📄 Wettekst
FEDERALE OVERHEIDSDIENST BINNENLANDSE ZAKEN
Federale Agentschap voor Nucleaire Controle
6 DECEMBER 2018. - Koninklijk besluit tot wijziging van het
koninklijk besluit van 20 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
20/07/2001
pub.
30/08/2001
numac
2001000726
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen
type
koninklijk besluit
prom.
20/07/2001
pub.
10/10/2013
numac
2013000542
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen voor wat betreft de fysische controle en betreffende Bel V
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Ik heb de eer ter ondertekening van Uwe Majesteit een besluit tot wijziging van het
koninklijk besluit van 20 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
20/07/2001
pub.
30/08/2001
numac
2001000726
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen
type
koninklijk besluit
prom.
20/07/2001
pub.
10/10/2013
numac
2013000542
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen voor wat betreft de fysische controle en betreffende Bel V. 1. Inleiding De fysische controle van de ingedeelde inrichtingen en de vervoerders valt op dit ogenblik nog steeds onder het reglementair stelsel dat sinds 2001 van kracht is en werd vastgelegd in het algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen (
koninklijk besluit van 20 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
20/07/2001
pub.
30/08/2001
numac
2001000726
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen
type
koninklijk besluit
prom.
20/07/2001
pub.
10/10/2013
numac
2013000542
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten, hierna ARBIS genoemd).Sinds deze datum, die verband houdt met de operationalisering van het Agentschap, bleek uit verschillende gebeurtenissen, ontwikkelingen, lessen geleerd op het terrein, dat dit controleregime grondig moest worden herzien.
Op dit moment wordt het opportuun en nodig geacht om het statuut en de verantwoordelijkheden van de "erkende instellingen" en hun rol in het controlesysteem te verduidelijken: o Sinds 2008 bestond er een 'feitelijke' situatie, toen het Agentschap het toezicht op de fysische controle van de inrichtingen van klasse I en IIA heeft overgenomen om dit vervolgens toe te vertrouwen aan Bel V. Bel V is een private stichting, opgericht bij notariële akte van 7 september 2007, gepubliceerd in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 9 oktober 2007, en waarop het Agentschap beroep doet voor de uitoefening van bepaalde opdrachten, overeenkomstig artikel 28 van de
wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/04/1994
pub.
14/10/2011
numac
2011000621
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuze coördinatie in het Duits
type
wet
prom.
15/04/1994
pub.
19/03/2013
numac
2013000145
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Duitse vertaling. - Erratum
type
wet
prom.
15/04/1994
pub.
25/08/2017
numac
2017031028
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuse coördinatie in het Duits. - Erratum
sluiten. o Voor wat de erkende instellingen betreft, hebben deze op dit ogenblik twee verschillende functies (taken van fysische controle voor de exploitanten en het toezicht hierop), wat inhoudt dat de scheiding controleur-gecontroleerde niet duidelijk is. Uit de peer review-missie (IRRS genaamd), die in België eind 2013 door de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) georganiseerd werd, is de noodzaak gebleken om duidelijk de contouren van de regelgever te definiëren en om een duidelijk en ondubbelzinnig statuut aan de "erkende instellingen" (aanbeveling nr. 5) toe te kennen. De erkende instellingen zullen voortaan aan de kant van de exploitanten staan en handelen onder hun verantwoordelijkheid en voor hun rekening. Ze zullen geen opdrachten meer uitvoeren die hen door de overheid gedelegeerd werden. o Uit de IRRS bleek tevens dat het nodig was dat het wettelijk kader het Agentschap niet langer mocht toestaan om de fysische controle bij de exploitanten uit te voeren (aanbeveling nr. 5). o Tot slot moet het erkenningsstelsel voor de instellingen voor fysische controle worden herzien in het licht van de openstelling van de private markt, met duidelijke voorwaarden en criteria.
Ten slotte laat de door het Agentschap sinds 2001 opgedane ervaring toe om een controleconcept voor te stellen waardoor de veiligheid en de stralingsbescherming op het terrein worden versterkt: o Elke exploitant moet een interne dienst voor fysische controle oprichten en deze dienst uitrusten met de nodige middelen om de opdrachten qua stralingsbescherming en nucleaire veiligheid die toegewezen worden aan deze dienst, doeltreffend te kunnen uitvoeren.
De goede werking van deze dienst ligt volledig onder de verantwoordelijkheid van de exploitant. o Het hoofd van de dienst voor fysische controle maakt steeds deel uit van het personeel van de exploitant, ongeacht of hij al dan niet een deskundige bevoegd in de fysische controle is. Deze bepaling versterkt de verantwoordelijkheid van de exploitant. o In het besluit worden de nieuwe vereisten van de richtlijn 2013/59/Euratom (" Basic Safety Standards - BSS ") met betrekking tot de concepten " Functionaris voor Stralingsbescherming (RPO) " en "stralingsbeschermingsdeskundige (RPE)" in de Belgische regelgeving geïntegreerd, met de eraan verbonden opleidingseisen.
Daarenboven, voor de activiteiten met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 7, worden de taken en missies van de fysische controle ten aanzien van deze van de veiligheidsadviseur klasse 7 verduidelijkt. 2. Inhoud van het besluit Definities Er werden verschillende nieuwe definities opgenomen: - Bel V, verwijzend naar het in september 2007 door het Agentschap opgerichte filiaal waaraan het Agentschap de controletaken in toepassing van artikel 14ter van de
wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/04/1994
pub.
14/10/2011
numac
2011000621
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuze coördinatie in het Duits
type
wet
prom.
15/04/1994
pub.
19/03/2013
numac
2013000145
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Duitse vertaling. - Erratum
type
wet
prom.
15/04/1994
pub.
25/08/2017
numac
2017031028
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuse coördinatie in het Duits. - Erratum
sluiten (gewijzigd door de
wet van 7 mei 2017Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/05/2017
pub.
26/09/2017
numac
2017020650
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het federaal agentschap voor Nucleaire Controle, wat betreft de organisatie van de fysische controle. - Duitse vertaling
type
wet
prom.
07/05/2017
pub.
29/05/2017
numac
2017202658
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het federaal agentschap voor Nucleaire Controle, wat betreft de organisatie van de fysische controle
sluiten) heeft toevertrouwd. - Het begrip "reglementering inzake ioniserende straling" is bedoeld ter vervanging van de verwijzing "naar het huidige reglement" van het voormalig ARBIS, en dit gemotiveerd door het feit dat er, enerzijds, bepaalde hoofdstukken uit het Algemeen reglement werden gehaald om er afzonderlijke reglementen van te maken en, anderzijds, dat er andere besluiten ter aanvulling van het ARBIS werden, of zullen worden genomen en waarbij de dienst voor fysische controle eveneens belast is met de organisatie van en het toezicht op de nodige maatregelen om te waarborgen dat de bepalingen ervan worden nageleefd. De "reglementering inzake ioniserende straling" omvat bijvoorbeeld het besluit van 30 november 2011 houdende veiligheidsvoorschriften voor kerninstallaties. - De "agent voor de stralingsbescherming" stemt overeen met de "functionaris voor stralingsbescherming (RPO)" van richtlijn 2013/59/Euratom. Er werd gekozen om deze term van de richtlijn niet letterlijk over te nemen omdat deze in de Nederlandstalige versie van deze richtlijn niet gepast leek.
Vergunning van installaties en activiteiten Een van belangrijkste doelstellingen van de reglementaire hervorming is het meer responsabiliseren van de exploitant of het ondernemingshoofd voor wat betreft de fysische controle in zijn installaties of bij de vervoersactiviteiten en het duidelijk positioneren van de erkende instellingen voor fysische controle als dienstverleners voor rekening en onder verantwoordelijkheid van deze zelfde exploitanten of organisaties, en niet langer als instellingen die reglementaire controles uitvoeren door delegatie vanwege de overheid (het Agentschap).
Het is de exploitant of het ondernemingshoofd die moet bepalen hoe hij zijn fysische controle wil organiseren (bijvoorbeeld: de functionele organisatie van de dienst voor fysische controle en de positie ervan binnen de organisatie, het aantal personen aangeworven voor stralingsbeschermingstaken, hun aanstelling binnen de verschillende diensten/installaties, hun opleiding in de stralingsbescherming, de bijzondere taken/verificaties, de aanwezigheid van een interne deskundige erkend in de fysische controle, of de aanwijzing van een erkende instelling, enz.). De keuze of er al dan niet een erkend deskundige erkend in de fysische controle tot zijn eigen personeel behoort, zal aan de exploitant of het ondernemingshoofd worden overgelaten (behalve voor de inrichtingen van klasse I), net als de erkende instelling waartoe deze deskundige zal behoren.
Om de kwaliteit van de vergunningsaanvragen te waarborgen, wordt er gevraagd om de vergunningsaanvragen (op voorhand) te laten onderzoeken en goedkeuren door een deskundige erkend in de fysische controle, personeelslid van de (toekomstige) exploitant of, uitgezonderd voor aanvragen met betrekking tot een inrichting van klasse I, door een erkende instelling indien de (toekomstige) exploitant geen erkend deskundige in dienst heeft.
In het kader van een trapsgewijze aanpak en met het oog op administratieve vereenvoudiging, wordt er voor de inrichtingen van klasse II en III voortaan aan de exploitant gevraagd om de voorziene datum voor de inbedrijfstelling van de nieuwe installaties in het aanvraagdossier voor de vergunning te vermelden, in plaats van deze een maand op voorhand per aangetekend schrijven aan het Agentschap mee te delen, zoals bepaald door het Algemeen Reglement van 2001.
Continuïteit van de indeling tijdens de buitenbedrijfstelling (ARBIS - art 3) Om een ambiguïteit uit de wereld te helpen, specificeert de eerste zin van artikel 3.1 expliciet dat de klasse waarin een inrichting wordt ingedeeld, ook tijdens de buitenbedrijfstelling (in de zin van de definitie hiervan in het ARBIS) behouden blijft. Het behoud van de initiële klasse is bedoeld als aansporing voor de exploitant om de ontmanteling en/of sanering van zijn installaties niet onnodig uit te stellen.
Inrichtingen van klasse IIA Er wordt een subklasse van klasse II geïntroduceerd door de toevoeging van een artikel 3.3 aan het ARBIS. Dit artikel definieert de inrichtingen van klasse II " A ", dit wil zeggen die inrichtingen van klasse II die een verhoogd radiologisch risico vertonen. De definiëring van een dergelijke subklasse is gebaseerd op de directe ervaringsfeedback van het radiologisch ongeval dat zich bij Sterigenics te Fleurus, in 2006, heeft voorgedaan.
De inrichtingen van klasse IIA maken integraal deel uit van klasse II en dus zijn de reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op klasse II tevens van toepassing op klasse IIA, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald.
Deze categorie omvat met name de deeltjesversnellers, de X-stralengeneratoren met energie van meer dan 1 MeV en de bijzonder hoogactieve bronnen (> 100 TBq) die worden gebruikt voor industriële toepassingen. Op zich zijn deze technische parameters echter niet voldoende om een beeld te geven van het reële risico dat wordt veroorzaakt door de versneller of generator; dit is eveneens afhankelijk van vele andere factoren, zoals bv. de afscherming, het soort van versnelde deeltjes, de secundaire bundels,.... Het Agentschap voorziet dat het via een besluit, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad bepaalde types van installaties met een weinig verhoogd risico uit de categorie " IIA " kan halen en dit op basis van een risicoanalyse.
Hoewel deze inrichtingen het vergunningsstelsel van klasse II behouden (zij het dan voorgesteld in de vorm van een veiligheidsverslag van de vergunningsdocumenten), maken ze het voorwerp uit van een versterkt controle- en toezichtsysteem. Het bezoek aan de installaties door een deskundige erkend in de fysische controle zal frequenter gebeuren.
Bepaalde beslissingen van de dienst voor fysische controle zullen expliciet door het Agentschap (dat - overeenkomstig artikel 38 van het gewijzigde ARBIS - deze taak aan Bel V kan delegeren) moeten worden goedgekeurd.
Inbedrijfstelling van de nieuw vergunde installaties (inclusief in het kader van belangrijke wijzigingen) Het proces voor de oplevering van de installaties van klasse I blijft praktisch ongewijzigd.
In het geval van de nieuwe vergunde installaties van klasse IIA, is er een formeel proces voor de bevestiging van de vergunning, vergelijkbaar met dat wat voorzien is voor de inrichtingen van klasse I (ARBIS art. 6.9): voorafgaand aan de inbedrijfstelling van de installaties, dient de oprichtings- en exploitatievergunning te worden bevestigd door een besluit van het Agentschap op basis van een inspectie door het Agentschap en van de veiligheidsevaluatie door het Agentschap (dat deze taak - overeenkomstig artikel 38 - aan Bel V kan delegeren) van de oplevering van de installatie door de dienst voor fysische controle van de exploitant.
Volgens de trapsgewijze aanpak, wordt er voor de nieuwe vergunde installaties van klasse II die niet tot IIA behoren en deze van klasse III, voorgesteld om het systeem krachtens het huidige artikel 15 van het ARBIS te behouden: de oplevering gebeurt door een erkend deskundige in de fysische controle. Een document, opgesteld door de dienst voor fysische controle, waarin wordt bevestigd dat de deskundige een volledig gunstige oplevering heeft uitgevoerd van de nieuw vergunde installaties wordt aan het Agentschap vóór de inbedrijfstelling van de installaties overgemaakt.
Ten slotte kan het Agentschap voor wijzigingen die weinig of geen impact hebben op het risico, maar waarvoor een formele herformulering van de vergunning nodig is (ARBIS - artikel 12), van bepaalde formele vereisten van de artikels 15 en 15/1 afwijken.
De fysische controle (art. 23 van het ARBIS) a) Oprichting van de diensten voor fysische controle Elke exploitant van een ingedeelde inrichting, uitgezonderd inrichtingen van klasse IV, of elk hoofd van een onderneming die betrokken is bij het vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 7, dient een dienst voor fysische controle te organiseren. Overeenkomstig Richtlijn 2013/59/EURATOM betreffende de basisgezondheidsnormen maakt de dienst voor fysische controle (en met name het hoofd ervan) altijd deel uit van de organisatie van de exploitant, ook al kan deze dienst een beroep doen op externe deskundigen om bepaalde opdrachten uit te voeren. De keuze van de plaats van deze dienst voor fysische controle binnen de organisatie wordt aan de exploitant, of het ondernemingshoofd overgelaten. Binnen een ingedeelde inrichting kan deze bijvoorbeeld deel uitmaken van het departement "beveiliging, gezondheid en leefmilieu", of bij een onderneming betrokken bij het vervoer van gevaarlijke goederen van klasse 7, van het departement "gevaarlijke goederen".
Om de integratie van het radiologisch risico in het beheersysteem voor klassieke risico's te bevorderen, moet het radiologisch risico niet los van de andere risico's worden beheerd, maar veeleer worden beschouwd binnen het dynamisch risicobeheersysteem dat de exploitant of het ondernemingshoofd moet organiseren krachtens de wet betreffende het welzijn op het werk en haar uitvoeringsbesluiten.
In de vervoersector vallen bepaalde organisaties of ondernemingen evenwel niet onder Belgisch recht en/of zijn ze niet onderworpen aan de wet betreffende het welzijn op het werk en haar uitvoeringsbesluiten. Voor deze instanties moet het radiologisch risico worden beschouwd binnen het beheersysteem dat het ondernemingshoofd, overeenkomstig de bepalingen van de geldende internationale verdragen en reglementen die het vervoer van gevaarlijke goederen regelen, moet organiseren.
Anderzijds worden bepaalde opdrachten voor fysische controle uitgevoerd in overleg met de arbeidsgeneesheer, stralingsfysicus, preventieadviseur en/of veiligheidsadviseur klasse 7 (vervoer).
In het bijzonder moet erop gewezen worden dat de af te leveren 'goedkeuringen' door de dienst voor fysische controle, de erkend deskundige of de regelgever, goedkeuringen zijn voorafgaan aan de implementatie/uitvoering/indienststelling van de activiteit/manipulatie/wijziging die deel moet uitmaken van de goedkeuring.
Artikel 23.1.1 staat toe dat er diensten voor fysische controle zijn die gemeenschappelijk zijn voor één of meer inrichtingen van verschillende exploitanten. Dergelijke diensten bestaan reeds en worden bijvoorbeeld door grote universiteiten georganiseerd. Deze gemeenschappelijke diensten voor fysische controle worden in dezelfde geest opgericht als de gemeenschappelijke interne diensten voor preventie en bescherming op het werk (het
koninklijk besluit van 27 oktober 2009Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
27/10/2009
pub.
09/11/2009
numac
2009000676
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot bepaling van de bedragen en de betalingswijze van de retributies geheven met toepassing van de reglementering betreffende de bescherming tegen ioniserende straling
type
koninklijk besluit
prom.
27/10/2009
pub.
16/11/2009
numac
2009203998
bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
Koninklijk besluit betreffende de oprichting van een gemeenschappelijke interne dienst voor preventie en bescherming op het werk
type
koninklijk besluit
prom.
27/10/2009
pub.
16/12/2009
numac
2009204735
bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 april 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden van de textielnijverheid en het breiwerk, betreffende het sectoraal akkoord 2009-2010
sluiten). In bepaalde gevallen is een gemeenschappelijke dienst immers doeltreffender dan twee (of meer) individuele diensten of een externe instelling, met name door het feit van de geografische nabijheid (bijvoorbeeld in het geval van twee ingedeelde inrichtingen op één en dezelfde site), de pooling van deskundigen met een zeer gespecialiseerde opleiding voor bepaalde apparatuur of in een bepaald domein of de bundeling van zeer dure en/of zeer specifieke materiële middelen (rekencodes, meetapparatuur). Het bestaan en de werking van de gemeenschappelijke dienst zullen worden geformaliseerd via een schriftelijk contract tussen de exploitanten die betrokken zijn bij de gemeenschappelijke dienst.
Het doel is dus niet om groeperingen van deskundigen te promoten of te generaliseren, waardoor het gevaar zou kunnen ontstaan dat ze met de erkende instellingen concurreren zonder dat ze aan dezelfde verplichtingen als deze instellingen moeten worden onderworpen, maar wel om in bepaalde bijzondere omstandigheden toe te laten dat er een netto meerwaarde voor de stralingsbescherming wordt gecreëerd. Deze gemeenschappelijke diensten zullen minstens twee deskundigen erkend in de fysische controle die tot het personeel van de betrokken ondernemingen, of organisaties behoren, in dienst moeten nemen en ze zijn onderworpen aan het akkoord van het Agentschap, dat de verschillende situaties geval per geval zal onderzoeken.
In de vervoersector en in het bijzonder in de havens, hebben de werknemers (dockers) een bijzonder statuut, wat tot gevolg heeft dat er een gemeenschappelijke interne dienst voor preventie en bescherming op het werk werd opgericht in elke haven. In dat geval kan de erkenning van de gemeenschappelijke dienst voor fysische controle worden verstrekt, zelfs wanneer er een beroep wordt gedaan op een externe deskundige erkend in de fysische controle van een erkende instelling, voor zover: - de gemeenschappelijke dienst voor fysische controle deel uitmaakt van een gemeenschappelijke interne dienst voor preventie en bescherming op het werk; - het hoofd van de dienst voor fysische controle heeft een opleiding in stralingsbescherming gevolgd overeenkomstig artikel 30.4 die de verschillende radiologische risico's dekt die verbonden zijn aan de vervoersactiviteiten. b) Organisatie van de diensten voor fysische controle Wat de organisatie van en het toezicht op de diensten voor fysische controle van de inrichtingen van klasse I (artikel 23.1.2) betreft, zal de situatie weinig verschillen van de huidige situatie. De exploitant zal in zijn dienst op zijn minst over een erkend deskundige moeten beschikken die het diensthoofd voor fysische controle zal zijn en tevens de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk (IDPBW).
Deze erkende deskundige organiseert en overziet de uitvoering van de taken opgenomen in artikel 23.1.5 b) en 23.1.5 c). Hij is er verantwoordelijk voor hun goede uitvoering.
Er wordt ook expliciet gevraagd in de dienst voor fysische controle permanent te zorgen voor de functie van erkend deskundige, wat betekent dat er steeds één of meer erkende back-updeskundigen beschikbaar moeten zijn wanneer de hoofddeskundige afwezig is (wegens verlof, afwezigheid, ziekte, enz.).
Indien de exploitant verantwoordelijk is voor meerdere inrichtingen van klasse I, dient hij in elke technische bedrijfseenheid (in de zin van de wet op het welzijn op het werk), een lokale afdeling van de dienst voor fysische controle op te richten. Deze lokale afdeling zal onder leiding staan van een erkend deskundige van klasse I die eveneens preventieadviseur is belast met de leiding van de afdeling van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk. Het hoofd van de dienst voor fysische controle en het hoofd van de afdeling hebben rechtstreeks toegang tot respectievelijk de exploitant en het hoofd van de inrichting van klasse I. De organisatie van de fysische controle in de inrichtingen van klasse I is een complexe aangelegenheid waarbij meerdere organisatiestructuren betrokken zijn, met name gezien de vereisten in het
koninklijk besluit van 30 november 2011Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
30/11/2011
pub.
21/12/2011
numac
2011206225
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende veiligheidsvoorschriften voor kerninstallaties
sluiten houdende veiligheidsvoorschriften voor kerninstallaties. Bijgevolg wordt de exploitant gevraagd deze organisatie te documenteren in zijn veiligheidsrapport. De exploitant wijst ook de agenten/diensten aan die belast zijn met de stralingsbescherming in de installaties (taken van artikel 23.1.5 a).
Het Agentschap is belast met de controle op de goede werking van de dienst voor fysische controle. Na een veiligheidsevaluatie zal het Agentschap (dat - overeenkomstig artikel 38 - deze taak aan Bel V kan delegeren), bepaalde beslissingen (gelijkaardig aan die welke zijn vastgelegd in het Algemeen reglement van 2001) van de dienst voor fysische controle goedkeuren, met name die welke verband houden met onbelangrijke wijzigingen.
Voor de inrichtingen van klassen II en III (artikel 23.1.3), inclusief klasse IIA, kan de exploitant zijn dienst voor fysische controle (DFC) naar eigen keuze organiseren: 1. Indien er een deskundige erkend in de fysische controle deel uitmaakt van het personeel van de exploitant, zal deze de leiding van de dienst voor fysische controle op zich nemen. 2. Indien de exploitant geen erkend deskundige in dienst heeft om de in artikel 23.1.5 b) vermelde fysische controletaken uit te voeren, kan hij op eigen kosten een beroep doen op een erkende instelling voor fysische controle die een dergelijke deskundige tot zijn beschikking zal stellen. In dit geval vertrouwt de exploitant de leiding van de dienst voor fysische controle toe aan een persoon die een minimaal equivalente opleiding heeft genoten als een agent voor de stralingsbescherming (artikel 30.4), waarbij alle in de inrichting(en) aanwezige radiologische risico's worden afgedekt.
De dienst voor fysische controle kan al dan niet deel uitmaken van of samengevoegd worden met de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk (IDPBW). Deze keuze wordt ook overgelaten aan de exploitant, maar het Agentschap raadt in alle gevallen een geïntegreerd (holistische) beheer van de risico's aan, en om de radiologische risico's niet van dat van andere klassieke risico's (chemisch, biologisch, brand,...) te scheiden. De organisatie moet echter zo zijn dat de DFC en IDPBW samenwerken waar nodig is.
Bovendien moet het hoofd van de dienst voor fysische controle rechtstreeks afhangen van en rechtstreekse toegang hebben tot de persoon belast met het dagelijks beheer van de inrichting(en) en tot de exploitant. Het hoofd DFC krijgt eveneens een beschermd statuut, analoog met de regelgeving welzijn op het werk.
In de gemengde inrichtingen met installaties die tot verschillende klassen behoren, kan de exploitant, waarvan er geen deskundige erkend in de fysische controle tot zijn personeel behoort eventueel een beroep doen op erkende deskundigen van verschillende erkende instellingen voor fysische controle om, per klasse van installatie, de in artikel 23.1.5 b) vermelde fysische controletaken waar te nemen, zij het dan voor zover deze installaties uit verschillende klassen functioneel onafhankelijk zijn.
In de gemengde inrichtingen met installaties die tot verschillende klassen behoren, waarbij er een deskundige erkend in de fysische controle, hoofd van de dienst voor fysische controle, tot het personeel van de exploitant behoort, blijft de uitvoering van de in artikel 23.1.5 b) vermelde fysische controletaken in de verschillende installaties de uiteindelijke verantwoordelijkheid van het hoofd van de dienst voor fysische controle, zelfs wanneer bepaalde van deze taken aan een erkende instelling worden uitbesteed.
Er worden (minimale) frequenties gespecificeerd voor de bezoeken in de installaties door de deskundige erkend in de fysische controle (artikel 23.1.3.2): Voor klasse III zullen die over het algemeen jaarlijks plaatsvinden en, voor klasse II over het algemeen driemaandelijks. Er wordt een trapsgewijze aanpak (graded approach) ingevoerd voor bepaalde handelingen die een hoger risico inhouden van klasse IIA, waar ze maandelijks plaatsvinden, en van klasse III, waar ze halfjaarlijks zijn, alsook voor bepaalde installaties van klasse II met een lager risico, waar deze bezoeken halfjaarlijks zullen plaatsvinden.
Het Agentschap is belast met de controle op de goede werking van de dienst voor fysische controle van deze inrichtingen van klassen II en III. Ongeacht of de erkend deskundige intern of extern is, zullen bepaalde beslissingen van de dienst voor fysische controle van inrichtingen van klasse IIA (artikel 23.1.5 b), punten 3° en 4°) worden gecontroleerd/goedgekeurd door het Agentschap (dat - overeenkomstig artikel 38 - deze taak aan Bel V kan delegeren).
Voor de gemengde inrichtingen met installaties van klasse IIA en andere installaties van klasse II en/of III zal hetzelfde controleschema worden toegepast. Bel V kan opgedragen worden, met toepassing van artikel 38, om het toezicht op de installaties van klasse IIA uit te voeren en het Agentschap is belast met het toezicht op de installaties van de andere klassen. De gemeenschappelijke processen (bijvoorbeeld afvalbeheer) zullen worden gesuperviseerd door het Agentschap.
De deskundigen van Bel V belast met de door het Agentschap gedelegeerde controles en goedkeuringen moeten erkend zijn als deskundigen in de fysische controle. c) De functie van agent voor de stralingsbescherming De groep taken als bedoeld in artikel 23.1.5 a) met betrekking tot de systematische uitoefening van stralingsbescherming in de installaties wordt opgedragen aan de " agent voor de stralingsbescherming ". Dit is een nieuw concept vergeleken met het Algemeen Reglement van 2001.
Deze taken omvatten de opdrachten van de aangestelde voor bewaking, die niet langer als zodanig in de reglementering opgenomen is.
Naast de activiteiten die strikt verband houden met stralingsbescherming zelf, moet een agent voor de stralingsbescherming routinetests kunnen uitvoeren op eenvoudige veiligheidssystemen die verband houden met de stralingsbescherming van nabij van werknemers en/of personen, zoals alarmtests, interlocks, brandmelders enz. Het spreekt vanzelf dat tests op complexe veiligheidssystemen, zoals beschermingssystemen van reactoren, valproeven van bundels regelstaven van een reactor e.d., niet vallen onder de wezenlijke taken van een agent voor de stralingsbescherming.
In het algemeen, kan elke persoon die de theoretische basisvorming gevolgd heeft en beschikt over de relevante praktijkervaring, de functie (de taken) van agent voor de stralingsbescherming uitoefenen: stralingsfysicus, radioloog, technieker, ingenieur,... en/of deskundige erkend in de fysische controle.
Het is wenselijk dat deze " agent voor de stralingsbescherming " een medewerker is van de dienst/afdeling waar onderneming haar activiteiten uitoefent, en geen externe medewerker is noch iemand die sporadisch bezoeken uitvoert. Het Agentschap verwacht in het algemeen dat deze functie wordt opgedragen aan één of meer personeelsleden die de installatie en/of de handeling en de organisatie van de onderneming kennen, en die regelmatig in de installatie/onderneming aanwezig zijn.
Dat verhindert evenwel niet dat voor bepaalde specifieke operaties (bijvoorbeeld ontmantelingen, onderhoud/vervanging van bronnen enz.) die door contractanten worden uitgevoerd, deze contractanten hun eigen agenten voor de stralingsbescherming hebben, met name om de stralingsbescherming van hun eigen personeel te waarborgen. In dat geval is het echter vereist dat de dienst voor fysische controle van de exploitant/onderneming toezicht houdt op de activiteiten van de agenten voor de stralingsbescherming en het personeel van de externe firma. De verantwoordelijkheid van de exploitant/het ondernemingshoofd voor de radiologische veiligheid in zijn inrichting kan niet gedelegeerd worden.
In de medische sector is het bijvoorbeeld mogelijk dat de functie van agent voor de stralingsbescherming wordt waargenomen door medisch hulppersoneel (verplegend personeel, technologen) of stralingsfysici van de betrokken diensten; zij beschikken immers vaak al over de vereiste opleiding en zijn ter plaatse. In dergelijke gevallen hangt de agent voor de stralingsbescherming af van het hoofd van de dienst voor fysische controle voor wat zijn opdrachten inzake stralingsbescherming betreft; voor zijn andere activiteiten ressorteert hij onder het hoofd van de dienst waar hij werkt. Het spreekt vanzelf de agent voor de stralingsbescherming een incident/ongeval met betrekking tot de stralingsbescherming prioritair ten opzichte van zijn andere taken moet behandelen.
Voor bepaalde specifieke opdrachten kan de exploitant/het ondernemingshoofd zich ook zo organiseren dat een deel van de agenten voor de stralingsbescherming volledig in de dienst voor fysische controle worden opgenomen en hun opdrachten frequent en systematisch uitvoeren door regelmatig bij de verschillende installaties of diensten langs te gaan (frequentie bepaald op basis van de risicoanalyse en het advies van de deskundige erkend in de fysische controle volgens een trapsgewijze aanpak), bijvoorbeeld beheer/conditionering/verwijdering van afval, besmettingsmeting, decontaminatie enz.
Het is beter dat er voor elk type handeling een agent voor de stralingsbescherming in de instelling aanwezig is tijdens de normale werktijden van de betrokken diensten. Bepaalde diensten (noodhulpdiensten, ziekenhuisunits voor metabole radiotherapie en/of brachytherapie enz.) werken 24 uur per dag, 7 dagen per week. Voor deze diensten zal de vereiste om, al dan niet permanent te beschikken over één of meer agenten voor de stralingsbescherming die fysiek in de inrichting aanwezig zijn door voormelde analyse worden bepaald. Om de nodige ondersteuning bij problemen buiten de normale werkuren te waarborgen, kan de exploitant indien nodig zijn eigen wachtrol organiseren of een beroep doen op de wachtrol die door een erkende instelling voor fysische controle georganiseerd wordt.
Net als in de medische sector kan er in de industriële sector een dienst voor fysische controle bestaan waarvan de agenten voor de stralingsbescherming vanuit de verschillende operationele diensten worden aangeduid, of er kan een gecentraliseerde dienst voor fysische controle worden samengesteld uit 'vliegende' agenten voor de stralingsbescherming die bepaalde opdrachten uitvoeren (bijvoorbeeld verwijdering van radioactief afval, agenten gespecialiseerd in decontaminatie, periodiek toezicht op vaste meetinstrumenten, bewaring van de meetinstrumenten en/of de toestellen die ioniserende straling uitzenden enz.).
Een combinatie van de twee is tevens perfect mogelijk.
In het bijzondere geval van mobiele/tijdelijke activiteiten, zoals radiografie/industriële gammagrafie, is het gepast dat de persoon die de activiteit moet uitvoeren (bijvoorbeeld de radioloog) de functie van agent voor de stralingsbescherming op zich neemt.
Deze agent(en) voor de stralingsbescherming zullen niet formeel worden erkend door de veiligheidsautoriteit. Deze agent(en) zal (zullen) dus expliciet door de exploitant of het ondernemingshoofd worden aangeduid.
Er zal aan de agent(en) voor de stralingsbescherming een theoretische en praktische minimumopleiding gevraagd worden, waarvan het tijdsbestek bepaald wordt in artikel 30.4. Deze minimumopleiding omvat niet de vorming en de specifieke instructies voor de werkplaats die de exploitant krachtens de wet betreffende het welzijn op het werk moet verstrekken. d) Fysische controletaken Bepaalde fysische controletaken worden verduidelijkt in het nieuwe artikel 23.1.5 (opdrachten en taken van de dienst voor fysische controle) van het ARBIS. Dit artikel is nu onderverdeeld in drie delen: 1. Een groep taken die verband houden met de frequente en systematische stralingsbescherming op de werkplaats, met inbegrip van de eerste interventie in geval van een incident/ongeval.2. Een groep taken die verband houden met de stralingsbescherming en nucleaire veiligheid, waarvoor de interventie van een deskundige erkend in de fysische controle vereist is.3. Een groep specifieke controletaken ter naleving van bepaalde veiligheidsvereisten die vermeld staan in het
koninklijk besluit van 30 november 2011Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
30/11/2011
pub.
21/12/2011
numac
2011206225
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende veiligheidsvoorschriften voor kerninstallaties
sluiten houdende veiligheidsvoorschriften voor kerninstallaties. De eerste groep taken wordt opgedragen aan de agent voor de stralingsbescherming, zoals uiteengezet in punt c) hierboven.
De fysische controletaken van deze eerste groep vereisen een regelmatige aanwezigheid in de installaties, en worden uitgevoerd volgens de procedures die door een deskundige erkend in de fysische controle werden goedgekeurd.
Voor de tweede groep taken is een opleiding en meer doorgedreven kennis vereist, voor verdergaande en/of meer gespecialiseerde analyses inzake stralingsbescherming en nucleaire veiligheid. Deze taken moeten worden uitgevoerd door een deskundige erkend in de fysische controle.
Deze taken zijn doelgerichter en vereisen dus niet noodzakelijk een aanwezigheid met dezelfde regelmaat als die van de agenten voor de stralingsbescherming.
De " technische " oplevering van nieuwe of gewijzigde installaties wordt altijd georganiseerd door de dienst voor fysische controle van de exploitant en goedgekeurd door een erkend deskundige, ongeacht of zij al dan niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een nieuwe vergunning dan wel als onbelangrijke wijzigingen werden beschouwd krachtens artikel 12 van het Algemeen Reglement.
Tot nu toe werden enkel de documenten voor het vervoer van radioactief afval door de dienst fysische controle voorafgaandelijk gecontroleerd en goedgekeurd. Doch om een veilig beheer, inclusief de veiligheid van de verdere stappen in het beheer zoals verwerking, conditionering, verpakking en berging, te kunnen garanderen dient de dienst fysische controle eveneens een toezicht uit te oefenen op de documenten die nodig zijn om een veilige verdere behandeling van het radioactief afval toe te laten. In het eenvoudigste geval behelst dit de documentatie nodig voor het ophalen van het afval door NIRAS (de zogenaamde S/L formulieren) en de bijhorende procedures voor kwaliteitsborging. Voor de exploitanten die installaties hebben voor de fysio-chemische en/of radiologische karakterisering van het afval en/of voor de verwerking, conditionering en verpakking behelst dit de dossiers die deze installaties beschrijven, de operationele procedures en de bijhorende procedures en documenten voor kwaliteitsborging. Deze dossiers zijn ook nodig voor de erkenning van deze installaties door NIRAS. Tot slot is een belangrijke taak die aan de erkend deskundige werd toegewezen, het regelmatig en periodiek bezoek (periodiciteit vastgesteld in artikel 23.1.3.2 voor de inrichtingen van klasse II en III) van de installaties om er de toestand van de stralingsbescherming en de goede naleving van de reglementering te evalueren. Elk van deze bezoeken, waarvan de periodiciteit afhankelijk is van het risico van de installatie, zal het voorwerp uitmaken van een verslag dat in het register voor fysische controle wordt gearchiveerd.
Om redenen van kwaliteitsborging zullen de processen met betrekking tot deze tweede groep taken worden beschreven in controledocumenten die deel uitmaken van een managementsysteem of een ander kwaliteitsborgingssysteem. De exploitant, of exploitanten in het geval van gemeenschappelijke diensten, zal (zullen) verantwoordelijk zijn voor de uitwerking van die processen. Indien de exploitant voor de uitvoering van deze taken evenwel een beroep doet op een deskundige van een erkende instelling, worden deze processen op het niveau van het managementsysteem van de erkende instelling zelf beschreven en gedocumenteerd.
Er dient te worden opgemerkt dat een exploitant steeds de mogelijkheid heeft om een beroep te doen op om het even welke contractant voor onderaanneming, zelfs voor taken of studies die verband houden met reglementaire taken inzake fysische controle (bijvoorbeeld berekening van de afscherming, berekening van de radiologische impact van de lozingen, opstelling van handleidingen/documentatie/procedures enz.).
Dit beroep op contractanten ontslaat de exploitant en/of zijn dienst voor fysische controle niet van hun verantwoordelijkheden en verplichtingen inzake fysische controle.
De derde groep taken heeft specifiek te maken met de nucleaire veiligheid van inrichtingen van klasse I. e) Het register voor fysische controle Tot slot wordt in artikel 23.1.6 verlangd dat de vaststellingen en bepalingen van de dienst voor fysische controle in een register worden opgenomen. Artikel 23.2 van het Algemeen Reglement dat sinds 2001 van kracht is, bepaalde dat men de vaststellingen en bepalingen hetzij in een register met genummerde bladzijden moest aanbrengen, hetzij op genummerde bladzijden, gebundeld in mappen. Gezien de technologische vooruitgang zijn deze dragers overbodig geworden. In het nieuwe artikel worden geen specifieke fysieke dragers meer voorgeschreven, maar wordt gevraagd bepaalde garanties te bieden op het gebied van de traceerbaarheid en duurzaamheid van de informatie.
Dit register dient onder andere een inventaris te bevatten met de radioactieve stoffen en de in de inrichting aanwezige toestellen die ioniserende straling uitzenden. Op vraag van het Agentschap wordt deze inventaris volledig of gedeeltelijk aan het Agentschap verstrekt op de door hem vastgestelde wijze. In de praktijk kunnen de exploitanten die niet over een intern erkend deskundige beschikken, deze transmissie in kader van een trapsgewijze aanpak toevertrouwen aan een erkende instelling voor fysische controle.
Fysische controle van vervoersactiviteiten van gevaarlijke goederen van klasse 7 Voor de activiteiten inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 7 worden de specifieke opdrachten en taken voor de vervoersactiviteiten van gevaarlijke stoffen van klasse 7 in artikel 23.2, via een vergelijkbare aanpak als in het nieuwe artikel 23.1, in twee delen verdeeld: taken die verband houden met de dagelijkse uitoefening van de stralingsbescherming op de werkplaats en taken waarvoor de interventie van een deskundige erkend in de fysische controle vereist is.
Voor de organisatie van de fysische controle (artikel 23.2.2 en 23.2.3) werd een trapsgewijze aanpak (graded approach) gevolgd: - In de erkende ondernemingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 7 met de grootste risico's (radioactief materiaal gekarakteriseerd als splijtstoffen en/of met een bijkomend corrosierisico (klasse 8) volgens de internationale regelgeving inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen), is het hoofd van de dienst voor fysische controle een deskundige erkend in de fysische controle van klasse T1; - In de erkende ondernemingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 7 die niet gekarakteriseerd zijn als splijtstoffen of geen bijkomend corrosierisico inhouden (klasse 8), in de organisaties die bij het multimodaal vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 7 betrokken zijn, in de ondernemingen die verantwoordelijk zijn voor een onderbrekingssite, is het hoofd van de dienst voor fysische controle een deskundige erkend in de fysische controle van klasse T2 of T1.
In beide gevallen en volgens een gelijkaardige logica als voor de ingedeelde inrichtingen (van klasse II en III), zal het ondernemingshoofd of het hoofd van de organisatie die geen dergelijke deskundige in dienst heeft, de leiding van de dienst voor fysische controle toevertrouwen aan een persoon die een opleiding in stralingsbescherming heeft gevolgd overeenkomstig artikel 30.4 die de verschillende radiologische risico's dekt die verbonden zijn aan de vervoersactiviteiten. Hij zal dus voor de uitvoering van de in artikel 23.2.6 b) vermelde taken die aan een erkend deskundige voorbehouden zijn, een beroep doen op een erkende instelling voor fysische controle.
In artikel 23.2.4 worden, eveneens volgens een trapsgewijze aanpak (graded approach), frequenties gespecificeerd voor de bezoeken van de deskundige erkend in de fysische controle aan organisaties die bij het vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 7 betrokken zijn.
Tot slot is het Agentschap belast met de controle op de goede werking van de dienst voor fysische controle van de organisaties die bij het vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 7 betrokken zijn.
Opleiding van de agenten voor de stralingsbescherming (ARBIS - art 30.4) Er zullen een bepaald aantal opleidingsuren vereist zijn voor de agenten die belast zijn met de dagelijkse stralingsbescherming in de installaties of in organisaties die betrokken zijn bij het vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 7. Deze opleiding zal bestaan uit een theoretische basisopleiding en een gepaste praktische opleiding.
De te volgen theoretische opleiding bedraagt minstens 16 uur voor de installaties van klasse II, 8 uur voor klasse III, 6 uur voor de vervoersactiviteiten onder de verantwoordelijkheid van een vervoerder erkend voor het vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 7, gekarakteriseerd als splijtstoffen en/of die een bijkomend corrosie-risico inhouden (klasse 8) en 4 uur voor de vervoersactiviteiten onder de verantwoordelijkheid van een vervoerder erkend voor het vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 7 die niet gekarakteriseerd werden als splijtstoffen en/of geen bijkomend corrosie-risico inhouden (klasse 8), van een organisatie betrokken bij het multimodale vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 7, of een bedrijf verantwoordelijk voor een onderbrekingssite.
De kosten voor de opleidingen moeten door de werkgever worden gedragen.
Het Agentschap kan de inhoud van deze opleidingen specifiëren in functie van het specifieke type installatie en handeling.
Wat de praktische opleiding van de agent voor de stralingsbescherming betreft, is het Agentschap van mening dat het aangewezen is een trapsgewijze aanpak (graded approach) toe te passen voor de vereiste duur van de beroepservaring van de agent voor de stralingsbescherming, met name volgens de klasse van de inrichting of de activiteiten/handelingen; deze ervaring hoeft niet noodzakelijk bij de exploitant/onderneming opgedaan te zijn. Zo kan bijvoorbeeld een trapsgewijze aanpak worden toegepast: - Voor de nieuwe inrichtingen/ondernemingen of nieuwe installaties/handelingen/activiteiten waarvoor het personeel van de exploitant/onderneming nog niet de gelegenheid heeft gehad om meerdere maanden te werken; - Voor pas afgestudeerden die hun beroepsloopbaan beginnen; - Voor de inrichtingen van klasse III die een zeer laag radiologisch risico vertonen (chromatograaf met laagactieve bron); - Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 7 van de groep UN1 (uitgezonderd colli).
In deze verschillende gevallen wordt tevens aanvaard dat een agent voor de stralingsbescherming daar zijn functies vervult alvorens de vereiste ervaring op te doen, mits hij op passende wijze wordt begeleid/ondersteund door een ervaren persoon, d.w.z. iemand die ervaring heeft met installaties/handelingen of een erkend deskundige (in voorkomend geval van een erkende instelling).
Erkenning van deskundigen in de fysische controle Artikel 73 van het ARBIS werd grondig herzien. De deskundigen waarop deze erkenning betrekking heeft, zijn: - De deskundigen erkend in de fysische controle in dienst van exploitanten of vervoerders; - de deskundigen van de erkende instellingen voor fysische controle die fysische controletaken uitvoeren voor rekening van de exploitanten of vervoerders.
Er worden nieuwe klassen van deskundigen erkend in de specifieke fysische controle voor de vervoersactiviteiten van gevaarlijke stoffen van klasse 7, T1 en T2, gecreëerd.
Deze klassen T1 en T2 worden gebruikt voor deskundigen actief in de vervoersbedrijven en de organisaties betrokken bij het multimodaal vervoer, waarvan de organisatie van de fysische controle in artikel 23.2 wordt beschreven.
De opleidingsvereisten voorzien in artikel 73.2.4 b) v en vi hebben exclusief betrekking op de erkende deskundigen van klasse T1 en T2. De opleiding met betrekking tot de aspecten 'vervoer op de site' en 'voorbereiding van de colli', die ressorteren onder de fysische controle van de ingedeelde inrichtingen (artikel 23.1), moet worden gedekt door de opleidingsvereisten vermeld in artikel 73.2.4 b) i tot vi.
De vereisten inzake het basisdiploma werden herzien op basis van de onderwijshervorming die resulteerde uit het proces van "Bologna". De masters in de industriële wetenschappen (voordien "industrieel ingenieur") worden als gelijkwaardig beschouwd met andere masters in de exacte wetenschappen.
De opleidingsvolumes worden verder gespecificeerd: 12 ECTS in stralingsbescherming. Een opleiding in de technologie en veiligheid is vereist, wat niet (uitdrukkelijk) het geval was in het voormalige ARBIS: van 24 ECTS (kernreactoren) naar 50 uur (installaties klasse III), 35 uur voor de erkende ondernemingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 7, gekarakteriseerd als splijtstoffen en/of die een bijkomend corrosie-risico inhouden (klasse 8) en 20 uur voor alle andere organisaties betrokken bij het vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 7. Het feit dat de opleidingen in ECTS worden uitgedrukt, impliceert dat de opleidingen in een instelling voor hoger onderwijs moeten worden gegeven, het voorwerp moeten uitmaken van een examen en afgesloten worden met een diploma/getuigschrift van welslagen.
Het aantal gevraagde uren betreft effectieve opleidingsuren (cursussen of oefeningen) en houdt geen rekening, zoals het geval is bij ECTS, met de persoonlijke studietijd buiten de onderwijsinstelling .
Er kan rekening worden gehouden met gelijkwaardige kennis, met uitzondering van de opleidingen vereist voor de deskundigen van klasse I. Naast deze voorafgaande opleiding, is een gepaste praktische ervaring in de uitoefening van de fysische controle tevens vereist.
Artikel 73.3 geeft een opsomming van de voor het Agentschap vereiste documenten voor een erkenningsaanvraag. Er dient te worden opgemerkt dat er naast het verplicht aantonen dat er aan de opleidingsvereisten werd voldaan, er moet worden vermeld voor welke installaties/handelingen/activiteiten de erkenning wordt gevraagd. In een door de werkgever ondertekend document zal bevestigd worden dat de erkenning vereist is voor de deskundige in het kader van zijn beroepsactiviteiten in de fysische controle bij een exploitant, Bel V of een erkende instelling. De werkgever zal er zich tevens toe verbinden dat hij de vereiste permanente vorming voor de latere verlengingen van de erkenning voor zijn rekening zal nemen.
Met het oog op een administratieve vereenvoudiging mag een erkenningsaanvraag voor erkend deskundige in de fysische controle in verschillende bevoegdheidsdomein, bijvoorbeeld voor een erkend deskundige van klasse II en voor een erkend deskundige voor transport T2, gelijktijdig worden ingediend.
De omvang van de permanente vorming die door een erkend deskundige met het oog op de verlenging van zijn erkenning moet worden gevolgd, wordt bepaald in artikel 73.5. De omvang van de opleidingen wordt uitgedrukt in uren (en niet in ECTS), vermits ze kunnen bestaan uit conferenties, seminaries, deelname aan gespecialiseerde werkgroepen, enz. die niet noodzakelijkerwijze door instellingen voor hoger onderwijs georganiseerd worden.
De permanente vorming mag gedeeltelijk bij de exploitant intern worden georganiseerd, en dit voor een maximum van 50 % .
De beslissing aangaande de erkenning wordt door het Agentschap binnen een termijn van 60 dagen genomen nadat het zijn wetenschappelijke raad heeft geraadpleegd voor de aanvragen van deskundigen klasse I. De erkenning zal beperkt zijn in de tijd (3 jaar voor een nieuwe erkenning, zes jaar voor een verlenging) alsook in de aard van de activiteiten, handelingen en installaties.
Indien een deskundige erkend in de fysische controle zijn opdrachten niet correct uitvoert, kan het Agentschap hem hetzij een waarschuwing geven, hetzij zijn erkenning opschorten. Er dient opgemerkt te worden dat: - een schorsing van de erkenning niet de termijn schorst, maar enkel de uitvoering ervan; - de schorsing kan worden opgeheven wanneer de oorzaken die de schorsing rechtvaardigden zijn verdwenen.
Deze opmerkingen zijn ook van toepassing op de schorsing van een instelling voor fysische controle.
Indien de situatie het rechtvaardigt, dan kan het Agentschap, na het advies van de wetenschappelijke raad voor de deskundigen van klasse I te hebben ingewonnen, de erkenning intrekken.
Erkenning van de instellingen voor fysische controle (ARBIS - art 74) Het maatschappelijk doel van een erkende instelling voor fysische controle dient te bestaan in de uitvoering van fysische controletaken voor rekening van de exploitanten. Deze taken worden uitgevoerd door deskundigen erkend in de fysische controle in dienst van de instelling. De vereiste opleiding voor het behoud van de erkenning van zijn deskundigen zal door de instelling op zich worden genomen (74.2.2. 2°).
Als dienstverlener voor rekening van de exploitanten, met een voldoende ruime variëteit aan installaties, handelingen en/of activiteiten inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 7, zal er worden gevraagd dat de instelling voor fysische controle over een geïntegreerd managementsysteem beschikt, volgens een erkende norm, bijvoorbeeld de norm van het IAEA (Internationale Organisatie voor Atoomenergie) GS-R-3 (of de nieuwe uitgave ervan) met als doel de kwaliteit van de diensten die de erkende instelling aan zijn klanten aanbiedt, te garanderen. In dit geïntegreerd managementsysteem zal er in het bijzonder een beschrijving worden gegeven van de processen die verband houden met de uitvoering van de fysische controletaken, zoals beschreven in de artikels 23.1.5 b) en 23.2.6 b), bij de exploitant of de organisaties die betrokken zijn bij het vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 7.
Diverse bepalingen dienen om paal en perk te stellen aan mogelijke belangenconflicten voor de technische leidinggevende en de deskundigen evenals op het niveau van de activiteiten van de instelling (verkoop en promotie van goederen en diensten waarvoor ze voor de fysische controle bij de exploitanten verantwoordelijk zijn) (74.4).
De erkenningsaanvraag bevat de administratieve en organisatorische inlichtingen, evenals de inventaris van de materiële en menselijke middelen (die voor de goede uitoefening van de taken moeten volstaan) waarover de instelling beschikt.
Een belangrijk element van de erkenningsprocedure is het adviesverzoek aan de Wetenschappelijke Raad voor Ioniserende Stralingen.
De erkenning zal territoriaal en in de tijd beperkt zijn, alsook tot bepaalde installaties/ handelingen, vervoersactiviteiten,....
Om nieuwe erkende instellingen de kans te bieden zich te vestigen, zullen ze tijdens de eerste erkenning de mogelijkheid hebben om hun geïntegreerd beheersysteem te ontwikkelen en te operationaliseren; ook zullen ze niet onmiddellijk over alle beoogde menselijke en materiële middelen moeten beschikken, maar kunnen ze geleidelijk aan in deze middelen voorzien, naarmate hun activiteiten zich verder ontwikkelen.
Het Agentschap zal erop toezien dat de beschikbare middelen afgestemd zijn op de activiteiten van de instelling.
De erkende instelling dient een verzekeringscontract burgerlijke aansprakelijkheid te onderschrijven (74.4).
Hoewel deze geen deel meer uitmaakt van de regulator, werd er een geprivilegieerde samenwerking opgezet tussen de erkende instelling en het Agentschap (art. 74.4 en 74.5): - De instelling past een technisch reglement van het Agentschap toe dat onder andere het volgende bepaalt: o de modaliteiten voor de aangifte van significante gebeurtenissen aan het Agentschap; o de processen van de beheerssystemen die het Agentschap gepast vindt voor de erkende instellingen. Deze zijn immers gebaseerd op normen die vrij vaak kunnen wijzigen en dit laat eveneens een betere toepassing van de trapsgewijze aanpak toe; o de modellen voor de periodieke verslagen die de erkende instelling voor het Agentschap zal opstellen, zodat het Agentschap bijvoorbeeld op de hoogte zou zijn van de activiteiten van de instelling en/of van de toestand van de stralingsbescherming in de verschillende sectoren; o ... - De instelling voor fysische controle bepaalt en respecteert de deontologische regels om met name elk belangenconflict te vermijden wanneer ze rechtstreekse of onrechtstreekse banden heeft met instellingen of entiteiten die commerciële activiteiten uitoefenen. - De erkende instelling verbindt er zich toe de vertrouwelijkheid na te leven ten aanzien van de informatie waartoe ze door haar activiteiten inzake fysische controle toegang heeft. - De erkende instelling verbindt er zich toe om een wachtrol in te stellen die beschikbaar is om in geval van incidenten/ongevallen bij exploitanten of tijdens het vervoer te interveniëren. - De erkende instelling maakt aan het Agentschap de fysieke inventaris over (radioactieve stoffen en toestellen die ioniserende straling uitzenden) van de exploitanten bij wie ze opdrachten inzake fysische controle uitvoert. - De instelling verbindt er zich toe om geen activiteiten uit te voeren die ingaan tegen de regelgeving inzake ioniserende straling en om de technische reglementen van het Agentschap na te leven.
Bepaalde eisen worden gesteld met betrekking tot de werking van de instelling: - Voor elke uitgevoerde taak, opdracht of bezoek wordt er gevraagd om dit te documenteren in een verslag dat de exploitant, of het ondernemingshoofd zal bewaren in zijn register voor fysische controle, vermeld in de artikels 23.1.6 en 23.2.7; - Er wordt aan de erkende instelling gevraagd om het beroep op onderaannemers te beperken en indien dit zo is, om er het Agentschap en de exploitant, of het betrokken ondernemingshoofd van op de hoogte te brengen; …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.