📄 Wettekst
13 NOVEMBER 2023. - Decreet inzake jeugdbijstand en jeugdbescherming (1)
Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt: HOOFDSTUK 1 - Algemene bepalingen Afdeling 1 - Inleidende bepalingen
Artikel 1.Algemeen toepassingsgebied De bepalingen van dit decreet zijn van toepassing op: 1° kinderen wier integriteit, gezonde ontwikkeling, opvoeding of maatschappelijke participatie in gevaar is door hun eigen gedrag, het gedrag van de personen belast met hun opvoeding, het gedrag van derden, hun levensomstandigheden, relatieconflicten of bijzondere gebeurtenissen;2° jongvolwassenen die advies en oriëntatie nodig hebben op hun weg naar zelfstandigheid;3° verdachte of delinquente jongeren;4° personen belast met de opvoeding die het moeilijk hebben om de integriteit, gezonde ontwikkeling, opvoeding of maatschappelijke participatie van hun kind te waarborgen;5° aanbieders van jeugdbijstand en jeugdbescherming, dienstverrichters en pleeggezinnen die in het kader van dit decreet belast zijn met de uitvoering van de maatregelen inzake jeugdbijstand en jeugdbescherming;6° de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank die in het kader van dit decreet maatregelen inzake jeugdbijstand of jeugdbescherming voorstellen of bevelen. Art. 2.Hoedanigheden De verwijzingen naar personen in dit decreet gelden voor alle geslachten. Art. 3.Definities Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder: 1° crisispleegzorg: kortdurende opname van een kind of jongere in een pleeggezin voor crisispleegzorg;2° pleeggezin voor crisispleegzorg: overeenkomstig artikel 94 erkend pleeggezin dat opdracht kan krijgen crisispleegzorg te verlenen;3° Algemene Verordening Gegevensbescherming: de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);4° decreet van 16 oktober 1995: het decreet van 16 oktober 1995 betreffende de openbaarheid van de bestuursdocumenten;5° dienstverrichter: natuurlijke persoon of rechtspersoon die niet hoofdzakelijk werkzaam is in de jeugdbijstand en de jeugdbescherming en die de opdracht kan krijgen maatregelen inzake jeugdbijstand of jeugdbescherming uit te voeren;6° consensuele jeugdbijstand: gespecialiseerde hulp die het departement uitwerkt met instemming van het kind dat het vereiste beoordelingsvermogen bezit of ten minste twaalf jaar oud is en de personen belast met zijn opvoeding of met instemming van de jongvolwassene;7° prestatie van opvoedkundige aard en van algemeen nut: niet-vergoed werk voor een bepaald aantal uren in een dienst, vereniging of instelling dat kan worden bevolen door de jeugdrechter of jeugdrechtbank overeenkomstig artikel 59, § 1, eerste lid, 2°, artikel 70, § 3, eerste lid, 3°, en artikel 73, § 3, eerste lid, 3° ;8° persoon belast met de opvoeding: natuurlijke persoon die op basis van de wet of een rechterlijke beslissing het ouderlijk gezag over het kind of de jongere uitoefent, de voogd van het kind of de jongere en de overeenkomstig artikel 34 van de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/04/1965
pub.
02/08/2010
numac
2010000404
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten aangewezen persoon;9° departement: het departement van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap dat bevoegd is voor Jeugdbijstand en Jeugdbescherming;10° gevaar: reeds opgetreden of te verwachten schending van de integriteit van het kind door zijn eigen gedrag, het gedrag van de personen belast met zijn opvoeding, het gedrag van derden, zijn levensomstandigheden, relatieconflicten of bijzondere gebeurtenissen;11° gerechtelijke jeugdbijstand: de gespecialiseerde hulp die wordt bevolen door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank;12°
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/04/1965
pub.
02/08/2010
numac
2010000404
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten:
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/04/1965
pub.
02/08/2010
numac
2010000404
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade;13° gewone leefomgeving: plaats waar zich het levensmiddelpunt van de natuurlijke persoon bevindt;14° integriteit: de fysieke, psychische en morele integriteit;15° jeugdbijstand: de gespecialiseerde hulp aan het kind en de personen belast met zijn opvoeding.Jeugdbijstand omvat de consensuele jeugdbijstand en de gerechtelijke jeugdbijstand; 16° aanbieder van jeugdbijstand: overeenkomstig artikel 87 erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon die opdracht kan krijgen om jeugdbijstandsmaatregelen uit te voeren;17° jeugdbijstandsmaatregelen: maatregelen die worden overeengekomen of worden bevolen in het kader van de consensuele of gerechtelijke jeugdbijstand voor kinderen tot en met 18 jaar of de personen belast met hun opvoeding of overeenkomstig artikel 50, § 1, ten hoogste tot de leeftijd van 21 jaar verlengd of overeengekomen worden;18° jongere: verdachte of delinquente jongere;19° jeugdbescherming: optreden van de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank ten aanzien van jongeren;20° aanbieder van jeugdbescherming: overeenkomstig artikel 87 erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon die opdracht kan krijgen om jeugdbeschermingsmaatregelen uit te voeren;21° jeugdbeschermingsmaatregelen: maatregelen die worden voorgesteld of bevolen in het kader van de jeugdbescherming;22° jeugddelict: een als misdrijf omschreven feit dat een natuurlijke persoon vóór de leeftijd van 18 jaar heeft gepleegd;23° jongvolwassene: elke natuurlijke persoon van 18 tot 21 jaar die zijn woonplaats heeft in het Duitse taalgebied en overeenkomstig artikel 50 of artikel 75 een verlenging van de begeleiding aanvraagt of overeenkomstig artikel 28 een beroep doet op adviesverlening in het kader van de consensuele jeugdbijstand;24° kind: elke natuurlijke persoon tot 18 jaar die wordt begeleid in het kader van de jeugdbijstand;25° langdurige pleegzorg: langdurige opname van een kind of jongere in een pleeggezin voor langdurige pleegzorg;26° pleeggezin voor langdurige pleegzorg: overeenkomstig artikel 94 erkend pleeggezin dat opdracht kan krijgen langdurige pleegzorg te verlenen;27° slachtoffer: natuurlijke persoon die als direct of indirect gevolg van een jeugddelict fysieke, psychische of morele schade of economisch verlies heeft geleden of rechtspersoon die als direct of indirect gevolg van een jeugddelict economisch verlies heeft geleden;28° pleegzorg: residentiële of semi-residentiële jeugdbijstandsmaatregel of jeugdbeschermingsmaatregel die de crisispleegzorg, de langdurige pleegzorg en de ondersteunende pleegzorg omvat;29° pleeggezin: pleeggezin voor crisispleegzorg, pleeggezin voor langdurige pleegzorg of pleeggezin voor ondersteunende pleegzorg;30° delinquente jongere: natuurlijke persoon die bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing veroordeeld is voor een jeugddelict;31° verdachte jongere: natuurlijke persoon die ervan wordt verdacht een jeugddelict te hebben gepleegd;32° ondersteunende pleegzorg: occasionele opvang van een kind of jongere door een pleeggezin voor ondersteunende pleegzorg;33° pleeggezin voor ondersteunende pleegzorg: overeenkomstig artikel 94 erkend pleeggezin dat opdracht kan krijgen ondersteunende pleegzorg te verlenen;34° vertrouwde personen: natuurlijke personen met wie het kind of de jongere een sociale of affectieve band heeft, zonder dat er sprake is van een familieband;35° verwante personen: natuurlijke personen met wie het kind of de jongere een familieband heeft;36° ZBGA: de centrale autoriteit van de Gemeenschap inzake adoptie vermeld in artikel 6 van het
decreet van 27 april 2020Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
27/04/1999
pub.
02/06/1999
numac
1999009595
bron
ministerie van justitie
Wet tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming met betrekking tot de oproeping bij proces-verbaal in jeugdzaken
type
wet
prom.
27/04/1999
pub.
24/06/1999
numac
1999009619
bron
ministerie van justitie
Wet tot invoeging van een artikel 80bis in het Burgerlijk Wetboek en tot opheffing van het decreet van 4 juli 1806 aangaande de manier van opstelling van de akte waarbij de ambtenaar van de burgerlijke stand constateert dat hem een levenloos kind werd vertoond
sluiten4 betreffende de adoptie van kinderen die in het kader van dit decreet opdracht kan geven om residentiële opvang te bieden. Afdeling 2 - Rechten van het kind, de jongere en de personen belast
met de opvoeding Art. 4.Rechten Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij de uitvoering van dit decreet betrokken is, eerbiedigt de rechten van het kind en de jongere, in het bijzonder de rechten die worden opgesomd in de Grondwet en in het Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind. In het bijzonder wordt het volgende gewaarborgd: 1° elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij de uitvoering van dit decreet betrokken is, geeft voorrang aan de behoeften van het kind en de jongere.Die worden vastgelegd in overleg met het kind of de jongere en, voor zover mogelijk, in overleg met de personen belast met zijn opvoeding; 2° onverminderd de procedurebepalingen van de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/04/1965
pub.
02/08/2010
numac
2010000404
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten hebben het kind en de jongere in het kader van dit decreet het recht zich vrij te uiten over alle beslissingen die hen aangaan.Met hun mening moet rekening worden gehouden overeenkomstig hun leeftijd en hun beoordelingsvermogen; 3° elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij de uitvoering van dit decreet betrokken is, eerbiedigt de rechten van het kind en de jongere zonder enige discriminatie, in het bijzonder zonder enige discriminatie op grond van een van de beschermde criteria vermeld in artikel 2 van het
decreet van 19 maart 2012Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
27/04/1999
pub.
02/06/1999
numac
1999009595
bron
ministerie van justitie
Wet tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming met betrekking tot de oproeping bij proces-verbaal in jeugdzaken
type
wet
prom.
27/04/1999
pub.
24/06/1999
numac
1999009619
bron
ministerie van justitie
Wet tot invoeging van een artikel 80bis in het Burgerlijk Wetboek en tot opheffing van het decreet van 4 juli 1806 aangaande de manier van opstelling van de akte waarbij de ambtenaar van de burgerlijke stand constateert dat hem een levenloos kind werd vertoond
sluiten2 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;4° tenzij de jeugdrechter of de jeugdrechtbank anders beslist of tenzij dit in strijd is met de integriteit van het kind of de jongere, hebben het kind en de jongere het recht zich in hun contacten met de bij de uitvoering van dit decreet betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen te laten begeleiden door een persoon van hun keuze;5° het kind en de jongere hebben recht op voldoende en begrijpelijke informatie over jeugdbijstand en jeugdbescherming en alle daarmee verband houdende beslissingen die hen aangaan.De communicatie met het kind en de jongere verloopt in begrijpelijke taal die past bij hun leeftijd en hun beoordelingsvermogen. Art. 5.Voorrang aan ambulante en semi-residentiële maatregelen § 1 - Jeugdbijstandsmaatregelen en jeugdbeschermingsmaatregelen zijn in de eerste plaats bedoeld om de ontwikkeling en opvoeding van het kind of de jongere in zijn gewone leefomgeving te bevorderen. In dat verband verdienen ambulante en semi-residentiële maatregelen de voorkeur boven residentiële maatregelen.
Residentiële behandeling of opvang wordt verleend op basis van een gemotiveerde beslissing. § 2 - In het kader van een jeugdbijstandsmaatregel kan residentiële behandeling of opvang uitsluitend worden gerechtvaardigd door het feit dat de personen belast met de opvoeding niet bereid of in staat zijn de integriteit, de gezonde ontwikkeling, de opvoeding of de maatschappelijke participatie van het kind met behulp van ambulante of semi-residentiële maatregelen te waarborgen.
In het kader van een jeugdbeschermingsmaatregel is residentiële behandeling of opvang in een gesloten vorm van residentiële behandeling of opvang, dan wel in een gesloten afdeling van een openbare instelling voor jeugdbescherming alleen toegestaan ter bescherming van de samenleving of ter bescherming van de integriteit van de jongere gedurende een beperkte periode. § 3 - In het geval van een residentiële maatregel wordt erop gelet dat het recht op regelmatig rechtstreeks contact met de personen belast met de opvoeding, broers en zussen en vertrouwde personen gevrijwaard wordt, tenzij de integriteit van het kind of de jongere daardoor in het gedrang komt. Met inachtneming van de in artikel 4, 1°, vermelde behoeften van het kind of de jongere wordt in het kader van de balansgesprekken vermeld in de artikelen 33, 41, 51 en 67 regelmatig nagegaan of de residentiële maatregel noodzakelijk is.
Voor zover dit mogelijk is en niet in strijd is met de integriteit van het kind, wordt met toepassing van artikel 387septiesdecies van het oud Burgerlijk Wetboek ervoor gezorgd dat het kind bij een residentiële jeugdbijstandsmaatregel niet van zijn broers en zussen wordt gescheiden. Art. 6.Rechten en plichten van de personen belast met de opvoeding Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij de uitvoering van dit decreet betrokken is, zorgt ervoor dat de rechten en plichten van de personen belast met de opvoeding worden gerespecteerd en bevorderd.
De personen belast met de opvoeding en andere verwante of vertrouwde personen van het kind of de jongere worden zoveel mogelijk actief betrokken bij alle jeugdbijstandsmaatregelen en jeugdbeschermingsmaatregelen. Afdeling 3 - Doel van de jeugdbijstand en de jeugdbescherming
Art. 7.Doel van de jeugdbijstand Het hoofddoel van de jeugdbijstand is ervoor te zorgen dat het kind een aan zijn leeftijd aangepast en menswaardig leven kan leiden en dat zijn gezonde ontwikkeling, opvoeding en maatschappelijke participatie zo goed mogelijk wordt bevorderd. Voorts heeft jeugdbijstand tot doel het gezin als hoeksteen van de samenleving en als natuurlijke omgeving voor de ontwikkeling van het kind te ondersteunen. Ze biedt het kind bescherming en bijstand om zijn zelfbewustzijn en zijn integratie in de maatschappij, op school en eventueel in het beroepsleven te versterken en biedt jongvolwassenen advies op hun weg naar zelfstandigheid. Art. 8.Doel van de jeugdbescherming Het hoofddoel van de jeugdbescherming is de opvoeding, sociale re-integratie, persoonlijke verantwoordelijkheid en gezonde ontwikkeling van de jongere te bevorderen en de samenleving te beschermen. Jeugdbescherming heeft tot doel de jongere bewust te maken van de gevolgen van zijn daden en zo herhaling te voorkomen. Afdeling 4 - Vormen van jeugdbijstandsmaatregelen en
jeugdbeschermingsmaatregelen Art. 9.Ambulante maatregelen Ambulante maatregelen omvatten de niet-residentiële of niet-semi-residentiële opvang of begeleiding van het kind, de jongere of de personen belast met de opvoeding.
Ambulante maatregelen hebben in het bijzonder een of meer van de volgende doeleinden: 1° de gezonde ontwikkeling van het kind of de jongere bevorderen;2° het kind, de jongere of de personen belast met de opvoeding ondersteunen bij het oplossen en beheersen van individuele en gezinsgerelateerde relatieconflicten en crisissen en de onderliggende factoren;3° de relatie tussen het kind of de jongere en de personen belast met de opvoeding versterken;4° de opvoedingscompetenties van de personen belast met de opvoeding bevorderen en de personen belast met de opvoeding ondersteunen bij hun opvoedingstaken, om de opvoedingsomstandigheden van het kind of de jongere te verbeteren;5° het kind of de jongere helpen om te gaan met alledaagse problemen, ontwikkelingsproblemen en gedragsproblemen;6° het kind of de jongere ondersteunen bij zijn integratie in de maatschappij, op school en eventueel in het beroepsleven;7° het kind of de jongere stimuleren om zijn verantwoordelijkheid op te nemen en zelfstandig te worden. De Regering kan de nadere regels en de verdere doeleinden van de ambulante maatregelen vermeld in het eerste lid bepalen, voor zover die verdere doeleinden de kwaliteit van de jeugdbijstand of de jeugdbescherming kunnen verbeteren. Art. 10.Semi-residentiële maatregelen Semi-residentiële maatregelen omvatten de behandeling, opvang of begeleiding van het kind, de jongere of de personen belast met de opvoeding in een vorm van residentiële opvang of in een pleeggezin voor ondersteunende pleegzorg, overdag en zo nodig 's nachts.
Gedurende de semi-residentiële maatregel bevindt de gewone leefomgeving van het kind, de jongere of de personen belast met de opvoeding zich buiten de vorm van residentiële opvang of het pleeggezin voor ondersteunende pleegzorg.
Semi-residentiële maatregelen hebben in het bijzonder een of meer van de volgende doeleinden: 1° de gezonde ontwikkeling van het kind of de jongere bevorderen;2° het kind of de jongere helpen om te gaan met alledaagse problemen, ontwikkelingsproblemen en gedragsproblemen;3° het kind of de jongere ondersteunen bij zijn integratie in de maatschappij, op school en eventueel in het beroepsleven;4° de druk op het kind, de jongere, de personen belast met de opvoeding en de hele gezinssituatie verlichten;5° de relatie tussen het kind of de jongere en de personen belast met de opvoeding versterken;6° het kind of de jongere stimuleren om zijn verantwoordelijkheid op te nemen en zelfstandig te worden. De Regering kan de nadere regels en de verdere doeleinden van de semi-residentiële maatregelen vermeld in het eerste lid bepalen, voor zover die verdere doeleinden de kwaliteit van de jeugdbijstand of de jeugdbescherming kunnen verbeteren. Art. 11.Residentiële maatregelen Residentiële maatregelen omvatten de behandeling, opvang of begeleiding van het kind, de jongere of de personen belast met de opvoeding in een vorm van residentiële opvang of in een pleeggezin voor crisispleegzorg of langdurige pleegzorg, overdag en s nachts.
Gedurende de residentiële maatregel bevindt de gewone leefomgeving van het kind of de jongere zich in de vorm van residentiële opvang of in het pleeggezin dat crisispleegzorg of langdurige pleegzorg biedt.
Residentiële maatregelen hebben in het bijzonder een of meer van de volgende doeleinden: 1° de gezonde ontwikkeling van het kind of de jongere bevorderen;2° het kind of de jongere helpen om te gaan met alledaagse problemen, ontwikkelingsproblemen en gedragsproblemen;3° het kind of de jongere ondersteunen bij zijn integratie in de maatschappij, op school en eventueel in het beroepsleven;4° de relatie tussen het kind of de jongere en de personen belast met de opvoeding versterken;5° het kind of de jongere stimuleren om zijn verantwoordelijkheid op te nemen en zelfstandig te worden. De Regering kan de nadere regels en de verdere doeleinden van de residentiële maatregelen vermeld in het eerste lid bepalen, voor zover die verdere doeleinden de kwaliteit van de jeugdbijstand of de jeugdbescherming kunnen verbeteren. Art. 12.In aanmerking te nemen factoren § 1 - Bij het plannen, voorstellen of bevelen van een van de in de artikelen 9 tot 11 vermelde vormen van jeugdbijstandsmaatregelen houden het departement, de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank rekening met de volgende factoren: 1° de behoeften van het kind;2° de leeftijd en het beoordelingsvermogen van het kind;3° de competenties van de personen belast met de opvoeding om de integriteit, gezonde ontwikkeling, opvoeding of maatschappelijke participatie van hun kind te waarborgen;4° de levenssituatie van het kind. § 2 - Bij het voorstellen of bevelen van een van de in de artikelen 9 tot 11 vermelde vormen van jeugdbeschermingsmaatregelen houden het departement, de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank rekening met de volgende factoren: 1° de behoeften van de jongere;2° de leeftijd en het beoordelingsvermogen van de jongere;3° de levenssituatie van de jongere;4° de ernst van het jeugddelict, de omstandigheden waarin het is gepleegd, de schade en de gevolgen voor het slachtoffer;5° de voorlopige en in de procedure ten gronde opgelegde jeugdbeschermingsmaatregelen die reeds ten aanzien van de jongere zijn genomen, alsook zijn gedrag tijdens de uitvoering ervan;6° de openbare veiligheid. HOOFDSTUK 2 - Preventie en werken in een netwerk Art. 13.Preventiemaatregelen Preventie in het kader van de jeugdbijstand en de jeugdbescherming omvat maatregelen die tot doel hebben te voorkomen dat kinderen, jongeren en jongvolwassenen gevaar lopen.
De preventiemaatregelen kunnen verschillende vormen aannemen, in het bijzonder: 1° projecten om benadeling, verslaving, misbruik en geweld te voorkomen en projecten om de weerbaarheid van kinderen, jongeren en jongvolwassenen te versterken;2° projecten ter voorlichting en bewustmaking van kinderen, jongeren, de personen belast met hun opvoeding en jongvolwassenen;3° het aanbieden van opleidingen en bijscholingen;4° public relations op het gebied van jeugdbijstand en jeugdbescherming. Het departement zorgt voor de coördinatie, planning, uitvoering en evaluatie van de preventiemaatregelen vermeld in het tweede lid.
De Regering kan de nadere regels voor de coördinatie, planning, uitvoering, evaluatie en financiering van de preventiemaatregelen bepalen. Art. 14.Netwerken van de jeugdbijstand en de jeugdbescherming Het netwerk van de jeugdbijstand tracht de in artikel 7 vermelde doelstellingen van de jeugdbijstand te bereiken door een georganiseerde, gestructureerde en sectoroverschrijdende uitwisseling tussen de betrokken actoren.
Het netwerk van de jeugdbescherming tracht de in artikel 8 vermelde doelstellingen van de jeugdbescherming te bereiken door een georganiseerde, gestructureerde en sectoroverschrijdende uitwisseling tussen de betrokken actoren.
De netwerken hebben in het bijzonder de volgende taken: 1° de situatie van kinderen, jongeren en jongvolwassenen in het Duitse taalgebied in het oog houden;2° het bestaande aanbod en de bestaande maatregelen analyseren en de behoeften in de jeugdbijstand en in de jeugdbescherming bepalen;3° de samenwerking tussen de betrokken actoren analyseren en bevorderen. Voor de uitvoering van die taken vindt minstens één netwerkbijeenkomst per jaar plaats. Daarbij kan het gaan om een gezamenlijke bijeenkomst van de netwerken van de jeugdbijstand en de jeugdbescherming. Art. 15.Oprichting van de stuurgroep voor de netwerken van de jeugdbijstand en de jeugdbescherming Er wordt een stuurgroep voor de netwerken van de jeugdbijstand en de jeugdbescherming opgericht. Art. 16.Taken van de stuurgroep De stuurgroep heeft tot taak: 1° de in artikel 14 vermelde netwerken van de jeugdbijstand en de jeugdbescherming te organiseren en te sturen;2° op basis van de bevindingen van de in artikel 14 vermelde netwerkbijeenkomsten: a) een realistisch aanbod uit te werken dat overeenstemt met de behoeften van de kinderen, jongeren, personen belast met hun opvoeding en jongvolwassenen, waarbij rekening wordt gehouden met maatschappelijke ontwikkelingen en nieuwe inzichten;b) aanbevelingen uit te werken voor de Regering of het Parlement om het beleid inzake jeugdbijstand en jeugdbescherming vorm te geven;3° een overkoepelend forum over thema's inzake jeugdbijstand en jeugdbescherming te organiseren, dat minstens om de vier jaar plaatsvindt. Art. 17.Samenstelling van de stuurgroep § 1 - De stuurgroep heeft minstens de volgende stemgerechtigde leden: 1° een vertegenwoordiger van het departement;2° een vertegenwoordiger van elk van de aanbieders van jeugdbijstand en jeugdbescherming die overeenkomstig artikel 87 erkend zijn;3° een vertegenwoordiger van het centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren;4° een vertegenwoordiger van het onderwijs;5° een vertegenwoordiger van een organisatie die in het Duitse taalgebied werkzaam is op het gebied van jeugdwerk;6° een vertegenwoordiger van een instelling van algemeen nut die in het Duitse taalgebied werkzaam is op het gebied van gezondheidsvoorlichting en gezondheidspreventie. De stuurgroep telt minstens één vertegenwoordiger van de gerechtelijke autoriteiten met raadgevende stem.
De Regering kan bepalen dat nog andere leden worden aangewezen. § 2 - De Regering wijst onder de stemgerechtigde leden een coördinator van de stuurgroep aan voor de duur van het mandaat. § 3 - De Regering wijst de leden van de stuurgroep aan en wijst voor elk van hen een plaatsvervangend lid aan.
De leden vermeld in § 1, eerste lid, worden aangewezen op de voordracht van hun instellingen, diensten en organisaties die in de stuurgroep vertegenwoordigd zijn. § 4 - Het mandaat van de leden duurt zes jaar en kan worden verlengd.
Ongeacht een vrijwillig ontslag eindigt het mandaat van de leden van de stuurgroep als hun mandaat door de Regering wordt ingetrokken.
Bij ontslag van een lid doet het plaatsvervangende lid het mandaat van het ontslagnemende lid uit.
Als een mandaat in de stuurgroep vacant wordt, wijst de Regering een nieuw lid aan overeenkomstig de procedure bepaald in de §§ 1 en 3. Art. 18.Werkwijze van de stuurgroep De stuurgroep komt minstens drie keer per jaar bijeen, behalve in het jaar waarin hij wordt opgericht.
De eerste vergadering van de stuurgroep vindt ten laatste vier maanden na de aanwijzing van zijn leden plaats.
Binnen twee maanden na deze eerste vergadering neemt de stuurgroep een huishoudelijk reglement aan dat door de Regering moet worden goedgekeurd. Dat huishoudelijk reglement regelt de details van de werkwijze van de stuurgroep.
Met het oog op de uitoefening van zijn taken kan de stuurgroep deskundigen uitnodigen voor de vergaderingen. De stuurgroep kan bovendien werkgroepen instellen, waarvoor ook deskundigen kunnen worden uitgenodigd. Art. 19.Presentiegeld en reisvergoedingen De leden van de stuurgroep hebben recht op presentiegeld en reisvergoedingen onder de door de Regering vastgelegde voorwaarden. HOOFDSTUK 3 - Overheid die bevoegd is voor de jeugdbijstand en de jeugdbescherming Afdeling 1 - Algemene bepalingen
Art. 20.Kwaliteitshandboek Het departement stelt een kwaliteitshandboek op. Dat bevat minstens de volgende gegevens: 1° de manier waarop het departement te werk gaat in het kader van de jeugdbijstand en de jeugdbescherming;2° de criteria voor kwaliteitsbewaking;3° de missie en visie van het departement;4° de deontologische richtlijnen. Het kwaliteitshandboek wordt uiterlijk om de vier jaar aangepast aan de juridische en maatschappelijke ontwikkelingen. Art. 21.Activiteitenverslag De Regering bezorgt het Parlement elk jaar een verslag over de uitvoering van de in de artikelen 22 tot 24 vermelde taken van het departement in de loop van het voorbije jaar. Afdeling 2 - Taken van het departement
Art. 22.Taken in het kader van de consensuele jeugdbijstand In het kader van de consensuele jeugdbijstand heeft het departement in het bijzonder de volgende taken: 1° de aanvragers voorlichten, adviseren en oriënteren;2° de levenssituatie van het kind inschatten om de daaruit voortvloeiende behoefte aan hulp en een mogelijk gevaar voor het kind vast te stellen;3° de hulp plannen in consensus met het kind en de personen belast met zijn opvoeding;4° aanbieders van jeugdbijstand, dienstverrichters en pleeggezinnen opdracht geven om de bij overeenkomst vastgelegde jeugdbijstandsmaatregelen uit te voeren;5° de bij overeenkomst vastgelegde jeugdbijstandsmaatregelen coördineren;6° balansgesprekken voeren om de uitvoering van de jeugdbijstandsovereenkomst te controleren;7° samenwerken met de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank in de situaties vermeld in de artikelen 35 tot 38. Art. 23.Taken in het kader van de gerechtelijke jeugdbijstand en in het kader van de jeugdbescherming In het kader van de gerechtelijke jeugdbijstand en in het kader van de jeugdbescherming heeft het departement in het bijzonder de volgende taken: 1° maatschappelijke onderzoeken verrichten in opdracht van de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank;2° aanbieders van jeugdbijstand en jeugdbescherming, dienstverrichters en pleeggezinnen opdracht geven om jeugdbijstandsmaatregelen en jeugdbeschermingsmaatregelen uit te voeren die door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank zijn bevolen;3° de bevolen jeugdbijstandsmaatregelen en jeugdbeschermingsmaatregelen organiseren, controleren en coördineren;4° balansgesprekken voeren om de uitvoering van de bevolen jeugdbijstandsmaatregelen en jeugdbeschermingsmaatregelen te controleren;5° aan de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank verslag uitbrengen over de uitvoering van de bevolen jeugdbijstandsmaatregelen en jeugdbeschermingsmaatregelen;6° toezicht uitoefenen op het kind of de jongere overeenkomstig artikel 42, eerste lid, 7°, artikel 78, eerste lid, 4°, en artikel 83, § 3, eerste lid;7° de in de artikelen 57 en 76 vermelde bemiddelingen in opdracht van de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank uitvoeren;8° de in de artikelen 43, 59 en 79 vermelde voorwaarden in opdracht van de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank begeleiden en controleren;9° de projecten vermeld in de artikelen 58 en 77 in opdracht van de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank begeleiden. Art. 24.Specifieke taken in het kader van de pleegzorg In het kader van de pleegzorg heeft het departement in het bijzonder de volgende specifieke taken: 1° informatie over pleegzorg in het Duitse taalgebied publiceren;2° kandidaat-pleeggezinnen werven, voorbereiden en opleiden;3° adviezen opstellen met het oog op de erkenning van de kandidaat-pleeggezinnen;4° residentiële en semi-residentiële begeleiding en opvang van kinderen en jongeren in pleeggezinnen organiseren, in het kader van de jeugdbijstand, in het kader van de jeugdbescherming of in opdracht van de ZBGA;5° de contacten tussen de pleegkinderen en de personen belast met hun opvoeding organiseren en begeleiden;6° de pleeggezinnen tijdens de pleegzorgperiode begeleiden, adviseren en ondersteunen;7° voortgezette opleidingen voor pleeggezinnen organiseren en geven;8° regelmatig rapporteren over de ontwikkeling van het kind in het pleeggezin. Afdeling 3 - Territoriale bevoegdheid van het departement
Art. 25.Territoriale bevoegdheid in de consensuele jeugdbijstand § 1 - Onverminderd de administratieve bijstand op verzoek van een andere overheid is het departement in het kader van de consensuele jeugdbijstand territoriaal bevoegd als de personen belast met de opvoeding van het kind hun woonplaats hebben in het Duitse taalgebied of - in geval van gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag door personen die niet bij elkaar wonen - als de persoon bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, zijn woonplaats heeft in het Duitse taalgebied.
In geval van wisselende onderbrenging bij de personen belast met de opvoeding is het departement in het kader van de consensuele jeugdbijstand territoriaal bevoegd als het kind zijn woonplaats in het Duitse taalgebied heeft.
Als de personen belast met de opvoeding geen woonplaats in België hebben en hun woonplaats onbekend of onzeker is, is het departement in het kader van de consensuele jeugdbijstand territoriaal bevoegd als het kind zijn gewone leefomgeving in het Duitse taalgebied heeft. § 2 - Indien het departement in het kader van de consensuele jeugdbijstand door een verandering van woonplaats niet langer territoriaal bevoegd is en verdere interventie vereist is, neemt het departement rechtstreeks contact op met de overheid die door de verandering van woonplaats bevoegd is geworden en verstrekt het departement haar de relevante informatie. Met instemming van de overheid die door de verandering van woonplaats bevoegd is geworden, kan het departement zijn interventie in het kader van de consensuele jeugdbijstand voortzetten gedurende een overgangsperiode van ten hoogste zes maanden, te rekenen vanaf de datum van toezending van de informatie. In dat kader kunnen lopende jeugdbijstandsmaatregelen worden voortgezet.
In afwijking van het eerste lid kan het departement na het verstrijken van de overgangsperiode vermeld in het eerste lid zijn interventie voortzetten in consensus met de overheid die door de verandering van woonplaats bevoegd is geworden, als de continuïteit van die interventie noodzakelijk is ter bescherming van de integriteit van het kind. In dat kader kunnen lopende jeugdbijstandsmaatregelen worden verlengd en kunnen nieuwe jeugdbijstandsmaatregelen worden overeengekomen.
Daartoe sluit de Regering samenwerkingsovereenkomsten met de betrokken instanties overeenkomstig artikel 92bis, § 1, van de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming der instellingen. Art. 26.Territoriale bevoegdheid in de gerechtelijke jeugdbijstand en in de jeugdbescherming Onverminderd de administratieve bijstand op verzoek van een andere overheid stemt de territoriale bevoegdheid van het departement in het kader van de gerechtelijke jeugdbijstand en in het kader van de jeugdbescherming overeen met de territoriale bevoegdheid van de jeugdrechter en de jeugdrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Eupen. HOOFDSTUK 4 - Consensuele en gerechtelijke jeugdbijstand Afdeling 1 - Toepassingsgebied
Art. 27.Specifiek toepassingsgebied Dit hoofdstuk is van toepassing op: 1° kinderen wier integriteit, gezonde ontwikkeling, opvoeding of maatschappelijke participatie in gevaar is door hun eigen gedrag, het gedrag van de personen belast met hun opvoeding, het gedrag van derden, hun levensomstandigheden, relatieconflicten of bijzondere gebeurtenissen;2° personen belast met de opvoeding die het moeilijk hebben om de integriteit, gezonde ontwikkeling, opvoeding of maatschappelijke participatie van hun kind te waarborgen;3° jongvolwassenen die ondersteuning nodig hebben op hun weg naar zelfstandigheid;4° aanbieders van jeugdbijstand, dienstverrichters en pleeggezinnen die opdracht hebben gekregen om de jeugdbijstandsmaatregelen uit te voeren;5° de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank die jeugdbijstandsmaatregelen bevelen. Afdeling 2 - Consensuele jeugdbijstand
Onderafdeling 1 - Procedure Art. 28.Aanvragen en adviesverlening Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon kan in het kader van de consensuele jeugdbijstand aanvragen bij het departement indienen.
Het departement informeert en adviseert de aanvragers of verwijst hen door naar dienstverrichters die passende hulp kunnen aanbieden.
Het departement kan het informeren en adviseren opdragen aan aanbieders van jeugdbijstand en aan dienstverrichters.
De Regering bepaalt de nadere regels voor de aanvragen, alsook de nadere regels en de procedure voor de adviesverlening. Art. 29.Inschatting van de levenssituatie § 1 - Indien uit de aanvraag of het advies blijkt dat een interventie van de dienst nodig kan zijn, schat het departement de levenssituatie van het kind in om de daaruit voortvloeiende behoefte aan hulp en een mogelijk gevaar voor het kind vast te stellen.
Daartoe organiseert het departement een of meer bijeenkomsten met het kind en de personen belast met zijn opvoeding, waaraan ook andere verwante of vertrouwde personen van het kind kunnen deelnemen.
Met inachtneming van de mening van het kind en in consensus met de personen belast met zijn opvoeding kan het departement reeds interveniërende dienstverrichters en actoren uit andere levensgebieden van het kind bij de inschatting betrekken.
Naast de bijeenkomsten vermeld in het tweede lid kan een afzonderlijk gesprek worden gevoerd met het kind of de personen belast met zijn opvoeding. § 2 - Indien uit de inschatting blijkt dat er behoefte is aan hulp en dat het kind gevaar loopt, wordt verdere hulp gepland, rekening houdend met de mening van het kind en in consensus met de personen belast met zijn opvoeding. Art. 30.Planning van de hulp en jeugdbijstandsovereenkomst § 1 - Tijdens de in artikel 29, § 2, vermelde planning van de hulp worden de behoefte, de noodzakelijke jeugdbijstandsmaatregelen, het doel ervan, de duur ervan en de in artikel 110 vermelde tegemoetkoming in de kosten besproken.
Het op basis van consensus afgesproken resultaat van de planning van de hulp wordt schriftelijk vastgelegd in een jeugdbijstandsovereenkomst.
Naast de informatie vermeld in het eerste lid bevat de jeugdbijstandsovereenkomst informatie over: 1° de regelingen inzake beroepsgeheim en gegevensbescherming beschreven in hoofdstuk 9 en hoofdstuk 10;2° de in artikel 115 vermelde mogelijkheden om een klacht in te dienen. De Regering kan nog andere inhoudelijke punten van de jeugdbijstandsovereenkomst bepalen, voor zover die de kwaliteit van de jeugdbijstand kunnen verbeteren. § 2 - De jeugdbijstandsovereenkomst wordt ondertekend door het betrokken kind dat over het vereiste beoordelingsvermogen beschikt, de personen belast met zijn opvoeding, het departement en de aanbieders van jeugdbijstand en dienstverrichters die belast zijn met de jeugdbijstandsmaatregel.
In afwijking van het eerste lid volstaat de ondertekening van de jeugdbijstandsovereenkomst door één persoon belast met de opvoeding, voor zover aan een of meer van de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de ondertekening door de andere persoon belast met de opvoeding is niet mogelijk, omdat zijn gezondheidstoestand te wensen overlaat of zijn woonplaats onbekend is;2° de andere persoon belast met de opvoeding toont een duidelijk gebrek aan belangstelling voor het kind;3° de jeugdbijstandsmaatregel is overeengekomen ten gunste van de ondertekenende persoon belast met de opvoeding en betreft uitsluitend die persoon. Indien aan een of meer van de voorwaarden vermeld in het tweede lid is voldaan, motiveert het departement dat schriftelijk en voegt het departement het desbetreffende bescheid bij de jeugdbijstandsovereenkomst.
De Regering kan de voorwaarden vermeld in het tweede lid preciseren. § 3 - Het departement bezorgt de partijen een exemplaar van de jeugdbijstandsovereenkomst. Art. 31.Uitvoering van consensuele jeugdbijstandsmaatregelen In het kader van de consensuele jeugdbijstand kan het departement aanbieders van jeugdbijstand, dienstverrichters en pleeggezinnen opdracht geven om de jeugdbijstandsmaatregelen uit te voeren.
De aanbieders van jeugdbijstand, dienstverrichters en pleeggezinnen die overeenkomstig het eerste lid met een opdracht zijn belast, ontvangen van het departement alle informatie die voor de uitoefening van hun opdracht relevant is. Art. 32.Coördinatie door het departement Het departement coördineert de jeugdbijstandsmaatregelen die overeenkomstig artikel 30 bij overeenkomst zijn vastgelegd. Daartoe kan het departement coördinatievergaderingen organiseren waarvoor ook andere dienstverrichters kunnen worden uitgenodigd die met het betrokken kind en de personen belast met zijn opvoeding werken.
Het departement kan de coördinatie opdragen aan aanbieders van jeugdbijstand en aan dienstverrichters.
De Regering kan nog andere nadere regels voor de uitvoering van de coördinatie bepalen. Art. 33.Balansgesprek Uiterlijk zes maanden na ondertekening van de jeugdbijstandsovereenkomst vermeld in artikel 30, § 1, tweede lid, en vervolgens ten minste om de zes maanden organiseert het departement een balansgesprek met de partijen.
Het balansgesprek dient om de uitvoering van de jeugdbijstandsovereenkomst te controleren en de overeenkomst zo nodig aan te passen aan nieuwe omstandigheden en ontwikkelingen.
In afwijking van het eerste lid organiseert het departement een balansgesprek met de partijen en dit uiterlijk zes maanden na ondertekening van de jeugdbijstandsovereenkomst en vervolgens ten minste om de twaalf maanden: 1° bij jeugdbijstandsmaatregelen die voor een periode van ten minste twee jaar zijn vastgelegd;2° indien het departement na overleg met de partijen geen behoefte vaststelt om balansgesprekken vroeger te laten plaatsvinden. Art. 34.Verhelderingsgesprek Indien het departement in het kader van de inschatting vermeld in artikel 29, § 1, eerste lid, of tijdens zijn verdere interventie vaststelt dat er een mogelijk gevaar voor het kind bestaat en de personen belast met de opvoeding of het kind weigeren samen te werken in het kader van de consensuele jeugdbijstand, of indien samenwerking met de personen belast met de opvoeding of met het kind niet mogelijk lijkt, deelt het departement het kind en de personen belast met zijn opvoeding schriftelijk mee dat het voornemens is om via de procureur des Konings te vragen om de zaak aanhangig te maken bij de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, maar dat zij vooraf om een verhelderingsgesprek kunnen verzoeken.
Het verhelderingsgesprek heeft tot doel de nadere regels omtrent de verdere samenwerking af te spreken met hulp van een bemiddelaar. De bemiddelaar wordt aangewezen door de Regering en is erkend door de Federale Bemiddelingscommissie in Familiezaken.
De Regering bepaalt de nadere regels voor het verzoek om een verhelderingsgesprek en voor het verhelderingsgesprek zelf.
Onderafdeling 2 - Inschakeling van de procureur des Konings, de jeugdrechter of de jeugdrechtbank Art. 35.Verzoek om de zaak aanhangig te maken bij de jeugdrechter of de jeugdrechtbank § 1 - Indien niet om een verhelderingsgesprek werd verzocht, het verhelderingsgesprek mislukt of de in de overeenkomst vermelde nadere regels omtrent de verdere samenwerking niet worden nageleefd en indien het departement nog altijd van een mogelijk gevaar voor het kind uitgaat, verzoekt het departement de procureur des Konings om de zaak aanhangig te maken bij de jeugdrechter of de jeugdrechtbank. § 2 - Indien het departement in het kader van de inschatting vermeld in artikel 29, § 1, eerste lid, of tijdens zijn verdere interventie vaststelt dat een acuut gevaar voor het kind bestaat, verzoekt het departement de procureur des Konings onmiddellijk om de zaak aanhangig te maken bij de jeugdrechter of de jeugdrechtbank. De mogelijkheid om een verhelderingsgesprek te verzoeken, valt in dat geval weg. § 3 - Indien de procureur des Konings het eens is met de in paragraaf 1 vermelde vaststelling van het departement betreffende het gevaar voor het kind of met de in paragraaf 2 vermelde vaststelling van het departement betreffende het acute gevaar voor het kind en indien een jeugdbijstandsmaatregel noodzakelijk lijkt om de integriteit van het kind te beschermen, dan maakt hij de zaak onmiddellijk aanhangig bij de jeugdrechter of de jeugdrechtbank.
Indien de procureur des Konings het niet eens is met de in het eerste lid vermelde vaststelling van het departement betreffende het gevaar of acute gevaar voor het kind, dan sluit hij het jeugdbijstandsdossier zonder de zaak aanhangig te maken bij de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en deelt hij die beslissing mee aan het departement. Art. 36.Verzoek om een onmiddellijke beslissing van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank Indien het departement een onmiddellijke beslissing over een of meer jeugdbijstandsmaatregelen noodzakelijk acht om de integriteit van het kind te beschermen hoewel de toestemming van de personen belast met de opvoeding ontbreekt, beslist de jeugdrechter of de jeugdrechtbank over de verzoeken van het departement.
Indien de jeugdrechter of de jeugdrechtbank de mening van het departement deelt, kan hij eenmaal jeugdbijstandsmaatregelen bevelen voor een periode van ten hoogste één jaar. In dat geval wordt de consensuele jeugdbijstand voortgezet.
Op met redenen omkleed verzoek van het departement kan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank de periode vermeld in het tweede lid eenmaal met ten hoogste één jaar verlengen.
Indien de jeugdrechter of de jeugdrechtbank de mening van het departement niet deelt, verklaart hij het verzoek van het departement ongegrond. Art. 37.Jeugdbijstandsmaatregelen van de procureur des Konings in geval van dreigend gevaar § 1 - In geval van dreigend gevaar kan de procureur des Konings de jeugdbijstandsmaatregelen vermeld in de artikelen 42 tot 46 voor een periode van ten hoogste vijf werkdagen bevelen om de integriteit van het kind te beschermen, als die jeugdbijstandsmaatregelen niet onmiddellijk in het kader van de consensuele jeugdbijstand kunnen worden uitgevoerd.
De procureur des Konings geeft het departement opdracht om, samen met het kind waarop de jeugdbijstandsmaatregel betrekking heeft en de personen belast met de opvoeding van dat kind, binnen de termijn vermeld in het eerste lid na te gaan of consensuele jeugdbijstand mogelijk is.
Indien daaruit blijkt dat consensuele jeugdbijstand mogelijk is, plant het departement de verdere hulp overeenkomstig artikel 30, rekening houdend met de mening van het kind en in consensus met de personen belast met zijn opvoeding.
Indien daaruit blijkt dat consensuele jeugdbijstand niet mogelijk is, maakt de procureur des Konings de zaak aanhangig bij de jeugdrechter of de jeugdrechtbank. § 2 - Op verzoek van het kind dat het vereiste beoordelingsvermogen bezit of minstens twaalf jaar oud is of op verzoek van de personen belast met de opvoeding beslist de jeugdrechter of de jeugdrechtbank over beroepen tegen jeugdbijstandsmaatregelen die overeenkomstig § 1, eerste lid, zijn bevolen.
Het beroep wordt ingesteld via een gewoon schrijven dat gericht is aan de griffie van de jeugdrechtbank en dit uiterlijk op de tweede werkdag die volgt op de datum waarop de jeugdbijstandsmaatregelen werden bevolen.
Als beroep wordt ingesteld, kan de procureur des Konings de zaak in het kader van dat beroep ook aanhangig maken bij de jeugdrechter overeenkomstig § 1, vierde lid. Afdeling 3 - Gerechtelijke jeugdbijstand
Onderafdeling 1 - Procedure Art. 38.Aanhangigmaking bij de jeugdrechter en de jeugdrechtbank § 1 - De jeugdrechter of de jeugdrechtbank beslist over de vorderingen van de procureur des Konings om met betrekking tot het gevaar voor het kind jeugdbijstandsmaatregelen te bevelen of te bevestigen: 1° in de gevallen vermeld in artikel 35, § 3, eerste lid, artikel 37, § 1, vierde lid, en § 2, derde lid;2° indien er voldoende aanwijzingen van acuut gevaar zijn, een voorlopige jeugdbijstandsmaatregel ter bescherming van de integriteit van het kind dringend noodzakelijk lijkt en die jeugdbijstandsmaatregel niet onmiddellijk in het kader van de consensuele jeugdbijstand kan worden uitgevoerd;3° indien er een gegrond vermoeden bestaat dat een meerderjarige of minderjarige uit hetzelfde gezin een als misdrijf omschreven feit tegen een kind pleegt en een jeugdbijstandsmaatregel noodzakelijk lijkt om het kind te beschermen;4° indien een situatie reeds in het kader van dit decreet aanhangig werd gemaakt bij de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en een jeugdbijstandsmaatregel noodzakelijk lijkt voor het betrokken kind, zijn broers of zussen of de met broers en zussen gelijkgestelde personen bedoeld in artikel 387sexiesdecies van het oud Burgerlijk Wetboek;5° in het geval vermeld in artikel 61. § 2 - De duur van de voorlopige jeugdbijstandsmaatregelen die overeenkomstig § 1, 2°, zijn bevolen, is beperkt tot ten hoogste dertig dagen.
De jeugdrechter of de jeugdrechtbank geeft het departement opdracht, samen met het kind waarop de jeugdbijstandsmaatregel betrekking heeft en de personen belast met de opvoeding van dat kind, binnen de termijn vermeld in het eerste lid na te gaan of consensuele jeugdbijstand mogelijk is.
Indien daaruit blijkt dat consensuele jeugdbijstand mogelijk is, plant het departement de verdere hulp overeenkomstig artikel 30, rekening houdend met de mening van het kind en in consensus met de personen belast met zijn opvoeding. Nadat het departement dat ter kennis heeft gebracht, kan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank de gerechtelijke jeugdbijstandsprocedure beëindigen.
Indien daaruit blijkt dat consensuele jeugdbijstand niet mogelijk is, kan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank jeugdbijstandsmaatregelen bevelen of bevestigen. § 3 - In de gevallen vermeld in § 1, 1°, 3°, 4° en 5°, en § 2, vierde lid, kan de jeugdrechter vóór de beslissing ten gronde voorlopige jeugdbijstandsmaatregelen bevelen. Alle voorlopige jeugdbijstandsmaatregelen samen mogen de maximumduur van twaalf maanden niet overschrijden. Art. 39.Onderzoek en inschatting § 1 - Om een bij de situatie passende beslissing te kunnen nemen, kan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank het departement in het kader van de gerechtelijke jeugdbijstand opdragen om een maatschappelijk onderzoek te verrichten. Het departement onderzoekt of het kind mogelijk in gevaar is, brengt verslag uit over de situatie op basis van de factoren vermeld in artikel 12, § 1, en stelt passende jeugdbijstandsmaatregelen voor.
Daartoe organiseert het departement een of meer bijeenkomsten met het kind en de personen belast met zijn opvoeding, waaraan ook andere verwante of vertrouwde personen van het kind kunnen deelnemen.
Met inachtneming van de mening van het kind en in consensus met de personen belast met zijn opvoeding of op bevel van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank kan het departement reeds interveniërende dienstverrichters en actoren uit andere levensgebieden van het kind bij het maatschappelijk onderzoek betrekken.
Naast de bijeenkomsten vermeld in het tweede lid kan een afzonderlijk gesprek worden gevoerd met het kind of de personen belast met zijn opvoeding. § 2 - Het departement verricht het maatschappelijk onderzoek binnen de door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank gestelde termijn. Die termijn bedraagt ten hoogste negentig dagen. § 3 - De jeugdrechter of de jeugdrechtbank kan het departement in het kader van de gerechtelijke jeugdbijstand machtigen om een psychologisch of medisch onderzoek van de jongere te laten uitvoeren om na te gaan welke jeugdbijstandsmaatregelen geschikt zijn voor zijn behandeling. § 4 - De jeugdrechter of de jeugdrechtbank kan het departement in het kader van de gerechtelijke jeugdbijstand machtigen om een inschatting van de opvoedingscompetenties van de personen belast met de opvoeding te laten uitvoeren, om na te gaan welke jeugdbijstandsmaatregelen geschikt zijn om hen te ondersteunen in hun opvoedkundige taak. § 5 - Indien opdracht wordt gegeven tot een onderzoek vermeld in paragraaf 1 of paragraaf 3 of tot een inschatting vermeld in paragraaf 4, wijzigt of neemt de jeugdrechter of de jeugdrechtbank de beslissing pas nadat hij kennis heeft genomen van dat onderzoek of van die inschatting, behalve indien na het verstrijken van de overeenkomstig paragraaf 2 gestelde termijn geen onderzoek heeft plaatsgevonden of behalve in geval van absolute noodzaak en onverminderd artikel 42, tweede lid, artikel 44, tweede lid, en artikel 45, vierde lid.
Indien een jeugdbijstandsmaatregel werd bevolen voordat de jeugdrechter of de jeugdrechtbank het onderzoek of de inschatting had ontvangen, dan wordt na ontvangst van het onderzoek of de inschatting door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank getoetst of die jeugdbijstandsmaatregel passend is. Art. 40.Uitvoering en coördinatie van de gerechtelijke jeugdbijstandsmaatregelen § 1 - De jeugdrechter of de jeugdrechtbank draagt de uitvoering van de gerechtelijke jeugdbijstandsmaatregelen op aan aanbieders van jeugdbijstand en aan dienstverrichters.
In afwijking van het eerste lid kan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank het departement in het kader van de gerechtelijke jeugdbijstand machtigen om de uitvoering van bepaalde jeugdbijstandsmaatregelen op te dragen aan aanbieders van jeugdbijstand, dienstverrichters en pleeggezinnen. § 2 - De jeugdrechter of de jeugdrechtbank belast het departement in het kader van de gerechtelijke jeugdbijstand met de organisatie en controle van de uitvoering vermeld in paragraaf 1, alsook met de coördinatie van de gerechtelijke jeugdbijstandsmaatregelen.
Daartoe kan het departement een overeenkomst sluiten met de aanbieders van jeugdbijstand, dienstverrichters en pleeggezinnen vermeld in paragraaf 1 en, in voorkomend geval, met het kind waarop de jeugdbijstandsmaatregel betrekking heeft en dat het vereiste beoordelingsvermogen bezit, alsook met de personen belast met zijn opvoeding.
Met inachtneming van de gerechtelijke beslissing bevat de overeenkomst informatie over: 1° de nadere regels voor de jeugdbijstandsmaatregelen;2° de regelingen inzake beroepsgeheim en gegevensbescherming beschreven in hoofdstuk 9 en hoofdstuk 10;3° de in artikel 115 vermelde mogelijkheden om een klacht in te dienen. Het departement kan de coördinatie vermeld in het eerste lid opdragen aan aanbieders van jeugdbijstand en aan dienstverrichters.
De Regering kan nog andere inhoudelijke punten van de overeenkomst bepalen, voor zover die de kwaliteit van de jeugdbijstand kunnen verbeteren. Art. 41.Balansgesprek en verslag § 1 - Uiterlijk vier maanden na de uitspraak of de beslissing en vervolgens ten minste om de zes maanden organiseert het departement een balansgesprek met het kind waarop de gerechtelijke jeugdbijstandsmaatregel betrekking heeft en dat het vereiste beoordelingsvermogen bezit of ten minste twaalf jaar oud is, de personen belast met zijn opvoeding en de aanbieders van jeugdbijstand, dienstverrichters en pleeggezinnen die de gerechtelijke jeugdbijstandsmaatregel uitvoeren.
Indien dit passend lijkt of indien dit noodzakelijk is om de integriteit van het kind te beschermen, kunnen afzonderlijke gesprekken worden gevoerd met elke natuurlijke persoon of rechtspersoon vermeld in het eerste lid.
In afwijking van het eerste lid en uiterlijk vier maanden na de uitspraak of de beslissing en vervolgens ten minste om de twaalf maanden organiseert het departement een balansgesprek met het kind waarop de gerechtelijke jeugdbijstandsmaatregel betrekking heeft en dat het vereiste beoordelingsvermogen bezit of ten minste twaalf jaar oud is, de personen belast met zijn opvoeding en de aanbieders van jeugdbijstand, dienstverrichters en pleeggezinnen die de gerechtelijke jeugdbijstandsmaatregel uitvoeren: 1° bij gerechtelijke jeugdbijstandsmaatregelen die voor een periode van twee jaar zijn bevolen;2° indien het departement na overleg met de natuurlijke personen of rechtspersonen vermeld in het eerste lid, alsook met de jeugdrechter of de jeugdrechtbank geen behoefte vaststelt om balansgesprekken vroeger te laten plaatsvinden. Het balansgesprek dient om de uitvoering van de gerechtelijke jeugdbijstandsmaatregelen te controleren en zo nodig rekening te houden met nieuwe omstandigheden en ontwikkelingen. Daartoe kan het departement, in het verslag vermeld in paragraaf 2, aan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank het volgende voorstellen: 1° een wijziging van de jeugdbijstandsmaatregelen;2° aanvullende jeugdbijstandsmaatregelen;3° een opheffing van de jeugdbijstandsmaatregelen. § 2 - Op verzoek van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en uiterlijk dertig dagen vóór een zitting van de jeugdrechtbank stelt het departement een verslag over de uitvoering van de maatregel op.
Onderafdeling 2 - Gerechtelijke jeugdbijstandsmaatregelen Art. 42.Ambulante begeleiding en opvang De jeugdrechter of de jeugdrechtbank kan een of meer van de volgende ambulante begeleidings- en opvangmaatregelen voor het kind en de personen belast met zijn opvoeding bevelen: 1° begeleiding bij de opvoeding;2° sociaal-pedagogische begeleiding;3° therapeutische begeleiding;4° gezinsbegeleiding;5° begeleide bezoekcontacten;6° psychologische, sociale of pedagogische adviesverlening;7° toezicht over het kind;8° ambulante begeleiding in een psychologische of psychiatrische dienst, een dienst voor seksuele opvoeding of een dienst die deskundig is op het gebied van verslavingsproblemen;9° andere vormen van ambulante begeleiding en opvang die passen bij de situatie. De ambulante begeleiding van het kind in een psychiatrische dienst vermeld in het eerste lid, 8°, wordt binnen dertig dagen nadat die begeleiding is bevolen, bevestigd door een psychologisch of medisch onderzoek vermeld in artikel 39, § 3, waarin de noodzaak van die begeleiding wordt vastgesteld. Indien die bevestiging uitblijft, heft de jeugdrechter of de jeugdrechtbank de bevolen jeugdbijstandsmaatregel op of vervangt hij hem door een andere jeugdbijstandsmaatregel.
De jeugdrechter of de jeugdrechtbank bepaalt het doel van de ambulante begeleidings- en opvangmaatregelen. Art. 43.Verblijf in de gewone leefomgeving onder voorwaarden Voor zover het kind het vereiste beoordelingsvermogen bezit of ten minste twaalf jaar oud is, kan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan het verblijf van het kind in zijn gewone leefomgeving en dit voor ten hoogste zes maanden: 1° regelmatig de lessen volgen;2° deelnemen aan een programma voor re-integratie in het dagelijkse schoolleven;3° een opleiding volgen;4° deelnemen aan een of meer begeleide sportieve, sociale of culturele activiteiten;5° deelnemen aan een trainingsmaatregel om de sociale competenties te versterken;6° andere bij de situatie passende voorwaarden naleven die zo nodig worden opgelegd. De jeugdrechter of de jeugdrechtbank bepaalt het doel van de voorwaarden. Art. 44.Semi-residentiële behandeling, begeleiding en opvang De jeugdrechter of de jeugdrechtbank kan een van de volgende semi-residentiële behandelings-, begeleidings- of opvangmaatregelen voor het kind bevelen: 1° ondersteunende pleegzorg;2° verblijf in een internaat;3° andere vormen van semi-residentiële behandeling, begeleiding of opvang die passen bij de situatie. De behandeling van het kind in een bij de situatie passende vorm van semi-residentiële behandeling als vermeld in het eerste lid, 3°, wordt binnen dertig dagen nadat die behandeling is bevolen, bevestigd door een psychologisch of medisch onderzoek vermeld in artikel 39, § 3, waarin de noodzaak van die behandeling wordt vastgesteld. Indien die bevestiging uitblijft, heft de jeugdrechter of de jeugdrechtbank de bevolen jeugdbijstandsmaatregel op of vervangt hij hem door een andere jeugdbijstandsmaatregel.
De jeugdrechter of de jeugdrechtbank bepaalt het doel van de semi-residentiële behandelings-, begeleidings- of opvangmaatregelen. Art. 45.Residentiële behandeling en opvang De jeugdrechter of de jeugdrechtbank kan een van de volgende residentiële behandelings- of opvangmaatregelen voor het kind bevelen: 1° opvang door een verwante of vertrouwde persoon die zich binnen zes maanden moet inschrijven vo …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.