← België

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de we

Kort samengevat

Dit koninklijk besluit wijzigt het algemeen reglement ter bescherming tegen ioniserende stralingen om de bevolking, werknemers en het milieu beter te beschermen, en zet gedeeltelijk een Europese richtlijn om. Het introduceert nieuwe regels voor blootstelling aan straling, inclusief in noodsituaties en bij opslag van radioactieve stoffen.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
20 JULI 2020. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 10/10/2013 numac 2013000542 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen. - Officieuze coördinatie in het Duits type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 30/08/2001 numac 2001000726 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen sluiten houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen en houdende de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2013/59/EURATOM van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/EURATOM, 90/641/EURATOM, 96/29/EURATOM, 97/43/EURATOM en 2003/122/EURATOM en de opslag buiten gebouwen van radioactieve stoffen VERSLAG AAN DE KONING Sire, Wij hebben de eer ter ondertekening van Uwe Majesteit een koninklijk besluit voor te leggen tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 10/10/2013 numac 2013000542 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen. - Officieuze coördinatie in het Duits type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 30/08/2001 numac 2001000726 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen sluiten houdende ARBIS op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen en houdende de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2013/59/EURATOM van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/EURATOM, 90/641/EURATOM, 96/29/EURATOM, 97/43/EURATOM en 2003/122/EURATOM en de opslag buiten gebouwen van radioactieve stoffen. De Raad van State verleende op 11 juni 2020 het advies nr. 67.402/3 op basis van art. 84, § 1, eerste lid, 1,° van de gecoördineerde weten op de Raad van State. 1. Inleiding Dit koninklijk besluit wijzigt diverse bepalingen van het koninklijk besluit van 20 juli 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 10/10/2013 numac 2013000542 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen. - Officieuze coördinatie in het Duits type koninklijk besluit prom. 20/07/2001 pub. 30/08/2001 numac 2001000726 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen sluiten houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van ioniserende stralingen (hierna verkort "ARBIS") met het oog op de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2013/59/EURATOM. Daarnaast worden ook enkele bijkomende bepalingen ingevoegd met betrekking tot de opslag buiten gebouwen van radioactieve stoffen. 2. Algemene toelichting A.Gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2013/59/EURATOM A.1 Situering Dit koninklijk besluit beoogt de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2013/59/EURATOM via een wijziging van het ARBIS. Dit besluit voldoet aan door de Integrated Regulatory Review Service (IRRS) van het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (IAEA) in 2013 geuite aanbevelingen en suggesties, namelijk: - de bepalingen betreffende de equivalente dosislimiet voor de ooglens, het gebruik van dosisbeperkingen als onderdeel van het optimalisatieproces en de controle van de werkplaats in lijn brengen met de IAEA-basisnormen. - een nationaal dosisregister voor beroepshalve blootgestelde personen uitbouwen en onderhouden. Het ontwerp van besluit dekt alle blootstellingssituaties, dat wil zeggen de bestaande blootstellingssituaties, de geplande blootstellingssituaties en de blootstellingen in noodgevallen en alle blootstellingscategorieën, met name de beroepshalve blootstelling, de blootstelling van de bevolking en de medische blootstelling. A.2 "Graded approach" De graded approach van de reglementaire controle voor het bezit en gebruik van stralingsbronnen werd reeds geïntegreerd in hoofdstuk II, afdeling I van het ARBIS. De inrichtingen waar handelingen worden uitgevoerd, worden, afhankelijk van het risico, in vier klassen ingedeeld. Klasse I is de klasse met het hoogste risico, klasse IV is de klasse van inrichtingen die vrijgesteld is van aangifte of vergunning en waarbij de blootstelling, of het risico op een blootstelling het laagst is. De mobiele installaties (bv. gammagrafie en verplaatsbare toestellen die röntgenstraling kunnen uitzenden) en tijdelijke installaties worden aan een gelijkaardige graded approach onderworpen. De opzettelijke blootstelling van personen waarvan het doel geen gezondheidsvoordeel voor de blootgestelde persoon inhoudt, is onderworpen aan een specifieke reglementaire controle. A.3 Stralingsbeschermingssysteem Hoofdstuk III van het ARBIS, afdeling I, bepaalt de reglementaire vereisten van een stralingsbeschermingssysteem gebaseerd op de beginselen van rechtvaardiging, dosisoptimalisatie en -beperking voor alle situaties waarin blootstelling kan optreden. De geplande situaties zijn gerechtvaardigd wanneer zij kunnen waarborgen dat de voordelen die zij op individueel gebied of voor de gemeenschap inhouden, opwegen tegen de gezondheidsschade die zij kunnen veroorzaken. De voor de handeling toegekende vergunning vormt het bewijs van de rechtvaardiging. Het beginsel van de optimalisatie eist dat de blootstelling van personen wordt geoptimaliseerd om de individuele doses, de waarschijnlijkheid van blootstelling en het aantal blootgestelde personen zo laag als redelijkerwijze mogelijk te houden. Deze beginselen werden reeds vastgelegd in artikel 20 van het ARBIS. A.4 Gezondheidstoezicht en dosimetrisch toezicht van de werknemers en de externe werkers De bepalingen betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers, waaronder de externe werkers en de werkers bestemd om ingeschakeld te kunnen worden bij de interventie in een radiologische noodsituatie, werden aangepast om de rol van de verschillende actoren, zoals de dienst voor fysische controle en de erkende arbeidsarts, in het bijzonder in het kader van het beheer van de resultaten van het individueel dosimetrisch toezicht, het beheer van blootstellingen bij ongeval, het beheer van blootstellingen van werknemers met een speciale vergunning, enz. te verduidelijken. De nieuwe dosislimiet voor de ooglens, opgelegd door richtlijn 2013/59/EURATOM wordt geïntegreerd en de bepalingen m.b.t. het individueel dosimetrisch toezicht van de beroepshalve blootgestelde personen worden gewijzigd om te verduidelijken hoe het individueel dosimetrisch toezicht moet worden uitgevoerd. De wet van 26 januari 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/01/2014 pub. 18/02/2016 numac 2016000091 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, wat betreft het dosimetrisch toezicht. - Duitse vertaling type wet prom. 26/01/2014 pub. 10/03/2014 numac 2014201178 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, wat betreft het dosimetrisch toezicht sluiten tot wijziging van de FANC- wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/04/1994 pub. 14/10/2011 numac 2011000621 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 15/04/1994 pub. 19/03/2013 numac 2013000145 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Duitse vertaling. - Erratum type wet prom. 15/04/1994 pub. 25/08/2017 numac 2017031028 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuse coördinatie in het Duits. - Erratum sluiten, belast het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle met het beheer en de invoering van een blootstellingsregister in het kader van het dosimetrisch toezicht, in combinatie met de aanmaak van stralingspaspoorten. Deze wet vraagt met name de definiëring van de regels betreffende de verplichtingen van de partijen die betrokken zijn bij de werking en het gebruik van het blootstellingsregister. Deze regels worden ingevoerd door dit ontwerpbesluit. A.5. Bescherming van de werknemers of externe werkers in noodgevallen Voor blootstellingen in noodgevallen wordt het ARBIS aangepast aan de waarden van de referentieniveaus vermeld in bijlage I van richtlijn 2013/59/EURATOM, nl. 20 mSv tot 100 mSv. Richtlijn 2013/59/EURATOM vraagt dat de werknemers of externe werkers die geïdentificeerd werden en bestemd zijn om bij een interventie volgens een noodplan te worden ingeschakeld, hiervoor de nodige en bijgewerkte informatie moeten krijgen. De eerste groep van personen zijn de werknemers of externe werkers die vooraf geïdentificeerd werden als interventieteams, zoals de brandweer in de nabijheid een kerncentrale, of het personeel van de betrokken politiezone; voor dit personeel moet een aan de site aangepaste opleiding worden voorzien. Deze groep zal vooraf opgeleid en geïnformeerd worden. De tweede groep zijn de werknemers of externe werkers die op de hoogte gebracht worden van de maatregelen die getroffen moeten worden om hun gezondheid te beschermen en de voorzorgsmaatregelen die op het ogenblik van de interventie getroffen moeten worden. De derde groep zijn de andere personen die bij een interventie in een noodsituatie kunnen worden ingeschakeld. Elke intervenant in een noodsituatie waarbij een voor de beroepshalve blootgestelde personen opgelegde dosislimiet mogelijk wordt overschreden, doet dit op vrijwillige basis en heeft hiervoor informatie ontvangen over de risico's voor zijn gezondheid en de individuele beschermingsmaatregelen die, gelet op de omstandigheden, dienen te worden getroffen. Indien een werknemer of een externe werker wordt onderworpen aan een blootstelling in een noodsituatie, en dit ongeacht de groep noodintervenanten, zal het individu worden beschouwd als een beroepshalve blootgestelde persoon. De verschillende vereisten met betrekking tot de beroepshalve blootgestelde personen: gezondheidstoezicht, individuele dosimetrie, enz. zijn van toepassing. A.6 Bescherming tegen gammastraling afkomstig van bouwmaterialen Om binnen gebouwen de bescherming tegen gammastraling door bouwmaterialen te waarborgen, moet er een referentieniveau worden bepaald en een activiteitsindex gedefinieerd. Deze activiteitsindex is een controlemiddel waardoor de bescherming van de bevolking kan worden gewaarborgd. A.7 Beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen aangewend worden De beroepsactiviteiten met een verhoogd risico op blootstelling aan natuurlijke stralingsbronnen zijn aangifteplichtig. De evaluatie van het radiologisch risico gebeurt door het Agentschap, dat in voorkomend geval corrigerende maatregelen zal opleggen om de blootstelling te verminderen. Wanneer de door de wetgever opgelegde dosisniveaus niet kunnen worden nageleefd, dan zullen bepaalde relevante verplichtingen van het ARBIS worden opgelegd om de naleving van de basisnormen te waarborgen, zowel voor de betrokken werknemers of externe werkers als voor de rest van de bevolking. A.8 Ingekapselde bronnen en hoogactieve ingekapselde bronnen Sinds eind jaren `90, begin 2000, buigen internationale instanties (IAEA, EURATOM, ...) zich over de beveiliging en veiligheid van radioactieve bronnen. De Europese Commissie achtte het nodig om de opvolging en traceerbaarheid te verhogen van de ingekapselde bronnen die de meeste gezondheidsrisico's inhouden. Zo wordt vermeden dat ze ontsnappen aan de gepaste controles (verlies, diefstal, vergetelheid, ...) en dat ze in handen vallen van personen die zich niet bewust zijn van hun aard en de risico's die ze inhouden. Daarnaast moet worden vermeden dat deze bronnen onaangepaste behandelingen (kunnen) ondergaan (vermaling bij de recyclering van metalen...) en dat ze mens en milieu besmetten of blootstellen aan gevaarlijke straling. Bronnen die een verhoogd risico inhouden, kunnen gecategoriseerd worden als "hoogactieve ingekapselde bronnen" (HAIB) op basis van hun activiteit en type nuclide. De grens voor HAIB's wordt bepaald vanaf een dosisdebiet groter of gelijk aan 1 mSv/uur op 1 meter, uitgezonden door een naakte, ingekapselde bron. De grenswaarden waarboven ingekapselde bronnen beschouwd werden als HAIB worden in overeenstemming gebracht met richtlijn 2013/59/EURATOM. De vereisten inzake de markering en inventarisering werden verduidelijkt en uitgebreid tot alle ingekapselde bronnen, en dus niet enkel beperkt tot HAIB's. Tot slot zijn de nieuwe verplichtingen bedoeld om te voorkomen dat afgedankte ingekapselde bronnen voor een langere periode onnodig op de site blijven. A.9 Erkenning van de artsen belast met het gezondheidstoezicht De wijzigingen hebben betrekking op de erkenningsprocedure voor de artsen belast met het gezondheidstoezicht zoals voorzien in artikel 24 van het ARBIS. Er dient te worden opgemerkt dat de nieuwe voorgestelde bepalingen reeds van toepassing zijn in de praktijk en reeds sinds verschillende jaren door de stakeholders aanvaard werden. B. Opslag buiten gebouwen van radioactieve stoffen Het ARBIS behandelt niet expliciet de opslag van radioactieve stoffen die geen afvalstoffen zijn. Daarenboven werd er vastgesteld dat een aantal bepalingen met betrekking tot de opslag niet duidelijk genoeg zijn. Om deze reden wordt artikel 37.3 verduidelijkt. Naast het verduidelijken van de verbodsbepaling in artikel 37.3 wordt met de invoeging van een nieuw artikel 27/2 ook een verbod ingevoerd voor de opslag van radioactieve stoffen buiten gebouwen. Op dat laatste verbod worden evenwel een aantal uitzondering voorzien die verband houden met de reguliere uitbating van klasse I -inrichtingen of met hun mogelijke ontmanteling. C. Verordenende bevoegdheid FANC. De Raad van State formuleerde twee principiële opmerkingen bij het ontwerp van besluit. De eerste opmerking heeft betrekking op de verordenende bevoegdheid van het Agentschap. Het Agentschap heeft een verordenende bevoegdheid in de mate dat de delegatie ertoe werkelijk beperkt en niet-beleidsmatig is. Voor de bepalingen aangehaald door de Raad van State wordt hierna verduidelijkt dat de delegatie effectief beperkt/ niet-beleidsmatig is. Het ontworpen artikel 4.2, derde lid, van het ARBIS (artikel 5 van het ontwerp) laat het aan het FANC over om te beslissen dat bepaalde industriële sectoren hogere drempelwaarden mogen hanteren. Voor wat betreft de toepassing van artikel 4.2. kan worden verduidelijkt dat de drempelwaarden hetzelfde zijn voor alle sectoren. Elke industrie moet aan dezelfde voorwaarden voldoen. Iedere sector is dus onderhevig aan dezelfde criteria. De lijst in richtlijn 2013/59 bepaalt welke sectoren hoogstwaarschijnlijk in aanmerking komen voor overschrijding. Er is dus geen economische evaluatie door het Agentschap, maar wel een risicoanalyse (technische evaluatie) die bepaalt waar de drempelwaarden kunnen worden overschreden en waarbij de lijst opgenomen in de richtlijn als uitgangspunt wordt genomen. In het ontworpen artikel 9.1, 3° en 4°, van het ARBIS (artikel 8 van het ontwerp) werd het vaststellen op basis van het blootstellingsrisico van de nadere regels en de inhoud van de aangifte overgelaten aan het FANC, alsook de bevoegdheid tot het opleggen van minimumeisen betreffende de inhoud van de basisopleiding of van de permanente vorming die zijn bepaald in het ontworpen artikel 9.7, derde lid. Teneinde tegemoet te komen aan de bemerking van de Raad van State werd de tekst van het ontworpen artikel 9.7. aangevuld. Ook de delegatie in het ontworpen artikel 35.6 (artikel 19, 3°, van het ontwerp) voor het opstellen van een technisch reglement met vrijgaveniveaus voor gebouwen en materialen lijkt volgens de Raad van State beleidsmatig. Het gegeven dat daarbij rekening moet worden gehouden met richtsnoeren van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie neemt volgens de Raad van State niet weg dat er ten opzichte van die richtsnoeren een discretionaire beleidsmarge kan blijven bestaan in hoofde van het FANC. Ook het feit dat het gaat om een omzetting van artikel 30, lid 2, b), van richtlijn 2013/59/Euratom hoeft niet tot een andere beoordeling te leiden, want die bepaling verplicht immers niet om regelgevende bevoegdheid te geven aan de nationale toezichthouder, maar maakt dit enkel mogelijk als alternatief voor nationale wetgeving ("die specifieke vrijgaveniveaus worden vastgesteld in nationale wetgeving of door de nationale bevoegde autoriteit"). Het artikel werd daarom aangevuld om te verduidelijken dat deze vrijgaveniveaus moeten worden vastgelegd overeenkomstig de in punt 2 en punt 3 van bijlage IB bepaalde criteria. Het vastleggen van deze vrijgaveniveaus is daardoor een puur technische materie, die dus geen beleidsmatig karakter heeft. Ten slotte maakte de Raad van State ook een voorbehoud bij de vaststelling van de criteria voor de permanente vorming in het ontworpen artikel 75.4 van het ARBIS (artikel 33 van het ontwerp) want deze bepaling van criteria impliceert volgens haar ook een beleidsbeslissing die belangrijke gevolgen heeft voor de betrokken artsen en voor de aanbieders van deze opleiding. De criteria met betrekking tot de permanente vorming van erkende artsen die opgenomen worden in het technisch reglement van het FANC zijn louter technisch en niet beleidsmatig. Ze hebben betrekking op het aantal uren permanente vorming (afhankelijk van het feit of de erkende arts is erkend voor het gezondheidstoezicht in inrichtingen van klasse II-III of in inrichtingen van klasse I), de wetenschappelijke inhoud van de activiteiten evenals het type activiteiten. Er dient gepreciseerd dat hoewel er van de permanente vorming een universitair niveau wordt verwacht, dit niet impliceert dat deze door de universiteiten wordt georganiseerd. De permanente vorming kan bestaan uit ad-hoc vergaderingen/seminaries (zelfs intern bij de medische diensten waartoe de arbeidsartsen behoren) /conferenties/studiedagen /congressen, publicaties of lezingen over publicaties, ... over de stralingsbescherming en het gezondheidstoezicht op blootgestelde werknemers. De diversiteit van de mogelijkheden die het FANC voorziet zorgt voor flexibiliteit ten aanzien van de wijze van invulling van de behoefte aan permanente vorming. Om rekening te houden met de opmerking van de Raad van State is artikel 75.4 aangevuld om de domeinen te verduidelijken die vallen onder de criteria bepaald door het Agentschap met betrekking tot de permanente vorming van erkende artsen. D. Verwijzing naar normen en standaarden Een tweede principiële opmerking van de Raad van State betreft de verwijzing naar technische normen in wet- en regelgeving, die niet in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt, niet in het Nederlands en in het Frans zijn gesteld of vertaald of nog in de regel enkel beschikbaar zouden zijn tegen een bepaalde vergoeding. Het knelpunt van de ontbrekende bekendmaking van technische normen waarnaar in Belgische rechtsregels wordt verwezen zou op een horizontale manier moeten worden onderzocht en opgelost. Dit is een problematiek die het huidige ontwerp van besluit overstijgt. Waar mogelijk worden de technische normen op de website van het Federaal Agentschap voor nucleaire controle bekendgemaakt. Teneinde tegemoet te komen aan een opmerking van de Raad van State werd de versie van de ISO-norm 15382 toegevoegd. Er zal wanneer nodig een update uitgevoerd worden van de verwijzing naar technische normen en standaarden in de huidige uitvoeringsbepalingen. 3. Specifieke toelichtingen Artikel 1.Overeenkomstig artikel 106 van richtlijn 2013/59/EURATOM moeten de lidstaten, wanneer ze bepalingen aannemen om deze richtlijn (gedeeltelijk) om te zetten in nationaal recht, ofwel in die bepalingen zelf naar de richtlijn verwijzen, ofwel naar de richtlijn verwijzen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. Artikel 1 neemt deze verplichting op. Artikel 2.Deze bepaling wijzigt het toepassingsgebied van het ARBIS om deze in overeenstemming te brengen met de bepalingen van richtlijn 2013/59/EURATOM. Het begrip "beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen worden aangewend" wordt ingevoegd en daaraan worden blootstellingsituaties gekoppeld; dit teneinde een verschillend regelgevend stelsel te kunnen voeren in functie van het blootstellingsrisico. Richtlijn 2013/59/EURATOM hanteert de aanpak met betrekking tot blootstellingssituaties die in de ICRP-publicatie 103 werd ingevoerd en maakt derhalve een onderscheid tussen blootstellingen in bestaande, geplande en noodsituaties. Aangezien voorliggend besluit de algemene structuur van het ARBIS niet wijzigt, moeten bijgevolg ook de begrippen "bestaande blootstellingssituatie", "geplande blootstellingssituatie", "bestaande blootstellingssituatie die als geplande blootstellingssituatie wordt beheerd" en "blootstelling in een noodsituatie" worden opgenomen. De notie van "bescherming van het leefmilieu met het oog op gezondheidsbescherming op lange termijn" wordt expliciet vermeld om effecten van straling op het leefmilieu die op langere termijn een effect op de mens hebben (verspreiding van radioactiviteit binnen het leefmilieu en effecten op organismen/habitat) binnen het toepassingsgebied op te nemen. Artikel 3.Deze bepaling wijzigt artikel 2 van het ARBIS. Verschillende bestaande definities in het ARBIS worden vervangen door nieuwe definities die beter zijn afgestemd op deze van richtlijn 2013/59/EURATOM. Zo wordt de definitie voor "radioactieve afvalstoffen" gewijzigd om het afval erin te kunnen opnemen dat resulteert uit de beschermingsmaatregelen die worden uitgevaardigd in een radiologische noodsituatie. Daarnaast wordt met de deze bepaling nog een aantal nieuwe definities in het ARBIS ingevoegd uit richtlijn 2013/59/EURATOM. Het de definities voor "radiotoxicologische analyse", "programma voor individueel dosimetrisch toezicht", "bronhouder in het kader van hoofdstuk XIII", "beschermingsmaatregelen", "blootstelling van de bevolking", "referentieniveau", "normale blootstelling", "bestaande blootstellingssituatie", "geplande blootstellingssituatie", "situatie van blootstelling in een noodsituatie" "noodsituatie", "blootstelling bij niet-medische beeldvorming", "bouwmateriaal", "radon". De termen "stockage" of "stockage temporaire" worden waar nodig vervangen door "entreposage" die per definitie een tijdelijk karakter heeft. Artikel 4.Dit artikel wijzigt artikel 3.1 van het ARBIS. Een inrichting waar niet-medische beeldvorming wordt uitgevoerd, wordt ingedeeld in klasse II. Tot slot wordt Klasse IV, wat de klasse van inrichtingen is die is vrijgesteld van aangifte en van vergunning, vervangen. De vrijstelling van aangifte en van vergunning is gebaseerd op de volgende waarden: 1° De waarden uit tabel A van bijlage VII van richtlijn 2013/59/EURATOM die voor onbeperkte hoeveelheden radioactieve stoffen worden gebruikt;2° De waarden uit tabel B, kolom 2 "activiteitsconcentratie" van bijlage VII van richtlijn 2013/59/EURATOM voor matige hoeveelheden radioactieve stoffen. De waarden uit deze zelfde tabel B, kolom 3 "totale activiteit" worden overgenomen en gebruikt als vrijstellingsniveaus voor een vrijstelling op basis van de totale activiteit. Artikel 5.Dit artikel vervangt artikel 4 van het ARBIS. De 3 categorieën van beroepsactiviteiten die een risico inhouden op een blootstelling aan natuurlijke stralingsbronnen worden opgesomd. Artikel 4 wordt aangepast rekening houdende met de bepalingen van richtlijn 2013/59/EURATOM. Artikel 6.Dit artikel behoeft geen verdere toelichting. Artikel 7.Dit artikel vervangt in de Franse versie van artikel 7 de woorden "de stockage" door de woorden "d'entreposage" teneinde het verschil tussen de berging en de opslag van radioactief afval te verduidelijken. Artikel 8.Dit artikel wijzigt artikel 9 van het ARBIS. Artikel 9 omvat het (vergunnings)stelsel dat van toepassing is op de beroepsactiviteiten waar natuurlijke stralingsbronnen aangewend worden bedoeld in artikel 4. Deze bepaling vervangt de punten 9.1, 9.2 en 9.3 van artikel 9 en voegt een nieuw punt 9.7 in. Punten 9.4, 9.5 en 9.6 worden niet gewijzigd. De punten 9.1, 9.2 en 9.3 worden aangepast rekening houdende met de wijzigingen aangebracht aan artikel 4 (zie supra) en de bepalingen van richtlijn 2013/59/EURATOM. In artikel 9.1 worden alle beroepsactiviteiten die een risico inhouden op blootstelling aan natuurlijke stralingsbronnen onderworpen aan een aangifteplicht waarvan de modaliteiten afhangen van de desbetreffende categorie en van het stralingsrisico. Artikel 9.2 kent het Agentschap de bevoegdheid toe om in de gevallen voorzien in artikel 37 van het EURATOM-Verdrag, die kunnen leiden tot milieuvervuiling, bijkomende analyses of bijkomende maatregelen op te leggen. In voorkomend geval, voor de beroepsactiviteiten die een risico inhouden op blootstelling aan natuurlijke stralingsbronnen, kan de indiener van de aangifte overgaan tot de beoordeling van de individuele dosis voor de betrokken werkers en bevolking. In voorkomend geval moet de beoordeling van de doses door het Agentschap worden goedgekeurd. Indien de dosisniveaus, die voor de bevolking zijn vastgelegd, worden overschreden, kan het Agentschap overeenkomstig artikel 9.3 corrigerende maatregelen opleggen om de dosisniveaus voor de bevolking te beperken en kan het bepalingen van het ARBIS opleggen. Aan de exploitanten van vliegtuigen bestemd voor de burgerluchtvaart wordt opgelegd dat ze de individuele doses van hun personeel moeten evalueren. Indien de door hun werknemers opgelopen dosis de dosislimiet vastgesteld voor de personen van het publiek overschrijdt, worden bijkomende verplichtingen opgelegd aan de luchtvaartmaatschappij. Daarnaast wordt in artikel 9.3 de verplichting opgelegd om een agent voor de stralingsbescherming aan te duiden, die moet waken over een afdoende niveau van stralingsbescherming. Deze verplichting is enkel van toepassing op de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 4.2 en 4.3 die corrigerende maatregelen werden opgelegd. De corrigerende maatregelen in het kader van beroepsactiviteiten, waarvan de context hier wordt beschreven, mogen niet worden verward met beschermingsmaatregelen, gedefinieerd in richtlijn 2013/59/EURATOM als andere maatregelen en bedoeld om de dosis die zou kunnen worden opgelopen in een noodsituatie of een bestaande blootstellingssituatie te voorkomen of beperken. Tot slot wordt er nieuw punt 9.7 ingevoegd met betrekking tot de opleiding van de agenten voor de stralingsbescherming bedoeld in artikel 9.3 waarin de exploitant verantwoordelijk wordt gesteld voor de opleiding van deze agenten. Artikel 9.Dit artikel wijzigt artikel 18 van het ARBIS. De vrijgave van radioactieve afvalstoffen waarvan de activiteitsconcentratie hoger is dan de waarden opgenomen in bijlage IB moet het voorwerp uitmaken van een vergunningsaanvraag via artikel 18 van het ARBIS. De afvalstoffen die conform zijn met de niveaus vermeld in bijlage IA en voor hoeveelheden van kleiner dan 1 ton zijn, rekening houdende met een maximale jaarlijkse hoeveelheid van 1 ton, vrijgesteld van de verplichting tot van een impactstudie (artikel 18.2, 2° van het ARBIS). Voor grotere hoeveelheden of voor afvalstoffen waarvan de activiteitsconcentraties hoger zijn dan de waarden vastgelegd in bijlage IA, moet een specifieke impactstudie aantonen dat de criteria van het huidige ARBIS onder meer worden nageleefd, waaronder een maximale effectieve dosis van 10µSv/jaar voor het publiek. De wijziging aan artikel 18.3 van het ARBIS brengt de tekst van deze bepaling in lijn met de bepalingen inzake vrijgave en vrijstelling van de richtlijn 2013/59/Euratom zoals omgezet in bijlage IA en bijlage IB van het ARBIS. Artikel 10.Dit artikel wijzigt artikel 20 van het ARBIS. In artikel 20 van het ARBIS worden onder meer volgende wijzigingen aangebracht: 1° in 20.1.1.1 wordt een vergunning voor de inrichting voor de niet-medische beeldvorming voorzien, alsook de mogelijkheid voor het Agentschap om, in overleg met de exploitant, een dosisbeperking op te leggen. Deze dosisbeperking zal worden gehanteerd voor de blootstelling van individuen. De verplichting om de Hoge Gezondheidsraad te raadplegen voor het verbod op medische handelingen is verplaatst naar artikel 19, 7° van de wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/04/1994 pub. 14/10/2011 numac 2011000621 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 15/04/1994 pub. 19/03/2013 numac 2013000145 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Duitse vertaling. - Erratum type wet prom. 15/04/1994 pub. 25/08/2017 numac 2017031028 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuse coördinatie in het Duits. - Erratum sluiten en is dus niet meer nodig in het ARBIS. 2° in 20.1.3: toepassing van de dosislimiet voor de ooglens van 20 mSv, zoals voorzien door richtlijn 2013/59/EURATOM; 3° in 20.1.3 wordt het vierde lid opgeheven omdat deze bepaling overbodig is geworden door de wijziging van de artikelen 37quater tot 37sexies; 4° in 20.1.5: toepassing van de dosislimiet voor de ooglens van 15 mSv, zoal voorzien door richtlijn 2013/59/EURATOM; 5° in artikel 20.1.6, h): legistieke verwijzing naar Boek V van de Codex Welzijn op het werk; 6° in 20.1.6, i) wordt de verplichting toegevoegd om in het gezondheidsdossier de rechtvaardiging over te nemen voor elke blootstelling met speciale vergunning, de precieze omstandigheden ervan, alsook de waarden van de opgelopen doses en/of de volgdosis voor de betrokken persoon. Dit is de omzetting van de bepalingen vermeld in de artikels 43, 48 en 52 van richtlijn 2013/59/EURATOM. Bovendien wordt de bepaling geschrapt met betrekking tot het feit dat de opgelopen en/of de volgdosis met speciale vergunning apart in de blootstellingstabel moeten worden opgenomen, vermits deze wordt vervangen door de directe overdracht van de doses en de informatie dienaangaande naar het blootstellingsregister; 7° 20.1.6, j) wordt opgeheven; 8° in 20.1.7: in het tweede lid, waarin wordt bepaald dat elke blootstelling bij ongeval in het gezondheidsdossier dient te worden opgenomen, wordt er met het oog hierop toegevoegd dat de gegevens over de precieze omstandigheden van deze blootstelling, alsook de waarden van de doses en/of van de volgdoses die door de betrokken persoon werden opgelopen hierin ook dienen te worden opgenomen. Dit is de omzetting van de bepalingen van de artikelen 42, 43 en 48 van richtlijn 2013/59/EURATOM. De andere wijzigingen van 20.1.7. zijn analoog met deze van 20.1.6 betreffende de blootstelling met speciale vergunning en kunnen derhalve op dezelfde wijze worden verantwoord; 9° in 20.2.1 en 20.2.2. vervangt het begrip bestaande blootstellingssituatie de term "langdurige blootstelling"; 10° in 20.2.2 wordt het referentieniveau voor de radonconcentraties binnen gebouwen, vastgelegd in artikel 74 van richtlijn 2013/59/EURATOM, vermeld in punt e). Het in artikel 75 van richtlijn 2013/59/EURATOM vastgestelde referentieniveau voor bouwmaterialen wordt opgenomen in punt f); 11° in 20.2.3: hebben de wijzigingen betrekking op de omzetting van de bepalingen vermeld in de artikelen 43, 48 en 53 van de richtlijn 2013/59/EURATOM m.b.t. de beroepshalve blootstelling in noodsituaties. De andere wijzigingen in 20.2.3 zijn analoog aan deze die werden doorgevoerd in 20.1.6. en 20.1.7 m.b.t. de blootstellingen met speciale vergunning en de blootstellingen bij ongeval en kunnen derhalve op dezelfde wijze worden verduidelijkt; 12° in artikel 20.3 worden de referentieniveau waarmee rekening moet worden gehouden voor de corrigerende maatregelen vermeld. Voor de blootstelling aan radon bedraagt de effectieve dosis 6 millisievert en werd het referentieniveau verlaagd naar 300 Bq/m3. Artikel 11.Dit artikel vervangt artikel 24 van het ARBIS. De nieuwe versie van artikel 24 krijgt een andere titel, "Gezondheidstoezicht", die aansluit op de terminologie in de Codex Welzijn op het werk. Deze nieuwe versie wordt ook anders opgebouwd en bestaat nu uit twee delen. Artikel 24.1 verduidelijkt dat de met dit toezicht belaste arbeidsartsen in het bezit moeten zijn van de in artikel 75 van het ARBIS bedoelde erkenning, maar dat in een radiologische noodsituatie of voor beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen worden aangewend het gezondheidstoezicht aan niet-erkende artsen kan worden uitbesteed, mits dit wordt uitgeoefend onder het toezicht van een erkende arts; en dit om het nodige personeel vrij te maken. Bij een grootschalige radiologische noodsituatie waar talloze werknemers voor interventies worden ingezet, zou het, gelet op het huidige aantal erkende artsen ondenkbaar zijn om al deze werknemers na hun interventie een medisch onderzoek in het kader van het gezondheidstoezicht te laten ondergaan bij een erkende arts. Ook voor beroepshalve blootgestelde personen die betrokken zijn bij beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen worden aangewend is het door de aard en graad van de blootstelling niet aangewezen elk medisch onderzoek in het kader van het gezondheidstoezicht te laten uitvoeren door een erkende arts. In beide gevallen is het niettemin wenselijk dat het gezondheidstoezicht wordt uitgeoefend onder het toezicht van een erkende arts. In artikel 24.2 wordt nauwkeurig aangegeven welke andere taken de erkende arts vervult dan die waarin titel 5 (Ioniserende stralingen) van boek V (Omgevingsfactoren en fysische agentia) van de Codex over het welzijn op het werk voorziet, met name op het niveau van het individueel dosimetrisch toezicht op de werknemers. Dit is niet alleen bedoeld ter bevordering van de duidelijkheid, maar ook om het bestaansrecht van dit beroep te verstevigen ten aanzien van andere praktijkmensen, zoals de deskundigen erkend in de fysische controle en de agenten voor de stralingsbescherming. Tevens moet hieruit naar voren komen dat de taken van de erkende arts een aanvulling vormen op die van de dienst voor fysische controle. Met de punten 1°, 2°, 3° et 4° van artikel 24.2 wordt beoogd de samenwerking met de arts te bevorderen voor wat betreft de risicoanalyse gericht op stralingsbescherming, de inhoud van de programma's voor basisopleiding en permanente vorming van werknemers, de afstemming van de beschermingsmiddelen en het dosimetrisch toezicht en de rechtvaardiging van blootstellingen met speciale vergunning. Het doel hiervan is om het de arts mogelijk te maken een nuttige bijdrage te leveren met betrekking tot de aspecten die verband houden met het gezondheidstoezicht van de betrokken werknemers. Artikel 12.Dit artikel vervangt artikel 25 van het ARBIS. Het nieuwe artikel 25 bestaat uit drie delen. Artikel 25.1 bepaalt dat de bepalingen inzake opleiding en informatie van de werknemers en externe werkers door de vergunninghouder (exploitant, ondernemingshoofd) moeten worden georganiseerd, en dit ook voor de werknemers, en externe werkers bestemd om te worden ingeschakeld in een radiologische noodsituatie. De verplichting om de opleidingsprogramma's met documenten te staven, wordt gespecificeerd. Ook moet elke werknemer of externe werker een voldoende en aangepaste vorming krijgen, speciaal gericht op zijn werkpost. Daarnaast worden er praktische oefeningen gevraagd ter aanvulling van de theoretische opleidingen. Wanneer er sprake is van hoogactieve ingekapselde bronnen, zijn de bepalingen van richtlijn 2013/59/EURATOM betreffende de opleiding van de tewerkgestelden van toepassing. In artikel 25.2 wordt bepaald welke informatie en opleiding voorafgaand verschaft moet worden aan de werknemers en externe werkers die van tevoren geïdentificeerd werden om bij interventies in radiologische noodsituaties ingeschakeld te worden. In artikel 25.3 wordt bepaald welke informatie en opleiding voorafgaand verschaft moet worden aan de werknemers en externe werkers die niet van tevoren geïdentificeerd werden om bij interventies in radiologische noodsituaties ingeschakeld te worden. Artikel 13.Dit artikel vervangt omwille van uniformiteit in de Franse versie van artikel 26 van het ARBIS het woord "externes" door het woord "extérieurs". Artikel 14.Dit artikel voegt in het ARBIS een nieuw artikel 27ter in houdende een principieel verbod op opslag van radioactieve stoffen buiten gebouwen. Afwijkingen zijn mogelijk voor de inrichtingen van klasse I die aan specifieke veiligheidsvoorschriften onderworpen zijn. Deze afwijkingen zijn mogelijk mits naleving van strikte voorwaarden. Deze voorwaarden hebben onder meer betrekking op: 1° de rechtvaardiging van de opslag buiten gebouwen: deze opslag buiten gebouwen is noodzakelijk, er is een andere oplossing binnen ten hoogste 2 jaar, de omvang ervan is beperkt, er kan worden aangetoond dat het veiligheidsniveau van deze opslag gelijkwaardig is met datgene wat binnen het gebouw zou gelden; 2° de kenmerken van de radioactieve stoffen: ze zijn stabiel, vormen een beperkt risico,...; 3° er wordt een recipiënt (waarin de stoffen zitten) gebruikt met gegarandeerde kenmerken; 4° de kenmerken van de opslaginstallatie: ontwerp, beheer van de componenten waardoor de veiligheid gegarandeerd kan worden, een inventaris, waarborgen inzake recupereerbaarheid van de stoffen, onderhouds- en toezichtprogramma,... Voor de colli, containers of tanks voor bedoeld in het koninklijk besluit van 22 oktober 2017Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/10/2017 pub. 30/10/2017 numac 2017205650 bron federaal agentschap voor nucleaire controle Koninklijk besluit betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 sluiten betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 wordt een uitzondering voorzien. Deze mogen maximaal één week buiten gebouwen worden geplaatst met de bedoeling om met toepassing van het voornoemde koninklijke besluit van 22 oktober 2017 de afvoer of aanvoer van deze colli, containers of tanks mogelijk te maken. Het artikel wordt onderverdeeld in zes delen. Artikel 27ter.1 geeft aan dat, behoudens indien een exploitant over een specifieke vergunning daartoe beschikt, in beginsel verboden is om radioactieve stoffen op te slaan buiten gebouwen. Onder bepaalde, limitatief opgesomde, voorwaarden is het evenwel mogelijk van dat verbod af te wijken. Deze omstandigheden hebben betrekking op de aanwezigheid van radioactieve stoffen, inclusief afval, met een laag risico (toepassing van het principe van de graded approach) waarvoor er specifieke beschermingsmaatregelen werden uitgevaardigd. Deze maatregelen zijn onder andere deze die worden opgelegd door het koninklijk besluit van 30 november 2011Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/11/2011 pub. 21/12/2011 numac 2011206225 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende veiligheidsvoorschriften voor kerninstallaties sluiten houdende veiligheidsvoorschriften voor kerninstallaties. Omwille van deze redenen zijn de afwijkingsmogelijkheden beperkt tot inrichtingen van klasse I. Het lage risico sluit die gevallen uit die als een belangrijke vergunningswijziging worden beschouwd en waarvoor bijgevolg een nieuwe vergunning, overeenkomstig de artikels 6, 12 of 17.2, nodig zou zijn. In artikel 27ter.2 worden bijkomende voorwaarden opgelegd met betrekking tot de radioactieve stoffen zelf. Artikel 27ter.3 bevat de bijkomende voorwaarden waaraan de containers waarin de radioactieve stoffen moeten worden opgeborgen, moeten aan voldoen. In artikel 27ter.4 worden de elementen opgesomd die het rechtvaardigingsdossier, vermeld in artikel 27ter.1, 2°, c) moet bevatten. Artikel 27ter.5 bevat nog een aantal verplichtingen waaraan de exploitant moet voldoen om radioactieve stoffen te mogen/kunnen opslaan buiten gebouwen. Artikel 27ter.6 verduidelijkt dat het Agentschap technische reglementen kan opmaken met betrekking tot de modaliteiten van de inventaris bedoeld in artikel 27ter.5. Een aantal belangrijke kenmerken van deze specifieke vorm van opslag zijn: 1° aangezien het om "opslag" gaat, is er sprake van een "tijdelijk" karakter, met name maximaal 2 jaar;2° de overschrijding van de vooropgestelde nominale benuttingsgraad van de opslaginstallaties tijdens normale exploitatie en de naleving van een actieplan om de toestand binnen een redelijke termijn te regulariseren, maakt deel uit van de rechtvaardiging voor de opslag van radioactieve stoffen buiten gebouwen;3° de opslag van radioactieve stoffen buiten gebouwen: a) wordt veroorzaakt door een situatie buiten de wil om van de exploitant (dit is bijvoorbeeld het geval bij incidenten); of b) heeft betrekking op toestellen die nog werken en waarvoor een gebruik voorzien is in de inrichting; of c) heeft betrekking op radioactief afval waarvan hetzij de verwijdering uit de inrichting reeds werd aangevat (er werd reeds een oplossing inzake verwijdering overeengekomen), hetzij waarvoor in de inrichting reeds een behandelproces bestaat dat op korte termijn zal worden geïmplementeerd (een behandel- of conditioneringsprocédé werd ter goedkeuring voorgelegd aan NIRAS).Radioactief afval waarvoor nog geen verwijderingstraject voorhanden is, behoort dus niet tot de hier bedoelde voorbeelden, want in dat geval kan een exploitant geen realistische opslagtermijn garanderen; 4° de stabiliteit van een radioactieve stof houdt in dat deze stof er in dezelfde toestand moet kunnen worden aangetroffen als deze waarin ze er geplaatst werd;5° opslag buiten gebouwen is aanvaardbaar voor onder meer de volgende soorten radioactieve stoffen: a) besmet materiaal (geen afval) dat door de exploitant zal worden hergebruikt: steigers, biologische bescherming;b) radioactief afval dat mogelijk kan worden vrijgegeven;c) metalen bestemd om naar een smelterij te worden overgebracht;d) laagradioactief afval.6° opslag buiten gebouwen is daarentegen niet aanvaardbaar voor de volgende soorten radioactieve stoffen: a) vloeistoffen, gassen en wateroplosbare stoffen;b) ingekapselde bronnen, middel- en hoogactieve radioactieve stoffen, stoffen die hoofdzakelijk uit alfastralers bestaan;c) splijtstoffen.Het verbod op splijtstoffen heeft betrekking op stoffen die als splijtstoffen of alfa-afval (A2X en A3X) kunnen worden gebruikt. Dit verbod heeft geen betrekking op stoffen die hiervan sporen bevatten van splijtbaar materiaal. 7° containers met een conformiteitscertificaat CSC en gekwalificeerd als IP-2 zijn aanvaardbare lekvrije recipiënten.Flexibele IBC's, metalen vaten van 200L of 400L en containers van 1 m3 zijn dit niet; 8° in de inventaris moeten alle bewegingen worden bijgehouden zodat de verplaatsingen bij aankomst of vertrek gekend zijn; 9° het equivalente-dosistempo van 27ter2.6° wordt gemeten zonder afscherming zoals gedefinieerd in het artikel 27 2°. Artikel 15.Dit artikel wijzigt artikel 30 van het ARBIS. Artikel 30.6 van het ARBIS wordt vervangen om de volgende wijzigingen door te voeren: - De titel werd gewijzigd in "individueel dosimetrisch toezicht" omwille van de coherentie met de wijzigingen aangebracht aan het ARBIS m.b.t. het blootstellingsregister, de radiologische bescherming van de externe werkers en het stralingspaspoort. - Het huidig artikel 30.6 is zeer summier m.b.t. de wijze waarop het individueel dosimetrisch toezicht moet worden uitgevoerd. Er werden praktische bepalingen uitgewerkt voor het individueel dosimetrisch toezicht bij een externe blootstelling van het volledige lichaam, de ledematen en de ooglens, gebaseerd op het document RP 160, gepubliceerd door de Europese Commissie in 2009, met als titel: « Technical Recommendations for Monitoring Individuals Occupationally Exposed to External Radiation » en op de norm ISO 15382 « Radiological protection - Procedures for monitoring the dose to the lens of the eye, the skin and the extremities » gepubliceerd in 2015. Meer specifieke bepalingen m.b.t. de schatting van de dosis in geval van een dubbele dosimetrie (dragen van een loodschort gecombineerd met het dragen van een dosimeter boven en een onder de loodschort) worden met name ontwikkeld. - Artikel 30.6 wordt geherstructureerd en bevat voortaan de volgende 6 rubrieken: "Algemeen", "Programma voor het individueel dosimetrisch toezicht", "Bewaring van de resultaten", "Overdracht van de resultaten aan het Agentschap" en "Erkenning van de diensten die metingen voor dosimetrie uitvoeren". o In de rubriek 30.6.1. `Algemeen' worden naast de exploitanten andere mogelijke verantwoordelijken opgesomd voor de organisatie van het dosimetrisch toezicht op de werknemers: de ondernemingshoofden in de sector van het vervoer van radioactieve stoffen of de ondernemingshoofden verantwoordelijk voor mobiele installaties. Volgens artikel 9.3, gewijzigd door dit besluit, kan deze verplichting evenwel ook van toepassing zijn op de exploitanten van beroepsactiviteiten die gebruik maken van natuurlijke stralingsbronnen (met name de NORM-sector of de burgerluchtvaart) wanneer de beroepshalve blootstelling, ondanks de toepassing van remediëringsmaatregelen, de in dit artikel vastgestelde niveaus overschrijdt. o De rubriek 30.6.2 "Programma voor het individueel dosimetrisch toezicht" bevat precieze praktische bepalingen m.b.t. het dosimetrisch toezicht. De punten 30.6.2.1 en 30.6.2.2.hebben respectievelijk betrekking op de externe en de interne blootstellingen. In punt 30.6.2.1, § 3, punt 2° wordt met name bepaald dat voor het routinematig individueel dosimetrisch toezicht van de ooglens de dosimeter zo dicht mogelijk bij het oog gedragen moet worden en achter de beschermingsmiddelen. Onder beschermingsmiddel wordt hier een loodbril bedoeld. In punt 30.6.2.3 wordt de mogelijkheid van alternatieve methodes vermeld voor een aantal van de opgesomde situaties. o De rubriek 30.6.3 "Bewaring van de resultaten" behoeft geen verdere uitleg. o De rubriek 30.6.4. "Overdracht van de resultaten aan het Agentschap" legt aan de exploitant of, bij ontstentenis, aan het ondernemingshoofd de verplichting op om de resultaten van het individueel dosimetrisch toezicht over te dragen naar het blootstellingsregister. Indien er een dienst voor fysische controle bestaat, dan gebeurt de overdracht onder toezicht van de erkende deskundige in de fysische controle. Indien er geen dienst voor fysische controle bestaat (bv. NORM-sector of burgerluchtvaart), gebeurt de overdracht onder toezicht van de preventieadviseur. In de praktijk wordt de overdracht uitgevoerd door de persoon of entiteit die daartoe door de exploitant of het ondernemingshoofd is gemachtigd. Wanneer de overdracht in de praktijk wordt uitgevoerd door een externe entiteit of persoon (die niet afhankelijk is van de exploitant of het ondernemingshoofd), moet een goede organisatie en een goede samenwerking worden opgezet (idealiter in het kader van een schriftelijke overeenkomst tussen de betrokken partijen), zodat de overdrachten correct worden uitgevoerd en de supervisies voorzien in artikel 30.6.4 mogelijk zijn. In dit geval deelt de externe entiteit of persoon vóór de overdracht naar het blootstellingsregister de resultaten van het individueel dosimetrisch toezicht mee aan de deskundige erkend in de fysische controle (of aan de preventieadviseur of de exploitant/ het ondernemingshoofd zelf) zodat deze laatste, na ze eventueel gecorrigeerd te hebben, hun overdracht autoriseert. Er kan bijvoorbeeld een regeling worden getroffen met de erkende dosimetrische dienst om de overdracht af te handelen. o De rubriek 30.6.5. `Erkenning van de diensten die metingen voor dosimetrie uitvoeren' bepaalt het procedureel kader voor de erkenningsaanvraag van voormelde diensten. De gevraagde erkenning kan door het Agentschap worden beperkt in de tijd, tot bepaalde deelgebieden en tot bepaalde toepassingsgebieden. In de 2e paragraaf van § 1 werd een bepaling voorzien om situaties te verhelpen waarbij de capaciteit van de diensten erkend voor het uitvoeren van radiotoxicologische analyses in geval van een grootschalige radiologische noodsituatie niet toereikend is. Deze bepaling bestaat erin dat het Agentschap in een dergelijk situatie kan besluiten om deze analyses te laten uitvoeren door andere niet-erkende laboratoria die over voldoende materiaal, kennis en ervaring beschikken voor de correcte uitvoering van deze analyses. In artikel 30.7 wordt de verwijzing naar artikel 56 van het ARBIS vervangen door een verwijzing naar het koninklijk besluit van 22 oktober 2017Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/10/2017 pub. 30/10/2017 numac 2017205650 bron federaal agentschap voor nucleaire controle Koninklijk besluit betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 sluiten betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 dat werd uitgevaardigd ter vervanging van hoofdstuk VII van het ARBIS. Er wordt gesteld dat de bepalingen van artikel 30.6 niet van toepassing zijn op het vervoer van gevaarlijke goederen van klasse 7. Artikel 16 Dit artikel wijzigt artikel 31 van het ARBIS. In artikel 31.5 wordt de verwijzing naar Hoofdstuk VII vervangen door een verwijzing naar het koninklijk besluit van 22 oktober 2017Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/10/2017 pub. 30/10/2017 numac 2017205650 bron federaal agentschap voor nucleaire controle Koninklijk besluit betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 sluiten betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7. Daarnaast wordt er een nieuw punt 31.6 toegevoegd om te voldoen aan de bepalingen van richtlijn 2013/59/EURATOM omtrent de inlichtingen met betrekking tot de risico's van ioniserende stralingen die aan zwangere vrouwen of vrouwen die borstvoeding geven moeten worden verleend. Vooral in wachtkamers (medische inrichtingen, dierenartspraktijken) moet de nodige informatie worden aangebracht om personen te waarschuwen voor deze risico's. Artikel 17.Dit artikel wijzigt artikel 33 van het ARBIS. Het begrip "blootstelling in een noodsituatie" wordt hier geïntroduceerd. Artikel 18.Dit artikel wijzigt artikel 34 van het ARBIS. In de Franse versie van artikel 34.4 worden de woorden "du stockage" vervangen door de woorden "de l'entreposage" om verwarring te voorkomen tussen de berging van radioactief afval en de opslag ervan. Daarnaast wordt artikel 34 aangevuld met een punt 34.6 dat algemene vrijgaveniveaus bevat voor vloeistoffen, zoals bijvoorbeeld oliën en koelvloeistof. Tot op heden werd daarvoor niets voorzien in het ARBIS. Omwille van chemische en milieuredenen kunnen dergelijke vloeibare afvalstoffen niet verwijderd worden via de normale lozingswegen. Aangezien het beperkte hoeveelheden vrij te geven chemisch belaste vloeistoffen betreft die na vrijgave niet geloosd mogen worden in de riolering of oppervlaktewateren (zodat de waarden van tabel H1 van bijlage III van het ARBIS niet relevant zijn) maar worden verwijderd op wijze die identiek is aan de verwijdering van vrij te geven vaste stoffen (bijv. stort, verbrandingsoven, ...) als vrij te geven vaste afvalstoffen, wordt bepaald dat : 1° voor kleine hoeveelheden chemisch belaste vloeistoffen (Indien het gaat om radioactieve stoffen met een halveringstijd van minder dan zes maanden, is de beperking van één ton per jaar niet van toepassing aangezien die enkel kunnen vrijgegeven worden na een nagenoeg volledig verval in toepassing van artikel 35.2, 2e lid. 2° voor grotere hoeveelheden vloeistoffen (> 1 ton/jaar) of voor activiteitsconcentraties boven de algemene vrijgaveniveaus van bijlage IB, nog steeds een vrijgavevergunning zoals voorzien in artikel 18 van het ARBIS vereist is. Artikel 19.Deze bepaling wijzigt artikel 35 van het ARBIS. In de Franse versie van artikel 35.2, tweede lid worden de woorden "un stockage" et "ce stockage" respectievelijk vervangen door de woorden "un entreposage" et "cet entreposage" om verwarring te voorkomen tussen de berging van radioactief afval en de opslag ervan. Daarnaast wordt artikel 35 aangevuld met een punt 35.6. In dat punt wordt aan het Agentschap de bevoegdheid toegekend om een technisch reglement uit te vaardigen, waarin vrijgaveniveaus worden vastgelegd voor gebouwen, voor specifieke materialen of voor materialen afkomstig van specifieke handelingen en dat bijkomende voorschriften voor oppervlakteactiviteit en monitoring kan bevatten. In artikel 30.2, b van richtlijn 2013/59/EURATOM wordt de mogelijkheid voorzien dat de nationale bevoegde autoriteit bijkomende (nuclide-specifieke) vrijgaveniveaus voor specifieke materiaalstromen (bv. bouwafval of metalen uit ontmanteling) vastlegt. Punt 2.c van bijlage VIII van Richtlijn 2013/59/EURATOM voorziet ook dat er voorschriften voor oppervlaktebesmetting kunnen worden vastgelegd, die momenteel ontbreken in de Belgische regelgeving. Deze vrijgaveniveaus en voorschriften worden bepaald overeenkomstig de criteria van bijlage IB, punt 2 en 3, die overeenkomen met de criteria van bijlage VII, punt 3, van Richtlijn 2013/59/EURATOM. De richtsnoeren waarvan sprake in artikel 35.6 worden specifiek vermeld in punt 39 van de aanhef van richtlijn 2013/59/EURATOM, namelijk de studies RP 1131 en RP 892. Artikel 20.Dit artikel vervangt in de Franse tekst van artikel 36 van het ARBIS de woorden "du stockage" door "de l'entreposage" om verwarring te voorkomen. De berging van radioactief afval is immers niet hetzelfde als de opslag van radioactief afval. Artikel 21.Dit artikel wijzigt artikel 37 van het ARBIS. In de Franse tekst van artikel 37.1 wordt het woord "stockés" vervangen door het woord "entreposés" om verwarring te voorkomen tussen enerzijds de berging van radioactief afval en anderzijds de opslag van radioactief afval. Artikel 37.3 wordt vervangen als gevolg van de invoeging van een nieuwe bepaling (artikel 27/2) in het ARBIS omtrent de opslag van radioactieve stoffen buiten gebouwen. Wat dat betreft wordt ook verwezen naar de toelichting onder artikel 14 van onderhavig besluit. In concreto wordt het verbod om radioactieve afvalstoffen op de grond of onder de grond op te slaan wordt vervangen door: 1° de verplichting om in alle omstandigheden het radioactief afval in hermetisch afgesloten recipiënten te plaatsen;2° de verplichting om het radioactief afval op te slaan in de installaties of delen van de installatie die hiervoor voorzien zijn. Artikel 37.3 is van toepassing op elk gedeelte van een inrichting (binnen of buiten gebouwen). Het speciaal voorzien van een installatie of een deel van een installatie voor het beheer van afval zorgt ervoor dat het afval van andere stoffen wordt gescheiden . Artikel 22.Rekening gehouden enerzijds met de toekenning aan het Agentschap van de bevoegdheid inzake dosimetrisch toerzicht door de wet van 26 januari 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/01/2014 pub. 18/02/2016 numac 2016000091 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, wat betreft het dosimetrisch toezicht. - Duitse vertaling type wet prom. 26/01/2014 pub. 10/03/2014 numac 2014201178 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, wat betreft het dosimetrisch toezicht sluiten tot wijziging van de wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/04/1994 pub. 14/10/2011 numac 2011000621 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 15/04/1994 pub. 19/03/2013 numac 2013000145 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Duitse vertaling. - Erratum type wet prom. 15/04/1994 pub. 25/08/2017 numac 2017031028 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuse coördinatie in het Duits. - Erratum sluiten en anderzijds met de bepalingen voorzien in artikel 51 en in bijlage X van de richtlijn 2013/59/EURATOM, worden de artikelen 37quater en 37quinquies van het ARBIS gewijzigd en wordt een artikel 37sexies toegevoegd. Het algemeen kader voor de verdeling van de respectieve verantwoordelijkheden van de externe ondernemingen en de exploitanten of ondernemingshoofden met betrekking tot de stralingsbescherming en de veiligheid van de externe werkers is: 1° …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.