sluiten0, dan moet - volgens dezelfde redactionele methode die in de rest van afdeling VI van titel XI, hoofdstuk V, wordt gevolgd en om te voorkomen dat verkeerdelijk wordt geschreven dat artikel 14, § 5, algemeen, voor alle personeelsleden waarop dat besluit van toepassing is, uitdrukkelijk vervangen wordtde inleidende zin van artikel 138 als volgt worden gesteld : « Artikel 14, § 5, moet als volgt worden gelezen : » De inleidende zin van artikel 138 lijkt echter op de invoeging van een paragraaf te wijzen en niet op de vervanging van een paragraaf, wat kan doen vermoeden dat het de bedoeling van de steller van het ontwerp is om te bepalen dat het voormelde artikel 14 zo moet worden gelezen als bevatte het een nieuwe paragraaf. Dat lijkt de bedoeling te moeten zijn, gelet op de strekking van de genoemde paragraaf. Als dat werkelijk het geval is, zou, nog altijd om de vermelde redenen, mutatis mutandis, in opmerking nr. 1 over artikel 132, de inleidende zin van artikel 138 als volgt moeten worden gesteld. « Artikel 14 moet worden gelezen als bevat het een paragraaf 4bis die als volgt luidt : » Artikel 139 De Franse versie van artikel 139 van het ontwerp (ontworpen artikel 45, eerste lid) bevat een verschrijving : in plaats van « à quelque titre que ce soit et sans interruption de carrière » moet worden geschreven : « à quelque titre que ce soit et sans interruption volontaire »
(10). De ontworpen bepaling moet in die zin worden rechtgezet. Artikel 149 In artikel 149, eerste lid, is in de onderdelen 3° en 4° geen rekening gehouden met de omstandigheid dat bepaalde personen de Belgische nationaliteit en de nationaliteit van een Staat van de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse Bondsstaat kunnen hebben. Daarom wordt voorgesteld de woorden « zonder er een andere te verwerven » in die twee bepalingen te vervangen door de woorden « zonder te doen blijken van de nationaliteit ». Artikel 150
  1. Wat onderdeel 1° betreft, zou het beter zijn niet alleen de minimumduur te bepalen van de opzeggingstermijn die door de ambtenaar in acht moet worden genomen, maar ook de maximumduur die kan worden geëist.
  2. Voorgesteld wordt aan onderdeel 3° de volgende woorden toe te voegen « verkregen bij de beoordeling bedoeld in de artikelen 56 en volgende ». Artikel 152 De steller van het ontwerp wordt verzocht na te gaan of aan het einde van de beschouwde bepaling niet veeleer moet worden verwezen naar artikel 26, § 2, van het geldelijk statuut in plaats van naar artikel 26, § 1, van dat statuut. Artikel 153 Die bepaling wijkt af van het algemene beginsel dat bestuurshandelingen niet mogen terugwerken en mag bijgevolg niet met terugwerkende kracht een rechtsgrond verlenen aan onregelmatige handelingen die onwettig zouden zijn verricht onder de gelding van de vroegere regelgeving. Aangezien het volgens het verslag aan de Koning in het bijzonder de bedoeling is handelingen te regulariseren die door een onbevoegde overheid zijn verricht, zou alleen de wetgever, onder bepaalde voorwaarden, de regularisering van zulke handelingen kunnen opzetten. Artikel 159
  3. Het is de afdeling wetgeving niet duidelijk waarom paragraaf 1 bepaalt dat de drie daarin genoemde koninklijke besluiten « niet meer van toepassing zijn », in plaats van te bepalen dat ze worden opgeheven.De gebruikte bewoordingen gaan alleen op, als de drie besluiten in kwestie van toepassing blijven op andere personen dan de ambtenaren bedoeld in artikel 2 van het ontwerp. Op het eerste gezicht lijkt dat niet het geval te zijn. Bovendien lijkt het tweede van de aangehaalde koninklijke besluiten nooit van toepassing te zijn geweest op de ambtenaren bedoeld in artikel 2, aangezien dat koninklijk besluit betrekking heeft op het statuut van het contractueel personeel. Paragraaf 1 moet dus worden herzien.
  4. In paragraaf 2 moeten de woorden « en van de specifieke administratieve reglementen met betrekking tot die graden » vervallen, aangezien de opheffing van het koninklijk besluit dat de grondslag van die reglementen vormt, voldoende is. Artikel 160 De bepalingen betreffende de inwerkingtreding willen het ontworpen besluit terugwerkende kracht verlenen (behalve wat de artikelen 44 en 45 van het ontwerp betreft). Het verslag aan de Koning bevat geen uitleg over de redenen voor die terugwerkende kracht, noch over de respectieve data van inwerkingtreding die voor de verschillende bepalingen zijn vastgelegd. Zoals de afdeling wetgeving reeds herhaaldelijk heeft opmerkt
(11), is het verlenen van terugwerkende kracht aan besluiten slechts onder bepaalde voorwaarden toelaatbaar, namelijk ingeval voor de retroactiviteit een wettelijke machtiging bestaat, de retroactiviteit betrekking heeft op een regeling die met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel voordelen toekent of in zoverre de retroactiviteit noodzakelijk is voor de goede werking van de diensten en erdoor, in beginsel, geen verkregen situaties worden aangetast. De steller van het ontwerp zal moeten kunnen aantonen dat de geplande terugwerkende kracht aan één van die gevallen beantwoordt. De kamer was samengesteld uit : De heren : R. Andersen, eerste voorzitter van de Raad van State; P. Liénardy en P. Vandernoot, staatsraden; Mevr. C. Gigot, griffier. Het verslag werd uitgebracht door Mevr. W. Vogel, auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. Liénardy. De griffier, De eerste voorzitter, C. Gigot. R. Andersen.
(1)Verslag aan de Koning, blz.2.
(2)Sommige contractuele personeelsleden die worden « aangeworven om bijkomende taken uit te voeren » kunnen eveneens in dienst worden genomen voor onbepaalde duur, maar in artikel 82, § 1, wordt duidelijk niet gedoeld op die personen.
(3)Zie artikel 82, § 1, van het ontwerp.
(4)Zie artikel 82, 9 5, van het ontwerp.
(5)Verslag aan de Koning, onderaan bladzijde 4.
(6)Artikel 6, § 1, 5° legt het slagen voor een vergelijkende selectie alleen op aan de graden opgesomd in bijlage II.
(7)Dat wordt bevestigd in artikel 79 van het ontwerp, dat betrekking heeft op bevorderingen tussen verschillenden rangen van niveau 1 (artikel 79 slaat inderdaad op bevorderingen aangezien het zich aandient als een afwijking op de artikelen 70, § 1, en 72, § 1, eerste lid, waarin expliciet sprake is van bevorderingen).
(8)Ze kan niet langer duren (zie artikel 83, § 1).
(9)Artikel 125 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.
(10)Zie de Nederlandse versie van de tekst (« en zonder vrijwillige onderbreking ») en de huidige versie van artikel 45, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 02/05/2003 numac 2003000309 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie sluiten0.
(11)Zie bijvoorbeeld advies 38.185/1 van 17 maart 2005 over een ontwerp dat heeft geleid tot het ministerieel besluit van 31 mei 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 02/05/2003 numac 2003000309 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie sluiten3 houdende samenstelling van de Directieraad van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers (Belgisch Staatsblad van 29 juni 2006). 11 JANUARI
  1. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het administratief statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014009 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014010 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector sluiten met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector, inzonderheid op artikel 26, derde lid, gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/2006 pub. 28/07/2006 numac 2006202314 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen sluiten; Gelet op het koninklijk besluit van 18 maart 1993 tot vaststelling van het statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 september 1998 en 14 november 2001; Gelet op het koninklijk besluit van 18 maart 1993 betreffende de indienstneming van contractueel personeel bij het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie; Gelet op het koninklijk besluit van 18 maart 1993 betreffende de toepassing van sommige verordeningsbepalingen op het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2 juni 1998; Gelet op het koninklijk besluit van 18 maart 1993 tot vaststelling van de graden van de ambtenaren van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie die aan gespecialiseerde functies beantwoorden en van de specifieke administratieve reglementen met betrekking tot die graden; Gelet op het ministerieel besluit van 4 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 02/05/2003 numac 2003000309 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie sluiten2 tot vaststelling van de deelnemingsvoorwaarden aan de vergelijkende examens of examens voor bevordering in een graad van niveau 2 bij het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie; Op voorstel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie van 10 februari 2006; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën gegeven op 7 juli 2006; Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 12 september 2006; Gelet op het protocol van het Sectorcomité VIII van 25 september 2006; Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Ambtenarenzaken van 5 oktober 2006; Gelet op advies 41.494/4 van de Raad van State, gegeven op 13 november 2006, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; » Op de voordracht van Onze Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder : 1 « Instituut » : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie; 2° « Minister » : de minister of staatssecretaris die bevoegd is voor de aangelegenheden die de postdiensten of telecommunicatie betreffen;3° « Raad » : de Raad bedoeld in afdeling 3 van hoofdstuk 3 van de wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014009 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector type wet prom. 17/01/2003 pub. 24/01/2003 numac 2003014010 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector sluiten met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector;4° « statutaire ambtenaar » : ieder persoon die, bij het Instituut, op proef of in vast verband, werd benoemd;5° « contractueel personeelslid » : ieder persoon die, bij het Instituut, bij arbeidsovereenkomst in dienst werd genomen;6° « personeel » : de ambtenaren en contractuele personeelsleden van het Instituut;7° « Selor » : SELOR - het selectiebureau van de Federale Overheid;8° « afgevaardigd bestuurder » : de afgevaardigd bestuurder van Selor;9° « geldelijk statuut » : het koninklijk besluit van 11 januari 2007 houdende het geldelijk statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie. Art. 2.§
  2. Behoudens hoofdstuk III van Titel II is dit statuut van toepassing op elke statutaire ambtenaar. §
  3. Behoudens waar het uitdrukkelijk wordt vermeld zijn voor de contractuele personeelsleden enkel de bepalingen van toepassing van : 1° Titel I;2° Titel II, hoofdstukken III en V;3° Titel III;4° Titel IV;5° Titel VII;6° Titel VIII, hoofdstuk III;7° Titel X. Art. 3.De statutaire ambtenaren worden door de Raad benoemd in graden. De graad is de titel die de statutaire ambtenaar machtigt tot het bekleden van één van de betrekkingen welke met die graad overeenstemmen. Iedere benoeming wordt ter kennis gebracht van het personeel. Art. 4.§
  4. De graden worden verdeeld over vier niveaus, namelijk niveau A, dat het hoogste niveau is, en de niveaus B, C en D. Het niveau van een graad bepaalt de plaats ervan in de hiërarchie. §
  5. In niveau A worden de graden onderverdeeld in rangen naargelang hun hiërarchische positie in dit niveau. De rang wordt aangeduid door de letter van het niveau aan te vullen met een cijfer. Het laagste cijfer wordt toegekend aan de laagste rang. De graden in de rangen A2 en A3 zijn « gelijkwaardige graden ». §
  6. Binnen de niveaus B, C en D, zijn de graden gelijkwaardig. Art. 5.De verdeling van de graden, die de statutaire ambtenaren of contractuele personeelsleden kunnen bekleden, over de verschillende niveaus en, voor niveau A, over de rangen, gebeurt overeenkomstig bijlage I. TITEL II. - Werving HOOFDSTUK I. - Toelaatbaarheidsvereisten Art. 6.§
  7. Niemand kan tot statutaire ambtenaar worden benoemd indien hij niet aan de volgende algemene voorwaarden voldoet : 1° Belg zijn indien de uit te oefenen betrekking al dan niet rechtstreekse deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag inhoudt en werkzaamheden omvat strekkende tot de bescherming van de algemene belangen van de Staat, ofwel, in de overige gevallen, Belg zijn of burger van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat;2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° behoudens voor niveau D, houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift opgesomd in bijlage I bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.Het diploma of studiegetuigschrift vereist voor de beoogde graad, wordt bepaald door de Minister op voorstel van de Raad en dient in overeenstemming te zijn met het niveau van de te verlenen graad; 5° voor de graden die in bijlage II worden opgesomd, geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie. §
  8. Wanneer de aard van het ambt het nodig maakt, worden, in overeenstemming met de wet van 28 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/01/2003 pub. 09/04/2003 numac 2003012098 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Wet betreffende de medische onderzoeken die binnen het kader van de arbeidsverhoudingen worden uitgevoerd sluiten betreffende de medische onderzoeken die binnen het kader van de arbeidsverhoudingen worden uitgevoerd, medische geschiktheidvoorwaarden vastgelegd. In dat geval moet de gegadigde bewijzen de medische geschiktheid voor het uit te oefenen ambt te bezitten. Art. 7.De Raad kan, bij gemotiveerde beslissing, bijzondere toelaatbaarheidsvereisten opleggen in functie van de specifieke vereisten van de betrekking door het bezit voor te schrijven van : - specifieke diploma's of studiegetuigschriften die opgenomen zijn in de ministeriële verordening bedoeld in artikel 6, § 1, 4°; - praktische kennis of een nuttige beroepservaring verworven in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondsstaat. HOOFDSTUK II. - Werving van de statutaire ambtenaren Afdeling
  9. - Algemene bepalingen betreffende de vergelijkende selecties Art. 8.Een vergelijkende selectie leidt tot een rangschikking van de geslaagden. Onder geslaagden van twee of meer vergelijkende selecties, wordt voorrang verleend aan de geslaagden van de selectie waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum is afgesloten. Art. 9.Na het afsluiten van het proces-verbaal van de vergelijkende selectie ontvangt iedere deelnemer bericht van zijn uitslag en van zijn rangschikking. In geval van benoeming worden de uitslagen die de statutaire ambtenaar in elk selectiegedeelte heeft behaald evenals zijn rangschikking vermeld in zijn persoonlijk dossier.. Art. 10.§
  10. De vergelijkende selecties worden georganiseerd door de afgevaardigd bestuurder. De bij de organisatie te volgen regelen worden vastgelegd in een protocol afgesloten tussen de afgevaardigd bestuurder en de Raad. §
  11. Het besluit van 1 maart 2003 van de afgevaardigd bestuurder van SELOR tot vaststelling van het reglement van orde betreffende de vergelijkende selecties en de selecties, is van toepassing voor het Instituut. De bepalingen die dit besluit mochten wijzigen, aanvullen of vervangen, vinden van rechtswege toepassing op het Instituut. Art. 11.De afgevaardigd bestuurder, of de Raad in geval van toepassing van artikel 16, stelt de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de vereisten inzake diploma's of studiegetuigschriften en, in voorkomend geval, aan de vereiste bijzondere toelaatbaarheidsvereisten. Afdeling
  12. - Specifieke vergelijkende selecties Art. 12.De Raad kan de afgevaardigd bestuurder vragen een specifieke vergelijkende selectie te organiseren op basis van een door het Instituut opgesteld functieprofiel. Art. 13.De Raad kan een reserve van de geslaagden aanleggen. In dat geval wordt vooraf het aantal geslaagden bepaald dat in de reserve wordt opgenomen op basis van het aantal verwachte vacante betrekkingen. De geldigheidsduur van deze wervingsreserves, wordt bepaald op drie jaar. De Raad kan deze termijn éénmaal met een maximum van drie jaar verlengen. Art. 14.De selectiecommissies voor de specifieke vergelijkende selecties zijn samengesteld uit : 1° een voorzitter, die de afgevaardigd bestuurder of zijn vertegenwoordiger is.Hij is stemgerechtigd; 2° ten minste twee assessoren en hun plaatsvervangers.Zij zijn stemgerechtigd. De Raad wijst, na overleg met de afgevaardigd bestuurder of de ambtenaar bedoeld in het eerste lid, 1°, de assessoren van de selectiecommissie aan onder : 1° de statutaire ambtenaren bekleed met een graad die ten minste gelijk is aan die van de te verlenen graad;2° personen die, wegens hun bevoegdheid of hun specialisatie, bijzonder geschikt zijn. Art. 15.De door Ons in het kader van de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel vastgestelde uurtoelage, wordt toegekend aan de leden van de selectiecommissie voor de prestaties die verricht worden op zaterdagen, zondagen en feestdagen en gedurende een dienstvrijstelling toegekend door de Raad of door de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren. Afdeling
  13. - Vergelijkende selecties georganiseerd op eigen verantwoordelijkheid van het Instituut Art. 16.In afwijking van art. 10, § 1, kan het Instituut, in geval van noodzaak gerechtvaardigd door dringende en specifieke behoeften van het Instituut, na overleg met de representatieve vakorganisaties en in akkoord met Selor, vergelijkende selecties organiseren op zijn eigen verantwoordelijkheid en onder kwaliteitscontrole door SELOR. Art. 17.De voorzitter en ten minste twee assessoren van de selectiecommissies worden aangeduid door de Raad. De voorzitter en de assessoren worden aangeduid onder de personen bedoeld in artikel 14, tweede lid, 1° en 2°. Art. 18.De artikelen 13 en 15 zijn van toepassing op de selecties bedoeld in artikel
  14. HOOFDSTUK III. - Werving in contractueel verband Art. 19.De contractuele personeelsleden worden door de Raad aangesteld in graden. Zij moeten voldoen aan de algemene toelaatbaarheidsvereisten gesteld bij artikel 6, §
  15. Art. 20.De aanwerving van contractuele personeelsleden om te voorzien in buitengewone en tijdelijke personeelsbehoeften, zoals bedoeld in artikel 73, § 2, tweede lid, 1° van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, geschiedt bij voorrang onder de geslaagden voor een vergelijkende selectie voor de graad die overeenstemt met de te vervullen functies. Zij kunnen in dienst genomen worden voor de duur van de buitengewone en tijdelijke behoeften, zonder dat die duur langer mag zijn dan vijf jaar. Art. 21.§
  16. De contractuele personeelsleden aangeworven om taken van niveau A te vervullen welke een kennis of ervaring op hoog niveau vereisen, zoals bedoeld in artikel 73, § 2, tweede lid, 2° van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, moeten door het bezit van één of meer aanvullende diploma's of door nuttige beroepservaring aantonen de vereiste kwalificaties te hebben voor de uit te voeren taken. De uit te voeren taken en de vereiste bijzondere kwalificaties worden door de Raad bepaald en worden op de door de Raad vastgestelde wijze van bekendmaking ter kennis gebracht van het publiek. De belangstellenden moeten ten minste over tien werkdagen beschikken om te solliciteren. §
  17. De contractuele personeelsleden die krachtens § 1, eerste lid, in dienst zijn genomen, zijn dat voor de duur van de uit te voeren taken, zonder dat die duur langer mag zijn dan vijf jaar. Art. 22.De aanwerving van contractuele personeelsleden om personeel te vervangen gedurende periodes van tijdelijke afwezigheid, zoals bedoeld in artikel 73, § 2, tweede lid, 3° van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, geschiedt bij voorrang onder de geslaagden voor een vergelijkende selectie voor de graad die overeenstemt met de te vervullen functies. Zij kunnen in dienst genomen worden voor de duur van de vervangingen waarin moet worden voorzien. Art. 23.Bij ontstentenis van gegadigden die aan de voorwaarden vermeld in artikel 20, eerste lid, en artikel 22, eerste lid, voldoen, kan de Raad een beroep doen op andere gegadigden, zonder van artikel 19, tweede lid, af te wijken. Art. 24.§
  18. Onder personeel aangeworven om bijkomende taken uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 73, § 2, tweede lid, 4° van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, moet, voor de toepassing van dit besluit, worden verstaan : 1° de personen belast met onderhoudswerkzaamheden;2° de studenten aangeworven tijdens de schoolvakanties;3° het seizoenspersoneel. §
  19. Onder personeel aangeworven om bijzondere taken uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 73, § 2, tweede lid, 4° van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, moet voor de toepassing van dit besluit worden verstaan, het specifieke personeel dat nodig is voor de uitvoering van researchprogramma's of studies. De in overeenstemming met het eerste lid verrichte indienstnemingen mogen niet afgesloten worden voor een duur welke die van het researchprogramma of de studie overschrijdt en verlenen de in dienst genomen werknemers geen aanspraak op het definitief bekleden van een ambt. Onder specifiek personeel dient te worden verstaan het personeel dat de nodige wetenschappelijke of technische kwaliteiten bezit welke vereist zijn voor de uitvoering van het programma of de studie. HOOFDSTUK IV. - Indiensttreding in statutair verband Art. 25.§
  20. De Raad beslist over de datum van indiensttreding. §
  21. Werd de vergelijkende selectie georganiseerd door het Instituut of op vraag van het Instituut, dan is het Instituut bij de werving gebonden door de rangschikking, die voortvloeit uit die vergelijkende selectie. §
  22. Het Instituut kan ook geslaagden contacteren uit vergelijkende selecties waarvan het algemene gedeelte georganiseerd werd op initiatief van de afgevaardigd bestuurder. In dat geval biedt de afgevaardigd bestuurder de lijst van de geslaagden aan in de rangschikking van dit gedeelte. Het Instituut organiseert een bijkomende proef, onder het toezicht van de afgevaardigd bestuurder, en nodigt het aantal geslaagden uit dat aangewezen is ten opzichte van het aantal toe te kennen betrekkingen, in de volgorde van hun rangschikking na het algemene gedeelte. Na de bijkomende proef worden de gegadigden gerangschikt naargelang van hun geschiktheid voor de uit te oefenen functie. Bij de werving is de Raad gebonden door de rangschikking die voortvloeit uit de bijkomende proef. Art. 26.§
  23. De in dienst geroepen gegadigde dient uiterlijk in dienst te treden op de eerste dag van de derde maand volgend op de verzending van de beslissing van de Raad aan de gegadigde per aangetekende brief. Wanneer de gegadigde een opzeggingsperiode moet volbrengen bij toepassing van de bepalingen van nationaal of internationaal recht, wordt de in het eerste lid vastgestelde termijn verlengd tot de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de opzegging verstrijkt. §
  24. De gegadigden uit eenzelfde vergelijkende selectie, die gelijktijdig opgeroepen zijn, nemen rang in op de datum van hun indiensttreding met behoud van hun rangschikking bij de selectie. Indien de indiensttreding werd vertraagd omdat de geslaagde een opzeggingsperiode moet volbrengen bij toepassing van bepalingen van nationaal of internationaal recht of een onderzoek geboden was om uit te maken of het gedrag van de gegadigde wel in overeenstemming is met het uit te oefenen ambt, en indien de gegadigde door één of meer na hem gerangschikte geslaagden van dezelfde vergelijkende selectie voorbijgegaan is, dan neemt hij echter rang in op de datum waarop die geslaagde of de best gerangschikte van die geslaagden zijn proefperiode heeft aangevat. De geslaagden die om andere redenen uitstel van indiensttreding vragen, verliezen het voordeel van hun rangschikking indien aan hun verzoek wordt voldaan. Art. 27.§
  25. In de gevallen waarin een onderzoek naar de medische geschiktheid is vereist, kan de aangeworven geslaagde slechts tot benoeming worden toegelaten wanneer hij zich voor het onderzoek heeft aangemeld. §
  26. Indien hij niet aan de medische geschiktheidvoorwaarden voldoet, wordt hij ambtshalve ontslagen met een opzeggingstermijn van drie maanden. §
  27. Indien de aangeworven geslaagde die niet aan de medische geschiktheidvoorwaarden voldoet, reeds een betrekking bekleedde bij het Instituut, wordt hij teruggeplaatst in zijn vroegere graad. Art. 28.Behoudens in geval van organisatie van de vergelijkende selectie door het Instituut zelf, controleert de afgevaardigd bestuurder, in voorkomend geval, of de algemene toelaatbaarheidsvereisten bepaald in artikel 6, § 1, 4° en 5° en de bijzondere toelaatbaarheidsvereisten vervuld zijn. Het Instituut controleert of de aangeworven geslaagden voldoen aan de toelaatbaarheidsvereisten voorzien in artikel 6, § 1, 1° tot 3°. Zo er een reserve van de geslaagden is aangelegd, brengt het de afgevaardigd bestuurder op de hoogte van de aanwerving. Wanneer, in overeenstemming met artikel 6, § 1, 2°, een nader onderzoek geboden is om uit te maken of een aangeworven geslaagde een gedrag heeft dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking, wordt het dossier voor beslissing aan de afgevaardigd bestuurder bezorgd. Zolang het onderzoek duurt, wordt de geslaagde voorlopig geweerd; hij wordt op de hoogte gebracht van deze procedure. Art. 29.De statutaire ambtenaren leggen in handen van de Voorzitter van de Raad de eed af in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 02/05/2003 numac 2003000309 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie sluiten4 betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie. HOOFDSTUK V. - Dienst- en standplaatsaanwijzing Art. 30.§
  28. De Raad duidt voor iedere statutaire ambtenaar of contractueel personeelslid aan : 1° de standplaats;2° de dienst binnen deze standplaats;3° de hiërarchische meerdere ten minste titularis van een graad van niveau B. §
  29. Het Instituut erkent als standplaatsen : 1° de centrale dienst, waar de hoofdzetel gevestigd is;2° de controlecentra of gewestelijke diensten. HOOFDSTUK VI. - Proeftijd en benoeming in vast verband Art. 31.§
  30. De benoeming in vast verband is afhankelijk van het effectief vervullen van een proeftijd van één jaar. §
  31. Om de effectieve duur van de proeftijd te berekenen worden alle perioden waarin de op proef benoemde statutaire ambtenaar in actieve dienst is, in aanmerking genomen. Worden echter niet in aanmerking genomen de afwezigheden die zich

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.