📄 Wettekst
MINISTERIE VAN DE DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
31 MAART 2014. - Decreet betreffende het centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren (1)
Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL 1. - Algemene bepalingen en definities Artikel 1.1 - Toepassingsgebied Dit decreet is van toepassing op het centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren dat bij het bijzonder decreet is opgericht.
Het geldt voor alle kinderen en jongeren in de zin van artikel 1, tweede lid, van het bijzonder decreet, alsook voor zwangere vrouwen, ongeacht hun leeftijd.
Art. 1.2 - Hoedanigheden De hoedanigheden in dit decreet gelden voor beide geslachten.
Art. 1.3 - Meerderjarigheid Vanaf de dag waarop een jongere of een leerling meerderjarig of ontvoogd wordt, gelden voor hem de rechten en plichten die in dit decreet vastgelegd zijn voor de persoon belast met zijn opvoeding.
Art. 1.4 - Definities Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 1° empowerment : in de ontwikkelingsbevordering, de bekwaming en stimulering van mensen om een gezonde levensstijl aan te nemen. Ontwikkelingsbevordering ondersteunt de ontwikkeling van de persoonlijkheid en de sociale vaardigheden door voorlichting, gezondheidseducatie en verbetering van de sociale competenties in de omgang met ziekte en gezondheid. Ze helpt mensen meer vat te krijgen op hun eigen gezondheid en leefwereld en biedt hen tegelijk de mogelijkheid in het dagelijkse leven beslissingen te nemen die hun gezondheid ten goede komen. Het is de bedoeling discriminerende leefomstandigheden door wederzijdse ondersteuning en sociale initiatieven uit de weg te ruimen. Empowerment draagt ertoe bij dat mensen in staat worden gesteld levenslang te leren en helpt hen de verschillende levensfasen aan te kunnen en eventuele chronische ziekten of handicaps adequaat te verwerken. Dit leerproces moet zowel op school als thuis, op het werk en in de gemeente verlicht worden.
Zowel de overheidsinstanties, het particuliere bedrijfsleven en de instellingen van openbaar nut als de traditionele onderwijsinstellingen, opleidingsinstellingen en gezondheidsinstellingen worden opgeroepen om maatregelen te nemen; 2° gezondheidspromotie : uit het oogpunt van de Wereldgezondheidsorganisatie een concept dat uitgaat van de analyse en versterking van de gezondheidsdeterminanten en het gezondheidspotentieel op individueel niveau en op alle maatschappelijke niveaus.Ze heeft tot doel mensen in staat te stellen om meer controle te verwerven over de determinanten van hun gezondheid en zo hun gezondheid te verbeteren. Gezondheidspromotie is een complexe aangelegenheid die zowel maatregelen van de maatschappij als van het gezondheidsbeleid vereist en omvat uitdrukkelijk zowel de verbetering van gezondheidsrelevante levenswijzen (gezond handelen) als de verbetering van gezondheidsrelevante levensomstandigheden; 3° IAWM : het Instituut voor de opleiding en de voortgezette opleiding in de middenstand en de kmo's;4° geïntegreerd handelingsconcept : er is sprake van een geïntegreerd handelingsconcept wanneer alle actoren die noodzakelijk zijn voor de planning en de uitvoering bij de realisatie van een project of een plan betrokken worden, bijvoorbeeld actoren uit de politiek, de administratie of het werkveld.Dat omvat ook de doelgroepen van de projecten. Geïntegreerde handelingsconcepten zijn veel complexer dan afzonderlijke maatregelen en brengen zowel communicatie- en coördinatieprocessen als ook leerprocessen tussen de actoren op gang.
Ze worden gekenmerkt door processen met een open einde waarbij de doelstellingen, oplossingen, organisatievormen en procedures geformuleerd en vastgelegd worden; 5° jongere : persoon die minstens twaalf jaar oud is, leerplichtig is of, indien hij niet meer leerplichtig is, ingeschreven is in het voltijds of deeltijds onderwijs met uitzondering van het hoger onderwijs of een leertijd verricht;6° vacante betrekking : een betrekking opgericht door de raad van bestuur die niet is toegewezen aan een personeelslid dat met toepassing van dit decreet vastbenoemd is en die in aanmerking wordt genomen voor een financiering door de Gemeenschap;7° preventie : het voorkomen van ontwikkelingsstoringen en ziekten door profylactische maatregelen te nemen om oorzaken en risico's uit te schakelen, door storingen en ziekten vroegtijdig op te sporen of te behandelen of door een verdere ontwikkeling van een bestaande storing of ziekte te voorkomen.In de regel wordt een onderscheid gemaakt tussen primaire, secundaire en tertiaire preventie : a) primaire preventie helpt ontwikkelingsstoringen en ziekten te voorkomen door de eigen ressources te versterken en de risico's te verkleinen;b) secundaire preventie heeft tot doel door vroegtijdige opsporing en adequate vroegtijdige behandeling in het ontstaansproces van een ontwikkelingsstoring of een ziekte in te grijpen en het verloop van de storing of de ziekte op die manier positief te beïnvloeden;c) tertiaire preventie heeft tot doel te voorkomen dat een storing of een ziekte zich opnieuw manifesteert of chronisch wordt;8° risicofactoren : factoren die de waarschijnlijkheid van het optreden van storingen verhogen;9° beschermende factoren : factoren die de waarschijnlijkheid van het optreden van storingen verminderen door bij te dragen tot het versterken van de eigen ressources;10° schooljaar : periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende jaar;11° leefomgeving (setting) : een gemakkelijk te overzien maatschappelijk en ruimtelijk systeem (zoals een onderneming, school, ziekenhuis, wijk) waarin mensen hun dagelijkse activiteiten uitoefenen.In de ruime betekenis van het woord kan leefomgeving of setting begrepen worden als een relatief duurzame en ten minste tot op zekere hoogte bindende sociale cohesie die ontstaat door een formele organisatie, een regionale situatie en/of eenzelfde ervaring en/of vergelijkbare levensomstandigheden en/of dezelfde waarden of voorkeuren. De setting kan een sterke invloed hebben op de gezondheidsperceptie, de gezondheidsrisico's en/of gezondheidsbevorderende factoren, alsook op alle manieren waarop gezondheidsrisico's worden tegengegaan (evenwicht tussen negatieve en positieve factoren); 12° bijzonder decreet :
bijzonder decreet van 20 januari 2014Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/12/1980
pub.
12/04/2012
numac
2012000231
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
type
wet
prom.
15/12/1980
pub.
20/12/2007
numac
2007000992
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
sluiten3 tot oprichting van een centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren;13° titularis : personeelslid benoemd of aangewezen in een vacante betrekking;een personeelslid dat een titularis tijdelijk vervangt, wordt niet als titularis van deze betrekking beschouwd; 14° raad van bestuur : de raad van bestuur die bij het bijzonder decreet is opgericht;15° werkdag : de weekdagen van maandag tot vrijdag, met uitzondering van de wettelijke feestdagen;16° ZAWM : centrum voor opleiding en voortgezette opleiding in de middenstand en de kmo's;17° centrum : centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren. TITEL 2. - Organisatie van het centrum Art. 2.1 - Centrale hoofdvestiging De directie van het centrum is gevestigd in de centrale hoofdvestiging.
De directie betrekt de medewerkers van de lokale vestigingen bij inhoudelijke vragen in de vorm die zij geschikt acht.
Art. 2.2 - Lokale vestigingen Het centrum heeft vier lokale vestigingen; elke lokale vestiging wordt geleid door een persoon die 'hoofd van een lokale vestiging' is en ressorteert onder de directie.
De personeelsleden die werkzaam zijn in de lokale vestigingen zijn de directe aanspreekpartners van het doelpubliek. Ze zorgen ervoor dat de inhoudelijke strategische voorschriften van de raad van bestuur of van de directie concreet uitgevoerd worden. Er vinden regelmatig gedachtewisselingen plaats met de directie en met medewerkers van de centrale hoofdvestiging over de verdere ontwikkeling van het centrum.
TITEL 3. - Opdracht en activiteiten van het centrum Ondertitel 1. - Opdracht van het centrum Art. 3.1 - Algemene doelstelling Overeenkomstig artikel 3 van het bijzonder decreet heeft het centrum de volgende algemene doelstellingen : 1° een optimale lichamelijke en psychische gezondheid van kinderen en jongeren bevorderen, met inbegrip van zwangerschapsadvies geven;2° de optimale ontplooiing van de educatiemogelijkheden en de inclusie van kinderen en jongeren in het onderwijs en in beroepsopleidingen ondersteunen;3° een veilige omgeving voor kinderen en jongeren bevorderen om hen te beschermen tegen ongevallen en opzettelijk toegebrachte schade;4° de economische zekerheid en een passende levensstandaard voor kinderen en jongeren bevorderen als basis voor een gezonde ontwikkeling;5° kinderen en jongeren stimuleren in het kader van een netwerk dat hun ontwikkeling ondersteunt en dat bestaat uit familie, vrienden, buren en de gemeente;6° de inclusie van kinderen en jongeren in de gemeenschap bevorderen;7° de voorwaarden bevorderen die kinderen en jongeren in staat stellen om een positieve bijdrage te leveren aan de maatschappij. Art. 3.2 - Opdracht van het centrum Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 3.1 bestaat de opdracht van het centrum in de vroegtijdige ondersteuning van een gezonde lichamelijke, psychische en sociale ontwikkeling van kinderen en jongeren.
Het begrip 'vroegtijdig' moet worden begrepen in de zin van preventie en omvat maatregelen die : 1° beginnen op een vroeg tijdstip in de ontwikkeling van het kind, waarbij ook maatregelen vóór de geboorte van het kind tot het actieterrein behoren;2° beginnen op een vroeg tijdstip van een ontwikkeling die de verkeerde kant kan uitgaan. Daarbij staat de bevordering van het welbevinden van kinderen en jongeren centraal door hun individuele competenties en ressources te ondersteunen en door in hun primaire levensruimten ontwikkelingsbevorderende milieu- en levensomstandigheden te scheppen.
Het centrum is een preventieve instelling; het is geen therapeutische instelling. Het centrum zorgt voor de planning, coördinatie, uitvoering en evaluatie van preventieve, universele, selectieve en raadzame maatregelen, waarbij : 1° in de probleemanalyse telkens rekening gehouden wordt met de factoren die een gezonde ontwikkeling ten goede komen of kunnen schaden (beschermende factoren en risicofactoren);2° de ondersteuning gericht is op empowerment en competentieontwikkeling van het kind of de jongere, alsook op het versterken van de eigen ressources in de beïnvloedende situaties;3° risicofactoren en/of schadelijke invloeden beperkt, gecompenseerd of uit de weg geruimd worden. Er wordt veel aandacht besteed aan de continuïteit van het preventieaanbod voor de levensfase gaande van ongeveer jonger dan 9 maanden tot ongeveer 20 jaar om een nefaste onderbreking in de ondersteuningsmogelijkheden te voorkomen in belangrijke overgangsfasen zoals zwangerschap-peutertijd, overgang van peuter naar kleuter, overgang van kleuter naar schoolkind, overgang van lagere school naar secundair onderwijs, overgang van gewoon onderwijs naar gespecialiseerd onderwijs of overgang van school naar opleiding en van opleiding naar werk.
Bij het uitoefenen van zijn opdracht werkt het centrum nauw samen met alle partners die werkzaam zijn op het gebied van de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren. Het bevordert de dialoog met Belgische en buitenlandse instellingen die eenzelfde of soortgelijke opdracht hebben.
De Regering kan het centrum nog andere specifieke taken opdragen die samenhangen met de opdracht en de activiteiten van het centrum zoals bepaald in titel 3.
Ondertitel 2. - Algemene werkterreinen HOOFDSTUK 1. - Ontwikkelingsbevordering en gezondheidspromotie in het gezinsmilieu (gezinssetting) Art. 3.3 - Ontwikkelingsbevordering en gezondheidspromotie in het gezinsmilieu (gezinssetting) De activiteit van het centrum op het gebied van de ontwikkelingsbevordering en gezondheidspromotie in het gezinsmilieu bestaat erin : 1° een gezondheidsbevorderende en ontwikkelingsbevorderende levensstijl bij zwangere vrouwen, kinderen, jongeren en hun familie te ondersteunen via medische voorlichting, psychosociale voorlichting, seksuele voorlichting en adviesverlening en projectwerk;2° medische preventieve consulten voor zuigelingen en kleine kinderen aan te bieden;3° de ontwikkeling en toepassing van ontwikkelingsbevorderende opvoedingscompetentie van gezinnen en zelfstandige onthaalouders te versterken via medische voorlichting, psychosociale voorlichting, seksuele voorlichting en adviesverlening, projectwerk en de ontwikkeling van trainingen;4° in het bijzonder de ontwikkeling in de vroegste kinderjaren te ondersteunen door risicocontexten vroegtijdig te herkennen en een vroege ondersteuning mogelijk te maken;5° de toegang tot het centrum te vergemakkelijken, vooral voor gezinnen die extra ondersteuning nodig hebben, onder meer door de telefonische spreekuren en de consultatie-uren in de lokale vestigingen aan te passen aan de behoeften van de ouders, door het centrum kindvriendelijk en gebruikersvriendelijk voor te stellen en door rekening te houden met multiculturele behoeften;6° in het bijzonder rekening te houden met de situatie van kinderen, jongeren en gezinnen met een migratieachtergrond die vaak te maken hebben gekregen met trauma's, vlucht, verdrijving en/of geweld;7° advies te geven over de erkenning resp.het behoud, de verlenging, de wijziging, de schorsing of de intrekking van de erkenning van zelfstandige onthaalouders door de Regering.
HOOFDSTUK 2. - Ontwikkelingsbevordering en gezondheidspromotie binnen de schoolcontext en de duale context Art. 3.4 - Ondersteuning van de scholen en de ZAWM's Wat ontwikkelingsbevordering en gezondheidspromotie betreft, ondersteunt het centrum de scholen en de ZAWM's onder meer door de volgende activiteiten : 1° een veilige en gezonde schoolomgeving scheppen en waarborgen;2° meewerken aan gezondheidseducatie die gebaseerd is op competenties en die gericht is op de ontwikkeling van kennis, attitudes, waarden en levenscompetenties die noodzakelijk zijn om passende, positieve beslissingen te nemen die de ontwikkeling stimuleren;3° meewerken aan de planning, uitvoering en evaluatie van een school resp.een ZAWM waar aan gezondheidspromotie wordt gedaan; 4° advies en ondersteuning aanbieden over thema's die op dat gebied relevant zijn, waarbij het centrum bijzondere aandacht besteedt aan het deeltijds onderwijs;5° de school- en beroepsloopbaan van jongeren begeleiden;6° medisch schooltoezicht uitoefenen overeenkomstig titel 3, ondertitel 3, hoofdstuk 1, afdeling 3;7° profylactische maatregelen bij besmettelijke ziekten nemen overeenkomstig titel 3, ondertitel 3, hoofdstuk 1, afdeling 5;8° crisissituaties voorkomen, individueel aangepaste ondersteuningsmaatregelen aanbieden, voorzorg en nazorg in en na crisissituaties, eventueel in samenwerking met andere partners. Het centrum ondersteunt en adviseert de personeelsleden van de scholen en de ZAWM's omtrent gezondheidsvragen en psychosociale vragen die aan hen kunnen worden gesteld; het centrum doet dit via : 1° de ontwikkeling van preventieve voortgezette opleidingen;2° het ter beschikking stellen van advies en ondersteuning voor specifieke personeelsgroepen;3° individuele begeleiding die bestaat uit advies en ondersteuning, zonder daarbij een therapeutische rol te spelen. Het centrum is de directe aanspreekpartner van de personeelsleden van de scholen en de ZAWM's voor alle vragen over ontwikkelingsbevordering en gezondheidspromotie bij kinderen en jongeren en dit zowel bij vragen van algemene aard als in individuele gevallen. De dienst biedt advies, stelt diagnoses, doet aan preventie en evalueert afgesproken maatregelen.
Art. 3.5 - Samenwerking tussen het centrum en de scholen resp. ZAWM's Voor het medisch schooltoezicht en de andere verplichte maatregelen is de samenwerking met het centrum voor alle scholen verplicht. De scholen werken actief en uitgebreid mee aan de organisatie en uitvoering van het medisch schooltoezicht, de profylactische maatregelen, het geven van de inentingen en de begeleidende maatregelen van het centrum inzake toezicht op de naleving van de leerplicht.
Indien scholen zich in afspraak met het centrum bereid verklaren om bepaalde onderzoeken ter plaatse te laten uitvoeren, stellen ze het centrum daarvoor een geschikt lokaal ter beschikking, zodat de kwaliteit van de onderzoeken niet in het gedrang komt en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de onderzochte leerlingen gewaarborgd kan worden.
Indien een inrichtende macht of het IAWM voor zijn scholen en ZAWM's geen samenwerkingsakkoord heeft gesloten met een van de bestaande psycho-medisch-sociale centra, dan moet hij een samenwerkingsovereenkomst sluiten met het centrum. Die overeenkomst wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst en geldt voor zes jaar. De overeenkomst kan opgezegd worden met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden. Indien de overeenkomst niet wordt opgezegd, wordt ze ambtshalve voor de volgende zes jaar verlengd.
Het centrum moet rekening houden met de organisatie van de school, resp. met de nadere regels van de duale opleiding.
Art. 3.6 - Samenwerking tussen het centrum en de ZAWM's resp. het IAWM Op gemotiveerd schriftelijk verzoek van het ZAWM neemt het centrum gevalsgebonden deel aan de klasraden, wanneer zich voor de betrokken jongere een psycho-sociale risicocontext kan ontwikkelen.
Op gemotiveerd schriftelijk verzoek van het IAWM neemt het centrum gevalsgebonden deel aan controlegesprekken binnen de onderneming, wanneer zich voor de betrokken jongere een psycho-sociale risicocontext kan ontwikkelen.
Art. 3.7 - Rechten en plichten § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder 'instelling' zowel de school als het ZAWM verstaan. § 2. De instelling heeft de plicht om de personen belast met de opvoeding, de jongeren en haar personeelsleden te informeren over de samenwerking met het centrum.
Het centrum heeft het recht om de personen belast met de opvoeding, de jongeren en het personeel in of via de instelling vrij te informeren over zijn activiteiten en zijn werkwijze. § 3. Het centrum heeft het recht om in de instelling besprekingen bij te wonen over de jongerenbegeleiding, gezondheidspromotie, preventie en andere onderwerpen die betrekking hebben op zijn opdracht.
Het centrum heeft de plicht om de instelling daarbij deskundige ondersteuning te geven. § 4. Het centrum heeft het recht om in de instellingen aanwezig te zijn. Het heeft de plicht om in de instellingen optimaal aanwezig te zijn. De instelling en het centrum maken duidelijke afspraken daaromtrent.
De instelling heeft recht op begeleiding door het centrum. § 5. Het centrum heeft recht op relevante informatie over de jongeren die in de instelling ingeschreven zijn en de instelling heeft recht op relevante informatie over de jongeren die door het centrum begeleid worden. Bij het uitwisselen van informatie letten de instelling en het centrum erop dat ze de bepalingen van titel 4 naleven.
Het centrum respecteert het opvoedkundig project van de inrichtende macht en het schoolproject van de instelling.
HOOFDSTUK 3. - Buitenschoolse ontwikkelingsbevordering Art. 3.8 - Buitenschoolse ontwikkelingsbevordering Het centrum heeft tot taak mee te werken aan de systematische opbouw van autonome en duurzame gemeentelijke structuren op het gebied van de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren. De belangrijkste taken zijn : coördinatie en bemiddeling, netwerkvorming, projectontwikkeling, activering en participatie, public relations en rapportering.
De bevordering van de ontwikkeling van kinderen en jongeren op gemeentelijk niveau, die door het centrum proactief nagestreefd wordt, vertoont op zijn minst de volgende vier kenmerken : 1° rapportering op gemeentelijk niveau : de analyse van de specifieke ontwikkelingsbevorderende gemeentesetting is de noodzakelijke grondslag om op kwaliteit gerichte maatregelen voor ontwikkelingsbevordering op gemeentelijk niveau uit te werken. Hiervoor is het zinvol op indicatoren gebaseerde gegevens over milieurisico's, sociale risico's, gezondheid, onderwijs en opleiding, sociale situatie, sociale voorzieningen en ontwikkelingspotentieel van de kinderen en jongeren in de gemeente te ontsluiten en die gegevens aan te vullen met inschattingen van de kwaliteit door actoren ter plaatse en door de inwoners van de gemeente; 2° geïntegreerde ontwikkelings- en handelingsconcepten : bij het opstellen van ontwikkelings- en handelingsconcepten gaat het centrum de dialoog aan met de actoren en de inwoners van de gemeente over ontwikkelingsopgaven en maatregelen die in de betrokken gemeente prioritair zijn;3° ontwikkelingsgerichte gemeentelijke netwerken : het vormen van ontwikkelingsgerichte gemeentelijke netwerken is een noodzaak om de ontwikkeling op gemeentelijk niveau te stimuleren.De netwerkvorming heeft tot doel de ontwikkeling samen te stimuleren in de zin van een gemeentelijk actieplan dat door zo veel mogelijk actoren gezamelijk wordt gedragen; 4° ontwikkeling en uitvoering van projecten op gemeentelijk niveau : het actieterrein voor een ontwikkelingsbevorderende gemeentelijke structuur is breed en gaat van klassieke gezondheidsthema's zoals voeding, beweging, sport, stressbestrijding, drugspreventie, geweldpreventie, ongevallenpreventie, zwangerschap en ouderschap tot aspecten die veeleer onder infrastructuur vallen zoals wonen, woonomgeving, schoolgebouwen, milieu en verkeer, opleidings- en werkperspectieven. HOOFDSTUK 4. - Advisering van de Regering Art. 3.9 - Advisering van de Regering en van de gemeenten Op basis van zelf verzamelde gegevens, statistische analysen, documentatie en in het kader van hun activiteit verworven inzichten doet het centrum actiegerichte voorstellen aan de Regering of de gemeenten. Voorts verricht het deskundig onderzoek in opdracht van de Regering of de gemeenten.
Ondertitel 3. - Bijzondere werkterreinen HOOFDSTUK 1. - Preventieve gezondheidszorg voor kinderen en jongeren Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 3.10 - Toepassingsgebied Onder voorbehoud van de toepassing van afdeling 5 is dit hoofdstuk van toepassing op alle kinderen en jongeren die zijn ingeschreven als leerling van het gewoon of gespecialiseerd onderwijs.
Art. 3.11 - Beginsel van de preventieve gezondheidszorg De preventieve gezondheidszorg voor kinderen en jongeren is verplicht voor alle leerlingen van het gewoon en gespecialiseerd onderwijs. De preventieve gezondheidszorg is kosteloos.
Bij de inschrijving van de leerling maakt de school de personen belast met zijn opvoeding uitdrukkelijk attent op het bestaan van de preventieve gezondheidszorg en de strafrechtelijke bepalingen vervat in artikel 3.25.
Art. 3.12 - Uitvoering Het centrum is belast met de uitvoering van de preventieve gezondheidszorg overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
Het centrum kan daarvoor een beroep doen op zelfstandige artsen of op artsen die bij het centrum werken.
De Regering legt de nadere regels vast.
Afdeling 2. - Gezondheidspromotie via de school Art. 3.13 - Algemene maatregelen voor gezondheidspromotie In alle gewone en gespecialiseerde scholen werkt het centrum, zelfstandig of op aanvraag van het schoolhoofd, in de loop van het schooljaar algemene maatregelen voor gezondheidspromotie uit. Die maatregelen worden uitgevoerd in afspraak met het schoolhoofd en, indien er een ouderraad is, in afspraak met de ouderraad.
Er wordt minstens één maatregel per jaar uitgevoerd.
De Regering kan ervoor zorgen dat nog andere maatregelen worden uitgevoerd.
Afdeling 3. - Medisch schooltoezicht Art. 3.14 - Verantwoordelijke geneesheer Het medisch schooltoezicht wordt uitgeoefend door een arts onder toezicht van de verantwoordelijke geneesheer van het centrum.
Art. 3.15 - Onderzoeken § 1. De geneeskundige onderzoeken worden als volgt verricht : 1° algemeen onderzoek van de leerlingen in het tweede jaar van het kleuteronderwijs, in het eerste en het vijfde jaar van het lager onderwijs, in het eerste, derde en vijfde jaar van het secundair onderwijs en van de leerlingen van het gespecialiseerd onderwijs;2° gedeeltelijke onderzoeken in aanwezigheid van een arts bij de leerlingen van het eerste jaar van het kleuteronderwijs en gedeeltelijke onderzoeken zonder de aanwezigheid van een arts bij de leerlingen van het derde jaar van het lager onderwijs, met op zijn minst het testen van sensorische stoornissen;3° selectieve onderzoeken voor de niet algemeen onderzochte leerlingen in geval van stoornissen en naargelang van de behoeften, op verzoek van de onderzoekende geneesheer van het centrum om de ontwikkeling van de gezondheid van de betrokken leerling te controleren. De informatie over het aanbod en de vaccinaties worden in het bijzonder in het kader van het medisch schooltoezicht gegeven.
De Regering kan aanvullende specifieke onderzoeken voorschrijven : 1° in geval van bijzondere of onvoorzienbare risico's;2° indien op die manier voor meer gelijke kansen inzake preventieve gezondheidszorg kan worden gezorgd. § 2. De algemene onderzoeken overeenkomstig § 1, 1°, omvatten voor elke leerling : 1° gezondheidsanamnese en gedragsanamnese;2° klinisch onderzoek;3° biometrische metingen;4° het opsporen van motorische achterstand, achterstand in de ontwikkeling en sensorische stoornissen;5° observatie van gedragsstoornissen;6° het opsporen van besmettelijke ziekten. De Regering kan andere onderdelen van de algemene onderzoeken vastleggen, in het bijzonder wat tandhygiëne betreft. § 3. De Regering bepaalt hoeveel tijd voor het medisch schooltoezicht wordt uitgetrokken, alsook de andere nadere regels.
Art. 3.16 - Overzending van de leerlingenlijst De Regering bezorgt het centrum jaarlijks uiterlijk op 1 november de lijst van de leerlingen die naar het medisch schooltoezicht moeten.
Art. 3.17 - Kennisgeving Aan de personen belast met de opvoeding van de leerling wordt ten minste zeven dagen op voorhand meegedeeld wat de onderzoeken inhouden, wanneer ze plaatsvinden, in voorkomend geval welke inentingen gegeven worden en wat terzake relevant is.
Art. 3.18 - Instemming § 1. De personen belast met de opvoeding van de leerling worden geacht met het onderzoek in te stemmen, tenzij ze het onderzoek uitdrukkelijk weigeren. § 2. Indien de personen belast met de opvoeding van de leerling het onderzoek uitdrukkelijk weigeren, moeten ze dit vóór het onderzoek schriftelijk aan het centrum meedelen.
In dat geval bezorgen de personen belast met de opvoeding van de leerling binnen drie maanden na de weigering aan het centrum een bewijs dat een behandelende arts een equivalent onderzoek heeft uitgevoerd.
Indien dat bewijs niet binnen die termijn is ingediend of indien de personen vermeld in het eerste lid zich niet hebben gemeld, onderneemt het centrum in het bijzonder de volgende stappen ten aanzien van de personen belast met de opvoeding van de leerling : 1° het centrum herinnert hen zowel mondeling als schriftelijk aan hun verplichting;2° het centrum vraagt hen, indien nodig buiten de gewone werktijden, naar het centrum te komen om gedetailleerde informatie over het medisch schooltoezicht en de mogelijke alternatieven te krijgen;3° het centrum biedt aan dat een persoon die bij het centrum werkt, indien nodig buiten de gewone werktijden, bij hen thuis langskomt om hen de in 2° vermelde inlichtingen te geven. Indien de maatregelen zonder resultaat gebleven zijn, neemt het centrum, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 3.25, § 2, zo nodig contact op met de dienst voor jeugdbijstand en dit op basis van een daartoe opgesteld verslag.
De Regering legt de nadere regels vast.
Art. 3.19 - Resultaten § 1. Binnen veertien dagen na het onderzoek deelt de onderzoekende geneesheer de resultaten van het onderzoek en zijn aanbevelingen schriftelijk mee aan de personen die belast zijn met de opvoeding van de leerling.
Onder voorbehoud van de toepassing van de
wet van 22 augustus 2002Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/08/2002
pub.
10/09/2002
numac
2002022684
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet houdende maatregelen inzake gezondheidszorg
type
wet
prom.
22/08/2002
pub.
26/09/2002
numac
2002022737
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet betreffende de rechten van de patiënt
sluiten betreffende de rechten van de patiënt deelt de onderzoekende geneesheer de resultaten ook mee aan de huisarts van de leerling, hetzij op aanvraag, hetzij op eigen initiatief indien dit in het belang van de leerling noodzakelijk is.
De onderzoekende geneesheer deelt het schoolhoofd alle praktische informatie mee die hij in aansluiting aan het medisch schooltoezicht noodzakelijk acht om ervoor te zorgen dat de leerling optimaal aan de lessen kan deelnemen. § 2. In geval van ernstige problemen controleert de onderzoekende geneesheer, naargelang van de dringende noodzakelijkheid, binnen ten hoogste zes maanden na overzending van de resultaten, of de leerling de aanbevolen verdere onderzoeken of behandelingen heeft ondergaan.
Indien dat niet het geval is, onderneemt het centrum in het bijzonder de volgende stappen ten aanzien van de personen belast met de opvoeding van de leerling : 1° het centrum herinnert hen zowel mondeling als schriftelijk aan de aanbevolen onderzoeken of behandelingen;2° het centrum vraagt hen, indien nodig buiten de gewone werktijden, naar het centrum te komen om daar door de onderzoekende geneesheer geïnformeerd te worden over de aanbevolen onderzoeken of behandelingen en over de mogelijke alternatieven;3° het centrum biedt aan dat de onderzoekende geneesheer, indien nodig buiten de gewone werktijden, bij hen thuis langskomt om hen de in 2° vermelde inlichtingen te geven. Indien de maatregelen zonder resultaat gebleven zijn, neemt het centrum zo nodig contact op met de dienst voor jeugdbijstand en dit op basis van een daartoe opgesteld verslag.
De Regering legt de nadere regels vast. § 3. De resultaten van het medisch schooltoezicht worden in het geïntegreerd begeleidingsdossier van het kind of van de jongere vermeld overeenkomstig titel 4, ondertitel 1.
Afdeling 4. - Inentingen Art. 3.20 - Aangeboden inentingen § 1. In het kader van het medisch schooltoezicht worden inentingen aangeboden.
De Regering bepaalt de lijst van de ziekten waartegen een inenting kan worden aangeboden, alsook de verdere nadere regels. § 2. De gegeven inentingen worden in het geïntegreerd begeleidingsdossier van het kind of van de jongere vermeld overeenkomstig titel 4, ondertitel 1.
Art. 3.21 - Instemming In het kader van de preventieve gezondheidszorg voor kinderen en jongeren worden de inentingen alleen gegeven na schriftelijke toestemming van de personen belast met de opvoeding van de leerling.
Afdeling 5. - Besmettelijke ziekten Art. 3.22 - Besmettelijke ziekten De verantwoordelijke geneesheer van het centrum neemt alle individuele of algemene profylactische maatregelen om de verspreiding van besmettelijke ziekten in de schoolomgeving te voorkomen. Ze zijn bindend voor de personen belast met de opvoeding van de leerlingen, de inrichtende macht en het personeel van de school.
De betrokken school en de personen belast met de opvoeding van de leerling kunnen, per aangetekende brief, bij de Regering beroep instellen tegen de maatregelen die met toepassing van het eerste lid worden genomen. Het beroep is niet opschortend. De beslissing van de Regering kan de met toepassing van het eerste lid genomen maatregel schorsen, opheffen of wijzigen.
De Regering bepaalt : 1° de lijst van de besmettelijke ziekten en de profylactische maatregelen die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat die ziekten zich in de schoolomgeving verspreiden;2° de procedure voor de meldingsplicht en de maatregelen die bij die besmettelijke ziekten moeten worden genomen. Art. 3.23 - Uitbreiding van de maatregelen In afwijking van artikel 3.10 kan de verantwoordelijke geneesheer van het centrum de maatregelen vermeld in deze afdeling uitbreiden tot de studenten van het hoger onderwijs.
Afdeling 6. - Toezichts- en strafrechtelijke bepalingen Art. 3.24 - Toezichtsbepaling De Regering is ermee belast : 1° ervoor te zorgen dat de inrichtende machten, de schoolhoofden, het centrum, de artsen, de personen belast met de opvoeding van de leerlingen en het schoolpersoneel de verplichtingen naleven die hen in dit hoofdstuk of in de uitvoeringsbesluiten ervan worden opgelegd;2° zo nodig, voor de uitvoering van de profylactische maatregelen overeenkomstig afdeling 5 te zorgen;3° schending van bepalingen van dit hoofdstuk of van de uitvoeringsbesluiten ervan vast te stellen. Art. 3.25 - Strafrechtelijke bepaling § 1. Personen belast met de opvoeding van de leerlingen die de verplichting vermeld in artikel 3.18, § 2, tweede lid, niet nakomen, worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van 25 euro tot 200 euro of met één van die straffen. § 2. Een schoolhoofd, een persoon belast met de opvoeding van een leerling of schoolpersoneel dat in strijd handelt met de maatregelen vermeld in artikel 3.22, eerste lid, worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van 25 euro tot 200 euro of met één van die straffen.
HOOFDSTUK 2. - Begeleiding van leerlingen bij problemen met de leerplicht Art. 3.26 - Begeleiding van leerlingen bij problemen met de leerplicht In het kader van de wettelijke controle op de naleving van de leerplicht begeleidt het centrum leerplichtige kinderen en jongeren die in geen enkele school of in geen enkel centrum voor opleiding en voortgezette opleiding van de middenstand (zawm) ingeschreven zijn of weliswaar ingeschreven zijn, maar die school of dat zawm niet geregeld bezoeken. Die begeleiding heeft tot doel minderjarigen die problemen hebben met de leerplicht weer in het onderwijs- of opleidingsproces te integreren zodat ze niet langer in strijd handelen met de leerplicht.
HOOFDSTUK 3. - Adviesverlening aan zwangere vrouwen en ondersteuning van zwangere vrouwen Art. 3.27 - Adviesverlening aan zwangere vrouwen en ondersteuning van zwangere vrouwen Het zwangerschapsadvies richt zich tot vrouwen en paren. Het omvat medische, sociale en psychologische adviesverlening en ondersteuning.
De adviesverlening richt zich naar de behoeften van de vrouwen en de gezinnen.
Het centrum benut de financiële middelen vermeld in artikel 8.2, § 1, 3°, om zwangere vrouwen, moeders en vaders die zich in een precaire levenssituatie bevinden, die in het Duitse taalgebied wonen, rechtstreekse hulp te bieden of al dan niet terug te betalen subsidies toe te kennen.
Het centrum kan voorwaarden verbinden aan de tegemoetkoming in of de overneming van de kosten of de hulp vermeld in het derde lid.
In het activiteitenverslag vermeld in artikel 12 van het bijzonder decreet brengt het centrum verslag uit over het advies en de financiële steun aan zwangere vrouwen, moeders en vaders die zich in een precaire levenssituatie bevinden; de anonimiteit van de betrokkenen wordt gewaarborgd.
TITEL 4. - Geïntegreerd begeleidingsdossier van het kind of de jongere, bescherming van de persoonsgegevens en beroepsgeheim Ondertitel 1. - Geïntegreerd begeleidingsdossier van het kind of de jongere Art. 4.1 - Geïntegreerd begeleidingsdossier Het centrum maakt per door het centrum begeleid kind en per door het centrum begeleide jongere een geïntegreerd begeleidingsdossier op.
Het begeleidingsdossier wordt twee jaar nadat het kind of de jongere meerderjarig geworden is, vernietigd.
In afwijking van het tweede lid vernietigt het centrum het begeleidingsdossier twee jaar nadat zijn begeleiding van het kind of de jongere is afgesloten, indien de begeleiding van het kind of de jongere na diens meerderjarigheid wordt voortgezet.
Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen vervat in titel 4, ondertitel 2, bepaalt de Regering de nadere regels voor het samenstellen, bijhouden, doorgeven, sluiten en vernietigen van het dossier.
Art. 4.2 - Verplichting om samen te werken Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van titel 4, ondertitel 2, en inzonderheid onder voorbehoud van de toepassing van artikel 4.12, zijn de personen die bij het centrum werken en die ter uitvoering van dit decreet belast zijn met het aanleggen van een begeleidingsdossier ertoe verplicht samen te werken met de personen die ook in het kader van een begeleiding in het belang van het kind of de jongere werkzaam zijn. Overeenkomstig dit decreet werken ze in het bijzonder samen met de betrokken artsen of personen die bij de scholen, de ZAWM's, andere besturen of andere rechtspersonen werken.
Ze moeten in het bijzonder ingelicht worden over de stappen die al zijn ondernomen.
De samenwerking geschiedt met inachtneming van de verdeling van de opdrachten en bevoegdheden.
Art. 4.3 - Recht op inzage § 1. De minderjarige kinderen of jongeren die het nodige beoordelingsvermogen bezitten respectievelijk de meerderjarige jongeren hebben een principieel recht op inzage in hun geïntegreerd begeleidingsdossier.
In afwijking van het eerste lid en op basis van een gemotiveerde beslissing wordt geen inzage van de volgende gegevens van het begeleidingsdossier verleend : 1° gegevens die relevant zijn voor het dossier en die derden op vrijwillige basis hebben meegedeeld en zelf als vertrouwelijk hebben bestempeld;2° de stukken die opgesteld zijn om door gerechtelijke instanties te worden gebruikt;3° de gegevens die uitsluitend betrekking hebben op derden, met inbegrip van de personen belast met de opvoeding. Onder voorbehoud van de toepassing van eventueel toepasselijke wettelijke geheimhoudingsplichten worden de gegevens vermeld in het tweede lid toch vrijgegeven als : 1° de betrokken derde of de gerechtelijke instantie daarmee heeft ingestemd;2° het belang van het kind of van de jongere boven de andere overwegingen primeert. De betrokken personen kunnen bij de Regering per aangetekende brief beroep instellen tegen de met toepassing van het tweede lid genomen beslissing om de inzage in het dossier te weigeren. De beslissing van de Regering kan die weigering bevestigen, opheffen of voorwaarden eraan verbinden.
Indien een minderjarig kind of een minderjarige jongere geen inzage in het begeleidingsdossier krijgt omdat betrokkene nog niet het nodige beoordelingsvermogen bezit, kan de betrokken persoon bij de Regering per aangetekende brief beroep instellen tegen die weigering. De beslissing van de Regering kan die weigering bevestigen, opheffen of voorwaarden eraan verbinden. § 2. De personen belast met de opvoeding van het minderjarige kind of van de minderjarige jongere hebben het recht om het geïntegreerde begeleidingsdossier in te zien, maar moeten dat vooraf meedelen aan het minderjarige kind dat het nodige beoordelingsvermogen bezit resp. aan de minderjarige jongere die het nodige beoordelingsvermogen bezit.
Na instemming van de meerderjarige jongere kan ook aan de personen die vroeger met zijn opvoeding belast waren, inzage van het begeleidingsdossier worden verleend.
In afwijking van het eerste lid en op basis van een gemotiveerde beslissing wordt geen inzage van de volgende gegevens van het begeleidingsdossier verleend : 1° de gegevens die relevant zijn voor het dossier en die derden op vrijwillige basis hebben meegedeeld en zelf als vertrouwelijk hebben bestempeld;2° de stukken die opgesteld zijn om door gerechtelijke instanties te worden gebruikt;3° de gegevens die niet het kind of de jongere, maar alleen derden betreffen. Onder voorbehoud van de toepassing van eventueel toepasselijke wettelijke geheimhoudingsplichten worden de gegevens vermeld in het tweede lid toch vrijgegeven als : 1° de betrokken derde of de gerechtelijke instantie daarmee heeft ingestemd;2° het belang van het kind of van de jongere boven de andere overwegingen primeert. De betrokken personen kunnen bij de Regering per aangetekende brief beroep instellen tegen de met toepassing van het tweede lid genomen beslissing om de inzage in het dossier te weigeren. De beslissing van de Regering kan die weigering bevestigen, opheffen of voorwaarden eraan verbinden. § 3. De minderjarige kinderen of jongeren die het nodige beoordelingsvermogen bezitten, de meerderjarige jongeren en de personen die met hun opvoeding zijn of waren hebben recht op een voor hen begrijpelijke uitleg van de gegevens waartoe ze toegang hebben.
Bij de inzage van het dossier is een personeelslid van het centrum aanwezig om hen die uitleg te geven.
De kinderen of jongeren mogen zich bij de inzage van het begeleidingsdossier laten bijstaan door een persoon die : 1° door het beroepsgeheim gebonden is of personeelslid is van de school die het kind of de jongere bezoekt resp.van het ZAWM dat het kind of de jongere bezoekt; 2° door het kind of de jongere uitdrukkelijk als begeleidende persoon werd aangewezen;3° niet rechtstreeks in verbinding staat met de dienst voor jeugdbijstand in de zin van het
decreet van 19 mei 2008Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
19/05/2008
pub.
01/10/2008
numac
2008033076
bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
Decreet over de Jeugdbijstand en houdende omzetting van maatregelen inzake jeugdbescherming
sluiten over de Jeugdbijstand en houdende omzetting van maatregelen inzake jeugdbescherming. De minderjarige kinderen of jongeren die het nodige beoordelingsvermogen bezitten, de meerderjarige jongeren en de personen die met hun opvoeding belast zijn of waren hebben het recht het begeleidingsdossier aan te vullen en hun visie op de in het dossier vermelde gegevens te geven en te laten noteren.
Ze hebben recht op een afschrift van de gegevens van het begeleidingsdossier waartoe ze toegang hebben en op een verslag over de gegevens die ze via een andere weg dan via inzage in het begeleidingsdossier hebben gekregen.
Alle kopieën en verslagen zijn persoonlijk en vertrouwelijk en mogen bij verder gebruik alleen voor jeugdbijstand dienen. Wanneer het centrum die gegevens doorgeeft, wijst het daar uitdrukkelijk op. § 4. Nadat de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer overeenkomstig artikel 29 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens advies heeft verstrekt, bepaalt de Regering de nadere regels betreffende de inzage van het geïntegreerde begeleidingsdossier, de beslechting van belangenconflicten, het erbij betrekken van derden en de beroepsmogelijkheden.
Ondertitel 2. - Bescherming van persoonsgegevens en beroepsgeheim Art. 4.4 - Verwerking van persoonsgegevens § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 4.5 is het centrum de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens vermeld in deze ondertitel. § 2. Het centrum verzamelt en verwerkt persoonsgegevens om zijn wettelijke of decretale opdrachten uit te voeren, inzonderheid wat de opdrachten vervat in titel 3 betreft. Het mag de verzamelde gegevens niet voor andere doeleinden dan voor de uitvoering van zijn wettelijke of decretale opdrachten gebruiken.
Met inachtneming van artikel 4.8 kan het centrum alle in het kader van de uitvoering van één van zijn opdrachten rechtmatig verzamelde persoonsgegevens later verwerken in het kader van een andere wettelijke of decretale opdracht. § 3. Het verzamelen en verwerken van persoonsgegevens geschiedt met inachtneming van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
Art. 4.5 - Verwerking van gezondheidsgegevens De verwerking van gegevens over de gezondheid van de betrokken personen geschiedt onder de verantwoordelijkheid van een beroepsbeoefenaar uit de gezondheidszorg die werkzaam is in het centrum.
Het verzamelen en verwerken van gezondheidsgegevens geschiedt met inachtneming van de
wet van 22 augustus 2002Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/08/2002
pub.
10/09/2002
numac
2002022684
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet houdende maatregelen inzake gezondheidszorg
type
wet
prom.
22/08/2002
pub.
26/09/2002
numac
2002022737
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet betreffende de rechten van de patiënt
sluiten betreffende de rechten van de patiënt en met inachtneming van de medische zwijgplicht.
Art. 4.6 - Gegevenscategorieën Het centrum kan alle overeenkomstig artikel 4.4, § 2, toereikende, ter zake dienende en niet overmatige persoonsgegevens uit de volgende gegevenscategorieën verzamelen en verwerken : 1° identiteitsgegevens en contactgegevens van de cliënt;2° identiteitsgegevens en contactgegevens van de personen belast met de opvoeding van het kind of de jongere;3° gegevens over het schoolbezoek resp.de opleiding van de cliënt; 4° gegevens over de gezinssituatie van de cliënt;5° gegevens over de sociale en financiële situatie van de cliënt;6° gegevens over de vrijetijdsbesteding en interesses van de cliënt;7° gegevens over de gezondheid en de ontwikkeling van de cliënt : a) gegevens over de lichamelijke gezondheid;b) gegevens over inentingen;c) gegevens over de geestelijke gezondheid;d) gegevens over het gedrag;e) gegevens over risico's en risicofactoren;8° gevoelige gegevens van de cliënt vermeld in artikel 6 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;9° gerechtelijke gegevens over de cliënt. De Regering preciseert de gegevenscategorieën vermeld in het eerste lid.
Art. 4.7 - Dienst voor informatieveiligheid en bescherming van persoonsgegevens Binnen het centrum wordt een dienst voor informatieveiligheid en bescherming van persoonsgegevens opgericht die rechtstreeks onder de directeur ressorteert.
De dienst wordt ermee belast de directeur op eigen initiatief of op verzoek te adviseren bij de toepassing van de voorschriften over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de voorliggende ondertitel. De dienst wijst op mogelijke risico's voor de informatieveiligheid of de bescherming van persoonsgegevens.
De dienst maakt jaarlijks een verslag over de informatieveiligheid en de bescherming van persoonsgegevens. Het verslag wordt aan de raad van bestuur en aan de Regering bezorgd.
De Regering kan de dienst belasten met andere opdrachten die verband houden met de informatieveiligheid en de bescherming van persoonsgegevens.
Art. 4.8 - Interne gegevensuitwisseling De centrale hoofdvestiging en/of de lokale vestigingen van het centrum wisselen met toestemming van de directeur persoonsgegevens uit.
De directeur beslist na voorafgaand advies van de dienst voor informatieveiligheid en bescherming van persoonsgegevens welke soorten persoonsgegevens systematisch of voor een op zichzelf staand geval en voor welbepaalde doeleinden uitgewisseld kunnen worden, na te hebben nagegaan of de gegevens toereikend, ter zake dienend en niet overmatig zijn.
Art. 4.9 - Externe gegevensuitwisseling § 1. Het centrum geeft persoonsgegevens alleen door aan een school, een ZAWM, een andere overheidsdienst of een andere rechtspersoon voor zover dat in het belang van het kind of de jongere toereikend, ter zake dienend en niet overmatig is.
De uitwisseling van persoonsgegevens geschiedt alleen met toestemming van de directeur, na voorafgaand advies van de Dienst voor informatieveiligheid en bescherming van persoonsgegevens. Nadat de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer overeenkomstig artikel 29 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens advies heeft verstrekt, bepaalt de Regering de gevallen waarin de toestemming van de directeur niet noodzakelijk is om gegevens uit te wisselen. § 2. Het centrum gebruikt de persoonsgegevens die het van een school, een ZAWM, een andere overheidsdienst of een andere rechtspersoon ontvangt alleen in het kader van de uitvoering van zijn wettelijke of decretale opdrachten en na toestemming van de persoon die bevoegd is om de persoonsgegevens door te geven. § 3. Externe gegevensuitwisseling geschiedt onder voorbehoud van de toepassing van artikel 4.11.
Art. 4.10 - Machtiging voor toegang tot de gegevens De personen die bij het centrum werken en personeelsleden van derden die daartoe behoorlijk gemachtigd zijn, hebben slechts toegang tot de gegevens en in het bijzonder tot het geïntegreerde begeleidingsdossier voor zover die toegang toereikend, ter zake dienend en niet overmatig is voor het uitvoeren van de opdrachten vermeld in artikel 4.4, § 2.
Het toegangsrecht wordt individueel en persoonlijk toegekend op basis van een profiel. Het kan niet worden overgedragen. Elke gebruiker van het interne netwerk van het centrum aan wie een persoonlijk toegangsaccount werd toegekend, is persoonlijk aansprakelijk voor het gebruik ervan.
Elke toegang tot de dossiers, tot de gegevens of tot de elektronische toepassingen is onderworpen aan een controle door het beheersysteem van de identiteit van de persoon die de toegang vraagt en van de overeenstemming met zijn omschreven profiel.
Elke toegang of toegangspoging tot de dossiers, tot de gegevens of tot de elektronische toepassingen wordt automatisch geregistreerd. De inhoud van de registratie en de bewaringstermijn worden vastgesteld door de directeur, nadat hij vooraf inlichtingen heeft ingewonnen bij de Dienst voor informatieveiligheid en bescherming van persoonsgegevens.
De Dienst voor informatieveiligheid en bescherming van persoonsgegevens controleert periodiek de toegangen en pogingen om toegang te krijgen om zo beveiligingsincidenten op te sporen.
Art. 4.11 - Beroepsgeheim § 1. De personen die bij het centrum werken, zijn in het kader van de uitvoering van hun taken gebonden door het beroepsgeheim.
De betrokken personen die bij de scholen, de ZAWM's, andere overheidsdiensten of andere rechtspersonen werken en die ter uitvoering van dit decreet rechtstreeks met het centrum samenwerken, zijn in het kader van die samenwerking ook gebonden door het beroepsgeheim. § 2. De personen die bij het centrum werken, mogen gegevens van persoonlijke, medische, familiale, schoolse, professionele, sociale, economische, ethische, religieuze of filosofische aard alleen doorgeven in de volgende gevallen : 1° in het kader van het gedeelde beroepsgeheim wordt tegelijkertijd voldaan aan de volgende voorwaarden : a) het beroepsgeheim geldt ook voor de ontvanger;b) de doorgifte is noodzakelijk in het belang van het kind of de jongere;c) de doorgegeven gegevens zijn toereikend, ter zake dienend en niet overmatig;d) de minderjarige kinderen of jongeren die het nodige beoordelingsvermogen bezitten, de personen belast met de opvoeding van het minderjarige kind of van de minderjarige jongere resp.de meerderjarige jongeren werden onmiddellijk van die doorgifte in kennis gesteld, behalve indien dit het belang van het kind of de jongere schaadt; 2° de voorwaarden gesteld in de artikelen 29 of 30 van het Wetboek van Strafvordering of de artikelen 458 of 458bis van het Strafwetboek zijn vervuld;3° degene die vertrouwelijke gegevens bezit, moet het beroepsgeheim naast zich neer leggen om een klaarblijkelijk ernstig nadeel voor het kind of de jongere te voorkomen.Daarbij moeten het evenredigheidsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel in acht worden genomen.
In alle andere gevallen worden de gegevens versleuteld of geanonimiseerd doorgegeven.
Art. 4.12 - Strafrechtelijke bepaling Personen die het beroepsgeheim vermeld in artikel 4.11 schenden of de daarin vervatte voorwaarden voor de doorgifte niet naleven, worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van 100 tot 500 euro.
TITEL 5. - Kwaliteitsmanagement Art. 5.1 - Wetenschappelijk gefundeerde werkwijze (evidence-based) Het centrum volgt permanent de nieuwste wetenschappelijke bevindingen en maatschappelijke ontwikkelingen die relevant zijn voor de uitvoering van zijn opdracht.
De programma's en maatregelen worden zo veel mogelijk op basis van bewijzen vanuit het wetenschappelijk onderzoek gepland en op basis van kwaliteitsnormen uitgevoerd; de programma's en maatregelen worden voortdurend opgevolgd en de resultaten worden geëvalueerd om dan, op basis daarvan, goede praktijken voort te zetten of praktijken te verbeteren.
Art. 5.2 - Kwaliteitscontrole Het centrum doet regelmatig aan kwaliteitscontrole : 1° het waakt voortdurend en met zin voor verantwoordelijkheid over de kwaliteit van het aanbod, onder meer door een eigen bedrijfscultuur inzake evaluatie te ontwikkelen;2° het betrekt zijn gebruikers, partners en externe specialisten bij het proces van het kwalititeitsmanagement;3° het maakt minstens om de vijf jaar, in samenwerking met externe deskundigen, een formele evaluatie van de kwaliteit van zijn activiteiten.Het onderzoekt daarbij in hoeverre zijn structuur, zijn aanbod, de toegepaste methoden en de resultaten van de activiteiten overeenstemmen met de doelstelling en de taken van het centrum en doet voorstellen voor de toekomstige ontwikkeling van het centrum. De resultaten en voorstellen van deze evaluatie worden in een verslag vastgelegd en bekendgemaakt; 4° het centrum houdt rekening met de resultaten van de evaluatie. Art. 5.3 - Informatie In het activiteitenverslag bedoeld in artikel 12 van het bijzonder decreet verstrekt het centrum uitvoerig informatie over zijn kwaliteitsmanagement.
Art. 5.4 - Bewaking van het kwaliteitsmanagement De Regering bewaakt de kwaliteit van het centrum. Te dien einde : 1° onderzoekt ze regelmatig de werkwijze en de efficiëntie van het kwaliteitsmanagement dat door het centrum wordt uitgevoerd;2° let ze erop dat het centrum de resultaten van de evaluatie in praktijk brengt. Indien de Regering van mening is dat uit haar kwaliteitscontrole blijkt dat de kwaliteit van het centrum ontoereikend is, legt de raad van bestuur van het centrum, binnen drie maanden na ontvangst van die mededeling van de Regering, een plan voor om de vastgestelde gebreken weg te werken.
Daarna informeert de raad van bestuur van het centrum de Regering jaarlijks, in een gedetailleerd verslag, over de uitvoering van dit plan en over hetgeen door de genomen maatregelen veranderd is. Na vier jaar evalueert de Regering de kwaliteit van het centrum opnieuw. De resultaten worden in een verslag vastgelegd en worden door de Regering bekendgemaakt. Komt de Regering tot de conclusie dat de kwaliteit nog altijd ontoereikend is, dan kan ze de teruggave van werkingsmiddelen vorderen overeenkomstig de artikelen 8.8 en 8.9.
TITEL 6. - Statuut van het centrum Ondertitel 1. - Algemene bepalingen Art. 6.1 - Toepassingsgebied Deze titel is van toepassing op alle personeelsleden van het centrum, met uitzondering van het onderhoudspersoneel.
Art. 6.2 - Ambten De ambten die een personeelslid van het centrum kan uitoefenen, zijn verderop ingedeeld in wervingsambten, selectieambten en bevorderingsambten : 1° wervingsambten;a) pedagogisch adviseur;b) psycholoog;c) gezondheidswetenschapper;d) adjunct Communicatie en Public relations;e) maatschappelijk assistent;f) psycho-pedagogisch assistent;g) opsteller;h) adviseur voor vroegkinderlijke ontwikkeling;i) medewerker voor tandverzorging op school;j) de ambten vermeld in artikel 8, a), van het koninklijk besluit van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch en psychosociaal personeel bij de inrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, en van de ambten der leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen;2° selectieambten : a) coördinator Psychologie;b) coördinator Sociale Wetenschappen;c) coördinator Gezondheidswetenschappen;d) coördinator Vroegkinderlijke ontwikkeling;e) hoofd van een lokale vestiging;3° bevorderingsambten : directeur. Art. 6.3 - Vereist bekwaamheidsbewijs § 1. De vereiste bekwaamheidsbewijzen voor de hierna vermelde wervingsambten zijn als volgt vastgelegd : 1° pedagogisch adviseur : a) licentiaat of master in de opvoedingswetenschappen;b) licentiaat of master in de pedagogische wetenschappen;c) licentiaat of master in de psycho-pedagogische wetenschappen;d) licentiaat of master in de sociale pedagogiek;e) licentiaat of master in de familiale en seksuele wetenschappen;f) licentiaat of master in de criminologie;g) licentiaat of master in de sociale wetenschappen;2° psycholoog : licentiaat of master in de psychologie;3° gezondheidswetenschapper : licentiaat of master in de gezondheidswetenschappen;4° adjunct Communicatie en Public relations : a) licentiaat of master in de informatie- en communicatiewetenschappen;b) licentiaat of master in meertalige communicatie;5° maatschappelijk assistent : graduaat of bachelor in het sociaal werk (maatschappelijk assistent);6° psycho-pedagogisch assistent : graduaat of bachelor in het sociaal werk (assistent in de psychologie);7° opsteller : minstens een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs;8° adviseur voor vroegkinderlijke ontwikkeling : graduaat of bachelor in de verpleegkunde, aangevuld met een bewijs van het bestaan van een aanvullende opleiding van ten minste 10 ECTS-punten op het gebied van systemisch advies;9° medewerker voor tandverzorging op school : minstens een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs; 10° de ambten vermeld in artikel 6.2., 1°, j) : de bekwaamheidsbewijzen vermeld in artikel 15 van het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel, het paramedisch en psychosociaal personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen. § 2. De vereiste bekwaamheidsbewijzen voor de hierna vermelde selectieambten zijn als volgt vastgelegd : 1° coördinator Psychologie : de bekwaamheidsbewijzen vermeld in § 1, 2°;2° coördinator Sociale Wetenschappen : de bekwaamheidsbewijzen vermeld in § 1, 1°, d) tot en met g);3° coördinator Gezondheidswetenschappen : de bekwaamheidsbewijzen vermeld in § 1, 3°;4° coördinator Vroegkinderlijke ontwikkeling : de bekwaamheidsbewijzen vermeld in § 1, 1°, a) en c), en in § 1, 3°. § 3. Het vereiste bekwaamheidsbewijs voor het hierna vermelde bevorderingsambt is als volgt vastgelegd : directeur : ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad. § 4. Als vereist bekwaamheidsbewijs voor de ambten vermeld in § 1, 1° tot 4°, en vermeld in § 2, geldt eveneens elk diploma dat na een succesvolle beëindiging van een opleiding van het hoger onderwijs van de tweede graad werd uitgereikt en waarvan de hoofdvakken verband houden met het ambt in kwestie. In dat geval beslist de Regering, op basis van een advies van de onderwijsinspectie, of het diploma de houder ervan in staat stelt om het ambt uit te oefenen.
Ondertitel 2. - Plichten en onverenigbaarheden HOOFDSTUK 1. - Plichten Art. 6.4 - Behartiging der belangen De personeelsleden behartigen altijd de belangen van de personen die advies inwinnen en de belangen van het centrum.
Art. 6.5 - Vervulling van de opgelegde verplichtingen In de uitoefening van hun ambt vervullen de personeelsleden persoonlijk en nauwgezet de …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.