Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Decreet betreffende het onroerend erfgoed

Kort samengevat

Dit decreet, genaamd het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, regelt aangelegenheden betreffende onroerend erfgoed in Vlaanderen. Het definieert verschillende termen en stelt instanties en actoren in die betrokken zijn bij het onroerenderfgoedbeleid.

Wat het regelt

  • Definities van begrippen zoals archeologie, monumenten, cultuurhistorische landschappen en stads- of dorpsgezichten.
  • De oprichting en werking van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed.
  • De erkenning van gemeenten als onroerenderfgoedgemeenten.
  • De erkenning van intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten.

Wie het aanbelangt

  • Administratieve overheden en entiteiten die belast zijn met beleidsvoorbereiding, -uitvoering, -monitoring en -evaluatie inzake onroerend erfgoed.
  • Natuurlijke personen of rechtspersonen die archeologisch onderzoek uitvoeren (archeologen) of metaaldetectoren gebruiken (metaaldetectoristen).
  • Gemeenten die erkend willen worden als onroerenderfgoedgemeente en intergemeentelijke diensten die erkend willen worden als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst.

Kernpunten

  • Het decreet definieert "onroerend erfgoed" als het geheel van archeologische sites, monumenten, cultuurhistorische landschappen en stads- en dorpsgezichten.
  • De Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed is een onafhankelijke adviescommissie die adviezen verstrekt over aangelegenheden binnen het toepassingsgebied van dit decreet.
  • Leden van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed worden benoemd voor een termijn van vier jaar, die twee keer verlengd kan worden.
  • De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor de erkenning van onroerenderfgoedgemeenten en intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten.
Wettekst
Wettekst

12 JULI 2013. - Decreet betreffende het onroerend erfgoed

(1)Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : Decreet betreffende het onroerend erfgoed HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen Artikel 1.1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid. Art. 1.2. Dit decreet wordt aangehaald als : het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. HOOFDSTUK 2. - Definities Art. 2.1. In dit decreet wordt verstaan onder : 1° administratieve overheid : de federale overheidsbedrijven, het Vlaamse Gewest, de openbare instellingen die ervan afhangen, de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke instellingen die belast zijn met taken van openbaar nut en de andere besturen die onderworpen zijn aan het administratief toezicht van het Vlaamse Gewest;2° agentschap : de entiteit die door de Vlaamse Regering belast is met de beleidsvoorbereiding, de beleidsuitvoering, de beleidsmonitoring en de beleidsevaluatie inzake onroerend erfgoed;3° algemene landschapszorg : het stimuleren van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van cultuurhistorische, fysisch-geografische en esthetische landschapswaarden en van typische landschapskenmerken waaronder kleine landschapselementen;4° archeologie : het bestuderen van overblijfselen en voorwerpen of een ander spoor van menselijk bestaan in het verleden, alsook de bestaansomgeving van de mens, waarvan het behoud en de bestudering bijdragen tot het reconstrueren van de bestaansgeschiedenis van de mensheid en haar relatie tot de natuurlijke omgeving en ten aanzien waarvan opgravingen, ontdekkingen en andere methoden van onderzoek betreffende de mensheid en haar omgeving betekenisvolle bronnen van informatie zijn;5° archeologisch artefact : een roerend goed dat van algemeen belang is wegens de archeologische erfgoedwaarde;6° archeologisch ensemble : het geheel van archeologische artefacten en onderzoeksdocumenten afkomstig van een archeologisch onderzoek;7° archeologisch onderzoek : het gebruik van technieken en methoden waarmee archeologische sites, archeologische zones of delen ervan worden opgespoord en onderzocht met inbegrip van archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen;8° archeologisch vooronderzoek : het gebruik van wetenschappelijke methoden en technieken waarmee doelbewust archeologische artefacten en archeologische sites worden opgespoord en gewaardeerd zonder de erfgoedwaarden in situ wezenlijk aan te tasten, te onderscheiden in archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem met mogelijks enig effect op de erfgoedwaarden in situ zoals de aanleg van proefsleuven, proefputten, vlakken of andere intrusieve methoden met grondverzet en archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem zonder aanwending van grondwerkzaamheden of activiteiten die enig effect hebben op de erfgoedwaarden in situ.Voorbeelden van archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem zijn veldprospectie, luchtfotografische prospectie, geofysische prospectie en archivalisch onderzoek; 9° archeologische opgraving : het gebruik van wetenschappelijke methoden en technieken waarmee doelbewust de ondergrondse, aan de oppervlakte of onder water aanwezige archeologische artefacten en archeologische sites worden opgespoord, vrijgelegd en door opgraving worden onderzocht en waarbij de archeologische artefacten en onderzoeksdocumenten archeologische ensembles vormen;10° archeologische site : een onroerend goed dat ondergronds, aan de oppervlakte of onder water aanwezig is, met inbegrip van de archeologische artefacten die er integrerend deel van uitmaken, van algemeen belang wegens de archeologische erfgoedwaarde;11° archeologische zone : zone waar op basis van waarnemingen en wetenschappelijke argumenten onderbouwd kan worden dat ze met hoge waarschijnlijkheid archeologische waarde heeft;12° archeoloog : een natuurlijke persoon of rechtspersoon die archeologisch vooronderzoek of archeologische opgravingen uitvoert;13° beheer : het geheel van maatregelen, werkzaamheden en handelingen die erop gericht zijn de erfgoedwaarden van een onroerend goed in stand te houden of te herstellen;14° beschermd cultuurhistorisch landschap : een cultuurhistorisch landschap dat voorlopig of definitief beschermd is overeenkomstig hoofdstuk 6;15° beschermd goed : een beschermde archeologische site, een beschermd monument, een beschermd cultuurhistorisch landschap of een beschermd stads- of dorpsgezicht;16° beschermd monument : een monument dat voorlopig of definitief beschermd is overeenkomstig hoofdstuk 6;17° beschermd stads- of dorpsgezicht : een stads- of dorpsgezicht dat voorlopig of definitief beschermd is overeenkomstig hoofdstuk 6;18° beschermde archeologische site : een archeologische site die voorlopig of definitief beschermd is overeenkomstig hoofdstuk 6;19° bestuursdwang : het handelen vanwege de inspecteur Onroerend Erfgoed tegen wat in strijd is met de bij of krachtens dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan gestelde verplichtingen;20° beveiligde zending : een van de volgende betekeningswijzen :
  1. a)een aangetekende brief;
  2. b)een afgifte tegen ontvangstbewijs;
  3. c)elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;21° code van goede praktijk : geschreven en publiek toegankelijke regels met betrekking tot de uitvoering van en de rapportering over archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen en met betrekking tot het gebruik van detectoren en de bij de betrokken beroepscategorieën algemeen aanvaarde regels van goed vakmanschap;22° cultuurhistorisch landschap : een begrensde grondoppervlakte met een geringe dichtheid van bebouwing en een onderlinge samenhang waarvan de verschijningsvorm en de samenhang het resultaat zijn van natuurlijke processen en van maatschappelijke ontwikkelingen van algemeen belang wegens de erfgoedwaarde;23° erfgoedelementen : de structurele en visuele componenten die de eigenheid van het onroerend erfgoed bepalen en die de waarden vormen die aan de grondslag liggen van een bescherming;24° erfgoedkenmerk : typologie, stijl, cultuur, datering, materiaal, biologische soort, thema of ander kenmerk;25° erfgoedlandschap : een gebied dat wegens de erfgoedwaarde overeenkomstig de geldende regelgeving opgenomen is in een ruimtelijk uitvoeringsplan op basis van een onroerenderfgoedrichtplan of vastgestelde inventaris;26° erfgoedwaarde : de archeologische, architecturale, artistieke, culturele, esthetische, historische, industrieel-archeologische, technische waarde, ruimtelijk-structurerende, sociale, stedenbouwkundige, volkskundige of wetenschappelijke waarde waaraan onroerende goederen en de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken hun huidige of toekomstige maatschappelijke betekenis ontlenen;27° gebruiker : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die houder is van een zakelijk of persoonlijk recht, met uitsluiting van de eigenaar, blote eigenaar, erfpachthouder, opstalhouder of leasinggever;28° handelingen : werkzaamheden, wijzigingen of activiteiten met gevolgen voor erfgoedwaarden;29° inspecteur Onroerend Erfgoed : de ambtenaar die belast is met de hem door dit decreet toegewezen handhavingstaken, aangesteld door de leidend ambtenaar van de entiteit die door de Vlaamse Regering belast is met de handhaving van de regelgeving inzake onroerend erfgoed op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of een gedeelte ervan;30° intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst : een intergemeentelijke dienst die ter uitvoering van dit decreet met betrekking tot het onroerend erfgoed beleidsuitvoerende taken opneemt;31° inventaris : een oplijsting van onroerende goederen en gehelen van onroerende goederen met erfgoedwaarde;32° kleine landschapselementen : lijn- of puntvormige elementen, met inbegrip van de bijbehorende vegetaties, waarvan het uitzicht, de structuur of de aard al dan niet het resultaat zijn van menselijk handelen en die deel uitmaken van het landschap zoals bermen, bomen, bronnen, dijken, grachten, houtkanten, hagen, holle wegen, hoogstamboomgaarden, perceelsrandbegroeiingen, sloten, struwelen, poelen, veedrinkputten en waterlopen;33° landschap : een deel van het grondgebied, zoals dat door de menselijke bevolking wordt waargenomen en waarvan het karakter bepaald wordt door natuurlijke en/of menselijke factoren en de wisselwerking daartussen;34° landschapsatlas : de inventaris van de relicten van de traditionele landschappen waarin de landschapskenmerken weergegeven worden als ze een erfgoedwaarde hebben;35° last onder dwangsom : de door de inspecteur Onroerend Erfgoed opgelegde last die ertoe strekt de overtreder onder dreiging van aantasting van zijn vermogen aan te zetten de gevolgen van de inbreuk ongedaan te maken of verdere inbreuk of herhaling van de inbreuk te voorkomen;36° lijninfrastructuur en haar aanhorigheden : het geheel van infrastructuur en haar omgeving bedoeld voor verkeer en vervoer van mensen, zaken en goederen en berichten.De lijninfrastructuur omvat autowegen, waterwegen en waterlopen, spoorwegen, luchthavens, havens, pijpleidingen, elektriciteitsleidingen, infrastructuur ten behoeve van telecommunicatie, leidingen voor het vervoer en de verdeling van aardgas, drinkwater en brandstoffen en leidingen voor het verzamelen en vervoeren van afval- en hemelwater. Onder aanhorigheden worden alle uitrusting, voorzieningen en infrastructuur verstaan die nodig of nuttig zijn voor het beheer en de exploitatie van de lijninfrastructuur; 37° metaaldetectorist : een natuurlijke persoon of rechtspersoon die met behulp van een metaaldetector archeologische artefacten of archeologische sites opspoort;38° monument : een onroerend goed, werk van de mens of van de natuur of van beide samen, met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen van algemeen belang wegens de erfgoedwaarde(n);39° onroerend erfgoed : het geheel van archeologische sites, monumenten, cultuurhistorische landschappen en stads- en dorpsgezichten;40° onroerenderfgoeddepot : een bewaarplaats met een onderzoeksruimte waar in gecontroleerde omstandigheden archeologische ensembles, archeologische artefacten of onderdelen van beschermd erfgoed, afkomstig uit het Vlaamse Gewest, worden bewaard en beheerd;41° onroerenderfgoedgemeente : een gemeente die ter uitvoering van dit decreet met betrekking tot het onroerend erfgoed beleidsuitvoerende taken opneemt;42° onroerenderfgoedondernemer : een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een of meer disciplines uitoefent in of diensten levert aan de onroerenderfgoedsector;43° overgangszone : een begrensde grondoppervlakte die de erfgoedwaarde van een archeologische site, monument, cultuurhistorisch landschap of stads- en dorpsgezicht ondersteunt;44° SARO : de strategische adviesraad opgericht bij het decreet van 10 maart 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten0 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed;45° stads- of dorpsgezicht : een geheel van een of meer monumenten en/of onroerende goederen met omgevende bestanddelen zoals beplantingen, omheiningen, waterlopen, bruggen, wegen, straten en pleinen, van algemeen belang wegens de erfgoedwaarde;46° VCRO : Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;47° zakelijkrechthouder : de eigenaar, blote eigenaar, erfpachthouder, opstalhouder of leasinggever. HOOFDSTUK 3. - Instanties en actoren van het onroerenderfgoedbeleid Afdeling 1. - Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed Art. 3.1.1. Er wordt een onafhankelijke Vlaamse adviescommissie voor het onroerend erfgoed opgericht, hierna Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed te noemen. De Vlaamse Regering kan de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed onderverdelen in afdelingen. De Vlaamse Regering : 1° bepaalt de samenstelling, de kennis die over de verschillende disciplines aanwezig moet zijn, de organisatie en de werking;2° benoemt de leden en de plaatsvervangers;3° stelt de nodige middelen ter beschikking. De voorzitter, de leden en de plaatsvervangers worden benoemd voor een termijn van vier jaar. Hun mandaat kan twee maal verlengd worden met een nieuwe termijn van vier jaar. Art. 3.1.2. Het secretariaat van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed wordt uitgeoefend door het secretariaat van de SARO. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Art. 3.1.3. De Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed stelt haar huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring aan de Vlaamse Regering voor. Art. 3.1.4. De Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed verstrekt adviezen : 1° in de gevallen en rekening houdend met de termijnen, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;2° op verzoek van de Vlaamse Regering of haar gemachtigde of de SARO over een aangelegenheid die binnen het toepassingsgebied van dit decreet valt binnen de door de aanvrager vermelde termijn;3° uit eigen beweging aan de Vlaamse Regering of aan de SARO over een aangelegenheid die binnen het toepassingsgebied van dit decreet valt of over de afstemming van de onroerenderfgoedzorg met andere beleidsvelden. De Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed bezorgt de adviezen aan de SARO tegelijk aan de Vlaamse Regering. Afdeling 2. - Erkenning als onroerenderfgoedgemeente Art. 3.2.1. De Vlaamse Regering kan een gemeente erkennen als onroerenderfgoedgemeente. De Vlaamse Regering bepaalt : 1° de erkenningsvoorwaarden;2° de nadere regels voor de erkenning en de duur, de schorsing en de intrekking ervan;3° de nadere regels voor de toekenning van de bevoegdheden die in het kader van dit decreet aan de onroerenderfgoedgemeente kunnen worden toegekend. Afdeling 3. - Erkenning als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst Art. 3.3.1. De Vlaamse Regering kan een intergemeentelijke dienst opgericht overeenkomstig het decreet van 6 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/07/2001 pub. 31/10/2001 numac 2001035984 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de intergemeentelijke samenwerking sluiten houdende intergemeentelijke samenwerking erkennen als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst. De Vlaamse Regering bepaalt : 1° de erkenningsvoorwaarden;2° de nadere regels voor de erkenning en de duur, de schorsing en de intrekking ervan. Afdeling 4. - Erkenning als onroerenderfgoeddepot Art. 3.4.1. De Vlaamse Regering kan een depot erkennen als onroerenderfgoeddepot. De Vlaamse Regering bepaalt : 1° de erkenningsvoorwaarden;2° de nadere regels voor de erkenning en de duur, de schorsing en de intrekking ervan. Art. 3.4.2. Het depot van het agentschap is van rechtswege erkend als onroerenderfgoeddepot. Art. 3.4.3. Met de in dit decreet bedoelde erkenning wordt gelijkgesteld een erkenning in een andere lidstaat van de EU dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de EU, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, welke op basis van onderzoekingen een beschermingsniveau biedt dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de erkenning door dit decreet wordt nagestreefd. Afdeling 5. - Aanduiding als erkende archeoloog Art. 3.5.1. De Vlaamse Regering kan een natuurlijke persoon of rechtspersoon aanduiden als erkende archeoloog. De Vlaamse Regering bepaalt : 1° de erkenningsvoorwaarden;2° de nadere regels voor de erkenning en de duur, de schorsing en de intrekking ervan en de administratieve beroepsprocedure. Art. 3.5.2. Het agentschap is van rechtswege aangeduid als een erkend archeoloog. Art. 3.5.3. Met de in dit decreet bedoelde erkenning wordt gelijkgesteld een erkenning in een andere lidstaat van de EU dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de EU, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, welke op basis van onderzoekingen een beschermingsniveau biedt dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de erkenning door dit decreet wordt nagestreefd. Afdeling 6. - Aanduiding als erkende metaaldetectorist Art. 3.6.1. De Vlaamse Regering kan een natuurlijke persoon of rechtspersoon aanduiden als erkende metaaldetectorist. De Vlaamse Regering bepaalt : 1° de erkenningsvoorwaarden;2° de nadere regels voor de erkenning en de duur, de schorsing en de intrekking ervan en de administratieve beroepsprocedure. Art. 3.6.2. Elke archeoloog die erkend is overeenkomstig artikel 3.5.1 of 3.5.2 is van rechtswege een erkende metaaldetectorist. Art. 3.6.3. Met de in dit decreet bedoelde erkenning wordt gelijkgesteld een erkenning in een andere lidstaat van de EU dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de EU, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, welke op basis van onderzoekingen een beschermingsniveau biedt dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de erkenning door dit decreet wordt nagestreefd. Afdeling 7. - Kwaliteitslabel onroerenderfgoedondernemers Art. 3.7.1. De Vlaamse Regering kan een kwaliteitslabel toekennen aan onroerenderfgoedondernemers. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. HOOFDSTUK 4. - Inventarissen Art. 4.1.1. De Vlaamse Regering stelt minstens de volgende inventarissen geheel of gedeeltelijk vast : 1° de landschapsatlas;2° de inventaris van archeologische zones;3° de inventaris van bouwkundig erfgoed;4° de inventaris van houtige beplantingen met erfgoedwaarde;5° de inventaris van historische tuinen en parken. Art. 4.1.2. De Vlaamse Regering bepaalt de criteria voor het opnemen en schrappen van een onroerend goed in een in artikel 4.1.1 vermelde inventaris. Art. 4.1.3. De Vlaamse Regering onderwerpt de vast te stellen inventaris aan een openbaar onderzoek van zestig dagen dat minstens wordt aangekondigd door : 1° een bericht op te hangen in elke gemeente waar een onroerend goed gelegen is, dat opgenomen is in de vast te stellen inventaris;2° een bericht op de website van elke gemeente waar een onroerend goed gelegen is, dat opgenomen is in de vast te stellen inventaris;3° een bericht in het Belgisch Staatsblad;4° een bericht in ten minste drie dagbladen die in het Vlaamse Gewest worden verspreid;5° een bericht op de website van het agentschap. De berichten, vermeld in het eerste lid, vermelden minstens : 1° het voorwerp van het openbaar onderzoek;2° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;3° de plaats waar de inventaris ter inzage ligt of geraadpleegd kan worden;4° de website waarop de inventaris te raadplegen is;5° het adres waar opmerkingen en bezwaren over feitelijkheden dienen toe te komen of kunnen worden afgegeven. Tijdens het openbaar onderzoek : 1° ligt de inventaris, vermeld in het eerste lid, ter inzage of is raadpleegbaar bij het agentschap;2° is de inventaris te raadplegen op de website van het agentschap;3° kunnen opmerkingen en bezwaren over feitelijkheden worden ingediend en afgegeven bij het agentschap. De opmerkingen en bezwaren worden uiterlijk de laatste dag van de termijn, vermeld in het bericht, aan het agentschap per beveiligde zending bezorgd. Met opmerkingen en bezwaren die laattijdig aan het agentschap worden bezorgd, moet geen rekening worden gehouden. De Vlaamse Regering wint over de inventaris en de opmerkingen en bezwaren afkomstig van het openbaar onderzoek advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Dit advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. De termijn van dertig dagen kan door de Vlaamse Regering eenmalig worden verlengd met dertig dagen op vraag van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de adviesprocedure. De Vlaamse Regering stelt na het advies van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed de inventaris vast. De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor de vaststelling van de inventarissen en het openbaar onderzoek bepalen. Art. 4.1.4. De Vlaamse Regering kan een vastgestelde inventaris actualiseren of er onroerende goederen aan toevoegen of uit verwijderen. Voor de betrokken onroerende goederen wordt een openbaar onderzoek georganiseerd onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld in artikel 4.1.3. Art. 4.1.5. De ambtenaren die daarvoor aangewezen zijn door de Vlaamse Regering hebben voor het onderzoek naar de erfgoedelementen en de erfgoedkenmerken toegang tot de onroerende goederen die opgenomen zijn in een vastgestelde inventaris als vermeld in artikel 4.1.1, en tot de onroerende goederen die in aanmerking komen voor opname in een inventaris als vermeld in artikel 4.1.1 met uitzondering van particuliere woningen en bedrijfslokalen. Art. 4.1.6. De vastgestelde inventarissen bevatten over elk onroerend goed dat erin opgenomen is minstens de volgende gegevens : 1° een gegeorefereerd plan waarop het onroerend goed nauwkeurig wordt aangeduid;2° de benaming van het geïnventariseerde onroerend goed;3° een beschrijving op basis van de erfgoedkenmerken. De Vlaamse Regering kan de gegevens die voor elk onroerend goed in een vastgestelde inventaris moeten worden opgenomen nader omschrijven of uitbreiden. Art. 4.1.7. Alle onroerende goederen die opgenomen zijn in een vastgestelde inventaris als vermeld in artikel 4.1.1 en alle beschermde onroerende goederen worden gegeorefereerd op een publiek te raadplegen GIS-laag. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Art. 4.1.8. De opname van een onroerend goed in een vastgestelde inventaris vormt, uitgezonderd als het een eigen werk, daad of activiteit van een administratieve overheid betreft, geen weigeringsgrond voor eender welke vergunning of machtiging. Art. 4.1.9. Elke administratieve overheid neemt zo veel mogelijk zorg in acht voor de erfgoedkenmerken van onroerende goederen die opgenomen zijn in een aan een openbaar onderzoek onderworpen vastgestelde inventaris als vermeld in artikel 4.1.3. De administratieve overheid geeft in al haar beslissingen over een eigen werk of activiteit met directe impact op geïnventariseerd erfgoed aan hoe ze rekening heeft gehouden met de verplichting vermeld in het eerste lid. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die motiveringsplicht en zorgplicht. Dit artikel doet geen afbreuk aan strengere voorschriften voor beschermde goederen. Art. 4.1.10. Als voor het verwijderen van een onroerend goed opgenomen in de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed of van een onroerend goed, opgenomen in de vastgestelde inventaris van houtige beplantingen met erfgoedwaarde een vergunning vereist is, wint de vergunningverlenende overheid advies in bij het agentschap. Als de vergunningverlenende overheid een onroerenderfgoedgemeente is, wint deze het advies in van een deskundig medewerker van de eigen diensten of de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst waar de gemeente deel van uitmaakt. Dat advies is onderworpen aan de algemene procedurevoorschriften en termijnen die gelden voor andere adviezen die ingewonnen moeten worden binnen de toepasselijke vergunningsprocedure. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. Art. 4.1.11. Iedereen die voor eigen rekening of als tussenpersoon een geïnventariseerd goed, overeenkomstig artikel 4.1.1, verkoopt, verhuurt voor meer dan negen jaar, inbrengt in een vennootschap, een erfpacht of een opstalrecht overdraagt of op andere wijze de eigendomsoverdracht met een vergeldend karakter van het goed bewerkstelligt, vermeldt in de onderhandse of authentieke akte dat het onroerend goed opgenomen is in een van de vastgestelde inventarissen, vermeld in artikel 4.1.1, en de rechtsgevolgen die aan de opname verbonden zijn door een verwijzing naar hoofdstuk 4 van dit decreet in de akte op te nemen. Als de instrumenterend ambtenaar een onderhandse akte in een authentieke akte dient op te nemen, waarbij de eerste niet beantwoordt aan de voorschriften van het eerste lid, dan wijst hij de partijen bij de opmaak van de akte op het eerste lid. De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor de informatieplicht bepalen. HOOFDSTUK 5. - Archeologie Afdeling 1. - Algemene beginselen Onderafdeling 1. - Passiefbehoudsbeginsel Art. 5.1.1. Het is verboden archeologische artefacten, archeologische sites en archeologische ensembles te ontsieren, te beschadigen of te vernielen. Onderafdeling 2. - Metaaldetectie Art. 5.1.2. Het is verboden zonder erkenning als metaaldetectorist of in afwijking van de code van goede praktijk met metaaldetectoren archeologische artefacten en archeologische sites op te sporen. Onderafdeling 3. - Archeologisch onderzoek Art. 5.1.3. Het is verboden zonder toelating van het agentschap en zonder melding aan het agentschap of in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, een archeologische opgraving of graafwerken uit te voeren met de bedoeling archeologische sites op te sporen en vrij te leggen of archeologische artefacten uit hun originele context te verwijderen. Onderafdeling 4. - Toevalsvondsten Art. 5.1.4. Iedereen die, op een ander moment dan bij het uitvoeren van een archeologisch vooronderzoek, een archeologische opgraving of het gebruik van een metaaldetector, een roerend of onroerend goed vindt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het archeologische erfgoedwaarde heeft, is verplicht daarvan binnen drie dagen aangifte te doen bij het agentschap. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. In voorkomend geval brengt het agentschap de zakelijkrechthouder en de gebruiker van de betrokken percelen, als ze niet de vinder zijn, en de gemeenten waar de vondsten worden gedaan ervan op de hoogte dat er vondsten zijn gedaan die vermoedelijk archeologische erfgoedwaarde hebben en wat de rechtsgevolgen daarvan zijn. De zakelijkrechthouder, de gebruiker en de vinder moeten tot de tiende dag na de aangifte : 1° de archeologische artefacten en hun vindplaats in onveranderde toestand bewaren;2° de archeologische artefacten en hun context tegen beschadiging of vernieling beschermen;3° de archeologische artefacten en hun context toegankelijk maken voor onderzoek door het agentschap. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Na het onderzoek, vermeld in het derde lid, 3°, kan het agentschap de termijn van tien dagen inkorten of verlengen. Het agentschap brengt de zakelijkrechthouder en de gebruiker daarvan per beveiligde zending op de hoogte. Na het verstrijken van de termijn zijn de zakelijkrechthouder, de gebruiker en de vinder niet langer onderworpen aan het passief-behoudsbeginsel voor archeologisch erfgoed voor wat betreft de gemelde vondst. Afdeling 2. - Verplichtingen zakelijkrechthouders en gebruikers van archeologische artefacten en archeologische ensembles Art. 5.2.1. De zakelijkrechthouders en de gebruikers van een archeologisch ensemble moeten het : 1° als een geheel bewaren;2° in goede staat behouden;3° beschikbaar houden voor wetenschappelijk onderzoek. De zakelijkrechthouder die het beheer van een archeologisch ensemble toevertrouwt aan een erkend onroerenderfgoeddepot voldoet aan de verplichtingen, vermeld in het eerste lid. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Art. 5.2.2. De zakelijkrechthouder of de gebruiker van een archeologisch artefact of van een archeologisch ensemble, dat afkomstig is uit het Vlaamse Gewest, meldt binnen dertig dagen elke wijziging van bewaarplaats of zakelijkrechthouder aan het agentschap. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. Art. 5.2.3. De zakelijkrechthouder of de gebruiker van een archeologisch artefact of van een archeologisch ensemble, dat afkomstig is uit het Vlaamse Gewest, meldt minstens dertig dagen voorafgaand aan het buiten het Vlaamse Gewest brengen ervan zijn voornemen daartoe aan het agentschap. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. Afdeling 3. - Code van goede praktijk Art. 5.3.1. De Vlaamse Regering stelt een code van goede praktijk vast voor de uitvoering van en rapportering over archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen en voor het gebruik van metaaldetectoren. Afdeling 4. - Archeologisch onderzoek bij vergunningsplichtige ingrepen in de bodem Onderafdeling 1. - Verplichtingen vergunningsaanvrager Art. 5.4.1. Een bekrachtigde archeologienota zoals vermeld in artikel 5.4.8 wordt bij de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning met ingreep in de bodem toegevoegd in volgende situaties : 1° aanvragen met betrekking tot percelen die gelegen zijn in een voorlopig of definitief beschermde archeologische site;2° aanvragen waarbij de totale oppervlakte van de ingreep in de bodem 100 m2 of meer beslaat en de totale oppervlakte van de kadastrale percelen waarop de vergunning betrekking heeft 300 m2 of meer bedraagt en waarbij de betrokken percelen geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in archeologische zones, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones;3° aanvragen waarbij de totale oppervlakte van de ingreep in de bodem 1000 m2 of meer beslaat en de totale oppervlakte van de kadastrale percelen waarop de vergunning betrekking heeft 3000 m2 of meer bedraagt en waarbij de percelen volledig gelegen zijn buiten archeologische zones, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones. Voor de toepassing van het eerste lid, 2° en 3°, op terreinen zonder kadastraal nummer geldt de totale oppervlakte van de hele werf van het te vergunnen werk. De aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning wordt van die verplichting vrijgesteld : 1° indien de aanvraag betrekking heeft op een gebied waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt, zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering;2° indien de aanvraag betrekking heeft op werkzaamheden binnen het gabarit van bestaande lijninfrastructuur en haar aanhorigheden;3° indien de aanvrager een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon is, de totale oppervlakte van de ingreep in de bodem minder dan 5000 m2 beslaat, en de betrokken percelen volledig gelegen zijn buiten woongebied of recreatiegebied en buiten archeologische zones opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones en buiten beschermde archeologische sites. De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor deze vrijstellingen bepalen. Voor de toepassing van het derde lid, 3°, op terreinen zonder kadastraal nummer geldt de totale oppervlakte van de hele werf van het te vergunnen werk. De aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning met ingreep in de bodem kan een archeologienota indienen die in het kader van een vorige vergunningsaanvraag is bekrachtigd, als de stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op hetzelfde perceel of dezelfde percelen en als de ingreep in de bodem van de te vergunnen werken overeenkomt met de ingreep in de bodem van de werken omschreven in de bekrachtigde archeologienota. Art. 5.4.2. Een bekrachtigde archeologienota zoals vermeld in artikel 5.4.8 wordt bij de aanvraag van een verkavelingsvergunning toegevoegd in volgende situaties : 1° aanvragen met betrekking tot percelen die gelegen zijn in een voorlopig of definitief beschermde archeologische site;2° aanvragen waarbij de totale oppervlakte van de kadastrale percelen waarop de vergunning betrekking heeft 300 m2 of meer bedraagt en waarbij de betrokken percelen geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in archeologische zones, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones;3° aanvragen waarbij de totale oppervlakte van de kadastrale percelen waarop de vergunning betrekking heeft 3000 m2 of meer bedraagt en waarbij de percelen helemaal buiten de archeologische zones, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones, liggen. Voor de toepassing van het eerste lid, 2° en 3°, op terreinen zonder kadastraal nummer geldt de totale oppervlakte van de werf van de te vergunnen verkaveling. De aanvrager van een verkavelingsvergunning wordt van die verplichting vrijgesteld indien de aanvraag betrekking heeft op een gebied waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt, zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering. De aanvrager van een verkavelingsvergunning kan een archeologienota indienen die in het kader van een vorige vergunningsaanvraag is bekrachtigd, als de verkavelingsvergunning betrekking heeft op dezelfde percelen en als de ingreep in de bodem van de te vergunnen werken overeenkomt met de ingreep in de bodem van de werken omschreven in de bekrachtigde archeologienota. Art. 5.4.3. De aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning met ingreep in de bodem of van een verkavelingsvergunning stelt een erkend archeoloog aan om de in artikelen 5.4.1 en 5.4.2 vermelde bekrachtigde archeologienota te verkrijgen. Onderafdeling 2. - Verplichting vergunningsverlener Art. 5.4.4. De verlener van de stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning neemt, behoudens in de gevallen omschreven in artikel 5.4.1, derde lid, en artikel 5.4.2, derde lid, het naleven van de bekrachtigde archeologienota en van dit decreet op als voorwaarde in de vergunning. De werken in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 worden geacht te zijn vergund. Onderafdeling 3. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem Art. 5.4.5. Als het onmogelijk of juridisch, economisch of maatschappelijk onwenselijk is om voorafgaand aan het aanvragen van de stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem uit te voeren, dient de erkende archeoloog de resultaten van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem bij het agentschap in als te bekrachtigen archeologienota overeenkomstig onderafdeling 7 en volgt verder de procedure omschreven in die onderafdeling. Art. 5.4.6. § 1. De door de initiatiefnemer aangestelde erkende archeoloog meldt per beveiligde zending aan het agentschap of in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente het voornemen om een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem uit te voeren. De melding bevat minstens de volgende gegevens : 1° de naam en het adres van de initiatiefnemer;2° het erkenningsnummer van de erkende archeoloog;3° de woonplaats of maatschappelijke zetel van de erkende archeoloog;4° de locatie van het archeologisch vooronderzoek met in voorkomend geval de kadastrale gegevens van de betrokken percelen;5° de aanleiding voor het archeologisch vooronderzoek;6° de voorgestelde uitvoeringswijze. De Vlaamse Regering kan de in de melding op te nemen gegevens nader omschrijven of uitbreiden. Het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem mag slechts worden aangevat na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 2. § 2. Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente kan het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem weigeren of er voorwaarden aan koppelen en meldt dit in voorkomend geval binnen vijftien dagen na ontvangst van de melding aan de door de initiatiefnemer aangestelde erkende archeoloog. § 3. Als het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de initiatiefnemer een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. Art. 5.4.7. Het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem moet worden uitgevoerd overeenkomstig de voorgestelde uitvoeringswijze in de melding, de eventuele voorwaarden van het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente en de code van goede praktijk. Onderafdeling 4. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Indienen archeologienota Art. 5.4.8. Na het beëindigen van het archeologisch vooronderzoek bezorgt de door de initiatiefnemer gemachtigde archeoloog een archeologienota aan het agentschap per beveiligde zending. Die archeologienota bevat minstens de volgende gegevens : 1° een gegeorefereerd plan waarop de betrokken percelen, de precieze plaats van het archeologisch vooronderzoek en de geplande werken nauwkeurig worden afgelijnd;2° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek;3° een gemotiveerd advies over het al dan niet moeten nemen van maatregelen met in voorkomend geval een programma hierover;4° in voorkomend geval de noodzakelijke competenties die de uitvoerders van de voorgestelde maatregelen moeten bezitten;5° in voorkomend geval een kostenraming en de geschatte duur van de voorgestelde maatregelen;6° in voorkomend geval een gemotiveerd voorstel over het bewaren of deponeren van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek en de archeologische opgraving. De archeologienota kan : 1° voorzien in een fasering van de in voorkomend geval uit te voeren archeologische opgravingen;2° voorzien dat delen van de kadastrale percelen waar de ingreep in de bodem is gepland van archeologische opgraving worden vrijgesteld. De Vlaamse Regering kan de in de archeologienota op te nemen gegevens nader omschrijven of uitbreiden. Onderafdeling 5. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Bekrachtiging archeologienota Art. 5.4.9. Binnen een vervaltermijn van eenentwintig dagen na de ontvangst van de archeologienota bekrachtigt of weigert het agentschap de archeologienota of koppelt er voorwaarden aan. Het agentschap bezorgt de gemotiveerde beslissing per beveiligde zending aan de initiatiefnemer en de erkende archeoloog. Als deze termijn wordt overschreden, wordt de archeologienota geacht bekrachtigd te zijn. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. De initiatiefnemer kan tegen de bekrachtiging, tegen de voorwaarden waarvan de bekrachtiging afhankelijk wordt gemaakt of tegen de weigering van de bekrachtiging van de archeologienota een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. In voorkomend geval geldt de bekrachtigde archeologienota als toelating voor de in de nota omschreven archeologische opgraving in de mate dat de vergunde werken, vermeld in artikelen 5.4.1 en 5.4.2, overeenstemmen met de werken zoals omschreven in de bekrachtigde archeologienota. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels over het verspreiden van de informatie uit de bekrachtigde archeologienota ten aanzien van alle belanghebbenden. Onderafdeling 6. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Uitvoeren bekrachtigde archeologienota Art. 5.4.10. De erkende archeoloog meldt in voorkomend geval de aanvang van de archeologische opgraving aan het agentschap en in voorkomend geval aan de erkende onroerend-erfgoedgemeente. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Art. 5.4.11. De archeologische opgraving, beperkt tot de zone die daadwerkelijk verstoord wordt door de geplande ingreep in de bodem, moet worden uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden van de bekrachtigde archeologienota en de code van goede praktijk. Bij verkavelingsdossiers heeft de opgraving betrekking op de volledige zone die voor ontwikkeling in aanmerking komt en op het volledige projectgebied. Onderafdeling 7. - Procedure bij de onmogelijkheid of de onwenselijkheid om voorafgaand aan het aanvragen van de vergunning een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem uit te voeren Art. 5.4.12. In het geval dat er alleen een archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem plaatsvond omdat een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem onmogelijk of juridisch, economisch of maatschappelijk onwenselijk was voorafgaand aan het aanvragen van de stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning bezorgt de door de initiatiefnemer aangestelde erkende archeoloog een archeologienota aan het agentschap per beveiligde zending. Die archeologienota bevat minstens de volgende gegevens : 1° de naam en het adres van de initiatiefnemer;2° het erkenningsnummer van de erkende archeoloog;3° de woonplaats of maatschappelijke zetel van de erkende archeoloog;4° de locatie van het archeologisch vooronderzoek met in voorkomend geval de kadastrale gegevens van de betrokken percelen;5° de redenen en motivering waarom het vooronderzoek voor het indienen van de vergunning beperkt wordt tot een vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;6° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;7° een gegeorefereerd plan waarop de betrokken percelen, de precieze plaats van het archeologisch vooronderzoek en de geplande werken nauwkeuring worden afgelijnd;8° de voorgestelde uitvoeringswijze van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem. De Vlaamse Regering kan de in de archeologienota op te nemen gegevens nader omschrijven of uitbreiden. Art. 5.4.13. Binnen een vervaltermijn van eenentwintig dagen na de ontvangst van de archeologienota bekrachtigt of weigert het agentschap de archeologienota of koppelt er voorwaarden aan. Het agentschap bezorgt de gemotiveerde beslissing per beveiligde zending aan de initiatiefnemer en de erkende archeoloog. Als deze termijn wordt overschreden, wordt de archeologienota geacht bekrachtigd te zijn. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. De initiatiefnemer kan tegen de bekrachtiging, tegen de voorwaarden waarvan de bekrachtiging afhankelijk wordt gemaakt of tegen de weigering van de bekrachtiging van de archeologienota een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. In voorkomend geval geldt de bekrachtigde archeologienota als toelating voor het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Art. 5.4.14. De erkende archeoloog aangesteld door de initiatiefnemer, meldt de aanvang van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, opgenomen in de bekrachtigde archeologienota zoals omschreven in artikel 5.4.12 aan het agentschap en in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Art. 5.4.15. Het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem moet worden uitgevoerd overeenkomstig de uitvoeringswijze in de bekrachtigde archeologienota, de eventuele voorwaarden van het agentschap en de code van goede praktijk. Art. 5.4.16. Na het beëindigen van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem bezorgt de erkende archeoloog een nota aan het agentschap. Die nota bevat minstens de volgende gegevens : 1° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem;2° een gemotiveerd advies over het al dan niet moeten nemen van maatregelen met in voorkomend geval een programma hierover;3° in voorkomend geval de noodzakelijke competenties die de uitvoerders van de voorgestelde maatregelen moeten bezitten;4° in voorkomend geval een kostenraming en de geschatte duur van de voorgestelde maatregelen;5° in voorkomend geval een gemotiveerd voorstel over het bewaren of deponeren van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en de archeologische opgraving. De nota kan : 1° voorzien in een fasering van de in voorkomend geval uit te voeren archeologische opgravingen;2° voorzien dat delen van de kadastrale percelen waar de ingreep in de bodem is gepland van archeologische opgraving worden vrijgesteld. De Vlaamse Regering kan de in de nota op te nemen gegevens nader omschrijven of uitbreiden. Art. 5.4.17. Binnen een vervaltermijn van eenentwintig dagen na de ontvangst van de nota bekrachtigt of weigert het agentschap de nota of koppelt er voorwaarden aan. Het agentschap bezorgt de gemotiveerde beslissing per beveiligde zending aan de initiatiefnemer en de erkende archeoloog. Als deze termijn wordt overschreden, wordt de nota geacht bekrachtigd te zijn. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. De initiatiefnemer kan tegen de bekrachtiging, tegen de voorwaarden waarvan de bekrachtiging afhankelijk wordt gemaakt of tegen de weigering van de bekrachtiging van de nota een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. In voorkomend geval geldt de bekrachtigde nota als toelating voor de in de nota omschreven archeologische opgraving in de mate dat de vergunde werken, vermeld in artikel 5.4.3, overeenstemmen met de werken zoals omschreven in de bekrachtigde archeologienota. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels over het verspreiden van de informatie uit de bekrachtigde nota ten aanzien van alle belanghebbenden. Art. 5.4.18. De erkende archeoloog meldt de aanvang van de archeologische opgraving aan het agentschap en in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Art. 5.4.19. De archeologische opgraving, beperkt tot de zone die daadwerkelijk verstoord wordt door de geplande ingreep in de bodem, moet worden uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden van de bekrachtigde nota en de code van goede praktijk. Onderafdeling 8. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Archeologierapport Art. 5.4.20. De erkende archeoloog bezorgt binnen twee maanden na het beëindigen van de opgraving een archeologierapport aan het agentschap per beveiligde zending. Dat archeologierapport omvat minstens de volgende gegevens : 1° een beknopte beschrijving van de uitgevoerde werken en de resultaten;2° een beschrijving van de verdere aanpak;3° een gemotiveerd voorstel over het bewaren of deponeren van het archeologisch ensemble als dat de voorstellen die erover geformuleerd zijn in de archeologienota, wijzigt of aanvult. Onderafdeling 9. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Eindverslag Art. 5.4.21. De erkende archeoloog bezorgt binnen twee jaar na het beëindigen van de archeologische opgraving per beveiligde zending een eindverslag aan het agentschap overeenkomstig de code van goede praktijk, vermeld in artikel 5.3.1. De erkende archeoloog publiceert het eindverslag. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. De eindverslagen van de archeologische opgravingen worden digitaal ontsloten. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. Afdeling 5. - Archeologisch onderzoek met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen Art. 5.5.1. Erkende archeologen kunnen archeologisch vooronderzoek of archeologische opgravingen uitvoeren met het oog op weloverwogen en gedocumenteerde wetenschappelijke vraagstellingen. Art. 5.5.2. De erkende archeoloog sluit met de zakelijkrechthouders van de betrokken onroerende goederen een overeenkomst die de vergoeding voor eventuele schade, de bestemming van het archeologisch ensemble en de verwachte duur van het onderzoek regelt. Art. 5.5.3. § 1. De erkende archeoloog vraagt aan het agentschap een toelating om een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of een archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen uit te voeren. De aanvraag tot toelating bevat minstens de volgende gegevens : 1° het erkenningsnummer van de erkende archeoloog;2° de woonplaats of maatschappelijke zetel van de erkende archeoloog;3° de locatie van het archeologisch vooronderzoek met in voorkomend geval de kadastrale gegevens van de betrokken percelen;4° de wetenschappelijke vraagstellingen en het belang van het wetenschappelijk onderzoek;5° de voorgestelde uitvoeringswijze; 6° de overeenkomst, vermeld in artikel 5.5.2; 7° de motivatie waarom onderzoek primeert op behoud. De Vlaamse Regering : 1° kan de in de aanvraag op te nemen gegevens nader omschrijven of uitbreiden;2° bepaalt de nadere regels voor het aanvragen en het afleveren van de toelating. § 2. Als het agentschap de toelating voor het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of voor de archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de erkende archeoloog een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. Art. 5.5.4. De erkende archeoloog meldt aan het agentschap de aanvang van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en de archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. De erkende archeoloog bezorgt binnen twee maanden na het beëindigen van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of de archeologische opgraving een archeologierapport aan het agentschap per beveiligde zending. Dit archeologierapport omvat minstens : 1° een beknopte beschrijving van de uitgevoerde werken en de resultaten;2° een beschrijving van de verdere aanpak. De erkende archeoloog bezorgt binnen twee jaar na het beëindigen van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of de archeologische opgraving een eindverslag aan het agentschap per beveiligde zending overeenkomstig de vastgestelde code van goede praktijk. De erkende archeoloog publiceert het eindverslag. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. De eindverslagen van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en de archeologische opgravingen met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen worden digitaal ontsloten. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. Afdeling 6. - Evaluatie Art. 5.6.1. § 1. De Vlaamse Regering evalueert jaarlijks de effectiviteit van dit hoofdstuk. Het evaluatierapport wordt ter informatie voorgelegd aan het Vlaams Parlement. In het rapport, vermeld in het eerste lid, komen ten minste een beschrijving en beoordeling van de sterktes en te verbeteren punten, de kansen en de moeilijkheden bij archeologisch onderzoek en de financiering ervan. § 2. De bevoegde administratie binnen het homogene beleidsdomein waaraan de beleidsondersteunende opdrachten inzake onroerend erfgoed worden toevertrouwd, legt jaarlijks een rapport aan de Vlaamse Regering voor. Voor de opmaak van het rapport kan de bevoegde administratie binnen het homogene beleidsdomein waaraan de beleidsondersteunende opdrachten inzake onroerend erfgoed worden toevertrouwd, het advies inwinnen van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. In dit rapport komen ten minste de volgende elementen aan bod : - een overzicht van het aantal vooronderzoeken en opgravingen alsook de duur ervan; - een overzicht van de resultaten van deze onderzoeken; - een overzicht van de voorgestelde en goedgekeurde maatregelen uit de archeologienota; - de financiële implicaties van het archeologisch onderzoek en de werking van het archeologisch solidariteitsfonds. HOOFDSTUK 6. - Beschermingen en erfgoedlandschappen Afdeling 1. - Beschermingsprocedure Onderafdeling 1. - Voorlopige bescherming Art. 6.1.1. De Vlaamse Regering kan een archeologische site, monument, cultuurhistorisch landschap, stadsgezicht of dorpsgezicht, desgevallend met inbegrip van een overgangszone, beschermen. Art. 6.1.2. De door de Vlaamse Regering daartoe aangewezen ambtenaren hebben voor het onderzoek naar de erfgoedwaarden toegang tot de archeologische sites, monumenten, cultuurhistorische landschappen en stads- en dorpsgezichten die in aanmerking komen voor bescherming. Tot particuliere woningen en bedrijfslokalen hebben ze evenwel alleen toegang tussen negen uur en eenentwintig uur en met machtiging van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De machtiging wordt gevraagd bij eenzijdig verzoekschrift overeenkomstig artikel 1025 tot en met 1034 van het Gerechtelijk Wetboek. Art. 6.1.3. De Vlaamse Regering wint voorafgaand aan de voorlopige bescherming het advies in bij de colleges van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeentebesturen en de departementen of agentschappen van de Vlaamse overheid bevoegd voor ruimtelijke ordening, woonbeleid en onroerend erfgoed, leefmilieu, natuur en energie, mobiliteit en openbare werken en landbouw en visserij. Deze adviezen worden uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, wordt het advies geacht gunstig te zijn. Aan deze adviesvereiste kan worden voorbijgegaan in geval van dringende noodzakelijkheid. De Vlaamse Regering wint voorafgaand aan de voorlopige bescherming het advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Dit advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van zestig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, wordt het advies geacht gunstig te zijn. Aan deze adviesvereiste kan worden voorbijgegaan in geval van dringende noodzakelijkheid. Art. 6.1.4. § 1. De Vlaamse Regering stelt het besluit tot voorlopige bescherming vast. § 2. Het besluit tot voorlopige bescherming bevat minstens de volgende gegevens : 1° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop de onroerende goederen zich bevinden;2° de vermelding of het een bescherming van een archeologische site, monument, cultuurhistorisch landschap of stads- of dorpsgezicht betreft met, in voorkomend geval, een overgangszone;3° de benaming van het beschermde onroerend goed;4° een beknopte wetenschappelijke beschrijving;5° de erfgoedwaarden;6° de erfgoedelementen en de erfgoedkenmerken;7° de toekomstige beheersdoelstellingen die de optimale verwezenlijking van de erfgoedwaarden omschrijven die aanleiding gegeven hebben tot de bescherming;8° de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud;9° in voorkomend geval de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud in de overgangszone. Bij elk besluit tot voorlopige bescherming worden de volgende bijlagen gevoegd : 1° een gegeorefereerd plan waarop het beschermde goed en, in voorkomend geval, de overgangszone nauwkeurig worden afgelijnd en waarop de plaats van aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek wordt aangeduid;2° een fotoregistratie van de fysieke toestand van het beschermde goed;3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het beschermde goed inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen. De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot voorlopige bescherming of in de bijlage moeten worden opgenomen, nader omschrijven of uitbreiden. Art. 6.1.5. Het besluit tot voorlopige bescherming wordt na de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.6, bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Art. 6.1.6. Het besluit tot voorlopige bescherming van een archeologische site, monument of stads- of dorpsgezicht wordt met bijlagen per beveiligde zending aan de zakelij krechthouders ter kennis gebracht. Het agentschap hoort, op hun verzoek, de zakelijkrechthouders. De zakelijkrechthouders die, overeenkomstig het eerste lid, van het besluit tot voorlopige bescherming op de hoogte gebracht zijn : 1° brengen de gebruikers en de eigenaars van de cultuurgoederen per beveiligde zending op de hoogte van het besluit tot voorlopige bescherming binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving.Die verplichting wordt in de beveiligde zending vermeld; 2° brengen het agentschap per beveiligde zending op de hoogte van de eventuele verkoop, overdracht van het eigendomsrecht of overdracht van een ander zakelijk recht, waarbij de nodige stavingsdocumenten gevoegd zijn, binnen een termijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving.Die verplichting wordt in de beveiligde zending vermeld. De nieuwe zakelijkrechthouders worden op hun beurt, overeenkomstig het eerste lid, op de hoogte gebracht van het besluit tot voorlopige bescherming. Art. 6.1.7. Het besluit tot voorlopige bescherming wordt per beveiligde zending aan de betrokken gemeenten bezorgd voor een openbaar onderzoek van dertig dagen. De betrokken gemeenten openen het openbaar onderzoek uiterlijk dertig dagen na de ontvangst van het besluit tot voorlopige bescherming door : 1° een bericht over het openbaar onderzoek op te hangen op de plaats die aangeduid is op het plan dat als bijlage bij het besluit tot voorlopige bescherming is gevoegd;2° een bericht te publiceren op de website van de betrokken gemeenten. De besluiten tot voorlopige bescherming van een cultuurhistorisch landschap worden ook aangekondigd door een bericht in ten minste drie dagbladen die in de betrokken gemeenten worden verspreid. De gemeenten melden aan het agentschap de datum waarop zij het openbaar onderzoek openen. Het agentschap publiceert een bericht over het openbaar onderzoek op zijn website. De berichten, vermeld in het tweede en derde lid, vermelden minstens het volgende : 1° het voorwerp van het openbaar onderzoek;2° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;3° de plaats waar het besluit tot voorlopige bescherming en het beschermingsdossier ter inzage liggen;4° het adres waarop opmerkingen en bezwaren per beveiligde zending kunnen worden ter kennis gebracht. Tijdens het openbaar onderzoek : 1° liggen het besluit tot voorlopige bescherming en het beschermingsdossier ter inzage bij de betrokken gemeenten en het agentschap;2° kunnen opmerkingen en bezwaren per beveiligde zending aan de betrokken gemeenten ter kennis worden gebracht;3° kunnen de betrokken gemeenten een hoorzitting organiseren. De betrokken gemeenten stellen een proces-verbaal op waarin de opmerkingen, de bezwaren en in voorkomend geval een advies en het verslag van de hoorzitting worden opgenomen en sluiten het openbaar onderzoek af. Binnen een ordetermijn van vijftien dagen na het afsluiten van het openbaar onderzoek bezorgen ze het proces-verbaal per beveiligde zending aan het agentschap. Als de gemeente het openbaar onderzoek niet opent binnen de vooropgestelde termijn van dertig dagen, is het aan het agentschap dit openbaar onderzoek op te starten en af te ronden binnen de termijn, vermeld in artikel 6.1.9. Art. 6.1.8. De Vlaamse Regering wint over de voorlopige bescherming het advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed als er overeenkomstig artikel 6.1.3, tweede lid, omwille van dringende noodzakelijkheid geen voorafgaand advies werd gevraagd. Dit advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van zestig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, wordt het advies geacht gunstig te zijn. Art. 6.1.9. § 1. Vanaf de dag van ontvangst, vermeld in artikel 6.1.6, zijn op de onroerende goederen, vermeld in het besluit tot voorlopige bescherming, gedurende een termijn van maximaal negen maanden de rechtsgevolgen van een bescherming voorlopig van toepassing. § 2. De Vlaamse Regering kan die termijn eenmalig met maximaal drie maanden verlengen. Het besluit tot verlenging van de voorlopige bescherming van een archeologische site, monument of stads- of dorpsgezicht wordt aan de zakelijkrechthouders per beveiligde zending ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 6.1.6. Art. 6.1.10. De rechtsgevolgen van een besluit tot voorlopige bescherming zijn van toepassing : 1° op de zakelijkrechthouders vanaf de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.6; 2° op de gebruikers en de eigenaars van de cultuurgoederen vanaf de kennisgeving door de zakelijkrechthouders, vermeld in artikel 6.1.6; 3° op iedereen vanaf de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, vermeld in artikel 6.1.5. Art. 6.1.11. Het besluit tot voorlopige bescherming vervalt van rechtswege als de Vlaamse Regering binnen de termijn, vermeld in artikel 6.1.9, geen besluit tot definitieve bescherming genomen heeft. Onderafdeling 2. - Definitieve bescherming Art. 6.1.12. De Vlaamse Regering kan over de definitieve bescherming advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Art. 6.1.13. De Vlaamse Regering stelt het besluit tot definitieve bescherming vast. Art. 6.1.14. Het besluit tot definitieve bescherming bevat minstens de volgende gegevens : 1° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop de onroerende goederen zich bevinden;2° de vermelding of het een bescherming van een archeologische site, cultuurhistorisch landschap, monument of stads- of dorpsgezicht betreft met, in voorkomend geval, een overgangszone;3° de benaming van het beschermde onroerend goed;4° een beknopte wetenschappelijke beschrijving;5° de erfgoedwaarden;6° de erfgoedelementen en de erfgoedkenmerken;7° de beheersdoelstellingen die de optimale verwezenlijking omschrijven van de waarden die aanleiding gegeven hebben tot de bescherming;8° bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud;9° in voorkomend geval bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud in de overgangszone. Bij elk besluit tot definitieve bescherming worden de volgende bijlagen gevoegd : 1° een gegeorefereerd plan waarop het onroerend goed nauwkeurig wordt afgelijnd;2° een fotoregistratie van de fysieke toestand;3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het onroerend goed;4° een document waarin het agentschap zich uitspreekt over de ingediende bezwaren en opmerkingen en in voorkomend geval over de uitgebrachte adviezen en het verslag van de hoorzitting. De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot definitieve bescherming of in de bijlagen zijn opgenomen, nader omschrijven of uitbreiden. Art. 6.1.15. Het besluit tot definitieve bescherming wordt na de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.16, bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Art. 6.1.16. Het besluit tot definitieve bescherming van een archeologische site, monument of stads- of dorpsgezicht wordt met bijlagen per beveiligde zending aan de zakelijkrechthouders ter kennis gebracht. De zakelijkrechthouders die, overeenkomstig het eerste lid, van het besluit tot definitieve bescherming op de hoogte gebracht zijn : 1° brengen de gebruikers en de eigenaars van de cultuurgoederen per beveiligde zending op de hoogte van het besluit binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving.De beveiligde zending vermeldt die verplichting; 2° brengen het agentschap per beveiligde zending op de hoogte van de eventuele verkoop, overdracht van het eigendomsrecht of overdracht van een ander zakelijk recht, waarbij de nodige stavingsdocumenten gevoegd zijn, binnen een termijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving.Die verplichting wordt in de kennisgeving vermeld. De nieuwe zakelijkrechthouders worden op hun beurt, overeenkomstig het eerste lid, op de hoogte gebracht van het besluit. Art. 6.1.17. Het besluit tot definitieve bescherming wordt per beveiligde zending ter kennis gebracht van de gemeenten op het grondgebied waarvan het beschermde goed ligt. Art. 6.1.18. De rechtsgevolgen van een besluit tot definitieve bescherming zijn van toepassing : 1° op de zakelijkrechthouders vanaf de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.16; 2° op de gebruikers en de eigenaars van de cultuurgoederen vanaf de kennisgeving door de zakelij krechthouders, vermeld in artikel 6.1.16; 3° op iedereen vanaf de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, vermeld in artikel 6.1.15. Afdeling 2. - Wijzigen en opheffen van een besluit tot definitieve bescherming Onderafdeling 1. - Wijziging of opheffing van een besluit tot definitieve bescherming Art. 6.2.1. De Vlaamse Regering kan een besluit tot definitieve bescherming in de volgende gevallen geheel of gedeeltelijk wijzigen of opheffen : 1° de erfgoedwaarden van het beschermde goed zijn onherstelbaar aangetast of verloren gegaan;2° een verplaatsing van het beschermde goed is noodzakelijk voor het behoud ervan;3° de gehele of gedeeltelijke wijziging of opheffing is vereist omwille van het algemeen belang; 4° het goed beheer vereist de toevoeging van gegevens zoals vermeld in artikel 6.1.14, 7° tot en met 9°. Art. 6.2.2. De Vlaamse Regering kan in een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een bescherming geheel of gedeeltelijk wijzigen of opheffen als dit vereist is omwille van het algemeen belang. Art. 6.2.3. De gehele of gedeeltelijke wijziging of opheffing van een besluit tot definitieve bescherming in de gevallen, vermeld onder artikel 6.2.1, 1° tot en met 3°, gebeurt onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld voor de bescherming in artikel 6.1.2, 6.1.5, 6.1.6, 6.1.7, 6.1.13, 6.1.15, 6.1.16, 6.1.17 en 6.1.18. De wijziging van een besluit tot definitieve bescherming dat betrekking heeft op een geval zoals vermeld in artikel 6.2.1, 4°, kan gebeuren als de eigenaar een schriftelijke toestemming geeft en als het advies van de Commissie wordt gevraagd. Indien de eigenaar geen schriftelijke toestemming geeft, dan gebeurt de wijziging onder voorwaarden en in de vorm vastgesteld voor de bescherming in artikel 6.1.2, 6.1.5, 6.1.6, 6.1.7, 6.1.13, 6.1.15, 6.1.16, 6.1.17 en 6.1.18. Onderafdeling 2. - Voorlopige wijziging of opheffing van een besluit tot definitieve bescherming Art. 6.2.4. De Vlaamse Regering wint over de voorlopige wijziging of opheffing van het besluit tot definitieve bescherming advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Dit advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, wordt het advies geacht gunstig te zijn. De termijn van dertig dagen kan door de Vlaamse Regering eenmalig worden verlengd met dertig dagen op vraag van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Art. 6.2.5. Het besluit tot voorlopige wijziging of opheffing bevat minstens de volgende gegevens : 1° het opschrift van het besluit dat gewijzigd of opgeheven wordt;2° de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit dat gewijzigd of opgeheven wordt;3° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop het beschermde goed zich bevindt;4° de redenen van wijziging of opheffing;5° in geval van wijziging een beschrijving van de impact op de erfgoedwaarden, een beschrijving van de impact op de beheersdoelstellingen, een beschrijving van de impact op de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud en, in voorkomend geval, een beschrijving van de impact op de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud in de overgangszone;6° de aanduiding van de te registeren en te documenteren erfgoedwaarden die verloren gaan;7° in geval van gedeeltelijke of volledige opheffing de eventuele verplichting om het beschermde goed te verplaatsen of om onderdelen met erfgoedwaarde in een erkend onroerenderfgoeddepot te plaatsen; 8° in geval van opheffing vanwege een verplaatsing als vermeld in artikel 6.2.1, 2°, de maatregelen die nodig zijn voor de ontmanteling, de verplaatsing en de heroprichting op een geschikte plaats. Bij elk besluit tot voorlopige wijziging of tot gedeeltelijke opheffing worden de volgende bijlagen gevoegd : 1° een gegeorefereerd plan waarop het beschermde goed na wijziging of gedeeltelijke opheffing nauwkeurig wordt afgelijnd en waarop de plaats van aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek wordt aangeduid;2° een fotoregistratie van de fysieke toestand van het beschermde goed;3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het beschermde goed. De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot voorlopige wijziging of opheffing of in de bijlagen zijn opgenomen, nader omschrijven of uitbreiden. Onderafdeling 3. - Definitieve wijziging of opheffing van een besluit tot definitieve bescherming Art. 6.2.6. Het besluit tot definitieve wijziging of opheffing bevat minstens de volgende gegevens : 1° het opschrift van het besluit dat gewijzigd of opgeheven wordt;2° de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit dat gewijzigd of opgeheven wordt;3° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop het beschermde goed zich bevindt;4° de redenen van wijziging of opheffing;5° in geval van wijziging een beschrijving van de impact op de erfgoedwaarden, een beschrijving van de gevolgen voor de beheersdoelstellingen, een beschrijving van de gevolgen voor de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud en, in voorkomend geval, de gevolgen voor de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud in de overgangszone;6° de aanduiding van de te registeren en te documenteren erfgoedwaarden die verloren gaan;7° in geval van opheffing de eventuele verplichting om het beschermde goed te verplaatsen of om de onderdelen met erfgoedwaarde in een onroerenderfgoeddepot te plaatsen; 8° in geval van opheffing vanwege een verplaatsing als vermeld in artikel 6.2.1, 2°, de maatregelen die nodig zijn voor de ontmanteling, de verplaatsing en de heroprichting van het onroerend goed op een geschikte plaats. Bij elk besluit tot definitieve wijziging of tot gedeeltelijke opheffing worden de volgende bijlagen gevoegd : 1° een gegeorefereerd plan waarop het beschermde goed na wijziging of gedeeltelijke opheffing nauwkeurig wordt afgelijnd en waarop de plaats van de aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek wordt aangeduid;2° een fotoregistratie van de fysieke toestand van het beschermde goed;3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het beschermde goed;4° een document waaruit de behandeling van de bezwaren blijkt. De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot definitieve wijziging of opheffing of in de bijlagen zijn opgenomen nader omschrijven of uitbreiden. Art. 6.2.7. Tot de vaststelling van het besluit tot definitieve wijziging of opheffing blijven de rechtsgevolgen van het vorige besluit tot definitieve bescherming van kracht. De rechtsgevolgen van een besluit tot wijziging of opheffing zijn van toepassing : 1° op de zakelijkrechthouders vanaf de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.16; 2° op de gebruikers en de eigenaars van de cultuurgoederen vanaf de kennisgeving door de zakelijkrechthouders, vermeld in artikel 6.1.16; 3° op iedereen vanaf de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, vermeld in artikel 6.1.15. Afdeling 3. - Informatie over beschermde goederen Onderafdeling 1. - Databank van beschermde goederen Art. 6.3.1. Het agentschap stelt een databank van beschermd onroerend erfgoed digitaal beschikbaar. Deze databank bevat de voorlopige en definitieve erkennings-, rangschikkings- en beschermingsbesluiten en de wijzigings- en opheffingsbesluiten genomen bij toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg en hoofdstuk 6 van dit decreet. Het agentschap dat door de Vlaamse Regering belast is met de handhaving houdt een databank bij van elk proces-verbaal dat wordt opgemaakt voor inbreuken en misdrijven op dit decreet, het verdere gevolg dat aan die processen-verbaal wordt gegeven en de uitvoering van eventuele herstelmaatregelen. Deze databank en de inhoud ervan worden beschouwd als een bestuursdocument, vermeld in artikel 3, 4°, van het decreet van 26 maart 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/03/2004 pub. 01/07/2004 numac 2004036026 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de openbaarheid van bestuur sluiten betreffende de openbaarheid van bestuur. Onverminderd hoofdstuk II, afdeling IV, van voormeld decreet van 26 maart 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/03/2004 pub. 01/07/2004 numac 2004036026 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de openbaarheid van bestuur sluiten krijgen de personen, vermeld in artikel 6.4.8, eerste lid, op eerste verzoek onmiddellijk toegang tot de benodigde documenten uit deze databank. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de op te nemen informatie in de databanken, vermeld in het eerste en tweede lid, voor de integratie van beide databanken en voor beveiligingsmaatregelen. Onderafdeling 2. - Herkenningsteken Art. 6.3.2. Er kan een herkenningsteken worden aangebracht op beschermde goederen. De Vlaamse Regering stelt de modellen van het herkenningsteken voor beschermde archeologische sites, beschermde monumenten, beschermde cultuurhistorische landschappen en beschermde stads- en dorpsgezichten vast. Afdeling 4. - Rechtsgevolgen van een bescherming Onderafdeling 1. - Actiefbehoudsbeginsel Art. 6.4.1. De zakelijkrechthouders en gebruikers van een beschermd goed behouden het in goede staat door de nodige instandhoudings-, beveiligings-, beheers-, herstellings- en onderhoudswerken. Art. 6.4.2. De Vlaamse Regering stelt de algemene voorschriften voor instandhouding en onderhoud vast. Deze zijn slechts van toepassing voor zover zij niet afwijken van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud opgenomen in het beschermingsbesluit. Onderafdeling 2. - Passiefbehoudsbeginsel Art. 6.4.3. Het is verboden beschermde goederen te ontsieren, te beschadigen, te vernielen of andere handelingen te stellen die de erfgoedwaarde ervan aantasten. Onderafdeling 3. - Handelingen aan of in beschermde goederen Art. 6.4.4. § 1. Handelingen aan of in beschermde goederen opgelijst door de Vlaamse Regering of opgenomen in het beschermingsbesluit waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, geen milieuvergunning overeenkomstig het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning of geen vergunning, geen toelating, geen machtiging, geen ontheffing of geen afwijking overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu vereist is, kunnen niet worden aangevat zonder toelating van het agentschap of, in voorkomend geval, van de erkende onroerenderfgoedgemeente waar het beschermde goed ligt tenzij zij zijn vrijgesteld in een overeenkomstig artikel 8.1.1 goedgekeurd beheersplan. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het aanvragen en afleveren van de toelating. § 2. Als voor handelingen aan of in beschermde goederen een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning vereist is, wint de vergunningverlenende overheid in eerste aanleg advies in bij het agentschap overeenkomstig de procedurebepalingen van de VCRO. Dit advies heeft de gevolgen als omschreven in artikel 4.3.3 en 4.3.4 van de VCRO. Het advies toetst de voorliggende handelingen aan het actief- en passiefbehoudsbeginsel alsook aan de bepalingen van het individuele beschermingsbesluit van het betrokken onroerend erfgoed. § 3. Als voor handelingen aan of in beschermde goederen een milieuvergunning overeenkomstig het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning vereist is, wint de vergunningverlenende overheid in eerste aanleg advies in bij het agentschap overeenkomstig de procedurebepalingen van het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning. Als voor handelingen aan of in beschermde goederen een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu vereist is, wint de overheid die de vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking verleent in eerste aanleg advies in bij het agentschap overeenkomstig de procedurebepalingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Het advies van het agentschap, vermeld in het eerste en tweede lid, toetst de voorliggende handelingen aan het actief- en passiefbehoudsbeginsel alsook aan de bepalingen van het individuele beschermingsbesluit van het betrokken onroerend erfgoed. Het advies van het agentschap, vermeld in het eerste en tweede lid, heeft de volgende rechtsgevolgen : 1° als uit het advies blijkt dat het aangevraagde strijdig is met direct werkende normen binnen het beleidsveld onroerend erfgoed of als dergelijke strijdigheid manifest reeds uit het aanvraagdossier blijkt, wordt de vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking geweigerd of worden in de aan de vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking verbonden voorwaarden waarborgen opgenomen met betrekking tot de naleving van de regelgeving betreffende het onroerend erfgoed.Onder « direct werkende normen » wordt verstaan : supranationale, wetskrachtige, reglementaire of beschikkende bepalingen die op zichzelf volstaan om toepasbaar te zijn, zonder dat verdere reglementering met het oog op precisering of vervollediging noodzakelijk is; 2° als uit het advies blijkt dat het aangevraagde onwenselijk is in het licht van doelstellingen of zorgplichten die gehanteerd worden binnen het beleidsveld onroerend erfgoed kan de vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking worden geweigerd.Onder « doelstellingen of zorgplichten » wordt verstaan : internationaalrechtelijke, Europeesrechtelijke, wetskrachtige, reglementaire of beschikkende bepalingen die de overheid bij de uitvoering of de interpretatie van de regelgeving of het voeren van een beleid verplichten tot de inachtneming van een bepaalde doelstelling of van bepaalde voorzorgen, zonder dat deze op zichzelf beschouwd voldoende juridisch duidelijk zijn om onmiddellijk te kunnen worden uitgevoerd. Art. 6.4.5. De cultuurgoederen die opgenomen zijn in een besluit tot bescherming van een monument, mogen niet buiten het monument worden verplaatst zonder toelating van het agentschap. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Art. 6.4.6. Als het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente de toelating toekent, weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de aanvrager, het agentschap of iedere belanghebbende een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Elke instantie die een administratief beroep behandelt over een beslissing tot toekenning of weigering van een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning; een milieuvergunning overeenkomstig het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning; een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juli 1990 of het decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, wint advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed in zoverre het verzoekschrift middelen opwerpt over het advies van het agentschap, vermeld in artikel 6.4.4, § 2 en § 3, of de behandeling van dat advies door de vergunningverlenende overheid. De Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed bezorgt het advies overeenkomstig de procedurebepalingen van de betreffende decreten aan de Vlaamse Regering of de instantie die het administratief beroep behandelt. Als het uitvoeren van de vergunning ernstige schade kan toebrengen aan een beschermd goed, kan de Vlaamse Regering het advies van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed bindend verklaren. Het administratief rechtscollege dat jurisdictionele beroepen behandelt over beslissingen tot toekenning of weigering van een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning; een milieuvergunning overeenkomstig het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning; een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juli 1990 of het decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu kan advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed als het verzoekschrift middelen opwerpt over de toekenning of weigering van een toelating van handelingen aan of in beschermde goederen. De Vlaamse Regering regelt de administratieve beroepsprocedure en adviesprocedure, vermeld in het eerste, tweede en derde lid. Art. 6.4.7. De sloop van een beschermd monument is verboden. De Vlaamse Regering kan een toelating verlenen voor de gedeeltelijke sloop van een beschermd monument en voor de gehele of gedeeltelijke sloop of voor het optrekken, plaatsen of herbouwen van een gebouw of constructie in een beschermd stads- en dorpsgezicht als dat de erfgoedwaarde ervan niet wezenlijk aantast. De toelating vermeldt de voorwaarden waaronder de sloop en het optrekken, plaatsen of herbouwen van het gebouw of de constructie worden toegelaten. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Onderafdeling 4. - Informatieplicht met betrekking tot publiciteit Art. 6.4.8. Iedereen die voor eigen rekening of als tussenpersoon een beschermd goed verkoopt, verhuurt voor meer dan negen jaar, inbrengt in een vennootschap, een erfpacht of een opstalrecht overdraagt of op andere wijze de eigendomsoverdracht met een vergeldend karakter van het goed bewerkstelligt, vermeldt in de hieraan verbonden publiciteit dat het onroerend goed beschermd is en de rechtsgevolgen die aan de bescherming verbonden zijn. De Vlaamse Regering kan de nadere regels vaststellen voor de vorm en de modaliteiten van de vermeldingen in de publiciteit en voor de vrijstelling van deze bepalingen voor bepaalde vormen van publiciteit. Onderafdeling 5. - Informatieplicht onderhandse en authentieke akten Art. 6.4.9. Iedereen die voor eigen rekening of als tussenpersoon een beschermd goed verkoopt, verhuurt voor meer dan negen jaar, inbrengt in een vennootschap, een erfpacht of een opstalrecht overdraagt of op andere wijze de eigendomsoverdracht met een vergeldend karakter van het goed bewerkstelligt, vermeldt in de onderhandse of authentieke akte dat het onroerend goed beschermd is en de rechtsgevolgen die aan de bescherming verbonden zijn door een verwijzing naar hoofdstuk 6 van dit decreet en het beschermingsbesluit in de akte op te nemen. De instrumenterend ambtenaar meldt de overdracht aan het agentschap. Als de instrumenterend ambtenaar een onderhandse akte in een authentieke akte dient op te nemen, waarbij de eerste niet beantwoordt aan de voorschriften van het eerste lid, dan wijst hij de partijen bij de opmaak van de akte op het eerste lid. De partijen kunnen geen vordering tot vernietiging inroepen als de inbreuk op de informatieplicht is rechtgezet bij de authentieke akteverlening en de informatiegerechtigde in deze akte verzaakt aan de vordering tot nietigverklaring op basis van een inbreuk op de informatieplicht. De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor de informatieplicht bepalen. Onderafdeling 6. - Onteigening Art. 6.4.10. De Vlaamse Regering kan om redenen van algemeen nut overgaan tot onteigening van een beschermd goed als dat dreigt te vervallen, te worden beschadigd of te worden vernield. De Vlaamse Regering kan het gemeentebestuur of een autonoom gemeentebedrijf op het grondgebied waarvan het beschermd goed ligt, de toestemming verlenen om tot die onteigening over te gaan. Afdeling 5. - Erfgoedlandschappen Art. 6.5.1. Op basis van de onroerenderfgoedrichtplannen, vermeld in artikel 7.1.1, of van een vastgestelde inventaris, vermeld in artikel 4.1.1, kunnen in ruimtelijke uitvoeringsplannen erfgoedlandschappen worden afgebakend. Art. 6.5.2. Iedereen die werken en handelingen verricht of daarvoor de opdracht verleent, neemt zo veel mogelijk zorg in acht voor de erfgoedwaarden van een erfgoedlandschap, zoals bepaald in het plan dat van toepassing is. De Vlaamse Regering kan hierover de nadere regelen bepalen. Art. 6.5.3. De administratieve overheid mag geen werkzaamheden en handelingen ondernemen, noch toestemming of een vergunning verlenen voor een activiteit die een erfgoedlandschap geheel of gedeeltelijk kan vernietigen of die een betekenisvolle schade kan veroorzaken aan de erfgoedwaarden ervan. De administratieve overheid moet in al haar beslissingen over eigen werken, over het verlenen van een opdracht daarvoor of over een eigen plan of verordening die een erfgoedlandschap nadelig kunnen beïnvloeden : 1° voorkomen dat aan erfgoedwaarden ervan, zoals bepaald in het onroerenderfgoedrichtplan dat van toepassing is, schade wordt veroorzaakt;2° betekenisvolle schade aan de erfgoedwaarden zo veel mogelijk beperken door schadebeperkende maatregelen te nemen. De administratieve overheid geeft in al haar beslissingen aan hoe ze rekening heeft gehouden met de verplichtingen van dit artikel. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. Art. 6.5.4. Deze afdeling doet geen afbreuk aan strengere voorschriften voor beschermde goederen. HOOFDSTUK 7. - Onroerenderfgoedrichtplannen Art. 7.1.1. De Vlaamse Regering kan per thema of gebied een onroerenderfgoedrichtplan opstellen. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. Art. 7.1.2. Een onroerenderfgoedrichtplan biedt onder andere op basis van de gegevens die opgenomen zijn in een inventaris als vermeld in artikel 4.1.1 vanuit de erfgoedwaarden een visie op de toekomstige ontwikkeling van de betrokken onroerende goederen binnen het thema of gebied, verduidelijkt de aandachtspunten uit het onroerenderfgoedbeleid en formuleert beheers- en ontwikkelingsdoelstellingen. Art. 7.1.3. Een onroerenderfgoedrichtplan kan te allen tijde geheel of gedeeltelijk worden herzien. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. Art. 7.1.4. De onroerenderfgoedrichtplannen zijn de sectorale voorstellen voor inrichtingsplannen en ruimtelijke uitvoeringsplannen. Art. 7.1.5. Aan een onroerenderfgoedrichtplan kan een actieprogramma worden gekoppeld. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. De Vlaamse Regering verbindt er zich toe een actieprogramma uit te voeren. Een actieprogramma onroerend erfgoed somt de instrumenten en middelen op die ter beschikking staan van de administratieve overheden en die vanuit onroerenderfgoedoogpunt nuttig of noodzakelijk zijn om de toekomstvisie, aandachtspunten en beheersdoelstellingen uit het onroerenderfgoedrichtplan te verwezenlijken. HOOFDSTUK 8. - Beheer van onroerend erfgoed Art. 8.1.1. § 1. Om de beheersdoelstellingen te verwezenlijken, kan voor onroerend erfgoed en erfgoedlandschappen door de zakelijkrechthouder of de gebruiker een beheersplan worden opgesteld. De Vlaamse Regering kan onroerende goederen aanwijzen waarvoor de opmaak door de zakelijkrechthouder van een beheersplan verplicht is. Het agentschap kan een beheersplan goedkeuren. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak, de goedkeuring, de aanpassing en de uitvoering van beheersplannen. § 2. Als het agentschap de goedkeuring van een beheersplan weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de aanvrager ervan een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. Art. 8.1.2. De opmaak en de uitvoering van een beheersplan voor onroerend erfgoed en erfgoedlandschappen kunnen worden begeleid door een beheerscommissie. De Vlaamse Regering kan onroerende goederen aanduiden waarvoor de oprichting van een beheerscommissie verplicht is. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de oprichting, de samenstelling en de werking van beheerscommissies. Art. 8.1.3. Als voor een onroerend goed naast een beheersplan als vermeld in artikel 8.1.1 ook een beheersplan in het kader van het Bosdecreet van 13 juni 1990 of van het decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu wordt opgemaakt, worden alle beheersdoelstellingen voor dat onroerend goed in één plan geïntegreerd. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen en afwijken of in een aanvulling voorzien van wat daarvoor is voorzien in dit decreet, in het Bosdecreet van 13 juni 1990 of in het decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. HOOFDSTUK 9. - Prijzen Art. 9.1.1. De Vlaamse Regering kan prijzen toekennen voor verwezenlijkingen op het gebied van onroerend erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. HOOFDSTUK 1 0. - Financiering onroerenderfgoedzorg Afdeling 1. - Subsidies Art. 10.1.1. De Vlaamse Regering kan binnen de perken van de daartoe op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten : 1° samenwerkingsovereenkomsten sluiten met erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten, Regionale Landschappen en erkende onroerenderfgoeddepots en in het kader daarvan subsidies toekennen;2° beheersovereenkomsten sluiten met de zakelijkrechthouder of de beheerder van een archeologische site, monument, een of meer percelen in een cultuurhistorisch landschap, stads- of dorpsgezicht of erfgoedlandschap en in het kader van de beheersovereenkomst subsidies toekennen;3° projectsubsidies toekennen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. Afdeling 2. - Premies Art. 10.2.1. De Vlaamse Regering kan binnen de perken van de daartoe op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten : 1° premies toekennen voor werkzaamheden aan of in beschermde goederen en in erfgoedlandschappen;2° meerjarenpremieovereenkomsten sluiten voor grote en langdurige werken aan of in beschermd onroerend erfgoed en erfgoedlandschappen; 3° premies toekennen voor de opmaak van een beheersplan overeenkomstig artikel 8.8.1, § i; 4° premies toekennen voor beheer van beschermd onroerend erfgoed en erfgoedlandschappen; 5° premies toekennen voor het beheer van onroerend erfgoed waarvoor een beheersplan is goedgekeurd overeenkomstig artikel 8.1.1; 6° premies toekennen voor maatregelen ten behoeve van de algemene landschapszorg, opgenomen in een goedgekeurd actieprogramma onroerend erfgoed;7° premies toekennen bij een buitensporige directe kost van de verplicht uit te voeren archeologische opgraving zoals opgenomen in de bekrachtigde archeologienota of de bekrachtigde nota. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. Art. 10.2.2. De premies van het Vlaamse Gewest voor werkzaamheden aan of in beschermd bouwkundig erfgoed bedragen minstens : 1° als de premienemer een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon is : 32,5 % van de voor subsidie in aanmerking komende werkzaamheden;2° voor werkzaamheden aan gebouwen toebehorend aan een gemeente of OCMW en aan gebouwen bestemd voor een erkende eredienst : 80 % van de voor subsidie in aanmerking komende werkzaamheden. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. Afdeling 3. - Archeologie Onderafdeling 1. - Archeologisch vooronderzoek en archeologische opgraving Art. 10.3.1. Tenzij het anders overeengekomen is, worden de kosten van het archeologisch vooronderzoek en de archeologische opgraving gedragen door de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.4.1 en 5.4.2. Onderafdeling 2. - Toevalsvondsten Art. 10.3.2. De kosten van onderzoek na een toevalsvondst als vermeld in artikel 5.1.4 worden gedragen door het Vlaamse Gewest. Art. 10.3.3. De zakelijkrechthouder of de gebruiker van een onroerend goed kunnen een vergoeding vorderen voor schade ten gevolge van de verplichtingen, vermeld in artikel 5.1.4, als de schade voortvloeit uit de verlenging van de termijn van tien dagen en als de totale termijn dertig dagen overschrijdt. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van de schadevergoedingsplicht. De zakelijkrechthouder en de gebruiker kunnen geen schadevergoeding vorderen als ze de toevalsvondst niet overeenkomstig artikel 5.1.4 hebben gemeld. Onderafdeling 3. - Archeologisch solidariteitsfonds Art. 10.3.4. De Vlaamse Regering kan een archeologisch solidariteitsfonds erkennen als het minstens voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° het archeologisch solidariteitsfonds wordt opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk;2° zowel natuurlijke personen als privaatrechtelijke en publiekrechtelijke rechtspersonen kunnen lid worden van het archeologisch solidariteitsfonds;3° het archeologisch solidariteitsfonds legt zijn leden, op straffe van uitsluiting, de betaling van een bijdrage op waarvan de berekeningswijze overeengekomen wordt tussen het archeologisch solidariteitsfonds en de Vlaamse Regering.De bijdrage is afhankelijk van de mate waarin het lid als initiatiefnemer of als aannemer van diensten of werken voor rekening van derden activiteiten uitvoert die gepaard gaan met bodemingrepen; 4° het archeologisch solidariteitsfonds vergoedt zijn leden of de natuurlijke personen of rechtspersonen waarvoor zijn leden optreden als architect, aannemer van werken of erkende archeoloog, voor een deel van de kosten die gepaard gaan met archeologische opgravingen die worden uitgevoerd in overeenstemming met afdeling 4 van hoofdstuk 5. De voorwaarden hiervan worden opgenomen in een overeenkomst tussen het archeologisch solidariteitsfonds en de Vlaamse Regering. Art. 10.3.5. Een erkend archeologisch solidariteitsfonds ontvangt, binnen de beschikbare begrotingskredieten, een toelage van het Vlaamse Gewest die onder andere kan worden aangewend voor de werking van het fonds. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de berekeningswijze van de toelage op basis van een rapporteringsmechanisme, de wijze van toekenning en uitbetaling en controlemaatregelen. HOOFDSTUK 1 1. - Handhaving Afdeling 1. - Handhavingsbeleid Onroerend Erfgoed Art. 11.1.1. Met inachtneming van de prerogatieven van de bevoegde overheden is de Vlaamse Regering belast met de coördinatie en de inhoudelijke invulling van het handhavingsbeleid inzake Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering stelt daartoe een handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed vast op grond van een ontwerp, opgemaakt door de gewestelijke entiteit die door de Vlaamse Regering belast wordt met de handhaving van dit decreet. Het handhavingsprogramma blijft gelden zolang het niet geheel of gedeeltelijk wordt herzien. Het handhavingsprogramma bepaalt de handhavingsprioriteiten van de gewestelijke entiteit die door de Vlaamse Regering belast wordt met de handhaving van dit decreet. Het kan ook aanbevelingen bevatten inzake de handhaving van het Onroerend Erfgoed op gemeentelijk niveau en de samenwerking met en tussen de betrokken beleidsniveaus. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de inhoud, de opstelling en verspreiding van het handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed. Art. 11.1.2. Jaarlijks stelt de gewestelijke entiteit die door de Vlaamse Regering belast wordt met de handhaving van dit decreet een handhavingsrapport Onroerend Erfgoed op. Het handhavingsrapport Onroerend Erfgoed omvat minstens de volgende onderdelen : 1° een algemene evaluatie van het in het afgelopen kalenderjaar gevoerde handhavingsbeleid inzake Onroerend Erfgoed;2° een specifieke evaluatie van de inzet van de afzonderlijke handhavingsinstrumenten;3° een overzicht van de gevallen waarin, binnen de gestelde termijn, geen uitspraak werd gedaan over de beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen;4° een evaluatie van de beslissingspraktijk van de parketten inzake het al dan niet strafrechtelijk behandelen van een vastgesteld misdrijf Onroerend Erfgoed;5° een inventaris van de inzichten die tijdens de handhaving werden opgedaan en die kunnen worden aangewend ter verbetering van de regelgeving, beleidsvisies en beleidsuitvoering inzake Onroerend Erfgoed;6° aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van het handhavingsbeleid inzake Onroerend Erfgoed. De gewestelijke entiteit deelt het rapport mee aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud, de opstelling en de verspreiding van het rapport. Afdeling 2. - Sancties Onderafdeling 1. - Basisbepalingen Art. 11.2.1. De in artikel 11.2.2, 1° tot en met 8°, en artikel 11.2.2, eerste lid, 11°, bepaalde misdrijven worden gestraft door de strafrechter. De in artikel 11.2.4 bepaalde inbreuken worden gestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete. De in artikel 11.2.2, eerste lid, 9° en 10°, bepaalde misdrijven worden bestraft door de strafrechter of met een alternatieve bestuurlijke geldboete. Onderafdeling 2. - Misdrijven Onroerend Erfgoed Art. 11.2.2. De volgende handelingen of nalatigheden worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 26 euro tot 400.000 euro of met een van die straffen alleen : 1° het slopen van een in de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed opgenomen onroerend goed zonder over de daartoe vereiste uitvoerbare stedenbouwkundige vergunning te beschikken; 2° het niet naleven van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud van een voorlopige of definitieve bescherming of het niet naleven van de verplichtingen, vermeld in artikel 6.1.4, § 2, eerste lid, 8° en 9°, artikel 6.1.14, eerste lid, 8° en 9°, en artikel 6.2.5, eerste lid, 7° en 8° ; 3° het uitvoeren van overeenkomstig artikel 6.4.4, 6.4.5 of 6.4.7 aan een toelating, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning onderworpen handelingen zonder of in strijd met de toelating, de stedenbouwkundige vergunning of de verkavelingsvergunning; 4° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 5.1.3, zonder uitvoerbare toelating of melding, of in strijd met de voorwaarden of maatregelen van de toelating, de melding, de bekrachtigde archeologienota of de bekrachtigde nota; 5° het niet aangeven van een toevalsvondst overeenkomstig de bepalingen van artikel 5.1.4 of het niet naleven van de verplichtingen bepaald in dit artikel; 6° het niet naleven van het actiefbehoudsbeginsel, vermeld in artikel 5.2.1, 6.4.1 en 6.4.2; 7° het niet naleven van het passiefbehoudsbeginsel, vermeld in artikel 5.1.1 en 6.4.3; 8° het in stand houden van schade aan erfgoedwaarden, veroorzaakt door de misdrijven, vermeld in dit lid; 9° het voortzetten van handelingen in strijd met het stakingsbevel, bepaald in artikel 11.5.5, tenzij het stakingsbevel ondertussen ingevolge het uitblijven van de bekrachtiging, vermeld in artikel 11.5.5, § 3, is vervallen; 10° het gebruiken van detectoren in strijd met de bepalingen van artikel 5.1.2; 11° het toestaan of aanvaarden door de zakelijkrechthouder dat een van de misdrijven, vermeld in dit lid, wordt gepleegd of in stand gehouden. De minimumstraffen zijn een gevangenisstraf van vijftien dagen en een geldboete van 2.000 euro of een van die straffen alleen als een misdrijf als vermeld in het eerste lid wordt begaan binnen een termijn van twee jaar na de uitspraak van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest houdende veroordeling wegens een van de misdrijven, vermeld in het eerste lid. Art. 11.2.3. De dagvaarding is maar ontvankelijk na de overschrijving in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen liggen. Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven dagvaarding of van het overgeschreven exploot ingeschreven op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet. Een afschrift van de dagvaarding en de eindbeslissing wordt verstuurd aan de gemeente. Onderafdeling 3. - Inbreuken Onroerend Erfgoed Art. 11.2.4. § 1. De volgende handelingen of nalatigheden worden bestraft met een excluvieve bestuurlijke geldboete van maximaal 10.000 euro : 1° het niet naleven van de informatieplichten, vermeld in artikel 4.1.11, 6.4.8, 11.4.5, § 2, tweede en derde lid, en artikel 11.5.9, § 2; 2° het niet bezorgen door de aangestelde archeoloog van een archeologienota, bedoeld in artikel 5.4.10 en artikel 5.4.14, het niet bezorgen van een nota, bedoeld in artikel 5.4.18, het niet melden van de aanvang van een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem bedoeld in artikel 5.4.16 en het niet melden van de aanvang van een archeologische opgraving, bedoeld in artikel 5.4.12 en artikel 5.4.20; 3° het niet naleven van de plicht tot kennisgeving aan de gebruikers en de eigenaars van cultuurgoederen, vermeld in artikel 6.1.6, tweede lid, 1°, en artikel 6.1.16, tweede lid, 1° ; 4° het niet melden van een voornemen tot verkoop van een archeologisch artefact of van archeologisch ensemble. Een exclusieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd aan alle deelnemers aan de inbreuk. Zij wordt vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten. De hoogte van de bestuurlijke geldboete wordt afgestemd op de ernst van de inbreuk en eventuele verkregen vermogensvoordelen. § 2. Voor de toepassing van dit decreet worden schendingen van artikel 6.5.2 gelijkgesteld met inbreuken, zonder dat zij aanleiding kunnen geven tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete. § 3. Op vraag van de vermoedelijke overtreder, kan de boete worden opgelegd met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een proefperiode die niet minder dan een jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen. Aan dit uitstel kan de voorwaarde worden gekoppeld van het feitelijk herstel van de door de inbreuk veroorzaakte schade in een originele, goede staat binnen de termijn van de proefperiode. Het uitstel wordt van rechtswege herroepen als gedurende de proeftijd een nieuw misdrijf of een nieuwe inbreuk in de zin van dit decreet is gepleegd, met een veroordeling tot een straf of het opleggen van een bestuurlijke geldboete tot gevolg. Als het aan het uitstel gekoppelde feitelijk herstel niet of niet volledig werd uitgevoerd binnen de proefperiode, kan de inspecteur Onroerend Erfgoed besluiten tot het herroepen van het uitstel. Deze beslissing wordt genomen met inachtneming van de procedure, vermeld in artikel 11.2.5, met dien verstande dat het voornemen tot herroeping van het uitstel aan de overtreder moet worden meegedeeld binnen het jaar na afloop van de proefperiode. Art. 11.2.5. § 1. Na de ontvangst van een verslag van vaststelling bedoeld in artikel 11.3.4 of een proces-verbaal, bedoeld in artikel 11.3.3, waaruit het bestaan van een inbreuk blijkt, kan de inspecteur Onroerend Erfgoed binnen een termijn van zestig dagen de vermoedelijke overtreder of overtreders per beveiligde zending op de hoogte brengen van het voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen. De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de betekening van dit bericht schriftelijk zijn verweer mee te delen. De mededeling wordt vergezeld van het verslag of proces-verbaal waarop het opleggen van een bestuurlijke geldboete berust. Tevens wordt de verzoeker erop gewezen dat hij mondeling zijn schriftelijk verweer kan toelichten. De vermoedelijke overtreder richt daartoe aan de inspecteur Onroerend Erfgoed een aanvraag binnen dertig dagen na de betekening. De inspecteur Onroerend Erfgoed, bedoeld in deze paragraaf, mag nooit zelf de auteur zijn van het verslag of het proces-verbaal van vaststelling. Hij kan deze laatste wel verzoeken om aanvullende inlichtingen te verstrekken, of zelf bijkomende vaststellingen verrichten. § 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de betekening van het bericht beslist de inspecteur Onroerend Erfgoed over het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Deze beslissing wordt per beveiligde zending aan de vermoedelijke overtreder betekend binnen een termijn van tien dagen na de dag waarop zij werd genomen. Het verstrijken van één van deze termijnen maakt het opleggen van een bestuurlijke geldboete voor de inbreuk, zoals ze bleek uit het verslag van vaststelling of het proces-verbaal, onmogelijk. § 3. Met inachtneming van de bepalingen van de wet van 29 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/07/1991 pub. 18/12/2007 numac 2007001008 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. - Duitse vertaling sluiten betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vermeldt de beslissing minstens het eventueel opgelegde bedrag, de beroepsmogelijkheden en de voorwaarden van het beroep, alsmede de termijn waarbinnen en de manier waarop de exclusieve bestuurlijke geldboete moet worden betaald. § 4. Binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de in paragraaf 2 bedoelde beslissing van de inspecteur Onroerend Erfgoed aan de vermoedelijke overtreder ter kennis wordt gebracht, kan deze daartegen zijn beroep instellen bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de goederen gelegen zijn. Dit beroep heeft schorsende werking. De rechtbank doet uitspraak over de geldigheid van de bestuurlijke geldboete. Zij kan daarenboven zelf een beslissing nemen over het bedrag ervan en een uitstel van tenuitvoerlegging verlenen in de zin van artikel 11.2.4, § 3. § 5. De vordering tot betaling van de bestuurlijke geldboete verjaart na verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de in paragraaf 2 bedoelde beslissing is opgenomen. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Bij gebrek aan voldoening van de bestuurlijke geldboete en toebehoren vaardigt de inspecteur Onroerend Erfgoed een dwangbevel uit. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar die daartoe is aangewezen door de Vlaamse Regering. Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of ter kennis gebracht per beveiligde zending. Op het dwangbevel zijn de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing. § 6. Voor de toepassing van dit artikel wordt de betekening per beveiligde zending geacht te zijn geschied op de derde werkdag na de afgifte ter post. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen ter uitvoering van dit artikel. Onderafdeling 4. - Alternatieve bestuurlijke geldboete voor bepaalde misdrijven Art. 11.2.6. § 1. Bij de vaststelling van een misdrijf in de zin van artikel 11.2.2, eerste lid, 10° of 11°, bezorgt de verbalisant samen met het proces-verbaal een schriftelijk verzoek aan de procureur des Konings, waarin deze laatste gevraagd wordt zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het misdrijf in de zin van artikel 11.2.2, eerste lid, 9° of 10°. De verbalisant bezorgt, voor zover als mogelijk, de procureur des Konings tevens een overzicht van zowel de vroegere als de tegelijkertijd met het misdrijf in de zin van artikel 11.2.2, eerste lid, 9° of 10°, vastgestelde andere misdrijven en inbreuken, bepaald door dit decreet. § 2. De procureur des Konings beschikt voor een beslissing over het verzoek over een periode van honderdtachtig dagen, te rekenen vanaf de dag waarop hij het proces-verbaal heeft ontvangen. Voor die periode verstreken is, kan ze gemotiveerd eenmalig verlengd worden met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen. Van die verlenging stelt de procureur des Konings de inspecteur Onroerend Erfgoed onmiddellijk in kennis. Tijdens die periode van honderdtachtig dagen, eventueel verlengd met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen, kan er geen bestuurlijke geldboete worden opgelegd. § 3. De procureur des Konings deelt zijn beslissing mee aan de inspecteur Onroerend Erfgoed. Een beslissing houdende strafrechtelijke behandeling sluit het opleggen van een bestuurlijke geldboete uit. Een beslissing houdende geen strafrechtelijke behandeling van het misdrijf in de zin van artikel 11.2.2, eerste lid, 9° of 10°, houdt het verval van de strafvordering met betrekking tot deze misdrijven in, maar laat de strafvordering met betrekking tot andere misdrijven onverminderd bestaan, zelfs in geval van eenheid van opzet. Het verzuim om een beslissing te nemen binnen de termijnen, bepaald in paragraaf 2, heeft dezelfde gevolgen als een beslissing houdende geen strafrechtelijke behandeling. § 4. Een alternatieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd aan alle deelnemers aan de inbreuk. Zij bedraagt maximaal 50.000 euro. Een opgelegde alternatieve bestuurlijke geldboete wordt vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten. De hoogte van de bestuurlijke geldboete wordt afgestemd op de ernst van het misdrijf en eventuele verkregen vermogensvoordelen. Artikel 11.2.4, § 3, is van overeenkomstige toepassing. De bestuurlijke geldboete wordt opgelegd en ingevorderd overeenkomstig artikel 11.2.5, met dien verstande dat de termijn van zestig dagen waarbinnen de vermoedelijke overtreder op de hoogte dient te worden gebracht van het voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, eerst aanvangt na ontvangst van de beslissing, bedoeld in paragraaf 3 of na het verstrijken van de termijnen, bedoeld in paragraaf 2, verlengd met een periode van twintig dagen. Afdeling 3. - Raadgeving, aanmaning en vaststelling Onderafdeling 1. - Raadgeving en aanmaning Art. 11.3.1. Als bevoegde personen vaststellen dat een inbreuk onroerend erfgoed of een misdrijf onroerend erfgoed dreigt op te treden, kunnen zij alle raadgevingen geven die zij nuttig achten om dat te voorkomen. Onder bevoegde personen, vermeld in het eerste lid, worden begrepen, de personen bedoeld in onderafdeling 2 en 3, en de personeelsleden van het departement en de agentschappen die behoren tot de beleidsdomeinen Ruimtelijke Ordening, Wonen en Onroerend Erfgoed, die worden aangewezen door de Vlaamse Regering. Art. 11.3.2. Als de in artikel 11.3.1 bedoelde bevoegde personen bij de uitoefening van hun respectieve opdrachten een inbreuk onroerend erfgoed of een misdrijf onroerend erfgoed vaststellen, kunnen zij de vermoedelijke overtreder en eventuele andere betrokkenen aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om de inbreuk of het misdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen. De aanmaning wordt altijd bevestigd in een geschrift, aan alle betrokkenen betekend per beveiligde zending. Als de adressant van de aanmaning, desgevallend na rappel, nalaat om de gevraagde maatregelen te nemen binnen het daartoe bepaalde tijdsbestek, geldt een aangifteplicht van het misdrijf of de inbreuk bij de inspecteur Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen ter uitvoering van deze onderafdeling. Onderafdeling 2. - Vaststelling van misdrijven onroerend erfgoed Art. 11.3.3. Onverminderd de bevoegdheden van de agenten en de officieren van gerechtelijke politie zijn de inspecteur Onroerend Erfgoed en de andere door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren van het Vlaamse Gewest, bevoegd om de misdrijven omschreven in dit hoofdstuk op te sporen en vast te stellen door een proces-verbaal. Hetzelfde geldt voor de personeelsleden van de gemeenten of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, daartoe aangesteld door het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden. De processen-verbaal waarin de misdrijven omschreven in dit hoofdstuk worden vastgesteld, gelden tot bewijs van het tegendeel. De agenten, officieren van de gerechtelijke politie en ambtenaren, vermeld in het eerste lid, hebben toegang tot de beschermde goederen, erfgoedlandschappen en archeologische sites en tot onroerende goederen waar zich archeologische artefacten kunnen bevinden, om alle nodige opsporingen en vaststellingen te verrichten. Als die verrichtingen de kenmerken van een huiszoeking dragen, mogen ze alleen worden uitgevoerd op voorwaarde dat de politierechter daartoe een machtiging heeft verstrekt. Om misdrijven omschreven in dit hoofdstuk op te sporen en vast te stellen in een proces-verbaal, krijgen de inspecteurs Onroerend Erfgoed de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings. Een afschrift van het proces-verbaal wordt altijd gericht aan de vermoedelijke overtreders, de inspecteur Onroerend Erfgoed, het agentschap en de gemeente op wiens grondgebied deze handelingen werden uitgevoerd of waar dit gebruik plaatsvond. Onderafdeling 3. - Vaststelling van inbreuken onroerend erfgoed Art. 11.3.4. De in artikel 11.3.3 genoemde verbalisanten kunnen, bij de vaststelling van een inbreuk onroerend erfgoed zonder samenloop met een misdrijf onroerend erfgoed, een verslag van vaststelling opstellen, dat zij onmiddellijk bezorgen aan de inspecteur Onroerend Erfgoed. Artikel 11.3.3, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Een afschrift van het verslag van vaststelling wordt altijd gericht aan de vermoedelijke overtreders, de inspecteur Onroerend Erfgoed, het agentschap en de gemeente op wiens grondgebied deze handelingen werden uitgevoerd of waar dit gebruik plaatsvond. Wordt in samenhang met de inbreuk onroerend erfgoed tegelijkertijd een misdrijf onroerend erfgoed vastgesteld, dan wordt de vaststelling van de inbreuk onroerend erfgoed opgenomen in het proces-verbaal, bedoeld in artikel 11.3.3. Afdeling 4. - Rechterlijke herstelmaatregel Art. 11.4.1. § 1. Naast de straf beveelt de rechtbank op vordering van de inspecteur Onroerend Erfgoed het integrale herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade. § 2. Het integrale herstel strekt primair tot het feitelijke herstel in een originele, goede staat. Als het beschermde goed, het erfgoedlandschap, de archeologische site, het archeologisch ensemble, het archeologisch artefact of het in een vastgestelde inventaris opgenomen onroerend goed ingevolge het misdrijf geheel of gedeeltelijk vernietigd is, wordt de gehele of gedeeltelijke reconstructie bevolen, zo nodig op een andere locatie, gebruikmakend van historisch verantwoorde technieken, materialen en beplantingen. In geval van gehele of gedeeltelijke reconstructie beveelt de rechtbank op vordering van de inspecteur Onroerend Erfgoed de betaling van een aanvullende vergoeding voor de schade die niettegenstaande de gehele of gedeeltelijke reconstructie blijvend is opgelopen door het algemeen belang ingevolge de vernietiging van erfgoedwaarden. De vordering van de inspecteur Onroerend Erfgoed bevat een met redenen omklede begroting van de schade. De gehele of gedeeltelijke reconstructie, bedoeld in deze paragraaf, kan worden aangevuld met of zelfs vervangen worden door complementaire maatregelen, in de mate waarin deze dienstig zijn om het niveau van erfgoedwaarden, bestaande voor het plegen van het misdrijf, opnieuw te benaderen door de opwaardering van de resterende erfgoedwaarden. § 3. Als geen feitelijk herstel in een originele, goede staat mogelijk is en een gehele of gedeeltelijke reconstructie, al dan niet aangevuld met of vervangen door complementaire maatregelen, volgens het met redenen omklede oordeel van de inspecteur Onroerend Erfgoed evenmin mogelijk is of minstens niet opportuun is, beveelt de rechter een integraal herstel door de vergoeding van de schade die het algemeen belang heeft opgelopen door de vernietiging van erfgoedwaarden, zo nodig aangevuld met maatregelen die verdere schade moeten voorkomen, zoals de vrijwaring van een verstoorde archeologische zone door een archeologische opgraving of de staking van een schadeverwekkende activiteit. De vordering van de inspecteur Onroerend Erfgoed bevat een met redenen omklede begroting van de schade. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. § 4. Als de herstelvordering strekt tot het feitelijke herstel in een originele, goede staat of een gehele of gedeeltelijke reconstructie, heeft de herstelvordering van de inspecteur Onroerend Erfgoed altijd voorrang op de herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen op grond van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009. Art. 11.4.2. De rechtbank kan een termijn bepalen van maximaal drie jaar voor de vrijwillige uitvoering van de opgelegde herstelmaatregel, en kan op vordering van de inspecteur Onroerend Erfgoed ook een dwangsom bepalen per dag vertraging of per vastgestelde inbreuk. De opgelegde schadevergoeding is onmiddellijk betaalbaar. Art. 11.4.3. § 1. De inspecteur Onroerend Erfgoed kan ook voor de burgerlijke rechtbank het integrale herstel vorderen, vermeld in artikel 11.4.1, en dit ongeacht of de te herstellen schade veroorzaakt is door misdrijven onroerend erfgoed dan wel inbreuken onroerend erfgoed. § 2. Met behoud van de toepassing van afdeling 5 kan de inspecteur Onroerend Erfgoed, met het oog op de vrijwaring van met ernstige en imminente vernieling, beschadiging of ontsiering bedreigd onroerend erfgoed, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg verzoeken om voorlopige instandhoudingsmaatregelen te bevelen, in voorkomend geval op straffe van een dwangsom per dag vertraging of per vastgestelde inbreuk. Voor maatregelen, vermeld in het eerste lid, hoeft geen termijn voor vrijwillige uitvoering te worden verleend als de vereiste spoed zich daartegen verzet. § 3. De dagvaarding of het exploot tot inleiding van het geding is maar ontvankelijk na de overschrijving in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen liggen. Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven dagvaarding of van het overgeschreven exploot ingeschreven op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet. Een afschrift van de dagvaarding, het exploot tot inleiding van het geding of de eindbeslissing wordt per beveiligde zending aan de gemeente betekend. Art. 11.4.4. § 1. Als de opgelegde herstel- of instandhoudingsmaatregelen niet binnen de door de rechter bepaalde uitvoeringstermijn worden uitgevoerd, beveelt het vonnis of arrest altijd dat de inspecteur Onroerend Erfgoed ambtshalve in de uitvoering ervan kan

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.