← België

Decreet betreffende het onroerend erfgoed

Kort samengevat

Dit decreet, genaamd het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, regelt aangelegenheden betreffende onroerend erfgoed in Vlaanderen. Het definieert verschillende termen en stelt instanties en actoren in die betrokken zijn bij het onroerenderfgoedbeleid.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
12 JULI 2013. - Decreet betreffende het onroerend erfgoed (1) Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : Decreet betreffende het onroerend erfgoed HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen Artikel 1.1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid. Art. 1.2. Dit decreet wordt aangehaald als : het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. HOOFDSTUK 2. - Definities Art. 2.1. In dit decreet wordt verstaan onder : 1° administratieve overheid : de federale overheidsbedrijven, het Vlaamse Gewest, de openbare instellingen die ervan afhangen, de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke instellingen die belast zijn met taken van openbaar nut en de andere besturen die onderworpen zijn aan het administratief toezicht van het Vlaamse Gewest;2° agentschap : de entiteit die door de Vlaamse Regering belast is met de beleidsvoorbereiding, de beleidsuitvoering, de beleidsmonitoring en de beleidsevaluatie inzake onroerend erfgoed;3° algemene landschapszorg : het stimuleren van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van cultuurhistorische, fysisch-geografische en esthetische landschapswaarden en van typische landschapskenmerken waaronder kleine landschapselementen;4° archeologie : het bestuderen van overblijfselen en voorwerpen of een ander spoor van menselijk bestaan in het verleden, alsook de bestaansomgeving van de mens, waarvan het behoud en de bestudering bijdragen tot het reconstrueren van de bestaansgeschiedenis van de mensheid en haar relatie tot de natuurlijke omgeving en ten aanzien waarvan opgravingen, ontdekkingen en andere methoden van onderzoek betreffende de mensheid en haar omgeving betekenisvolle bronnen van informatie zijn;5° archeologisch artefact : een roerend goed dat van algemeen belang is wegens de archeologische erfgoedwaarde;6° archeologisch ensemble : het geheel van archeologische artefacten en onderzoeksdocumenten afkomstig van een archeologisch onderzoek;7° archeologisch onderzoek : het gebruik van technieken en methoden waarmee archeologische sites, archeologische zones of delen ervan worden opgespoord en onderzocht met inbegrip van archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen;8° archeologisch vooronderzoek : het gebruik van wetenschappelijke methoden en technieken waarmee doelbewust archeologische artefacten en archeologische sites worden opgespoord en gewaardeerd zonder de erfgoedwaarden in situ wezenlijk aan te tasten, te onderscheiden in archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem met mogelijks enig effect op de erfgoedwaarden in situ zoals de aanleg van proefsleuven, proefputten, vlakken of andere intrusieve methoden met grondverzet en archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem zonder aanwending van grondwerkzaamheden of activiteiten die enig effect hebben op de erfgoedwaarden in situ.Voorbeelden van archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem zijn veldprospectie, luchtfotografische prospectie, geofysische prospectie en archivalisch onderzoek; 9° archeologische opgraving : het gebruik van wetenschappelijke methoden en technieken waarmee doelbewust de ondergrondse, aan de oppervlakte of onder water aanwezige archeologische artefacten en archeologische sites worden opgespoord, vrijgelegd en door opgraving worden onderzocht en waarbij de archeologische artefacten en onderzoeksdocumenten archeologische ensembles vormen;10° archeologische site : een onroerend goed dat ondergronds, aan de oppervlakte of onder water aanwezig is, met inbegrip van de archeologische artefacten die er integrerend deel van uitmaken, van algemeen belang wegens de archeologische erfgoedwaarde;11° archeologische zone : zone waar op basis van waarnemingen en wetenschappelijke argumenten onderbouwd kan worden dat ze met hoge waarschijnlijkheid archeologische waarde heeft;12° archeoloog : een natuurlijke persoon of rechtspersoon die archeologisch vooronderzoek of archeologische opgravingen uitvoert;13° beheer : het geheel van maatregelen, werkzaamheden en handelingen die erop gericht zijn de erfgoedwaarden van een onroerend goed in stand te houden of te herstellen;14° beschermd cultuurhistorisch landschap : een cultuurhistorisch landschap dat voorlopig of definitief beschermd is overeenkomstig hoofdstuk 6;15° beschermd goed : een beschermde archeologische site, een beschermd monument, een beschermd cultuurhistorisch landschap of een beschermd stads- of dorpsgezicht;16° beschermd monument : een monument dat voorlopig of definitief beschermd is overeenkomstig hoofdstuk 6;17° beschermd stads- of dorpsgezicht : een stads- of dorpsgezicht dat voorlopig of definitief beschermd is overeenkomstig hoofdstuk 6;18° beschermde archeologische site : een archeologische site die voorlopig of definitief beschermd is overeenkomstig hoofdstuk 6;19° bestuursdwang : het handelen vanwege de inspecteur Onroerend Erfgoed tegen wat in strijd is met de bij of krachtens dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan gestelde verplichtingen;20° beveiligde zending : een van de volgende betekeningswijzen : a) een aangetekende brief;b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;21° code van goede praktijk : geschreven en publiek toegankelijke regels met betrekking tot de uitvoering van en de rapportering over archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen en met betrekking tot het gebruik van detectoren en de bij de betrokken beroepscategorieën algemeen aanvaarde regels van goed vakmanschap;22° cultuurhistorisch landschap : een begrensde grondoppervlakte met een geringe dichtheid van bebouwing en een onderlinge samenhang waarvan de verschijningsvorm en de samenhang het resultaat zijn van natuurlijke processen en van maatschappelijke ontwikkelingen van algemeen belang wegens de erfgoedwaarde;23° erfgoedelementen : de structurele en visuele componenten die de eigenheid van het onroerend erfgoed bepalen en die de waarden vormen die aan de grondslag liggen van een bescherming;24° erfgoedkenmerk : typologie, stijl, cultuur, datering, materiaal, biologische soort, thema of ander kenmerk;25° erfgoedlandschap : een gebied dat wegens de erfgoedwaarde overeenkomstig de geldende regelgeving opgenomen is in een ruimtelijk uitvoeringsplan op basis van een onroerenderfgoedrichtplan of vastgestelde inventaris;26° erfgoedwaarde : de archeologische, architecturale, artistieke, culturele, esthetische, historische, industrieel-archeologische, technische waarde, ruimtelijk-structurerende, sociale, stedenbouwkundige, volkskundige of wetenschappelijke waarde waaraan onroerende goederen en de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken hun huidige of toekomstige maatschappelijke betekenis ontlenen;27° gebruiker : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die houder is van een zakelijk of persoonlijk recht, met uitsluiting van de eigenaar, blote eigenaar, erfpachthouder, opstalhouder of leasinggever;28° handelingen : werkzaamheden, wijzigingen of activiteiten met gevolgen voor erfgoedwaarden;29° inspecteur Onroerend Erfgoed : de ambtenaar die belast is met de hem door dit decreet toegewezen handhavingstaken, aangesteld door de leidend ambtenaar van de entiteit die door de Vlaamse Regering belast is met de handhaving van de regelgeving inzake onroerend erfgoed op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of een gedeelte ervan;30° intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst : een intergemeentelijke dienst die ter uitvoering van dit decreet met betrekking tot het onroerend erfgoed beleidsuitvoerende taken opneemt;31° inventaris : een oplijsting van onroerende goederen en gehelen van onroerende goederen met erfgoedwaarde;32° kleine landschapselementen : lijn- of puntvormige elementen, met inbegrip van de bijbehorende vegetaties, waarvan het uitzicht, de structuur of de aard al dan niet het resultaat zijn van menselijk handelen en die deel uitmaken van het landschap zoals bermen, bomen, bronnen, dijken, grachten, houtkanten, hagen, holle wegen, hoogstamboomgaarden, perceelsrandbegroeiingen, sloten, struwelen, poelen, veedrinkputten en waterlopen;33° landschap : een deel van het grondgebied, zoals dat door de menselijke bevolking wordt waargenomen en waarvan het karakter bepaald wordt door natuurlijke en/of menselijke factoren en de wisselwerking daartussen;34° landschapsatlas : de inventaris van de relicten van de traditionele landschappen waarin de landschapskenmerken weergegeven worden als ze een erfgoedwaarde hebben;35° last onder dwangsom : de door de inspecteur Onroerend Erfgoed opgelegde last die ertoe strekt de overtreder onder dreiging van aantasting van zijn vermogen aan te zetten de gevolgen van de inbreuk ongedaan te maken of verdere inbreuk of herhaling van de inbreuk te voorkomen;36° lijninfrastructuur en haar aanhorigheden : het geheel van infrastructuur en haar omgeving bedoeld voor verkeer en vervoer van mensen, zaken en goederen en berichten.De lijninfrastructuur omvat autowegen, waterwegen en waterlopen, spoorwegen, luchthavens, havens, pijpleidingen, elektriciteitsleidingen, infrastructuur ten behoeve van telecommunicatie, leidingen voor het vervoer en de verdeling van aardgas, drinkwater en brandstoffen en leidingen voor het verzamelen en vervoeren van afval- en hemelwater. Onder aanhorigheden worden alle uitrusting, voorzieningen en infrastructuur verstaan die nodig of nuttig zijn voor het beheer en de exploitatie van de lijninfrastructuur; 37° metaaldetectorist : een natuurlijke persoon of rechtspersoon die met behulp van een metaaldetector archeologische artefacten of archeologische sites opspoort;38° monument : een onroerend goed, werk van de mens of van de natuur of van beide samen, met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen van algemeen belang wegens de erfgoedwaarde(n);39° onroerend erfgoed : het geheel van archeologische sites, monumenten, cultuurhistorische landschappen en stads- en dorpsgezichten;40° onroerenderfgoeddepot : een bewaarplaats met een onderzoeksruimte waar in gecontroleerde omstandigheden archeologische ensembles, archeologische artefacten of onderdelen van beschermd erfgoed, afkomstig uit het Vlaamse Gewest, worden bewaard en beheerd;41° onroerenderfgoedgemeente : een gemeente die ter uitvoering van dit decreet met betrekking tot het onroerend erfgoed beleidsuitvoerende taken opneemt;42° onroerenderfgoedondernemer : een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een of meer disciplines uitoefent in of diensten levert aan de onroerenderfgoedsector;43° overgangszone : een begrensde grondoppervlakte die de erfgoedwaarde van een archeologische site, monument, cultuurhistorisch landschap of stads- en dorpsgezicht ondersteunt;44° SARO : de strategische adviesraad opgericht bij het decreet van 10 maart 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten0 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed;45° stads- of dorpsgezicht : een geheel van een of meer monumenten en/of onroerende goederen met omgevende bestanddelen zoals beplantingen, omheiningen, waterlopen, bruggen, wegen, straten en pleinen, van algemeen belang wegens de erfgoedwaarde;46° VCRO : Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;47° zakelijkrechthouder : de eigenaar, blote eigenaar, erfpachthouder, opstalhouder of leasinggever. HOOFDSTUK 3. - Instanties en actoren van het onroerenderfgoedbeleid Afdeling 1. - Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed Art. 3.1.1. Er wordt een onafhankelijke Vlaamse adviescommissie voor het onroerend erfgoed opgericht, hierna Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed te noemen. De Vlaamse Regering kan de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed onderverdelen in afdelingen. De Vlaamse Regering : 1° bepaalt de samenstelling, de kennis die over de verschillende disciplines aanwezig moet zijn, de organisatie en de werking;2° benoemt de leden en de plaatsvervangers;3° stelt de nodige middelen ter beschikking. De voorzitter, de leden en de plaatsvervangers worden benoemd voor een termijn van vier jaar. Hun mandaat kan twee maal verlengd worden met een nieuwe termijn van vier jaar. Art. 3.1.2. Het secretariaat van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed wordt uitgeoefend door het secretariaat van de SARO. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Art. 3.1.3. De Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed stelt haar huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring aan de Vlaamse Regering voor. Art. 3.1.4. De Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed verstrekt adviezen : 1° in de gevallen en rekening houdend met de termijnen, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;2° op verzoek van de Vlaamse Regering of haar gemachtigde of de SARO over een aangelegenheid die binnen het toepassingsgebied van dit decreet valt binnen de door de aanvrager vermelde termijn;3° uit eigen beweging aan de Vlaamse Regering of aan de SARO over een aangelegenheid die binnen het toepassingsgebied van dit decreet valt of over de afstemming van de onroerenderfgoedzorg met andere beleidsvelden. De Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed bezorgt de adviezen aan de SARO tegelijk aan de Vlaamse Regering. Afdeling 2. - Erkenning als onroerenderfgoedgemeente Art. 3.2.1. De Vlaamse Regering kan een gemeente erkennen als onroerenderfgoedgemeente. De Vlaamse Regering bepaalt : 1° de erkenningsvoorwaarden;2° de nadere regels voor de erkenning en de duur, de schorsing en de intrekking ervan;3° de nadere regels voor de toekenning van de bevoegdheden die in het kader van dit decreet aan de onroerenderfgoedgemeente kunnen worden toegekend. Afdeling 3. - Erkenning als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst Art. 3.3.1. De Vlaamse Regering kan een intergemeentelijke dienst opgericht overeenkomstig het decreet van 6 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/07/2001 pub. 31/10/2001 numac 2001035984 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de intergemeentelijke samenwerking sluiten houdende intergemeentelijke samenwerking erkennen als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst. De Vlaamse Regering bepaalt : 1° de erkenningsvoorwaarden;2° de nadere regels voor de erkenning en de duur, de schorsing en de intrekking ervan. Afdeling 4. - Erkenning als onroerenderfgoeddepot Art. 3.4.1. De Vlaamse Regering kan een depot erkennen als onroerenderfgoeddepot. De Vlaamse Regering bepaalt : 1° de erkenningsvoorwaarden;2° de nadere regels voor de erkenning en de duur, de schorsing en de intrekking ervan. Art. 3.4.2. Het depot van het agentschap is van rechtswege erkend als onroerenderfgoeddepot. Art. 3.4.3. Met de in dit decreet bedoelde erkenning wordt gelijkgesteld een erkenning in een andere lidstaat van de EU dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de EU, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, welke op basis van onderzoekingen een beschermingsniveau biedt dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de erkenning door dit decreet wordt nagestreefd. Afdeling 5. - Aanduiding als erkende archeoloog Art. 3.5.1. De Vlaamse Regering kan een natuurlijke persoon of rechtspersoon aanduiden als erkende archeoloog. De Vlaamse Regering bepaalt : 1° de erkenningsvoorwaarden;2° de nadere regels voor de erkenning en de duur, de schorsing en de intrekking ervan en de administratieve beroepsprocedure. Art. 3.5.2. Het agentschap is van rechtswege aangeduid als een erkend archeoloog. Art. 3.5.3. Met de in dit decreet bedoelde erkenning wordt gelijkgesteld een erkenning in een andere lidstaat van de EU dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de EU, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, welke op basis van onderzoekingen een beschermingsniveau biedt dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de erkenning door dit decreet wordt nagestreefd. Afdeling 6. - Aanduiding als erkende metaaldetectorist Art. 3.6.1. De Vlaamse Regering kan een natuurlijke persoon of rechtspersoon aanduiden als erkende metaaldetectorist. De Vlaamse Regering bepaalt : 1° de erkenningsvoorwaarden;2° de nadere regels voor de erkenning en de duur, de schorsing en de intrekking ervan en de administratieve beroepsprocedure. Art. 3.6.2. Elke archeoloog die erkend is overeenkomstig artikel 3.5.1 of 3.5.2 is van rechtswege een erkende metaaldetectorist. Art. 3.6.3. Met de in dit decreet bedoelde erkenning wordt gelijkgesteld een erkenning in een andere lidstaat van de EU dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de EU, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, welke op basis van onderzoekingen een beschermingsniveau biedt dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de erkenning door dit decreet wordt nagestreefd. Afdeling 7. - Kwaliteitslabel onroerenderfgoedondernemers Art. 3.7.1. De Vlaamse Regering kan een kwaliteitslabel toekennen aan onroerenderfgoedondernemers. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. HOOFDSTUK 4. - Inventarissen Art. 4.1.1. De Vlaamse Regering stelt minstens de volgende inventarissen geheel of gedeeltelijk vast : 1° de landschapsatlas;2° de inventaris van archeologische zones;3° de inventaris van bouwkundig erfgoed;4° de inventaris van houtige beplantingen met erfgoedwaarde;5° de inventaris van historische tuinen en parken. Art. 4.1.2. De Vlaamse Regering bepaalt de criteria voor het opnemen en schrappen van een onroerend goed in een in artikel 4.1.1 vermelde inventaris. Art. 4.1.3. De Vlaamse Regering onderwerpt de vast te stellen inventaris aan een openbaar onderzoek van zestig dagen dat minstens wordt aangekondigd door : 1° een bericht op te hangen in elke gemeente waar een onroerend goed gelegen is, dat opgenomen is in de vast te stellen inventaris;2° een bericht op de website van elke gemeente waar een onroerend goed gelegen is, dat opgenomen is in de vast te stellen inventaris;3° een bericht in het Belgisch Staatsblad;4° een bericht in ten minste drie dagbladen die in het Vlaamse Gewest worden verspreid;5° een bericht op de website van het agentschap. De berichten, vermeld in het eerste lid, vermelden minstens : 1° het voorwerp van het openbaar onderzoek;2° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;3° de plaats waar de inventaris ter inzage ligt of geraadpleegd kan worden;4° de website waarop de inventaris te raadplegen is;5° het adres waar opmerkingen en bezwaren over feitelijkheden dienen toe te komen of kunnen worden afgegeven. Tijdens het openbaar onderzoek : 1° ligt de inventaris, vermeld in het eerste lid, ter inzage of is raadpleegbaar bij het agentschap;2° is de inventaris te raadplegen op de website van het agentschap;3° kunnen opmerkingen en bezwaren over feitelijkheden worden ingediend en afgegeven bij het agentschap. De opmerkingen en bezwaren worden uiterlijk de laatste dag van de termijn, vermeld in het bericht, aan het agentschap per beveiligde zending bezorgd. Met opmerkingen en bezwaren die laattijdig aan het agentschap worden bezorgd, moet geen rekening worden gehouden. De Vlaamse Regering wint over de inventaris en de opmerkingen en bezwaren afkomstig van het openbaar onderzoek advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Dit advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. De termijn van dertig dagen kan door de Vlaamse Regering eenmalig worden verlengd met dertig dagen op vraag van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de adviesprocedure. De Vlaamse Regering stelt na het advies van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed de inventaris vast. De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor de vaststelling van de inventarissen en het openbaar onderzoek bepalen. Art. 4.1.4. De Vlaamse Regering kan een vastgestelde inventaris actualiseren of er onroerende goederen aan toevoegen of uit verwijderen. Voor de betrokken onroerende goederen wordt een openbaar onderzoek georganiseerd onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld in artikel 4.1.3. Art. 4.1.5. De ambtenaren die daarvoor aangewezen zijn door de Vlaamse Regering hebben voor het onderzoek naar de erfgoedelementen en de erfgoedkenmerken toegang tot de onroerende goederen die opgenomen zijn in een vastgestelde inventaris als vermeld in artikel 4.1.1, en tot de onroerende goederen die in aanmerking komen voor opname in een inventaris als vermeld in artikel 4.1.1 met uitzondering van particuliere woningen en bedrijfslokalen. Art. 4.1.6. De vastgestelde inventarissen bevatten over elk onroerend goed dat erin opgenomen is minstens de volgende gegevens : 1° een gegeorefereerd plan waarop het onroerend goed nauwkeurig wordt aangeduid;2° de benaming van het geïnventariseerde onroerend goed;3° een beschrijving op basis van de erfgoedkenmerken. De Vlaamse Regering kan de gegevens die voor elk onroerend goed in een vastgestelde inventaris moeten worden opgenomen nader omschrijven of uitbreiden. Art. 4.1.7. Alle onroerende goederen die opgenomen zijn in een vastgestelde inventaris als vermeld in artikel 4.1.1 en alle beschermde onroerende goederen worden gegeorefereerd op een publiek te raadplegen GIS-laag. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Art. 4.1.8. De opname van een onroerend goed in een vastgestelde inventaris vormt, uitgezonderd als het een eigen werk, daad of activiteit van een administratieve overheid betreft, geen weigeringsgrond voor eender welke vergunning of machtiging. Art. 4.1.9. Elke administratieve overheid neemt zo veel mogelijk zorg in acht voor de erfgoedkenmerken van onroerende goederen die opgenomen zijn in een aan een openbaar onderzoek onderworpen vastgestelde inventaris als vermeld in artikel 4.1.3. De administratieve overheid geeft in al haar beslissingen over een eigen werk of activiteit met directe impact op geïnventariseerd erfgoed aan hoe ze rekening heeft gehouden met de verplichting vermeld in het eerste lid. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die motiveringsplicht en zorgplicht. Dit artikel doet geen afbreuk aan strengere voorschriften voor beschermde goederen. Art. 4.1.10. Als voor het verwijderen van een onroerend goed opgenomen in de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed of van een onroerend goed, opgenomen in de vastgestelde inventaris van houtige beplantingen met erfgoedwaarde een vergunning vereist is, wint de vergunningverlenende overheid advies in bij het agentschap. Als de vergunningverlenende overheid een onroerenderfgoedgemeente is, wint deze het advies in van een deskundig medewerker van de eigen diensten of de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst waar de gemeente deel van uitmaakt. Dat advies is onderworpen aan de algemene procedurevoorschriften en termijnen die gelden voor andere adviezen die ingewonnen moeten worden binnen de toepasselijke vergunningsprocedure. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. Art. 4.1.11. Iedereen die voor eigen rekening of als tussenpersoon een geïnventariseerd goed, overeenkomstig artikel 4.1.1, verkoopt, verhuurt voor meer dan negen jaar, inbrengt in een vennootschap, een erfpacht of een opstalrecht overdraagt of op andere wijze de eigendomsoverdracht met een vergeldend karakter van het goed bewerkstelligt, vermeldt in de onderhandse of authentieke akte dat het onroerend goed opgenomen is in een van de vastgestelde inventarissen, vermeld in artikel 4.1.1, en de rechtsgevolgen die aan de opname verbonden zijn door een verwijzing naar hoofdstuk 4 van dit decreet in de akte op te nemen. Als de instrumenterend ambtenaar een onderhandse akte in een authentieke akte dient op te nemen, waarbij de eerste niet beantwoordt aan de voorschriften van het eerste lid, dan wijst hij de partijen bij de opmaak van de akte op het eerste lid. De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor de informatieplicht bepalen. HOOFDSTUK 5. - Archeologie Afdeling 1. - Algemene beginselen Onderafdeling 1. - Passiefbehoudsbeginsel Art. 5.1.1. Het is verboden archeologische artefacten, archeologische sites en archeologische ensembles te ontsieren, te beschadigen of te vernielen. Onderafdeling 2. - Metaaldetectie Art. 5.1.2. Het is verboden zonder erkenning als metaaldetectorist of in afwijking van de code van goede praktijk met metaaldetectoren archeologische artefacten en archeologische sites op te sporen. Onderafdeling 3. - Archeologisch onderzoek Art. 5.1.3. Het is verboden zonder toelating van het agentschap en zonder melding aan het agentschap of in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, een archeologische opgraving of graafwerken uit te voeren met de bedoeling archeologische sites op te sporen en vrij te leggen of archeologische artefacten uit hun originele context te verwijderen. Onderafdeling 4. - Toevalsvondsten Art. 5.1.4. Iedereen die, op een ander moment dan bij het uitvoeren van een archeologisch vooronderzoek, een archeologische opgraving of het gebruik van een metaaldetector, een roerend of onroerend goed vindt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het archeologische erfgoedwaarde heeft, is verplicht daarvan binnen drie dagen aangifte te doen bij het agentschap. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. In voorkomend geval brengt het agentschap de zakelijkrechthouder en de gebruiker van de betrokken percelen, als ze niet de vinder zijn, en de gemeenten waar de vondsten worden gedaan ervan op de hoogte dat er vondsten zijn gedaan die vermoedelijk archeologische erfgoedwaarde hebben en wat de rechtsgevolgen daarvan zijn. De zakelijkrechthouder, de gebruiker en de vinder moeten tot de tiende dag na de aangifte : 1° de archeologische artefacten en hun vindplaats in onveranderde toestand bewaren;2° de archeologische artefacten en hun context tegen beschadiging of vernieling beschermen;3° de archeologische artefacten en hun context toegankelijk maken voor onderzoek door het agentschap. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Na het onderzoek, vermeld in het derde lid, 3°, kan het agentschap de termijn van tien dagen inkorten of verlengen. Het agentschap brengt de zakelijkrechthouder en de gebruiker daarvan per beveiligde zending op de hoogte. Na het verstrijken van de termijn zijn de zakelijkrechthouder, de gebruiker en de vinder niet langer onderworpen aan het passief-behoudsbeginsel voor archeologisch erfgoed voor wat betreft de gemelde vondst. Afdeling 2. - Verplichtingen zakelijkrechthouders en gebruikers van archeologische artefacten en archeologische ensembles Art. 5.2.1. De zakelijkrechthouders en de gebruikers van een archeologisch ensemble moeten het : 1° als een geheel bewaren;2° in goede staat behouden;3° beschikbaar houden voor wetenschappelijk onderzoek. De zakelijkrechthouder die het beheer van een archeologisch ensemble toevertrouwt aan een erkend onroerenderfgoeddepot voldoet aan de verplichtingen, vermeld in het eerste lid. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Art. 5.2.2. De zakelijkrechthouder of de gebruiker van een archeologisch artefact of van een archeologisch ensemble, dat afkomstig is uit het Vlaamse Gewest, meldt binnen dertig dagen elke wijziging van bewaarplaats of zakelijkrechthouder aan het agentschap. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. Art. 5.2.3. De zakelijkrechthouder of de gebruiker van een archeologisch artefact of van een archeologisch ensemble, dat afkomstig is uit het Vlaamse Gewest, meldt minstens dertig dagen voorafgaand aan het buiten het Vlaamse Gewest brengen ervan zijn voornemen daartoe aan het agentschap. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. Afdeling 3. - Code van goede praktijk Art. 5.3.1. De Vlaamse Regering stelt een code van goede praktijk vast voor de uitvoering van en rapportering over archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen en voor het gebruik van metaaldetectoren. Afdeling 4. - Archeologisch onderzoek bij vergunningsplichtige ingrepen in de bodem Onderafdeling 1. - Verplichtingen vergunningsaanvrager Art. 5.4.1. Een bekrachtigde archeologienota zoals vermeld in artikel 5.4.8 wordt bij de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning met ingreep in de bodem toegevoegd in volgende situaties : 1° aanvragen met betrekking tot percelen die gelegen zijn in een voorlopig of definitief beschermde archeologische site;2° aanvragen waarbij de totale oppervlakte van de ingreep in de bodem 100 m2 of meer beslaat en de totale oppervlakte van de kadastrale percelen waarop de vergunning betrekking heeft 300 m2 of meer bedraagt en waarbij de betrokken percelen geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in archeologische zones, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones;3° aanvragen waarbij de totale oppervlakte van de ingreep in de bodem 1000 m2 of meer beslaat en de totale oppervlakte van de kadastrale percelen waarop de vergunning betrekking heeft 3000 m2 of meer bedraagt en waarbij de percelen volledig gelegen zijn buiten archeologische zones, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones. Voor de toepassing van het eerste lid, 2° en 3°, op terreinen zonder kadastraal nummer geldt de totale oppervlakte van de hele werf van het te vergunnen werk. De aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning wordt van die verplichting vrijgesteld : 1° indien de aanvraag betrekking heeft op een gebied waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt, zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering;2° indien de aanvraag betrekking heeft op werkzaamheden binnen het gabarit van bestaande lijninfrastructuur en haar aanhorigheden;3° indien de aanvrager een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon is, de totale oppervlakte van de ingreep in de bodem minder dan 5000 m2 beslaat, en de betrokken percelen volledig gelegen zijn buiten woongebied of recreatiegebied en buiten archeologische zones opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones en buiten beschermde archeologische sites. De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor deze vrijstellingen bepalen. Voor de toepassing van het derde lid, 3°, op terreinen zonder kadastraal nummer geldt de totale oppervlakte van de hele werf van het te vergunnen werk. De aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning met ingreep in de bodem kan een archeologienota indienen die in het kader van een vorige vergunningsaanvraag is bekrachtigd, als de stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op hetzelfde perceel of dezelfde percelen en als de ingreep in de bodem van de te vergunnen werken overeenkomt met de ingreep in de bodem van de werken omschreven in de bekrachtigde archeologienota. Art. 5.4.2. Een bekrachtigde archeologienota zoals vermeld in artikel 5.4.8 wordt bij de aanvraag van een verkavelingsvergunning toegevoegd in volgende situaties : 1° aanvragen met betrekking tot percelen die gelegen zijn in een voorlopig of definitief beschermde archeologische site;2° aanvragen waarbij de totale oppervlakte van de kadastrale percelen waarop de vergunning betrekking heeft 300 m2 of meer bedraagt en waarbij de betrokken percelen geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in archeologische zones, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones;3° aanvragen waarbij de totale oppervlakte van de kadastrale percelen waarop de vergunning betrekking heeft 3000 m2 of meer bedraagt en waarbij de percelen helemaal buiten de archeologische zones, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones, liggen. Voor de toepassing van het eerste lid, 2° en 3°, op terreinen zonder kadastraal nummer geldt de totale oppervlakte van de werf van de te vergunnen verkaveling. De aanvrager van een verkavelingsvergunning wordt van die verplichting vrijgesteld indien de aanvraag betrekking heeft op een gebied waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt, zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering. De aanvrager van een verkavelingsvergunning kan een archeologienota indienen die in het kader van een vorige vergunningsaanvraag is bekrachtigd, als de verkavelingsvergunning betrekking heeft op dezelfde percelen en als de ingreep in de bodem van de te vergunnen werken overeenkomt met de ingreep in de bodem van de werken omschreven in de bekrachtigde archeologienota. Art. 5.4.3. De aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning met ingreep in de bodem of van een verkavelingsvergunning stelt een erkend archeoloog aan om de in artikelen 5.4.1 en 5.4.2 vermelde bekrachtigde archeologienota te verkrijgen. Onderafdeling 2. - Verplichting vergunningsverlener Art. 5.4.4. De verlener van de stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning neemt, behoudens in de gevallen omschreven in artikel 5.4.1, derde lid, en artikel 5.4.2, derde lid, het naleven van de bekrachtigde archeologienota en van dit decreet op als voorwaarde in de vergunning. De werken in de bekrachtigde archeologienota overeenkomstig artikel 5.4.8 en in de bekrachtigde nota overeenkomstig artikel 5.4.16 worden geacht te zijn vergund. Onderafdeling 3. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem Art. 5.4.5. Als het onmogelijk of juridisch, economisch of maatschappelijk onwenselijk is om voorafgaand aan het aanvragen van de stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem uit te voeren, dient de erkende archeoloog de resultaten van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem bij het agentschap in als te bekrachtigen archeologienota overeenkomstig onderafdeling 7 en volgt verder de procedure omschreven in die onderafdeling. Art. 5.4.6. § 1. De door de initiatiefnemer aangestelde erkende archeoloog meldt per beveiligde zending aan het agentschap of in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente het voornemen om een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem uit te voeren. De melding bevat minstens de volgende gegevens : 1° de naam en het adres van de initiatiefnemer;2° het erkenningsnummer van de erkende archeoloog;3° de woonplaats of maatschappelijke zetel van de erkende archeoloog;4° de locatie van het archeologisch vooronderzoek met in voorkomend geval de kadastrale gegevens van de betrokken percelen;5° de aanleiding voor het archeologisch vooronderzoek;6° de voorgestelde uitvoeringswijze. De Vlaamse Regering kan de in de melding op te nemen gegevens nader omschrijven of uitbreiden. Het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem mag slechts worden aangevat na het verstrijken van de termijn, vermeld in paragraaf 2. § 2. Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente kan het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem weigeren of er voorwaarden aan koppelen en meldt dit in voorkomend geval binnen vijftien dagen na ontvangst van de melding aan de door de initiatiefnemer aangestelde erkende archeoloog. § 3. Als het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de initiatiefnemer een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. Art. 5.4.7. Het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem moet worden uitgevoerd overeenkomstig de voorgestelde uitvoeringswijze in de melding, de eventuele voorwaarden van het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente en de code van goede praktijk. Onderafdeling 4. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Indienen archeologienota Art. 5.4.8. Na het beëindigen van het archeologisch vooronderzoek bezorgt de door de initiatiefnemer gemachtigde archeoloog een archeologienota aan het agentschap per beveiligde zending. Die archeologienota bevat minstens de volgende gegevens : 1° een gegeorefereerd plan waarop de betrokken percelen, de precieze plaats van het archeologisch vooronderzoek en de geplande werken nauwkeurig worden afgelijnd;2° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek;3° een gemotiveerd advies over het al dan niet moeten nemen van maatregelen met in voorkomend geval een programma hierover;4° in voorkomend geval de noodzakelijke competenties die de uitvoerders van de voorgestelde maatregelen moeten bezitten;5° in voorkomend geval een kostenraming en de geschatte duur van de voorgestelde maatregelen;6° in voorkomend geval een gemotiveerd voorstel over het bewaren of deponeren van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek en de archeologische opgraving. De archeologienota kan : 1° voorzien in een fasering van de in voorkomend geval uit te voeren archeologische opgravingen;2° voorzien dat delen van de kadastrale percelen waar de ingreep in de bodem is gepland van archeologische opgraving worden vrijgesteld. De Vlaamse Regering kan de in de archeologienota op te nemen gegevens nader omschrijven of uitbreiden. Onderafdeling 5. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Bekrachtiging archeologienota Art. 5.4.9. Binnen een vervaltermijn van eenentwintig dagen na de ontvangst van de archeologienota bekrachtigt of weigert het agentschap de archeologienota of koppelt er voorwaarden aan. Het agentschap bezorgt de gemotiveerde beslissing per beveiligde zending aan de initiatiefnemer en de erkende archeoloog. Als deze termijn wordt overschreden, wordt de archeologienota geacht bekrachtigd te zijn. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. De initiatiefnemer kan tegen de bekrachtiging, tegen de voorwaarden waarvan de bekrachtiging afhankelijk wordt gemaakt of tegen de weigering van de bekrachtiging van de archeologienota een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. In voorkomend geval geldt de bekrachtigde archeologienota als toelating voor de in de nota omschreven archeologische opgraving in de mate dat de vergunde werken, vermeld in artikelen 5.4.1 en 5.4.2, overeenstemmen met de werken zoals omschreven in de bekrachtigde archeologienota. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels over het verspreiden van de informatie uit de bekrachtigde archeologienota ten aanzien van alle belanghebbenden. Onderafdeling 6. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Uitvoeren bekrachtigde archeologienota Art. 5.4.10. De erkende archeoloog meldt in voorkomend geval de aanvang van de archeologische opgraving aan het agentschap en in voorkomend geval aan de erkende onroerend-erfgoedgemeente. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Art. 5.4.11. De archeologische opgraving, beperkt tot de zone die daadwerkelijk verstoord wordt door de geplande ingreep in de bodem, moet worden uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden van de bekrachtigde archeologienota en de code van goede praktijk. Bij verkavelingsdossiers heeft de opgraving betrekking op de volledige zone die voor ontwikkeling in aanmerking komt en op het volledige projectgebied. Onderafdeling 7. - Procedure bij de onmogelijkheid of de onwenselijkheid om voorafgaand aan het aanvragen van de vergunning een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem uit te voeren Art. 5.4.12. In het geval dat er alleen een archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem plaatsvond omdat een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem onmogelijk of juridisch, economisch of maatschappelijk onwenselijk was voorafgaand aan het aanvragen van de stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning bezorgt de door de initiatiefnemer aangestelde erkende archeoloog een archeologienota aan het agentschap per beveiligde zending. Die archeologienota bevat minstens de volgende gegevens : 1° de naam en het adres van de initiatiefnemer;2° het erkenningsnummer van de erkende archeoloog;3° de woonplaats of maatschappelijke zetel van de erkende archeoloog;4° de locatie van het archeologisch vooronderzoek met in voorkomend geval de kadastrale gegevens van de betrokken percelen;5° de redenen en motivering waarom het vooronderzoek voor het indienen van de vergunning beperkt wordt tot een vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;6° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;7° een gegeorefereerd plan waarop de betrokken percelen, de precieze plaats van het archeologisch vooronderzoek en de geplande werken nauwkeuring worden afgelijnd;8° de voorgestelde uitvoeringswijze van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem. De Vlaamse Regering kan de in de archeologienota op te nemen gegevens nader omschrijven of uitbreiden. Art. 5.4.13. Binnen een vervaltermijn van eenentwintig dagen na de ontvangst van de archeologienota bekrachtigt of weigert het agentschap de archeologienota of koppelt er voorwaarden aan. Het agentschap bezorgt de gemotiveerde beslissing per beveiligde zending aan de initiatiefnemer en de erkende archeoloog. Als deze termijn wordt overschreden, wordt de archeologienota geacht bekrachtigd te zijn. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. De initiatiefnemer kan tegen de bekrachtiging, tegen de voorwaarden waarvan de bekrachtiging afhankelijk wordt gemaakt of tegen de weigering van de bekrachtiging van de archeologienota een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. In voorkomend geval geldt de bekrachtigde archeologienota als toelating voor het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Art. 5.4.14. De erkende archeoloog aangesteld door de initiatiefnemer, meldt de aanvang van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, opgenomen in de bekrachtigde archeologienota zoals omschreven in artikel 5.4.12 aan het agentschap en in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Art. 5.4.15. Het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem moet worden uitgevoerd overeenkomstig de uitvoeringswijze in de bekrachtigde archeologienota, de eventuele voorwaarden van het agentschap en de code van goede praktijk. Art. 5.4.16. Na het beëindigen van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem bezorgt de erkende archeoloog een nota aan het agentschap. Die nota bevat minstens de volgende gegevens : 1° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem;2° een gemotiveerd advies over het al dan niet moeten nemen van maatregelen met in voorkomend geval een programma hierover;3° in voorkomend geval de noodzakelijke competenties die de uitvoerders van de voorgestelde maatregelen moeten bezitten;4° in voorkomend geval een kostenraming en de geschatte duur van de voorgestelde maatregelen;5° in voorkomend geval een gemotiveerd voorstel over het bewaren of deponeren van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en de archeologische opgraving. De nota kan : 1° voorzien in een fasering van de in voorkomend geval uit te voeren archeologische opgravingen;2° voorzien dat delen van de kadastrale percelen waar de ingreep in de bodem is gepland van archeologische opgraving worden vrijgesteld. De Vlaamse Regering kan de in de nota op te nemen gegevens nader omschrijven of uitbreiden. Art. 5.4.17. Binnen een vervaltermijn van eenentwintig dagen na de ontvangst van de nota bekrachtigt of weigert het agentschap de nota of koppelt er voorwaarden aan. Het agentschap bezorgt de gemotiveerde beslissing per beveiligde zending aan de initiatiefnemer en de erkende archeoloog. Als deze termijn wordt overschreden, wordt de nota geacht bekrachtigd te zijn. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. De initiatiefnemer kan tegen de bekrachtiging, tegen de voorwaarden waarvan de bekrachtiging afhankelijk wordt gemaakt of tegen de weigering van de bekrachtiging van de nota een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. In voorkomend geval geldt de bekrachtigde nota als toelating voor de in de nota omschreven archeologische opgraving in de mate dat de vergunde werken, vermeld in artikel 5.4.3, overeenstemmen met de werken zoals omschreven in de bekrachtigde archeologienota. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels over het verspreiden van de informatie uit de bekrachtigde nota ten aanzien van alle belanghebbenden. Art. 5.4.18. De erkende archeoloog meldt de aanvang van de archeologische opgraving aan het agentschap en in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen. Art. 5.4.19. De archeologische opgraving, beperkt tot de zone die daadwerkelijk verstoord wordt door de geplande ingreep in de bodem, moet worden uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden van de bekrachtigde nota en de code van goede praktijk. Onderafdeling 8. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Archeologierapport Art. 5.4.20. De erkende archeoloog bezorgt binnen twee maanden na het beëindigen van de opgraving een archeologierapport aan het agentschap per beveiligde zending. Dat archeologierapport omvat minstens de volgende gegevens : 1° een beknopte beschrijving van de uitgevoerde werken en de resultaten;2° een beschrijving van de verdere aanpak;3° een gemotiveerd voorstel over het bewaren of deponeren van het archeologisch ensemble als dat de voorstellen die erover geformuleerd zijn in de archeologienota, wijzigt of aanvult. Onderafdeling 9. - Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Eindverslag Art. 5.4.21. De erkende archeoloog bezorgt binnen twee jaar na het beëindigen van de archeologische opgraving per beveiligde zending een eindverslag aan het agentschap overeenkomstig de code van goede praktijk, vermeld in artikel 5.3.1. De erkende archeoloog publiceert het eindverslag. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. De eindverslagen van de archeologische opgravingen worden digitaal ontsloten. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. Afdeling 5. - Archeologisch onderzoek met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen Art. 5.5.1. Erkende archeologen kunnen archeologisch vooronderzoek of archeologische opgravingen uitvoeren met het oog op weloverwogen en gedocumenteerde wetenschappelijke vraagstellingen. Art. 5.5.2. De erkende archeoloog sluit met de zakelijkrechthouders van de betrokken onroerende goederen een overeenkomst die de vergoeding voor eventuele schade, de bestemming van het archeologisch ensemble en de verwachte duur van het onderzoek regelt. Art. 5.5.3. § 1. De erkende archeoloog vraagt aan het agentschap een toelating om een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of een archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen uit te voeren. De aanvraag tot toelating bevat minstens de volgende gegevens : 1° het erkenningsnummer van de erkende archeoloog;2° de woonplaats of maatschappelijke zetel van de erkende archeoloog;3° de locatie van het archeologisch vooronderzoek met in voorkomend geval de kadastrale gegevens van de betrokken percelen;4° de wetenschappelijke vraagstellingen en het belang van het wetenschappelijk onderzoek;5° de voorgestelde uitvoeringswijze; 6° de overeenkomst, vermeld in artikel 5.5.2; 7° de motivatie waarom onderzoek primeert op behoud. De Vlaamse Regering : 1° kan de in de aanvraag op te nemen gegevens nader omschrijven of uitbreiden;2° bepaalt de nadere regels voor het aanvragen en het afleveren van de toelating. § 2. Als het agentschap de toelating voor het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of voor de archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de erkende archeoloog een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. Art. 5.5.4. De erkende archeoloog meldt aan het agentschap de aanvang van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en de archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. De erkende archeoloog bezorgt binnen twee maanden na het beëindigen van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of de archeologische opgraving een archeologierapport aan het agentschap per beveiligde zending. Dit archeologierapport omvat minstens : 1° een beknopte beschrijving van de uitgevoerde werken en de resultaten;2° een beschrijving van de verdere aanpak. De erkende archeoloog bezorgt binnen twee jaar na het beëindigen van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of de archeologische opgraving een eindverslag aan het agentschap per beveiligde zending overeenkomstig de vastgestelde code van goede praktijk. De erkende archeoloog publiceert het eindverslag. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. De eindverslagen van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en de archeologische opgravingen met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen worden digitaal ontsloten. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor. Afdeling 6. - Evaluatie Art. 5.6.1. § 1. De Vlaamse Regering evalueert jaarlijks de effectiviteit van dit hoofdstuk. Het evaluatierapport wordt ter informatie voorgelegd aan het Vlaams Parlement. In het rapport, vermeld in het eerste lid, komen ten minste een beschrijving en beoordeling van de sterktes en te verbeteren punten, de kansen en de moeilijkheden bij archeologisch onderzoek en de financiering ervan. § 2. De bevoegde administratie binnen het homogene beleidsdomein waaraan de beleidsondersteunende opdrachten inzake onroerend erfgoed worden toevertrouwd, legt jaarlijks een rapport aan de Vlaamse Regering voor. Voor de opmaak van het rapport kan de bevoegde administratie binnen het homogene beleidsdomein waaraan de beleidsondersteunende opdrachten inzake onroerend erfgoed worden toevertrouwd, het advies inwinnen van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. In dit rapport komen ten minste de volgende elementen aan bod : - een overzicht van het aantal vooronderzoeken en opgravingen alsook de duur ervan; - een overzicht van de resultaten van deze onderzoeken; - een overzicht van de voorgestelde en goedgekeurde maatregelen uit de archeologienota; - de financiële implicaties van het archeologisch onderzoek en de werking van het archeologisch solidariteitsfonds. HOOFDSTUK 6. - Beschermingen en erfgoedlandschappen Afdeling 1. - Beschermingsprocedure Onderafdeling 1. - Voorlopige bescherming Art. 6.1.1. De Vlaamse Regering kan een archeologische site, monument, cultuurhistorisch landschap, stadsgezicht of dorpsgezicht, desgevallend met inbegrip van een overgangszone, beschermen. Art. 6.1.2. De door de Vlaamse Regering daartoe aangewezen ambtenaren hebben voor het onderzoek naar de erfgoedwaarden toegang tot de archeologische sites, monumenten, cultuurhistorische landschappen en stads- en dorpsgezichten die in aanmerking komen voor bescherming. Tot particuliere woningen en bedrijfslokalen hebben ze evenwel alleen toegang tussen negen uur en eenentwintig uur en met machtiging van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De machtiging wordt gevraagd bij eenzijdig verzoekschrift overeenkomstig artikel 1025 tot en met 1034 van het Gerechtelijk Wetboek. Art. 6.1.3. De Vlaamse Regering wint voorafgaand aan de voorlopige bescherming het advies in bij de colleges van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeentebesturen en de departementen of agentschappen van de Vlaamse overheid bevoegd voor ruimtelijke ordening, woonbeleid en onroerend erfgoed, leefmilieu, natuur en energie, mobiliteit en openbare werken en landbouw en visserij. Deze adviezen worden uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, wordt het advies geacht gunstig te zijn. Aan deze adviesvereiste kan worden voorbijgegaan in geval van dringende noodzakelijkheid. De Vlaamse Regering wint voorafgaand aan de voorlopige bescherming het advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Dit advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van zestig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, wordt het advies geacht gunstig te zijn. Aan deze adviesvereiste kan worden voorbijgegaan in geval van dringende noodzakelijkheid. Art. 6.1.4. § 1. De Vlaamse Regering stelt het besluit tot voorlopige bescherming vast. § 2. Het besluit tot voorlopige bescherming bevat minstens de volgende gegevens : 1° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop de onroerende goederen zich bevinden;2° de vermelding of het een bescherming van een archeologische site, monument, cultuurhistorisch landschap of stads- of dorpsgezicht betreft met, in voorkomend geval, een overgangszone;3° de benaming van het beschermde onroerend goed;4° een beknopte wetenschappelijke beschrijving;5° de erfgoedwaarden;6° de erfgoedelementen en de erfgoedkenmerken;7° de toekomstige beheersdoelstellingen die de optimale verwezenlijking van de erfgoedwaarden omschrijven die aanleiding gegeven hebben tot de bescherming;8° de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud;9° in voorkomend geval de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud in de overgangszone. Bij elk besluit tot voorlopige bescherming worden de volgende bijlagen gevoegd : 1° een gegeorefereerd plan waarop het beschermde goed en, in voorkomend geval, de overgangszone nauwkeurig worden afgelijnd en waarop de plaats van aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek wordt aangeduid;2° een fotoregistratie van de fysieke toestand van het beschermde goed;3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het beschermde goed inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen. De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot voorlopige bescherming of in de bijlage moeten worden opgenomen, nader omschrijven of uitbreiden. Art. 6.1.5. Het besluit tot voorlopige bescherming wordt na de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.6, bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Art. 6.1.6. Het besluit tot voorlopige bescherming van een archeologische site, monument of stads- of dorpsgezicht wordt met bijlagen per beveiligde zending aan de zakelij krechthouders ter kennis gebracht. Het agentschap hoort, op hun verzoek, de zakelijkrechthouders. De zakelijkrechthouders die, overeenkomstig het eerste lid, van het besluit tot voorlopige bescherming op de hoogte gebracht zijn : 1° brengen de gebruikers en de eigenaars van de cultuurgoederen per beveiligde zending op de hoogte van het besluit tot voorlopige bescherming binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving.Die verplichting wordt in de beveiligde zending vermeld; 2° brengen het agentschap per beveiligde zending op de hoogte van de eventuele verkoop, overdracht van het eigendomsrecht of overdracht van een ander zakelijk recht, waarbij de nodige stavingsdocumenten gevoegd zijn, binnen een termijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving.Die verplichting wordt in de beveiligde zending vermeld. De nieuwe zakelijkrechthouders worden op hun beurt, overeenkomstig het eerste lid, op de hoogte gebracht van het besluit tot voorlopige bescherming. Art. 6.1.7. Het besluit tot voorlopige bescherming wordt per beveiligde zending aan de betrokken gemeenten bezorgd voor een openbaar onderzoek van dertig dagen. De betrokken gemeenten openen het openbaar onderzoek uiterlijk dertig dagen na de ontvangst van het besluit tot voorlopige bescherming door : 1° een bericht over het openbaar onderzoek op te hangen op de plaats die aangeduid is op het plan dat als bijlage bij het besluit tot voorlopige bescherming is gevoegd;2° een bericht te publiceren op de website van de betrokken gemeenten. De besluiten tot voorlopige bescherming van een cultuurhistorisch landschap worden ook aangekondigd door een bericht in ten minste drie dagbladen die in de betrokken gemeenten worden verspreid. De gemeenten melden aan het agentschap de datum waarop zij het openbaar onderzoek openen. Het agentschap publiceert een bericht over het openbaar onderzoek op zijn website. De berichten, vermeld in het tweede en derde lid, vermelden minstens het volgende : 1° het voorwerp van het openbaar onderzoek;2° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;3° de plaats waar het besluit tot voorlopige bescherming en het beschermingsdossier ter inzage liggen;4° het adres waarop opmerkingen en bezwaren per beveiligde zending kunnen worden ter kennis gebracht. Tijdens het openbaar onderzoek : 1° liggen het besluit tot voorlopige bescherming en het beschermingsdossier ter inzage bij de betrokken gemeenten en het agentschap;2° kunnen opmerkingen en bezwaren per beveiligde zending aan de betrokken gemeenten ter kennis worden gebracht;3° kunnen de betrokken gemeenten een hoorzitting organiseren. De betrokken gemeenten stellen een proces-verbaal op waarin de opmerkingen, de bezwaren en in voorkomend geval een advies en het verslag van de hoorzitting worden opgenomen en sluiten het openbaar onderzoek af. Binnen een ordetermijn van vijftien dagen na het afsluiten van het openbaar onderzoek bezorgen ze het proces-verbaal per beveiligde zending aan het agentschap. Als de gemeente het openbaar onderzoek niet opent binnen de vooropgestelde termijn van dertig dagen, is het aan het agentschap dit openbaar onderzoek op te starten en af te ronden binnen de termijn, vermeld in artikel 6.1.9. Art. 6.1.8. De Vlaamse Regering wint over de voorlopige bescherming het advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed als er overeenkomstig artikel 6.1.3, tweede lid, omwille van dringende noodzakelijkheid geen voorafgaand advies werd gevraagd. Dit advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van zestig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, wordt het advies geacht gunstig te zijn. Art. 6.1.9. § 1. Vanaf de dag van ontvangst, vermeld in artikel 6.1.6, zijn op de onroerende goederen, vermeld in het besluit tot voorlopige bescherming, gedurende een termijn van maximaal negen maanden de rechtsgevolgen van een bescherming voorlopig van toepassing. § 2. De Vlaamse Regering kan die termijn eenmalig met maximaal drie maanden verlengen. Het besluit tot verlenging van de voorlopige bescherming van een archeologische site, monument of stads- of dorpsgezicht wordt aan de zakelijkrechthouders per beveiligde zending ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 6.1.6. Art. 6.1.10. De rechtsgevolgen van een besluit tot voorlopige bescherming zijn van toepassing …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.