← België

Wet houdende instemming met het Statuut van Rome van het Internationaal Strafgerechtshof, gedaan te Rome, op 17 juli 1998

Kort samengevat

Deze wet bekrachtigt het Statuut van Rome van het Internationaal Strafgerechtshof, opgesteld in Rome op 17 juli 1998, en zorgt ervoor dat dit Statuut in België volledig van kracht wordt. Het Statuut richt een permanent Internationaal Strafgerechtshof op om de ernstigste internationale misdaden te berechten.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
25 MEI 2000. - Wet houdende instemming met het Statuut van Rome van het Internationaal Strafgerechtshof, gedaan te Rome, op 17 juli 1998 (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Art. 2.Het Statuut van Rome van het Internationaal Strafgerechtshof, gedaan te Rome op 17 juli 1998, zal volkomen gevolg hebben. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 25 mei 2000. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Buitenlandse Zaken, L. MICHEL De Minister van Landsverdediging, A. FLAHAUT De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN _______ Nota (1) Zitting 1999-2000. Senaat Documenten. - Ontwerp van wet ingediend op 3 februari 2000, nr. 2-329/1. - Verslag, nr. 2-329/2. - Tekst aangenomen in vergadering en overgezonden aan de Kamer, nr. 2-329/3. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en stemming. Vergadering van 2 maart 2000. Kamer Documenten. - Tekst overgezonden door de Senaat, nr. 50-492/1. - Verslag, nr. 50-492/2. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en stemming. Vergadering van 27 april 2000. STATUUT VAN ROME INZAKE HET INTERNATIONALE STRAFGERECHTSHOF Preambule Zich bewust van het feit dat alle volken verenigd zijn door nauwe banden en hun culturen zijn samengebracht in een gemeenschappelijk erfgoed, en bezorgd dat dit broze mozaïek ieder moment kan uiteenvallen, Indachtig het feit dat in de loop van deze eeuw miljoenen kinderen, vrouwen en mannen het slachtoffer zijn geweest van onvoorstelbare wreedheden die het geweten van de mensheid hevig schokken, Erkennend dat dergelijke zware misdaden een gevaar vormen voor de vrede, de veiligheid en het welzijn van de wereld, Bevestigend dat de ernstigste misdaden die de gehele internationale gemeenschap met zorg vervullen niet onbestraft mogen blijven en dat een doeltreffende vervolging daarvan moet worden verzekerd door het treffen van maatregelen op nationaal niveau en door het versterken van de internationale samenwerking, Vastbesloten paal en perk te stellen aan de straffeloosheid van de daders van deze misdaden en daardoor bij te dragen aan het voorkomen van dergelijke misdaden, In herinnering brengend dat het de plicht is van elke Staat om zijn rechtsmacht in strafzaken uit te oefenen over degenen die verantwoordelijk zijn voor internationale misdrijven, Opnieuw bevestigend de doeleinden en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, en meer in het bijzonder het feit dat alle Staten zich moeten onthouden van de dreiging met of het gebruik van geweld ten aanzien van de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een Staat, of van elke andere daad die onverenigbaar is met de doeleinden van de Verenigde Naties, Benadrukkend in dit verband dat niets in dit Statuut mag worden beschouwd als een machtiging aan een Staat die Partij is om te interveniëren in een gewapend conflict in de binnenlandse aangelegenheden van een Staat, Vastbesloten hiertoe, alsmede in het belang van de huidige en toekomstige generaties, een onafhankelijk permanent Internationaal Strafgerechtshof in samenhang met het systeem van de Verenigde Naties op te richten, met rechtsmacht ten aanzien van de ernstigste misdaden die de gehele internationale gemeenschap met zorg vervullen, Benadrukkend dat het krachtens dit Statuut opgerichte Internationale Strafgerechsthof complementair zal zijn aan de nationale rechtsmacht in strafzaken, Vastbesloten een duurzame eerbiediging van de naleving van internationale rechtspleging te waarborgen, Zijn overeengekomen als volgt : HOOFDSTUK I. - Oprichting van het Hof Artikel 1 Het Hof Een Internationaal Strafgerechtshof (« het Hof ») wordt hierbij opgericht. Het is een permanente instelling met de bevoegdheid rechtsmacht uit te oefenen over personen ter zake van de in dit Statuut bedoelde ernstigste misdaden met internationale draagwijdte, en die complementair zal zijn aan de nationale rechtsmacht in strafzaken. De rechtsmacht en werkwijze van het Hof worden vastgelegd in de bepalingen van dit Statuut. Artikel 2 Samenhang van het Hof met de Verenigde Naties De samenhang van het Hof met de Verenigde Naties wordt geregeld door middel van een overeenkomst die moet worden goedgekeurd door de Vergadering van de Staten die Partij zijn bij dit Statuut en daarna door de voorzitter van het Hof in naam van het Hof moet worden gesloten. Artikel 3 Zetel van het Hof 1. De zetel van het Hof wordt gevestigd te Den Haag, Nederland (« de Gaststaat »).2. Het Hof sluit met de Gaststaat een zetelovereenkomst die moet worden goedgekeurd door de Vergadering van de Staten die Partij zijn en daarna door de voorzitter van het Hof in naam van het Hof moet worden gesloten.3. Het Hof kan elders zitting houden wanneer het dit wenselijk acht, overeenkomstig het bepaalde in dit Statuut. Artikel 4 Wettelijke status en bevoegdheden van het Hof 1. Het Hof bezit internationale rechtspersoonlijkheid.Tevens bezit het de handelingsbevoegdheid die nodig is voor de uitoefening van zijn functies en de verwezenlijking van zijn doelstellingen. 2. Het Hof kan zijn functies en bevoegdheden uitoefenen op de wijze bepaald in dit Statuut op het grondgebied van een Staat die Partij is, alsmede, krachtens een bijzondere overeenkomst, op het grondgebied van een andere staat. HOOFDSTUK II. - Rechtsmacht, ontvankelijkheid en toepasselijk recht Artikel 5 Misdaden waarover het Hof rechtsmacht heeft 1. De rechtsmacht van het Hof is beperkt tot de ernstigste misdaden die de internationale gemeenschap in haar geheel met zorg vervullen. Het Hof heeft overeenkomstig het Statuut rechtsmacht ter zake van de volgende misdaden : (a) de misdaad van genocide;(b) misdaden tegen de mensheid;(c) oorlogsmisdaden;(d) de misdaad van agressie.2. Het Hof oefent rechtsmacht uit ter zake van de misdaad van agressie zodra overeenkomstig de artikelen 121 en 123 een bepaling is aanvaard waarin de misdaad nader is omschreven en de voorwaarden zijn vastgelegd krachtens welke het Hof rechtsmacht uitoefent ter zake van deze misdaad.Een dergelijke bepaling moet verenigbaar zijn met de desbetreffende bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties. Artikel 6 Misdaad van genocide Voor de toepassing van dit Statuut wordt verstaan onder genocide : een van de volgende handelingen gepleegd met de bedoeling geheel of gedeeltelijk een nationale, etnische of godsdienstige groep, dan wel een groep behorend tot een bepaald ras, als zodanig te vernietigen : (a) het doden van leden van de groep;(b) het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep;(c) het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden die gericht zijn op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging;(d) het opleggen van maatregelen bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen;(e) het gedwongen overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep. Artikel 7 Misdaden tegen de mensheid 1. Voor de toepassing van dit Statuut wordt verstaan onder misdaad tegen de mensheid : een van de volgende handelingen, indien gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval : (a) moord;(b) uitroeiing;(c) slavernij;(d) deportatie of gedwongen overbrenging van bevolking;(e) gevangenneming of elke andere ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid in strijd met de fundamentele regels van internationaal recht;(f) marteling;(g) verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie, of elke andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst;(h) vervolging van een identificeerbare groep of collectiviteit op politieke, raciale gronden of gronden betreffende nationaliteit, op etnische, culturele of godsdienstige gronden of op grond van het geslacht, zoals nader omschreven is in het derde punt, of op andere gronden die algemeen ontoelaatbaar worden geacht krachtens het internationaal recht, in verband met in dit punt bedoelde handelingen of een misdaad waarover het Hof rechtsmacht heeft;(i) gedwongen verdwijningen;(j) apartheid;(k) andere onmenselijke handelingen van vergelijkbare aard waardoor opzettelijk ernstig lijden of ernstig lichamelijk letsel of schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid wordt veroorzaakt.2. Voor de toepassing van het eerste punt wordt verstaan onder : (a) aanval gericht tegen een burgerbevolking : een wijze van optreden die het meermalen plegen van in het eerste punt bedoelde handelingen tegen een burgerbevolking met zich brengt ter uitvoering of met de oog op de voortzetting van het beleid van een Staat of ter organisatie tot het plegen van een dergelijke aanval;(b) uitroeiing : inzonderheid het opzettelijk opleggen van levensvoorwaarden, onder andere de onthouding van toegang tot voedsel en geneesmiddelen, bedoeld om de vernietiging van een deel van een bevolking te bewerkstelligen;(c) slavernij : de uitoefening van een of alle bevoegdheden verbonden aan het recht van eigendom over een persoon, met inbegrip van de uitoefening van deze bevoegdheid bij mensenhandel, in het bijzonder handel in vrouwen en kinderen met het oog op seksuele uitbuiting;(d) deportatie of gedwongen overbrenging van bevolking : het verplaatsen van de desbetreffende personen door verdrijving of andere dwangmaatregelen uit het gebied waarin zij zich rechtmatig bevinden zonder dat daartoe krachtens het internationaal recht gronden zijn;(e) marteling : het opzettelijk toebrengen van ernstige pijn of veroorzaken van ernstig lijden, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk, aan of van een persoon die zich in bewaring of in de macht bevindt van degene die beschuldigd wordt, met dien verstande dat onder marteling niet tevens wordt verstaan pijn of lijden dat louter het gevolg is van, inherent is aan of veroorzaakt is door rechtmatige sancties;(f) gedwongen zwangerschap : de onrechtmatige gevangenhouding van een vrouw die gedwongen zwanger is gemaakt, met de opzet de etnische samenstelling van een bevolking te beïnvloeden of andere ernstige schendingen van het internationaal recht te plegen.Deze definitie mag in geen geval worden uitgelegd als een aantasting van de nationale wetgeving met betrekking tot zwangerschapsonderbreking; (g) vervolging : het opzettelijk en in ernstige mate ontnemen van fundamentele rechten in strijd met het internationaal recht op grond van de identiteit van de groep of van de collectiviteit;(h) apartheid : onmenselijke handelingen analoog aan de in het eerste punt bedoelde handelingen en die worden bedreven in het kader van een geïnstitutionaliseerd regime van systematische onderdrukking en overheersing door een groep van een bepaald ras van een of meer andere groepen van een ander ras en worden gepleegd met de opzet dat regime in stand te houden;(i) gedwongen verdwijningen : het arresteren, gevangen houden of ontvoeren van personen door of met de machtiging, ondersteuning of bewilliging van een Staat of politieke organisatie, gevolgd door een weigering een dergelijke ontneming van vrijheid te erkennen of informatie te verstrekken over het lot of de verblijfplaats van die personen, met de opzet hen langdurig buiten de bescherming van de wet te plaatsen.3. Voor de toepassing van dit Statuut verwijst het begrip geslacht naar de beide geslachten, zowel het mannelijk als het vrouwelijk geslacht, naargelang de context van de maatschappij.Onder geslacht wordt niets anders verstaan dan hetgeen hiervoor is bepaald. Artikel 8 Oorlogsmisdaden 1. Het Hof heeft rechtsmacht ter zake van oorlogsmisdaden in het bijzonder wanneer deze worden gepleegd ter uitvoering van een plan of beleid of als onderdeel van het op grote schaal plegen van dergelijke misdaden.2. Voor de toepassing van dit Statuut wordt verstaan onder oorlogsmisdaden : (a) ernstige inbreuken op de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, met name een van de volgende handelingen tegen personen of eigendommen die zijn beschermd krachtens de bepalingen van de Verdragen van Genève : (i) het opzettelijk doden; (ii) het martelen of onmenselijk behandelen, met inbegrip van biologische experimenten; (iii) het opzettelijk veroorzaken van ernstig lijden of zwaar lichamelijk letsel of ernstige schade aan de gezondheid; (iv) het op grote schaal vernietigen en zich toeëigenen van eigendommen dat niet door militaire noodzaak wordt gerechtvaardigd en dat ongeoorloofd en moedwillig plaatsvindt; (v) het dwingen van een krijgsgevangene of een andere beschermde personen om dienst te nemen bij de strijdkrachten van een vijandige mogendheid; (vi) het opzettelijk onthouden aan een krijgsgevangene of aan een andere beschermde personen van het recht op een eerlijke en onpartijdige berechting; (vii) het onwettig deporteren of overbrengen of onrechtmatig opsluiten; (viii) het nemen van gijzelaars. (b) Andere ernstige schendingen van de wetten en gebruiken die toepasselijk zijn in een internationaal gewapend conflict in het gevestigde kader van het internationale recht, met name een van de volgende handelingen : (i) het opzettelijk richten van aanvallen op de burgerbevolking als zodanig of op individuele burgers die niet rechtstreeks deelnemen aan de vijandelijkheden; (ii) het opzettelijk richten van aanvallen op burgerdoelen, die geen militaire doelwitten zijn; (iii) het opzettelijk richten van aanvallen op personeel, installaties, materieel, eenheden of voertuigen betrokken bij humanitaire hulpverlening of vredesmissies overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, voorzover deze recht hebben op de bescherming die aan burgers of burgerdoelen wordt verleend krachtens het internationale recht inzake gewapende conflicten; (iv) het opzettelijk richten van een aanval in de wetenschap dat een dergelijke aanval voor burgers incidentele verliezen aan levens of letsel zal veroorzaken of schade aan burgerdoelen of grote, langdurige en ernstige schade aan natuur en milieu zal aanrichten, die duidelijk buitensporig is in verhouding tot het te verwachten concrete en directe militaire voordeel; (v) het aanvallen of bombarderen met wat voor middelen ook van steden, dorpen, woningen of gebouwen, die niet worden verdedigd en geen militaire doelwitten zijn; (vi) het doden of verwonden van een strijder die zich, na het neerleggen van zijn wapens of wanneer hij zich niet meer kan verdedigen, onvoorwaardelijk heeft overgegeven; (vii) het op ongepaste wijze gebruik maken van een witte vlag, een vlag of de militaire onderscheidingstekens en het uniform van de vijand of van de Verenigde Naties, alsmede van de emblemen van de Verdragen van Genève, hetgeen de dood of ernstig lichamelijk letsel ten gevolge heeft; (viii) het rechtstreeks of niet rechtstreeks overbrengen door de bezettingsmacht van delen van de eigen burgerbevolking naar het bezette grondgebied, of de deportatie of het overbrengen van de gehele of delen van de bevolking van het bezette grondgebied binnen of buiten dat grondgebied; (ix) het opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen gewijd aan godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of caritatieve doeleinden, historische monumenten, ziekenhuizen en plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, voorzover deze niet worden gebruikt voor militaire doeleinden; (x) het onderwerpen van personen die zich in de macht van de tegenpartij bevinden aan lichamelijke verminking of medische of wetenschappelijke experimenten van welke aard ook, die niet door de geneeskundige behandeling worden verantwoord noch in hun belang worden uitgevoerd, en die de dood ten gevolge hebben of de gezondheid van die persoon of personen ernstig in gevaar brengen; (xi) het op verraderlijke wijze doden of verwonden van personen die behoren tot de vijandige natie of het vijandige leger; (xii) het verklaren dat geen kwartier zal worden verleend; (xiii) het vernietigen of in beslag nemen van eigendommen van de vijand tenzij deze vernietiging of inbeslagneming dringend vereist is als gevolg van dwingende oorlogsomstandigheden; (xiv) het gerechtelijk vervallen verklaren, schorsen of niet-ontvankelijk verklaren van de rechten en handelingen van de onderdanen van de vijandige partij; (xv) het dwingen van de onderdanen van de vijandige partij om deel te nemen aan oorlogshandelingen gericht tegen hun eigen land, ook als zij voor de aanvang van de oorlog in dienst van de oorlogvoerende partij waren; (xvi) het plunderen van een stad of plaats, ook wanneer deze bij een aanval wordt ingenomen; (xvii) het gebruiken van gif of giftige wapens; (xviii) het gebruiken van verstikkende, giftige of andere gassen en overige soortgelijke vloeistoffen, materialen of apparaten; (xix) het gebruiken van kogels die in het menselijk lichaam gemakkelijk in omvang toenemen of platter en breder worden, zoals kogels met een harde mantel die de kern gedeeltelijk onbedekt laat of die is voorzien van inkepingen; (xx) het gebruiken van wapens, projectielen, materieel en wijzen van oorlogvoering die van aard zijn om overbodig letsel of nodeloos lijden te veroorzaken of die zonder meer in strijd zijn met het internationaal recht inzake gewapende conflicten, voorzover dergelijke wapens, projectielen, materieel en wijzen van oorlogvoering vallen onder een algeheel verbod en zijn opgenomen in een bijlage bij dit Statuut, krachtens een amendement overeenkomstig de desbetreffende bepalingen in de artikelen 121 en 123; (xxi) het schenden van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling; (xxii) het toepassen van verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie of andere vormen van seksueel geweld, die een ernstige schending van de Verdragen van Genève opleveren; (xxiii) het gebruik maken van de aanwezigheid van een burger of een andere beschermde persoon teneinde bepaalde punten, gebieden of strijdkrachten te vrijwaren van militaire operaties; (xxiv) het opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen, materieel, medische eenheden en transport, alsmede op personeel dat overeenkomstig het internationaal recht gebruik maakt van de emblemen van de Verdragen van Genève; (xxv) het opzettelijk gebruikmaken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering door hun voorwerpen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor hun overleving, inzonderheid het opzettelijk belemmeren van de aanvoer van hulpgoederen waarin is voorzien in de Verdragen van Genève; (xxvi) het onder de wapenen roepen of het in militaire dienst nemen van kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij de nationale strijdkrachten of hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden. (c) In geval van een gewapend conflict dat niet internationaal van aard is, ernstige schendingen van artikel 3 van ieder van de vier Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, te weten een van de volgende handelingen begaan tegen personen die niet rechtstreeks deelnemen aan de vijandelijkheden, waaronder leden van strijdkrach ten die hun wapens hebben neergelegd en degenen die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwondingen, gevangenschap of andere oorzaken : (i) geweldpleging gericht op het leven en de lichamelijk integriteit, inzonderheid alle vormen van moord, verminking, wrede behandeling en marteling; (ii) aantasting van de persoonlijke waardigheid, inzonderheid vernederende en onterende behandeling; (iii) het nemen van gijzelaars; (iv) het uitspreken van vonnissen en tenuitvoerleggen van executies zonder voorafgaand vonnis uitgesproken door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt die algemeen als onmisbaar worden erkend. (d) Het tweede punt, c, is van toepassing op gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn en geldt derhalve niet voor gevallen van interne onlusten en spanningen, zoals oproer, geïsoleerde en sporadische gewelddadigheden of andere soortgelijke handelingen.(e) Andere ernstige schendingen van de wetten en gebruiken die gelden in geval van gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn, binnen het gevestigde kader van het internationaal recht, te weten een van de volgende handelingen : (i) het opzettelijk richten van aanvallen op de burgerbevolking als zodanig of op burgers die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen; (ii) het opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen, materieel, medische eenheden en transport, en personeel dat gebruik maakt van de emblemen van de Verdragen van Genève overeenkomstig het internationaal recht; (iii) het opzettelijk richten van aanvallen op personeel, installaties, materieel, eenheden of voertuigen betrokken bij humanitaire hulpverlening of vredesmissies overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, voorzover deze recht hebben op de bescherming die aan burgers of burgerdoelen wordt verleend krachtens het internationaal recht inzake gewapende conflicten; (iv) het opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen gewijd aan godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of caritatieve doeleinden, historische monumenten, ziekenhuizen en plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, voorzover deze niet worden gebruikt voor militaire doeleinden; (v) het plunderen van een stad of plaats, ook wanneer deze bij een aanval wordt ingenomen; (vi) het toepassen van verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap zoals gedefinieerd in artikel 7, tweede punt, f, gedwongen sterilisatie en andere vormen van seksueel geweld die een ernstige schending zijn van de Verdragen van Genève; (vii) het onder de wapenen roepen of het in militaire dienst nemen van kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij strijdkrachten of hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden; (viii) het bevel geven tot verplaatsing van de burgerbevolking om redenen die verband houden met het conflict, tenzij de veiligheid van de betrokken burgers of dwingende militaire redenen dit vereisen; (ix) het op verraderlijke wijze doden of verwonden van een vijandelijke strijder; (x) het verklaren dat geen kwartier zal worden verleend; (xi) het onderwerpen van personen die zich in de macht van een andere partij bij het conflict bevinden aan lichamelijke verminking of aan geneeskundige of wetenschappelijke experimenten van welke aard ook, die niet door de geneeskundige behandeling worden verantwoord, noch in hun belang worden uitgevoerd, en die de dood ten gevolge hebben of de gezondheid van die persoon of personen ernstig in gevaar brengen; (xii) het vernietigen of in beslag nemen van eigendommen van een tegenstander tenzij deze vernietiging of inbeslagneming dringend vereist is als gevolg van de dwingende omstandigheden van het conflict; (f) Het tweede punt, e, is van toepassing op gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn en geldt derhalve niet voor gevallen van interne onlusten en spanningen zoals oproer, geïsoleerde en sporadische gewelddadigheden of soortgelijke handelingen.Het geldt voor gewapende conflicten die plaatsvinden op het grondgebied van een Staat in het geval van een langdurig gewapend conflict tussen de officiële autoriteiten en georganiseerde gewapende groepen of tussen deze groepen onderling. 3. Het tweede punt, c en e, laat onverlet de verantwoordelijkheid van een regering om de openbare orde in de Staat te handhaven of te herstellen of om de eenheid en territoriale integriteit van de Staat met alle legitieme middelen te verdedigen. Artikel 9 Bestanddelen van misdaden 1. Bestanddelen van misdaden dienen het Hof als hulpmiddel bij de uitlegging en de toepassing van de artikelen 6, 7 en 8 van het Statuut.Zij moeten worden goedgekeurd met een tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van de Staten die Partij zijn. 2. Wijzigingen in de bestanddelen van misdaden kunnen worden voorgesteld door : (a) een Staat die Partij is;(b) de rechters die optreden bij absolute meerderheid;(c) de aanklager. Deze wijzigingen moeten worden goedgekeurd met een tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van de Staten die Partij zijn. 3. De bestanddelen van misdaden en wijzigingen daarop moeten verenigbaar zijn met dit Statuut. Artikel 10 Het bepaalde in dit hoofdstuk wordt niet zodanig uitgelegd dat daarmee, op ongeacht welke wijze, een beperking zou worden aangebracht in of inbreuk zou worden gemaakt op bestaande of zich ontwikkelende regels van internationaal recht, die andere doeleinden beogen dan dit Statuut. Artikel 11 Rechtsmacht ratione temporis 1. Het Hof bezit alleen rechtsmacht met betrekking tot misdaden die zijn gepleegd na de inwerkingtreding van dit Statuut.2. Indien een Staat Partij wordt bij dit Statuut na de inwerkingtreding ervan, kan het Hof zijn rechtsmacht enkel uitoefenen met betrekking tot misdaden die zijn gepleegd na de inwerkingtreding van dit Statuut voor die Staat, tenzij die Staat een verklaring krachtens artikel 12, derde punt, heeft afgelegd. Artikel 12 1. Een Staat die Partij wordt bij dit Statuut aanvaardt daardoor de rechtsmacht van het Hof met betrekking tot de misdaden bedoeld in artikel 5.2. In de gevallen bedoeld in artikel 13, a of c, kan het Hof zijn rechtsmacht uitoefenen indien een of meer van de volgende Staten Partij zijn bij dit Statuut of de rechtsmacht van het Hof hebben aanvaard overeenkomstig het derde punt : (a) de Staat op wiens grondgebied de desbetreffende gedragingen plaatsvonden of, indien de misdaad werd gepleegd aan boord van een vaartuig of luchtvaartuig, de Staat van registratie van dat vaartuig of luchtvaartuig;(b) de Staat waarvan de persoon die van de misdaad wordt beschuldigd onderdaan is.3. Indien de aanvaarding van de rechtsmacht van het Hof door een Staat die geen Partij is bij dit Statuut vereist is krachtens het tweede punt, kan die Staat, door middel van een verklaring die bij de griffier wordt neergelegd, de uitoefening ervan door het Hof aanvaarden met betrekking tot de desbetreffe nde misdaad.De Staat die de uitoefening van rechtsmacht aanvaardt werkt zonder vertraging of uitzondering samen met het Hof overeenkomstig hoofdstuk 9. Artikel 13 Uitoefening van rechtsmacht Het Hof kan zijn rechtsmacht uitoefenen met betrekking tot de daden bedoeld in artikel 5 overeenkomstig de bepalingen van dit Statuut, indien : (a) een situatie waarin een of meer van deze misdaden lijken te zijn gepleegd, overeenkomstig artikel 14 naar de aanklager wordt verwezen door een Staat die Partij is;(b) een situatie waarin een of meer van deze misdaden lijken te zijn gepleegd, naar de aanklager wordt verwezen door de Veiligheidsraad, handelend krachtens hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties;of (c) de aanklager een onderzoek heeft ingesteld met betrekking tot deze misdaad overeenkomstig artikel 15. Artikel 14 Verwijzing van een situatie door een Staat die Partij is 1. Een Staat die Partij is kan een situatie waarin een of meer misdaden waarover het Hof rechtsmacht heeft lijken te zijn gepleegd naar de aanklager verwijzen, waarbij de aanklager wordt verzocht de situatie te onderzoeken teneinde vast te stellen of een of meer duidelijk omschreven personen in staat van beschuldiging moeten worden gesteld wegens het plegen van deze misdaden.2. Voorzover mogelijk worden bij de verwijzing de relevante omstandigheden vermeld, vergezeld van alle bewijsstukken die ter beschikking staan van de Staat die het geval verwijst. Artikel 15 De aanklager 1. De aanklager kan op eigen initiatief een onderzoek instellen op grond van informatie over misdaden waarover het Hof rechtsmacht heeft.2. De aanklager onderzoekt de ernst van de ontvangen informatie. Daartoe kan hij aanvullende informatie vragen aan Staten, organen van de Verenigde Naties, intergouvernementele of niet-gouvernementele organisaties of andere betrouwbare bronnen die hij daarvoor gepast acht en kan hij schriftelijke of mondelinge getuigenverklaringen in ontvangst nemen op de zetel van het Hof. 3. Indien de aanklager concludeert dat een redelijke grond bestaat om een onderzoek in te stellen, moet hij daartoe een verzoek indienen bij de Kamer van vooronderzoek onder voorlegging van het verzamelde bewijsmateriaal.Slachtoffers kunnen hun mening kenbaar maken bij de Kamer van vooronderzoek overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering. 4. Indien de Kamer van vooronderzoek, na kennisneming van het verzoek en van het bewijsmateriaal, van mening is dat een redelijke grond bestaat om een onderzoek in te stellen en dat de zaak naar het zich laat aanzien binnen de rechtsmacht van het Hof valt, verleent de Kamer van vooronderzoek toestemming voor het onderzoek, ongeacht latere beslissingen van het Hof met betrekking tot de rechtsmacht en de ontvankelijkheid van een zaak.5. De weigering van de Kamer van vooronderzoek om toestemming te verlenen voor een onderzoek vormt geen beletsel voor de indiening door de aanklager van een later verzoek dat op nieuwe feiten of bewijsmateriaal met betrekking tot hetzelfde geval gegrond is.6. Indien de aanklager na het vooronderzoek bedoeld in het eerste en tweede punt concludeert dat de verstrekte informatie geen redelijke grond voor een onderzoek oplevert, stelt hij degenen die de informatie hebben verstrekt daarvan in kennis.Dit belet de aanklager niet nadere informatie die hem wordt overgelegd met betrekking tot dezelfde situatie in het licht van nieuwe feiten of bewijsmateriaal in overweging te nemen. Artikel 16 Opschorting van onderzoek of vervolging Geen onderzoek of vervolging kan worden ingesteld of voortgezet krachtens dit Statuut gedurende een periode van 12 maanden nadat de Veiligheidsraad bij een resolutie die krachtens hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties is goedgekeurd, het verzoek daartoe tot het Hof heeft gericht; een hernieuwd verzoek kan door de Raad worden ingediend onder dezelfde voorwaarden. Artikel 17 Vragen met betrekking tot ontvankelijkheid 1. Gelet op het tiende punt van de Preambule en op artikel 1 van dit Statuut kan het Hof een zaak niet-ontvankelijk verklaren indien : (a) in de zaak onderzoek of vervolging plaatsvindt door een Staat die ter zake rechtsmacht heeft, tenzij die Staat niet bereid of niet bij machte is om het onderzoek of de vervolging tot een goed einde te brengen.(b) in de zaak een onderzoek is ingesteld door een Staat die ter zake rechtsmacht heeft en die Staat beslist heeft de betrokken persoon niet te vervolgen, tenzij de beslissing het gevolg was van het niet bereid of niet bij machte zijn van de Staat om de vervolging tot een goed einde te brengen;(c) de betrokken persoon reeds heeft terechtgestaan voor gedragingen waarop de klacht betrekking heeft, en niet door het Hof kan worden berecht krachtens artikel 20, derde punt;(d) de zaak niet voldoende ernstig is om verdere stappen van het Hof te verantwoorden.2. Bij de vaststelling of er sprake is van het ontbreken van bereidheid van een Staat in een bepaalde zaak beoordeelt het Hof, met inachtneming van de in het internationaal recht erkende beginselen van een behoorlijke rechtsgang, of een of meer van de volgende omstandigheden zich voordoen : (a) de procedure werd of wordt ingesteld of de beslissing van de Staat werd genomen teneinde de betrokken persoon te onttrekken aan zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid voor misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit als bedoeld in artikel 5;(b) er is sprake van onverantwoorde vertraging in de procedure die, onder de omstandigheden, niet verenigbaar is met het voornemen de betrokken persoon te doen terechtstaan;(c) de procedure werd of wordt niet gevoerd op een onafhankelijke of onpartijdige wijze, maar op een wijze die, onder de omstandigheden, niet verenigbaar is met het voornemen om de betrokken persoon te doen terecht staan.3. Bij de bepaling of er in een bijzondere zaak sprake is van onmacht van de Staat, gaat het Hof na of de Staat vanwege een algehele of substantiële ineenstorting of de niet-beschikbaarheid van zijn nationale rechterlijke organisatie, niet bij machte is de verdachte in handen te krijgen of het noodzakelijke bewijsmateriaal en de noodzakelijke getuigenverklaringen te verzamelen of anderszins niet bij machte is tot het voeren van de procedure. Artikel 18 Prejudiciële beslissingen betreffende de ontvankelijkheid 1. Wanneer een situatie naar het Hof is verwezen krachtens artikel 13, a, en de aanklager heeft bepaald dat een redelijke grond bestaat om een onderzoek in te stellen, of de aanklager opent een onderzoek krachtens artikel 13, c, en artikel 15, stelt de aanklager alle Staten die Partij zijn hiervan in kennis, alsmede die Staten die, gelet op de beschikbare informatie normaliter rechtsmacht zouden uitoefenen ter zake van de betrokken misdaden.De aanklager kan de kennisgeving op vertrouwelijke grond aan deze Staten verstrekken en kan, als hij dit noodzakelijk acht ter bescherming van personen, om de vernietiging van bewijsmateriaal te voorkomen of personen het vluchten te beletten, de omvang van de aan Staten te verstrekken informatie beperken. 2. Binnen een maand na ontvangst van die kennisgeving kan een Staat het Hof meedelen dat hij een onderzoek instelt of heeft ingesteld met betrekking tot zijn onderdanen of anderen waarover hij rechtsmacht bezit inzake strafbare handelingen die misdaden kunnen opleveren als bedoeld in artikel 5 en verband houden met de aan de Staten verstrekte informatie.Op verzoek van die Staat treedt de aanklager terug ten behoeve van het onderzoek van de Staat naar die personen, tenzij de Kamer van vooronderzoek, op verzoek van de aanklager, beslist het onderzoek zelf te voeren. 3. Dit terugtreden van de aanklager ten behoeve van het onderzoek van een Staat staat voor herziening open zes maanden na de datum van de terugtreding of telkens wanneer het niet-bereid of niet bij machte zijn van de Staat om het onderzoek tot een goed einde te leiden de omstandigheden aanzienlijk wijzigt.4. De betrokken Staat of de aanklager kan tegen een beslissing van de Kamer van vooronderzoek beroep instellen bij de Kamer van beroep overeenkomstig artikel 82, tweede punt.Het beroep kan volgens een versnelde procedure worden behandeld. 5. Wanneer de aanklager is teruggetreden ten behoeve van een onderzoek overeenkomstig het tweede punt, kan de aanklager de betrokken Staat vragen hem op regelmatige tijdstippen te informeren over de vooruitgang van zijn onderzoeken en in voorkomend geval van de daaropvolgende gerechtelijke vervolgingen.Staten die Partij zijn moeten op deze vragen onverwijld antwoorden. 6. In afwachting van een beslissing van de Kamer van vooronderzoek of telkens wanneer de aanklager krachtens dit artikel is teruggetreden ten behoeve van een onderzoek, kan de aanklager, bij wijze van uitzondering, de Kamer van vooronderzoek toestemming vragen om de noodzakelijke onderzoekshandelingen te verrichten teneinde bewijsmateriaal in stand te houden, wanneer zich een eenmalige gelegenheid voordoet om belangrijk bewijsmateriaal te verkrijgen of wanneer een aanzienlijk risico bestaat dat dergelijk bewijsmateriaal nadien niet meer beschikbaar is.7. Een Staat die een beslissing van de Kamer van vooronderzoek krachtens dit artikel heeft aangevochten, kan de ontvankelijkheid van een zaak krachtens artikel 19 betwisten op grond van belangrijke nieuwe feiten of een belangrijke wijziging in de omstandigheden. Artikel 19 Betwisting van de rechtsmacht van het Hof of van de ontvankelijkheid van een zaak 1. Het Hof gaat na of het rechtsmacht bezit over zaken die bij het Hof zijn aangebracht.Het Hof kan zich ambtshalve uitspreken over de ontvankelijkheid van een zaak overeenkomstig artikel 17. 2. De ontvankelijkheid van een zaak op de gronden bedoeld in artikel 17 of de rechtsmacht van het Hof kunnen worden betwist door : (a) een beschuldigde of een persoon tegen wie een bevel tot aanhouding of een dagvaarding om te verschijnen is uitgevaardigd krachtens artikel 58;(b) een Staat die rechtsmacht bezit over een zaak omdat hij in de zaak een onderzoek instelt of heeft ingesteld of gerechtelijke vervolging instelt of heeft ingesteld;of (c) een Staat die de rechtsmacht van het Hof heeft erkend krachtens artikel 12.3. De aanklager kan het Hof vragen zich uit te spreken over een aangelegenheid met betrekking tot rechtsmacht of ontvankelijkheid.In procedures die betrekking hebben op rechtsmacht of ontvankelijkheid kunnen zowel zij die de situatie hebben verwezen krachtens artikel 13 als slachtoffers hun opvattingen aan het Hof kenbaar te maken. 4. De ontvankelijkheid van een zaak of de rechtsmacht van het Hof kan slechts eenmaal worden betwist door een persoon of Staat bedoeld in het tweede punt.De betwisting moet geschieden voor of bij de aanvang van de procedure. In uitzonderlijke omstandigheden kan het Hof toestemming verlenen om de betwisting meermaals naar voren te brengen dan wel toestaan op een later tijdstip dan bij de aanvang van het proces. Betwisting van de ontvankelijkheid van een zaak bij de aanvang van een proces of op een later tijdstip met toestemming van het Hof mag enkel worden gegrond op artikel 17, eerste punt, c. 5. De Staten bedoeld in het tweede punt, b en c, moeten een betwisting in een zo vroeg mogelijk stadium opwerpen.6. Voor de bevestiging van de tenlastelegging moet elke betwisting van de ontvankelijkheid van een zaak of elke betwisting van de rechtsmacht van het Hof worden verwezen naar de Kamer van vooronderzoek.Na bevestiging van de tenlastelegging wordt de betwisting verwezen naar de Kamer van eerste aanleg. Tegen beslissingen met betrekking tot rechtsmacht of ontvankelijkheid kan beroep worden ingesteld bij de Kamer van beroep overeenkomstig artikel 82. 7. Indien de betwisting wordt opgeworpen door een Staat bedoeld in het tweede punt, b of c, schorst de aanklager het onderzoek totdat het Hof een beslissing neemt overeenkomstig artikel 17.8. In afwachting van een beslissing van het Hof kan de aanklager het Hof verzoeken hem toestemming te verlenen om : (a) de onderzoekshandelingen te verrichten bedoeld in artikel 18, zesde punt;(b) een verklaring of getuigenis van een getuige te verkrijgen of het verzamelen en onderzoeken van bewijsmateriaal waarmee was aangevangen voordat een betwisting plaatsvond te voltooien;en (c) in samenwerking met de betrokken Staten het vluchten te beletten van personen ten aanzien van wie de aanklager reeds een bevel tot aanhouding krachtens artikel 58 heeft gevraagd.9. De betwisting doet geen afbreuk aan de geldigheid van een handeling verricht door de aanklager of aan een opdracht of bevel gegeven door het Hof voordat de betwisting is opgeworpen.10. Indien het Hof heeft beslist dat een zaak niet-ontvankelijk is krachtens artikel 17, kan de aanklager het Hof vragen de beslissing te herzien wanneer hij volledig ervan overtuigd is dat nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen die de grondslag ontkrachten waarop de zaak voordien niet-ontvankelijk was bevonden krachtens artikel 17.11. Indien de aanklager, gelet op het bepaalde in artikel 17, een onderzoek uitstelt, kan hij de betrokken Staat vragen hem informatie over de procedure te verschaffen.Die informatie wordt op verzoek van de betrokken Staat vertrouwelijk behandeld. Indien de aanklager daarna beslist een onderzoek in te stellen, stelt hij de Staat daarvan in kennis ten behoeve van wiens procedure hij is teruggetreden. Artikel 20 Non bis in idem 1. Behoudens anderszins bepaald in dit Statuut, staat niemand voor het Hof terecht voor gedragingen die de grondslag vormden van misdaden waarvoor de betrokkene reeds door het Hof is veroordeeld of vrijgesproken.2. Niemand staat voor een andere rechtbank terecht voor een misdaad bedoeld in artikel 5 waarvoor de betrokkene reeds door het Hof is veroordeeld of vrijgesproken.3. Niemand die voor een andere rechtbank heeft terechtgestaan voor gedragingen die ook ressorteren onder de artikelen 6, 7 of 8, staat voor het Hof terecht voor dezelfde gedragingen, tenzij de procedure voor de andere rechtbank : (a) diende om de betrokkene te onttrekken aan de strafrechtelijke aansprakelijkheid ter zake van misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit;of (b) anderszins niet op onafhankelijke of onpartijdige wijze verliep overeenkomstig de in het internationale recht erkende waarborgen en plaatsvond op een wijze die, onder de omstandigheden, niet verenigbaar was met het voornemen om de betrokkene terecht te doen staan. Artikel 21 Toepasselijk recht 1. Het Hof past toe : (a) in de eerste plaats, dit Statuut en het Reglement voor de proces- en bewijsvoering;(b) in de tweede plaats, waar dit in aanmerking komt, toepasselijke verdragen en de beginselen en regels van internationaal recht, waaronder de gevestigde beginselen van het internationaal recht inzake gewapende conflicten;(c) bij gebreke daarvan, de algemene rechtsbeginselen die door het Hof worden ontleend aan de nationale wetten van de diverse rechtsstelsels in de wereld, waaronder, indien van toepassing, de nationale wetten van Staten die normaliter rechtsmacht zouden uitoefenen ter zake van de misdaad, ingeval die beginselen niet onverenigbaar zijn met dit Statuut, het internationaal recht en internationaal erkende normen en maatstaven.2. Het Hof kan de beginselen en rechtsregels toepassen overeenkomstig de uitlegging die het in zijn voorgaande beslissingen daaraan gaf.3. De toepassing en de uitlegging van het recht krachtens dit artikel moeten verenigbaar zijn met de internationaal erkende mensenrechten, waarbij geen onderscheid, dat ten nadele strekt, mag worden gemaakt op grond van geslacht zoals gedefinieerd in artikel 7, derde punt, leeftijd, ras, huidskleur, taal, godsdienst of geloof, politieke of andere mening, nationale, etnische of maatschappelijke oorsprong, vermogen, geboorte of een andere eigenschap. HOOFDSTUK III. - Algemene beginselen van strafrecht Artikel 22 Nullum crimen sine lege 1. Niemand is krachtens dit Statuut strafrechtelijk aansprakelijk tenzij de desbetreffende gedragingen op het tijdstip waarop deze plaatsvinden een misdaad opleveren waarover het Hof rechtsmacht bezit.2. De definitie van een misdaad wordt strikt geïnterpreteerd en niet verruimd naar analogie.In geval van dubbelzinnigheid wordt de definitie uitgelegd in het voordeel van de persoon ten aanzien van wie een onderzoek plaatsvindt of die vervolgd of veroordeeld wordt. 3. Dit artikel laat onverlet dat gedragingen als een misdaad worden gedefinieerd naar internationaal recht, los van dit Statuut. Artikel 23 Nulla poena sine lege Een persoon die door het Hof is veroordeeld kan enkel worden gestraft overeenkomstig het bepaalde in dit Statuut. Artikel 24 Geen terugwerkende kracht ratione personae 1. Niemand is strafrechtelijk aansprakelijk krachtens dit Statuut ter zake van gedragingen die plaatsvonden voor de inwerkingtreding van het Statuut.2. Ingeval het recht dat op een bepaalde zaak van toepassing is wordt gewijzigd voordat definitief vonnis wordt gewezen, is het recht toepasselijk dat het gunstigst is voor degene ten aanzien van wie een onderzoek plaatsvindt of die vervolgd of veroordeeld wordt. Artikel 25 Individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid 1. Het Hof bezit krachtens dit Statuut rechtsmacht over natuurlijke personen.2. Een persoon die een misdaad pleegt waarover het Hof rechtsmacht bezit is persoonlijk aansprakelijk en strafbaar overeenkomstig dit Statuut.3. Overeenkomstig dit Statuut is een persoon strafrechtelijk aansprakelijk en strafbaar voor een misdaad waarover het Hof rechtsmacht bezit, indien die persoon : (a) een dergelijke misdaad pleegt hetzij als individu, hetzij gezamenlijk met of door middel van een andere persoon, ongeacht of die andere persoon strafrechtelijk aansprakelijk is;(b) opdracht geeft tot, verzoekt om of beweegt tot het plegen van een dergelijke misdaad die feitelijk plaatsvindt of waartoe een poging wordt gedaan;(c) teneinde het plegen van een dergelijk misdaad te vergemakkelijken, hulp biedt, medewerking verleent of anderszins bijstand biedt bij het plegen daarvan of een poging tot het plegen, waaronder het verschaffen van de middelen tot het plegen;(d) op andere wijze meewerkt aan het plegen of een poging tot het plegen van een dergelijke misdaad door een groep personen die handelt met een gemeenschappelijk doel.Deze medewerking moet opzettelijk zijn en moet hetzij : (i) worden verleend met het doel de criminele activiteit of het criminele doel van de groep te vergemakkelijken, ingeval een dergelijke activiteit of doel een misdaad oplevert waarover het Hof rechtsmacht bezit;hetzij (ii) worden verleend met kennis van de bedoeling van de groep om de misdaad te plegen; (e) met betrekking tot de misdaad van genocide, rechtstreeks en openlijk anderen ertoe aanzet om genocide te plegen;(f) een poging doet om een dergelijke misdaad te plegen door stappen te nemen, waardoor de uitvoering van de misdaad wezenlijk in gang wordt gezet, maar de misdaad niet wordt voltrokken ten gevolge van omstandigheden die onafhankelijk zijn van de wil van de persoon.Een persoon die de poging tot het plegen van de misdaad evenwel staakt of anderszins de voltrekking van de misdaad verhindert, is niet strafbaar krachtens dit Statuut voor de poging tot het plegen van de misdaad, indien die persoon volledig en vrijwillig van het misdadig oogmerk heeft afgezien. 4. Geen van de bepalingen van dit Statuut met betrekking tot individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid is van invloed op de aansprakelijkheid van Staten krachtens het internationaal recht. Artikel 26 Uitsluiting van rechtsmacht over personen die de volle leeftijd van achttien jaar niet hebben bereikt Het Hof bezit geen rechtsmacht over een persoon die op het tijdstip van het vermeende plegen van de misdaad de volle leeftijd van achttien jaar niet had bereikt. Artikel 27 Irrelevantie van officiële hoedanigheid 1. Dit Statuut geldt gelijkelijk ten aanzien van een ieder zonder enig onderscheid op grond van de officiële hoedanigheid.In het bijzonder ontheft de officiële hoedanigheid als staatshoofd of regeringsleider, lid van een regering of parlement, gekozen vertegenwoordiger of ambtenaar van een Staat een persoon nooit van strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens dit Statuut en vormt dit als dusdanige evenmin een grond voor strafvermindering. 2. Immuniteit of bijzondere procedurele regels die mogelijk verbonden zijn aan de officiële hoedanigheid van een persoon krachtens het nationaal of het internationaal recht, vormen voor het Hof geen beletsel voor het uitoefenen van zijn rechtsmacht over deze persoon. Artikel 28 Aansprakelijkheid van bevelhebbers en andere hiërarchische meerderen Naast andere gronden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens dit Statuut voor misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit : 1. Is een militair bevelhebber of persoon die daadwerkelijk als militair bevelhebber optreedt strafrechtelijk aansprakelijk voor de misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit, wanneer die zijn gepleegd door strijdkrachten onder zijn daadwerkelijk bevel en leiding of, naar gelang van het geval, onder zijn daadwerkelijke gezag en leiding, als gevolg van zijn nalaten behoorlijk leiding te geven aan die strijdkrachten, indien : (a) hij hetzij kennis ervan had dat de strijdkrachten deze misdaden pleegden of op het punt stonden deze te plegen, hetzij wegens de omstandigheden op dat moment kennis daarvan had moeten hebben;en (b) hij naliet alle noodzakelijke en redelijke maatregelen te treffen die binnen zijn macht lagen om het plegen daarvan te voorkomen of te beteugelen of de zaak voor te leggen aan de bevoegde autoriteiten voor onderzoek en vervolging.2. Is een meerdere inzake de andere dan onder (a) bedoelde verhouding tussen een meerdere en ondergeschikten, strafrechtelijk aansprakelijk voor misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit, indien deze zijn gepleegd door ondergeschikten die onder zijn daadwerkelijk gezag en leiding stonden, als gevolg van zijn nalaten behoorlijk leiding te geven aan deze ondergeschikten, indien : (a) hij hetzij kennis had van, hetzij bewust geen acht geslagen heeft op informatie die duidelijk aangaf dat de ondergeschikten deze misdaden pleegden of op het punt stonden deze te plegen;(b) de misdaden activiteiten betroffen die ressorteren onder de daadwerkelijke aansprakelijkheid en leiding van de meerdere;en (c) hij naliet alle noodzakelijke en redelijke maatregelen te treffen die binnen zijn macht lagen om het plegen van de misdaden te voorkomen of te beteugelen of de zaak voor te leggen aan de bevoegde autoriteiten voor onderzoek en vervolging. Artikel 29 Niet-toepasselijkheid van verjaringswetten Misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit verjaren niet. Artikel 30 Psychologisch bestanddeel 1. Tenzij anders bepaald is een persoon enkel strafrechtelijk aansprakelijk en strafbaar voor een misdaad waarover het Hof rechtsmacht bezit, indien de materiële bestanddelen vergezeld gaan van opzet en kennis.2. Voor de toepassing van dit artikel handelt een persoon met opzet indien : (a) die persoon met betrekking tot gedragingen, de bedoeling heeft tot de gedragingen over te gaan;(b) die persoon met betrekking tot een gevolg, de bedoeling heeft dat gevolg teweeg te brengen of zich ervan bewust is dat het gevolg zich bij een normale gang van zaken zal voordoen.3. Voor de toepassing van dit artikel betekent « kennis » het zich ervan bewust zijn dat een omstandigheid bestaat of dat een gevolg zich bij een normale gang van zaken zal voordoen.« Kennis hebben » en « welbewust » worden dienovereenkomstig uitgelegd. Artikel 31 Gronden voor ontheffing van strafrechtelijke aansprakelijkheid 1. Naast de overige in dit Statuut bepaalde ontheffingsgronden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is een persoon niet strafrechtelijk aansprakelijk indien, op het tijdstip van de gedragingen van die persoon : (a) de persoon lijdt aan een geestesziekte of een geestelijk gebrek dat zijn vermogen om de wederrechtelijkheid of de aard van zijn gedragingen te beseffen of het vermogen om zijn gedragingen te beheersen teneinde de wettelijke vereisten na te leven, vernietigt;(b) de persoon zich in een staat van intoxicatie bevindt die zijn vermogen om de wederrechtelijkheid of de aard van zijn gedragingen te beseffen of het vermogen zijn gedragingen te beheersen teneinde de wettelijke vereisten na te leven, vernietigt, tenzij hij vrijwillig in een staat van intoxicatie is geraakt onder zodanige omstandigheden dat de persoon kennis had van of geen acht sloeg op de kans dat hij als gevolg van de intoxicatie, waarschijnlijk zou overgaan tot gedragingen die een misdaad opleveren waarover het Hof rechtsmacht bezit;(c) de persoon redelijk handelt ter verdediging van zichzelf of van een andere persoon, of, bij oorlogsmisdaden, van goederen die onontbeerlijk zijn voor het overleven van de persoon dan wel voor het volbrengen van een militaire missie, tegen een naderend en onrechtmatig gebruik van geweld op een wijze die evenredig is aan het gevaar voor de persoon, de andere persoon of de beschermde goederen. Het feit dat de persoon betrokken was bij een door strijdkrachten uitgevoerde defensieve operatie vormt op zichzelf geen grond voor ontheffing van de strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens deze paragraaf; (d) de gedragingen waarvan wordt gesteld dat zij een misdaad opleveren waarover het Hof rechtsmacht bezit, voortgevloeid zijn uit dwang als gevolg van een onmiddellijke doodsdreiging of een dreiging van voortdurend of op handen zijnd ernstig lichamelijk letsel, en de persoon noodzakelijkerwijs en redelijk handelt teneinde deze dreiging af te wenden, op voorwaarde dat de persoon niet de bedoeling heeft groter letsel toe te brengen dan het letsel dat hij tracht te voorkomen.Een dergelijke dreiging kan : i) worden veroorzaakt door andere personen;of ii) worden gevormd door andere omstandigheden onafhankelijk van zijn wil. 2. Het Hof stelt vast of de in dit Statuut bepaalde gronden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing zijn op de voorliggende zaak.3. Tijdens het proces kan het Hof een andere ontheffingsgrond voor strafrechtelijke aansprakelijkheid overwegen dan de in het eerste punt vermelde gronden, wanneer deze grond is ontleend aan het in artikel 21 beschreven toepasselijk recht.De procedure houdende onderzoek van een dergelijke grond wordt geregeld in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering. Artikel 32 Dwaling omtrent de feiten of dwaling omtrent het recht 1. Een dwaling omtrent de feiten is slechts een uitsluitinggrond voor strafrechtelijke aansprakelijkheid indien het bestanddeel van de geestesgesteldheid dat voor de misdaad is vereist daardoor verdwijnt.2. Een dwaling omtrent het recht bij de vraag of gedragingen een misdaad opleveren waarover het Hof rechtsmacht bezit, is geen ontheffingsgrond voor strafrechtelijke aansprakelijkheid.Een dwaling omtrent het recht kan echter een ontheffingsgrond voor strafrechtelijke aansprakelijkheid zijn indien het bestanddeel van de geestesgesteldheid dat voor die misdaad is vereist, of als bepaald in artikel 33, daardoor verdwijnt. Artikel 33 Bevelen van meerderen en wettelijk voorschrift 1. Het feit dat een misdaad waarover het Hof rechtsmacht heeft door een persoon is gepleegd krachtens een bevel van een regering of van een meerdere, hetzij een militair hetzij een burger, ontheft die persoon niet van strafrechtelijke aansprakelijkheid, tenzij : (a) de persoon wettelijk verplicht was bevelen van de desbetreffende regering of meerdere te volgen;(b) de persoon geen kennis had van het feit dat het bevel onwettig was;en (c) het bevel niet onmiskenbaar onwettig was.2. Voor de toepassing van dit artikel zijn bevelen om genocide te plegen of misdaden tegen de mensheid onmiskenbaar onwettig. HOOFDSTUK IV. - Samenstelling en dagelijks bestuur van het Hof Artikel 34 Organen van het Hof Het Hof bestaat uit de volgende organen : (a) Het voorzitterschap (b) een Afdeling beroep, een Afdeling berechting en een Afdeling vooronderzoek;(c) de diensten van de aanklager;(d) de griffie. Artikel 35 Uitoefening van de functie van rechter 1. Alle rechters worden gekozen als voltijdse leden van het Hof en zijn beschikbaar om hun functies voltijds uit te oefenen vanaf de aanvang van hun ambtstermijn.2. De rechters die deel uitmaken van het voorzitterschap oefenen hun functies voltijds uit zodra zij zijn gekozen.3. Het voorzitterschap kan, afhankelijk van de werklast van het Hof en in overleg met de andere rechters, op geregelde tijdstippen, beslissen in hoeverre het vereist is dat de overige rechters op voltijdbasis werkzaam zijn.Een dergelijke regeling doet geen afbreuk aan het bepaalde in artikel 40. 4. De financiële regelingen voor niet op voltijdbasis werkzame rechters worden getroffen overeenkomstig artikel 49. Artikel 36 Kwalificaties, voordracht en verkiezing van rechters 1. Onverminderd het bepaalde in het tweede punt bestaat het Hof uit 18 rechters.2. (a) Het voorzitterschap kan namens het Hof voorstellen het in het eerste punt vermelde aantal rechters te verhogen en zijn voorstel met redenen omkleden.De griffier doet dit voorstel onverwijld toekomen aan alle Staten die Partij zijn. (b) Het voorstel wordt daarna onderzocht in een overeenkomstig artikel 112 bijeen te roepen bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn.Het voorstel wordt geacht te zijn aanvaard indien het in de vergadering wordt goedgekeurd bij een tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van Staten die Partij zijn. Het wordt van kracht op de door de Vergadering van Staten die Partij zijn vastgestelde datum. (c) (i) Wanneer een voorstel tot verhoging van het aantal rechters is aanvaard krachtens het bepaalde onder b, vindt de verkiezing van de bijkomende rechters plaats in de eerstvolgende bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn, overeenkomstig het derde tot en met het achtste punt, en artikel 37, tweede punt; (ii) Wanneer een voorstel tot verhoging van het aantal rechters is aanvaard en wordt uitgevoerd krachtens het bepaalde onder b en c, onderdeel i, staat het het voorzitterschap daarna te allen tijde vrij, indien de werklast van het Hof dit verantwoordt, een vermindering van het aantal rechters voor te stellen, op voorwaarde dat het aantal rechters niet minder wordt dan het in het eerste punt vermelde aantal. Het voorstel wordt behandeld overeenkomstig de procedure vermeld onder a en b. Indien het voorstel wordt aanvaard, wordt het aantal rechters geleidelijk verminderd naargelang de ambtstermijn van de zittende rechters afloopt, totdat het vereiste aantal is bereikt. 3. (a) De rechters worden gekozen uit personen met een zeer hoog zedelijk aanzien, die gekend zijn voor hun onpartijdig en integriteit en de in hun respectieve Staten vereiste kwalificaties hebben voor benoeming tot de hoogst mogelijke functies bij de rechterlijke organisatie.(b) Elke kandidaat voor verkiezing voor het Hof : (i) heeft bewezen bekwaamheid op het gebied van het strafrecht en strafprocesrecht en de noodzakelijke relevante ervaring als rechter, aanklager, advocaat, of in een andere vergelijkbare hoedanigheid op het gebied van strafzaken;of (ii) heeft bewezen bekwaamheid op relevante gebieden van het internationaal recht zoals het internationaal humanitair recht en de mensenrechten, en een ruime beroepsmatige ervaring op juridisch gebied, die relevant is voor het werk van de rechters van het Hof; (c) Elke kandidaat voor verkiezing voor het Hof heeft een uitstekende kennis van ten minste een van de werktalen van het Hof en spreekt deze taal vloeiend.4. (a) Alle Staten die Partij zijn bij dit Statuut kunnen kandidaten voordragen voor het Hof, hetzij : (i) door middel van de procedure voor de voordracht van kandidaten voor benoeming tot de hoogst mogelijke functies bij de rechterlijke organisatie in de betrokken Staat;hetzij (ii) door middel van de procedure waarin in het Statuut van het Internationaal Hof van Justitie is voorzien voor de voordracht van kandidaten voor dat Hof. De voordrachten gaan vergezeld van een gedetailleerd document waaruit blijkt dat de kandidaat voldoet aan de vereisten van het derde punt. (b) Elke Staat die Partij is kan voor elke verkiezing een kandidaat voordragen die niet noodzakelijkerwijs onderdaan moet zijn van die Staat die Partij is, maar in ieder geval onderdaan van een Staat die Partij is.(c) De Vergadering van Staten die Partij zijn kan besluiten tot instelling, indien van toepassing, van een adviescommissie voor onderzoek van de kandidaturen.In dat geval worden de samenstelling en het mandaat van de commissie bepaald door de Vergadering van Staten die Partij zijn. 5. Voor de verkiezing worden twee lijsten met kandidaten opgesteld : Lijst A, die de namen vermeldt van de kandidaten met de kwalificaties bedoeld in het derde punt, b, i;en Lijst B, die de namen vermeldt van kandidaten met de kwalificaties bedoeld in het derde punt, b, ii. Een kandidaat die beschikt over de vereiste kwalificaties voor beide lijsten kan kiezen op welke lijst hij wenst te worden voorgedragen. Bij de eerste verkiezing voor het Hof worden ten minste negen rechters gekozen uit lijst A en ten minste vijf rechters uit lijst B. De volgende verkiezingen worden op zodanige wijze georganiseerd dat bij het Hof dezelfde verhouding wordt gehandhaafd tussen de rechters verkozen uit de ene en uit de andere lijst. 6. (a) De rechters worden gekozen door middel van een geheime stemming tijdens een bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn die voor dat doel krachtens artikel 112 wordt bijeengeroepen. Onverminderd het zevende punt zijn de personen die voor het Hof worden gekozen de 18 kandidaten die het grootste aantal stemmen en een tweederde meerderheid krijgen van de aanwezige Staten die Partij zijn en hun stem uitbrengen. (b) Indien na de eerste stemronde geen voldoende aantal rechters is gekozen, vinden opeenvolgende stemmingen plaat …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.