Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus

In het kort

Deze wet organiseert de politiediensten in België op twee niveaus: federaal en lokaal, om een geïntegreerde politiezorg te waarborgen. Ze regelt de functionele banden tussen deze autonome niveaus en de coördinatie van het algemeen politiebeleid.

Wat het regelt

  • De organisatie en structuur van de federale en lokale politiediensten.
  • De functionele relaties tussen de federale en lokale politieniveaus.
  • De coördinatie van het algemeen politiebeleid en het beheer van de politiediensten door de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie.
  • De oprichting en samenstelling van de Federale Politieraad en de Adviesraad van Burgemeesters.

Wie het aangaat

  • De federale politie en de korpsen van de lokale politie.
  • De ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie, provinciegouverneurs, burgemeesters en andere betrokken overheden.

Kernpunten

  • De politiediensten zijn gestructureerd op twee autonome niveaus: federaal en lokaal, die samen de geïntegreerde politiezorg verzekeren.
  • De lokale politie verzekert de basispolitiezorg en sommige federale politieopdrachten op lokaal niveau.
  • De federale politie verzekert gespecialiseerde en supralokale opdrachten, en ondersteunt de lokale politiediensten over het gehele grondgebied.
  • De Federale Politieraad, bestaande uit 10 verschillende functies en een voorzitter, adviseert de ministers en evalueert de werking van de politiediensten, onder meer op basis van een jaarlijks rapport.
Wettekst
Wettekst

Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aan

Art. 90

.De gemeenteraad of de politieraad kan een reglement vaststellen betreffende de inning van een vergoeding voor opdrachten van bestuurlijke politie van de lokale politie. De Koning regelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en de nadere regels van deze inning. Art. 91.De Koning richt een Vaste Commissie van de lokale politie op. Op verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken of andere betrokken ministers, van het college van de procureurs-generaal, van een gouverneur of een burgemeester of op eigen initiatief onderzoekt deze commissie en geeft advies omtrent alle problemen betreffende de lokale politie. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de samenstelling, de verkiezings- en werkwijze van deze commissie. TITEL III. - De federale politie HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling Art. 92.De federale politie bereidt het nationaal veiligheidsplan voor en draagt, met al haar algemene directies en diensten, bij tot de uitvoering ervan. Onverminderd artikel 4, omvat het nationaal veiligheidsplan, wat de federale politie betreft : 1° de opdrachten en de prioritaire doelstellingen van de federale politie, bepaald door de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, en de wijze waarop zij moeten worden verwezenlijkt;2° de verdeling van de personele en materiële middelen over de algemene directies en diensten. HOOFDSTUK II. - Algemene organisatie Art. 93.De federale politie bestaat uit : 1° de commissaris-generaal, onder wie alle algemene directies en diensten van de federale politie ressorteren;2° de algemene directies bepaald door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, elk geleid door een directeur-generaal, waaronder minstens een algemene directie gerechtelijke politie, een algemene directie bestuurlijke politie en algemene directies belast met de ondersteuning en het beheer. De algemene directies bestaan uit centrale of gedeconcentreerde diensten; 3° gedeconcentreerde coördinatie- en steundiensten;4° gedeconcentreerde gerechtelijke diensten. Art. 94.Het ambtsgebied en de zetel van de gedeconcentreerde diensten van de federale politie zijn die van de gerechtelijke arrondissementen, behoudens uitzonderingen wegens bijzondere omstandigheden. In dat geval, bepaalt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het ambtsgebied en de zetel van de gedeconcentreerde diensten om rekening te houden met die bijzondere omstandigheden. Art. 95.Programma's die in het raam van de bestrijding of de opvolging van specifieke fenomenen een geïntegreerde gerechtelijke en bestuurlijke aanpak vereisen, worden uitgewerkt door de algemene directie gerechtelijke politie, onder het gezag van de twee ministers, zonder afbreuk te doen aan hun respectieve bevoegdheden. Art. 96.Leden van de lokale politie worden, voor een éénmaal hernieuwbaar mandaat, gedetacheerd in de algemene directies en in de diensten van de federale politie belast met de steun aan de lokale politie, alsook in de andere diensten van de federale politie van wie de bevoegdheden een weerslag hebben op de werking van de lokale politie. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de in het eerste lid bedoelde functies waarin leden van de lokale politie voor leidinggevende functies worden aangewezen, evenals de duur van het mandaat en de nadere regels betreffende de detacheringen bedoeld in dit artikel. De leden van de lokale politie bedoeld in het eerste lid worden door de Koning aangewezen na advies van de Vaste Commissie van de lokale politie en van de adviesraad van de burgemeesters. De leden van de lokale politie bedoeld in het eerste lid onderhouden met de Vaste Commissie van de lokale politie en met de adviesraad van de burgemeesters geregelde dienstbetrekkingen aangaande hun aanwending binnen de federale politie. HOOFDSTUK III. - Gezag, leiding en bevoegdheden Art. 97.Voor het vervullen van haar opdrachten van bestuurlijke politie staat de federale politie onder het gezag van de minister van Binnenlandse Zaken die haar hiertoe de nodige bevelen, onderrichtingen en richtlijnen kan geven. Onverminderd de eigen bevoegdheden die de gerechtelijke overheden rechtstreeks ten overstaan van de federale politie uitoefenen, staat zij voor het vervullen van haar opdrachten van gerechtelijke politie onder het gezag van de minister van Justitie, die haar hiertoe de nodige bevelen, onderrichtingen en richtlijnen kan geven. De bevelen en onderrichtingen met betrekking tot een bepaald strafrechtelijk onderzoek kunnen slechts worden gegeven op verzoek van de bevoegde gerechtelijke overheid. Voor de uitvoering van de opdrachten die betrekking hebben op de politie van de hoven en rechtbanken, onverminderd de bepalingen van de artikelen 759 tot 763 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 31 en 32 van het Wetboek van Strafrechtspleging voor het leger en de artikelen 181, 267, tweede lid, 506 en 507 van het Wetboek van Strafvordering, op de politie van de gevangenissen en op de bescherming van de overbrenging van gevangenen, staat de federale politie onder het gezag van de minister van Justitie die haar hiertoe de nodige bevelen, onderrichtingen en richtlijnen kan geven. Art. 98.Overeenkomstig de wettelijke bepalingen leggen de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie gezamenlijk de algemene principes vast inzake de organisatie, de werking en het algemeen beheer van de federale politie die onder hun gezag staat om inzonderheid een gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking te verzekeren. Zij bepalen gezamenlijk de bevoegdheden van de commissaris-generaal, de bestuurlijke directeurs-coördinatoren en de directeurs van de gerechtelijke diensten, alsook de bevoegdheden van de directeurs-generaal die over bevoegdheden zullen beschikken inzake de interne organisatie van hun algemene directie en het beheer ervan inzake personeel, werking en investeringen. De handtekening van de minister van Binnenlandse Zaken en die van de minister van Justitie zijn inzonderheid vereist voor de organieke koninklijke besluiten betreffende de federale politie en voor de beleidsnota met betrekking tot de federale politie in het raam van het ontwerp van algemene uitgavenbegroting. Behoudens andere wettelijke en reglementaire bepalingen, wordt het dagelijks beheer van de federale politie toegewezen aan de minister van Binnenlandse Zaken. Wanneer de afhandeling van die dossiers de algemene directie van de gerechtelijke politie, de gerechtelijke diensten of het informatiebeheer rechtstreeks beïnvloedt, betrekt hij daar de minister van Justitie bij. volgens de regels die zij daartoe samen bepalen. Art. 99.De federale politie staat onder leiding van de commissaris-generaal. Hij is verantwoordelijk voor de uitvoering, door de federale politie, van het politiebeleid dat is bepaald door de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, en, meer in het bijzonder, voor de uitvoering van het nationaal veiligheidsplan wat de federale politie betreft. Hij verzekert de coördinatie tussen de algemene directies, ziet er op toe dat de nodige steun aan de operaties wordt verleend en is verantwoordelijk voor de dagelijkse werking van de federale politie. Hij staat borg voor de geïntegreerde uitvoering van de opdrachten van de federale politie en ziet er in het bijzonder op toe dat de bestuurlijke directeur-coördinator en de directeur van de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst hun activiteiten coördineren. Wanneer hun bevelen, onderrichtingen en richtlijnen specifiek betrekking hebben op de bevoegdheden van de algemene directie van de bestuurlijke politie of van de algemene directie van de gerechtelijke politie, kunnen respectievelijk de minister van Binnenlandse Zaken of de minister van Justitie die rechtstreeks geven aan de directeur-generaal van één van die algemene directies. Deze laatste licht de commissaris-generaal hiervan onverwijld in. Binnen het raam vastgelegd overeenkomstig artikel 98, eerste lid, bepaalt de commissaris-generaal de organisatie van de diensten. Art. 100.De algemene directies staan onder leiding van de directeurs-generaal. Zonder zich te kunnen inmengen in de uitvoering van opsporings- of gerechtelijke onderzoeken, herroept de commissaris-generaal de beslissingen van een directeur-generaal die het nationaal veiligheidsplan schenden of die afbreuk doen aan de werking van andere algemene directies of aan de coherente werking van de federale politie. De beslissing van de commissaris-generaal wordt in dit geval genomen onder het gezag van, en kan op haar beurt worden herroepen door, de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken die gezamenlijk optreden, hetzij op initiatief van een van hen, hetzij op verzoek van een van de federale magistraten die aangesteld zijn bij de federale politie ieder in het raam van zijn bevoegdheden, of van de betrokken directeur-generaal. Indien de beslissing van de commissaris-generaal een weerslag heeft op een opsporings- of gerechtelijk onderzoek, wordt het voorafgaand advies van de federaal procureur ingewonnen. Art. 101.De algemene directie van de bestuurlijke politie is onder andere belast met volgende opdrachten : 1° de leiding en de operationele coördinatie van de opdrachten van bestuurlijke politie van de centrale diensten van de federale politie 2° de gespecialiseerde opdrachten van bestuurlijke politie, en de ondersteuning van deze opdrachten, inzonderheid inzake grenscontrole, verkeers-, spoorweg-, zeevaart- en luchtvaartpolitie, alsook betreffende ernstige of georganiseerde bedreigingen van de openbare orde;3° het in reserve houden van de effectieven nodig voor de uitvoering van opdrachten van bestuurlijke politie, waarvoor de medewerking van de federale politie is gevraagd, gevorderd of bevolen;4° de coördinatie, de controle en de ondersteuning van de gedeconcentreerde opdrachten van bestuurlijke politie van de bestuurlijke directeurs-coördinatoren. Art. 102.De algemene directie van de gerechtelijke politie is onder andere belast met volgende opdrachten : 1° de leiding en de operationele coördinatie van de opdrachten van gerechtelijke politie van de centrale diensten van de federale politie;2° de operationele coördinatie, de controle en de ondersteuning van de in artikel 105 bedoelde gedeconcentreerde gerechtelijke diensten;3° de gespecialiseerde opdrachten van gerechtelijke politie en de ondersteuning van deze opdrachten, onder andere inzake de strijd tegen de zware criminaliteit, de georganiseerde criminaliteit, de corruptie, de georganiseerde economische en financiële delinkwentie en de computercriminaliteit;4° de technische en wetenschappelijke politie, onverminderd de bevoegdheden van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie;5° de bijzondere opsporingstechnieken en het informantenbeheer;6° de programma's bedoeld in artikel 95, met inbegrip van de operationele misdrijfanalyse. Art. 103.De bestuurlijke directeur-coördinator leidt en organiseert de gedeconcentreerde coördinatie- en steundienst en waakt er met name over alle maatregelen te nemen ter voorbereiding van het beheren, op bovenlokaal niveau van crisisgebeurtenissen, crisissituaties, van ramp, onheil of schadegeval. De bestuurlijke directeur-coördinator onderhoudt geregelde dienstbetrekkingen met de arrondissementscommissaris en de gouverneur. Voor de uitvoering van zijn opdrachten handelt de bestuurlijke directeur-coördinator conform de bevelen, onderrichtingen en richtlijnen van de commissaris-generaal en van de directeurs-generaal. Hij stemt zijn activiteiten af op die van de directeur van de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst. Art. 104.De bestuurlijke directeur-coördinator wordt belast met : 1° het beantwoorden van de aanvragen tot technische, administratieve en operationele ondersteuning van de lokale politie, met uitzondering van de ondersteuning inzake gespecialiseerde opdrachten van gerechtelijke politie bedoeld bij artikel 102;2° de coördinatie, op vraag van de bevoegde overheden van bestuurlijke politie, van de ondersteuning door het federaal niveau voor de bovenlokale opdrachten van bestuurlijke politie;3° de coördinatie, op vraag van de bevoegde overheden, van de ondersteuning door het federaal niveau voor de bovenlokale opdrachten die zowel een component van bestuurlijke politie als van gerechtelijke politie bevatten;4° de leiding van de gedeconcentreerde federale diensten van bestuurlijke politie;5° het deelnemen aan de zonale veiligheidsraad en het verlenen van bijstand aan de lokale bestuurlijke of gerechtelijke overheden die daarom verzoeken;6° verslag uitbrengen bij de commissaris-generaal over de uitvoering van de federale opdrachten door de lokale polities 7° de coördinatie en de leiding van de politieoperaties overeenkomstig de artikelen 7/1 tot 7/3 van de wet op het politieambt met uitzondering van de gespecialiseerde opdrachten van gerechtelijke politie, bedoeld bij artikel 102. Art. 105.De gedeconcentreerde gerechtelijke dienst voert de gespecialiseerde opdrachten van gerechtelijke politie uit die hem overeenkomstig artikel 5, tweede en derde lid, van de wet op het politieambt zijn toevertrouwd. Hij staat onder leiding van de directeur van de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst, gerechtelijke directeur genoemd. Daartoe leidt en organiseert de gerechtelijke directeur zijn dienst en coördineert hij de uitvoering van die opdrachten door de leden van zijn dienst. Hij handelt conform de bevelen, onderrichtingen en richtlijnen vanwege de directeur-generaal van de algemene directie gerechtelijke politie, onverminderd artikel 99, tweede lid, en het zesde lid van dit artikel. Hij stemt zijn activiteiten af op die van de bestuurlijke directeur-coördinator. Om de coördinatie van de opdrachten van gerechtelijke politie te verzekeren tussen de lokale politie en de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst, detacheert de directeur van deze dienst één of meer verbindingsambtenaren bij één of meer lokale polities. Het aantal verbindingsambtenaren is afhankelijk van de belangrijkheid van de gerechtelijke opdrachten van die lokale polities. Tijdens de duur van hun detachering blijven de verbindingsambtenaren ressorteren onder de directeur van de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst en beschikken zij over geen enkel hiërarchisch gezag over de lokale politie. De gerechtelijke directeur en de verbindingsambtenaren verzekeren de ondersteuning van de opsporingsdiensten van de lokale polities. In bijkomende orde oefenen de gedeconcentreerde gerechtelijke diensten ook gespecialiseerde opdrachten van bestuurlijke politie uit. HOOFDSTUK IV. - Personeel Art. 106.De wet bepaalt elk jaar het effectief van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de federale politie. Diezelfde wet legt het minimale deel van elk kader vast dat zal worden toegewezen aan de algemene directie van de gerechtelijke politie en aan de gerechtelijke gedeconcentreerde diensten De Koning legt de gedetailleerde regels vast volgens dewelke de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de lokale politie zich kandidaat kunnen stellen voor een ambt bij de federale politie. Art. 107.De commissaris-generaal en de directeurs-generaal worden door de Koning aangewezen voor hun ambt voor een termijn van vijf jaar, die eenmaal kan worden hernieuwd, op voordracht van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en na gemotiveerd advies van de federale politieraad. De aanwijzing van de directeur-generaal van de algemene directie van de gerechtelijke politie gebeurt bovendien na gemotiveerd advies van het college van procureurs-generaal. De bestuurlijke directeur-coördinator wordt door de Koning aangewezen voor zijn ambt voor een termijn van vijf jaar, die eenmaal kan worden hernieuwd, op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken en na gemotiveerd advies van de minister van Justitie en van de gouverneur. De gerechtelijke directeur wordt door de Koning voor zijn ambt aangewezen voor een termijn van vijf jaar, die eenmaal kan worden hernieuwd, op voordracht van de minister van Justitie en na gemotiveerd advies van de minister van Binnenlandse Zaken en van de territoriaal bevoegde procureur generaal bij het hof van beroep. Aan de in het eerste, tweede en derde lid bepaalde termijnen kan volgens dezelfde modaliteiten voortijdig een einde worden gesteld wanneer op grond van een evaluatie door de evaluatiecommissie blijkt dat betrokkene in zijn ambt geen voldoening schenkt. Niemand kan worden aangewezen voor de betrekkingen bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, tenzij hij geschikt werd verklaard door een selectiecommissie. Die aanwijzingen worden hernieuwd op basis van een advies van een evaluatiecommissie. Voor het overige bepaalt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en procedure om voor deze ambten te worden aangewezen, evenals de evaluatieprocedure. Hij bepaalt eveneens de nadere regels voor de oprichting en de werking van de selectiecommissie en van de evaluatiecommissie. De hiërarchische oversten van de federale politie brengen een advies uit voorafgaandelijk aan elke benoeming tot de betrekkingen bedoeld in het eerste, tweede en derde lid en behalve wat de commissaris-generaal betreft, aan elke Vernieuwing van het mandaat van betrokkenen. Het personeelslid dat een mandaat bekleedt, kan tijdens dat mandaat, door een gezamenlijke beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken en van de minister van Justitie, worden aangewezen voor een andere betrekking van een op zijn minst gelijkwaardig niveau in een andere algemene directie of dienst van de federale politie wanneer deze maatregel noodzakelijk is voor de optimale werking van deze algemene directie of deze dienst. De Koning bepaalt de termijn binnen dewelke het advies van de ministers, de gouverneur en de procureur-generaal bij het hof van beroep in het raam van een aanwijzingsprocedure moet worden verstrekt. Eenmaal die termijn verstreken, wordt het advies geacht gunstig te zijn. Hij bepaalt eveneens de voorwaarden tot aanwending van de officieren waarvan het mandaat niet werd hernieuwd of werd beëindigd. Art. 108.De Koning bepaalt de regeling van de aanwijzingen die noodzakelijk zijn binnen de federale politie om haar opdrachten uit te voeren. HOOFDSTUK V. - De vorderingen Art. 109.De vorderingen van de burgemeester tot het bekomen van de medewerking van de federale politie voor de uitvoering van haar opdrachten van bestuurlijke politie, worden gericht aan de territoriaal bevoegde bestuurlijke directeur-coördinator. Art. 110.De vorderingen van gerechtelijke politie tot het bekomen van de medewerking van de federale politie worden door de bevoegde gerechtelijke overheden gericht aan de directeur van de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst, aan de bestuurlijke directeur-coördinator of aan de directeur-generaal van de algemene directie van de gerechtelijke politie voor de diensten die onder hun bevoegdheden ressorteren. HOOFDSTUK VI. - Samenwerking met de krijgsmacht Art. 111.De commissaris-generaal en de officieren die worden aangewezen door de Koning, op gezamenlijke voordracht van de ministers van Binnenlandse Zaken, van Justitie en van Landsverdediging, kunnen voor de handhaving van de openbare orde en de uitvoering van de opdrachten van gerechtelijke politie, wanneer de middelen van de federale politie ontoereikend blijken, de bijstand vorderen van de krijgsmacht, wanneer deze de enige is die de noodzakelijke technische en menselijke middelen kan leveren. Art. 112.Op verzoek van de minister van Landsverdediging, leveren de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie de nodige detachementen van de federale politie om op bepaalde plaatsen, buiten het grondgebied van het Rijk, de politie van de militairen te verzekeren. Deze detachementen staan onder het bevel van de door de ministers aangewezen overheid. De federale politie mag in vredestijd door de bevoegde gerechtelijke overheden niet worden gelast dagvaardingen aan partijen en getuigen te bezorgen, behalve in de omstandigheden bedoeld in het eerste lid. Art. 113.Bij gebeurtenissen die de openbare orde ernstig in gevaar kunnen brengen of bij ernstige of algemene onlusten, die aanleiding zouden kunnen geven tot het vorderen of het inzetten van de krijgsmacht, geeft de federale politie aan de territoriale militaire overheden daarvan kennis, houdt hen op de hoogte van het verloop der gebeurtenissen en verstrekt hen de nodige gegevens om te zijner tijd de voorbereidende maatregelen te treffen voor enige vordering of voor het ingrepen van de krijgsmacht. HOOFDSTUK VII. -

Art. 114

.De uitgaven voor de federale politie maken het voorwerp uit van een sectie van de algemene uitgavenbegroting. De basisallocaties met betrekking tot de algemene directie van de gerechtelijke politie worden samengebracht in een afzonderlijke organisatieafdeling. Art. 115.§

  1. In de gevallen waarin het beroep op de federale politie niet krachtens de wet is geregeld, mogen personeelsleden en goederen van de federale politie worden ingezet in het raam van tegen betaling uitgevoerde prestaties van openbaar nut, voor zover : 1° de wettelijke opdrachten niet in het gedrang worden gebracht;2° de prestaties een humanitair of cultureel oogmerk hebben of strekken tot hulp aan de natie;3° de prestaties bestaan in de terbeschikkingstelling van personeel of onroerende goederen, de lening van goederen, de levering van verbruiksgoederen of de levering van diensten. De nadere regels betreffende de betaling van de prestaties worden bepaald door de Koning. §
  2. Op vraag van een rechtspersoon en tegen volledige terugbetaling van de kosten en met akkoord van de minister van Begroting, kan de minister van Binnenlandse Zaken de federale politie uitzonderlijke taken van bestuurlijke politie laten uitvoeren die een bijzondere aanwending van personeel of materiaal vereisen. De Koning bepaalt de nadere regelen van de aanvraag en de kostenberekening. De ten gunste van een federale publiekrechtelijke rechtspersoon zonder financiële- of handelsactiviteiten uitgevoerde taken van bestuurlijke politie geven nochtans geen aanleiding tot terugbetaling. §
  3. In het raam van de uitoefening van de opdrachten die haar wettelijk zijn toevertrouwd, kan de federale politie vrijwillige financiële bijdragen of materieel ontvangen vanwege de Europese Unie, supranationale publiekrechtelijke organen, de federale overheden en, binnen het raam van hun bevoegdheden, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies of de gemeenten. De financiële bedragen zijn in het bijzonder bestemd voor de verwerving van uitrusting, voor de werkingskosten van de uitrusting en voor de terugbetalingen van de kosten voor de inwerkingstelling van die uitrusting of voor de uitvoering van studies, onderzoeken of seminaries door of voor de federale politie. De inningsvoorwaarden worden bepaald door de Koning. §
  4. Er wordt een organiek fonds van de federale politie opgericht. Dit fonds wordt gestijfd door de ontvangsten bepaald in de §§1 tot 3 van dit artikel. Het gedeelte van die ontvangsten dat toegevoegd kan worden aan de werkingsmiddelen van de federale politie, wordt jaarlijks bepaald in de begroting. TITEL IV. - Gemeenschappelijke bepalingen HOOFDSTUK I. - Het personeel Afdeling
  5. - Algemene bepalingen Art. 116.De politiediensten bestaan uit twee kaders : een operationeel kader en een administratief en logistiek kader. Art. 117.Het operationeel kader bestaat uit politieambtenaren die in drie kaders zijn verdeeld : het basiskader, het middenkader en het officierskader. Het operationeel kader kan bovendien een kader van hulpagenten van politie omvatten. De politieambtenaren zijn bevoegd voor de uitoefening van opdrachten van gerechtelijke en bestuurlijke politie. De hulpagenten van politie zijn geen politieambtenaren, maar hebben een beperkte politiebevoegdheid. De hulpagenten van politie zijn, ofwel statutaire personeelsleden, of wel personeelsleden in dienst genomen bij een arbeidsovereenkomst. Art. 118.Het administratief en logistiek kader bestaat uit personeelsleden zonder bevoegdheid inzake bestuurlijke of gerechtelijke politie. De leden van het administratief en logistiek kader zijn of wel statutaire personeelsleden, in dienst genomen en benoemd of ingezet in het genoemde korps overeenkomstig de mobiliteitsregeling, ofwel personeelsleden in dienst genomen bij een arbeidsovereenkomst. Het personeel belast met de bijkomende, specifieke opdrachten wordt in dienst genomen onder het stelsel van een arbeidsovereenkomst. Indien niet alle ambten van het administratief en logistiek kader door personeel zonder politiebevoegdheid zijn ingenomen, kunnen ook leden van het operationeel kader, op hun vraag ofwel naar dit korps overgaan, ofwel er tijdelijk dergelijke ambten bekleden. De leden van het administratief en logistiek kader mogen geen politieopdrachten uitvoeren. De leden van het operationeel kader die overgaan naar het administratief en logistiek korps verliezen van rechtswege hun hoedanigheid van officier of agent van gerechtelijke en bestuurlijke politie. Wanneer zij het operationeel kader opnieuw vervoegen, herkrijgen zij deze hoedanigheid. Art. 119.Het statuut is voor alle politieambtenaren gelijk, ongeacht of zij tot de federale politie of tot de lokale politie behoren. Hetzelfde geldt, per categorie, voor de hulpagenten van politie en het personeel van het administratief en logistiek kader. Art. 120.Binnen elk politiekorps wordt het gezag van een personeelslid over een ander personeelslid uitgeoefend, in volgende orde : 1° op grond van het ambt dat wordt waargenomen in de organisatie, dat wil zeggen op alle personeelsleden die aangesteld zijn in een dienst die in het organigram onder zijn verantwoordelijkheid valt;2° op grond van de hem toevertrouwde taak, dat wil zeggen op alle personeelsleden aan wie opdracht is gegeven om mee te werken aan de uitvoering van die taak, maar binnen de perken ervan;3° op basis van de graad of, bij gelijke graad, van anciënniteit, dat wil zeggen op alle personeelsleden van het politiekorps, maar zonder zich te mengen in de uitoefening van het ambt of in de uitvoering van de taak. Het gezag wordt steeds uitgeoefend binnen de perken van de machtiging die wordt ontleend aan de wettelijke, contractuele of reglementaire bepalingen of aan permanente of tijdelijke dienstbevelen. Art. 121.De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, overeenkomstig en binnen de door de wet bepaalde perken, het statuut van het personeel van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader. De Koning bepaalt inzonderheid : 1° de graden van de politieambtenaren;2° het administratief en geldelijk statuut, met inbegrip van de weddeschalen, de toelagen en vergoedingen, alsook de voorwaarden van werving, benoeming en bevordering van de politieambtenaren, van de hulpagenten en van het personeel van het administratief en logistiek kader;3° de aanwervings- en tewerkstellingsvoorwaarden voor de hulpagenten en voor het administratief en logistiek personeel in dienst genomen bij een arbeidsovereenkomst;4° de voorwaarden en de wijze waarop de leden van het operationeel kader overgaan naar het administratief en logistiek kader;5° de bekomende specifieke opdrachten waarvoor het personeel van het administratief en logistiek kader in dienst wordt genomen bij een arbeidsovereenkomst;6° de wijze waarop de statutaire leden van het administratief en logistiek korps volgens de mobiliteitsregeling, kunnen worden ingezet. Art. 122.Welke ook de overheid is die de benoemingsbevoegdheid heeft, het statuut van de leden van de politiediensten waarborgt de objectiviteit bij onder meer de aanwerving, de selectie, de aanwijzing in de betrekkingen, de ambtsontheffing, de benoeming, de bevorderingen, de schaalovergang, alsook bij de evaluatie. Onverminderd de specifieke beperkingen op de uitoefening van de rechten en vrijheden, uitdrukkelijk bij wet bepaald wegens hun ambt, genieten de politieambtenaren, de hulpagenten van politie en de personeelsleden van het administratief en logistiek kader, dezelfde rechten en vrijheden als de andere burgers. Afdeling
  6. - Algemene principes van het statuut van de politieambtenaren Art. 123.De politieambtenaren dragen te allen tijde en in alle omstandigheden bij tot de bescherming van de medeburgers en tot de bijstand die deze laatsten mogen verwachten, alsook, wanneer de omstandigheden het vereisen, tot het doen naleven van de wet en tot het behoud van de openbare orde. Zij nemen de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in acht en verbinden zich ertoe die te doen naleven. Art. 124.Het statuut van de politieambtenaren waarborgt de uitoefening van het gezag. Art. 125.Het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun beschikbaarheid. De politieambtenaren moeten gevolg geven aan elke oproep in verband met het vervullen van de dienst en alles vermeden dat het vertrouwen van het publiek in hun beschikbaarheid kan schaden. De politieambtenaren mogen niet zonder toelating of rechtvaardiging van hun dienst wegblijven. Wanneer zij meer dan tien dagen onregelmatig afwezig zijn gebleven, worden zij, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, van ambtswege uit hun ambt ontslagen. Dit ontslag heeft voor de betrokken personen het verlies van hun hoedanigheid van personeelslid van hun politiekorps tot gevolg. Die maatregel wordt genomen door de Koning indien Hij het betrokken personeelslid in zijn laatste graad heeft benoemd en, naargelang van het geval, door de minister van Binnenlandse Zaken, de burgemeester of het politiecollege, in de andere gevallen. Art. 126.§
  7. De uitoefening van het stakingsrecht door de politieambtenaren van de federale en van de lokale politie is afhankelijk van de volgende voorwaarden : 1° de voorafgaande aanzegging van de staking door een erkende syndicale organisatie;2° de voorafgaande bespreking met de bevoegde overheid van de kwestie naar aanleiding waarvan de staking wordt overwogen in het onderhandelingscomité voor de politiediensten. De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de in het eerste lid bedoelde aanzegging en bespreking en de termijn waarbinnen zij moeten plaatsvinden. §
  8. De minister van Binnenlandse Zaken kan, na overleg met de minister van Justitie, de politieambtenaren van de federale en van de lokale politie die gebruik maken of wensen te maken van het stakingsrecht, bevelen het werk voort te zetten of te hervatten gedurende de periode en voor die opdrachten waarvoor hun inzet noodzakelijk is en die hij aanwijst. Indien de politieambtenaren deel uitmaken van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, gaat het bevel gezamenlijk uit van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie. De burgemeester of het politiecollege heeft dezelfde bevoegdheid ten aanzien van de politieambtenaren van de lokale politie. De overheid die het in vorige lid bedoelde bevel wenst te geven is ertoe gehouden de opdrachten waarvoor zij dat bevel noodzakelijk acht, vooraf mee te delen aan de representatieve syndicale organisaties van het personeel voor de politiediensten alsook, in voorkomend geval, aan de erkende syndicale organisatie die de stakingsaanzegging heeft ingediend. §
  9. De politieambtenaar die geen gevolg geeft aan het bevel van een in § 2 bedoelde overheid wordt gestraft met een gevangenisstraf van 8 dagen tot een maand en met een geldboete van 100 tot 10 000 frank of met een van die straffen alleen. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn toepasselijk op dit misdrijf. Art. 127.Het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun onpartijdigheid. Zij moeten elke handeling of houding vermeden waardoor dit vermoeden van onpartijdigheid zou kunnen worden aangetast. De politieambtenaren moeten elke willekeur bij hun optreden uitsluiten, door inzonderheid te vermijden dat ze, bij hun wijze van optreden of uit hoofde van de aangelegenheid waarvoor zij optreden, afbreuk doen aan de onpartijdigheid die de burgers van hen mogen verwachten. De politieambtenaren moeten er zich in alle omstandigheden van onthouden in het openbaar uiting te geven aan hun politieke overtuiging en zich in het openbaar in te laten met politieke activiteiten. Zij mogen geen kandidaat zijn voor een politiek mandaat. Art. 128.Het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun mobiliteit in de federale politie, tussen de verschillende lokale politiediensten, en tussen de laatstgenoemde en de federale politie. Zo worden gelijkwaardige betrekkingen eveneens toegankelijk voor ambtenaren van de federale politie en van de lokale politie die aan de statutaire voorwaarden voldoen. In dat kader regelt de Koning de voorwaarden waaronder de gemeente, de meergemeentezone, de lokale overheid of de Staat die de kosten voor de indienstneming en de opleiding van een politieambtenaar heeft gedragen, die kosten kan verhalen op de lokale overheid of op de Staat, indien de betrokken ambtenaar, binnen vijf jaar na zijn benoeming, in dienst wordt genomen in een andere lokale politiedienst of in de federale politie. Art. 129.Het statuut van de politieambtenaren waarborgt de gelijke kansen van mannen en vrouwen in de federale en in de lokale politie. Onder voorbehoud van de bepalingen betreffende de bescherming van het moederschap die van toepassing zijn op het personeel van het openbaar ambt, zijn de vrouwelijke personeelsleden aan dezelfde arbeidsvoorwaarden onderworpen als het mannelijk personeel dat tot hetzelfde korps behoort. Art. 130.Het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun integriteit. De politieambtenaren moeten elk misbruik bij hun optreden uitsluiten. Het is de personeelsleden verboden, zelfs buiten hun functies, maar uit dien hoofde, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenpersonen, giften, beloningen of welke voordelen ook te vragen, te eisen of aan te nemen. Art. 131.Het statuut van de politieambtenaren, waarborgt het beroepsgeheim en het bevat een discretieplicht. Het is de politieambtenaren verboden, zelfs na het beëindigen van hun ambt, die gegevens bekend te maken die betrekking hebben op 's lands veiligheid de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en vrijheden van de burger, en in het bijzonder op het recht op eerbied voor het privé-leven. Dit verbod geldt bovendien voor gegevens die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen. Art. 132.Het personeelslid vermijdt elke gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is. De politieambtenaren moeten eerbied tonen voor het Staatshoofd, de andere gestelde machten en de overheidsinstellingen. Art. 133.De artikelen 123, tweede lid, 124 tot 132 zijn van toepassing op de hulpagenten van de politie. De artikelen 125, 126, §§ 1 en 2, 127, eerste en tweede lid, 128 tot 132 zijn van toepassing op de leden van het administratief en logistiek kader. Afdeling
  10. - Beroepsonverenigbaarheden Art. 134.Onverminderd de in bijzondere wetten bepaalde onverenigbaarheden en tenzij de betrokkene zich in non-activiteit wegens persoonlijke aangelegenheden bevindt, is de hoedanigheid van personeelslid van het operationeel kader onverenigbaar met de uitoefening van : 1° een ander beroep;2° een openbaar ambt, een openbare opdracht of een openbaar mandaat;3° een opdracht of een dienst, zelfs als die onbezoldigd is, in particuliere ondernemingen met winstoogmerk;4° elke andere opdracht of dienst waarvan de minister van Binnenlandse Zaken de onverenigbaarheid heeft vastgesteld. De personeelsleden mogen noch rechtstreeks, noch via een tussenpersoon, enige handel drijven, als zaakwaarnemer optreden, deelnemen aan de leiding, het bestuur van of het toezicht op handelsvennootschappen. nijverheids- of handelsinstellingen. Art. 135.Individuele afwijkingen van de verbodsbepalingen in artikel 134 kunnen worden toegestaan, naargelang van het geval, door de commissaris-generaal, de burgemeester of het politiecollege, binnen het raam van de richtlijnen gegeven door de minister van Binnenlandse Zaken voor bijkomende betrekkingen, beroepen of bezigheden die niet het belang van de dienst schaden, noch afbreuk doen aan de waardigheid van de status van personeelslid. De toestemming moet vooraf worden verkregen en kan afhankelijk worden gesteld van welbepaalde voorwaarden. Zij kan steeds worden ingetrokken. Art. 136.§
  11. De personeelsleden van het administratief en logistiek kader mogen, noch rechtstreeks, noch via een tussenpersoon, enige bezigheid verrichten die kan schaden aan het vervullen van hun ambtsplichten of die aan de waardigheid van het ambt afbreuk doet. Het personeelslid van het administratief en logistiek kader meldt voorafgaandelijk en schriftelijk elke bezigheid die het beoogt uit te oefenen aan, naar gelang het geval, de commissaris-generaal, de burgemeester of het politiecollege. §
  12. De personeelsleden van het administratief en logistiek kader die personeelslid zijn van of een toelage of wedde ontvangen van de meergemeentezones, kunnen geen deel uitmaken van de politieraad of het politiecollege, noch van de gemeenteraad van één van de gemeenten van de meergemeentezone. Afdeling
  13. -

Art. 137

.De politieambtenaren leggen de hierna volgende eed af : « ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk ». De Koning bepaalt de instantie in de handen van wie de eed wordt afgelegd. Art. 138.Hebben de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings : 1° de politieambtenaren bekleed met een graad van officier;2° de politieambtenaren die de ambten uitoefenen en aan de anciënniteits- en opleidingsvoorwaarden voldoen bepaald door de Koning. Art. 139.De wet regelt de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van de politieambtenaren en de hulpagenten van politie alsook die van het personeel van het administratief en logistiek kader. De luchtregeling voor de politieambtenaren, voor de hulpagenten van politie en voor het personeel van het administratief en logistiek kader wordt bij wet bepaald. De beroepen die deze personeelsleden kunnen instellen tegen een ordemaatregel of tegen een tuchtstraf die door de burgemeester, de gemeenteraad, het politiecollege en de politieraad werd getroffen, worden bij wet geregeld. Art. 140.Elke evaluatie of schriftelijk bericht betreffende de wijze waarop een politieambtenaar zijn opdrachten vervult, wordt hem bekendgemaakt vooraleer het, met zijn eventuele bemerkingen, wordt toegevoegd aan zijn dossier waarvan de stukken worden genummerd. HOOFDSTUK II. - Organisatie en uitrusting Art. 141.De Koning bepaalt het uniform, de kentekens, de legitimatiekaarten en andere middelen van identificatie. Hij bepaalt eveneens de normen inzake de uitrusting en de bewapening van de politiediensten, teneinde de compatibiliteit en de samenwerking tussen de politiediensten en, indien nodig, de operationaliteit van een gezamenlijk optreden te waarborgen. Art. 142.De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de organisatie en werkingsnormen van de politiediensten teneinde een gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking te verzekeren. TITEL V. - De algemene inspectie Art. 143.Er wordt een algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie opgericht. De algemene inspectie staat onder het gezag van de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie, die gezamenlijk de algemene principes inzake haar organisatie, haar werking en haar algemeen beheer vastleggen. Het dagelijks beheer van de algemene inspectie wordt toegewezen aan de minister van Binnenlandse Zaken. Wanneer de behandeling van die dossiers de algemene directie van de gerechtelijke politie, de gerechtelijke diensten of het informatiebeheer rechtstreeks beïnvloedt, betrekt hij daar de minister van Justitie bij. overeenkomstig de regels die door de Koning op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie worden vastgesteld. Art. 144.De algemene inspectie heeft betrekking op de werking van de federale politie en van de lokale politie. Zij controleert in het bijzonder de toepassing van de wetten, verordeningen, bevelen, onderrichtingen en richtlijnen, alsook van de normen en standaarden. Zij onderzoekt regelmatig de efficiëntie en de doeltreffendheid van de federale politie en van de lokale politiekorpsen, onverminderd de interne procedures bij die diensten. Naast de bevoegdheden bedoeld in artikel 51 kan de Koning aan de algemene inspectie bevoegdheden toekennen inzake de evaluatie en de opleiding van het personeel. Art. 145.De algemene inspectie handelt hetzij ambtshalve hetzij op bevel van de minister van Justitie of van de minister van Binnenlandse Zaken, hetzij op verzoek van de gerechtelijke en bestuurlijke overheden, meer bepaald de burgemeesters, de gouverneurs, de procureurs-generaal, de federale procureur, de procureurs des Konings en de federale politieraad, ieder in het raam van hun bevoegdheden. De commissaris-generaal van de federale politie kan om een inspectie in de federale politie verzoeken. De korpschef van een lokaal politiekorps kan zulks eveneens doen voor zijn lokale politiedienst. Onverminderd de bevoegdheden van gerechtelijke politie van haar leden en de toepassing van de wet van 18 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1991 pub. 04/04/2018 numac 2018030682 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten, geeft zij gevolg aan de klachten en aangiften die zij ontvang. Art. 146.Voor klachten betreffende feiten die geen misdrijf uitmaken, zorgt de algemene inspectie voor de vereiste bemiddeling. Art. 147.Voor de uitvoering van hun inspectieopdrachten, beschikken de leden van de algemene inspectie over een algemeen en permanent recht tot inspectie in de federale politie en in de lokale politie. Zij kunnen de leden van de federale en van de lokale politie vrij horen, mogen de lokalen betreden, waarin en gedurende de tijd dat de betrokken leden hun ambt uitoefenen, ter plaatse alle documenten en stukken die nodig zijn voor hun inspectie, raadplegen en, zo nodig, een kopie ervan maken. Wanneer de documenten en stukken betrekking hebben op een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek, kunnen zij er enkel een kopie van maken met het akkoord van de bevoegde magistraat. Art. 148.De algemene inspectie legt de resultaten van haar inspecties voor aan de minister van Justitie en aan de minister van Binnenlandse Zaken, aan de overheid de instantie die haar heeft geadieerd, en, wanneer de inspectie betrekking heeft op een lokale politiedienst, tevens aan de bevoegde burgemeesters. Wanneer, naar aanleiding van een inspectie, feiten werden vastgesteld, die tot een tuchtprocedure aanleiding kunnen geven, geeft zij hiervan kennis aan de bevoegde tuchtrechtelijke overheid. Art. 149.De algemene inspectie staat onder leiding van de inspecteur-generaal en is samengesteld uit politieambtenaren van de federale politie en van de lokale politie. Zij kunnen zich laten bijstaan door administratief personeel en deskundigen. Na advies van de federale politieraad stelt de Koning, op voorstel van de minister van Binnenlandse Zaken en van de minister van Justitie, de formatie vast, de voorwaarden van aanwending bij de algemene inspectie, alsook het statuut van het personeel dat niet tot de politie behoort, en bepaalt de bijzondere regels met betrekking tot het statuut van de politieambtenaren zodanig, dat de onafhankelijkheid van de algemene inspectie ten aanzien van de politiediensten wordt gewaarborgd. Hij bepaalt de nadere regels van de werking van de algemene inspectie. De inspecteur-generaal wordt door de Koning aangewezen voor zijn ambt voor een eenmaal hernieuwbare termijn van vijf jaar, op voorstel van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en na gemotiveerd advies van de federale politieraad. De Koning bepaalt de voorwaarden en procedure om voor dit ambt te worden aangewezen, evenals de evaluatieprocedure. Hij bepaalt eveneens de nadere regels voor de oprichting van de selectiecommissie en van de evaluatiecommissie. TITEL VI. - Wijzigingen van de wet van 5 augustus 1992Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1992 pub. 21/10/1999 numac 1999015203 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990 sluiten op het politieambt Art. 150.In artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/08/1992 pub. 21/10/1999 numac 1999015203 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol houdende wijziging van artikel 81 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie van 3 februari 1958, opgemaakt te Brussel op 16 februari 1990 sluiten op het politieambt, gewijzigd bij de wet van 17 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/11/1998 pub. 11/12/1998 numac 1998000733 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht sluiten worden de woorden « de rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie » vervangen door de woorden « de federale politie en de lokale politie ». Art. 151.In artikel 4 van dezelfde wet wordt het eerste lid vervangen door de volgende bepaling : « Met de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie zijn bekleed : - de provinciegouverneurs; - de arrondissementscommissarissen; - de burgemeesters; - de officieren van de federale politie en van de lokale politie. » Art. 152.Een opschrift met als titel « Afdeling

  1. - Algemene bepalingen » wordt in hoofdstuk II vóór het artikel 5 van dezelfde wet ingevoegd. Art. 153.In artikel 5 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het tweede lid, tussen het woord « gerechtshof, » en de woorden « van de procureurs », worden de woorden « van de federale procureur, van de onderzoeksrechters » ingevoegd;2° in hetzelfde lid wordt het woord « gemeentelijke » door het woord « lokale » vervangen;3° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid : « Overeenkomstig artikel 143ter van het Gerechtelijk Wetboek en uitgaande van de principes van specialiteit en subsidiariteit, bepaalt de minister van Justitie bij richtlijn de opdrachten van gerechtelijke politie die prioritair worden vervuld, enerzijds, door de lokale politie, anderzijds, door de gerechtelijke diensten en andere diensten van de federale politie.» Art. 154.Na artikel 5 van dezelfde wet worden een afdeling 2 en de artikelen 5/1 tot 5/5 luidend als volgt, ingevoegd : « Afdeling
  2. - Betrekkingen van de politiediensten met de overheden Art. 5/1.De overheden van bestuurlijke politie en de politiediensten moeten elkaar de hen toegekomen inlichtingen betreffende de openbare orde mededelen, die tot preventieve of beteugelende maatregelen aanleiding kunnen geven. Art. 5/2.De politiediensten moeten bij bijzonder verslag de betrokken bestuurlijke overheden informeren over de buitengewone gebeurtenissen betreffende de openbare orde waarvan zij kennis hebben. Om de burgemeester in staat te stellen zijn verantwoordelijkheden van bestuurlijke politie uit te oefenen, informeren de korpschef van de lokale politie, de bestuurlijke directeur-coördinator en de gerechtelijke directeur van de federale politie hem onverwijld over de gewichtige feiten die de openbare rust, veiligheid of gezondheid in de gemeente kunnen verstoren. De korpschef van de lokale politie brengt bij hem verslag uit over de veiligheidsproblemen in de gemeente, over de vervulling van de opdrachten van bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente en over de gedane en voorziene uitvoering van het zonaal veiligheidsplan. De korpschef van de lokale politie informeert hem bovendien voorafgaandelijk over de initiatieven die de lokale politie overweegt te nemen op het grondgebied van de gemeente en die een invloed hebben op het gemeentelijk veiligheidsbeleid. De bestuurlijke directeur-coördinator informeert voorafgaandelijk de burgemeester over alle initiatieven die hij wil ondernemen in het kader van zijn bevoegdheden op het grondgebied van de gemeente, en die een invloed hebben op het gemeentelijk veiligheidsbeleid. Hij brengt hem bovendien verslag uit over het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie, waarvan hij de coördinatie waarneemt en die betrekking hebben op het grondgebied van zijn gemeente. De directeur van de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst informeert voorafgaandelijk de bestuurlijke directeur-coördinator en de burgemeester over alle operaties die de gerechtelijke eenheid onderneemt op het grondgebied van de gemeente en die van aard zijn om de openbare rust te verstoren. Art. 5/3.Voor het vervullen van de opdrachten van gerechtelijke politie worden geregelde dienstbetrekkingen onderhouden : 1° met de procureur des Konings, door de korpschef van de lokale politie en door de gerechtelijke directeur en in de gevallen bedoeld in artikel 104 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, de bestuurlijke directeur-coördinator van de federale politie;2° met de procureurs-generaal, met het college van procureurs-generaal en met de federale procureur door de commissaris-generaal en de directeurs-generaal van de federale politie. Art. 5/4.Telkens zij er kennis van krijgen, brengen de politiediensten de territoriale militaire overheden, bij bijzonder verslag, op de hoogte van alles wat de veiligheid van de strijdkrachten kan schaden, van alle propaganda waarbij de militairen tot tuchteloosheid worden aangezet, alsook van alle voorvallen waarbij militairen betrokken zijn. Art. 5/5.In de gebieden in staat van beleg, wanneer de macht waarmede de burgerlijke overheden voor de handhaving van de orde en van de politie bekleed zijn, door de militaire overheid wordt uitgeoefend, kan deze, met het oog op het vervullen van die opdracht, de door de omstandigheden geboden vorderingen aan de politiedienaren richten. » Art. 155.In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden « de onderrichtingen, vorderingen en bevelen » vervangen door de woorden « de bevelen, onderrichtingen, vorderingen en richtlijnen »;2° het tweede en het derde lid worden opgeheven;3° dit artikel, zo gewijzigd, wordt artikel 5/6 van dezelfde wet. Art. 156.Artikel 7 van dezelfde wet wordt artikel
  3. Art. 157.Na artikel 6 van dezelfde wet wordt een afdeling 3 ingevoegd met als titel « Coördinatie en leiding van de operaties ». Art. 158.Artikel 8 van dezelfde wet, gewijzigd als volgt, wordt artikel 7 : 1° de woorden « behoudens uitdrukkelijke overeenkomsten die met andere politiediensten worden aangegaan » worden vervangen door de woorden « behalve wanneer een politieambtenaar van een ander politiekorps wordt belast met de leiding op basis van een uitdrukkelijk akkoord of van een wetsbepaling »;2° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid : « In afwijking van het eerste lid, is dat akkoord niet noodzakelijk, wanneer de gerechtelijke overheid, in uitvoering van de artikelen 28ter, § 4 of 56, § 3, van het Wetboek van Strafvordering, in een bepaald onderzoek verscheidene politiediensten heeft belast met opdrachten van gerechtelijke politie en de operationele leiding van dat onderzoek aan één onder hen heeft toegewezen.» Art. 159.De artikelen 7/1 tot 7/5 luidend als volgt, worden ingevoegd na artikel 7 van dezelfde wet : « Art. 7/1.Met uitzondering van de opdrachten bedoeld bij artikel 102 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, worden de operationele coördinatie en leiding van de opdrachten van politie waarvan de uitvoering zich uitstrekt over het grondgebied van meer dan een politiezone, als volgt toevertrouwd : 1° in geval van gezamenlijk optreden op basis van een akkoord tussen verschillende lokale politiekorpsen, aan een korpschef van de lokale politie, die hiervoor wordt aangewezen door de betrokken burgemeester of burgemeesters;2° in geval van gezamenlijk optreden van verschillende lokale politiekorpsen en van de federale politie, met inbegrip wanneer deze laatste tussenkomt na vordering, aan de bestuurlijke directeur-coördinator;3° voor de uitvoering, door een lokale politie, van een vordering door de minister van Binnenlandse Zaken bedoeld bij artikel 64 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, aan de bestuurlijke directeur-coördinator. De zonale veiligheidsraden kunnen de onder 1° bepaalde opdrachten organiseren bij middel van protocollen. In de gevallen bedoeld in 2° en 3°, kan de operationele coördinatie en leiding worden toevertrouwd aan een daartoe aangeduide lokale korpschef indien de betrokken lokale en federale politieoverheden dit samen beslissen. Art. 7/2.Met uitzondering van de opdrachten bedoeld bij artikel 102 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, worden de operationele coördinatie en leiding van de opdrachten van politie waarvan de uitvoering beperkt is tot het grondgebied van één politiezone, toevertrouwd aan de korpschef van de lokale politie. De operationele coördinatie en leiding worden evenwel toevertrouwd aan de bestuurlijke directeur-coördinator in de volgende gevallen : 1° wanneer hij gevolg geeft aan het verzoek van de korpschef van de lokale politie, om deze opdracht waar te nemen;2° wanneer de federale politie ambtshalv

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.