← België

Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming

Kort samengevat

Dit besluit van de Vlaamse Regering stelt het Vlaams reglement vast voor bodemsanering en bodembescherming, voortbouwend op het Bodemdecreet van 27 oktober 2006. Het regelt de normen voor bodemkwaliteit, de procedures voor monsterneming en analyse, en de vereisten voor financiële zekerheden bij bodemsanering.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
14 DECEMBER 2007. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming De Vlaamse Regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 20; Gelet op het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/10/2006 pub. 22/01/2007 numac 2006037062 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de bodemsanering en de bodembescherming sluiten betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, inzonderheid op de artikelen 2, 9°, 3, § § 2 en 3, 5, § 4, 6, 7, § § 2 en 3, 8, § 2, 9, § 1, 10, § 6, 12, § § 2 en 5, 19, § 3, 23, § § 2 en 5, 27, 28, § § 2 en 4, 29, 30, 33, 36, 38, § 2, 39, § 2, 45, § 2, 47, § 2, 48, 49, 51, 57, 62, 63, § 2, 66, 67, § 3, 71, § 2, 84, § § 2 en 3, 89, 90, 91, § § 1 en 2, 95, § 2, 97, § 1, 98, 99, 100, 103, 104, § 2, 3°, 106, 107, 109, § 2, 3°, 111, 114, 115, § 4, 2°, 120, § 3, 122, § 3, 125, § 3, 126, 138, 139, § § 2 en 3, 152, 155, § 2, 162, § 1, 163, § 1, 164, 165, 172, § 1, en 178, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 december 1998, 9 februari 1999, 12 oktober 2001, 7 december 2001, 14 juni 2002, 5 december 2003, 9 januari 2004, 23 april 2004, 22 september 2006, 15 december 2006 en 7 september 2007; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 4 oktober 2007; Gelet op het advies van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, gegeven op 30 augustus 2007; Gelet op het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, gegeven op 31 augustus 2007; Gelet op advies 43.678/3 van de Raad van State, gegeven op 7 november 2007, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur; Na beraadslaging, Besluit : Titel I. - Definities Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° Bodemdecreet : decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/10/2006 pub. 22/01/2007 numac 2006037062 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de bodemsanering en de bodembescherming sluiten betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;2° minister : Vlaamse minister, bevoegd voor het Leefmilieu en het Waterbeleid;3° juridische dienst : Juridische Dienst van de afdeling die bevoegd is voor de juridische zaken van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid;4° Milieuvergunningsdecreet : decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning;5° Vlarem I : besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning;6° Vlarem II : besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne; 7° CMA : Compendium voor Monsterneming en Analyse, vermeld in artikel 7.3.1. van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 05/12/2003 pub. 04/05/2004 numac 2004035514 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling, voor de jaren 2004 en 2005, van de lijst van vrijwilligersactiviteiten die bij voorrang voor subsidiëring in aanmerking komen sluiten tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer. Titel II. - Doelstellingen en algemene bepalingen Hoofdstuk I. - Doelstellingen Afdeling I. - Richtwaarden voor de bodemkwaliteit Art. 2.De richtwaarden voor de bodemkwaliteit, vermeld in artikel 3, § 2, van het Bodemdecreet, worden vastgesteld in bijlage II, gevoegd bij dit besluit. Afdeling II. - Streefwaarden voor de bodemkwaliteit Art. 3.De streefwaarden voor de bodemkwaliteit, vermeld in artikel 3, § 3, van het Bodemdecreet, worden vastgesteld in bijlage III, gevoegd bij dit besluit. Hoofdstuk II. - Algemene bepalingen Afdeling I. - Opstallen die geen grond zijn Art. 4.De volgende opstallen worden voor de toepassing van het Bodemdecreet niet beschouwd als grond in de zin van artikel 2, 9°, van het Bodemdecreet : 1° scheidingsmuren en omheiningen;2° reclameborden en -zuilen;3° straatmeubilair en abri's;4° antennes en masten;5° hoogspanningsmasten, tellers, laagspanningskasten;6° installaties voor het opwekken van water-, wind- en zonne-energie;7° waterleiding-, elektriciteits- en gasdistributienetwerk;8° datacommunicatie-, computer- en televisiekabelnetwerk;9° rails van trein, tram en metro. Afdeling II. - Monsternemingen en analyses Art. 5.De monsternemingen in het kader van het Bodemdecreet en dit besluit worden uitgevoerd volgens de methodes die in het CMA zijn vastgesteld. Art. 6.De analyses in het kader van het Bodemdecreet en dit besluit worden uitgevoerd volgens de methodes die in het CMA zijn vastgesteld of volgens een methode die door de OVAM gelijkwaardig wordt verklaard. De OVAM spreekt zich uit binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van het verzoek om een methode gelijkwaardig te verklaren. Bij gebrek aan uitspraak binnen die termijn wordt de methode geacht niet gelijkwaardig te zijn. Als de OVAM een methode gelijkwaardig verklaart, geldt die verklaring alleen voor het laboratorium dat het verzoek heeft ingediend en alleen voor de resterende duur van de erkenning van dat laboratorium. Afdeling III. - Standaardprocedures Art. 7.De standaardprocedures, vermeld in het Bodemdecreet, worden vastgesteld door de minister. De besluiten houdende vaststelling van de standaardprocedures worden bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Afdeling IV. - Financiële zekerheden Onderafdeling I. - Vorm van de financiële zekerheid Art. 8.Een financiële zekerheid in het kader van het Bodemdecreet kan de volgende vormen aannemen, afzonderlijk of in combinatie : 1° een onherroepelijke garantie van de volgende kredietinstellingen : a) een kredietinstelling die vergund is krachtens de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;b) een kredietinstelling die ressorteert onder een andere lidstaat van de Europese Unie en die, krachtens voormelde wet van 22 maart 1993, haar werkzaamheden op het Belgische grondgebied mag uitoefenen;2° een onherroepelijke garantie van een verzekeringsonderneming die toegelaten is krachtens de wet van 9 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1975 pub. 23/10/2015 numac 2015000557 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de controle der verzekeringsondernemingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 09/07/1975 pub. 24/12/2014 numac 2014000890 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de controle der verzekeringsondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;3° een verpande rekening van een kredietinstelling, vermeld in punt 1°. De OVAM kan ook een andere financiële zekerheid aanvaarden als is aangetoond dat die financiële zekerheid voldoende garantie geeft dat de verplichtingen bij of krachtens het Bodemdecreet kunnen worden nagekomen. Onderafdeling II. - Bedrag en looptijd van de financiële zekerheid Art. 9.Het bedrag van de financiële zekerheid wordt door de OVAM vastgesteld op basis van een door haar goedgekeurde raming van de kosten van de uitvoering van de verplichtingen waarvoor de financiële zekerheid krachtens het Bodemdecreet moet worden gesteld. De OVAM kan een lager bedrag dan vermeld in het eerste lid aanvaarden op basis van elementen die de zekerheidsteller aanbrengt om te motiveren dat het risico dat de OVAM de financiële zekerheid moet aanspreken beperkt is. De OVAM kan een hoger bedrag dan vermeld in het eerste lid vaststellen op basis van een inschatting van de risico's dat de gekozen techniek om de bodemverontreiniging te behandelen niet of in onvoldoende mate leidt tot het realiseren van de doelstellingen van het Bodemdecreet. Art. 10.De looptijd van de financiële zekerheid moet minstens de duurtijd dekken van de uitvoering van de verplichtingen waarvoor de financiële zekerheid krachtens het Bodemdecreet moet worden gesteld. Onderafdeling III. - Aanpassing van de gestelde financiële zekerheid Art. 11.De zekerheidsteller kan bij de OVAM een schriftelijke aanvraag indienen om het bedrag of de looptijd van de gestelde financiële zekerheid te verminderen. De OVAM neemt hierover een beslissing, rekening houdend met de resultaten van de uitvoering van de verplichtingen waarvoor de financiële zekerheid krachtens het Bodemdecreet werd gesteld en met de nog uit te voeren verplichtingen. Art. 12.Onder meer in de volgende gevallen kan de OVAM de zekerheidsteller de verplichting opleggen om de vorm, het bedrag of de looptijd van de gestelde financiële zekerheid binnen een door haar bepaalde termijn aan te passen : 1° als de termijn voor de uitvoering van de verplichtingen waarvoor de financiële zekerheid krachtens het Bodemdecreet werd gesteld, niet of in onvoldoende mate wordt nageleefd;2° als de OVAM van oordeel is dat het voorstel tot grote wijziging of aanvulling van het conform verklaarde bodemsaneringsproject, het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject of het conform verklaarde risicobeheersplan een aanpassing van de gestelde financiële zekerheid rechtvaardigt;3° als de OVAM van oordeel is dat het nieuwe bodemsaneringsproject of het nieuwe beperkt bodemsaneringsproject, opgelegd krachtens artikel 64, tweede lid, van het Bodemdecreet, een aanpassing van de gestelde financiële zekerheid rechtvaardigt;4° als de OVAM van oordeel is dat het bodemsaneringsproject of het beperkt bodemsaneringsproject opgesteld in het kader van de versnelde overdrachtsprocedure, vermeld in artikel 115 van het Bodemdecreet, een aanpassing van de gestelde financiële zekerheid rechtvaardigt;5° als de OVAM op basis van het eindevaluatieonderzoek van oordeel is dat de resultaten van de bodemsaneringswerken een aanpassing van de gestelde financiële zekerheid rechtvaardigen. Titel III. - Bodemsanering Hoofdstuk I. - Identificatie en inventarisatie van gronden Afdeling I. - Grondeninformatieregister Onderafdeling I. - Beheer van het Grondeninformatieregister Art. 13.De OVAM neemt een grond op in het Grondeninformatieregister wanneer ze over de volgende gegevens beschikt : 1° de ligging van de grond : de kadastrale gegevens van de grond of een duidelijke ruimtelijke afbakening van de grond op basis van het in het Vlaamse Gewest gehanteerde coördinatenstelsel die onweerlegbaar de ligging ten opzichte van de perceelsgrenzen bepaalt;2° de identiteit van de eigenaar van de grond;3° minstens een van de volgende gegevens over de grond : a) informatie over de grond afkomstig uit de gemeentelijke inventaris;b) relevante gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit van de grond, vastgesteld door bodemsaneringsdeskundigen, bevoegde instanties als vermeld in het decreet van 26 maart 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/03/2004 pub. 01/07/2004 numac 2004036026 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de openbaarheid van bestuur sluiten betreffende de openbaarheid van bestuur, of politiediensten. Art. 14.De in het Grondeninformatieregister aanwezige gegevens worden vervolledigd of bijgewerkt op basis van relevante gegevens die vastgesteld zijn door de personen, diensten en instanties, vermeld in artikel 13, of door instrumenterende ambtenaren. Art. 15.Op eerste verzoek bezorgen alle diensten van de Vlaamse overheid, de gemeenten en provincies met het oog op het beheer van het Grondeninformatieregister alle nuttige gegevens aan de OVAM en aan de bodemsaneringsdeskundige die handelt in opdracht van de OVAM. Onderafdeling II. Toegankelijkheid van het Grondeninformatieregister Art. 16.De informatie uit het grondeninformatieregister is toegankelijk via de aanvraag van een bodemattest, via een verzoek om specifieke informatie of via het e-loket van de OVAM, en dit overeenkomstig de procedure en de voorwaarden, vermeld in artikel 17 tot en met 20. A. Bodemattest Art. 17.De aanvraag van een bodemattest moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid, bij de OVAM worden ingediend met een volledig ingevuld aanvraagformulier voor een bodemattest. Het model van dat aanvraagformulier wordt vastgesteld bij besluit van de minister en voorziet in ieder geval in de opvraging van de volgende gegevens : 1° de coördinaten van de aanvrager;2° de coördinaten van de grond waarop de aanvraag voor bodemattest betrekking heeft;3° als de aanvraag betrekking heeft op een grond zonder kadastraal nummer : een kadastraal plan met aanduiding van de contouren van de grond. Bij de aanvraag van een bodemattest moet overeenkomstig artikel 162, § 9, van het Bodemdecreet, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag, het bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 162, § 1, van het Bodemdecreet, worden gevoegd. Art. 18.Als de OVAM de aanvraag van een bodemattest onontvankelijk verklaart, stuurt ze die beslissing binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag naar de aanvrager met vermelding van de reden van niet-ontvankelijkheid. Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van die beslissing zorgt de aanvrager ervoor dat de aanvraag voldoet aan alle ontvankelijkheidsvereisten, vermeld in het eerste lid. Als dat niet het geval is, wordt de aanvraag geacht definitief onontvankelijk te zijn. Het bodemattest op aanvraag wordt door de OVAM uitgereikt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. Als de aanvraag op een risicogrond betrekking heeft, wordt het bodemattest door de OVAM uitgereikt binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. B. Specifieke informatie Art. 19.De OVAM kan op schriftelijk verzoek specifieke informatie verstrekken uit het Grondeninformatieregister. Binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het verzoek om specifieke informatie stuurt de OVAM naar de aanvrager een ontwerp van overeenkomst die de modaliteiten van de gevraagde dienstverlening omvat. Die modaliteiten hebben minstens betrekking op de termijn waarbinnen de gevraagde informatie wordt geleverd en de prijs voor die dienstverlening. C. Digitale informatie via het e-loket van de OVAM Art. 20.In het kader van de uitvoering van de taken, vermeld in artikelen 28 en 29, kan een bodemsaneringsdeskundige via het e-loket van de OVAM de volgende informatie uit het Grondeninformatieregister opvragen : de verslagen van bodemonderzoeken en de rapporten over bodemsaneringen en over andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI van titel III van het Bodemdecreet, in digitale vorm. Afdeling II. - Lijst van risico-inrichtingen Art. 21.De lijst van risico-inrichtingen is vastgesteld in bijlage I, gevoegd bij dit besluit. Tijdelijke inrichtingen en verplaatsbare inrichtingen als vermeld in het Milieuvergunningsdecreet worden voor de toepassing van het Bodemdecreet en dit besluit niet beschouwd als risico-inrichtingen. Afdeling III. - Gemeentelijke inventaris van risicogronden Onderafdeling I. - Beheer van de gemeentelijke inventaris Art. 22.Een gemeente neemt een grond op in de gemeentelijke inventaris van risicogronden op basis van relevante gegevens over risico-inrichtingen die in de gemeente geëxploiteerd werden of in exploitatie zijn. Het gaat om gegevens die in haar bezit zijn of die haar worden bezorgd door bodemsaneringsdeskundigen, instrumenterende ambtenaren, bevoegde instanties, als vermeld in het decreet van 26 maart 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/03/2004 pub. 01/07/2004 numac 2004036026 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de openbaarheid van bestuur sluiten betreffende de openbaarheid van bestuur, of politiediensten. De in de gemeentelijke inventaris aanwezige gegevens worden vervolledigd of bijgewerkt op basis van relevante gegevens die afkomstig zijn van de personen, instanties en diensten, vermeld in het eerste lid. Art. 23.Voor elke risicogrond wordt in de gemeentelijke inventaris minstens de volgende informatie opgenomen en beheerd : 1° de ligging van de grond : de kadastrale gegevens van de grond of een duidelijke ruimtelijke afbakening van de grond op basis van het in het Vlaamse Gewest gehanteerde coördinatenstelsel die onweerlegbaar de ligging ten opzichte van de perceelsgrenzen bepaalt;2° de risico-inrichtingen die op de grond gevestigd zijn of waren : a) nummer, beschrijving en categorie van de risico-inrichting, zoals ingedeeld in de lijst van risico-inrichtingen;b) start- en einddatum van de exploitatie van de risico-inrichting, voor zover die informatie beschikbaar is;3° de identiteit van de eigenaar. Art. 24.De gemeente staat niet in voor de juistheid van de gegevens die haar overeenkomstig dit besluit rechtstreeks of onrechtstreeks worden verstrekt. Art. 25.De minister bepaalt de inhoud en de vorm van het uittreksel, vermeld in artikel 7, § 2, van het Bodemdecreet, evenals de modaliteiten volgens welke het uittreksel aan de OVAM wordt bezorgd. Onderafdeling II. - Toegankelijkheid van de gemeentelijke inventaris Art. 26.Overeenkomstig artikel 7 van het decreet van 26 maart 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/03/2004 pub. 01/07/2004 numac 2004036026 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de openbaarheid van bestuur sluiten betreffende de openbaarheid van bestuur bezorgt de gemeente op eenvoudig schriftelijk verzoek informatie uit de gemeentelijke inventaris aan iedereen die erom vraagt. Hoofdstuk II. - Erkenning als bodemsaneringsdeskundige Afdeling I. - Taken van de bodemsaneringsdeskundige Art. 27.Twee types van bodemsaneringsdeskundigen worden onderscheiden : een bodemsaneringsdeskundige van type 1 en van type 2. Een bodemsaneringsdeskundige van type 1 kan zowel een natuurlijk persoon als een rechtspersoon zijn. Een bodemsaneringsdeskundige van type 2 kan alleen een rechtspersoon zijn. De OVAM is van rechtswege erkend als bodemsaneringsdeskundige van type 2. Art. 28.Een bodemsaneringsdeskundige van type 1 is in het kader van het Bodemdecreet en dit besluit erkend voor de uitvoering van de volgende taken : 1° het leiden van de uitvoering van een oriënterend bodemonderzoek;2° het voorstellen en het leiden van de uitvoering van voorzorgsmaatregelen en veiligheidsmaatregelen, voor zover die maatregelen geen grondwateronttrekkingen omvatten;3° het leiden van het opstellen van een technisch verslag;4° het leiden van het opstellen van een studie van de ontvangende grond;5° het opstellen van een evaluatierapport als vermeld in artikel 78 van het Bodemdecreet. Art. 29.Een bodemsaneringsdeskundige van type 2 is in het kader van het Bodemdecreet en dit besluit erkend voor de uitvoering van de volgende taken : 1° het leiden van de uitvoering van een oriënterend bodemonderzoek;2° het leiden van de uitvoering van een oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek;3° het leiden van de uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek;4° het leiden van de opstelling van een bodemsaneringsproject of beperkt bodemsaneringsproject, evenals het opstellen van voorstellen van kleine of grote wijziging of aanvulling als vermeld in artikel 63, § 1, van het Bodemdecreet;5° het leiden van de uitvoering van bodemsaneringswerken;6° het leiden van de uitvoering van de nazorg;7° het leiden van de uitvoering van een eindevaluatieonderzoek;8° het leiden van de uitvoering van een siteonderzoek;9° het voorstellen en het leiden van de uitvoering van voorzorgsmaatregelen en veiligheidsmaatregelen;10° het leiden van het voorstel van gebruiks- en bestemmingsbeperkingen;11° het leiden van de opstelling van een risicobeheersplan;12° het leiden van de uitvoering van risicobeheersmaatregelen en het opstellen van opvolgingsrapporten als vermeld in artikel 88 van het Bodemdecreet;13° het opstellen van een evaluatierapport als vermeld in artikel 78 van het Bodemdecreet;14° het leiden van de uitvoering van een waterbodemonderzoek en van de taken, vermeld in 4° tot en met 13°, met betrekking tot verontreinigde waterbodems;15° het leiden van het opstellen van een technisch verslag;16° het leiden van het opstellen van een studie van de ontvangende grond;17° het opmaken van een individueel bodempreventie- en bodembeheersplan. Afdeling II. - Voorwaarden tot erkenning als bodemsaneringsdeskundige Onderafdeling I. - Bodemsaneringsdeskundige van type 1 Art. 30.§ 1. Om als natuurlijk persoon te worden erkend als bodemsaneringsdeskundige van type 1 gelden de volgende voorwaarden : 1° een grondige kennis hebben van de volgende disciplines : bodemkunde, geologie en scheikunde;2° minstens drie jaar beroepservaring hebben in een milieusector die relevant is voor het onderzoek inzake bodemverontreiniging gedurende de zes jaar die voorafgaan aan de datum van de erkenningsaanvraag;3° een grondige kennis hebben van het Bodemdecreet, zijn uitvoeringsbesluiten, de standaardprocedures en de codes van goede praktijk, opgesteld krachtens het Bodemdecreet en dit besluit;4° zelf beschikken over een model voor risicoanalyse van bodemverontreiniging dat aanvaard wordt door de OVAM;5° zelf de nodige ervaring hebben om het model, vermeld in 4°, te hanteren en de resultaten ervan te interpreteren;6° een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid hebben die de activiteiten als bodemsaneringsdeskundige dekt;7° beschikken over de burgerlijke en politieke rechten en de laatste vijf jaar geen strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen voor overtredingen van de milieuwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie;8° wanneer de bodemsaneringsdeskundige : a) een handelaar is : 1) niet in staat van faillissement verkeren of een gerechtelijk akkoord verkregen hebben, dan wel in een soortgelijke toestand verkeren als gevolg van een soortgelijke procedure die geldt in het land waar hij gevestigd is;2) niet het voorwerp zijn van een procedure van faillietverklaring of van gerechtelijk akkoord of van een andere soortgelijke procedure die voorkomt in de wetten en regelingen van het land waar hij gevestigd is;b) geen handelaar is : 1) niet in staat van kennelijk onvermogen verkeren, dan wel in een soortgelijke toestand als gevolg van enige procedure die geldt in het land waar hij gevestigd is;2) niet het voorwerp zijn van een procedure van collectieve schuldenregeling of van een andere soortgelijke procedure die voorkomt in de wetten en regelingen van het land waar hij gevestigd is;9° binnen het jaar na de datum van de erkenning beschikken over een kwaliteitshandboek. § 2. Om als rechtspersoon te worden erkend als bodemsaneringsdeskundige van type 1 gelden de volgende voorwaarden : 1° opgericht zijn in overeenstemming met de wetgeving van het land waar hij gevestigd is;2° als het gaat om een handelaar : ingeschreven zijn in het handels- of beroepsregister volgens de eisen van het land waar hij gevestigd is;3° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis hebben van de volgende disciplines : bodemkunde, geologie en scheikunde;4° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die minstens drie jaar beroepservaring heeft in een milieusector die relevant is voor het onderzoek inzake bodemverontreiniging gedurende de zes jaar die voorafgaan aan de datum van de erkenningsaanvraag;5° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die een grondige kennis heeft van het Bodemdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten, de standaardprocedures en de codes van goede praktijk, opgesteld krachtens het Bodemdecreet en dit besluit;6° zelf beschikken over een model voor risicoanalyse van bodemverontreiniging dat aanvaard wordt door de OVAM;7° een gekwalificeerd persoon in dienst hebben met de nodige ervaring om het model, vermeld in 6°, te hanteren en de resultaten ervan te interpreteren;8° een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid hebben die de activiteiten als bodemsaneringsdeskundige dekt;9° voor de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden : beschikken over hun burgerlijke en politieke rechten en de laatste vijf jaar geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie;10° de voorwaarde, vermeld in § 1, 8°, is van overeenkomstige toepassing;11° binnen het jaar na de datum van de erkenning beschikken over een kwaliteitshandboek. Onderafdeling II. - Bodemsaneringsdeskundige van type 2 Art. 31.Om te worden erkend als bodemsaneringsdeskundige van type 2 gelden de volgende voorwaarden : 1° opgericht zijn in overeenstemming met de wetgeving van het land waar hij gevestigd is;2° als het gaat om een handelaar : ingeschreven zijn in het handels- of beroepsregister volgens de eisen van het land waar hij gevestigd is;3° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis hebben van de volgende disciplines : biologie, bodemkunde, geologie, microbiologie en scheikunde;4° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben met een grondige kennis van de disciplines bouwkunde en grondmechanica;5° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die minstens drie jaar beroepservaring heeft in een milieusector die relevant is zowel voor het uitvoeren van bodemonderzoeken als voor het onderzoek inzake risico's van bodemverontreiniging gedurende de zes jaar die voorafgaan aan de datum van de erkenningsaanvraag;6° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die minstens vijf jaar beroepservaring heeft in een milieusector die relevant is voor het leiden van de bodemsanering gedurende de tien jaar die voorafgaan aan de datum van de erkenningsaanvraag;7° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die kennis heeft van en minstens vijf jaar beroepservaring heeft met werfopvolging gedurende de tien jaar die voorafgaan aan de datum van de erkenningsaanvraag;8° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die minstens twee jaar ervaring heeft met het opstellen van bestekken voor de aanneming van werken gedurende de vijf jaar die voorafgaan aan de datum van de erkenningsaanvraag;9° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis hebben van het Bodemdecreet, zijn uitvoeringsbesluiten en de standaardprocedures en de codes van goede praktijk, opgesteld krachtens het Bodemdecreet en dit besluit, alsook van de Vlaamse reglementeringen inzake de milieuvergunning, het grondwaterbeheer en de stedenbouw;10° zelf beschikken over een model voor risicoanalyse van bodemverontreiniging dat aanvaard wordt door de OVAM, en minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben met de nodige ervaring om het model te hanteren en de resultaten ervan te interpreteren;11° zelf beschikken of de contractuele beschikking hebben over een mathematisch grondwatermodel dat aanvaard wordt door de OVAM, en minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben met de nodige ervaring om het model te hanteren en de resultaten ervan te interpreteren;12° zelf beschikken of de contractuele beschikking hebben over de nodige middelen om infrastructuurwerken te ontwerpen en te begeleiden;13° een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid hebben die de activiteiten als bodemsaneringsdeskundige dekt;14° voor de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden : beschikken over hun burgerlijke en politieke rechten en de laatste vijf jaar geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie;16° de voorwaarde, vermeld in artikel 30, § 1, 8°, is van overeenkomstige toepassing;17° binnen het jaar na de datum van de erkenning beschikken over een kwaliteitshandboek. Onderafdeling III. - Algemene bepalingen Art. 32.De grondige kennis, vermeld in artikel 30, § 1, 1°, en § 2, 3°, en artikel 31, 3° en 4°, moet worden aangetoond met academische diploma's of diploma's van het hoger onderwijs van het lange type of ermee gelijkgestelde diploma's. De grondige kennis, vermeld in artikel 30, § 1, 3°, en § 2, 5°, en artikel 31, 9°, kan worden aangetoond met academische diploma's of diploma's van het hoger onderwijs van het lange type of ermee gelijkgestelde diploma's, of moet blijken uit een curriculum vitae, referentielijst of getuigschrift. De beroepservaring, vermeld in artikel 30, § 1, 2°, en § 2, 4°, en artikel 31, 5°, tot en met 8°, en 11°, moet blijken uit een curriculum vitae, getuigschrift, referentielijst of beschrijving van de opgedane relevante ervaring. De OVAM beoordeelt of de door de bodemsaneringsdeskundige voorgestelde personen beschikken over die vereiste grondige kennis of beroepservaring. Het ter beschikking hebben, vermeld in artikel 31, 4°, 11°, en 12°, moet van die aard zijn dat de uit het Bodemdecreet voortvloeiende termijnen kunnen worden nageleefd. Het in dienst hebben, vermeld in artikel 30, § 2,3°,tot en met 5°, en 7°, en 31, 4°, tot en met 9°, en 11°, moet worden begrepen als de arbeid ter beschikking hebben van een werknemer in ondergeschikt verband via arbeidsovereenkomst, of de diensten op continue basis ter beschikking hebben van een zelfstandige op voorwaarde dat die persoon de kennis of ervaring, vermeld in artikel 30 of 31, via die dienstverlening ter beschikking stelt van maximaal drie bodemsaneringsdeskundigen. Afdeling III. - Procedure tot erkenning als bodemsaneringsdeskundige Onderafdeling I. - Ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning Art. 33.De aanvraag om als bodemsaneringsdeskundige erkend te worden, wordt bij aangetekende brief gericht aan de minister, per adres van de OVAM. Art. 34.§ 1. Om ontvankelijk te zijn, moet de aanvraag voor de erkenning als bodemsaneringsdeskundige de volgende gegevens bevatten : 1° als het een rechtspersoon betreft : a) de statuten van de rechtspersoon;b) de namen van de natuurlijke personen die door de rechtspersoon gemachtigd zijn om de rechtspersoon ten aanzien van derden te verbinden;2° een kopie van de diploma's waarmee de grondige kennis, vermeld in artikel 30, § 1, 1°, en § 2,3°, en artikel 31, 3°, en 4°, en in voorkomend geval de grondige kennis, vermeld in artikel 30, § 1, 3°, en § 2, 5°, en artikel 31, 9°, wordt aangetoond;3° een curriculum vitae, getuigschrift, referentielijst of beschrijving van de opgedane relevante ervaring van de personen die beschikken over de grondige kennis, vermeld in artikel 30, § 1, 3°, en § 2, 5°, en artikel 31, 9°, en de beroepservaring, vermeld in artikel 30, § 1, 2°, en § 2, 4°, en artikel 31, 5°, tot en met 8°, en 11°, waaruit die kennis en ervaring blijkt;4° een bewijs dat de aanvrager de beschikking heeft over de modellen, vermeld in artikel 30 of 31;5° een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager zich tot het volgende verbindt : a) binnen een termijn van dertig dagen na de datum van de erkenningsbeslissing een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid als vermeld in artikel 30 of 31 te sluiten en de OVAM in kennis te stellen van de afgesloten polis;b) binnen een termijn van honderdtachtig dagen na de datum van de erkenningsbeslissing de noodzakelijke personen, vermeld in artikel 30 of 31, in dienst te nemen of contractueel ter beschikking te hebben, voor zover hij die personen nog niet in dienst heeft of contractueel ter beschikking heeft;c) alle analyses van monsters en al het veldwerk uit te voeren of te laten uitvoeren als vermeld in artikel 36, 2°;6° een recent getuigschrift van goed zedelijk gedrag van de persoon, vermeld in artikel 30, § 1, of van de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden;7° als de aanvrager handelaar is, een recent bewijs waaruit blijkt dat de aanvrager : a) niet in staat van faillissement of van vereffening verkeert of een gerechtelijk akkoord verkregen heeft, dan wel in een soortgelijke toestand verkeert als gevolg van een soortgelijke procedure die geldt in het land waar hij gevestigd is;b) niet het voorwerp is van een procedure van faillietverklaring of van gerechtelijk akkoord of van een andere soortgelijke procedure die voorkomt in de wetten en regelingen van het land waar hij gevestigd is;8° een recent attest waaruit blijkt dat de aanvrager aan zijn sociale en fiscale verplichtingen voldaan heeft. § 2. Om ontvankelijk te zijn, moet de aanvraag voor de erkenning als bodemsaneringsdeskundige van type 2 naast de gegevens, vermeld in § 1, ook een bewijs bevatten dat de aanvrager zelf beschikt of de contractuele beschikking heeft over de middelen om infrastructuurwerken te ontwerpen en te begeleiden. § 3. De OVAM kan een model van aanvraagformulier tot erkenning als bodemsaneringsdeskundige ter beschikking stellen. Onderafdeling II. - Beoordeling, advies en beslissing over de aanvraag tot erkenning Art. 35.De procedure voor de behandeling van de aanvragen tot erkenning als bodemsaneringsdeskundige is als volgt : 1° de OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag een ontvangstbewijs aan de aanvrager, waarbij de OVAM zich tevens uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aanvraag;2° de OVAM verklaart de aanvraag ontvankelijk of verzoekt om de nodige aanvullingen.Als de OVAM niet binnen de termijn, vermeld in 1°, om aanvullingen heeft verzocht, wordt de aanvraag geacht ontvankelijk te zijn. Als de OVAM binnen de termijn, vermeld in 1°, om aanvullingen verzoekt, wordt de aangevulde aanvraag opnieuw bij aangetekende brief aan de OVAM toegestuurd. De OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aangevulde aanvraag het ontvangstbewijs aan de aanvrager, waarbij de OVAM zich tevens uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aangevulde aanvraag; 3° de OVAM onderzoekt de ontvankelijke aanvraag en stuurt die samen met haar advies binnen een termijn van negentig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag naar de minister;4° de minister neemt binnen een termijn van honderdtwintig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag een beslissing over de erkenning;5° binnen honderdvijftig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag wordt de beslissing over de erkenning door de OVAM bij aangetekende brief aan de aanvrager betekend.De erkenningsbeslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Afdeling IV. - Voorwaarden voor het gebruik van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige Art. 36.In het kader van het gebruik van de erkenning is de bodemsaneringsdeskundige ertoe gehouden : 1° alle monsters die genomen worden in het kader van het Bodemdecreet te laten analyseren overeenkomstig het CMA of volgens een methode die door de OVAM gelijkwaardig wordt verklaard bij een laboratorium dat erkend is voor de uit te voeren metingen krachtens het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;2° het veldwerk uit te voeren, of erop toe te zien dat het veldwerk wordt uitgevoerd overeenkomstig het CMA of volgens een methode die door de OVAM gelijkwaardig wordt verklaard;3° op eenvoudig verzoek onmiddellijk aan de OVAM mee te delen waar veldwerk in het kader van het Bodemdecreet en dit besluit wordt gepland in de periode die is aangegeven in het verzoek van de OVAM;4° de taken, vermeld in artikel 28 of 29, uit te voeren in overeenstemming met de standaardprocedures of de codes van goede praktijk, vermeld in het Bodemdecreet en dit besluit;5° in elk rapport, verslag of project, opgesteld krachtens het Bodemdecreet of dit besluit, te verklaren dat hij niet verkeert in een van de gevallen van onverenigbaarheid als vermeld in artikel 46;6° de verslagen, rapporten en projecten, opgesteld krachtens het Bodemdecreet en dit besluit, als auteurs mee te laten ondertekenen door de personen die beschikken over de kennis of ervaring, vermeld in artikel 30 of 31, als bepaald in de standaardprocedures, vermeld in het Bodemdecreet. De OVAM beoordeelt of de door de bodemsaneringsdeskundige voorgestelde personen beschikken over de vereiste kennis en ervaring, en ze kent die personen de bevoegdheid toe om welbepaalde verslagen, rapporten en projecten, vermeld in het Bodemdecreet en dit besluit, als auteur mee te ondertekenen of ze weigert die bevoegdheid; 7° onverwijld de volgende wijzigingen aan de OVAM te melden : a) wijziging van de personen met handtekeningbevoegdheid, vermeld in punt 6°;b) wijziging van de modellen, vermeld in artikel 30 en 31, of wijziging van de personen met de vereiste ervaring om die modellen te hanteren en de resultaten ervan te interpreteren;8° een klachtenregister bij te houden dat ter inzage ligt voor de toezichthoudende overheid;9° jaarlijks een jaarverslag op te stellen.Het jaarverslag bevat minstens de volgende elementen : a) een overzicht van de personen, vermeld in artikel 30 of 31, die beschikken over de vereist kennis en beroepservaring;b) een evaluatie van de genomen acties omtrent de kwaliteitsborging, de opleiding van het personeel en de inhoud van het klachtenregister. De bodemsaneringsdeskundige bezorgt de jaarverslagen op eenvoudig verzoek aan de OVAM; 10° een kwaliteitshandboek op te maken en actueel te houden. Afdeling V Schorsing en opheffing van de handtekeningsbevoegdheid en van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige Onderafdeling I. - Schorsing en opheffing van de handtekeningsbevoegdheid Art. 37.Naar aanleiding van een ernstige fout of van herhaaldelijke fouten in de verslagen, rapporten of projecten van de bodemsaneringsdeskundige of naar aanleiding van eigen onderzoeksdaden kan de OVAM overgaan tot een herevaluatie om te onderzoeken of de personen met handtekeningsbevoegdheid wel degelijk beschikken over de vereiste kennis en ervaring, vermeld in artikel 30 of 31. De OVAM kan op basis van de herevaluatie de handtekeningbevoegdheid van de personen, vermeld in artikel 36, 6°, schorsen, voor een termijn van dertig dagen tot honderdtachtig dagen, of opheffen. Art. 38.De OVAM brengt de bodemsaneringsdeskundige en de houder van de handtekeningsbevoegdheid, per adres van de bodemsaneringsdeskundige, bij aangetekende brief op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot schorsing of opheffing van de handtekeningsbevoegdheid. Binnen een termijn van dertig dagen na datum van ontvangst van die brief kan de houder van de handtekeningsbevoegdheid alle nodige formaliteiten vervullen om de schorsing of opheffing van de handtekeningsbevoegdheid te voorkomen of zijn verweermiddelen aan de OVAM kenbaar te maken. De OVAM neemt een beslissing over de schorsing of de opheffing, rekening houdend met de eventueel vervulde formaliteiten of de eventueel meegedeelde verweermiddelen. In geval van schorsing of opheffing van de handtekeningsbevoegdheid betekent de OVAM die beslissing bij aangetekende brief aan de bodemsaneringsdeskundige en aan de houder van de handtekeningsbevoegdheid, per adres van de bodemsaneringsdeskundige. Onderafdeling II. - Schorsing van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige Art. 39.De minister kan te allen tijde de erkenning als bodemsaneringsdeskundige schorsen voor een termijn van maximaal honderdtachtig dagen in de volgende gevallen : 1° de bodemsaneringsdeskundige voert de taken, vermeld in artikel 28 of 29, niet reglementair of niet objectief uit;2° de bodemsaneringsdeskundige houdt onvoldoende toezicht op het veldwerk of het gebruik van de correcte analysemethode;3° de bodemsaneringsdeskundige voldoet niet meer aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 30 of 31;4° de bodemsaneringsdeskundige leeft de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning, vermeld in artikel 36, niet na;5° de bodemsaneringsdeskundige begaat onregelmatigheden bij de uitvoering van de taken, vermeld in artikel 28 of 29;6° de bodemsaneringsdeskundige is bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door zijn aard de beroepsethiek van de bodemsaneringsdeskundige in kwestie aantast. Art. 40.De minister brengt de bodemsaneringsdeskundige bij aangetekende brief op de hoogte van zijn voornemen tot schorsing van de erkenning met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na datum van ontvangst van die brief kan de bodemsaneringsdeskundige alle nodige formaliteiten vervullen om de schorsing te voorkomen of zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken. De minister neemt een beslissing over de schorsing van de erkenning, rekening houdend met de eventueel vervulde formaliteiten of de eventueel meegedeelde verweermiddelen. In geval van schorsing van de erkenning wordt die beslissing door de minister bij aangetekende brief aan de bodemsaneringsdeskundige betekend en bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Onderafdeling III. - Opheffing van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige Art. 41.De minister kan te allen tijde de erkenning als bodemsaneringsdeskundige opheffen in de volgende gevallen : 1° de bodemsaneringsdeskundige voert de taken, vermeld in artikel 28 of 29, herhaaldelijk niet reglementair of niet objectief uit;2° de bodemsaneringsdeskundige houdt herhaaldelijk onvoldoende toezicht op veldwerk of het gebruik van de correcte analysemethode;3° de bodemsaneringsdeskundige voldoet bij het verstrijken van de schorsingsperiode nog steeds niet aan de erkenningsvoorwaarden waarvoor hij op grond van artikel 39, 3°, geschorst werd;4° de bodemsaneringsdeskundige leeft de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning, vermeld in artikel 36, bij herhaling niet na;5° de bodemsaneringsdeskundige begaat ernstige onregelmatigheden of bij herhaling onregelmatigheden bij de uitvoering van de taken, vermeld in artikel 28 of 29;6° de bodemsaneringsdeskundige is bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door zijn aard de beroepsethiek van de bodemsaneringsdeskundige in ernstige mate aantast. Art. 42.De bepalingen van artikel 40 zijn van overeenkomstige toepassing. Onderafdeling IV. - Opheffing van rechtswege van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige Art. 43.§ 1. De erkenning als bodemsaneringsdeskundige van type 1 wordt van rechtswege opgeheven als de bodemsaneringsdeskundige gedurende twee opeenvolgende volledige kalenderjaren minder dan tien technische verslagen en minder dan tien verslagen van oriënterend bodemonderzoek heeft opgemaakt, en bij een erkende bodembeheerorganisatie, respectievelijk bij de OVAM heeft ingediend. De erkenning als bodemsaneringsdeskundige van type 2 wordt van rechtswege opgeheven als de bodemsaneringsdeskundige gedurende twee opeenvolgende volledige kalenderjaren minder dan tien verslagen van oriënterend bodemonderzoek, minder dan vijf verslagen van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek of beschrijvend bodemonderzoek, en minder dan drie bodemsaneringsprojecten of beperkte bodemsaneringsprojecten heeft opgemaakt en bij de OVAM heeft ingediend. De beslissingen houdende vaststelling van de opheffing van de erkenning worden door de minister bij aangetekende brief aan de bodemsaneringsdeskundige betekend en bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 2. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing op de bodemsaneringsdeskundigen die van rechtswege erkend zijn. Art. 44.§ 1. De erkenning als bodemsaneringsdeskundige wordt van rechtswege opgeheven in de volgende gevallen : 1° de bodemsaneringsdeskundige heeft na het verstrijken van de termijn van dertig dagen na de datum van de erkenningsbeslissing niet het bewijs geleverd dat hij de voorgeschreven verzekering voor beroepsaansprakelijkheid heeft afgesloten;2° de bodemsaneringsdeskundige heeft na het verstrijken van de termijn van honderdtachtig dagen na de datum van de erkenningsbeslissing niet het bewijs geleverd de personen, vermeld in artikel 30 of 31, in dienst of contractueel ter beschikking te hebben;3° de bodemsaneringsdeskundige beschikt na het verstrijken van de termijn van een jaar na de datum van de erkenningsbeslissing nog niet over een kwaliteitshandboek als vermeld in artikel 30 of 31;4° de bodemsaneringsdeskundige heeft zijn activiteiten als bodemsaneringsdeskundige stopgezet. De beslissingen houdende vaststelling van de opheffing van de erkenning worden door de minister bij aangetekende brief aan de bodemsaneringsdeskundige betekend en bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 2.De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing op de bodemsaneringsdeskundigen die van rechtswege erkend zijn. Afdeling VI. - Duur en overdraagbaarheid van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige Art. 45.De erkenning als bodemsaneringsdeskundige geldt voor onbepaalde duur, voor zover ze niet wordt geschorst of opgeheven. De erkenning kan niet aan derden worden overgedragen. Afdeling VII. - Onverenigbaarheden Art. 46.Van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige kan geen gebruik worden gemaakt in de volgende gevallen : 1° de bodemsaneringsdeskundige of een persoon die voor rekening van de bodemsaneringsdeskundige een directie- of bestuursbevoegdheid uitoefent, is bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad, met de opdrachtgever, of - als het de leiding van bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen betreft - met de opdrachtgever of met de uitvoerder van de werken of de maatregelen, of met ieder ander persoon die voor rekening van voormelde opdrachtgever respectievelijk uitvoerder, een directie- of bestuursbevoegdheid uitoefent;2° de bodemsaneringsdeskundige of een persoon die voor rekening van de bodemsaneringsdeskundige een directie- of bestuursbevoegdheid uitoefent, is zelf of bij tussenpersoon eigenaar, mede-eigenaar of werkend vennoot van de opdrachtgever, of - als het de leiding van bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen betreft - van de opdrachtgever of van de uitvoerder van de werken of de maatregelen;3° de bodemsaneringsdeskundige of een persoon die voor rekening van de bodemsaneringsdeskundige een directie- of bestuursbevoegdheid uitoefent, oefent in rechte of in feite, zelf of bij tussenpersoon, een directie- of beheersbevoegdheid uit bij voormelde opdrachtgever, of - als het de leiding van bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen betreft - van de opdrachtgever of van de uitvoerder;4° de activiteiten van de bodemsaneringsdeskundige worden in die hoedanigheid, als natuurlijke of rechtspersoon, rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk gefinancierd, gecontroleerd of beheerd, in welke vorm dan ook, door de opdrachtgever of de uitvoerder van de bodemsaneringswerken of de risicobeheersmaatregelen;5° zowel de bodemsaneringsdeskundige als de opdrachtgever, of - als het de leiding van bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen betreft - zowel de bodemsaneringsdeskundige als de uitvoerder van de bodemsaneringswerken of de risicobeheersmaatregelen, worden rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk gefinancierd, gecontroleerd of beheerd door één persoon. In afwijking van het eerste lid kan de minister op gemotiveerd schriftelijk verzoek van de opdrachtgever of de bodemsaneringsdeskundige beslissen dat in de gevallen van onverenigbaarheid, vermeld in het eerste lid, toch gebruik kan worden gemaakt van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige, als hij van oordeel is dat de kwaliteit van de uitvoering van de werkzaamheden kan worden gewaarborgd en als de verzoeker er zich toe verbindt de bijkomende controlekosten van de OVAM te vergoeden. De minister neemt een beslissing binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het gemotiveerde schriftelijke verzoek. Hoofdstuk III.- Verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering uit te voeren en te (pre)financieren Afdeling I. Saneringscriterium bij nieuwe bodemverontreiniging Art. 47.De bodemsaneringsnormen, vermeld in artikel 9, § 1, van het Bodemdecreet, worden vastgesteld in bijlage IV, gevoegd bij dit besluit. Afdeling II. - Saneringsdoel Art. 48.Bij de evaluatie van de beste beschikbare technieken die geen overmatige kosten met zich meebrengen, moet rekening worden gehouden met de volgende elementen : 1° de verschillende milieuhygiënische criteria van de beschouwde technieken, zoals : a) de mate van het behalen van de decretale doelstellingen;b) de eventuele beperkingen op het gebruik van de grond na de bodemsanering;c) de verschillende milieubaten;d) de tijd die het zal vergen om de bodem te saneren;2° de verschillende technische criteria van de beschouwde technieken, zoals : a) de mogelijke hinder voor de omgeving;b) de mate waarin toekomstige schade zal voorkomen;c) de mate waarin bij de uitvoering onbedoelde schade kan worden vermeden d) de noodzakelijke maatregelen om zowel de milieuveiligheid als de arbeidsveiligheid te verzekeren bij de uitvoering van de bodemsaneringswerken;3° de kosten van de uitvoering van de bodemsanering en de eventuele bijkomende kosten die gekoppeld zijn aan de restverontreiniging. Art. 49.De nadere regels voor de afweging van de verschillende technieken worden bepaald in de standaardprocedure, vermeld in artikel 47, § 2, van het Bodemdecreet. Afdeling III. - Vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering uit te voeren Onderafdeling I. - Kennisvoorwaarde Art. 50.Bij de beoordeling van het feit of de eigenaar al dan niet op de hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik van de verwerving, vermeld in artikel 12, § 2, 3°, en artikel 23, § 2, 3°, van het Bodemdecreet, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de volgende elementen : 1° het tijdstip van de verwerving;2° vermeldingen of aanwijzingen in de aankoopakte;3° de hoedanigheid van de eigenaar;4° de ervaring of beroepskennis van de eigenaar;5° de aard, de zintuiglijke waarneembaarheid of de algemene bekendheid van de bodemverontreiniging;6° de aard van de inrichting die aanleiding heeft gegeven tot de bodemverontreiniging;7° de toestand van en de voorkennis over de verontreinigde grond;8° beschikbare documenten met betrekking tot de verontreinigde grond. Onderafdeling II. Procedure tot aanvraag van de vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering uit te voeren A. Nieuwe bodemverontreiniging Art. 51.De persoon, vermeld in artikel 11 van het Bodemdecreet, betekent zijn gemotiveerd standpunt tot vrijstelling van de plicht als vermeld in artikel 12 van het Bodemdecreet bij aangetekende brief aan de OVAM. Hij doet dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van de brief van de OVAM waarin hem wordt gewezen op zijn zelfstandige verplichting om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of om tot bodemsanering over te gaan. De OVAM onderzoekt het gemotiveerde standpunt en oordeelt of de persoon, vermeld in artikel 11 van het Bodemdecreet, voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden, vermeld in artikel 12, § 1 of § 2, van het Bodemdecreet, of dat de afwijking, vermeld in artikel 12, § 3, van het Bodemdecreet, van toepassing is. De OVAM stelt die persoon in kennis van haar beslissing binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het gemotiveerd standpunt. B. Historische bodemverontreiniging Art. 52.Voor de aanmaning, vermeld in artikel 22 van het Bodemdecreet, kunnen de personen, vermeld in artikel 22 van het Bodemdecreet, op elk tijdstip bij aangetekende brief hun gemotiveerde standpunt tot vrijstelling van de plicht als vermeld in artikel 23 van het Bodemdecreet aan de OVAM betekenen. De OVAM neemt het gemotiveerde standpunt op in het dossier van de grond. Na de aanmaning betekent de persoon die krachtens artikel 22 van het Bodemdecreet werd aangemaand bij aangetekende brief zijn gemotiveerde standpunt aan de OVAM. Hij doet dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van de aanmaning. De OVAM onderzoekt het gemotiveerde standpunt en oordeelt of de aangemaande persoon voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1 of § 2, van het Bodemdecreet, of dat de afwijking, vermeld in artikel 23, § 3, van het Bodemdecreet, van toepassing is. De OVAM stelt die persoon in kennis van haar beslissing binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het gemotiveerde standpunt. Onderafdeling III. - Overdracht van de vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering uit te voeren Art 53. Als de persoon die de grond overdraagt voor een bepaalde bodemverontreiniging krachtens artikel 12 of 23 van het Bodemdecreet vrijstelling van de verplichting tot het uitvoeren van het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering heeft verkregen, gaat die vrijstelling op het moment van de verwerving van de grond van rechtswege over op de verwerver als voldaan is aan de drie volgende voorwaarden : 1° de verwerver of zijn rechtsvoorganger heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt;2° de verontreiniging is niet tot stand gekomen tijdens een periode dat de verwerver of zijn rechtsvoorganger eigendoms- of gebruiksrechten op de grond had;3° de verwerver heeft op het moment dat de grond wordt overgedragen geen eigendomsrechten op de grond. Art. 54.De vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering uit te voeren die krachtens artikel 53 op de verwerver is overgegaan, vervalt van rechtswege wanneer de aanwezige bodemverontreiniging die in de conformverklaring van het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek of van het beschrijvend bodemonderzoek, of in de eindverklaring werd gekwalificeerd als geen ernstige bodemverontreiniging, opnieuw een risico oplevert of kan opleveren tot nadelige beïnvloeding van mens of milieu door een wijziging van de kenmerken, functies of eigenschappen van de bodem. Hoofdstuk IV. - Oriënterend bodemonderzoek en beschrijvend bodemonderzoek Afdeling I. - Oriënterend bodemonderzoek Onderafdeling I. - Aanvullende onderzoeksverrichtingen en conformverklaring van het oriënterend bodemonderzoek Art. 55.Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de bepalingen van artikel 28 van het Bodemdecreet. Als de OVAM van oordeel is dat het oriënterend bodemonderzoek niet conform die bepalingen werd uitgevoerd, kan ze overeenkomstig artikel 28, § 3, van het Bodemdecreet op elk ogenblik administratieve of technische aanvullende onderzoeksverrichtingen opleggen. Als de OVAM aanvullende onderzoeksverrichtingen oplegt, kan ze een termijn bepalen waarbinnen de aanvullende onderzoeksverrichtingen moeten worden uitgevoerd en het verslag ervan bij de OVAM moet worden ingediend. Art. 56.Als de OVAM van oordeel is dat de aanvullende onderzoeksverrichtingen samen met het uitgevoerde bodemonderzoek, vermeld in artikel 28, § 3, van het Bodemdecreet, aan de vereisten van artikel 28 van het Bodemdecreet beantwoorden, levert ze een bodemattest af aan de opdrachtgever van het oriënterend bodemonderzoek waarin dit wordt vermeld. Dat bodemattest geldt als conformiteitsattest voor het oriënterend bodemonderzoek. Art. 57.Als de OVAM zich niet binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het verslag van de aanvullende onderzoeksverrichtingen heeft uitgesproken, worden de aanvullende onderzoeksverrichtingen samen met het uitgevoerde bodemonderzoek, vermeld in artikel 28, § 3, van het Bodemdecreet, geacht conform de bepalingen van artikel 28 van het Bodemdecreet te zijn. Onderafdeling II. - Verplichting om een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren A. Overdracht van risicogrond bij gedwongen mede-eigendom Art. 58.Een oriënterend bodemonderzoek wordt in de volgende gevallen op initiatief en op kosten van de overdrager of de gemandateerde uitgevoerd voor de overdracht van een privatief deel van een onroerend geheel dat valt onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek : 1° in dat privatieve deel is of was een risico-inrichting gevestigd;2° in de gemeenschappelijke delen is of was een risico-inrichting gevestigd die uitsluitend bestemd is of was voor dat privatieve deel. Art. 59.Een eenmalig oriënterend bodemonderzoek wordt in de volgende gevallen op initiatief en op kosten van de vereniging van mede-eigenaars uitgevoerd : 1° voor de vestiging van de gedwongen mede-eigendom was een risico-inrichting gevestigd op de grond waarop de gedwongen mede-eigendom gevestigd is;2° in de gemeenschappelijke delen was een risico-inrichting gevestigd die bestemd was ten behoeve van de mede-eigendom. Het eenmalige oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd voor 31 december 2014, tenzij er eerder een overdracht van een privatief of gemeenschappelijk deel plaatsvindt. In dat geval wordt het eenmalige oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd voor de eerste overdracht. Als de vereniging van mede-eigenaars nalaat het oriënterend bodemonderzoek uit te voeren, ook binnen dertig dagen nadat de overdrager haar daartoe bij aangetekende brief in gebreke heeft gesteld, kan de overdrager zelf opdracht geven tot het uitvoeren van het oriënterend bodemonderzoek en de eraan verbonden kosten verhalen op de vereniging van mede-eigenaars. Hij kan ook van de vereniging van mede-eigenaars een voorschot vorderen voor de betaling van de kosten van het oriënterend bodemonderzoek. Art. 60.Er hoeft geen oriënterend bodemonderzoek te worden uitgevoerd voor de overdracht van een privatief of gemeenschappelijk deel als in de gemeenschappelijke delen een risico-inrichting gevestigd is die uitsluitend bestemd is ten behoeve van de mede-eigendom, voor zover geen enkel van de gevallen, vermeld in artikel 58 en 59, van toepassing is. B. Periodieke verplichting om een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren Art. 61.De exploitanten van de risico-inrichtingen die in de lijst in bijlage I bij dit besluit onder de kolom 'categorie' met de letter B zijn aangeduid, moeten op eigen kosten een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren volgens het volgende tijdschema : 1° een eerste maal : a) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie voor 29 oktober 1995 is aangevat : voor 31 december 2011;b) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie tussen 29 oktober 1995 en de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat : voor 31 december 2015;c) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat en waar geen oriënterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie : binnen zes jaar na de aanvang van de exploitatie;d) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat en waar een oriënterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie : binnen tien jaar na de aanvang van de exploitatie;2° vervolgens periodiek om de tien jaar. Art. 62.De exploitanten van de risico-inrichtingen die in de lijst in bijlage I bij dit besluit onder de kolom 'categorie' met de letter A zijn aangeduid, moeten op eigen kosten een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren volgens het volgende tijdschema : 1° een eerste maal : a) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.