📄 Wettekst
7 DECEMBER 1998. - Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (1)
ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
TITEL I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen Art. 2.In deze wet wordt verstaan onder : 1° de gouverneur : de provinciegouverneur of de gouverneur van het administratief arrondissement van Brussel-Hoofdstad;2° de politiediensten : de federale politie en de korpsen van de lokale politie;3° de algemene inspectie : de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. Art. 3.De politiediensten worden georganiseerd en gestructureerd op twee niveaus : het federale niveau en het lokale niveau, die samen de geïntegreerde politiezorg verzekeren. Deze niveaus zijn autonoom en hangen van verschillende overheden af. Deze wet regelt de functionele banden tussen deze twee niveaus.
Overeenkomstig Titel II van de huidige wet, verzekert de lokale politie op het lokale niveau de basispolitiezorg, meer bepaald alle opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie die nodig zijn voor het beheren van lokale gebeurtenissen en fenomenen die zich voordoen op het grondgebied van de politiezone, evenals het vervullen van sommige politieopdrachten van federale aard.
Overeenkomstig Titel III van de huidige wet, verzekert de federale politie over het gehele grondgebied, met inachtneming van de principes van specialiteit en subsidiariteit, de gespecialiseerde en de supralokale opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie, evenals ondersteunende opdrachten voor de lokale politiediensten en voor de politieoverheden.
De geïntegreerde politiedienst waarborgt de overheden en de burgers een minimale gelijkwaardige dienstverlening over het gehele grondgebied van het Rijk. Art. 4.De ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie worden, met inachtname van de prerogatieven van de bevoegde overheden, belast met het coördineren van het algemeen politiebeleid, evenals met de coördinatie van het beheer van de federale politie en van de lokale politie. Zij stellen te dien einde jaarlijks een nationaal veiligheidsplan op.
De krachtlijnen van het nationaal veiligheidsplan worden aan het Parlement medegedeeld.
Het nationaal veiligheidsplan waarborgt een globale en geïntegreerde aanpak van de veiligheid en verzekert de samenhang van het optreden van de politiediensten. De zonale veiligheidsplannen houden er rekening mee.
In het raam van de hun door deze wet toegekende bevoegdheden waken de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie er bovendien over de politiediensten op zodanige wijze te organiseren dat een doeltreffende operationele samenwerking en een geïntegreerde politiezorg worden gewaarborgd. Art. 5.De opdrachten van de politiediensten worden bij wet bepaald. HOOFDSTUK II. - De federale politieraad Art. 6.Er wordt een federale politieraad opgericht. Hij wordt als volgt samengesteld : 1° een voorzitter;2° een vertegenwoordiger van de minister van Binnenlandse Zaken en een vertegenwoordiger van de minister van Justitie;3° de procureur-generaal, voorzitter van het college van procureurs-generaal;4° een gouverneur;5° de federale procureur;6° een procureur des Konings;7° een onderzoeksrechter;8° drie burgemeesters, lid van de adviesraad van burgemeesters, en die elk uit een verschillend Gewest komen;9° de commissaris-generaal;10° een korpschef van de lokale politie. De federale politieraad telt, de voorzitter niet meegerekend, evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden.
De voorzitter en de leden van de federale politieraad, bedoeld in het eerste lid, 4°, 6°, 7°, 8° en 10°, worden aangesteld voor een hernieuwbare termijn van vier jaar bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, op voorstel van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie. De korpschef van de lokale politie wordt aangesteld op voorstel van de Vaste Commissie van de lokale politie, bedoeld in artikel 91. Art. 7.Onverminderd de andere bevoegdheden die hem bij wet worden toebedeeld, verleent de federale politieraad advies aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie en is deze belast met de globale evaluatie van de werking en de organisatie van de federale politie en van de lokale politiediensten, met name op basis van een jaarlijks rapport opgesteld door de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie.
Hij geeft een gemotiveerd advies over het ontwerp van het nationaal veiligheidsplan, en zal de uitvoering ervan geregeld evalueren. Samen met de krachtlijnen van het plan wordt aan het Parlement het advies van de federale politieraad meegedeeld.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit op voorstel van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, de nadere regels voor de werking van de federale politieraad. HOOFDSTUK III. - De adviesraad van burgemeesters Art. 8.Een adviesraad van burgemeesters wordt opgericht. Elk reglementair besluit betreffende de lokale politie wordt door de minister van Binnenlandse Zaken onderworpen aan het advies van de adviesraad.
Bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit bepaalt de Koning de samenstelling ervan, de nadere regels voor de aanwijzing van zijn leden en van zijn werking, met inbegrip van de termijnen waarbinnen de adviezen door de raad worden verstrekt.
De Koning waakt over het representatief karakter van de adviesraad rekening houdend met de types van politiezone. De leden van de adviesraad en hun plaatsvervangers worden door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, benoemd voor een hernieuwbare periode van drie jaar.
Het verlies van de hoedanigheid van burgemeester leidt van rechtswege tot het beëindigen van het mandaat van lid van de adviesraad.
TITEL II. - De lokale politie HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - De politiezones
Art. 9.Na advies van de betrokken burgemeesters, die de gemeenteraden dienaangaande raadplegen, van de procureur-generaal en van de gouverneur over een voorstel tot indeling door de minister van Binnenlandse Zaken, verdeelt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit op de voordracht van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, het grondgebied van de provincies en van het administratief arrondissement van Brussel-Hoofdstad, in politiezones. Daartoe worden de grenzen van de gerechtelijke arrondissementen gerespecteerd, behoudens wat de gemeenten betreft die ressorteren onder meerdere gerechtelijke arrondissementen.
Een politiezone bestaat uit één of meer gemeenten. De meergemeentezone beschikt over rechtspersoonlijkheid. Art. 10.Elke politiezone beschikt over een lokaal politiekorps. In de meergemeentezones wordt de lokale politie zodanig georganiseerd dat ze over een of meer politieposten beschikt in elke gemeente van de zone. Art. 11.In de meergemeentezones worden de bevoegdheden van de gemeenteraad inzake de organisatie en het beheer van het lokaal politiekorps uitgeoefend door de politieraad, bedoeld in artikel 12.
In dezelfde zones, worden de respectieve bevoegdheden van het college van burgemeester en schepenen en van de burgemeester inzake de organisatie en het beheer van het lokaal politiekorps uitgeoefend door het politiecollege, bedoeld in artikel 23.
Zonder op enige wijze afbreuk te doen aan de hen toegekende bevoegdheden, heeft de politieraad het recht geïnformeerd te worden door de burgemeesters over de wijze waarop zij de bevoegdheden uitoefenen die hen zijn verleend krachtens de artikelen 42, 43 en 45 evenals krachtens artikel 133, tweede en derde lid van de nieuwe gemeentewet. Afdeling 2. - De politieraad en het politiecollege
Onderafdeling 1. - Samenstelling van de politieraad en van het politiecollege Art. 12.De lokale politie in de meergemeentezone wordt bestuurd door een politieraad bestaande uit : - 13 leden in een meergemeentezone die de 15 000 inwoners niet overschrijdt; - 15 leden voor een bevolking van 15 001 tot 25 000 inwoners; - 17 leden voor een bevolking van 25 001 tot 50 000 inwoners; - 19 leden voor een bevolking van 50 001 tot 80 000 inwoners; - 21 leden voor een bevolking van 80 001 tot 100 000 inwoners; - 23 leden voor een bevolking van 100 001 tot 150 000 inwoners; - 25 leden voor een bevolking van meer dan 150 000 inwoners.
De politieraad wordt evenredig samengesteld uit leden van de gemeenteraden van de verschillende gemeenten die samen de meergemeentezone vormen, op basis van hun respectievelijke bevolkingscijfers. Elke gemeenteraad beschikt over minstens één vertegenwoordiger in de politieraad.
In de gevallen dat de evenredigheid bepaald in het tweede lid geen vertegenwoordiging van een gemeenteraad toelaat, wordt één bijkomend lid toegekend om hierin te voorzien. Het aantal leden bepaald in het eerste lid wordt in dit geval telkens vermeerderd met één eenheid.
Elk effectief lid heeft een of twee opvolgers.
De burgemeesters van de gemeenten die deel uitmaken van de meergemeentezone zijn van rechtswege lid van de politieraad. Zij worden niet meegerekend in het overeenkomstig het eerste lid bepaald aantal leden. Art. 13.Voor het bepalen en het verdelen van het aantal leden bedoeld in artikel 12 worden de bevolkingscijfers in aanmerking genomen die als basis hebben gediend voor het bepalen van de samenstelling van de verschillende gemeenteraden in de overeenkomstige meergemeentezone. Art. 14.Om te kunnen worden verkozen tot werkend of plaatsvervangend lid van de politieraad, moet de kandidaat op de dag van de verkiezing deel uitmaken van de gemeenteraad van een van de gemeenten die de meergemeentezone vormen. Art. 15.Effectieve leden van de politieraad mogen geen bloed- of aanverwanten zijn tot en met de derde graad, noch door de echt verbonden zijn.
Aanverwantschap die na de verkiezing tot stand komt onder de leden van de raad, stelt geen einde aan hun mandaat.
Tussen de als effectief lid verkozen personen wordt de orde van voorrang geregeld overeenkomstig de in artikel 17 bepaalde orde. Het effectief lid geniet voorrang op degene die door opvolging lid van de raad wordt. Tussen personen die gelijktijdig door opvolging lid van de raad worden, wordt de voorrang geregeld overeenkomstig de in artikel 17 bepaalde orde. Art. 16.De kandidaat-effectieve leden en de kandidaat-opvolgers worden in elke gemeenteraad schriftelijk voorgedragen door een of meer gemeenteraadsleden; de kandidaten stemmen in door een ondertekende verklaring op de akte van voordracht. De burgemeester, bijgestaan door de gemeentesecretaris en in tegenwoordigheid van een gemeenteraadslid van elke politieke fractie die een kandidatenlijst indient, neemt de akten van voordracht in ontvangst.
Voor de verkiezing van de leden van de politieraad heeft elk gemeenteraadslid één stem indien er minder dan vier leden te verkiezen zijn, drie stemmen indien er vier of vijf leden te verkiezen zijn, vier indien er zes of zeven, vijf indien er acht of negen, zes indien er tien of elf en acht indien er twaalf of meer leden te verkiezen zijn.
De verkiezing van de leden van de politieraad geschiedt bij geheime stemming en in één enkele stemronde. Elk gemeenteraadslid ontvangt zoveel stembiljetten als hij stemmen heeft. Op elk stembiljet brengt hij een stem uit voor een effectief lid.
De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit de nadere regels en de procedure bepalen die in acht moeten worden genomen bij de indiening van de kandidatenlijsten en bij de verkiezingen. Art. 17.De kandidaten die de meeste stemmen hebben bekomen zijn verkozen tot effectieve leden. Bij staking van stemmen wordt voorrang verleend in de volgende orde : 1° aan de kandidaat die, op de dag van de verkiezing, een mandaat in de politieraad uitoefent.Indien één of meerdere kandidaten in dit geval verkeren wordt de voorrang verleend aan degene die zonder onderbreking zijn mandaat het langst heeft uitgeoefend; 2° aan de kandidaat die, voorheen, een mandaat in de politieraad heeft uitgeoefend.Indien één of meerdere kandidaten in dit geval verkeren, wordt voorrang verleend aan degene die zonder onderbreking het langst zijn mandaat heeft uitgeoefend, en bij gelijke duur, aan degene die het het laatst heeft beëindigd; 3° aan de oudste kandidaat in jaren die de leeftijd van zestig jaar niet heeft bereikt;4° aan de jongste in jaren van de kandidaten die de leeftijd van zestig jaar hebben bereikt. Wie zou verkozen zijn doch wiens verkiezing geen uitwerking kan krijgen, wordt wegens onverenigbaarheid vervangen door zijn opvolger.
De kandidaten die als opvolgers van een verkozen effectief lid worden voorgedragen, zijn van rechtswege de opvolgers van het voornoemde lid. Art. 18.De verkiezing van de leden van de politieraad heeft plaats in openbare vergadering de derde maandag nadat de gemeenteraad werd geïnstalleerd. Indien die datum op een wettelijke feestdag valt, wordt de verkiezing verschoven naar de eerstvolgende werkdag. Art. 19.Wanneer een effectief lid voor het verstrijken van zijn mandaat ophoudt deel uit te maken van de politieraad en hij geen opvolger of opvolgers heeft, kunnen alle nog in functie zijnde gemeenteraadsleden die de voordracht van het te vervangen lid hadden ondertekend, gezamenlijk een kandidaat effectief lid en één of meer kandidaat-opvolgers voordragen. In dit geval worden deze kandidaten verkozen verklaard, de kandidaat-opvolgers in orde van hun voordracht.
Is zulks niet het geval, dan wordt in de vervanging voorzien bij een geheime stemming waarbij elk gemeenteraadslid over één stem beschikt en de kandidaat die de meeste stemmen behaalde verkozen wordt verklaard Bij staking van stemmen is artikel 17 van toepassing. Art. 20.Het mandaat van de leden van de politieraad duurt zes jaar.
Dit mandaat vangt aan de eerste werkdag van de derde maand, volgend op de datum van het aantreden van de verkozen gemeenteraden na een volledige vernieuwing of ten laatste de eerste werkdag van de tweede maand volgend op de maand waarin de uitslag van hun verkiezing definitief is geworden. De leden blijven hun mandaat uitoefenen tot de installatie van de nieuwe politieraad.
Het lid dat ontslag neemt, blaft zijn mandaat uitoefenen tot zijn opvolger is beëdigd.
De opvolger of het ter plaatsvervanging verkozen lid voleindigt het mandaat van het lid dat hij opvolgt. Art. 21.Met uitzondering van de omstandigheid bedoeld in het eerste lid van artikel 20 leidt het verlies van de hoedanigheid van gemeenteraadslid van rechtswege tot het beëindigen van het mandaat van lid van de politieraad. Art. 22.De bepalingen van de artikelen 11, 12 en 12bis van de nieuwe gemeentewet zijn van toepassing op de leden van de politieraad. Art. 23.Het politiecollege wordt gevormd door de burgemeesters van de verschillende gemeenten die de meergemeentezone vormen.
Het mandaat van lid van het politiecollege vangt aan op het ogenblik van de eedaflegging als burgemeester.
Het lid van het politiecollege dat afwezig is of verhinderd, wordt vervangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 14 van de nieuwe gemeentewet.
Het politiecollege stelt één van zijn leden aan als voorzitter.
Vóór het overige wordt de rang van de leden van het politiecollege bepaald door het stemmenaantal dat elk van hen overeenkomstig artikel 24 is toegekend.
Indien het politiecollege geen voorzitter heeft aangesteld, wordt deze functie waargenomen door het lid met de hoogste rang. Art. 24.In het politiecollege beschikt elke burgemeester over een aantal stemmen naar evenredigheid van de minimum politiedotatie die zijn gemeente in de meergemeentezone inbrengt.
In afwijking van het eerste lid wordt gedurende de eerste twee jaren volgend op het jaar waarin de lokale politie is opgericht, het aantal stemmen toegekend naar evenredigheid van de nettolast voor de functie Justitie en Politie onder de statistische code 399 van de laatst vastgestelde en goedgekeurde jaarrekeningen van elke gemeente.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de nadere regels die in acht moeten worden genomen voor de toekenning van stemmen aan de leden van het politiecollege.
Onderafdeling 2. - Vergaderingen, beraadslagingen en besluiten van de politieraad en van het politiecollege Art. 25.De politieraad vergadert zo dikwijls als de zaken die tot zijn bevoegdheid behoren het vereisen en ten minste tienmaal per jaar.
De voorzitter van het politiecollege zit de politieraad voor.
Elk lid van de politieraad, de leden van het politiecollege inbegrepen, heeft één stem. Art. 26.In afwijking van het vorige artikel beschikt, bij de stemmingen over de vaststelling van de begroting, de begrotingswijzigingen en de jaarrekeningen, elke groep vertegenwoordigers van één gemeente uit de politiezone over evenveel stemmen als waarover de burgemeester van de gemeente die hij vertegenwoordigt, beschikt in het politiecollege. Deze stemmen worden onder de leden van die groep gelijk verdeeld. Art. 27.De artikelen 84, 86, 87, 87bis, 88, 89, 90, 91, 92, 93, 94, 95 tweede lid, 96, 97, 98, 99, 100 en 101 van de nieuwe gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op de politieraad. Art. 28.De artikelen 104, eerste en derde lid, en 105 van de nieuwe gemeentewet zon van overeenkomstige toepassing op het politiecollege.
Het politiecollege mag alleen dan beraadslagen en besluiten als de meerderheid van de stemmen bedoeld in artikel 24 is vertegenwoordigd.
De besluiten van het politiecollege worden bij meerderheid van de stemmen bedoeld in het vorige lid genomen. Bij staking van stemmen verdaagt het politiecollege de zaak tot een volgende vergadering.
Indien bij meerderheid van stemmen in het politiecollege de behandeling van de zaak vooraf spoedeisend is verklaard, of wanneer de zaak in een vorige vergadering na staking van stemmen werd verdaagd, is bij staking van stemmen de stem van de voorzitter beslissend. Art. 29.In de meergemeentezone wordt de functie van secretaris van de politieraad en van het politiecollege door een lid van het personeel van het administratief en logistiek kader van het lokaal politiekorps of van een gemeentelijke administratie van de zone vervuld. Hij wordt respectievelijk aangeduid door de politieraad of het politiecollege.
Hij stelt de notulen van de raad en van het college op en zorgt voor de overschrijving ervan.
De korpschef van de lokale politie is belast met de voorbereiding van de zaken die aan de politieraad of aan het politiecollege worden voorgelegd en woont de vergaderingen van de raad en het college bij.
De overgeschreven notulen worden door de voorzitter en door de secretaris getekend.
De notulen vermelden alle besproken onderwerpen alsook het gevolg dat werd gegeven aan die punten waaromtrent geen beslissing werd genomen.
Zij maken eveneens duidelijk melding van alle beslissingen.
De briefwisseling uitgaande van de politieraad en het politiecollege wordt door de voorzitter ondertekend en door de korpschef medeondertekend tenzij daarvoor delegatie wordt verleend. Art. 30.De ontvangsten en uitgaven van de politiezone worden gedaan door een bijzondere rekenplichtige.
In de ééngemeentezone treedt de gemeenteontvanger als bijzondere rekenplichtige op.
In de meergemeentezone wordt de bijzondere rekenplichtige op voorstel van het politiecollege aangewezen door de politieraad onder de gemeenteontvangers en de ontvangers van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een van de gemeenten die deel uitmaken van de politiezone. De politieraad kan evenwel een beroep doen op een gewestelijke ontvanger.
De bijzondere rekenplichtige heeft tot taak om, alleen en onder zijn verantwoordelijkheid, de ontvangsten van de politieoverheid te innen en tegen regelmatige bevelschriften de betaalbaar gestelde uitgaven te doen ten belope, hetzij van het bijzonder bedrag bepaald in elk artikel van de begroting, van het bijzonder krediet of van het voorlopig krediet, hetzij van het bedrag van de overeenkomstig artikel 248 van de nieuwe gemeentewet, overgeschreven kredieten.
Indien de bijzondere rekenplichtige weigert het bedrag van regelmatige bevelschriften te betalen of zulks uitstelt, wordt de betaling vervolgd, zoals inzake directe belastingen, door de rijksontvanger, nadat de gouverneur, die de bijzondere rekenplichtige oproept en hem vooraf hoort, indien hij zich aanmeldt, de bevelschriften uitvoerbaar heeft verklaard. Art. 31.De bijzondere rekenplichtige in de meergemeentezone is verplicht tot waarborg van zijn beheer, een aanvullende zekerheid in geld, in effecten, of in de vorm van een of meerdere hypotheken te stellen.
De Koning bepaalt het minimum- en het maximumbedrag van deze aanvullende zekerheid.
De politieraad stelt, op de eerstvolgende vergadering na de aanstelling van de bijzondere rekenplichtige, het bedrag vast van de zekerheid die deze moet stellen, alsmede de termijn waarover hij daartoe beschikt.
De zekerheid wordt bij de deposito- en consignatiekas gedeponeerd; de rente die ze opbrengt komt aan de bijzondere rekenplichtige toe.
De akten van zekerheidstelling worden, zonder kosten voor de meergemeentezone, voor het politiecollege verleden.
Indien er registratierechten verschuldigd zijn, worden deze teruggebracht tot het algemeen vast recht en zijn ze ten laste van de bijzondere rekenplichtige.
De bijzondere rekenplichtige mag de zekerheidstelling vervangen door, hetzij een bankwaarborg of verzekering die beantwoordt aan de modaliteiten door de Koning bepaald, hetzij de hoofdelijke borgstelling van een vereniging die door de Koning is erkend.
Deze erkende vereniging moet de vorm van een coöperatieve vennootschap aannemen en de voorschriften van boek I, titel IX, afdeling VII, van het Wetboek van koophandel naleven; ze behoudt niettemin haar burgerlijk karakter.
Het besluit tot erkenning van de vereniging alsmede de goedgekeurde statuten worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De vereniging kan de kas en de boekhouding controleren van de bijzondere rekenplichtige voor wie ze zich borg heeft gesteld, mits het politiecollege instemt met de contractuele bepalingen waarbij dit recht wordt gevestigd en met de wijze waarop dit recht wordt uitgeoefend.
Het politiecollege zorgt dat de zekerheid van de bijzondere rekenplichtige werkelijk gesteld en te bekwamer tijd wordt vernieuwd.
De bijzondere rekenplichtige die zijn zekerheid niet binnen de voorgeschreven termijn verschaft en dit verzuim niet voldoende verantwoordt, is ambtshalve ontslagen en wordt vervangen.
Alle kosten betreffende de vestiging der zekerheid komen ten laste van de bijzondere rekenplichtige.
Is er een tekort in de kas van de meergemeentezone, dan heeft de meergemeentezone een voorrecht op de zekerheid van de bijzondere rekenplichtige.
De bijzondere rekenplichtige staat onder het gezag van het politiecollege. Art. 32.In geval van afwezigheid van de bijzondere rekenplichtige wordt zijn functie waargenomen overeenkomstig de bepalingen voor vervanging die in zijn bestuur van herkomst van toepassing zijn.
De politieraad stelt, binnen de voorwaarden door de Koning bepaald, de vergoeding van de bijzondere rekenplichtige in de meergemeentezone vast.
Onderafdeling 3. - Budgettair en financieel beheer Art. 33.Titel V van de nieuwe gemeentewet is van toepassing op het beheer van de goederen en inkomsten van de lokale politie, met dien verstande dat voor de meergemeentezone de in de nieuwe gemeentewet voorkomende woorden « gemeente, gemeenteraad, college van burgemeester en schepenen, gemeente-instellingen die geen rechtspersoonlijkheid bezitten », respectievelijk moeten worden gelezen als : « meergemeentezone, politieraad, politiecollege, » en « uitdrukkelijk aangewezen afdelingen van de lokale politie ». Art. 34.Artikel 131 en titel VI, hoofdstuk I en II, van de nieuwe gemeentewet, uitgezonderd de artikelen 243 en 253, zijn van toepassing op het budgettair en financieel beheer van de lokale politie, met dien verstande dat : 1° voor de meergemeentezone de in de nieuwe gemeentewet voorkomende woorden « gemeente, gemeenteraad, college van burgemeester en schepenen, burgemeester, gemeentesecretaris, gemeenteontvanger en gemeentekas », respectievelijk moeten worden gelezen als : « meergemeentezone, politieraad, politiecollege, voorzitter van het politiecollege, korpschef van de lokale politie, bijzondere rekenplichtige en kas van de meergemeentezone »;2° het in artikel 240, § 1, derde lid, van de nieuwe gemeentewet vermelde « verslag bedoeld in artikel 96 » moet worden gelezen als « de door de Koning voorgeschreven documenten die bij de begroting en rekeningen van de politiezone moeten worden gevoegd »;3° in artikel 241, § 1, van de nieuwe gemeentewet de woorden « eerste maandag van oktober » moeten worden gelezen als « in de maand oktober »;4° in artikel 250 van de nieuwe gemeentewet de woorden « door de burgemeester of door degene die hem vervangt, en door een schepen » moeten worden gelezen als « door de voorzitter van het politiecollege of diegene die hem vervangt ». Afdeling 3. - De zonale veiligheidsraad
Art. 35.In elke politiezone wordt een zonale veiligheidsraad opgericht waarbinnen een systematisch overleg wordt georganiseerd tussen de burgemeesters, de procureur des Konings, de korpschef van de lokale politie en de bestuurlijke directeur-coördinator van de federale politie of zijn afgevaardigde.
De zonale veiligheidsraad kan deskundigen uitnodigen om deel te nemen aan zijn werkzaamheden.
De opdrachten van de zonale veiligheidsraad zijn de volgende : 1° het bespreken en de voorbereiding van het zonaal veiligheidsplan;2° het bevorderen van de optimale coördinatie van de uitvoering van de opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie;3° het evalueren van de uitvoering van het zonaal veiligheidsplan. Art. 36.Het jaarlijks zonaal veiligheidsplan omvat : 1° de prioritaire opdrachten en doelstellingen vastgesteld door de burgemeesters en de procureur des Konings, elkeen wat zijn bevoegdheden betreft, die in een globale veiligheidsaanpak worden geïntegreerd, evenals de wijze waarop deze opdrachten en doelstellingen zullen worden bereikt;2° de capaciteit van de lokale politie die bestemd is voor de uitvoering van de opdrachten van gerechtelijke en bestuurlijke politie en die er moet voor zorgen dat deze opdrachten te allen tijde kunnen worden uitgevoerd, in het bijzonder de lokale opdrachten;3° de bijdrage van de lokale politie in de uitvoering van de opdrachten van federale aard bedoeld in artikel 61;4° de opdrachten en doelstellingen die eigen zijn aan een gemeente van de zone, die overeenstemmen met een budgettaire tussenkomst van deze gemeente die de overeenkomstig artikel 40, derde lid, overeengekomen dotatie overschrijdt. Art. 37.Het zonaal veiligheidsplan wordt, rekening houdend met het nationaal veiligheidsplan, voorbereid door de zonale veiligheidsraad.
De gedeelten van het zonaal veiligheidsplan die een weerslag hebben op de aangelegenheden die onder de bevoegdheid ressorteren van de gemeenteraad of van de politieraad, worden voor akkoord voorgelegd aan de gemeenteraad of, desgevallend, aan de politieraad.
Na goedkeuring door de burgemeesters en de procureur des Konings, wordt het voor goedkeuring voorgelegd aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, die er zich over moeten uitspreken binnen de twee maanden vanaf de ontvangst van het plan. Na deze termijn wordt hun goedkeuring als gegeven geacht. Indien de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie het plan niet goedkeuren, wordt hen een nieuwe versie ervan voorgelegd. In dit geval wordt de termijn voor goedkeuring teruggebracht tot één maand.
De gemeenteraden worden ingelicht over het goedgekeurde plan, met uitzondering van de gedeelten of gegevens die door de zonale veiligheidsraad als vertrouwelijk worden beschouwd.
Wanneer, in de loop van de uitvoering van het zonaal veiligheidsplan blijkt dat de overeenkomstig artikel 36, 2°, geplande capaciteit, ontoereikend is om die opdrachten uit te voeren, wordt dit verholpen door de zonale veiligheidsraad. Afdeling 4. - Personeel en begroting
Art. 38.Voor elke politiezone bepaalt de Koning het minimaal effectief van het operationeel en van het administratief en logistiek personeel van de lokale politie, rekening houdend met de specifieke kenmerken van die zone. Art. 39.In de ééngemeentezones, wordt de begroting van het lokaal politiekorps goedgekeurd door de gemeenteraad, overeenkomstig de door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, vastgestelde minimale begrotingsnormen.
De begroting van de politiezone komt ten laste van de gemeente van de zone en van de federale Staat. Art. 40.In de meergemeentezones wordt de begroting van het lokaal politiekorps goedgekeurd door de politieraad, overeenkomstig de door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, vastgestelde minimale begrotingsnormen.
De begroting van de politiezone komt ten laste van de verschillende gemeenten van de zone en van de federale Staat.
Elke gemeenteraad van de zone stemt de dotatie die aan het lokaal politiekorps moet worden toegekend en die aan de politiezone wordt gestort.
Overeenkomstig artikel 36, 4°, kan een gemeente haar dotatie verhogen ten voordele van de politiezone.
De dotatie wordt in de uitgaven van elke gemeentebegroting ingeschreven. De bijdrage aan de meergemeentezone wordt op zijn minst in twaalfden uitbetaald.
De nadere regels inzake de berekening en de verdeling van de dotaties en de wijze waarop zij worden uitbetaald, worden door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit vastgelegd.
Wanneer de meergemeentezone niet over voldoende middelen beschikt om de uitgaven te dekken die voortkomen uit de vervulling van haar opdracht, wordt het verschil gedragen door de gemeenten die er deel van uitmaken. Art. 41.Per politiezone wordt jaarlijks een toelage uitgetrokken ten laste van de federale begroting, verder genoemd de federale toelage.
De federale toelage wordt bepaald op basis van : 1° het aandeel van de federale overheid in de financiering van de lokale opdrachten van de politie;2° de algemene en bijzondere federale opdrachten die binnen de betrokken zone worden vervuld. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de criteria en de nadere regels die in acht moeten worden genomen voor het bepalen en het uitbetalen van de federale toelage. Het uitbetalen gebeurt op zijn minst in twaalfden.
Een krediet beperkt tot 7,5 % van de rijksontvangsten uit boeten van strafrechtelijke veroordelingen in allerhande zaken, evenals uit de geldsommen bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering en in artikel 65 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, wordt op de algemene uitgavenbegroting ingeschreven.
Dit krediet wordt aangewend voor de ondersteuning van de werking van de lokale politiekorpsen. De Koning stelt de voorwaarden en modaliteiten vast volgens dewelke deze subsidies worden geïntegreerd in de federale dotatie. HOOFDSTUK II. - Gezag en leiding Art. 42.Voor het uitvoeren van haar opdrachten van bestuurlijke politie, staat de lokale politie onder het gezag van de burgemeester die haar, wat de uitvoering betreft van deze opdrachten op het grondgebied van zijn gemeente, de bevelen, onderrichten en richtlijnen geeft die dienaangaande noodzakelijk zijn.
Wanneer, in de meergemeentezones, de uitvoering van een beslissing van een burgemeester niet is opgenomen in het zonaal veiligheidsplan en dit voor gevolg heeft dat de uitvoering van de beslissingen van de andere burgemeesters van de zone wordt beperkt, licht de korpschef van de lokale politie het politiecollege hierover in. Art. 43.In geval van ramp, onheil, schadegeval, oproer, kwaadwillige samenscholingen of ernstige en nakende bedreigingen van de openbare orde, en wanneer de middelen van de lokale politie onvoldoende zijn, kan de burgemeester of de persoon die hem vervangt, met het oog op de handhaving of het herstel van de openbare orde, de federale politie vorderen.
De gouverneur en de arrondissementscommissaris worden door de opvorderende overheid onmiddellijk over de vordering ingelicht.
Wanneer de middelen van de politiediensten onvoldoende zijn om de openbare orde te handhaven, kan de burgemeester de krijgsmacht vorderen.
Bij opvordering of ingrijpen van de federale politie of van het leger blijft de lokale politie onder het gezag van de burgemeester van de betrokken gemeente, onverminderd de bevoegdheden van de minister van Binnenlandse Zaken en van de gouverneur inzake civiele bescherming.
Zij staat onder de leiding van de korpschef of van de bestuurlijke directeur-coördinator van de federale politie, overeenkomstig de artikelen 7/1 en 7/2 van de wet op het politieambt.
De opgevorderde machten blijven in nauw contact met de vorderende overheid en de korpschef van de lokale politie om op gecoördineerde wijze op te treden. Art. 44.Elk lokaal politiekorps staat onder de leiding van een korpschef.
Hij is verantwoordelijk voor de uitvoering van het lokaal politiebeleid, en meer bepaald, voor de uitvoering van het zonaal veiligheidsplan.
Hij staat in voor de leiding, de organisatie en de verdeling van de taken binnen het lokaal politiekorps en de uitvoering van het beheer van dit korps. Hiertoe kan de burgemeester of het politiecollege hem sommige van zijn bevoegdheden delegeren.
In de uitoefening van deze functie is hij verantwoordelijk voor de uitvoering door het politiekorps van de lokale opdrachten, van de richtlijnen met betrekking tot de opdrachten met een federaal karakter en van de opvorderingen evenals van de toepassing van de normen bedoeld in de artikelen 141 en 142.
Voor de uitoefening van zijn functie, kan de korpschef de in artikel 104, 1°, bedoelde hulp inroepen. Art. 45.De korpschef oefent de in artikel 44 bedoelde bevoegdheden uit onder het gezag van de burgemeester of van het politiecollege.
Met het oog op een goed beheer van het politiekorps, licht de korpschef zo spoedig mogelijk de burgemeester of het politiecollege in over alles wat het lokaal politiekorps en de uitvoering van zijn opdrachten aangaat. Hij licht hem ook in over de initiatieven die de lokale politie overweegt te nemen en die betrekking hebben op het zonale veiligheidsbeleid.
Hij moet elke maand verslag uitbrengen aan de burgemeester of aan het politiecollege over de werking van het korps en hem op de hoogte brengen van de klachten van buitenaf aangaande de werking van het korps of het optreden van zijn personeel. Art. 46.In geval van afwezigheid of verhindering van de korpschef stelt de burgemeester of het politiecollege onder de leden van het politiekorps met de hoogste graad, de vervangende korpschef aan. HOOFDSTUK III. - Personeel Art. 47.De gemeenteraad of de politieraad bepaalt de formatie van het operationeel en van het administratief en logistiek personeel van het lokaal politiekorps, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde minimumnormen.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de modaliteiten volgens welke het personeel van het operationeel en van het administratief en logistiek kader van de federale politie en van de andere lokale politiekorpsen zich kandidaat kunnen stellen voor een ambt bij een lokaal politiekorps. Art. 48.De chef van het lokale politiekorps wordt door de Koning in zijn functie aangewezen voor een éénmaal hernieuwbare termijn van vijfjaar, op gemotiveerde voordracht van de gemeenteraad of van de politieraad en na gemotiveerd advies van de procureur-generaal bij het hof van beroep en van de gouverneur, uit de door een selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten.
De burgemeester of het politiecollege kan met een gemotiveerde beslissing, een ander door de selectiecommissie geschikt bevonden kandidaat voordragen. Art. 49.Na afloop van de eerste termijn van vijf jaar, verlengt de Koning de aanstelling van de korpschef van de lokale politie na gemotiveerd advies van de gemeenteraad of van de politieraad, van de burgemeester of van het politiecollege, van de procureur-generaal bij het hof van beroep en van de gouverneur, en op grond van een globale evaluatie uitgevoerd door een evaluatiecommissie. De aanstelling mag niet worden verlengd indien de gemeenteraad of de politieraad en de burgemeester of het politiecollege na de korpschef te hebben gehoord, een met redenen omkleed negatief advies uitbrengen.
Het mandaat van de korpschef kan vroegtijdig worden beëindigd wanneer, op grond van een evaluatie door de evaluatiecommissie, na advies van de in het eerste lid vermelde instanties en nadat de betrokkene werd gehoord, blijkt dat deze laatste in zijn functie geen voldoening schenkt.
De Koning bepaalt de voorwaarden voor de reaffectatie van korpschefs van wie het mandaat niet wordt vernieuwd of wordt beëindigd. Art. 50.De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de kandidaten voor de aanstelling tot korpschef van de lokale politie moeten beantwoorden en stelt de aanstellingsprocedure vast evenals de evaluatieprocedure van de korpschefs van de lokale politie.
De gemeenteraad of de politieraad stelt de in artikel 48 bedoelde selectiecommissie samen, overeenkomstig de nadere regels bepaald in een door de Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Hetzelfde besluit stelt bovendien de nadere regels vast betreffende de opdrachten en de werking van deze commissie.
Desgevallend kan de gemeenteraad of de politieraad beslissen een beroep te doen op een selectiecommissie die door de minister van Binnenlandse Zaken werd samengesteld volgens de algemene nadere regels bedoeld in het vorige lid. Art. 51.De evaluatiecommissies worden samengesteld door de minister van Binnenlandse Zaken, overeenkomstig de nadere regels vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. De algemene inspectie van de federale politie en de lokale politie maakt deel uit van deze commissies.
De Koning stelt bovendien de nadere regels vast voor de samenstelling en de werking van deze evaluatiecommissies en preciseert hun opdrachten. Art. 52.Indien de gemeenteraad of de politieraad weigert, nalaat of in de onmogelijkheid verkeert een geschikt bevonden kandidaat voor te dragen of zich uit te spreken over de verlenging van de aanstelling binnen de zes maanden na de uit de briefwisseling blijkende ontvangst van een verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken, stelt de Koning de korpschef van de lokale politie aan uit de lijst van de kandidaten die geschikt werden verklaard door de selectiecommissie en na kennis te hebben genomen van de gemotiveerde adviezen bedoeld in de artikelen 48 en 49. Art. 53.De hogere officieren van de lokale politie worden overeenkomstig het koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 121, tweede lid, 1°, door de Koning benoemd, op gemotiveerde voordracht van de gemeente- of van de politieraad, na gemotiveerd advies van de procureur-generaal bij het hof van beroep en van de gouverneur, onder de door een selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten.
De burgemeester of het politiecollege kan, met een gemotiveerde beslissing, andere door de selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten voordragen. Art. 54.De niet in artikel 53 bedoelde officieren van de lokale politie, worden benoemd door de gemeenteraad of door de politieraad, na gemotiveerd advies van de procureur-generaal bij het hof van beroep en van de gouverneur, onder de door een selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten. Art. 55.De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor de benoeming van de officieren van de lokale politie.
De gemeenteraad of de politieraad stelt de in de artikelen 52 en 53 bedoelde selectiecommissie samen, overeenkomstig de nadere regels bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Hetzelfde besluit stelt bovendien de nadere regels vast betreffende de opdrachten en de werking van deze commissie.
Desgevallend kan de gemeenteraad of de politieraad beslissen een beroep te doen op een selectiecommissie die door de minister van Binnenlandse Zaken werd samengesteld volgens de nadere regels bedoeld in het vorige lid. Art. 56.De gemeenteraad of de politieraad benoemt of werft de andere leden van de lokale politie aan, volgens de voorwaarden en nadere regels vastgesteld door de Koning. Art. 57.De politieambtenaar die binnen het lokaal politiekorps de dienst leidt die hoofdzakelijk belast is met de opdrachten van gerechtelijke politie, wordt in deze functie aangesteld na een met redenen omkleed advies van de procureur des Konings. Art. 58.De hulpagenten mogen geen opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie uitvoeren, behalve de bevoegdheden die hen zijn toegekend inzake de politie van het wegverkeer en die om toe te zien op de naleving van gemeentelijke politieverordeningen.
Binnen die bevoegdheden kunnen zij de identiteit van iedere persoon die een misdrijf heeft begaan controleren. Art. 59.De politieambtenaren, de hulpagenten van politie en de statutaire personeelsleden van het administratief en logistiek kader leggen de eed af in handen van de burgemeester of van de voorzitter van het politiecollege. Art. 60.Het in het raam van een benoemings- of een aanstellingsprocedure vereiste advies van de procureur-generaal, van de gouverneur of van de procureur des Konings moet worden overgezonden binnen een termijn van een maand, anders wordt het advies als gunstig beschouwd. HOOFDSTUK IV. - Opdrachten van federale aard Art. 61.Overeenkomstig artikel 3, staat de lokale politie in voor sommige opdrachten van federale aard.
De minister van Binnenlandse Zaken of de minister van Justitie bepaalt deze opdrachten door dwingende richtlijnen. Het uitvoeren van die richtlijnen mag de uitvoering van de lokale opdrachten niet in gevaar brengen.
Wanneer de richtlijnen algemeen zijn, worden ze voor advies voorgelegd aan de adviesraad van burgemeesters. Wanneer ze betrekking hebben op één of meer welbepaalde politiezones, maken zij het voorwerp uit van een voorafgaand overleg met de burgemeester of het politiecollege.
De richtlijnen kunnen betrekking hebben op het soort personeel alsook het in te zetten effectief op zijn uitrusting en bewapening en op de wijze van optreden.
De richtlijn wordt uitgevoerd onder leiding van de korpschef van de lokale politie, behalve wanneer ze betrekking heeft op een opdracht die tegelijk door de lokale politie en de federale politie wordt uitgeoefend. In dat geval duidt de richtlijn het politieniveau aan dat met de operationele leiding is belast.
De van de minister van Justitie uitgaande richtlijnen betreffende de opdrachten van gerechtelijke politie worden genomen na advies van het college van de procureurs-generaal. Art. 62.De volgende opdrachten kunnen het voorwerp uitmaken van de in artikel 61 bedoelde richtlijnen : 1° de opdrachten die bepaald zijn in de artikelen 17, 18, eerste lid, 19, eerste lid, 20, eerste lid, 21 eerste lid, 23, §§ 3 en 4, 25, derde lid, 44 en 46 van de wet op het politieambt 2° de opdrachten van federale aard die in een zonaal veiligheidsplan zijn vermeld;3° de politiemaatregelen die essentieel zijn voor de uitvoering van gespecialiseerde opdrachten van bestuurlijke politie van de federale en gewestelijke overheden;4° de sterke arm verlenen aan de overheidsambtenaren belast met een inspectie, een toezicht of een vaststelling, binnen de in artikel 44, derde lid, van de wet op het politieambt bepaalde voorwaarden;5° bepaalde opdrachten van bewaking, toezicht of bijzondere bescherming van personen en van roerende of onroerende goederen;6° het inwinnen van informatie noodzakelijk voor de federale overheden;7° de operaties van bovenlokale politie ten opzichte van op te sporen personen, voertuigen of andere voorwerpen;8° uitzonderlijk en tijdelijk, versterking verlenen bij omvangrijke gerechtelijke onderzoeken, op verzoek van de gerechtelijke overheden;9° uitzonderlijk en tijdelijk, bepaalde specifieke bewakings- en toezichtopdrachten bij ernstige of nakende bedreiging van de openbare orde, met risico's van zware aantastingen van personen en goederen. Art. 63.Wanneer aan zijn richtlijn geen gevolg wordt gegeven en na overleg met de betrokken burgemeester of het betrokken politiecollege, kan de minister van Binnenlandse Zaken of de minister van Justitie de uitvoering van deze richtlijn door de lokale politie bevelen. Art. 64.In geval van ramp, onheil, schadegeval, oproer, kwaadwillige samenscholingen of ernstige en nakende bedreigingen van de openbare orde, kan de minister van Binnenlandse Zaken, wanneer de middelen van de lokale politie van een politiezone ontoereikend zijn, de lokale politie van een andere politiezone opvorderen teneinde de openbare orde te handhaven of te herstellen.
Onverminderd de bevoegdheden van de minister van Binnenlandse Zaken en van de gouverneur, wordt de opgevorderde lokale politie onder het gezag geplaatst van de burgemeester van de gemeente waarin ze optreedt.
De opgevorderde lokale politie treedt op onder leiding van de bestuurlijke directeur-coördinator van de federale politie of van de korpschef van de lokale politie overeenkomstig de artikelen 7/1 en 7/2 van de wet op het politieambt.
De gevorderde lokale politie moet alle vorderingen uitvoeren tot beloop van een gedeelte van haar jaarcapaciteit dat niet lager mag zijn dan tien procent en niet hoger dan twintig procent van de capaciteit van het in artikel 38 bedoelde minimale effectief van het personeel van het operationeel kader. Het gedeelte wordt jaarlijks vastgesteld in het zonale veiligheidsplan. Bij dringende noodzaak of wanneer de nationale veiligheid het vereist, mag de in het vorige lid bedoelde capaciteit wel worden overschreden. De bedoelde capaciteit mag meer dan twintig procent bedragen in de door de Koning bepaalde gevallen. HOOFDSTUK V. - Het specifiek toezicht Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 65.De toezichthoudende overheid kan zowel per briefwisseling als ter plaatse, alle inlichtingen en gegevens inwinnen die nodig zijn voor het onderzoek van de dossiers die aan haar toezicht zijn onderworpen. Afdeling 2. - Personeel van de lokale politie
Art. 66.De goedkeuring van de beslissingen betreffende de personeelsformatie, betreffende de begroting en de erin aangebrachte wijzigingen, betreffende de bijdrage van een gemeente aan de politieraad en de erin aangebrachte wijzigingen en betreffende de rekeningen kan slechts worden geweigerd omwille van de schending van de bepalingen vervat in deze wet of genomen krachtens deze wet. Art. 67.De besluiten van de gemeenteraad of van de politieraad betreffende de formatie van het operationeel personeel en de formatie van het administratief en logistiek personeel van de lokale politie worden ter goedkeuring naar de gouverneur verstuurd.
Onder personeelsformatie wordt verstaan de opsomming van de graden en de vaststelling van het aantal vol- en deeltijdse statutaire betrekkingen per graad. Art. 68.De gouverneur spreekt zich uit over de goedkeuring van de beslissing bedoeld in artikel 67 binnen 25 dagen te rekenen vanaf de dag volgend op de dag dat hij ze heeft ontvangen. Deze beslissing wordt uiterlijk de laatste dag van deze termijn naar de gemeenteoverheid dan wel de overheid van de meergemeentezone verstuurd.
Wanneer deze termijn verstreken is, wordt de gouverneur geacht de goedkeuring te hebben verleend. Art. 69.Tegen het besluit van de gouverneur houdende niet-goedkeuring van de besluiten van de gemeenteraad, respectievelijk politieraad, betreffende de personeelsformatie, kan de gemeenteraad of politieraad, bij de minister van Binnenlandse Zaken, hoger beroep instellen binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na het versturen van het besluit naar de gemeenteoverheid of de overheid van de lokale politie. Art. 70.De minister van Binnenlandse Zaken spreekt zich uit over het ingesteld beroep binnen een termijn van vijfentwintig dagen die ingaat op de dag na het inkomen van het beroep. Hij verstuurt zijn besluit uiterlijk de laatste dag van deze termijn naar de gouverneur en naar de gemeenteraad of de politieraad. Wanneer die termen verstreken is, is het beroep ingewilligd. Afdeling 3. - Financiën
Onderafdeling 1. - Begroting en begrotingswijzigingen Art. 71.De besluiten van de gemeenteraad en van de politieraad betreffende de begroting van de lokale politie en de erin aangebrachte wijzigingen, alsook de besluiten betreffende de bijdrage van de gemeente die deel uitmaakt van een meergemeentezone, aan de politieraad en de erin aangebrachte wijzigingen worden voor goedkeuring naar de gouverneur verstuurd.
Bij de begroting worden alle belagen gevoegd die vereist zijn voor de definitieve vaststelling van de begroting.
De Koning bepaalt de gegevens die door de voor de vaststelling van de politiebegroting bevoegde overheden, aan de toezichthoudende overheid moeten worden toegestuurd, de aard van de informatiedrager en de vorm waarin die gegevens worden vastgelegd. Art. 72.§ 1. De gouverneur spreekt zich uit over de goedkeuring binnen een termijn die wordt berekend door de termijn die vastgesteld is voor het toezicht op de begroting van de gemeenten van de zone te verminderen met vijf dagen.
Indien de gemeenteraad of de politieraad, ontvangsten of verplichte uitgaven die krachtens de wet gedurende het jaar waarop de politiebegroting of de bijdrage aan de politieraad betrekking heeft, ten laste van de gemeente of de meergemeentezone komen, geheel of gedeeltelijk weigert op de begroting te brengen, schrijft de gouverneur de vereiste bedragen ambtshalve in. In het geval van een meergemeentezone wijzigt de gouverneur gelijktijdig met de ambtshalve inschrijving, het bedrag van de bijdrage aan de politieraad van elk van de gemeenten die deel uitmaken van de betrokken meergemeentezone.
Indien de gemeenteraad of de politieraad, ontvangsten op de politiebegroting of op de bijdrage aan de politieraad brengt die krachtens de wet gedurende het jaar waarop de begroting betrekking heeft geheel of gedeeltelijk niet aan de gemeente of de meergemeentezone toekomen, gaat de gouverneur naargelang het geval over tot de schrapping van het bedrag of tot de ambtshalve inschrijving van het juiste bedrag.
In het geval van een meergemeentezone, wijzigt de gouverneur gelijktijdig met de ambtshalve inschrijving of schrapping, het bedrag van de bijdrage aan de politieraad van elk van de gemeenten die deel uitmaken van de betrokken meergemeentezone. § 2. De gouverneur brengt zijn besluit ter kennis van de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone, uiterlijk de laatste dag van de in § 1, eerste lid, bedoelde termijn.
Wanneer die termijn is verstreken, wordt de gouverneur geacht zijn goedkeuring aan de politiebegroting te hebben verleend.
Het besluit van de gouverneur wordt aan de gemeenteraad of de politieraad, meegedeeld tijdens zijn eerstvolgende vergadering. Art. 73.Tegen het besluit van de gouverneur tot aanpassing van de politiebegroting of de bijdrage aan de politieraad of tegen zijn besluit houdende niet-goedkeuring, kan de gemeenteraad of de politieraad bij de minister van Binnenlandse Zaken, hoger beroep instellen binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na het versturen van het besluit naar de gemeenteoverheid of de overheid van de lokale politie. Art. 74.De minister van Binnenlandse Zaken spreekt zich uit over het ingesteld beroep binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na het inkomen ervan. Hij verstuurt zijn besluit uiterlijk de laatste dag van deze termijn naar de gouverneur en naar de gemeenteraad of de politieraad. Wanneer die termijn is verstreken, is het beroep ingewilligd.
Het besluit van de minister wordt aan de gemeenteraad of de politieraad, meegedeeld tijdens zijn eerstvolgende vergadering. Art. 75.De artikelen 72 tot 74 zijn eveneens van toepassing op de door de gemeenteraad of de politieraad in de politiebegroting aangebrachte wijzigingen, alsook op de door de gemeenteraad van de gemeenten van een meergemeentezone in de bijdrage aan de politieraad aangebrachte wijzigingen.
De termijn wordt evenwel berekend door de termijn die vastgesteld is voor het toezicht op de begrotingswijzigingen van de gemeenten van de zone, te verminderen met vijf dagen.
Onderafdeling 2. - De financiële bijdrage van de gemeenten tot de meergemeentezone Art. 76.In afwijking van artikel 72, § 1, eerste lid, spreekt de gouverneur zich uit over de beslissingen met betrekking tot de bedrage verschuldigd aan de politieraad door een gemeente die deel uitmaakt van een meergemeentezone binnen een termijn van vijfentwintig dagen, die ingaat op de dag na het inkomen van deze beslissing bij de gouverneur.
Wanneer die termijn is verstreken, wordt de gouverneur geacht zijn goedkeuring aan die beslissing te hebben verleend.
Onderafdeling 3. - De rekeningen Art. 77.De besluiten van de gemeenteraad of van de politieraad betreffende de rekeningen die betrekking hebben op de lokale politie worden verstuurd naar de minister van Binnenlandse Zaken en naar de gouverneur.
De Koning bepaalt de gegevens die door de voor de vaststelling van die rekeningen bevoegde overheden, aan de toezichthoudende overheid moeten worden opgestuurd, de aard van de informatiedrager en de vorm waarin die gegevens worden vastgelegd. Art. 78.De in artikel 77 bepaalde besluiten zijn onderworpen aan de goedkeuring van de gouverneur, die zich over de goedkeuring ervan uitspreekt en de bedragen ervan vaststelt binnen een termijn van tweehonderd dagen die ingaat op de dag na het inkomen van de rekening bij de gouverneur. De gouverneur verstuurt zijn besluit uiterlijk de laatste dag van deze termijn naar de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone, naar de bevoegde ontvanger en naar de minister van Binnenlandse Zaken.
Wanneer die termijn is verstreken, wordt de gouverneur geacht aan de rekeningen zon goedkeuring te hebben verleend.
Het besluit van de gouverneur wordt aan de gemeenteraad of de politieraad medegedeeld tijdens zijn eerstvolgende vergadering. Art. 79.Tegen het besluit van de gouverneur betreffende de rekening die betrekking heeft op de lokale politie kunnen de gemeenteraad of de politieraad en de bevoegde ontvanger hoger beroep instellen bij de minister van Binnenlandse Zaken, binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na het versturen van het besluit naar de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone.
Een afschrift van het hoger beroep wordt dezelfde dag verstuurd naar de gouverneur, de bevoegde ontvanger en naar de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone. Art. 80.Ingeval van hoger beroep wordt de rekening door de minister van Binnenlandse Zaken vastgesteld binnen een termijn van honderd dagen die ingaat op de dag na het inkomen ervan. Bij hoger beroep overeenkomstig artikel 79 van zowel de gemeenteraad of de politieraad, als van de bevoegde ontvanger worden de beide beroepen samengevoegd.
De minister van Binnenlandse Zaken stelt dan de rekening vast binnen een termijn van honderd dagen, die ingaat op de dag na het inkomen van het hoger beroep van de gemeenteraad of de politieraad.
De minister van Binnenlandse Zaken verstuurt zijn besluit inzake een ingesteld beroep uiterlijk de laatste dag van de in het vorige lid bedoelde termijn naar de gouverneur, de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone en naar de bevoegde ontvanger.
Indien binnen de voormelde termijn geen besluit van de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone is verstuurd, is het beroep ingewilligd; in geval van hoger beroep van de bevoegde ontvanger alleen, is het hoger beroep verworpen. Art. 81.De artikelen 78 tot 80 zijn eveneens van toepassing op de eindrekening van de bevoegde ontvanger.
Onderafdeling 4. - Toezicht inzake de boekhouding en kas Art. 82.§ 1. Bij weigering of vertraging in de betaalbaarstelling van de uitgaven inzake de politie die de wet aan de gemeenten of de meergemeentezones oplegt, hoort de gouverneur, het college van burgemeester en schepenen of het politiecollege en beveelt indien nodig, de onmiddellijke betaling van bedoelde uitgaven.
Tegen het besluit waarbij de gouverneur krachtens het vorige lid ambtshalve een bevelschrift uitvaardigt, kan het college van burgemeester en schepenen of het politiecollege hoger beroep instellen bij de minister van Binnenlandse Zaken, binnen een termijn van veertig dagen die ingaat na het versturen van het besluit.
De minister van Binnenlandse Zaken spreekt zich uit over het hoger beroep binnen een termijn van veertig dagen, die ingaat op de dag na het inkomen ervan, en verstuurt zijn besluit uiterlijk de laatste dag van die termijn naar de gouverneur en naar de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone. Indien binnen de voormelde termijn geen besluit is verstuurd, is het hoger beroep van het college van burgemeester en schepenen of het politiecollege, ingewilligd. § 2. Tegen het besluit waarbij de gouverneur, bij weigering tot betaling door de bevoegde ontvanger, een regelmatig bevelschrift uitvoerbaar verklaart, kan de bevoegde ontvanger bij de minister van Binnenlandse Zaken hoger beroep instellen binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na ontvangst van dit besluit.
De minister van Binnenlandse Zaken spreekt zich over het hoger beroep uit binnen een termijn van veertig dagen, die ingaat op de dag na het inkomen ervan en geeft kennis van zijn besluit uiterlijk de laatste dag van die termijn naar de gouverneur, naar de ontvanger en naar de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone. Indien binnen de voormelde termijn geen besluit is verstuurd, is het besluit van de gouverneur uitvoerbaar.
De definitieve beslissing tot betaling geldt als een regelmatig en door de ontvanger ambtshalve uit te voeren bevelschrift. Art. 83.De minister van Binnenlandse Zaken en de gouverneur onderzoeken de boekhouding en de kas van de gemeente of de meergemeentezone, telkens zij dit nodig achten. Van elk onderzoek wordt een procesverbaal opgemaakt dat aan de gemeenteraad of de politieraad, wordt voorgelegd.
Onderafdeling 5. - Schuldherschikking Art. 84.De besluiten van de gemeenteraad of de politieraad, waardoor de financiële lasten van de leningen opgenomen voor het financieren van de lokale politie worden herschikt, worden ter goedkeuring naar de gouverneur verstuurd.
De gouverneur spreekt zich uit over de goedkeuring van het besluit van de gemeenteraad of de politieraad, binnen een termijn van veertig dagen die ingaat op de dag na het inkomen ervan en verstuurt zijn besluit uiterlijk de laatste dag van deze termijn naar de gemeenteoverheid of de overheid van de meergemeentezone. Wanneer de voormelde termen is verstreken, wordt de gouverneur geacht zijn goedkeuring aan de schuldherschikking te hebben verleend. Afdeling 4. - Algemeen administratief toezicht
op overige handelingen van de gemeentelijke instellingen Art. 85.Van de besluiten van de gemeenteraad over aangelegenheden die de lokale politie betreffen en van de besluiten van de politieraad wordt een lijst met een beknopte omschrijving van de daarin geregelde aangelegenheden aan de gouverneur verstuurd. Het college van burgemeester en schepenen of het politiecollege bevestigt bij die zending dat de bepalingen inzake de openbaarheid, bedoeld in het tweede lid, worden nageleefd.
Op dezelfde dag van de verzending aan de gouverneur wordt de in het eerste lid bedoelde lijst door middel van een aanplakbrief bekendgemaakt. De brief blijft minstens tien dagen aangeplakt. De aanplakbrief vermeldt tevens de agenda van de raadszitting, de duur en de plaats waar de lijst minstens tien dagen ter inzage ligt van het publiek. Art. 86.Onverminderd de bepalingen van artikel 85 moet een voor eensluidend verklaard afschrift naar de gouverneur worden gestuurd van de hierna vernoemde besluiten : 1° de besluiten van de gemeenteraad of de politieraad, alsook die van het college van burgemeester en schepenen of het politiecollege, genomen ingevolge bevoegdheidsdelegatie door de gemeenteraad of de politieraad, waarbij de gunningswijze en de voorwaarde …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.