📄 Wettekst
11 JANUARI 2007. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het administratief statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie
VERSLAG AAN DE KONING Sire, De
wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
17/01/2003
pub.
24/01/2003
numac
2003014009
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector
type
wet
prom.
17/01/2003
pub.
24/01/2003
numac
2003014010
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector
sluiten met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector heeft het statuut van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT) gewijzigd. Aan het BIPT werd een grotere autonomie toegekend. De Minister van Telecommunicatie beheert het Instituut niet meer als hiërarchische meerdere. Hij treedt enkel nog op als vertegenwoordiger van de Belgische Staat, met als opdracht de controle van een gedecentraliseerde instelling. Bijgevolg werd een groot deel van de bevoegdheden van de Minister overgedragen aan de Raad, die voortaan de bevoegdheid heeft om alle daden te stellen die nodig zijn voor het volbrengen van de opdrachten van het Instituut en die het vertegenwoordigt. Het past derhalve de statuten van het personeel van het Instituut dienovereenkomstig te herzien.
Anderzijds heeft bij het federale openbare ambt een diepgaande vernieuwing van het statuut van zijn ambtenaren plaatsgehad, de « Copernicus »-hervorming genoemd, waarop het onderhavige statuut van het personeel van het Instituut zich heeft geïnspireerd, maar waarbij de specificiteiten verbonden aan de regulerende opdracht behouden werden. Deze specificiteiten rechtvaardigden reeds dat het Instituut van bij zijn oprichting een statuut voor zijn personeel verkreeg dat verschillend was van dat van de andere instellingen van openbaar nut.
Er werd tevens van de gelegenheid gebruikgemaakt om de statuten van het BIPT toegankelijker en doorzichtiger te maken. Te dien einde werd gekozen voor een nieuwe tekst waardoor een volledige herziening mogelijk was, eerder dan een wijzigende tekst.
Het geheel van de bepalingen die het statuut van het personeel van het Instituut regelen, was tot nog toe verspreid over vijftien koninklijke besluiten van 18 maart 1993. Van die vijftien besluiten blijven er slechts vijf ongewijzigd. De tien overige worden verenigd in twee koninklijke besluiten houdende respectievelijk het administratief en het geldelijk statuut. Het is het eerste van die twee dat U hier wordt voorgelegd. Samen zullen zij de ruggengraat van het statuut van het personeel van het Instituut vormen.
De krachtlijnen van de hervorming zijn de volgende : - nieuwe gradenstructuur, vergelijkbaar met die van het federale openbare ambt, ingedeeld in vier niveaus, A, B, C en D; - verscheidene maatregelen om het personeel beter te motiveren : in de eerste plaats door het omvormen van het evaluatiesysteem, dat voortaan gebaseerd zal zijn op functiebeschrijvingen, in een communicatie- en begeleidingsinstrument, vervolgens door het valoriseren van de rol van titularissen van specifieke functies, van coördinator of voor het uitvoeren van een project en ten slotte door het scheppen van een promotiemogelijkheid naar niveau A. Dit verslag, dat een verduidelijking beoogt van de filosofie achter sommige bepalingen in de tekst, is tamelijk ongebruikelijk voor een besluit houdende een administratief statuut. Het is niettemin gerechtvaardigd door het belang van de tekst en draagt bij tot het streven naar doorzichtigheid.
De verklaringen die het bevat zijn toegespitst op de vernieuwingen die aangebracht worden in het statuut van 18 maart 1993 en zijn verenigd per titel.
Bespreking van de titels Titel I - Algemene bepalingen Het administratief statuut is niet alleen van toepassing op de statutaire ambtenaren van het Instituut, inclusief diegenen die ter beschikking gesteld worden van de Ombudsdienst voor Telecommunicatie.
Voor de eerste maal worden ook de delen van het statuut die van toepassing zijn op het contractueel personeel, expliciet gedefinieerd.
Het advies van de Raad van State om in de Franse tekst van de definities opgenomen in art. 1 het woord « agent » te vervangen door de woorden « agent statutaire » wordt gevolgd. In de Nederlandse tekst wordt echter het woord « ambtenaar » niet vervangen door de woorden « personeelslid in vast dienstverband » maar wel door de woorden « statutaire ambtenaar ». Dit niet alleen omdat het beter aansluit bij de voorgestelde Franse tekst, maar vooral ook omdat met deze definitie in het huidige statuut, zowel als in onderhavig besluit, niet uitsluitend de vastbenoemde ambtenaren worden bedoeld maar ook de op proef benoemde personeelsleden en beiden worden als « ambtenaren » aanzien.
Door de wijziging van het statuut van het Instituut wordt de bevoegdheid tot het benoemen van de statutaire ambtenaren overgedragen van de Minister aan de Raad. Hetzelfde geldt voor de aanwerving van contractuelen, het nemen van tuchtmaatregelen, toestaan van overplaatsingen en van alle vormen van afwezigheden, het nemen van beslissingen over het cumuleren van beroepsactiviteiten of het neerleggen van functies.
De opbouw in niveaus, rangen en graden wordt behouden.
Wel zijn, naar analogie van de « Copernicus »-hervorming, de niveaus 1, 2 en 3 respectievelijk de niveaus A, C en D geworden, ermee rekening houdende dat er in de personeelsformatie van het Instituut nooit betrekkingen van niveau 4 zijn geweest.
Nog altijd naar het voorbeeld van het federale openbaar ambt werden de graden van administratief sectiechef, technisch sectiechef en hoofdcontroleur, behorend tot rang 24, opgewaardeerd en geplaatst in het nieuwe niveau B, dat overeenstemt met het vroegere niveau 2+ van het federale openbaar ambt.
Binnen de verschillende niveaus zijn de verschillende graden hiërarchisch op gelijke voet geplaatst en gelijkwaardig verklaard, wat de verdwijning van het begrip « rang » ten gevolge heeft.
Een uitzondering hierop wordt gevormd door niveau A, waar de 3 onderstaande rangen blijven bestaan. In de oorspronkelijke benamingen van deze rangen wordt telkens het cijfer 1 van niveau 1 vervangen door de letter A van niveau A. De rangen 15, 13 en 12 worden dus respectievelijk A5, A3 en A2. - rang A5 - dus de vroegere rang 15 - waarin de graad « administrateur (in uitdoving) » wordt geplaatst; - rang A2 die de wervingsgraden van adviseur en ingenieur-adviseur bevat, alsook de nieuwe graad van informaticus-adviseur die ingevoerd wordt tot opwaardering van deze functie in navolging van wat gebeurd is bij het federale openbaar ambt; - rang A3, waarin alle ambtenaren van rang A2 na 8 jaar graadanciënniteit terechtkomen in de respectieve graden van eerste adviseur, eerste ingenieur-adviseur en eerste informaticus-adviseur.
Zoals aangeduid in bijlage I bij het besluit waarin alle bij het Instituut bestaande graden zijn opgenomen, worden twee graden in uitdoving geplaatst, namelijk « administrateur » en « controleur ».
De graad van administrateur wordt alleen behouden ten behoeve van de statutaire ambtenaren van rang 15 die deel uitmaakten van de Directieraad, die vervangen werd door de Raad bij de inwerkingtreding van de
wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
17/01/2003
pub.
24/01/2003
numac
2003014009
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector
type
wet
prom.
17/01/2003
pub.
24/01/2003
numac
2003014010
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector
sluiten met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector.
De graad van controleur wordt in uitdoving geplaatst omdat de controletaken tegenwoordig zowel betrekking hebben op administratieve als op technische aspecten en omdat een specifieke graad derhalve niet meer gerechtvaardigd is. De graad van hoofdcontroleur wordt voorlopig behouden om een bevorderingsmogelijkheid te behouden voor de titularissen van de graad van controleur (in uitdoving).
Ten slotte wordt erop gewezen dat de graden van vertaler-revisor en vertaler-revisor (vlakke loopbaan in uitdoving) worden opgeheven. De titularissen worden ondergebracht in de graad van adviseur.
Titel II. Werving SELOR blijft de instelling die belast wordt met de aanwerving van het personeel. Niettemin wordt, om het hoofd te kunnen bieden aan dikwijls dringende en specifieke behoeften, in artikel 16 in de mogelijkheid voorzien dat het Instituut zelf vergelijkende selecties kan organiseren onder eigen verantwoordelijkheid. Deze hypothese moet nochtans de uitzondering blijven en moet onderworpen worden aan voorafgaand overleg met de representatieve vakorganisaties. Bovendien zullen deze selecties gebeuren onder kwaliteitscontrole van SELOR. De
wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/03/1991
pub.
09/01/2013
numac
2012000673
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven voorzag in het bestaan van sommige gespecialiseerde functies waarin kon worden aangeworven, niet na het slagen van een examen of een vergelijkend examen, maar op basis van drie of vijf jaar nuttige beroepservaring naargelang van de graad. Die gespecialiseerde functies verdwijnen.
Een nuttige beroepservaring kan voortaan nochtans opgelegd worden door de Raad als een bijzondere toelaatbaarheidsvereiste die wordt toegevoegd aan de algemene diplomavereisten. Het geldelijk statuut bepaalt dat die vereiste nuttige beroepservaring bijgevolg kan gevaloriseerd worden door ze in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de geldelijke anciënniteit.
De aanwerving in contractueel verband blijft de uitzondering ten opzichte van de statutaire aanwerving, die de regel blijft zoals bepaald in artikel 73, § 2, 2e lid van de
wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/03/1991
pub.
09/01/2013
numac
2012000673
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten.
Het koninklijk besluit van 18 maart 1993 betreffende de indienstneming van contractueel personeel bij het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie wordt opgenomen in het onderhavige besluit. De beperking van de duur van de contracten tot maximaal vijf jaar wordt behouden, behalve indien de periode van afwezigheid van een vervangen statutair ambtenaar deze duur overschrijdt. Het blijkt inderdaad niet in het belang van de dienst te zijn dat na vijf jaar een einde moet worden gesteld aan een vervangingscontract van een ervaren personeelslid terwijl de vervangen statutaire ambtenaar de dienst nog niet heeft hervat of andere ambtenaren die soortgelijke taken vervullen, vervangen moeten worden.
Bij de indienstneming van de statutaire ambtenaren moet het Instituut de rangschikking van de vergelijkende selectie respecteren indien die specifiek voor het Instituut door SELOR werd georganiseerd of indien de selectie door het Instituut zelf werd ingericht.
Indien echter een beroep gedaan wordt op geslaagde kandidaten van een algemene selectie georganiseerd door SELOR, waarin naar algemene competenties wordt gepeild, organiseert het Instituut vervolgens een bijkomende proef onder het toezicht van SELOR. Daarin worden meer specifieke of bijkomende competenties gemeten. De geslaagde kandidaten worden uitgenodigd aan deze bijkomende proef deel te nemen in de volgorde van hun rangschikking in het algemene gedeelte. Het is echter de rangschikking die opgemaakt wordt na die bijkomende proef die de volgorde van indiensttreding bepaalt.
In artikel 30 wordt de notie « hiërarchische meerdere » gedefinieerd en worden de administratieve standplaatsen voor het eerst aangeduid.
In het kader van de proefperiode die de vaste benoeming voorafgaat, wordt het gebruik van het opmaken van een louter indicatief, tussentijds verslag na zes maanden, bekrachtigd, met als enig doel de op proef benoemde statutaire ambtenaar kennis te laten nemen van de wijze waarop zijn prestaties beoordeeld worden. Zo kan hij zichzelf eventueel verbeteren vooraleer een definitief verslag wordt opgemaakt na verloop van de proefperiode.
Titel III. Rechten en plichten Deze bepalingen werden geactualiseerd verwijzend naar het statuut van het federale openbaar ambt.
Titel IV. Onverenigbaarheden De aanvragen tot cumulatie van beroepsactiviteiten werden bij het Instituut steeds behandeld in overeenstemming met de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 46 van 10 juni 1982.
De
programmawet van 24 december 2002Relevante gevonden documenten
type
programmawet
prom.
24/12/2002
pub.
31/12/2002
numac
2002021488
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Programmawet (1)
type
programmawet
prom.
24/12/2002
pub.
31/12/2002
numac
2002021495
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Programmawet (1)
sluiten kondigt echter de opheffing van dit besluit aan. De datum van inwerkingtreding van deze opheffing moet nog bepaald worden door de Koning bij een in de Ministerraad overlegd besluit. Iedere instelling die onder het toepassingsgebied van het koninklijk besluit nr. 46 valt, zal dan zelf de nodige richtlijnen moeten uitvaardigen. Vooruitlopend hierop worden de nadere regels voor het toestaan van de cumulatie van beroepsactiviteiten aan de ambtenaren van het Instituut nu reeds opgenomen in deze titel. De bedoelde bepalingen treden echter pas in werking bij de opheffing van het koninklijk besluit nr. 46.
Behalve dat de toestemming zal worden gegeven door de Raad in plaats van door de Minister, zijn de opgenomen nadere regels vrijwel identiek met diegene die in het vermelde koninklijk besluit zijn vastgelegd.
Het spreekt vanzelf dat geen toestemming kan gegeven worden die indruist tegen artikel 27 van de
wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
17/01/2003
pub.
24/01/2003
numac
2003014009
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector
type
wet
prom.
17/01/2003
pub.
24/01/2003
numac
2003014010
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector
sluiten.
Titel V. Overplaatsing Behoudens de overdracht van de bevoegdheden van de Minister aan de Raad, zijn die bepalingen ongewijzigd gebleven.
Titel VI. Rangschikking en anciënniteit Die bepalingen bleven ongewijzigd.
Titel VII. Functiebeschrijving en beoordeling De verplichte beoordeling wordt omgevormd tot een communicatie- en begeleidingsinstrument dat gebaseerd zal zijn op een functiebeschrijving. De wisselwerking met de veralgemeende en progressieve beheerstoelage, zoals die vastgelegd wordt in het geldelijk statuut, zal er een motiverend managementstool van maken.
Dit heeft eveneens betrekking op de contractuele personeelsleden voorzover de duur van hun contract gelijk is aan of groter dan twaalf maanden.
De functiebeschrijving is het beginpunt van het gehele systeem. Ze bestaat uit een overzicht van alle taken die in een bepaalde dienst door eenzelfde groep van personeelsleden worden verricht. Ze kan nochtans geïndividualiseerd worden op basis van de elementen die in aanmerking worden genomen tijdens het functiegesprek.
Die functiebeschrijvingen mogen nochtans geen keurslijf vormen, maar moeten, in het belang van de dienst, het nog altijd mogelijk maken om in specifieke gevallen taken die er niet in omschreven zijn, op te leggen. Omgekeerd, mogen ze niet gebruikt worden om aan een personeelslid taken toe te wijzen die geen verband houden met zijn functie.
De procedure voor de individuele beoordeling bestaat uit een jaarlijkse cyclus. Ze vangt aan met een planningsgesprek waarin doelstellingen worden vastgelegd.
De realisatie van die doelstellingen en, meer in het algemeen, het functioneren van het personeelslid zijn het onderwerp van twee verplichte functioneringsgesprekken. Het eerste vindt plaats na zes maanden en leidt tot een eerste waarderingscijfer. Het tweede gesprek heeft plaats na afloop van de jaarlijkse cyclus en leidt tot een tweede waarderingscijfer. Ieder van die halfjaarlijkse waarderingscijfers bepaalt het bedrag van de daarmee overeenstemmende beheerstoelage.
Na afloop van de cyclus heeft eveneens een eindgesprek plaats waarin een balans wordt opgemaakt van het volledige voorbije jaar. In geval van duidelijk ondermaatse prestaties, dat wil zeggen een totaal waarderingscijfer (gemiddelde van beide bovenvermelde halfjaarlijkse waarderingscijfers) lager dan 50/100, wordt de vermelding « onvoldoende » toegekend aan het personeelslid. Aan die laatste wordt tevens een begeleidingsplan opgelegd dat een verbetering van zijn prestaties beoogt. Indien de vermelding « onvoldoende » twee opeenvolgende keren wordt toegekend, leidt dit tot het ambtshalve ontslag of de beëindiging van het contract van het personeelslid wegens beroepsongeschiktheid.
Vermits de beoordelingscyclus loopt over een volledig kalenderjaar, met daarin twee onderscheiden perioden van zes maanden waarna een waarderingscijfer wordt toegekend in het kader van de beheerstoelage, is het onbegonnen werk om voor iedere procedurefout de cyclus ab initio te herbeginnen. Derhalve werd het nuttig bevonden in artikel 64 die inbreuken op de procedure aan te duiden die aanleiding geven tot een nieuwe toekenning van een zesmaandelijks waarderingscijfer. Er wordt nooit overgegaan tot het heropstarten van de volledige beoordelingscyclus.
In artikel 66 wordt, ter bescherming van het personeelslid, een afwijking ingevoerd in die zin dat hij ten minste 120 kalenderdagen gewerkt moet hebben en een functioneringsgesprek plaatsgehad moet hebben, alvorens hem een tweede vermelding « onvoldoende » kan worden toegekend dat leidt tot het ambtshalve ontslag.
De Raad van State meent dat de vaststelling van de ontslagvergoeding in geval van ontslag wegens twee opeenvolgende vermeldingen « onvoldoende » op basis van de wedde bij voltijdse prestaties resulteert in een discriminatie ten nadele van de ambtenaren die voltijds werken. Net zoals bij de rijksambtenaren wordt de ontslagvergoeding berekend op basis van de wedde verbonden aan een voltijdse tewerkstelling, eventueel op fictieve wijze samengesteld indien de betrokkene deeltijds werkt.
Deze vergoeding betreft enkel de statutaire ambtenaren. Voor de contractuele personeelsleden wordt verwezen naar de bepalingen van de
wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
03/07/2008
numac
2008000527
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
12/03/2009
numac
2009000158
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten en naar de interpretatie gegeven door het Arbitragehof in zijn arrest nr. 45/99 van 20 april 1999 betreffende de berekening van het bruto jaarloon van een deeltijdse bediende, waar het besluit dat er geen discriminatie is.
In plaats van het voorstel van de Raad van State te volgen wordt er de voorkeur aan gegeven de termijn voor het indienen van een beroep tegen het voorstel van een beoordeling « onvoldoende », vast te stellen op vijftien werkdagen vanaf de ontvangst van het beschrijvend beoordelingsverslag. Dit komt overeen met de som van de vijf werkdagen voorzien in artikel 59, § 2, derde lid en de oorspronkelijk in het ontwerp voorziene termijn van tien werkdagen na de teruggave van het beoordelingsverslag.
Titel VIII. Loopbaan In overeenstemming met het federale openbaar ambt, wordt duidelijk een onderscheid gemaakt tussen de bevordering door verhoging in graad en de bevordering in wedde, die verbonden is aan het geldelijk statuut.
Zoals voor de aanwervingen, blijft SELOR belast met de organisatie van vergelijkende selecties voor de bevorderingen, maar ook hier kan het Instituut onder dezelfde voorwaarden als voor de aanwervingen overgaan tot het organiseren onder eigen verantwoordelijkheid.
De voorwaarden voor deelname aan de bevorderingsselecties, voordien vastgelegd in een ministerieel besluit, worden nu geïntegreerd in het onderhavige besluit, net zoals de procedure die voordien opgenomen was in bepalingen die van toepassing waren op de rijksambtenaren.
Het vroegere BIPT-statuut voorzag niet in een promotiemogelijkheid naar niveau 1, dat nu niveau A geworden is. Het onderhavige besluit wijzigt dit dus door te voorzien in een promotiemogelijkheid naar niveau A. Het is immers moeilijk te verantwoorden dat de doorstroming van bekwame en ervaren statutaire ambtenaren wordt belet.
Die promotie wordt opengesteld voor statutaire ambtenaren van zowel niveau B als niveau C. Terwijl de statutaire ambtenaren van niveau B drie jaar niveauanciënniteit moeten hebben om bevorderd te kunnen worden, wordt van de statutaire ambtenaren van niveau C daarentegen zes jaar niveauanciënniteit vereist.
Anderzijds moet de specificiteit worden erkend van het werkgebied van het Instituut waardoor vaak een doorgedreven specialisatie wordt geëist van de statutaire ambtenaren van niveau A. Bijgevolg wordt 80 % van de betrekkingen in de graad van « adviseur » voorbehouden voor werving en dus voor houders van een specifiek universitair diploma. De overige 20 % is toegankelijk voor de bevordering. Niettemin zijn er beperkte uitzonderingen op deze regel.
Het ontbreken van een bevorderingsmogelijkheid voor de overige statutaire ambtenaren van niveau A naar de graad van administrateur, door het in uitdoving plaatsen van deze graad, betekent dat geen enkele loopbaanontwikkeling mogelijk is binnen dit niveau. Bijgevolg voorzag het vroegere statuut ter compensatie in een geldelijke vlakke loopbaan gespreid over vier opeenvolgende weddenschalen.
Het onderhavige besluit neemt dat systeem over en vervolledigt het door er bovendien voor te zorgen dat aan de overgang naar het derde barema eveneens de automatische toekenning verbonden is van de hogere graad van eerste adviseur, eerste ingenieur-adviseur of eerste informaticus-adviseur.
De elektronische communicatie is van nature een sector die zich snel ontwikkelt. Het beheer van de human resources van het Instituut was verplicht om met deze specificiteit rekening te houden. Dat is de reden waarom de voorkeur werd gegeven aan het invoeren van de hoedanigheid van « opdrachthouder », eerder dan het aantal hiërarchische trappen te verhogen.
Behalve dat dit een motiverend element vormt voor het personeel, beantwoordt deze nieuwigheid bovendien aan verscheidene behoeften; vandaar dat er verschillende types zijn van « opdrachthouder » : - belast met een bepaald project - daardoor zal er minder een beroep moeten worden gedaan op outsourcing en zullen derhalve dit type van kosten voor het Instituut verminderen. Dit betekent ook dat, voor zover de kennis of ervaring op hoog niveau bij het Instituut aanwezig is, die op deze wijze kan gebruikt en gevaloriseerd worden zonder dat hiervoor contractuele personeelsleden aangeworven moeten worden; - belast met de coördinatie van collega's van niveau A, ter vervanging van de invoering van een tussenliggende graad; - of ook om bijzondere functies uit te oefenen waaraan bijzondere verantwoordelijkheden verbonden zijn en die specifieke bekwaamheden vergen. Typisch voor dit soort opdracht is niet zozeer het tijdelijke karakter van de functie, maar wel de wenselijkheid om in functies waaraan een bijzondere vertrouwensrelatie of bijkomende vereisten verbonden zijn, zoals deze van secretaris van de Raad, niemand definitief te benoemen. De vertrouwensrelatie is ook de reden waarom de Raad enkel voor deze soort opdrachten kan afzien van een oproep tot kandidaten.
Die verschillende types behouden nochtans meerdere gemene karaktertrekken.
Ten eerste is de « opdracht » in principe van nature uit beperkt in de tijd. Om te vermijden dat dezelfde personeelsleden de uitvoering van sommige opdrachten monopoliseren, mag de betrokkene over een periode van twaalf jaar niet meer dan gedurende een al dan niet ononderbroken periode van acht jaar opdrachten uitvoeren.
Ten tweede is ze onderworpen aan een voorafgaande beschrijving van de bekwaamheden die vereist zijn om ze te kunnen uitvoeren evenals van de vaststelling van meetbare doelstellingen waarvan de realisatie op gezette tijden wordt geëvalueerd.
Elke beschrijving van nieuwe opdrachten of substantiële wijziging in bestaande opdrachten moet vooraf onderworpen worden aan het overleg met de representatieve vakorganisaties.
Het uitschrijven van opdrachten is onderworpen aan een oproep voor het indienen van kandidaturen die zowel toegankelijk is voor statutaire ambtenaren als voor contractuele personeelsleden met een contract van onbepaalde duur. Onder contractuele personeelsleden met een contract van onbepaalde duur wordt bedoeld, enerzijds de contractuele personeelsleden belast met onderhoudswerkzaamheden en anderzijds de personeelsleden die met een dergelijk contract overgekomen zijn van Belgacom naar het Instituut naar aanleiding van de oprichting van de « Ombudsdienst voor Telecommunicatie ».
De opdrachten kunnen naargelang van hun aard toegekend worden aan personeelsleden van alle niveaus (A, B en C samen of D).
Als reactie op de opmerking van de Raad van State, wordt er voorzien dat, als een geschiktheidstest wordt opgelegd of de organisatie ervan mogelijk is, de nadere regels van deze test worden vastgelegd in een ministerieel uitvoeringsbesluit.
Een opdracht kan op verschillende wijzen worden beëindigd : ofwel door de Raad om functionele redenen of in geval van een negatieve beoordeling van de uitvoering van de opdracht, ofwel door toedoen van het betrokken personeelslid, expliciet of als gevolg van een regime van deeltijdse arbeid van minder dan 4/5.
Om te antwoorden op een opmerking van de Raad van State, wordt er de aandacht op gevestigd dat, wat de contractuele personeelsleden betreft, de beëindiging van een opdracht niet noodzakelijk betekent dat er een einde gesteld wordt aan hun arbeidsovereenkomst. Dit zijn twee onderscheiden handelingen.
Op te merken valt dat op geldelijk gebied de opdrachthouder een specifieke premie ontvangt in overeenstemming met het respectieve gewicht van de hem toevertrouwde opdracht.
Ten slotte moeten nog sommige bijzonderheden onderstreept worden die verbonden zijn aan de opdracht van secretaresse van een lid van de Raad of van een administrateur. Die opdracht kan namelijk ook toevertrouwd worden aan een titularis met een contract van bepaalde duur; bovendien kan de opdracht onbeperkt verlengd worden. Daarentegen heeft het einde van de opdracht tot gevolg dat een sabbatsperiode van 4 jaar wordt ingesteld waarin de betrokkene geen enkele opdracht meer mag uitvoeren, behoudens een nieuwe opdracht van secretaresse.
Titel IX. Tuchtregeling De tuchtregeling van het Instituut wordt in overeenstemming gebracht met diegene die opgenomen is in de « algemene principes ». Zo werd bijvoorbeeld de « berisping » vervangen door de « terechtwijzing » en de « blaam » en de « terugzetting in rang » door de « lagere inschaling ».
Bovendien werd de procedure die het strafvoorstel voorafgaat opgenomen in het onderhavige besluit, evenals de termijnen voor de uitwissing van iedere straf.
Titel X. Raad van beroep De samenstelling van de Raad van Beroep blijft ongewijzigd.
De hervorming van het statuut van het Instituut, en in het bijzonder de overdracht van de meeste bevoegdheden van de Minister aan de Raad, maken nochtans de aanpassing van de werking van deze beroepsinstantie noodzakelijk.
Na een voor de verzoeker gunstig advies van de Raad van Beroep, werd voordien de eindbeslissing steeds genomen door de overheid die hoger geplaatst was dan diegene waarvan het voorstel of de beslissing het voorwerp uitmaakte van het beroep. De nieuwe autonomie van het Instituut heeft de Raad op de hoogste trap van de hiërarchie gezet in plaats van de Minister. Voortaan zullen de beroepen dus ingediend moeten worden tegen voorstellen en niet meer tegen beslissingen. De Raad van Beroep spreekt zich dus in geval van beroep uit tegen die voorstellen. Na kennis genomen te hebben van het advies, neemt de Raad de eindbeslissing.
Indien het aanvankelijke voorstel uitgaat van een lid van de Raad, wordt de eindbeslissing, na het beroep, genomen door de volledige Raad, doch in afwezigheid van het betrokken lid.
De procedure voor de Raad van Beroep werd aangevuld en verduidelijkt : nieuwe termijnen werden ingevoerd, de rol van de voorzitter werd verduidelijkt en afgestemd op het statuut van de rijksambtenaren : hij stemt niet meer, behalve bij gelijkheid der stemmen in de Raad van Beroep.
Op te merken valt dat, om de werking van de Raad van Beroep niet te belemmeren, er de voorkeur aan gegeven wordt om de bepaling van het statuut van de rijksambtenaren inzake het aantal assessoren dat aanwezig moet zijn om de Raad van Beroep geldig te laten zetelen, te behouden.
Titel XI. Administratieve standen, verloven en afwezigheden In tegenstelling tot het vorige statuut, waarbij de reglementaire bepalingen inzake verloven en afwezigheden, alsook inzake administratieve standen waaraan de rijksambtenaren onderworpen zijn, bij een afzonderlijk besluit toepasselijk werden gesteld op het personeel van het Instituut, worden die bepalingen door het onderhavige besluit onmiddellijk van toepassing gesteld op het personeel van het Instituut.
Anderzijds wordt door het weglaten van iedere opsomming vermeden dat de teksten die van toepassing zijn op het Instituut bij iedere wijziging door het federale openbaar ambt aangepast moeten worden, waarbij wel de mogelijkheid wordt gelaten er in bepaalde gevallen voor het Instituut van af te wijken.
Zoals dat reeds het geval was in het vorige statuut, rechtvaardigt de bijzondere situatie van het Instituut bovendien dat sommige delen van de teksten die erop van toepassing worden gesteld, dienovereenkomstig worden aangepast.
Een nieuwigheid is het anciënniteitsverlof dat jaarlijks aan de personeelsleden wordt toegekend naar rato van één dag verlof per schijf van vijf jaar anciënniteit. Dit was een billijke wens van de representatieve vakorganisaties.
Gevolggevend aan een opmerking van de Raad van State werden in de eerste zin van artikel 116 de woorden « zoals zij gewijzigd zijn » weggelaten tussen de woorden « volgende besluiten » en « van toepassing op ». Aan het voorstel van de Raad van State om ook de tweede zin van dit artikel te schrappen, wordt daarentegen geen gevolg gegeven omdat dit er juist toe zou leiden dat nieuwe bepalingen over hetzelfde onderwerp maar die in de context van een toekomstige reglementering de huidige vervangt, niet meer van toepassing zouden zijn op het Instituut, wat niet overeenstemt met de bedoeling van de auteur. Mutatis mutandis geldt dit ook voor art.10 waar de Raad van State dezelfde bemerking maakt.
Wat de opmerking van de Raad van State betreft over het uitzonderlijk verlof dat vermeld wordt in het ontworpen artikel 10, § 4, eerste streepje van het
koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/04/2003
pub.
02/05/2003
numac
2003000309
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie
sluiten0 dat volgens artikel 132 van onderhavig ontwerp voor het Instituut anders moet worden gelezen, moet worden opgemerkt dat wel degelijk het uitzonderlijk verlof wordt bedoeld dat vermeld wordt in artikel 16 van vermeld
koninklijk besluit van 19 november 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/04/2003
pub.
02/05/2003
numac
2003000309
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie
sluiten0 en dat toegekend wordt « voor een periode die overeenkomt met de duur van de verkiezingscampagne waaraan de betrokkenen als kandidaat deelnemen ».
Titel XII. Definitieve ambtsneerlegging Twee punten moeten gemeld worden.
In de eerste plaats wordt verduidelijkt dat de ambtsneerlegging wegens medische ongeschiktheid voortvloeit uit de vaststelling van de definitieve ongeschiktheid opgemaakt door de Pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst.
Er wordt vervolgens op gewezen dat het nieuwe beoordelingssysteem, in het geval van twee opeenvolgende beoordelingen « onvoldoende », de ambtsneerlegging wegens beroepsongeschiktheid tot gevolg heeft.
In dat geval wordt aan de afgedankte statutaire ambtenaar of het contractuele personeelslid een vergoeding uitbetaald waarvan de berekeningswijze identiek is met deze toegekend aan de rijksambtenaren (
koninklijk besluit van 26 april 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/04/2003
pub.
02/05/2003
numac
2003000309
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie
sluiten1 tot regeling van de afdanking wegens beroepsongeschiktheid van het rijkspersoneel). In tegenstelling tot het advies van de Raad van State blijkt dit geen discriminatie te veroorzaken tussen het personeel dat voltijds werkt en het personeel dat deeltijdse prestaties levert.
Titel XIII. Overgangsbepalingen Tot nog toe werden de geslaagden voor een examen voor bevordering in hetzelfde niveau steeds benoemd in volgorde van hun anciënniteit. In het nieuwe statuut worden de bevorderingsexamens vervangen door vergelijkende selecties waarvan enkel de resultaten de volgorde bepalen van de benoeming van de laureaten.
Het Instituut telt nog een aantal geslaagden voor examens voor bevordering in de graden van administratief en technisch sectiechef die nog niet benoemd konden worden bij gebrek aan vacante betrekkingen. In afwijking van de bovenvermelde bepaling schrijft een overgangsbepaling - artikel 151 - voor dat die geslaagde kandidaten het voordeel van het slagen voor hun examen behouden, evenals hun benoeming in volgorde van de anciënniteit.
Artikel 154 dient er onder andere toe te verduidelijken dat de houders van de tijdelijke mandaten « administrateur-generaal » en « directeur-generaal », rekening houdend met het feit dat de 6 jarige duurtijd van de aanstelling verliep op 31 december 2005, kunnen terugvallen op de graad van administrateur.
Zoals de opneming van de graad van vertaler-revisor in de bestaande graad van adviseur met terugwerkende kracht op 1 juli 2004 toepasselijk is op de ambtenaren die op het ogenblik van de inwerkingtreding van het onderhavige besluit in dienst zijn, gebeurt de overgang naar de nieuwe graad van informaticus-adviseur voor de betrokken ambtenaren op dezelfde datum. Aldus wenst het Instituut deze betrekkingen te herwaarderen en ze structureel in te passen in het niveau A. In artikel 157 wordt een conversietabel opgenomen die nodig is voor de perequatie van de pensioenen van de op rust gestelde BIPT-ambtenaren.
Artikel 158 wordt genomen om de rechten te vrijwaren van de ambtenaren die van andere openbare instellingen overgekomen zijn bij de oprichting van het Instituut.
Titel XIV. Slotbepalingen In reactie op een opmerking van de Raad van State wordt gepreciseerd dat de koninklijke besluiten die bij artikel 159, § 1 « niet meer van toepassing gesteld worden op de ambtenaren », niet opgeheven worden omdat zij nog van toepassing zijn op de personeelsleden van de vroegere Dienst Kijk- en Luistergeld die in 1997 van Belgacom overgeheveld werden naar het Instituut en die ondertussen ter beschikking gesteld zijn van verscheidene federale overheidsdiensten.
Om aan het bezwaar geformuleerd door de Raad van State tegemoet te komen, moet opgemerkt worden dat de inwerkingtreding van Titel I en van hoofdstuk II van Titel XIII met terugwerkende kracht tot 1 juli 2004, evenals van de artikelen 132 en 152 tot 1 januari 2006, gerechtvaardigd wordt door de ruime tijd die nodig was om de in het Sectorcomité gemaakte afspraken met de representatie vakorganisaties, vast te leggen in reglementaire teksten. Deze retroactiviteit, die in hoofdzaak regels betreft die voordelen toekennen, schaadt geenszins het gelijkheidsbeginsel, noch verworven rechten en draagt bij tot de goede werking van de diensten van het Instituut.
Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid, M. VERWILGHEN
ADVIES 41.494/4 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 17 oktober 2006 door de Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « tot vaststelling van het administratief statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie », heeft op 13 november 2006 het volgende advies gegeven : Aangezien de adviesaanvraag is ingediend op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de
wet van 2 april 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/04/2003
pub.
02/05/2003
numac
2003000309
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie
sluiten, beperkt de afdeling wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten, haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
Strekking van het ontwerp Het ontworpen koninklijk besluit heeft tot doel het administratief statuut van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (hierna : het Instituut) aan te passen aan de wijzigingen die voortvloeien uit de
wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
17/01/2003
pub.
24/01/2003
numac
2003014009
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector
type
wet
prom.
17/01/2003
pub.
24/01/2003
numac
2003014010
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector
sluiten met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector, die de autonomie van het Instituut ten aanzien van de overheid heeft doen toenemen. Bovendien neemt het ontwerp in het statuut van het personeel van het Instituut de beginselen op die voortvloeien uit de zogenaamde « Copernicushervorming », inzonderheid door de structuur van de graden te hervormen en door diverse maatregelen in te voeren om het personeel beter te motiveren.
Meer algemeen strekt het ontworpen besluit ertoe in een enkele tekst alle bepalingen samen te brengen die het administratief statuut van het personeel van het Instituut regelen. Deze bepalingen zijn thans verspreid over een reeks andere teksten die bij het voorliggende ontwerp worden opgeheven of vervangen. Tegelijk met het voorliggende ontwerp is aan de afdeling wetgeving van de Raad van State ter fine van advies een ontwerp van koninklijk besluit voorgelegd houdende bezoldigingsregeling van het personeel van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie; dat advies is heden uitgebracht onder het nr. 41.195/4 . Zoals blijkt uit het verslag aan de Koning dat bij het voorliggende ontwerp gaat, zullen beide ontwerpen samen « de ruggengraat van het statuut van het personeel van het Instituut » (1) vormen. Voorafgaand vormvereiste In de aanhef wordt verwezen naar de akkoordbevinding van de Minister van Ambtenarenzaken van 5 oktober 2006. De Minister heeft op deze datum weliswaar effectief zijn instemming met het ontwerp betuigd, doch op voorwaarde dat een bepaald aantal wijzigingen worden aangebracht. Een van die wijzigingen is onder meer het verzoek van de Steller van het ontwerp om de organisatie van alle vergelijkende selecties ter fine van goedkeuring voor te leggen aan SELOR. Uit artikel 16 van het ontwerp blijkt evenwel dat vergelijkende selecties die worden georganiseerd onder de eigen verantwoordelijkheid van het BIPT, die goedkeuring niet behoeven.
Bovendien maakt de Minister van Ambtenarenzaken in dezelfde brief een aantal meer technische opmerkingen waarmee slechts gedeeltelijk rekening is gehouden. Daarvan zal in voorkomende geval gewag worden gemaakt bij het onderzoek van de artikelen.
Algemene opmerkingen 1. De steller van het ontwerp wordt erop gewezen dat de thans geldende overeenkomsten gesloten tussen het BIPT en de leden van het personeel ervan, de partijen tot wet strekken en alleen kunnen worden gewijzigd met de wederzijdse toestemming van deze partijen.Zulks heeft tot gevolg dat de aanpassingen die het ontworpen koninklijk besluit aanbrengt in de aanvullende bepalingen van de
wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
03/07/2008
numac
2008000527
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
12/03/2009
numac
2009000158
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten niet geacht kunnen worden onmiddellijk van toepassing te zijn op de lopende overeenkomsten. Deze toepasbaarheid kan in voorkomend geval alleen voortvloeien uit aanvullingen van de geldende overeenkomsten. 2.1. In artikel 82, § 1, van het ontwerp, wordt de kwalificatie « opdrachthouder » alleen toegekend ofwel aan de ambtenaren ofwel aan de « bij arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur in dienst genomen contractuele personeelsleden ».
Uit de artikelen 20 tot 24 van het ontwerp blijkt evenwel dat, met als enige uitzondering de contractuele personeelsleden bedoeld in artikel 24, § 2, van het ontwerp, waarin wordt verwezen naar degenen die in dienst worden genomen voor het vervullen van bijzondere taken, alle andere contractuele personeelsleden voor een bepaalde duur worden in dienst genomen (2).
Dit gebrek aan samenhang moet worden verholpen.
Bovendien rijst de vraag of de indienstneming bij arbeidsovereenkomst van de personeelsleden bedoeld in artikel 24, § 2, niet reeds geheel of gedeeltelijk beantwoordt aan de specifieke behoeften waarin de aanstelling van « houders van een projectopdracht en van een functieopdracht » beoogt te voorzien. 2.2. De definitie die in paragraaf 3 van artikel 82 van het ontwerp wordt gegeven van « functieopdracht » is in onbegrijpelijke bewoordingen gesteld, waarbij bovendien het onderscheid niet kan worden gemaakt tussen deze specifieke opdracht en de « projectopdracht » in paragraaf 2. 2.3. Ten slotte heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State bedenkingen bij de reële strekking van deze onduidelijke bepalingen die zullen kunnen worden toegepast op zowel ambtenaren als contractuele personeelsleden (3) die behoren tot de niveaus A, B en C samen en D (4) en inzonderheid vraagt zij zich af hoe zulke belangrijke of moeilijke opdrachten zullen kunnen worden opgedragen aan personen die behoren tot lagere niveaus in beide categorieën van vastbenoemd of contractueel personeel. 2.4. Alle bepalingen moeten grondig worden herzien.
Bijzondere opmerkingen Aanhef 1. De
wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/03/1991
pub.
09/01/2013
numac
2012000673
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, die vermeld wordt in de eerste aanhefverwijzing, levert niet de rechtsgrond op van het ontworpen besluit.De eerste aanhefverwijzing moet dus vervallen. 2. Artikel 26, derde lid, van de
wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
17/01/2003
pub.
24/01/2003
numac
2003014009
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector
type
wet
prom.
17/01/2003
pub.
24/01/2003
numac
2003014010
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector
sluiten met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector vormt de rechtsgrond van het ontworpen besluit. In de tweede aanhefverwijzing dienen de woorden « inzonderheid op artikel 13 » vervangen te worden door de woorden « inzonderheid op artikel 26, derde lid, gewijzigd bij de
wet van 20 juli 2006Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
20/07/2006
pub.
28/07/2006
numac
2006202314
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet houdende diverse bepalingen
sluiten ». 3. In de aanhef van het ontworpen besluit dient verwezen te worden naar alle besluiten die de ontworpen tekst wijzigt of opheft.De verwijzing naar die teksten moet geschieden met vermelding van alle uitdrukkelijke nog geldende wijzigingen die deze teksten hebben ondergaan; daartoe dienen alleen de aard en de datum van de wijzigingsteksten te worden aangegeven. Deze teksten moeten in de aanhef worden vermeld naar tijdsorde, te beginnen met de oudste. 4. Het
ministerieel besluit van 4 november 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/04/2003
pub.
02/05/2003
numac
2003000309
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle en tot regeling van de overdracht van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie
sluiten2, aangehaald in de zevende aanhefverwijzing, wordt niet opgeheven bij het ontworpen besluit.De zevende aanhefverwijzing moet bijgevolg vervallen. 5. Artikel 26, derde lid, van de voormelde
wet van 17 januari 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
17/01/2003
pub.
24/01/2003
numac
2003014009
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector
type
wet
prom.
17/01/2003
pub.
24/01/2003
numac
2003014010
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector
sluiten bepaalt dat het administratief statuut van het Instituut door de Koning wordt vastgesteld « op voorstel van het Instituut en na akkoord van de ministers van Ambtenarenzaken en Begroting ».Bijgevolg dient vóór de aanhefverwijzing waarin het advies van de Inspecteur van Financiën wordt vermeld, een aanhefverwijzing te worden ingevoegd met vermelding van het voorstel van het Instituut van 10 februari 2006. 6. In plaats van « Gelet op het advies van de afgevaardigde van de Minister van Begroting, gegeven op 7 juli 2006 », schrijve men « Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 7 juli 2006 ». Dispositief Artikel 1 In onderdeel 4° dient duidelijkheidshalve in de Franse tekst het woord « agent » vervangen te worden door de woorden « agent statutaire ».
De gehele tekst moet dienovereenkomstig worden herzien.
Artikel 2 In artikel 2, § 2, wordt voorgesteld in een onderdeel 6° (waarbij het huidige onderdeel 6° onderdeel 7° wordt) eveneens melding te maken van titel VIII, hoofdstuk III. Hoofdstuk III van titel VIII, betreffende de « opdrachthouders », is immers ook van toepassing op de contractuele personeelsleden.
Artikel 6 1. In artikel 6, § 1, 5 °, van het ontwerp wordt bepaald dat voor de graden die worden opgesomd in bijlage II, men geslaagd moet zijn « voor een vergelijkende selectie ».Uit artikel 78, § 1, van het ontwerp blijkt evenwel dat sommige van de in bijlage II opgesomde graden bij wege van bevordering kunnen worden verleend. De vraag rijst of het wel de bedoeling is die graden ofwel via werving, ofwel bij wege van bevordering te verlenen. 2. In paragraaf 2 schrijve men in de Franse tekst « conformément à la loi ». Artikel 7 1. In artikel 7, eerste streepje, laat het zich aanzien dat « bedoeld in artikel 6, § 1, 4° » dient te worden gelezen in plaats van « bedoeld in artikel 6, § 1, 5° ».2. Onder het tweede streepje is er sprake van praktische kennis en beroepservaring verworven in een Lid-Staat van de Europese Unie of in de Zwitserse Bondsstaat.Krachtens artikel 6, § 1, 1°, kunnen tot ambtenaar worden benoemd de personen met de nationaliteit van een Lid-Staat van de Europese Economische Ruimte (die dus niet noodzakelijk onderdanen zijn van een Lid-Staat van de Europese Unie) of de Zwitserse Bondsstaat. Het zou beter zijn in artikel 7, tweede streepje, de woorden « Europese Unie » te vervangen door de woorden « Europese Economische Ruimte », om elk probleem te voorkomen van discriminatie ten aanzien van gegadigden die praktische kennis of nuttige beroepservaring hebben opgedaan in een Lid-Staat van de Europese Economische Ruimte, doch niet van de Europese Unie.
Artikel 10 In paragraaf 2 zouden de woorden « zoals het gewijzigd is », alsmede de tweede zin, moeten vervallen.
Met deze tweevoudige wijziging wordt tegemoetgekomen aan het opzet van de steller van het ontwerp om zowel de huidige als de toekomstige versies van het besluit van 1 maart 2003 toepasselijk te verklaren.
Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor artikel 16 van het ontwerp.
Artikel 14 In artikel 14, 2°, zou het woord « eventueel » moeten vervallen. Het zou bovendien nuttig zijn te preciseren dat de assessoren eveneens stemgerechtigd zijn.
Artikel 16 In plaats van te schrijven « in uitzonderlijke omstandigheden », zou het duidelijker zijn om, zoals in het verslag aan de Koning wordt uitgelegd, te schrijven « in geval van noodzaak gerechtvaardigd door dringende en specifieke behoeften van het Instituut » (5). Deze precisering maakt het mogelijk te controleren of het Instituut geen onrechtmatig gebruik maakt van de in artikel 16 geboden mogelijkheid. 2. De Minister van Ambtenarenzaken heeft in zijn brief van 5 oktober 2006 bovendien gesteld dat de mogelijkheid om vergelijkende selecties te organiseren ten minste ter goedkeuring zal moeten worden voorgelegd aan Selor en dat Selor moet toezien op de kwaliteit van de in dat kader verrichte selecties. Artikel 16 voorziet in casu wel in een kwaliteitscontrole door Selor, doch niet in de goedkeuring van Selor.
Artikel 17 Er zou moeten worden gepreciseerd uit welke personen de voorzitter van de in artikel 17 bedoelde selectiecommissies kan worden gekozen.
Artikel 19 In het tweede lid schrijve men « gesteld bij artikel 6, § 1 ».
Artikelen 20, 21, 22 en 24. 1. Het is wenselijk in artikel 20, eerste lid, te preciseren dat gedoeld wordt op de buitengewone en tijdelijke personeelsbehoeften « in de zin van artikel 73, § 2, tweede lid, l°, van de
wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/03/1991
pub.
09/01/2013
numac
2012000673
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven », naar het voorbeeld van de werkwijze in artikel 24, § § 1 en 2, eerste lid, van het ontwerp.2. In artikel 21, § 1, eerste lid, moet verwezen worden naar onderdeel 2° van de voormelde wetsbepaling.3. In artikel 22, eerste lid, moet verwezen worden naar onderdeel 3° van diezelfde bepaling. 4. In artikel 24, § 1, schrijve men « zoals bedoeld in artikel 73, § 2, tweede lid, 4°, [...] ». Om rekening te houden met het feit dat een koninklijk besluit, krachtens het beginsel van de hiërarchie in de regelgeving, geen wet mag interpreteren, wordt bovendien aangeraden tussen het woord « moet » en de woorden « worden verstaan », de woorden « voor de toepassing van dit besluit » in te voegen.
In artikel 24, § 1, 4°, is er sprake van « het personeel bestemd om onvolledige prestaties te verrichten ». De afdeling wetgeving wijst erop dat dit personeel en het personeel waarvan sprake is in artikel 73, § 2, tweede lid, 4°, niet noodzakelijk met elkaar overeenstemmen.
De tekst moet dienovereenkomstig worden herzien. 5. In artikel 24, § 2, schrijve men « zoals bedoeld in artikel 73, § 2, tweede lid, 4°, [...] ». Om de hierboven opgegeven redenen wordt voorgesteld om tussen het woord « moet » en de woorden « worden verstaan » de woorden « voor de toepassing van dit besluit » in te voegen.
Artikel 25 1. Wat paragraaf 3 betreft, zou het wenselijk zijn in het verslag aan de Koning de inhoud te vermelden van respectievelijk « het algemene gedeelte » en de zogenaamde « bijkomende proef ».2. Uit paragraaf 3, tweede lid, kan niet worden opgemaakt of alle geslaagden voor het algemene gedeelte zullen worden opgeroepen om deel te nemen aan het bijkomende gedeelte.Indien zulks het geval is, zijn de woorden « in de volgorde van hun rangschikking » nutteloos. Als het in de bedoeling ligt in de volgorde van de rangschikking na het algemene gedeelte slechts een aantal gegadigden op te roepen in verhouding tot het aantal openstaande betrekkingen, zou deze precisering in de tekst moeten worden opgenomen.
Artikel 26 In paragraaf 1, eerste lid, verdient het aanbeveling te preciseren of de woorden « mededeling van de beslissing » doelen op het toezenden van de beslissing door de raad dan wel op de ontvangst ervan door de geslaagde. Een zodanige precisering voorkomt interpretatieproblemen in geval van betwisting. 2. Om elk probleem ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van non-discriminatie, die door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden bekrachtigd, te voorkomen, wordt voorgesteld in paragraaf 1, tweede lid, de woorden « met toepassing van de bepalingen van nationaal of internationaal recht » te gebruiken in plaats van de thans ontworpen beperkende formulering.3. De redactie van paragraaf 2, eerste zin, zou moeten worden verduidelijkt.Voor deze eerste zin zou de volgende formulering in aanmerking kunnen worden genomen, indien zij echt overeenstemt met de bedoeling van de steller van het ontwerp : « Indien verscheidene geslaagden uit eenzelfde vergelijkende selectie terzelfder tijd worden opgeroepen, hebben zij rang op grond van hun rangschikking bij de eerste vergelijkende selectie. » 4. De betekenis van de tweede zin van artikel 26, § 2, eerste lid, is niet duidelijk.Indien men na de woorden « de laagste na hem gerangschikte » de woorden « die reeds in dienst is » erbij moet denken, zou het beter zijn zulks uitdrukkelijk te vermelden in de tekst. Hoe dan ook moet er klaarheid worden gebracht in deze zin.
De vraag rijst ook of het logisch en billijk is dat een geslaagde, van wie na onderzoek blijkt dat zijn gedrag voldoet aan de vereisten van het ambt, desondanks benadeeld wordt in zijn rangschikking ten aanzien van de overige gegadigden naar wier gedrag geen onderzoek is verricht. 5. Het is de afdeling wetgeving niet duidelijk wat het nut is van de woorden « en zij kunnen alleen tot de proeftijd worden toegelaten indien een betrekking vrijkomt vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergelijkende selectie » in paragraaf 2, tweede lid.Aan die voorwaarde lijkt te moeten zijn voldaan vóór iedere aanwerving, aangezien het slagen voor een vergelijkende selectie geen recht geeft op een benoeming. Voorgesteld wordt derhalve dit zinsdeel weg te laten.
Artikel 27 In de paragrafen 2 en 3 moet vóór het woord « geschiktheidsvoorwaarden » het woord « medische » ingevoegd worden.
Artikel 28 1. In artikel 28, eerste lid, moeten de woorden « controleert de afgevaardigd bestuurder de algemene toelaatbaarheidsvereisten voorzien in artikel 6, 5° (lees : bepaald in artikel 6, § 1, 5°) » gepreciseerd worden. Indien daarmee alleen wordt bedoeld dat wordt nagegaan of de betrokkene geslaagd is voor een vergelijkende selectie in de zin van artikel 6, § 1, 5°, zou het beter zijn de genoemde woorden te vervangen door de volgende formulering « controleert de afgevaardigd bestuurder, in voorkomend geval (6), of het algemene toelaatbaarheidsvereiste bepaald in artikel 6, § 1, 5°, vervuld is ». 2. In artikel 28, eerste lid, in fine, moet in de Franse tekst, ter wille van een eenvormige terminologie, het woord « particulières » vervangen worden door het woord « spéciales ».3. Bovendien moeten in artikel 28, tweede lid, de woorden « de overige toelaatbaarheidsvereisten » vervangen worden door de woorden « de toelaatbaarheidsvereisten bepaald in artikel 6, § 1, 1° tot 4° », ten minste als dat de bedoeling is van de steller van het ontwerp.Die voorwaarden moeten in ieder geval gepreciseerd worden.
Artikel 29 Het volledige opschrift van het
decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten
type …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.