📄 Wettekst
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
21 FEBRUARI 2003. - Besluit van de Vlaamse regering houdende bepaling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt
De Vlaamse regering, Gelet op het
decreet van 17 juli 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/07/1967
pub.
24/10/2001
numac
2001000905
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling
type
wet
prom.
03/07/1967
pub.
23/03/2018
numac
2018030614
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten3 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, In het bijzonder op artikel 32, § 1;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 6 juli 2001;
Gelet op het akkoord van de federale minister, bevoegd voor de pensioenen, gegeven op 29 januari 1998, 24 augustus 1998, 19 januari 2000, 29 augustus 2001 en 27 december 2001;
Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Ambtenarenzaken, gegeven op 23 mei 2001;
Gelet op het protocol nr. 169.497 van 5 september 2001 het sectorcomité XVIII Vlaamse Gemeenschap - Vlaams Gewest;
Gelet op het advies 32.212/3 van de Raad van State, gegeven op 30 april 2002;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie;
Na beraadslaging, Besluit : Deel I. - Algemene bepalingen Artikel I 1. In dit besluit wordt verstaan onder : 1° Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt : de reguleringsinstantie, bedoeld in artikel 2, 21°, van het Elektriciteitsdecreet, hierna VREG te noemen;2° stambesluit VOI : het
besluit van de Vlaamse regering van 30 juni 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/07/1967
pub.
24/10/2001
numac
2001000905
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling
type
wet
prom.
03/07/1967
pub.
23/03/2018
numac
2018030614
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten4 houdende regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen;3° ambtenaar : elk personeelslid van de VREG dat in vast dienstverband benoemd is;4° personeelslid : de ambtenaar, de stagiair of het contractueel personeelslid;5° stagiair : elk personeelslid dat toegelaten is tot de proeftijd met het oog op een vaste benoeming;6° contractueel personeelslid : elk personeelslid dat in dienst genomen is met een arbeidsovereenkomst overeenkomstig de
wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
03/07/2008
numac
2008000527
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
12/03/2009
numac
2009000158
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten;7° dagelijks bestuur : het dagelijks bestuur, bedoeld in artikel 31, § 1, van het elektriciteitsdecreet;8° voorzitter : de voorzitter bedoeld in artikel 31, § 1 van het elektriciteitsdecreet.9° gezondheidsindexcijfer : het prijsindexcijfer dat berekend wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.10° APKB : het
koninklijk besluit van 22 december 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/07/1967
pub.
24/10/2001
numac
2001000905
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling
type
wet
prom.
03/07/1967
pub.
23/03/2018
numac
2018030614
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten1 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen. Art. I 2. § 1. Behoudens andersluidende bepaling kan de voorzitter de bevoegdheden die hem bij dit besluit zijn toegewezen, op algemene wijze delegeren aan ambtenaren of contractuele personeelsleden die onder zijn gezag staan. § 2. De delegaties, vermeld in § 1, moeten bekendgemaakt worden aan de personeelsleden. Ze worden bij wijze van uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad .
Art. I 3. Aan de personeelsbehoeften van de VREG wordt voldaan door ambtenaren en stagiairs. Uitzonderlijk en enkel om de redenen, die in artikel XIII 2 zijn opgesomd, kunnen contractuele personeelsleden worden ingezet.
Aan het statutair dienstverband van de ambtenaar kan slechts een einde worden gemaakt in de bij dit besluit bepaalde gevallen.
Art. I 4. Elke wijziging of aanvulling aan dit besluit wordt vooraf voor advies voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur moet advies geven uiterlijk 30 kalenderdagen na het verzoek om advies, tenzij een andere termijn werd bepaald. Die termijn mag evenwel niet korter zijn dan 15 kalenderdagen. In de maand augustus worden de termijnen opgeschort. Als het advies niet binnen de opgelegde termijn is gegeven, mag aan de vereiste van het advies worden voorbijgegaan.
Deel II. - Administratieve werking van de VREG HOOFDSTUK I. - Het dagelijks bestuur Art. II 1. Het dagelijks bestuur is samengesteld uit de voorzitter en de beheerders. Onverminderd de bevoegdheden die aan de voorzitter worden toegewezen, neemt het dagelijks bestuur alle beslissingen inzake het beheer van het personeel.
Art. II 2. § 1. Het dagelijks bestuur stelt een huishoudelijk reglement op dat inzake personeelsbeheer ten minste bepaalt : 1° de frequentie van de vergaderingen;2° het vereiste quorum en de vereiste meerderheid voor de geldigheid van zijn beslissingen;3° de wijze van stemmen. § 2. Het huishoudelijk reglement van personeelsbeheer wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad .
Art. II 3. Elke individuele beslissing over personeelsleden wordt genomen bij geheime stemming na een gemotiveerd voorstel van de voorzitter, dat geformuleerd wordt na beraadslaging door het dagelijks bestuur.
HOOFDSTUK II. - De raad van beroep Art. II 4. De raad van beroep, opgericht bij het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende oprichting en samenstelling van een raad van beroep voor sommige Vlaamse openbare instellingen, neemt kennis van alle beroepen die krachtens dit besluit kunnen worden ingesteld door : 1° een ambtenaar of een stagiair tegen de uitspraak van een tuchtstraf of van de schorsing in het belang van de dienst;2° een stagiair tegen een voorstel tot negatieve evaluatie van de stage, en een ambtenaar tegen de evaluatie onvoldoende of tegen een vormgebrek tijdens de evaluatieprocedure of tegen de beslissing tot loopbaanvertraging;3° een ambtenaar tegen de weigering van het verlof voor deeltijdse prestaties en van het gecontingenteerd verlof. HOOFDSTUK III. - De voorzitter Art. II 5. De voorzitter neemt de besluiten inzake de vaststelling van het salaris en de toekenning van vergoedingen en toelagen aan de ambtenaren.
HOOFDSTUK IV. - De tijdelijke vervanging Art. II 6. Als de voorzitter tijdelijk afwezig of verhinderd is, wordt hij vervangen door een ambtenaar of een contractueel personeelslid met een salarisschaal ingedeeld in rang A2. Bij die vervanging wordt een orde van voorrang aangehouden, die vooraf door de voorzitter is vastgesteld en bij dienstorder aan het personeel is meegedeeld.
Deel III. - Rechten en plichten HOOFDSTUK I. - Deontologische rechten en plichten Art. III 1. § 1. De ambtenaar oefent zijn ambt op een loyale en correcte wijze uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen.
De ambtenaar zet zich op een actieve en constructieve wijze in voor de realisatie van de opdracht en de doelstellingen van de VREG. § 2. In de omgang met meerderen, collega's of ondergeschikten en in de contacten met het publiek respecteert de ambtenaar de persoonlijke waardigheid.
Art. III 2. § 1. De ambtenaar heeft recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft op grond van zijn ambt.
Onverminderd de reglementering inzake openbaarheid van bestuur en de bepalingen van artikel 33 van het
decreet van 17 juli 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/07/1967
pub.
24/10/2001
numac
2001000905
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling
type
wet
prom.
03/07/1967
pub.
23/03/2018
numac
2018030614
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten3 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, is het de ambtenaar enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op : 1° de veiligheid van het land;2° de bescherming van de openbare orde;3° de financiële belangen van de overheid;4° het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten;5° het medisch geheim;6° het vertrouwelijke karakter van commerciële, intellectuele en industriële gegevens;7° het interne beraad, zolang in de aangelegenheid in kwestie geen eindbeslissing is genomen. Het is hem ook verboden feiten bekend te maken indien de bekendmaking ervan de mededingingspositie van het organisme waarin de ambtenaar is tewerkgesteld kan schaden of een inbreuk is op de rechten en de vrijheden van de burger, in het bijzonder op het privé-leven, tenzij de betrokkene toestemming heeft verleend om de gegevens die op haar of hem betrekking hebben openbaar te maken.
Deze paragraaf geldt eveneens voor de ambtenaar die zijn ambt heeft neergelegd. § 2. De ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt nalatigheden, misbruiken of misdrijven vaststelt, brengt zijn hiërarchische meerdere hiervan onmiddellijk op de hoogte.
Indien hij op basis van gegronde redenen vermoedt of vaststelt dat zijn hiërarchische meerdere hem zal verbieden of verhinderen om deze onregelmatigheden bekend te maken, brengt hij rechtstreeks de entiteit Interne Audit en, in geval van misdrijven, de procureur des konings van deze onregelmatigheden op de hoogte.
De ambtenaar kan, buiten de gevallen van kwade trouw, persoonlijk voordeel, foutieve of valse aangifte welke een dienst of persoon schade toebrengen, niet onderworpen zijn aan een tuchtstraf, of een andere vorm van openlijke of verdoken sanctie, om de enkele reden dat hij nalatigheden, misbruiken of misdrijven aangeeft of bekend maakt.
Art. III 3. De ambtenaar behandelt de gebruikers van zijn dienst welwillend en zonder enige discriminatie.
De ambtenaar mag, zelfs buiten het ambt, rechtstreeks noch via een tussenpersoon, giften, beloningen of enig ander voordeel die verband houden met het ambt, vragen, eisen of aannemen.
Art. III 4. De hoedanigheid van ambtenaar is onverenigbaar met elke activiteit die de ambtenaar zelf of via een tussenpersoon verricht en waardoor ofwel : 1° de ambtsplichten niet kunnen worden vervuld;2° de waardigheid van het ambt in het gedrang komt;3° de eigen onafhankelijkheid wordt aangetast;4° een conflict tussen tegenstrijdige belangen ontstaat. De cumulatie van activiteiten binnen de beperkingen van het eerste lid wordt geregeld overeenkomstig deel IV. Art. III 5. § 1. De ambtenaar heeft recht op informatie en voortgezette vorming voor wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de uitoefening van zijn functie.
De ambtenaar heeft eveneens recht op vorming voor persoonlijke vervolmaking voor zover dit past in de globale organisatorische doelstellingen van de VREG. § 2. De ambtenaar houdt zich op de hoogte van de evolutie van de technieken, reglementeringen en navorsingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is. § 3. De vorming is een plicht wanneer zij noodzakelijk blijkt voor een betere uitoefening van de functie of het functioneren van de VREG, of wanneer zij een onderdeel uitmaakt van een herstructurering of reorganisatie van de VREG of een implementatie van nieuwe technieken en infrastructuur.
Voor de ambtenaar van niveau A kan deze vorming plaatsvinden buiten en bovenop de normale arbeidsprestaties, eventueel zonder compensatie.
De onkosten die inherent zijn aan de deelname aan deze vormingsactiviteiten worden door de VREG gedragen.
Art. III 6. § 1. De rechten en de plichten worden nader toegelicht in een deontologische code die, bij wijze van omzendbrief, wordt vastgesteld door de Vlaamse minister bevoegd voor de ambtenarenzaken. § 2. Voor specifieke aangelegenheden kan het dagelijks bestuur een aanvullende code vaststellen.
Art. III 7. Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen.
Het persoonlijk dossier van de ambtenaar bevat ten minste de administratieve stukken zoals bepaald in bijlage I van het stambesluit VOI. Aanbevelingen waaruit een levensbeschouwelijke, ideologische of politieke overtuiging blijkt, mogen niet voorkomen in het persoonlijk dossier.
HOOFDSTUK II. - Intellectuele eigendomsrechten Art. III 8. § 1. De ambtenaar draagt aan de VREG het geheel van de vermogensrechten over op de werken waarvan hij de (mede)auteur is en die hij tijdens de uitvoering van zijn ambt tot stand brengt.
Deze overdracht betreft de auteursrechten op computerprogramma's met inbegrip van het begeleidend en voorbereidend materiaal, en op alle andere werken die de ambtenaar in de uitvoering van zijn ambt tot stand brengt. § 2. De vergoeding voor deze overdracht van rechten is begrepen in het salaris, zoals bepaald in deel XII van dit besluit. § 3. De ambtenaar verleent aan de VREG de toelating om de werken, bedoeld in § 1, onder de naam van de VREG aan het publiek mee te delen en onder die naam te exploiteren. Deze toelating geldt voor een duur van 20 jaar vanaf de datum van de creatie van het werk.
Art. III 9. § 1. Alle uitvindingen die door de ambtenaar in de uitvoering van zijn ambt worden gedaan of die verkregen worden door middelen die door de VREG ter beschikking van de ambtenaar worden gesteld, zijn het exclusieve eigendom van de VREG, zonder dat de ambtenaar een recht op financiële tegemoetkoming kan doen gelden. § 2. In afwijking hiervan wordt voor de overdracht van vermogensrechten op de in §1 bedoelde uitvindingen die niet in de uitvoering van het ambt worden gedaan aan de ambtenaar een financiële tegemoetkoming toegekend waarvan het bedrag bepaald wordt door de Vlaamse minister, bevoegd voor de ambtenarenzaken, en de minister, bevoegd voor het energiebeleid. Om het bedrag van de uitkering te bepalen worden de volgende criteria gebruikt : 1° de industriële of commerciële waarde van de uitvinding;2° het belang van de bijdrage van de respectieve partijen bij de totstandkoming van de uitvinding. HOOFDSTUK III. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. III 10. Dit deel is eveneens van toepassing op de stagiairs.
Deel IV. - Cumulatie van beroepsactiviteiten HOOFDSTUK I. - Definities Art. IV 1. Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder : 1° beroepsactiviteit : a) elke bezigheid waarvan de opbrengst als een bedrijfsinkomen belastbaar is overeenkomstig het wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992;b) elke opdracht of dienst in particuliere zaken met winstoogmerk, zelfs als die niet bezoldigd is. In afwijking van sub littera a) wordt een politiek mandaat of een ambt dat ermee gelijkgesteld kan worden niet beschouwd als een beroepsactiviteit. 2° beroepsactiviteit, inherent aan de uitoefening van het ambt : a) elke opdracht die ingevolge een wettelijke, decretale of reglementaire bepaling verbonden is aan het ambt dat de ambtenaar uitoefent;b) elke opdracht waarvoor de ambtenaar door de VREG wordt aangewezen;3° diensturen : diensturen van de ambtenaar, vastgelegd in de werktijdregeling van de VREG. Voor de toepassing van dit deel worden de uren van afwezigheid waarvoor dienstvrijstelling werd verleend, als diensturen beschouwd.
HOOFDSTUK II. - Cumulatie van activiteiten buiten de diensturen Art. IV 2. De ambtenaar mag activiteiten en beroepsactiviteiten buiten de diensturen cumuleren.
Art. IV 3. Onverminderd andersluidende reglementaire bepalingen valt de ambtenaar die de toestemming kreeg om het ambt met deeltijdse prestaties uit te oefenen of volledig afwezig te zijn, en die daarbij aanspraak kan maken op salaris of op bevordering in graad, salarisschaal of salaris, onder de regeling van cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen.
HOOFDSTUK III. - Cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen Art. IV 4. De ambtenaar mag geen beroepsactiviteiten cumuleren binnen de diensturen.
Art. IV 5. Onverminderd andere, meer beperkende bepalingen wordt in afwijking van artikel IV 4 de cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen die inherent zijn aan de uitoefening van het ambt, van rechtswege uitgeoefend.
Art. IV 6. § 1. De cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen die niet inherent zijn aan het ambt, kan, in afwijking van artikel IV 4 en onverminderd artikel III 4, toegestaan worden als die activiteiten zonder nadeel voor de dienst of voor het publiek uitgeoefend kunnen worden. § 2 De cumulaties, bedoeld in § 1, worden jaarlijks meegedeeld aan de rechtstreeks betrokken personeelsleden.
HOOFDSTUK IV. - De procedure Art. IV 7. Om de in artikel IV 6 genoemde toestemming tot cumulatie te verkrijgen dient de ambtenaar aangetekend of tegen ontvangstbewijs een schriftelijke en voorafgaande aanvraag in bij de voorzitter.
Art. IV 8. De cumulatiemachtiging, bedoeld in artikel IV 6, wordt verleend overeenkomstig de procedure, vastgesteld door het dagelijks bestuur.
Art. IV 9. De toestemming tot cumulatie kan worden herroepen. De beslissing tot toestemming, tot weigering en tot herroeping van de cumulatie wordt met redenen omkleed.
Art. IV 10. De overheid die toestemming geeft tot cumulatie, toetst de aard van de cumulatie binnen de diensturen, en onverminderd hoofdstuk II, eventueel ook buiten de diensturen, aan de deontologische code, vermeld in artikel III 6.
Art. IV 11. Dit deel is eveneens van toepassing op de stagiairs.
Deel V. - De aanwerving TITEL I. - De toelatingsvoorwaarden Art. V 1. Voor de toegang tot een ambt in de VREG gelden de volgende algemene toelatingsvoorwaarden : 1° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° aan de dienstplichtwetten voldoen;4° de lichamelijke geschiktheid bezitten die vereist is voor het uit te oefenen ambt. De Sociaal-Medische Rijksdienst controleert de vereiste lichamelijke geschiktheid.
Het onderzoek naar de lichamelijke geschiktheid wordt aangevraagd door het selectiebureau van de federale overheid indien de aanwervingsprocedure via hem verloopt, of in het andere geval door de voorzitter. De kosten, aangerekend door de Sociaal-Medische Rijksdienst aan de ambtenaar voor het onderzoek van de lichamelijke geschiktheid, worden gedragen door de VREG. TITEL II. - De aanwerving HOOFDSTUK I. - De aanwervingsvoorwaarden Art. V 2. § 1. Alleen wie aan de volgende voorwaarden voldoet, kan als ambtenaar worden aangeworven : 1° in het bezit zijn van een diploma of studiegetuigschrift, dat overeenstemt met het niveau van de te verlenen graad volgens de tabel die als bijlage III bij het stambesluit VOI is gevoegd en behalve de uitzonderingen bepaald door het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en de selectie van personeel;2° slagen voor het vergelijkend wervingsexamen, georganiseerd door hethet selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en de selectie van personeel. Houders van een diploma of getuigschrift dat toegang verleent tot een bepaald niveau, mogen zich niet inschrijven voor een wervingsexamen voor een lager niveau.
De voorwaarde dat men geen hoger diploma of getuigschrift mag bezitten geldt niet voor : 1° de deelname aan een examen dat toegang geeft tot het niveau dat net lager ligt dan het niveau dat overeenstemt met het behaalde diploma 2° de diploma's die behaald werden na de inschrijving voor het wervingsexamen;3° de toegang tot het niveau D, waarvoor bepaalde diploma's of getuigschriften wel in aanmerking worden genomen als dat wordt vereist in de functiebeschrijving of het examenreglement. § 2. Het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en de selectie van personeel, stelt bij het organiseren van een vergelijkend wervingsexamen de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en de aanwervingsvoorwaarden, onverminderd de toepassing van artikel V 3 wat het bezit van het vereiste diploma betreft. Hij controleert die vereisten en voorwaarden, met uitzondering van de lichamelijke geschiktheid.
Art. V 3. In afwijking van artikel V 2, § 1, 1°, worden ook de laatstejaarsstudenten tot het vergelijkend wervingsexamen toegelaten.
De kandidaten kunnen slechts tot de stage worden toegelaten vanaf de dag waarop zij aan het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en de selectie van personeel het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd.
Art. V 4. § 1. In overeenstemming met de aard van het ambt en op basis van de functiebeschrijving en het competentieprofiel kunnen na overleg met het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en de selectie van personeel, de volgende bijzondere wervingsvoorwaarden opgelegd worden : 1° bijzondere eisen inzake beroepsbekwaamheid en/of lichamelijke geschiktheid;2° diploma's of getuigschriften die zijn opgesomd in de tabel, gevoegd als bijlage III bij het stambesluit VOI, of bijzondere studie- of opleidingsdiploma's of getuigschriften. § 2. Het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel stelt bij het organiseren van een vergelijkend wervingsexamen de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de bijzondere aanwervingsvoorwaarden.
Hij controleert die vereisten en voorwaarden, met uitzondering van de bijzondere eisen inzake lichamelijke geschiktheid.
HOOFDSTUK II. - De vergelijkende wervingsexamens Afdeling I . - Algemene bepalingen Art. V 5. Het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en de selectie van personeel organiseert de vergelijkende wervingsexamens op aanvraag van de voorzitter die hiertoe beslist binnen het door het dagelijks bestuur goedgekeurd wervingsplan.
Het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel kondigt elk vergelijkend wervingsexamen ten minste aan in het Belgisch Staatsblad .
Art. V 6. § 1. Het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en selectie van personeel bepaalt de modaliteiten van de vergelijkende wervingsexamens in overleg met de voorzitter.
Onder modaliteiten wordt verstaan : 1° De vaststelling van het huishoudelijk reglement betreffende de organisatie van de examens en de bekendmaking ervan;2° De vaststelling van het examenreglement met de volgende bepalingen : a) de termijn waarbinnen de inschrijvingen kunnen worden aanvaard;b) het examenprogramma en de deelnemingsvoorwaarden alsook de datum waarop aan die voorwaarden moet worden voldaan;c) het aantal punten dat aan het volledig examen, aan ieder examengedeelte en eventueel aan de onderverdelingen ervan wordt toegekend;d) het minimale aantal punten dat voor het volledige examen, voor ieder examengedeelte en eventueel voor de onderverdelingen ervan wordt vereist;3° De aanwijzing van de leden van de examencommissies;4° De bepaling van datum en plaats van het examen;5° De vaststelling van de lijst van de kandidaten;6° De oproeping van de kandidaten;7° Het opmaken van het proces-verbaal dat de rangschikking van de geslaagden vaststelt;8° De kennisgeving aan de kandidaten van het behaalde resultaat. § 2. Het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en selectie van personeel bepaalt de samenstelling van de examencommissies.
Afdeling II . - Het programma Art. V 7. De voorzitter stelt de programma's van de vergelijkende wervingsexamens vast na overleg met het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel.
De programma's toetsen de vereiste geschiktheid van de kandidaten voor de te verlenen functie.
Art. V 8. De vergelijkende wervingsexamens bestaan uit drie gedeelten : 1° Een gedeelte dat tot doel heeft de basisvaardigheden voor het uitoefenen van de te verlenen graad te evalueren;2° Een gedeelte dat tot doel heeft de vaardigheden van schriftelijke communicatie te evalueren;3° Een gedeelte bestaande uit een interview dat tot doel heeft na te gaan of het profiel van de kandidaat overeenstemt met de specifieke vereisten van de functie. Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor de reeds georganiseerde gedeelten kunnen tot het volgende gedeelte worden toegelaten.
Als de aard van de functies het wettigt, kan de voorzitter in overleg met het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en de selectie van personeel het vergelijkend wervingsexamen beperken tot één of twee gedeelten.
Art. V 9. Het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel bepaalt de duur en de volgorde van de verschillende examengedeelten.
Een mondeling examengedeelte wordt afgenomen in aanwezigheid van ten minste twee bijzitters.
Art. V 10. Iedere gegadigde die voor een vergelijkend wervingsexamen inschrijft, ontvangt op aanvraag het reglement.
Afdeling III . - Bijzondere bepalingen Art. V 11. De voorzitter kan, rekening houdend met de wervingsvooruitzichten gedurende de geldigheidstermijn van het examen, het maximale aantal kandidaten bepalen dat : - tot een volgend examengedeelte wordt toegelaten; - als geslaagd voor het volledig examen aanvaard kan worden.
Die bepaling wordt opgenomen in het examenreglement.
Dit maximumaantal wordt verminderd indien niet voldoende kandidaten het vastgestelde minimale aantal punten hebben behaald.
Het maximumaantal wordt verhoogd indien voor de laatste plaats meerdere kandidaten een gelijk aantal punten hebben behaald.
Art. V 12. § 1. Indien de mogelijkheid in het examenreglement is bepaald, kan de voorzitter na het afsluiten van de inschrijvingen, wanneer hij oordeelt dat het aantal ingeschreven kandidaten dat rechtvaardigt, aan het programma van het vergelijkend wervingsexamen een voorselectie toevoegen. § 2. De examencommissie stelt op basis van de uitslagen van de voorselectie het aantal kandidaten vast dat tot het vergelijkend wervingsexamen kan worden toegelaten. § 3. Voor de rangschikking van de geslaagden voor het vergelijkend wervingsexamen wordt geen rekening gehouden met het resultaat van de voorselectie.
Art. V 13. Het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en selectie van personeel stelt in het proces-verbaal van het examen de lijst van de geslaagden vast met vermelding van hun rangschikking. De eindrangschikking van het volledige examen wordt opgemaakt volgens het totale aantal behaalde punten.
De geldigheidsduur van het examen begint te lopen vanaf de datum waarop het proces-verbaal voor het volledige examen wordt afgesloten.
Het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en selectie van personeel publiceert de uitslag van het vergelijkend wervingsexamen in het Belgisch Staatsblad .
Art. V 14. § 1. De voorzitter kan beslissen dat de geslaagde kandidaten worden gerangschikt volgens hun uitslag in het eerste deel van het examen, voor zover dat in het examenreglement is vastgesteld. § 2. Voor het tweede deel worden de geslaagden voor het eerste gedeelte, in de volgorde van hun rangschikking, opgedeeld in groepen.
Het tweede deel wordt dan per groep afgenomen. De geslaagden behouden voor dit deel de rangschikking die zij hebben behaald voor het eerste deel. Alleen de kandidaten die slagen voor de eerste twee delen worden in de wervingsreserve opgenomen. § 3. Een derde deel wordt georganiseerd als een wervingsaanvraag vergezeld is van een functiebeschrijving.
De betrekkingen met functiebeschrijving worden uitsluitend toegekend aan de kandidaten die na het derde gedeelte door de examencommissie aanvaard worden. Ze worden geworven in de volgorde van de rangschikking die ze in het eerste deel hebben gekregen. Wie niet aanvaard wordt, blijft in de wervingsreserve, genoemd in § 2. § 4. Na elk examengedeelte wordt een proces-verbaal opgemaakt.
De geldigheidsduur van het examen begint te lopen vanaf de datum waarop het proces-verbaal van het eerste gedeelte wordt afgesloten.
Art. V 15. Als voor een bepaalde betrekking bijzondere vereisten worden gesteld, kunnen de kandidaten, die in een bestaande reserve zijn opgenomen, onderworpen worden aan een extra selectietest.
De geslaagden voor die extra test worden voor deze betrekking opgenomen in een afzonderlijke rangschikking, in de volgorde van de punten, die ze hebben behaald.
Art. V 16. Wanneer vergelijkende wervingsexamens georganiseerd worden voor graden van eenzelfde rang of van verschillende rangen volgens geheel of gedeeltelijk gelijke examenprogramma's, kan het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en de selectie van personeel een wervingsexamen organiseren dat bestaat uit een gemeenschappelijk gedeelte en uit afzonderlijke gedeelten voor elk van de graden in kwestie.
Als het programma hetzelfde is voor verschillende graden wordt er slechts één rangschikking opgesteld.
Art. V 17. Als het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en de selectie van personeel in de loop van een examen vaststelt dat een kandidaat niet voldoet of niet zal kunnen voldoen aan een van de voorwaarden om tot een vacante betrekking te worden toegelaten, sluit hij hem uit van het examen en deelt hem zijn gemotiveerde beslissing mee.
Art. V 18. Na het afsluiten van het proces-verbaal van het vergelijkend wervingsexamen vergewist het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en de selectie van personeel zich ervan dat de geslaagden aan de gestelde vereisten voldoen. Wie voldoet, wordt door hem toegelaten verklaard.
Als hij van oordeel is dat een nader onderzoek moet uitmaken of een kandidaat al dan niet een gedrag heeft dat in overeenstemming is met de eisen van de te verlenen betrekking, wordt de kandidaat hiervan op de hoogte gebracht en voorlopig uitgesloten.
Art. V 19. Na het afsluiten van het proces-verbaal van het vergelijkend wervingsexamen worden de geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de orde van hun rangschikking, tot de stage toegelaten in de graad waarnaar zij hebben meegedongen.
De geslaagden die voorlopig niet aanvaard werden maar naderhand aan de gestelde eisen blijken te voldoen, worden tot de stage toegelaten in de graad waarvoor zij hebben meegedongen. Wie aan die eisen niet voldoet, wordt uitgesloten.
Art. V 20. De geslaagden voor een vergelijkend wervingsexamen behouden het voordeel van hun uitslag gedurende vier jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van het vergelijkend wervingsexamen, tenzij de voorzitter een langere termijn bepaalt. Een kortere geldigheidsduur wordt vastgesteld in het examenreglement. De geldigheidsduur van de wervingsreserve kan om dienstredenen worden verlengd.
Onder geslaagden van twee of meer vergelijkende wervingsexamens wordt voorrang verleend aan de geslaagden van het vergelijkend examen waarvan het proces-verbaal het vroegst is afgesloten.
TITEL III. - De aanwerving van personen met een handicap Art. V 21. Deze titel stelt de bepalingen inzake aanwerving vast die in afwijking van het statuut van de ambtenaar worden vastgesteld om de werving van personen met een handicap te bevorderen.
Het is van toepassing op personen met een handicap die ingeschreven zijn bij het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap, hierna het VFSIPH te noemen.
Art. V 22. § 1. De personen met een handicap, die op basis van artikel V 21 kunnen worden aangeworven, moeten voldoen aan de wervingsvoorwaarden van de ambtenaar.
Evenwel worden bij de organisatie van het vergelijkend wervingsexamen in overleg met het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en selectie van personeel, de hinderpalen die verbonden zijn aan de handicap, zoveel mogelijk weggewerkt door het aanbieden van aangepaste faciliteiten. § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, wordt de persoon met een handicap, die in aanmerking komt voor een betrekking van niveau D, vrijgesteld van het vergelijkend wervingsexamen.
Art. V 23. Het contingent personen met een handicap dat prioritair en op basis van de vacatures, binnen het niveau D werk krijgt, bedraagt 2 procent van het aantal betrekkingen van niveau D op de personeelsformatie.
Art. V 24. § 1. Zolang het contingent niet bereikt is, onderzoekt de voorzitter in overleg met het VFSIPH en het Vast Wervingssecretariaat of een andere instantie die belast is met de werving en selectie van personeel, en op basis van de functiebeschrijving van de vacature en de profielvereisten van de kandidaat, welke personen met een handicap in aanmerking komen voor de vacatures. § 2. De namen van de geselecteerde personen met een handicap worden samen met een gemotiveerd verslag voor beslissing aan de voorzitter voorgelegd.
Deel VI. - De stage en de benoeming tot ambtenaar TITEL I. - De stage HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. VI 1. Wie voor een vergelijkend wervingsexamen is geslaagd, wordt door het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en de selectie van personeel, na controle van de toelatings- en wervingsvoorwaarden, toegelaten verklaard in de orde van zijn rangschikking.
Art. VI 2. De voorzitter laat de toelaatbaar verklaarde geslaagde voor een vergelijkend wervingsexamen toe tot de stage.
De stagiair wordt geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld.
De voorzitter geeft de stagiair een voorlopige dienstaanwijzing.
Art. VI 3. De geslaagde voor een vergelijkend wervingsexamen mag al tot de stage toegelaten worden voor zijn lichamelijke geschiktheid is gecontroleerd.
Als hij nadien niet voldoet aan deze vereiste, wordt hij ambtshalve ontslagen.
Bij ambtshalve ontslag wegen medische ongeschiktheid ontvangt de stagiair een verbrekingsvergoeding die overeenstemt met het loon voor een periode, gelijk aan de minimumduur die nodig is voor zijn opname in het stelsel van de werkloosheidsverzekering, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering. Op deze verbrekingsvergoeding worden de in dit verband vereiste werknemersbijdragen ingehouden en samen met de werkgeversbijdragen gestort.
HOOFDSTUK II. - Nadere bepalingen Art. VI 4. Het personeelslid dat geslaagd is voor een vergelijkend wervingsexamen wordt uiterlijk op de eerste dag van de derde maand die volgt op de maand waarin het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en selectie van personeel de geslaagden voor de VREG beschikbaar heeft gesteld, uitgenodigd om in dienst te treden. Hij wordt aangewezen voor een vacante betrekking op de personeelsformatie.
Als het personeelslid een opzeggingsperiode moet volbrengen met toepassing van de
wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
03/07/2008
numac
2008000527
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
12/03/2009
numac
2009000158
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten, wordt de in het eerste lid vastgestelde termijn verlengd tot de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de opzegging verstrijkt.
Art. VI 5. De stage van de stagiair verloopt onder leiding van de voorzitter. De voorzitter stelt eveneens de vormingsactiviteiten vast waaraan de stagiair moet deelnemen.
Art. VI 6. De voorzitter kan de dienstaanwijzing tijdens de stage wijzigen.
Art. VI 7. Als de stagiair tot de stage wordt toegelaten, legt hij de eed af bij de voorzitter.
Art. VI 8. De eed luidt als volgt : « Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk. » Art. VI 9. Als de stagiair weigert de voormelde eed af te leggen, is zijn aanstelling als stagiair van rechtswege nietig.
HOOFDSTUK III. - Duur van de stage Art. VI 10. De duur van de stage bedraagt : 1° in niveau A : 12 maanden;2° in niveau B : 9 maanden;3° in niveau C : 6 maanden;4° in niveau D : 4 maanden; Art. VI 11. § 1. Om de duur van de verrichte stage te berekenen worden alle perioden waarin de stagiair in actieve dienst is in aanmerking genomen. § 2. De stagiair beschikt over een bonus aan werkdagen die hij afwezig kan zijn, waar geen rekening mee wordt gehouden bij de berekening van de duur van de stage. Die bonus bedraagt, afhankelijk van de stageduur : 1° voor een stage van 12 maanden : 25 werkdagen;2° voor een stage van 9 maanden : 20 werkdagen;3° voor een stage van 6 maanden : 15 werkdagen;4° voor een stage van 4 maanden : 10 werkdagen. Die bonus kan in een keer of gefractioneerd gebruikt worden.
In die bonus aan werkdagen wordt geen rekening gehouden met de jaarlijkse vakantie. § 3. Als het aantal dagen afwezigheid meer bedraagt dan de in § 2 vermelde bonus, wordt de stage opgeschort, ook als de afwezigheid met dienstactiviteit gelijkgesteld wordt. § 4. Tijdens het opschorten van de stage behoudt de stagiair zijn hoedanigheid van stagiair. Zijn administratieve toestand wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen die op hem van toepassing zijn tijdens zijn afwezigheid. § 5. Tijdens de periode waarin de einddatum van de stage overschreden wordt, behoudt de stagiair zijn hoedanigheid van stagiair.
HOOFDSTUK IV. - Evaluatie van de stagiair Afdeling I . - Evaluatiecriteria Art. VI 12. Elke stagiair wordt begeleid door een ambtenaar of een contractueel personeelslid van de VREG. Art. VI 13. § 1. Tijdens de stage wordt de stagiair gevolgd en tussentijds geëvalueerd volgens de nadere regelen, vastgesteld door de voorzitter. De tussentijdse evaluatie van de stagiair gebeurt overeenkomstig dezelfde regeling als de regeling die geldt voor de functioneringsevaluatie van de ambtenaar, met uitzondering van de beroepsmogelijkheid. De stagiair wordt in kennis gesteld van elk tussentijds evaluatieverslag. § 2. Op het einde van de stage maakt de evaluator, na een gesprek met de stagiair, een samenvattend eindverslag op. Het eindverslag wordt binnen dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de einddatum van de stage, aan de stagiair en aan het dagelijks bestuur toegestuurd; zoniet wordt de stage geacht gunstig te zijn.
Afdeling II . - Ongeschiktheid van de stagiair Art. VI 14. Indien het eindverslag niet gunstig is, betekent het dagelijks bestuur aan de stagiair een gemotiveerd voorstel tot afdanking.
Art. VI 15. De stagiair kan tegen het gemotiveerd voorstel tot afdanking beroep aantekenen bij de raad van beroep.
Art. VI 16. De stagiair moet beroep instellen per aangetekende brief binnen vijftien kalenderdagen nadat het voorstel tot afdanking hem meegedeeld werd.
Art. VI 17. De raad van beroep brengt binnen dertig kalenderdagen nadat de zaak aanhangig gemaakt werd een met redenen omkleed advies uit bij het dagelijks bestuur.
Als de raad verzuimt het in het eerste lid bepaalde te respecteren, behandelt men het beroep alsof er een gunstig advies werd gegeven.
Art. VI 18. Het dagelijks bestuur beslist binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad. De voormelde termijn wordt opgeschort in de maand augustus.
Art. VI 19. Met ingang van de eerste werkdag die volgt op het verstrijken van de termijn voor het instellen van beroep of op de beslissing tot afdanking of terugplaatsing door de benoemende overheid, wordt hetzij met de stagiair een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur van drie maanden afgesloten die overeenstemt met een opzeggingstermijn van dezelfde duur of wordt de stagiair ambtshalve teruggeplaatst in zijn vorige graad en betrekking.
Wanneer de werknemers- en werkgeversbijdragen met betrekking tot het contract van 3 maanden niet volstaan, stort de VREG bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de nog ontbrekende werknemers- en werkgeversbijdragen voor de opname van de stagiair in het stelsel van de werkloosheid, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering. De duur van de periode die gedekt wordt door deze storting, mag de duur niet overschrijden van de statutaire tewerkstelling van de ontslagen stagiair.
Art. VI 20. § 1. De stagiair die tijdens de stage een zware fout begaat, kan worden ontslagen zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding. § 2. Het ontslag wegens een zware fout zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding wordt door het dagelijks bestuur gegeven binnen 3 werkdagen na kennisname door de onmiddellijke en hiërarchische meerdere van niveau A van het feit dat als zware fout zou kunnen worden beschouwd.
Voorafgaand aan de ontslagbeslissing hoort het dagelijks bestuur, samen met de betrokken hiërarchische meerdere van niveau A, de stagiair. Deze kan zich laten bijstaan door een raadgever. Van de verklaring van de stagiair wordt een verslag gemaakt. Behoudens in geval van aanmaning, motiveert het dagelijks bestuur binnen drie werkdagen na het horen van de stagiair, bij aangetekende brief het ontslag om dringende redenen. § 3. De VREG stort voor de stagiairs die wegens een zware fout worden ontslagen bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de wergevers- en werknemersbijdragen die nodig zijn voor hun opname in het stelsel van de werkloosheid, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering. De duur van de periode die gedekt wordt door deze storting mag de duur niet overschrijden van de statutaire tewerkstelling van de ontslagen stagiair.
TITEL II. - De benoeming tot ambtenaar Art. VI 21. § 1. Alleen wie aan de volgende voorwaarden voldoet, kan tot ambtenaar worden benoemd : 1° de toelatingsvoorwaarden vervullen en aan de aanwervingsvoorwaarden voldoen, die voor de te verlenen betrekking zijn vastgelegd;2° met goed gevolg de stage volbracht hebben;3° lichamelijk geschikt bevonden zijn. § 2. In afwijking van § 1 kan de stagiair van wie de lichamelijke geschiktheid niet met zekerheid beoordeeld kon worden tijdens de stage, onder voorbehoud benoemd worden voor een termijn van maximaal twee jaar te rekenen vanaf de datum van het eerste geneeskundig onderzoek.
Art. VI 22. Het dagelijks bestuur benoemt de stagiair tot ambtenaar in de graad waarin hij tot de stage toegelaten werd op basis van het eindverslag, bedoeld in artikel VI 13, of na advies van de raad van beroep.
Art. VI 23. Voor de berekening van de administratieve anciënniteiten wordt uitgegaan van de dag waarop de stagiair zijn stage is begonnen.
Deel VII. - De administratieve loopbaan TITEL I. - De personeelsformatie en de hiërarchie van de graden Art. VII 1. De personeelsformatie is de lijst van het aantal betrekkingen die de VREG nodig heeft om de taken die voortvloeien uit haar opdrachten uit te voeren.
Art. VII 2. § 1. De personeelsformatie stelt het aantal betrekkingen vast per niveau en per rang, alsook de overeenkomstige graadbenamingen. Ze wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 2. Door het dagelijks bestuur wordt voor de VREG een organogram opgemaakt.
Art. VII 3. De hiërarchie van de graden omvat 4 niveaus en acht rangen.
Art. VII 4. De vier niveaus, die overeenstemmen met het ernaast vermelde vereiste onderwijsniveau, zijn : 1° niveau A : universitair onderwijs en hoger onderwijs van twee cycli, gelijkgesteld met universitair niveau;2° niveau B : hoger onderwijs van één cyclus of daarmee gelijkgesteld onderwijs;3° niveau C : secundair onderwijs of daarmee gelijkgesteld onderwijs;4° niveau D : geen diploma; De lijst van diploma's die toegang geven tot de verschillende niveaus, zijn vermeld in bijlage III van het stambesluit VOI. Art. VII 5. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad binnen zijn niveau.
Elke rang wordt aangeduid met een letter en een cijfer. De letter geeft het niveau aan, het cijfer situeert de rang in zijn niveau.
De vier niveaus omvatten het volgende aantal rangen : 1° niveau A : twee rangen, genummerd A1, A2;2° niveau B : twee rangen, genummerd B1, B2;3° niveau C : twee rangen, genummerd C1, C2;4° niveau D : twee rangen, genummerd D1, D2; Binnen elk niveau worden de rangen genummerd volgens hun plaats in de hiërarchie, waarbij de hoogste rang het hoogste cijfer toegewezen krijgt.
Art. VII 6. De graad is de titel die de ambtenaar situeert in een rang en hem machtigt tot het uitoefenen van een betrekking die met die graad overeenstemt.
Art. VII 7. De graden worden over de verschillende niveaus en rangen verdeeld overeenkomstig de bijlage I bij dit besluit.
TITEL II. - De functioneringsevaluatie HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied, doel en basisbeginselen van de evaluatie Art. VII 8. § 1. Elke ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar gedurende ten minste drie maanden prestaties heeft geleverd wordt voor deze prestaties geëvalueerd. § 2. De evaluatie heeft betrekking op één kalenderjaar. § 3. De evaluatie betreft het functioneren en de beroepsbekwaamheid van elke ambtenaar ten aanzien van een met de evaluator afgesproken planning. De planning wordt schriftelijk vastgelegd en blijft geldig zolang ze niet wordt gewijzigd.
De planning moet worden overhandigd aan de geëvalueerde binnen de maand nadat ze werd opgesteld of gewijzigd. § 4. Het evaluatieverslag wordt bezorgd aan de geëvalueerde binnen drie maanden na het verstrijken van de periode die geëvalueerd wordt.
HOOFDSTUK II. - De evaluatoren Art. VII 9. § 1. De ambtenaren worden geëvalueerd door ten minste één leidinggevende. De evaluator mag niet van een lagere rang zijn dan de geëvalueerde. § 2. Onder « leidinggevende » wordt in § 1 begrepen : de voorzitter en de personeelsleden die zijn aangewezen om gezag uit te oefenen over een aantal personeelsleden.
HOOFDSTUK III. - De procedure Art. VII 10. De functioneringsevaluatie gebeurt na een evaluatiegesprek tussen de geëvalueerde en ten minste één evaluator.
Indien de geëvalueerde afwezig is tijdens de evaluatieperiode, gebeurt de functioneringsevaluatie indien mogelijk mondeling of anders schriftelijk.
Indien de ambtenaar van niveau D hier schriftelijk om vraagt, wordt het evaluatiegesprek gevoerd in aanwezigheid van een waarnemer van zijn keuze.
Art. VII 11. § 1. De functioneringsevaluatie wordt vastgelegd in een door de evaluator opgesteld beschrijvend evaluatieverslag dat geen einduitspraak over de geëvalueerde bevat, behalve indien de evaluator oordeelt dat de ambtenaar alles bij elkaar beschouwd « onvoldoende » heeft gepresteerd.
Art. VII 12. § 1. De geëvalueerde kan opmerkingen toevoegen aan het definitieve beschrijvende evaluatieverslag. § 2. De geëvalueerde heeft het recht zijn persoonlijk evaluatiedossier te raadplegen.
Art. VII 13. Alle personeelsleden of personen onder wiens functioneel gezag de te evalueren ambtenaar prestaties heeft verricht, kunnen via persoonlijke nota's gunstige of ongunstige feiten met betrekking tot het presteren van de ambtenaar vaststellen.
De betrokken ambtenaar kan opmerkingen toevoegen.
HOOFDSTUK IV. - Beroep tegen de evaluatie Art. VII 14. § 1. Een ambtenaar van wie het beschrijvend evaluatieverslag wordt besloten met de vermelding « onvoldoende » of die meent dat een vormgebrek kan worden ingeroepen, kan daartegen beroep instellen bij de raad van beroep. Het beroep is opschortend.
Het beroep wordt ingesteld binnen vijftien kalenderdagen na het bezorgen van het beschrijvend evaluatieverslag.
De ambtenaar heeft het recht om te worden gehoord door de raad van beroep en kan zich hierbij laten bijstaan door een raadgever. § 2. De raad van beroep brengt een met redenen omkleed advies uit binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het beroepschrift. Als er geen advies is binnen de vooropgestelde termijn, wordt het beroep behandeld alsof er een gunstig advies werd gegeven.
Het advies wordt terzelfder tijd verstuurd aan de verzoeker en aan het dagelijks bestuur. § 3. Het dossier wordt vervolgens binnen vijftien kalenderdagen voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur is bevoegd voor de definitieve beslissing over het al dan niet toekennen van de evaluatie « onvoldoende ».
Het dagelijks bestuur beslist binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep; zo niet gaat men ervan uit dat er een gunstige beslissing is.
In voorkomend geval neemt de ambtenaar die als evaluator bij de zaak betrokken is niet deel aan de beraadslaging door het dagelijks bestuur.
Ingeval van een vormgebrek kan het dagelijks bestuur beslissen dat de evaluatie moet worden overgedaan.
TITEL III. - Anciënniteit en rangschikking Art. VII 15. § 1. Voor een ambtenaar bestaan de volgende administratieve anciënniteiten : 1° de graadanciënniteit;2° de niveauanciënniteit;3° de dienstanciënniteit;4° de schaalanciënniteit. § 2. Voor de toepassing van de reglementaire bepalingen die uitgaan van de anciënniteit, wordt onder de ambtenaren van wie de anciënniteit moet worden vergeleken de voorrang als volgt bepaald : 1° de ambtenaar met de grootste graadanciënniteit;2° de ambtenaar met de grootste niveauanciënniteit : bij gelijke graadanciënniteit;3° de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit : bij gelijke niveauanciënniteit;4° de oudste ambtenaar : bij gelijke dienstanciënniteit. Art. VII 16. § 1. De graadanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die de ambtenaar als titularis van een ambt met volledige prestaties bij de overheid heeft gepresteerd als stagiair en als vastbenoemde, in de graden die door de reglementering in aanmerking worden genomen voor toegang tot een andere graad of in vergelijkbare graden. § 2. De niveauanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die de ambtenaar als titularis van een ambt met volledige prestaties bij de overheid heeft gepresteerd als stagiair en als vastbenoemde in een graad van het betreffende niveau of van een vergelijkbaar niveau. § 3. De dienstanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die de ambtenaar als titularis van een ambt of betrekking met volledige prestaties bij de overheid in om het even welke hoedanigheid heeft gepresteerd.
Art. VII 17. Onder overheid, bedoeld in artikel VII 16, moet worden begrepen : de VREG en voor zover ze een personeelsstatuut hebben dat vergelijkbaar is met het personeelsstatuut van de VREG : 1° de andere Vlaamse openbare instellingen;2° de diensten van de Vlaamse regering;3° de diensten en instellingen van de Europese Unie;4° de diensten en instellingen van een lid-Staat van de Europese Unie;5° de diensten en instellingen van de Belgische Staat;6° de diensten en instellingen van andere gemeenschappen en gewesten. De voorzitter beslist over de vergelijkbaarheid van de graden, functies en niveaus die voorkomen in andere personeelsstatuten.
Art. VII 18. De schaalanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die de ambtenaar als stagiair en als vastbenoemde heeft verricht in een bepaalde salarisschaal als lid van het personeel van de VREG en als titularis van een ambt met volledige prestaties. De schaalanciënniteit wordt opgebouwd overeenkomstig artikel VII 38, § 2.
Art. VII 19. § 1. De ambtenaar wordt geacht werkelijke diensten te verrichten, zolang hij zich bevindt in een administratieve toestand op grond waarvan hij, krachtens dit besluit, zijn salaris of bij gebrek daarvan, zijn aanspraak op bevordering tot een hoger salaris behoudt. § 2. Volledige prestaties bedragen gemiddeld 38 uren per week.
Art. VII 20. De graad-, de niveau-, de dienst- en de schaalanciënniteit worden uitgedrukt in jaren en volle kalendermaanden. Ze beginnen op de eerste dag van een maand.
Niet-volledige maanden worden weggelaten. De anciënniteiten beginnen in dat geval te lopen op de eerste dag van de volgende maand.
Art. VII 21. Voor de toepassing van artikel VII 20 op ambtenaren die gemachtigd zijn hun ambt met deeltijdse prestaties uit te oefenen met non-activiteit pro rata voor de duur van de afwezigheid : 1° worden prestaties van 1976 uur deeltijdse arbeid geteld als twaalf volle kalendermaanden;2° worden prestaties van een twaalfde van 1976 uur deeltijdse arbeid geteld als één volle kalendermaand, waarbij elk uurgedeelte vervalt;3° vervallen de werkelijke diensten die niet de eerste dag van de maand begonnen zijn of die vóór de laatste dag van de maand beëindigd zijn. TITEL IV. - De hiërarchische loopbaan van de ambtenaar HOOFDSTUK I. - Definities en algemene bepalingen Art. VII 22. Onder bevordering wordt verstaan : de benoeming van een ambtenaar in een graad van een hogere rang binnen eenzelfde niveau.
Art. VII 23. De bevordering kan afhankelijk worden gesteld van het slagen voor een vergelijkend examen, georganiseerd door hethet selectiebureau van de federale overheid of door een andere instantie die belast is met de werving en de selectie van personeel of voor een vergelijkende bekwaamheidsproef.
Art. VII 24. § 1. De bevordering is alleen mogelijk als een vaste betrekking van de toe te kennen graad vacant is.
Bevorderingen worden verleend volgens de bepalingen die vastgesteld worden in dit besluit.
De betrekkingen worden door het dagelijks bestuur vacant verklaard. § 2. De nadere regelen inzake de wijze van bekendmaking van de vacatures en de kandidaatstelling worden vastgesteld door het dagelijks bestuur.
Art. VII 25. § 1. Om voor een vergelijkend examen voor verhoging in graad of voor een vergelijkende bekwaamheidsproef in te schrijven, moet de ambtenaar aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° hij voldoet aan de anciënniteitsvoorwaarden op de datum die het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en selectie van personeel heeft bepaald of in geval van een vergelijkende bekwaamheidsproef op de datum die de voorzitter heeft bepaald;2° hij mag geen functioneringsevaluatie hebben die besloten werd met de vermelding « onvoldoende ». § 2. Om een bevordering te krijgen : 1° moet de ambtenaar zich in een administratieve toestand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden;2° mag de ambtenaar geen functioneringsevaluatie hebben die besloten werd met de vermelding « onvoldoende ». Art. VII 26. § 1. De ambtenaar die zich kandidaat heeft gesteld voor bevordering en die in een vacante betrekking bevorderd werd, kan deze bevordering weigeren.
Hij kan nochtans die bevordering maar eenmaal weigeren. Als hij een tweede maal weigert, verliest hij het voordeel van het slagen voor dit examen of deze proef. § 2. De bevordering wordt ambtshalve ingetrokken als de ambtenaar de betrekking waarin hij bevorderd werd niet opgenomen heeft op de eerste van de derde maand die volgt op de betekening van het bevorderingsbesluit.
De ambtenaar die op het tijdstip van de bevordering met verlof, is gelijkgesteld met dienstactiviteit, alsook de preventieadviseur van de interne dienst Preventie en Bescherming, mogen respectievelijk het verlof of de opdracht voortzetten tot aan de toegestane einddatum.
HOOFDSTUK II. - De vergelijkende examens voor verhoging in graad Art. VII 27. De vergelijkende examens voor verhoging in graad worden loopbaanexamens genoemd.
Art. VII 28. Het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie die belast is met de werving en de selectie van personeel organiseert de loopbaanexamens op aanvraag van de voorzitter voor de graden die hij heeft aangewezen.
Art. VII 29. Het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel stelt de nadere bepalingen van de loopbaanexamens en de samenstelling van de examencommissies vast in overleg met de voorzitter.
Art. VII 30. De voorzitter stelt de programma's van de loopbaanexamens en de nadere modaliteiten vast na overleg met het selectiebureau van de federale overheid of een andere instantie belast met de werving en selectie van personeel.
Art. VII 31. § 1. De ambtenaar die het vereiste minimumresultaat heeft behaald, wordt geslaagd verklaard. § 2. De geslaagde behoudt onbeperkt het voordeel van zijn uitslag.
Art. VII 32. Aan een loopbaanexamen mag de ambtenaar van de onmiddellijk lagere rang deelnemen als hij ten minste twee jaar graadanciënniteit heeft.
HOOFDSTUK III. - De vergelijkende bekwaamheidsproef Art. VII 33. § 1. Voor de organisatie van de vergelijkende bekwaamheidsproef, genoemd in artikel VII 23, en van de vergelijkende bekwaamheidsproeven, genoemd in artikel VII 38, § 3, wordt in de VREG een commissie opgericht.
De voorzitter regelt de organisatie van de proef, stelt het programma vast en bepaalt de samenstelling van de commissie. § 2. De proef heeft betrekking op de theoretische of praktische kennis, alsook op de bekwaamheden en geschiktheden, die voor de uitoefening van de functie vereist worden. § 3. Wie voor een van de vergelijkende bekwaamheidsproeven, genoemd in § 1, eerste lid, geslaagd is, behoudt onbeperkt het voordeel van zijn uitslag, tenzij de voorzitter de geldigheidsduur ervan beperkt. De kortere geldigheidsduur wordt opgenomen in het examenreglement. § 4 De ambtenaar aan wie op basis van zijn geslaagd zijn voor een van de vergelijkende bekwaamheidsproeven, bedoeld in § 1, eerste lid, een andere functie wordt aangeboden, kan deze functie eenmaal weigeren.
Indien hij een tweede maal weigert, verliest hij het voordeel van het slagen voor deze proef.
HOOFDSTUK IV. - De bevordering Art. VII 34. De voorzitter kent de bevordering tot alle graden toe na een gemotiveerd voorstel van het dagelijks bestuur. De ambtenaren, die zich kandidaat hebben gesteld, worden op de hoogte gebracht van de voorstellen van het dagelijks bestuur. De ambtenaar die zich benadeeld acht, kan binnen de vijftien kalenderdagen na kennisgeving bezwaar indienen bij het dagelijks bestuur. Hij wordt op zijn verzoek door het dagelijks bestuur gehoo …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.