Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams regleme
Kort samengevat
Dit besluit van de Vlaamse Regering wijzigt bestaande Vlaamse reglementen betreffende milieuvergunningen, milieuhygiëne, bodemsanering en -bescherming, en het beheer van afvalstoffen. Het heeft als doel Europese richtlijnen over afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) en batterijen om te zetten in Vlaamse wetgeving.
Wat het regelt
- Wijzigingen aan het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning.
- Wijzigingen aan het Vlaams reglement betreffende milieuhygiëne.
- Wijzigingen aan het Vlaams reglement betreffende bodemsanering en bodembescherming.
- Wijzigingen aan het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.
Wie het aanbelangt
- Bedrijven en instellingen die vallen onder de milieuvergunningsplicht.
- Producenten en gebruikers van elektrische en elektronische apparatuur en batterijen.
Kernpunten
- Zet Richtlijn 2012/19/EU (AEEA) om.
- Zet Richtlijn 2013/56/EU (batterijen en accu's) om.
- Wijzigt bijlage 1, rubriek 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991.
- De wijzigingen betreffen onder meer "Kringloopcentra, e.d., met name inrichtingen waar tweedehands huishoudelijke goederen en hiermee vergelijkbare bedrijfsgoederen die in aanmerking komen voor producthergebruik (zoals kleding, boeken, meubelen, huisraad, spe".
Wettekst
23 MEI 2014. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/2010 pub. 12/04/2010 numac 2010011165 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet met betrekking tot de regeling van bepaalde procedures in het kader van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming type wet prom. 06/04/2010 pub. 30/06/2011 numac 2010015091 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning, aangenomen te New York op 20 december 2006
- - Algemene bepalingen Artikel 1.Dit besluit voorziet in de omzetting van de volgende richtlijnen: 1° richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA);2° richtlijn 2013/56/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 tot wijziging van Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's, wat het op de markt brengen van cadmiumhoudende draagbare batterijen en accu's voor gebruik in draadloos elektrisch gereedschap en van knoopcellen met een laag kwikgehalte betreft, en houdende intrekking van Beschikking 2009/603/EG van de Commissie. HOOFDSTUK
- - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning Art. 2.In bijlage 1, rubriek 2, bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 november 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/2010 pub. 12/04/2010 numac 2010011165 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet met betrekking tot de regeling van bepaalde procedures in het kader van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming type wet prom. 06/04/2010 pub. 30/06/2011 numac 2010015091 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning, aangenomen te New York op 20 december 2006
- a)uit gescheiden ingezamelde AEEA moeten ten minstens de volgende stoffen, mengsels en onderdelen worden afgezonderd: 1) condensatoren:
- aa)PCB/PCT-houdende condensatoren en andere PCB-bevattende componenten;
- ab)elektrolytische condensatoren die tot bezorgdheid aanleiding gevende stoffen bevatten (hoogte > 25 mm, diameter > 25 mm, of met een naar verhouding vergelijkbaar volume); 2) onderdelen die kwik bevatten;3) alle batterijen en accumulatoren;4) printplaten:
- aa)printplaten van mobiele telefoons;
- ab)printplaten van andere apparaten als de oppervlakte van de printplaat meer dan 10 cm² bedraagt; 5) alle tonercassettes en inkthoudende recipiënten (al of niet leeg, droge, pasteuze of vloeibare inkt) en inktlinten;6) kunststoffen die gebromeerde brandvertragers bevatten;7) asbesthoudende onderdelen;8) beeldschermen:
- aa)beeldbuizen: kathodestraalbuizen;
- ab)lcd-schermen (in voorkomend geval met toebehoren) met een oppervlak van meer dan 100 cm² en schermen met een achtergrondverlichting met behulp van gasontladingslampen; 9) chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK's en HCFK'
- s)of fluorkoolwaterstoffen (HFK's), koolwaterstoffen (HC's);10) gasontladingslampen;11) uitwendige elektrische kabels;12) onderdelen die vuurvaste keramische vezels bevatten;13) alle onderdelen die radioactieve stoffen bevatten;14) alle vloeistoffen;
- b)de volgende onderdelen worden als volgt behandeld: 1) beeldbuizen: de fluorescerende laag wordt verwijderd;2) gasontladingslampen: het kwik wordt verwijderd;3) fotovoltaïsche zonnepanelen: selectief ingezamelde, afgedankte fotovoltaïsche zonnepanelen worden ontmanteld op een milieuverantwoorde wijze die ervoor zorgt dat minstens de volgende onderdelen en materialen selectief worden gedemonteerd:
- aa)het (aluminium)-kader, voor zover dat van toepassing is;
- ab)het glas;
- ac)de kunststof;
- ad)de non-ferro metalen, inclusief het verdeelkastje."; 2° paragraaf 9 wordt vervangen door wat volgt: " § 9.De gassen uit apparatuur die de ozonlaag aantasten of een aardopwarmingspotentieel hebben van meer dan 15 GWP, zoals in isolatieschuim en koelcircuits, worden adequaat verwijderd en behandeld. Gassen die de ozonlaag aantasten, worden behandeld overeenkomstig verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen. Het isolatiemateriaal dat ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevat, wordt met een gesloten ontgassingssysteem ontdaan van die stoffen in een daarvoor vergunde inrichting."; 3° er wordt een paragraaf 9bis ingevoegd, die luidt als volgt: " § 9bis.De selectieve behandeling, vermeld in paragraaf 8 en 9, van materialen en onderdelen van afgedankte EEA wordt, rekening houdend met milieuoverwegingen en de wenselijkheid van voorbereiding voor hergebruik en recyclage, zo toegepast dat het op milieuverantwoorde wijze voorbereiden voor hergebruik en recycleren van onderdelen van complete apparaten niet bemoeilijkt wordt.". Art. 4.In artikel 5.2.4.1.8, § 5, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/2010 pub. 12/04/2010 numac 2010011165 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet met betrekking tot de regeling van bepaalde procedures in het kader van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming type wet prom. 06/04/2010 pub. 30/06/2011 numac 2010015091 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning, aangenomen te New York op 20 december 2006
- Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage V, kan vrij worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product. §
- Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage V, kan worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product, op voorwaarde dat de concentraties van stoffen in de uitgegraven bodem lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage VI. Als de uitgegraven bodem concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage VI, wordt de uitgegraven bodem gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten meebrengen. Als de uitgegraven bodem niet reinigbaar is door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten meebrengen, wordt de uitgegraven bodem verwerkt overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/2010 pub. 12/04/2010 numac 2010011165 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet met betrekking tot de regeling van bepaalde procedures in het kader van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming type wet prom. 06/04/2010 pub. 30/06/2011 numac 2010015091 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning, aangenomen te New York op 20 december 2006
- Aan de hand van een conform verklaard technisch verslag wordt nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 tot en met paragraaf 3, is voldaan.". HOOFDSTUK
- - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/2010 pub. 12/04/2010 numac 2010011165 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet met betrekking tot de regeling van bepaalde procedures in het kader van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming type wet prom. 06/04/2010 pub. 30/06/2011 numac 2010015091 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning, aangenomen te New York op 20 december 2006
- a)is gevestigd op het grondgebied en een product vervaardigt onder zijn eigen naam of merk, of laat een product ontwerpen of vervaardigen dat hij onder zijn naam of merk op het grondgebied verhandelt of bestemt voor eigen gebruik;
- b)is gevestigd op het grondgebied en een product op het grondgebied wederverkoopt of bestemt voor eigen gebruik dat door andere leveranciers is geproduceerd onder zijn eigen naam of merk .Daarbij wordt de wederverkoper niet als producent van het product aangemerkt als het merkteken van de producent, vermeld in punt a), op het product zichtbaar is;
- c)is gevestigd op het grondgebied en brengt beroepsmatig voor het eerst op het grondgebied een product op de markt, al dan niet voor eigen gebruik;
- d)is gevestigd buiten het grondgebied en een product via verkoop op afstand rechtstreeks aan particuliere huishoudens op het grondgebied verkoopt. Diegene die uitsluitend voorziet in financiering op grond van of in het kader van een financieringsovereenkomst, en die de voor- en nadelen verbonden aan de eigendom niet draagt, wordt niet als producent van het product aangemerkt, tenzij hij ook optreedt als producent als vermeld in punt
- a)tot en met d);" 5° in paragraaf 2 wordt een punt 77° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt: "77° /1 sorteerinrichting voor bouw- en sloopafval: een vergunde inrichting voor het uitsorteren van bouw- en sloopafval via een aparte installatie.De sortering is een aparte activiteit en vindt plaats voor het eventuele breekproces;"; 6° in paragraaf 2 wordt punt 79° vervangen door wat volgt: "79° sorteerzeefzand: het zand dat ontstaat bij het zeven van puin bij een vergunde sorteerinrichting voor bouw- en sloopafval;"; 7° in paragraaf 2 wordt een punt 79° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt: "79° /1 thuisverzorging: de geneeskundige of diergeneeskundige behandelingen in het huis van de belanghebbende, verstrekt door de beoefenaar van een geneeskundig beroep, al dan niet in georganiseerd verband;"; 8° aan paragraaf 2 wordt een punt 95° toegevoegd, dat luidt als volgt: "95° bouw- en sloopmateriaal: materiaal afkomstig van bouw-, infrastructuur-, sloop-, ontmantelings- of renovatiewerken."; 9° er wordt een paragraaf 3/1 ingevoegd, die luidt als volgt: " § 3/1.Voor de toepassing van onderafdeling 3.4.4 van hoofdstuk 3 en onderafdeling 5.2.5 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder: 1° actief implanteerbaar medisch hulpmiddel: een actief implanteerbaar medisch hulpmiddel als vermeld in het koninklijk besluit van 15 juli 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 15/07/1997 pub. 01/08/1997 numac 1997022562 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit betreffende de actieve implanteerbare medische hulpmiddelen sluiten betreffende de actieve implanteerbare medische hulpmiddelen, dat EEA is;2° afzondering: de manuele, mechanische, chemische of metallurgische behandeling die ervoor zorgt dat gevaarlijke stoffen, mengsels en onderdelen tijdens het verwerkingsproces in een identificeerbare stroom of als identificeerbaar deel van een stroom zijn afgescheiden. Stoffen, mengsels of onderdelen zijn identificeerbaar als zij kunnen worden gemonitord om te verifiëren dat zij worden verwerkt op een wijze die veilig is voor het milieu; 3° distributeur van EEA: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die deel uitmaakt van de toeleveringsketen en EEA op de markt brengt.Een distributeur van EEA kan tezelfdertijd een producent van EEA als vermeld in 16° zijn; 4° gebruikte EEA: EEA dat al is gebruikt, maar dat niet noodzakelijk een afvalstof is;5° grote, niet-verplaatsbare industriële werktuigen: een groot geheel van machines, apparatuur en/of onderdelen die samenwerken voor een bepaalde toepassing, op een vaste plaats door vakmensen worden geïnstalleerd of afgebroken, en door vakmensen worden gebruikt en onderhouden in een industriële productieomgeving of een centrum voor onderzoek en ontwikkeling;6° grote, vaste installatie: een grootschalig samenstel van diverse typen apparaten en eventueel andere hulpmiddelen die cumulatief voldoen aan de volgende voorwaarden:
- a)ze wordt door vakmensen gemonteerd, geïnstalleerd en afgebroken;
- b)ze is bestemd voor permanent gebruik als onderdeel van een gebouw of een structuur op een vooraf bepaalde en speciaal daarvoor bestemde plaats;
- c)ze kan uitsluitend door dezelfde speciaal ontworpen apparatuur vervangen worden;7° heel kleine afgedankte EEA: afgedankte EEA met buitenafmetingen van ten hoogste 25 cm;8° hergebruikcentrum voor EEA: een rechtspersoon of natuurlijke persoon die beroepsmatig afgedankte EEA opslaat, sorteert en scheidt in potentieel herbruikbare afgedankte EEA en niet-herbruikbare afgedankte EEA, en die potentieel herbruikbare afgedankte EEA voorbereidt voor hergebruik;9° huishoudelijke afgedankte EEA: afgedankte EEA die afkomstig is van particuliere huishoudens en afgedankte EEA die afkomstig is van commerciële, industriële, institutionele en andere bronnen en die volgens de aard en hoeveelheid met die van particuliere huishoudens vergelijkbaar is.Afval van EEA die waarschijnlijk zowel door particuliere huishoudens als door andere gebruikers dan particuliere huishoudens wordt gebruikt, wordt in elk geval als huishoudelijk afgedankte EEA beschouwd; 10° in de handel brengen van EEA: het voor het eerst beroepsmatig op de markt brengen van een product op het grondgebied;11° medisch hulpmiddel: een medisch hulpmiddel of hulpstuk als vermeld in het koninklijk besluit van 18 maart 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 18/03/1999 pub. 14/04/1999 numac 1999022270 bron ministerie van binnenlandse zaken, ministerie van economische zaken en ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Koninklijk besluit betreffende de medische hulpmiddelen sluiten betreffende medische hulpmiddelen, dat EEA is;12° medisch hulpmiddel voor in-vitrodiagnostiek: een hulpmiddel of hulpstuk voor in-vitrodiagnostiek als vermeld in het koninklijk besluit van 14 november 2001 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek, dat EEA is;13° niet voor de weg bestemde mobiele machine: een machine met een interne krachtbron, waarvan de werking ofwel mobiliteit vereist, ofwel permanente of semipermanente beweging tussen een reeks vaste werklocaties tijdens het werk;14° op de markt brengen van EEA: het in het kader van een commerciële activiteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een product met het oog op distributie, consumptie of gebruik; 15° percentage van nuttige toepassing en voorbereiding voor hergebruik en recyclage: dat cijfer wordt berekend voor elke categorie overeenkomstig artikel 3.4.4.2 door het gewicht van de afgedankte EEA dat de inrichting voor nuttige toepassing of voorbereiding voor hergebruik en recyclage binnenkomt, na passende verwerking overeenkomstig artikel 5.2.5.3, te delen door het gewicht van alle gescheiden ingezamelde AEEA voor elke categorie, uitgedrukt als percentage; 16° producent van EEA: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die ongeacht de gebruikte verkooptechniek, met inbegrip van verkoop op afstand overeenkomstig de wet van 6 april 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/2010 pub. 12/04/2010 numac 2010011165 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet met betrekking tot de regeling van bepaalde procedures in het kader van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming type wet prom. 06/04/2010 pub. 30/06/2011 numac 2010015091 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning, aangenomen te New York op 20 december 2006
- a)is gevestigd op het grondgebied en een product vervaardigt onder zijn eigen naam of merk, of laat een product ontwerpen of vervaardigen dat hij onder zijn naam of merk op het grondgebied verhandelt;
- b)is gevestigd op het grondgebied en een product wederverkoopt dat door andere leveranciers is geproduceerd onder zijn eigen naam of merk.Daarbij wordt de wederverkoper niet als producent van het product aangemerkt als het merkteken van de producent, vermeld in punt a), op het product zichtbaar is;
- c)is gevestigd op het grondgebied en brengt beroepsmatig een product op de markt;
- d)is gevestigd buiten het grondgebied en een product via verkoop op afstand rechtstreeks aan particuliere huishoudens of aan andere gebruikers dan particuliere huishoudens op het grondgebied verkoopt. Diegene die uitsluitend voorziet in financiering op grond van of in het kader van een financieringsovereenkomst, en die de voor- en nadelen verbonden aan de eigendom niet draagt, wordt niet als producent van het product aangemerkt, tenzij hij ook optreedt als producent als vermeld in punt
- a)tot en met d); 17° professionele afgedankte EEA: alle afgedankte EEA die niet als huishoudelijk afgedankte EEA aangemerkt kunnen worden.". Art. 11.In artikel 2.2.2 van hetzelfde besluit wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt: "Als een materiaal niet voldoet aan de specifieke criteria vastgesteld in afdeling 2.3 kan ze slechts toegelaten worden, mits er vanuit milieuoogpunt valabele argumenten zijn en hiervoor een grondstofverklaring wordt bekomen.". Art. 12.In artikel 2.2.3 van hetzelfde besluit wordt het derde lid opgeheven. Art. 13.In artikel 2.2.6 van hetzelfde besluit wordt voor het eerste lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt: "Een grondstofverklaring wordt alleen afgeleverd voor een specifiek materiaal dat wordt geproduceerd door een specifieke producent of dat voortkomt uit een specifiek productieproces, en waarvoor een specifieke toepassing wordt beoogd.". Art. 14.In artikel 2.2.8, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1921 pub. 19/08/2013 numac 2013000498 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten0, wordt de zinsnede "en onderafdeling 2.3" opgeheven. Art. 15.In artikel 2.3.1.1 van hetzelfde besluit wordt het derde lid opgeheven. Art. 16.Artikel 2.3.1.3 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt: "Art. 2.3.1.3. § 1. Gft-compost, groencompost en het eindmateriaal van de biologische behandeling van organisch-biologische afvalstoffen moeten geproduceerd worden in een vergunde inrichting voor de biologische verwerking van organisch-biologische afvalstoffen die beschikt over een keuringsattest. § 2. De biologische verwerking van organisch-biologische afvalstoffen is onderworpen aan het kwaliteitsgarantiesysteem Meststoffen-Bodemverbeterende Middelen. Het kwaliteitsgarantiesysteem heeft tot doel te garanderen dat afvalstoffen worden omgezet in kwalitatief hoogwaardige eindmaterialen voor nuttige toepassing. Het kwaliteitsgarantiesysteem wordt beheerd door de OVAM. Het kwaliteitsgarantiesysteem wordt goedgekeurd bij ministerieel besluit en wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. § 3. De inrichtingen voor de biologische verwerking van organisch-biologische afvalstoffen met het oog op de productie van bodemverbeterende middelen en/of meststoffen vergoeden de OVAM voor de ontwikkeling en het beheer van het kwaliteitsgarantiesysteem. De minister kan bindende voorschriften vaststellen voor de berekening van de vergoeding. Ze worden opgesteld in overleg met de betrokken partners. § 4. Het keuringsattest, vermeld in paragraaf 1, wordt afgeleverd door een certificeringsinstelling overeenkomstig het kwaliteitsgarantiesysteem Meststoffen-Bodemverbeterende Middelen. Een certificeringsinstelling wordt erkend door de minister, na advies van de OVAM. De procedure is opgenomen in het Algemeen Reglement van de Certificering. § 5. De certificeringsinstellingen voeren de certificeringsactiviteiten op het terrein uit zoals beschreven in het kwaliteitsgarantiesysteem Meststoffen-Bodemverbeterende Middelen. Hun taken zijn: 1° de uitvoering en opvolging van monsternemingen, analyses en audits conform het Algemeen Reglement van de Certificering;2° de aflevering, schorsing of intrekking van keuringsattesten conform het Algemeen Reglement van de Certificering;3° de rapportering aan de OVAM, onder meer door:
- a)een maandelijks overzicht van de afgeleverde, geschorste of ingetrokken keuringsattesten;
- b)verslagen van audits en actieplannen die opgelegd zijn naar aanleiding van non-conformiteiten bij vergunde inrichtingen voor het verwerken van organisch-biologische afvalstoffen, om hun keuringsattest te verkrijgen of te behouden;
- c)jaarlijkse rapportering over de certificeringsactiviteiten. § 6. Het Algemeen Reglement van de Certificering wordt goedgekeurd bij ministerieel besluit en wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het bestaat uit een organisatorisch deel waarin voorwaarden voor de certificeringsinstellingen zijn opgenomen en uit een uitvoerend deel met voorwaarden voor de inrichtingen voor de biologische verwerking van organisch-biologische afvalstoffen. § 7. De OVAM houdt als onafhankelijk toezichtsorgaan toezicht op het kwaliteitsgarantiesysteem Meststoffen-Bodemverbeterende Middelen. De OVAM zal onder meer de volgende taken uitvoeren: 1° toezicht houden op het Algemeen Reglement van de Certificering en op het kwaliteitsgarantiesysteem; 2° behandelen van de beroepen tegen beslissingen over de verlening, schorsing of intrekking van de keuringsattesten.". Art. 17.In artikel 2.3.2.1 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt: " § 2. In afwijking van paragraaf 1 hoeven de materialen, vermeld in bijlage 2.2, afdeling 2, meer bepaald asfaltgranulaat, gerecycleerde bitumineuze granulaten, brekerzeefzand van asfalt en brekerzand van asfalt, niet te voldoen aan de parameter minerale olie. Onder pak-houdend brekerzeefzand van asfalt en pak-houdend brekerzand van asfalt wordt verstaan dat de norm voor een van de polycyclische aromatische koolwaterstoffen, vermeld in bijlage 2.3.2.A, wordt overschreden. Voor de bepaling van het pak-gehalte in asfaltgranulaat is alleen de pak-spray-test van toepassing. Als bij gebruik van de pak-spraytest een gele verkleuring wordt verkregen, is het asfaltgranulaat pak-houdend. In afwijking van paragraaf 1 hoeft de voormelde pak-houdende grondstof niet te voldoen aan de parameters pak bij gebruik overeenkomstig artikel 5.3.3.4. Als bij gebruik van de pak-spraytest geen gele verkleuring wordt verkregen, is het asfaltgranulaat niet pak-houdend.". Art. 18.In artikel 2.3.2.2 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° aan het tweede lid wordt de volgende zin toegevoegd: "Het eenheidsreglement voor gerecycleerde granulaten wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad."; 2° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt: "Het puin, dat aangeleverd wordt met een sloopattest, kan door de producent van gerecycleerde granulaten verwerkt worden zonder te voldoen aan de uitgebreide procedure voor de keuring van gerecycleerde granulaten, opgenomen in de bepalingen van de bijlage bij het ministerieel besluit van 25 juli 2011Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 25/07/2011 pub. 05/08/2011 numac 2011002039 bron federale overheidsdienst personeel en organisatie Ministerieel besluit tot uitvoering van artikel 16, § 2 eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel sluiten houdende de goedkeuring van het eenheidsreglement gerecycleerde granulaten. Art. 19.In artikel 2.3.2.3 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 1 opgeheven. Art. 20.In artikel 2.4.2.4, derde lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede ", vermeld in artikel 2.4.2.3, § 2" opgeheven. Art. 21.In artikel 3.1.1, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt punt 9° opgeheven. Art. 22.In artikel 3.2.1.1 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt: " § 3.Tenzij anders is vermeld in de afdelingen 3.3 en 3.4, worden de huishoudelijke afvalstoffen ingezameld in samenwerking met de gemeenten. De producenten dragen in het geval, vermeld in het eerste lid, de nettokosten ten laste voor de inzameling en scheiding van de afvalstoffen die onderworpen zijn aan de aanvaardingsplicht en die werden ingezameld via de gemeentelijke inzamelkanalen. De vergoeding van de nettokosten wordt onderling afgesproken. Als geen akkoord wordt bereikt, kan de minister, na advies van de OVAM, bindende voorschriften vaststellen voor de aanrekening van die kosten. Die voorschriften bevatten onder meer een lijst van te vergoeden kosten. Ze worden opgesteld in overleg met de betrokken partners. Om recht te hebben op de vergoeding, vermeld in het tweede lid, moet de inzameling gratis zijn voor de consument."; 2° er wordt een paragraaf 4/1 ingevoegd, die luidt als volgt: " § 4/1.De producent waarvoor de aanvaardingsplicht geldt, kan bijkomende inzamelkanalen opzetten voor de afvalstoffen waarop de aanvaardingsplicht van toepassing is. De producenten kunnen daarbij een beroep doen op derden om bepaalde taken uit te voeren. De inzamelkanalen, vermeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° de afvalstoffen worden opgeslagen zonder schade of verontreiniging van mens, milieu of directe omgeving;2° bij de opslag wordt gezorgd voor een georganiseerde regelmatige afvoer van de afvalstoffen;3° de afvalstoffen worden ingezameld conform de wettelijke bepalingen;4° het inzamelsysteem draagt bij tot een duurzaam materialenbeheer;5° een zekere continuïteit van de inzameling wordt gegarandeerd. De inzamelkanalen, vermeld in het eerste lid, worden goedgekeurd door de OVAM. Een schriftelijke beschrijving van het inzamelsysteem, de inzamelpunten, de deelnemende actoren en hun verantwoordelijkheden wordt aan de OVAM voorgelegd. De OVAM heeft 30 dagen de tijd om dergelijke inzamelkanalen al dan niet goed te keuren. Als de OVAM om aanvullende informatie verzoekt, kan de termijn maximaal met één maand worden verlengd. Die termijn gaat in vanaf de datum van de ontvangst van alle opgevraagde informatie. De producent informeert de gemeenten en intercommunales: 1° over elke goedkeuring van een inzamelkanaal dat actief is op hun grondgebied; 2° jaarlijks over de hoeveelheid afvalstoffen die de inzamelkanalen hebben ingezameld en de wijze van verwerking."; 3° paragraaf 5 wordt vervangen door wat volgt: " § 5.Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon is verantwoordelijk voor de financiering van de verplichtingen die de aanvaardingsplicht voor hem meebrengt. De financiering kan worden georganiseerd via een collectieve of individuele regeling.". Art. 23.In artikel 3.2.1.2 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, 2° wordt de zinsnede "in het decreet van 15 juni 1994 betreffende de milieubeleidsovereenkomsten" vervangen door de zinsnede "in titel VI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid"; 2° in paragraaf 2, eerste lid wordt punt 5° vervangen door wat volgt: "5° maatregelen voor de vergoeding van de gemeentelijke inzamelkanalen;". Art. 24.In artikel 3.2.1.3, § 1, tweede lid, 2°, van hetzelfde besluit wordt tussen de woorden "of -makelaars" en de woorden "en verwerkers" de zinsnede ", hergebruikcentra" ingevoegd. Art. 25.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012, 16 november 2012, 1 maart 2013, 21 juni 2013 en 29 november 2013, wordt een artikel 3.2.1.5 ingevoegd, dat luidt als volgt: "Art. 3.2.1.5. Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevestigd is buiten het grondgebied en die, via verkoop op afstand, rechtstreeks verkoopt aan particuliere huishoudens op het grondgebied, wijst een op het grondgebied gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon aan als gevolmachtigde die verantwoordelijk is voor het nakomen van de verplichtingen van de producent die uit dit besluit voortvloeien. Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevestigd is buiten het grondgebied en die, ongeacht de verkooptechniek, verkoopt aan andere personen dan particuliere huishoudens of andere gebruikers dan particuliere op het grondgebied, kan een op het grondgebied gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon aanduiden als gevolmachtigde die verantwoordelijk is voor het nakomen van de verplichtingen van de producent die uit dit besluit voortvloeien. De op het grondgebied gevestigde gevolmachtigde is onderworpen aan dezelfde verplichtingen als de producent. Een gevolmachtigde wordt aangewezen via een schriftelijke volmacht vooraleer er producten op de markt worden gebracht. Bij de aanduiding van een gevolmachtigde en bij beëindiging van die volmacht wordt de OVAM onmiddellijk door beide partijen schriftelijk op de hoogte gebracht en wordt er een nieuwe gevolmachtigde aangewezen.". Art. 26.In artikel 3.2.2.1, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt punt 1° vervangen door wat volgt: "1° de milieubeleidsovereenkomst wordt gesloten overeenkomstig titel VI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Elke betrokken overkoepelende representatieve organisatie van ondernemingen tekent daarbij voor de engagementen die voortvloeien uit de wettelijke verplichtingen van haar leden;". Art. 27.In artikel 3.2.3.1, eerste lid, 1°, a), van hetzelfde besluit wordt het woord "btw-nummer" vervangen door het woord "ondernemingsnummer". Art. 28.In artikel 3.2.3.4, 1°, van hetzelfde besluit wordt het woord "btw-nummer" vervangen door het woord "ondernemingsnummer". Art. 29.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012, 16 november 2012, 1 maart 2013, 21 juni 2013 en 29 november 2013, wordt een artikel 3.3.6 ingevoegd, dat luidt als volgt: "Artikel 3.3.6. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, die via een collectief plan onderworpen is aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, kan andere inzamelkanalen naast de gemeentelijke inzamelkanalen opzetten voor huishoudelijke afvalstoffen waarop het collectief plan van toepassing is. De natuurlijke personen en rechtspersonen kunnen daarbij een beroep doen op derden om bepaalde taken uit te voeren. De inzamelkanalen, vermeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° het inzamelsysteem kan alleen opgezet worden bij de eindverkopers van de huishoudelijke producten waarvan de afvalstoffen het toepassingsgebied vormen van het collectief plan;2° de afvalstoffen worden opgeslagen zonder schade of verontreiniging van mens, milieu of directe omgeving;3° bij de opslag wordt gezorgd voor een georganiseerde regelmatige afvoer van de afvalstoffen;4° de afvalstoffen worden ingezameld conform de wettelijke bepalingen;5° het inzamelsysteem draagt bij tot een duurzaam materialenbeheer;6° een zekere continuïteit van de inzameling wordt gegarandeerd. De inzamelkanalen, vermeld in het eerste lid, worden goedgekeurd door de OVAM. Een schriftelijke beschrijving van het inzamelsysteem, de inzamelpunten, de deelnemende actoren en hun verantwoordelijken wordt aan de OVAM voorgelegd. De OVAM heeft 30 dagen de tijd om dergelijke inzamelkanalen al dan niet goed te keuren. Als de OVAM om aanvullende informatie verzoekt, kan de termijn maximaal met een maand worden verlengd. Die termijn gaat in vanaf de datum van de ontvangst van alle opgevraagde informatie. De natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inzamelkanaal als vermeld in het eerste lid heeft opgezet, rapporteert jaarlijks voor 1 april aan de OVAM: 1° over de aard en hoeveelheid ingezamelde afvalstoffen;2° over de wijze van verwerking van de ingezamelde afvalstoffen. De OVAM informeert de gemeenten en de intercommunales: 1° over elke goedkeuring van een inzamelkanaal dat actief is op hun grondgebied; 2° jaarlijks over de door die inzamelkanalen ingezamelde hoeveelheid afvalstoffen en de wijze van verwerking.". Art. 30.Artikel 3.4.1.1 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt: "Art. 3.4.1.1. Stickers die de OVAM heeft geaccepteerd en die worden gebruikt om aan te geven dat in een brievenbus al dan niet reclamedrukwerk of gratis regionale pers mag worden gestoken, worden gerespecteerd.". Art. 31.Artikel 3.4.1.2 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt: "Art. 3.4.1.2. De sector van de uitgevers van gratis regionale pers: 1° stelt gratis stickers ter beschikking van de mensen die dat willen ter beperking van de verspreiding van ongewenst reclamedrukwerk en gratis regionale pers;2° rapporteert aan de OVAM over het aantal verdeelde stickers en het gebruik van de stickers. Er wordt een overeenkomst, die de modaliteiten van deze bepalingen vastlegt, gesloten tussen de OVAM en de sector van de uitgevers van gratis regionale pers indien een van de partijen hiertoe verzoekt.". Art. 32.Artikel 3.4.1.3 tot en met 3.4.1.6 van hetzelfde besluit worden opgeheven. Art. 33.In artikel 3.4.3.2 van hetzelfde besluit wordt punt 3° vervangen door wat volgt: "3° het totale percentage hergebruik, loopvlakvernieuwing en recyclage van de ingezamelde banden minstens 55 % bedraagt;". Art. 34.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012, 16 november 2012, 1 maart 2013 en 29 november 2013, wordt onderafdeling 3.4.4, die bestaat uit artikel 3.4.4.1 tot en met 3.4.4.8, vervangen door wat volgt: "Onderafdeling 3.4.4. Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur Art. 3.4.4.1. § 1. Voor afgedankte EEA wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door middel van de aanvaardingsplicht, vermeld in afdeling 3.2. Met behoud van de uitzonderingen, vermeld in paragraaf 2 en 3, is de aanvaardingsplicht van toepassing op: 1° de grote huishoudelijke apparaten (categorie 1) vanaf 1 juli 1999;2° de kleine huishoudelijke apparaten (categorie 2) vanaf 1 juli 1999;3° de IT- en telecommunicatieapparatuur (categorie 3) vanaf 1 juli 1999;4° de consumentenapparatuur (categorie 4) vanaf 1 juli 1999;5° de afgedankte fotovoltaïsche zonnepanelen (categorie 4) vanaf 1 januari 2013;6° de afgedankte huishoudelijke en niet-huishoudelijke verlichtingsapparatuur (categorie 5) vanaf 1 januari 2004;7° de gasontladingslampen (categorie 5) vanaf 1 juli 2005;8° het elektrisch en elektronisch tuingereedschap, met uitzondering van grote, niet-verplaatsbare industriële installaties (categorie 6) vanaf 1 juli 1999;9° ander elektrisch en elektronisch gereedschap, met uitzondering van grote, niet-verplaatsbare industriële installaties (categorie 6) vanaf 1 januari 2004;10° het speelgoed en de apparatuur voor sport en ontspanning (categorie 7) vanaf 1 januari 2004;11° de medische hulpmiddelen, met uitzondering van alle geïmplanteerde en geïnfecteerde producten (categorie 8) vanaf 13 augustus 2005;12° de meet- en controle-instrumenten (categorie 9) vanaf 1 januari 2004;13° de automaten (categorie 10) vanaf 13 augustus 2005;14° de professionele afgedankte EEA (van categorie 1 tot en met 10) vanaf 13 augustus 2005;15° alle afgedankte EEA die niet zijn opgenomen in de categorieën, vermeld in punt 1° tot en met 14°, vanaf 15 augustus 2018. § 2. De aanvaardingsplicht is niet van toepassing op de volgende apparatuur: 1° de apparatuur die noodzakelijk is voor de bescherming van de wezenlijke belangen van de veiligheid van lidstaten, met inbegrip van wapens, munitie en oorlogsmateriaal voor specifiek militaire doeleinden;2° de apparatuur die specifiek is ontworpen en geïnstalleerd om deel uit te maken van andere apparatuur die is uitgesloten van de aanvaardingsplicht of niet onder het toepassingsgebied van de aanvaardingplicht valt, en die haar functie alleen kan vervullen als ze deel uitmaakt van die laatst vermelde apparatuur;3° de gloeilampen. § 3. Vanaf 15 augustus 2018 is de aanvaardingsplicht bovendien niet van toepassing op: 1° de apparatuur die is ontworpen om de ruimte ingestuurd te worden;2° de grote, niet-verplaatsbare industriële werktuigen;3° de grote, vaste installaties, met uitzondering van apparatuur die zich in zulke installaties bevindt, maar die niet specifiek is ontworpen en geïnstalleerd als onderdeel van zulke installaties;4° de vervoermiddelen voor personen of goederen, uitgezonderd elektrische voertuigen op twee wielen waarvoor geen type goedkeuring is verleend;5° de niet voor de weg bestemde mobiele machines die uitsluitend voor beroepsmatig gebruik ter beschikking zijn gesteld;6° de apparatuur die speciaal is ontworpen en uitsluitend dient voor doeleinden van onderzoek en ontwikkeling en die alleen door een bedrijf aan een ander bedrijf ter beschikking wordt gesteld;7° de medische hulpmiddelen en medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek, als die hulpmiddelen naar verwachting vóór het einde van hun levensduur infectieus zijn en niet gedesinfecteerd kunnen worden, en actieve implanteerbare medische hulpmiddelen. § 4. Distributeurs van EEA die beschikken over een verkoopoppervlak voor EEA van ten minste 400 m2, zorgen in de onmiddellijke nabijheid voor de inzameling, die gratis is voor de laatste houder van heel kleine afgedankte EEA, zonder de verplichting EEA van een vergelijkbaar type te kopen. De producenten van EEA stellen daarvoor gratis een aangepast inzamelrecipiënt ter beschikking. De distributeur van EEA plaatst dat inzamelrecipiënt op een duidelijk zichtbare plaats in zijn verkoopruimte. Deze verplichting vervalt als een onderzoek, voorgelegd aan en goedgekeurd door de OVAM, uitwijst dat alternatieve bestaande of nieuwe inzamelingsregelingen waarschijnlijk minstens even doeltreffend zijn. § 5. In aanvulling op de voorwaarde, vermeld in artikel 3.2.1.1, § 4, is de aanvaarding van huishoudelijke afgedankte EEA, vermeld in artikel 3.2.1.1, § 1, § 2 en § 3, gratis, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: 1° de apparatuur alle onderdelen bevat die noodzakelijk zijn voor het functioneren van het apparaat;2° de apparatuur geen afvalstoffen bevat die vreemd zijn aan het afgedankte EEA;3° de apparatuur geen verontreinigingen bevat die een risico voor de gezondheid en de veiligheid van het personeel bij de inleveringspunten opleveren, gelet op de geldende veiligheids- en gezondheidsvoorschriften. Als aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, niet is voldaan, kunnen kosten worden bedongen in verhouding tot het gebrek. Zolang niet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 2° of 3°, is voldaan, kan de aanvaarding geweigerd worden. § 6. In afwijking van artikel 3.2.1.1, § 3, is de samenwerking met de gemeenten voor de inzameling van afgedankte professionele EEA en afgedankte fotovoltaïsche zonnepanelen niet verplicht. Art. 3.4.4.2. Elektrische en elektronische apparatuur wordt ingedeeld in de volgende tien categorieën: 1° categorie 1: de grote huishoudelijke apparaten;2° categorie 2: de kleine huishoudelijke apparaten;3° categorie 3: de IT- en telecommunicatieapparatuur;4° categorie 4: de consumentenapparatuur en fotovoltaïsche zonnepanelen;5° categorie 5: de verlichtingsapparatuur;6° categorie 6: het elektrisch en elektronisch gereedschap, met uitzondering van grote, niet-verplaatsbare industriële installaties;7° categorie 7: het speelgoed en de ontspannings- en sportapparatuur;8° categorie 8: de medische hulpmiddelen, met uitzondering van alle geïmplanteerde en geïnfecteerde producten;9° categorie 9: de meet- en controle-instrumenten;10° categorie 10: de automaten. Vanaf 15 augustus 2018 wordt elektrische en elektronische apparatuur ingedeeld in de volgende zes categorieën: 1° categorie 1: de warmte of koude -uitwisselende apparatuur;2° categorie 2: de schermen-, monitors en apparatuur met schermen die een oppervlakte hebben van meer dan 100 cm2;3° categorie 3: de lampen, inclusief led lampen;4° categorie 4: de grote apparatuur met een buitenafmeting van meer dan 50 cm;5° categorie 5: de kleine apparatuur met een buitenafmeting van ten hoogste 50 cm;6° categorie 6: de kleine IT- en telecommunicatieapparatuur met een buitenafmeting van ten hoogste 50 cm. De minister kan een lijst vaststellen van de apparatuur die onder de categorieën, vermeld in het eerste en tweede lid, vallen. Art. 3.4.4.3. Aanvullend op de voorwaarden, vermeld in artikel 3.2.1.3, § 1, tweede lid, 1°, 2° en 3°, geldt dat de onafhankelijke keuringsinstelling geaccrediteerd moet zijn overeenkomstig ISO 17020. De kosten van de validatie van de cijfergegevens van producenten van EEA, inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars, hergebruikcentra en verwerkers die in het kader van de aanvaardingsplicht een contract hebben met een beheersorganisme of de producent van EEA, worden gedragen door het beheersorganisme of de producent van EEA. Als echter een zware fout of nalatigheid wordt vastgesteld, zijn de kosten ten laste van de contractant. Art. 3.4.4.4. Voor de financiering van de aanvaardingplicht geldt: 1° voor huishoudelijke afgedankte EEA:
- a)wat producten betreft die na de startdatum van de aanvaardingsplicht op de markt gebracht werden, is elke producent verantwoordelijk voor de financiering van de aanvaardingsplicht.De producent kan kiezen tussen een collectieve regeling en een individuele regeling;
- b)de verantwoordelijkheid voor de financiering van de kosten van het beheer van afgedankte EEA die voor de startdatum van de aanvaardingsplicht op de markt zijn gebracht, berust bij een of meer systemen waaraan alle producenten die op de markt aanwezig zijn op het tijdstip waarop die kosten ontstaan, naar evenredigheid bijdragen, bijvoorbeeld naar evenredigheid van hun marktaandeel voor de apparatuur in kwestie;
- c)de producenten stellen een financiële zekerheid waaruit blijkt dat het beheer van de afgedankte EEA zal worden gefinancierd als ze een product op de markt brengen.De financiële zekerheid heeft betrekking op de financiering van de inzameling en de milieuhygiënisch verantwoorde verwerking van dat product. Ze kan de vorm hebben van een recyclageverzekering, een geblokkeerde bankrekening of een deelneming van de producent aan passende financiële regelingen voor de financiering van het beheer van afgedankte EEA;
- d)de producenten zorgen voor een passende regeling of vergoedingsprocedure voor de terugbetaling van de bijdragen aan de distributeur van EEA als er EEA worden uitgevoerd;2° voor professionele afgedankte EEA:
- a)voor producten die vanaf 13 augustus 2005 op de markt gebracht worden, is elke producent verantwoordelijk voor de financiering van de inzameling en de milieuhygiënisch verantwoorde verwerking van de afgedankte EEA die afkomstig zijn van andere dan particuliere huishoudens;
- b)voor de historische voorraad van producten die voor 13 augustus 2005 op de markt werden gebracht en die worden vervangen door nieuwe, gelijkwaardige producten met dezelfde functie, worden de kosten gedragen door de producenten van die nieuwe producten op het moment dat ze worden geleverd.Voor de andere historische voorraad worden de kosten gedragen door de andere gebruikers dan particuliere huishoudens;
- c)producenten en andere gebruikers dan particuliere huishoudens kunnen met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit artikel andere financieringsregelingen overeenkomen.Die voorwaarden worden duidelijk opgenomen in de verkoopsovereenkomst of de offerte van het nieuwe product. Art. 3.4.4.5. De afgedankte EEA die met toepassing van de aanvaardingsplicht, vermeld in artikel 3.2.1.1, in ontvangst worden genomen, alsook de afgedankte EEA die door of in opdracht van de gemeenten worden ingezameld, worden met het oog op het hergebruik in de eerste plaats gescheiden in potentieel herbruikbare afgedankte EEA enerzijds, en niet-herbruikbare afgedankte EEA anderzijds, op basis van een visuele voorselectie op herbruikbaarheid ervan voor hetzelfde doel. De eindverkopers, tussenhandelaars, producenten van EEA, alsook de gemeenten, kunnen voor de scheiding, vermeld in het eerste lid, een beroep doen op kringloopcentra en hergebruikcentra voor EEA. De visuele voorselectie op herbruikbaarheid, alsook de verdere voorbereiding op hergebruik, gebeurt overeenkomstig artikel 5.2.5.8 en 5.2.5.10. Art. 3.4.4.6. De minimale inzameldoelstelling van afgedankte EEA met toepassing van de aanvaardingsplicht bedraagt 11 kg per inwoner per jaar. Het totale gewicht van het ingezamelde afgedankte EEA neemt geleidelijk aan toe, tenzij het inzamelingspercentage, vermeld in het tweede lid, al werd bereikt. Vanaf januari 2016 bedraagt het inzamelpercentage 45 %, berekend op basis van het totale gewicht van de afgedankte EEA die in de loop van een gegeven jaar is ingezameld, uitgedrukt als percentage van de jaarlijkse gemiddelde gewichtshoeveelheid EEA die de voorgaande drie jaren in de handel werd gebracht. Vanaf 1 januari 2019 bedraagt het jaarlijks te halen inzamelingspercentage 65 % ten opzichte van het gemiddelde van de gewichtshoeveelheid EEA die de voorgaande drie jaren in de handel werd gebracht, of anders 85 % ten opzichte van de hoeveelheid beschikbaar AEEA in gewicht. De berekening van de hoeveelheid beschikbaar AEEA in gewicht, vermeld in het derde lid, kan worden vastgesteld door de minister. Art. 3.4.4.7. Voor nuttige toepassing, voorbereiding voor hergebruik en recyclage van materialen, onderdelen en stoffen zijn de volgende doelstellingen van toepassing: 1° minimale doelstellingen, van toepassing op de categorieën, vermeld in artikel 3.4.4.2, eerste lid:
- a)voor afgedankte EEA die onder categorie 1 of 10 als vermeld in artikel 3.4.4.2, eerste lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen: 1) 85 % wordt nuttig toegepast;2) 80 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
- b)voor afgedankte EEA die onder categorie 3 of 4 als vermeld in artikel 3.4.4.2, eerste lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen: 1) 80 % wordt nuttig toegepast;2) 70 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
- c)voor afgedankte EEA die onder categorie 2, 5, 6, 7, 8 of 9 als vermeld in artikel 3.4.4.2, eerste lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen: 1) 75 % wordt nuttig toegepast;2) 70 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
- d)van gasontladingslampen wordt 80 % gerecycleerd;2° de verwerking leidt ertoe dat de volgende percentages van voorbereiding voor hergebruik en recyclage van materialen worden behaald:
- a)voor het ferrometaal: 95 %;
- b)voor het non-ferrometaal: 95 %;
- c)voor de kunststoffen: 50 %;3° de kunststoffen worden voor 80 % nuttig toegepast; 4° de afgedankte batterijen en accu's worden verwerkt overeenkomstig artikel 3.4.5.2. Vanaf 15 augustus 2018 zijn voor nuttige toepassing, voorbereiding voor hergebruik en recyclage van materialen, onderdelen en stoffen de volgende doelstellingen van toepassing: 1° minimale doelstellingen van toepassing op de categorieën vermeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid:
- a)voor afgedankte EEA die onder categorie 1 of 4 als vermeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen: 1) 85 % wordt nuttig toegepast;2) 80 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
- b)voor afgedankte EEA die onder categorie 2 als vermeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen: 1) 80 % wordt nuttig toegepast;2) 70 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
- c)voor afgedankte EEA die onder categorie 5 of 6 als vermeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen: 1) 75 % wordt nuttig toegepast;2) 70 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
- d)voor afgedankte EEA die onder categorie 3 als vermeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid, vallen, wordt 80 % gerecycleerd; 2° de verwerking leidt ertoe dat de volgende percentages van voorbereiding voor hergebruik en recyclage van materialen worden behaald:
- a)voor het ferrometaal: 95 %;
- b)voor het non-ferrometaal: 95 %;
- c)voor de kunststoffen: 50 %;3° de kunststoffen worden voor 80 % nuttig toegepast; 4° de afgedankte batterijen en accu's worden verwerkt overeenkomstig artikel 3.4.5.2. De doelstellingen, vermeld in het eerste en het tweede lid, gelden voor elk van de categorieën, vermeld in artikel 3.4.4.2, en worden jaarlijks gerapporteerd aan de OVAM voor 1 juli overeenkomstig artikel 3.4.4.12 en 5.2.5.4. De percentages, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden op de twee volgende wijzen berekend: 1° de hoeveelheid van materialen die nuttig worden toegepast, worden voorbereid voor hergebruik en worden gerecycleerd;2° alleen de werkelijke hoeveelheid van materialen die nuttig werden toegepast en werden voorbereid voor hergebruik en werden gerecycleerd mogen in rekening worden genomen. Art. 3.4.4.8. Aanvullend op de verplichtingen, vermeld in artikel 3.2.1.1, § 1, zijn de eindverkopers van EEA die een elektrisch of elektronisch apparaat bij de consument aan huis leveren, verplicht om bij de levering het overeenstemmende afgedankte apparaat ter plaatse bij de consument in ontvangst te nemen. Art. 3.4.4.9. De producenten van EEA zorgen ervoor, in het bijzonder met voorlichtingscampagnes, dat de eindgebruikers volledig worden geïnformeerd over: 1° de verplichting om afgedankte EEA selectief aan te bieden;2° de voor hen beschikbare inzamelings- en recyclagesystemen;3° hun rol bij de bevordering van hergebruik, recyclage en andere nuttige toepassing van afgedankte EEA;4° de mogelijke gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid van de aanwezigheid van gevaarlijke bestanddelen in EEA;5° de betekenis van het symbool van de doorgestreepte vuilnisbak op wieltjes. Art. 3.4.4.10. De producenten van EEA, of de organisatie die ze daarvoor hebben aangewezen, registreren zich. Daarvoor stellen ze de volgende gegevens ter beschikking van de OVAM of van de organisatie die ze daarvoor hebben aangewezen: 1° de naam van de producent of gevolmachtigde, het postnummer en de plaats, de straatnaam en het nummer, het land, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon.In geval van een gevolmachtigde als vermeld in artikel 3.2.3.6, ook de contactgegevens van de producent die wordt vertegenwoordigd; 2° de nationale identificatiecode van de producent van EEA, met inbegrip van het ondernemingsnummer van de producent; 3° de categorie waartoe het EEA behoort, vermeld in artikel 3.4.4.2; 4° de soort EEA, huishoudelijke of professionele apparatuur;5° de merknaam van de EEA;6° de informatie over de wijze waarop de producent zijn verantwoordelijkheden nakomt, individueel of via een collectieve regeling, met inbegrip van informatie over de financiële zekerheid;7° de gebruikte verkooptechniek, bijvoorbeeld verkoop op afstand;8° de verklaring dat de verstrekte informatie in overeenstemming is met de waarheid. Art. 3.4.4.11. De producenten van EEA bepalen in overleg met de distributeur van EEA, de inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of -makelaar, de verwerker, het hergebruikcentrum en de kennisgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van 14 juni 2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de overbrenging van afvalstoffen, de modaliteiten voor het verstrekken van de informatie, vermeld in artikel 3.4.4.12. en 5.2.5.4. De modaliteiten houden rekening met de confidentialiteit van de informatie en omvatten ook de mogelijkheid van toegang tot het systeem voor de toezichthouders en de onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd overeenkomstig ISO 17020 in het kader van de validatie van die gegevens. Art. 3.4.4.12. § 1. De distributeur van EEA of de organisatie die daarvoor is aangewezen, stelt voor 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM of van de organisatie die daarvoor is aangewezen: 1° de naam van de distributeur van EEA, het ondernemingsnummer, het postnummer en de plaats, de straatnaam en het nummer, het land, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon;2° de rapportageperiode; 3° de hoeveelheid afgedankte EEA, uitgedrukt in kilogram en aantallen EEA, huishoudelijke of professionele apparatuur en per categorie als vermeld in artikel 3.4.4.2, die op het grondgebied, dan wel binnen of buiten de Unie is overgebracht die:
- a)in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werd ingezameld;
- b)werden aangeboden aan een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar;
- c)werden aangeboden aan een producent van EEA;
- d)werden voorbereid voor hergebruik, alsook het aandeel daarvan dat uiteindelijk in hergebruik werd gebracht;
- e)werden aangeboden aan een vergunde verwerker van afgedankte EEA; 4° de hoeveelheden afvalstoffen die voortkomen uit de verwerking van afgedankte EEA, uitgedrukt in kilogram en opgesplitst per materiaal als vermeld in artikel 3.4.4.7, en per categorie als vermeld in artikel 3.4.4.2, die:
- a)werden gerecycleerd;
- b)op een andere wijze nuttig werden toegepast;
- c)werden verwijderd in installaties voor de verbranding van afvalstoffen;
- d)werden verwijderd door storten. De gegevens van de distributeur van EEA die aan de OVAM of aan de organisatie die daarvoor is aangewezen, worden verstrekt, worden op vraag van de OVAM gevalideerd door een onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd overeenkomstig ISO 17020. Als voor één of meer van de voormelde activiteiten een beroep werd gedaan op een derde, worden de volgende contactgegevens van die derde telkens vermeld: de firmanaam, het ondernemingsnummer, het adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon. § 2. De producent van EEA of de organisatie die daarvoor is aangewezen, stelt voor 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM of de organisatie die daarvoor is aangewezen: 1° de nationale identificatiecode van de producent;2° de rapportageperiode; 3° de categorie waartoe de EEA behoort, vermeld in artikel 3.4.4.2, met de aparte vermelding van de hoeveelheden, uitgedrukt in kilogram en per stuk, die op het grondgebied op de markt werden gebracht; 4° de hoeveelheid afgedankte EEA, uitgedrukt in kilogram en aantallen EEA, huishoudelijke of professionele apparatuur en per categorie als vermeld in artikel 3.4.4.2, die op het grondgebied, dan wel binnen of buiten de Unie is overgebracht die:
- a)in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werden ingezameld;
- b)werden aangeboden aan een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar;
- c)werden aangeboden aan een andere producent van EEA;
- d)werden voorbereid voor hergebruik, alsook het aandeel daarvan dat uiteindelijk in hergebruik werd gebracht;
- e)werden aangeboden aan een vergunde verwerker van afgedankte EEA; 5° de hoeveelheden afvalstoffen die voortkomen uit de verwerking van afgedankte EEA, uitgedrukt in kilogram en opgesplitst per materiaal als vermeld in artikel 3.4.4.7, en per categorie als vermeld in artikel 3.4.4.2, die:
- a)werden gerecycleerd;
- b)op een andere wijze nuttig werden toegepast;
- c)werden verwijderd in installaties voor de verbranding van afvalstoffen;
- d)werden verwijderd door storten. Als voor een of meer van de voormelde activiteiten een beroep werd gedaan op een derde, worden de volgende contactgegevens van die derde telkens vermeld: de firmanaam, het ondernemingsnummer, het adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon. Art. 3.4.4.13. De producenten van EEA verstrekken informatie om de correcte en milieuhygiënisch verantwoorde verwerking van afgedankte EEA, inbegrepen onderhoud, voorbereiding voor hergebruik, verbetering en ombouw, te vergemakkelijken. De producenten van afgedankte EEA geven informatie voor elk in de handel gebracht nieuw type EEA over de voorbereiding voor hergebruik en de verwerking. Ze doen dat binnen het jaar nadat ze die voor de eerste keer in de handel hebben gebracht. Voor zover de centra die de voorbereiding voor hergebruik verrichten, de verwerkings- en recyclageinrichtingen en de bevoegde overheden dat nodig hebben, bevat de informatie aanwijzingen over de verschillende onderdelen en materialen van de apparatuur, over de energielabels, alsook over de plaatsen in de apparatuur waar zich gevaarlijke stoffen en mengsels bevinden. De producenten van EEA verstrekken die informatie gratis aan de centra die de voorbereiding voor hergebruik verrichten, de verwerkings- en recyclageinrichtingen en de bevoegde overheden in de vorm van handboeken of via elektronische media. Art. 3.4.4.14. De producenten van EEA of de organisatie die ze daarvoor hebben aangewezen, organiseren minimaal tweemaal per jaar een overleg met de verwerkers en hergebruikcentra met het oog op hergebruik en een betere recycleerbaarheid van de EEA. Art. 3.4.4.15. Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevestigd is op het grondgebied en die, via verkoop op afstand, rechtstreeks EEA verkoopt aan particuliere huishoudens of aan andere gebruikers dan particuliere huishoudens buiten het grondgebied, wijst binnen dat grondgebied een natuurlijke persoon of rechtspersoon aan als de gevolmachtigde die verantwoordelijk is voor het nakomen van de verplichtingen als producent van EEA, die uit de wetgeving van dat land met betrekking tot de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voortvloeien. Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevestigd is buiten het grondgebied en die, via verkoop op afstand, rechtstreeks EEA verkoopt aan particuliere huishoudens of aan andere gebruikers dan particuliere huishoudens op het grondgebied, wijst een op het grondgebied gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon aan als gevolmachtigde die verantwoordelijk is voor het nakomen van de verplichtingen van de producent van EEA die uit dit besluit voortvloeien. Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevestigd is buiten het grondgebied en die, ongeacht de verkooptechniek, EEA verkoopt op het grondgebied, kan een op het grondgebied gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon aanduiden als gevolmachtigde die verantwoordelijk is voor het nakomen van de verplichtingen van de producent van EEA die uit dit besluit voortvloeien. De op het grondgebied gevestigde gevolmachtigde is onderworpen aan dezelfde verplichtingen als de producent van EEA. Een gevolmachtigde wordt aangewezen via een schriftelijke volmacht vooraleer er producten op de markt worden gebracht. Bij beëindiging van die volmacht wordt de OVAM onmiddellijk door beide partijen schriftelijk op de hoogte gebracht en wordt er een nieuwe gevolmachtigde aangewezen.". Art. 35.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012, 16 november 2012, 1 maart 2013, 21 juni 2013 en 29 november 2013, wordt een artikel 3.4.5.5/1 ingevoegd, dat luidt als volgt: "Art. 3.4.5.5/1. De producenten van batterijen en accu's worden eenmalig geregistreerd en krijgen bij registratie een registratienummer toegekend. Voor de registratie stellen de producenten de volgende gegevens ter beschikking van de OVAM of van de organisatie die ze daarvoor hebben aangewezen: 1° de naam van de producent en, in voorkomend geval, de commerciële benamingen waaronder hij zijn activiteiten ontplooit;2° de adres(sen) van de producent: postcode en plaats, straatnaam en huisnummer, land, URL en telefoonnummer, alsook, in voorkomend geval, de contactpersoon, het fax en het e-mailadres van de producent;3° de vermelding van het type batterijen of accu's dat door de producent op de markt wordt gebracht: draagbare batterijen en accu's, industriële batterijen en accu's of autobatterijen en -accu's;4° de informatie over de wijze waarop de producent zijn verantwoordelijkheden nakomt: met een individuele of een collectieve regeling;5° de datum van de registratieaanvraag;6° de nationale identificatiecode van de producent, inclusief Europees belastingnummer of nationaal belastingnummer van de producent (facultatief);7° de verklaring dat de verstrekte informatie waarheidsgetrouw is. Bij wijziging van de geregistreerde gegevens moeten de producenten van batterijen en accu's de OVAM of de organisatie die is aangewezen voor de uitvoering van de registratie, daarvan uiterlijk een maand na de wijziging op de hoogte brengen. Als producenten niet langer actief zijn, moeten ze zich uitschrijven uit het register met een kennisgeving aan de OVAM of aan de organisatie die is aangewezen om van de registratie uit te voeren. Als de organisatie die is aangewezen om de registratie uit te voeren, een registratievergoeding wil opleggen, moet die kostengerelateerd en evenredig zijn. De OVAM wordt dan op de hoogte gebracht van de kostenberekeningsmethodiek die toegepast is om de vergoeding vast te stellen.". Art. 36.In artikel 3.4.5.6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 november 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1921 pub. 19/08/2013 numac 2013000498 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten1, worden de woorden "worden geregistreerd en de producenten" opgeheven. Art. 37.Artikel 3.4.7.1 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt: "Art. 3.4.7.1. Voor oude en vervallen geneesmiddelen wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door middel van een collectief plan als vermeld in afdeling 3.3, dat de betrokken farmaceutische bedrijven, groothandelaars-verdelers en apothekers opstellen tegen 1 juli 2014.". Art. 38.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012, 16 november 2012, 1 maart 2013, 21 juni 2013 en 29 november 2013, worden een artikel 3.4.7.2 tot en met 3.4.7.5 ingevoegd, die luiden als volgt: "Art. 3.4.7.2. In het collectief plan wordt een selectieve inzameling en verwerking van oude en vervallen geneesmiddelen opgezet waarbij: 1° de apothekers verplicht zijn de oude en vervallen geneesmiddelen in ontvangst te nemen die hen door de burgers worden aangeboden;2° de groothandelaars-verdelers verantwoordelijk zijn voor de ophaling van de oude en vervallen geneesmiddelen bij de apothekers en voor de afvoer naar de verwerkingsinstallaties;3° de farmaceutische bedrijven belast zijn met de verwerking van de oude en vervallen geneesmiddelen. Art. 3.4.7.3. De actoren, vermeld in artikel 3.4.7.1, leveren de nodige sensibiliseringsinspanningen voor het welslagen van de selectieve inzameling. De ontwerpen van de sensibiliseringsacties worden minstens één maand voor de aanvang van de actie ter goedkeuring voorgelegd aan de OVAM. Art. 3.4.7.4. Er wordt een begeleidingscommissie opgericht door de actoren, vermeld in artikel 3.4.7.1. De begeleidingscommissie coördineert de uitvoering van het collectief plan en is belast met de opmaak van de jaarlijkse rapportage en actieplannen. De begeleidingscommissie komt minstens één maal per jaar samen. De OVAM wordt uitgenodigd op de vergaderingen van de begeleidingscommissie. Art. 3.4.7.5. De begeleidingscommissie rapporteert jaarlijks voor 1 april aan de OVAM over: 1° de modaliteiten van de inzameling, de ophaling en de verwerking van de oude en vervallen geneesmiddelen;2° de hoeveelheid ingezamelde oude en vervallen geneesmiddelen en de wijze van verwerking; 3° de acties en initiatieven die werden genomen om de selectieve inzameling via de apothekers te stimuleren.". Art. 39.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012, 16 november 2012, 1 maart 2013, 21 juni 2013 en 29 november 2013, wordt onderafdeling 3.4.9 opgeheven. Art. 40.In artikel 4.3.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012 en 16 november 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° er wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt: "De afvalstoffenproducent die bedrijfsrestafval heeft, is verplicht om met de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar van het bedrijfsrestafval een contract te sluiten waarin de afvalfracties, vermeld in het eerste lid, en hun vooropgestelde inzamelwijze duidelijk vermeld worden."; 2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt: "In afwijking van het eerste lid mag de afvalstoffenproducent verschillende afvalfracties die in aanmerking komen voor hoogwaardige materiaalrecyclage, alsook houtafval, samenvoegen in hetzelfde recipiënt, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: 1° het zijn droge, niet-gevaarlijke afvalfracties waarbij de samenvoeging van de fracties het uitsorteren en de hoogwaardige verwerking van de afzonderlijke afvalfracties niet verhindert;2° het recipiënt wordt overgebracht naar een vergunde sorteerinrichting waar de fracties volledig worden uitgesorteerd; 3° de afvalstoffenproducent daarover een contract heeft gesloten met een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, waarin de samengevoegde fracties worden gespecificeerd."; 3° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt: "In afwijking van het tweede lid geldt dat het sluiten van een contract voor het bedrijfsrestafval niet verplicht is als voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden: 1° het bedrijfsrestafval van de afvalstoffenproducent is vergelijkbaar naar aard, samenstelling en hoeveelheid met huishoudelijke afvalstoffen;2° het bedrijfsrestafval van de afvalstoffenproducent wordt ingezameld in één ronde met huishoudelijk afval; 3° voor de inzameling va het bedrijfsrestafval wordt de volledige en reële kost doorgerekend aan de afvalstoffenproducent.". Art. 41.In artikel 4.3.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 november 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/04/2010 pub. 12/04/2010 numac 2010011165 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet met betrekking tot de regeling van bepaalde procedures in het kader van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming type wet prom. 06/04/2010 pub. 30/06/2011 numac 2010015091 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning, aangenomen te New York op 20 december 2006
- a)een verklaring over de aanwezigheid van gevaarlijke afvalstoffen in het materiaal;
- b)een verklaring over de aanwezigheid van afvalstoffen die de recyclage van het materiaal kunnen bemoeilijken;4° de kwantiteit van het materiaal. De minister kan de vorm van het sloopattest vaststellen en de inhoud verder regelen. § 3. Het sloopattest wordt afgeleverd nadat een traceerbaarheidssysteem van een erkende sloopbeheersorganisatie is doorlopen. Dat traceerbaarheidssysteem garandeert de gescheiden inzameling van bouw- en sloopmaterialen en traceert de bouw- en sloopmaterialen vanaf het ontstaan tot aan de gecontroleerde verwerking. De voorwaarden waaraan een traceerbaarheidssysteem moet voldoen, worden opgenomen in een standaardprocedure die wordt vastgesteld door de minister, op voorstel van OVAM. De standaardprocedure voorziet minstens in: 1° de opmaak van een sloopopvolgingsplan door een deskundige op basis van de sloopinventaris.Een sloopopvolgingsplan wordt opgemaakt via een standaardprocedure die door de minister wordt vastgesteld, op voorstel van OVAM; 2° het behalen van een conformiteitsverklaring selectieve sloop door een sloopbeheersorganisatie binnen dertig dagen na de ontvangst van het sloopopvolgingsplan.Die conformiteitsverklaring kan een advies bevatten over de hergebruiks- en verwerkingsmogelijkheden van de bouw- en sloopmaterialen; 3° de opmaak van een controleverslag door of onder toezicht van een deskundige.Dat controleverslag voorziet minstens in:
- a)per materiaal een verklaring over de aanwezigheid van gevaarlijke afvalstoffen in het materiaal;
- b)per materiaal een verklaring over de aanwezigheid van afvalstoffen die de recyclage van het materiaal kunnen bemoeilijken;
- c)een geactualiseerd sloopopvolgingsplan waarin de herkomst en de aard van de bouw- en sloopmaterialen die als afzonderlijke stroom worden afgevoerd, worden vermeld;4° het behalen van een verwerkingstoelating voor de afvoer en verwerking van bouw- en sloopmateriaal door de uitvoerder van bouw-, infrastructuur-, sloop-, ontmantelings- en renovatiewerken voorafgaand aan de afvoer en verwerking van het bouw- en sloopmateriaal bij de bestemmeling;5° de verplichte vermelding van het aanwezig zijn van een verwerkingstoelating in het transportdocument bij het transport van bouw- en sloopmateriaal en in het acceptatieregister;6° het opsturen van een ontvangstbevestiging van de geleverde hoeveelheid bouw- en sloopmateriaal door de bestemmeling van het materiaal naar de sloopbeheersorganisatie;7° de uitspraak door de sloopbeheerorganisatie over de verlening van een sloopattest binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag. De minister kan nadere regels vaststellen voor de procedure tot aanvraag van een sloopattest.". Art. 43.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012, 16 november 2012, 1 maart 2013, 21 juni 2013 en 29 november 2013, wordt een artikel 4.3.6 ingevoegd, dat luidt als volgt: "Art. 4.3.6. § 1. Om als sloopbeheerorganisatie erkend te worden en erkend te blijven, moet de organisatie aan de volgende voorwaarden voldoen: 1° opgericht zijn als een vereniging zonder winstoogmerk conform de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1921 pub. 19/08/2013 numac 2013000498 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, en als leden alleen organisaties hebben zonder winstgevend doel;2° voldoende representatief zijn voor de verschillende sectoren die betrokken zijn bij de uitvoering van bouw- en sloopwerken.Een sloopbeheerorganisatie is representatief als in de raad van bestuur twee of meer beroepsorganisaties zitten die voldoende representatief zijn voor de sectoren die actief zijn in de uitvoering van bouw- en sloopwerken; 3° de leden van de raad van bestuur kunnen aantonen dat ze voldoende onafhankelijk zijn van individuele bedrijven;4° als statutair doel `het afleveren van sloopattesten, het leveren van studiewerk over selectieve sloop, het slopen en verwerken van afvalstoffen afkomstig van bouw- en sloopwerken en het verstrekken van informatie en advies over bouw- en sloopmaterialen' hebben;5° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis hebben van milieu en traceerbaarheidssystemen;6° voldoen aan een intern systeem dat de organisatie in staat stelt de taken die opgelegd zijn krachtens dit besluit, correct en kwaliteitsvol uit te voeren, met inbegrip van de uitvoering van steekproefsgewijze werfcontroles en het bijhouden van de volgende registers, die ter inzage van de toezichthoudende overheid op de exploitatiezetel liggen:
- a)een klachtenregister;
- b)een register van de sloopopvolgingsplannen, met inbegrip van de opmerkingen van de slooporganisatie op die verslagen.De sloopopvolgingsplannen inclusief de opmerkingen van de slooporganisatie worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard;
- c)een register van conformverklaringen van selectieve sloop.Die conformverklaringen worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard;
- d)een register van de sloopattesten.De sloopattesten worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard; 7° beschikken over een traceerbaarheidssysteem dat minstens voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.3.5, § 3; 8° beschikken over een verzekering die haar beroepsaansprakelijkheid dekt;9° wat betreft de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden: beschikken over burgerlijke en politieke rechten en de laatste vijf jaar geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving in een lidstaat van de Europese Unie;9° op verzoek van de OVAM de gegevens verstrekken over specifieke transporten;10° op verzoek van de OVAM de gegevens verstrekken over de aard, de herkomst, de kwaliteit en de kwantiteit van de materiaalstromen, zoals opgenomen in het sloopattest. In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 9° en 10°, worden alle documenten in een leesbare en verstaanbare vorm aan de OVAM bezorgd. § 2. De grondige kennis, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 5°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae of een interview, afgenomen door en op verzoek van de OVAM, of academische diploma's, diploma's van het hoger onderwijs van het lange type in een wetenschappelijke richting, of met daarmee gelijkgestelde diploma's, uitgereikt in een lidstaat van de Europese Unie.". Art. 44.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012, 16 november 2012, 1 maart 2013, 21 juni 2013 en 29 november 2013, wordt een artikel 4.3.7 ingevoegd, dat luidt als volgt: "Art. 4.3.7. De aanvraag om erkend te worden als sloopbeheerorganisatie wordt met een aangetekende brief gericht aan de minister, op het adres van de OVAM. Om ontvankelijk te zijn, bevat de aanvraag tot erkenning minstens de volgende gegevens: 1° de statuten van de rechtspersoon;2° de namen van de natuurlijke personen die door de rechtspersoon aangesteld zijn als verantwoordelijk persoon; 3° het bewijs van de grondige kennis van milieu en traceerbaarheidssystemen, vermeld in artikel 4.3.6, § 1, eerste lid, 5° ; 4° een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij de gegevens waarover hij zal beschikken, toegankelijk zal beheren; 5° een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij binnen dertig dagen na de erkenning een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid zal afsluiten als vermeld in artikel 4.3.6, § 1, eerste lid, 8°, en de OVAM van de afgesloten polis op de hoogte zal brengen; 6° een verklaring dat de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden, de laatste vijf jaar geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van milieuwetgeving in een lidstaat van de Europese Unie; 7° een recent attest waaruit blijkt dat de aanvrager aan zijn sociale en fiscale verplichtingen voldaan heeft.". Art. 45.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012, 16 november 2012, 1 maart 2013, 21 juni 2013 en 29 november 2013, wordt een artikel 4.3.8 ingevoegd, dat luidt als volgt: "Art. 4.3.8. De aanvragen tot erkenning als sloopbeheerorganisatie worden behandeld volgens de volgende procedure: 1° de OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag een ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij ze zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aanvraag;2° de OVAM verklaart de aanvraag ontvankelijk of verzoekt om de nodige aanvullingen. Als de OVAM niet binnen de termijn, vermeld in punt 1°, om aanvullingen heeft verzocht, wordt de aanvraag geacht ontvankelijk te zijn. Als de OVAM binnen de termijn, vermeld in punt 1°, om aanvullingen verzoekt, wordt de aangevulde aanvraag opnieuw met een aangetekende brief naar de OVAM gestuurd. De OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aangevulde aanvraag het ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij de OVAM zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aangevulde aanvraag; 3° de OVAM onderzoekt de ontvankelijke aanvraag en stuurt die samen met haar advies binnen een termijn van negentig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag naar de minister;4° de minister neemt binnen een termijn van honderdtwintig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag een beslissing over de erkenning;5° binnen een termijn van honderdvijftig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag wordt de beslissing over de erkenning door de OVAM met een aangetekende brief aan de aanvrager betekend.De erkenningsbeslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.". Art. 46.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012, 16 november 2012, 1 maart 2013, 21 juni 2013 en 29 november 2013, wordt een artikel 4.3.9 ingevoegd, dat luidt als volgt: "Art. 4.3.9. De minister kan de erkenning op elk moment schorsen voor een termijn van maximaal zes maanden in de volgende gevallen: 1° de houder van de erkenning voert de taken waarmee hij met toepassing van dit besluit is belast, niet reglementair of niet objectief uit; 2° de houder van de erkenning voldoet niet meer aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 4.3.6; 3° de houder van de erkenning begaat onregelmatigheden bij het uitreiken van conformverklaringen selectieve sloop, verwerkingstoelatingen en/of sloopattesten;4° de houder van de erkenning is bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door de aard ervan de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon aantast;5° de houder van de erkenning heeft zich niet onafhankelijk getoond ten opzichte van betrokkenen. De minister brengt de houder van de erkenning met een aangetekende brief op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot schorsing, met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van die brief kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de schorsing te voorkomen of kan hij zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken. De beslissing tot schorsing wordt door de OVAM met een aangetekende brief aan de houder van de erkenning betekend en wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De schorsing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.". Art. 47.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012, 16 november 2012, 1 maart 2013, 21 juni 2013 en 29 november 2013, wordt een artikel 4.3.10 ingevoegd, dat luidt als volgt: "Art. 4.3.10. De minister kan de erkenning, vermeld in artikel 4.3.6, op elk moment opheffen in de volgende gevallen: 1° als de houder van de erkenning de taken waarmee hij is belast krachtens dit besluit herhaaldelijk niet reglementair of niet objectief uitvoert; 2° als de houder van de erkenning bij het verstrijken van de schorsingsperiode nog altijd niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden waarvoor hij met toepassing van artikel 4.3.9, eerste lid, 2°, geschorst is; 3° als de houder van de erkenning ernstige onregelmatigheden of bij herhaling onregelmatigheden begaat bij het uitreiken van conformverklaringen selectieve sloop, verwerkingstoelatingen en/of sloopattesten;4° als de houder van de erkenning bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is voor een misdrijf dat door de aard ervan de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon in ernstige mate aantast;5° als de houder van de erkenning zich niet onafhankelijk heeft getoond ten opzichte van betrokkenen. De minister brengt de houder van de erkenning met een aangetekende brief op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot opheffing, met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van die brief kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de opheffing te voorkomen of kan hij zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken. De beslissing tot opheffing wordt door de OVAM met een aangetekende brief aan de houder van de erkenning betekend en wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De opheffing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.". Art. 48.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012, 16 november 2012, 1 maart 2013, 21 juni 2013 en 29 november 2013, wordt een artikel 4.3.11 ingevoegd, dat luidt als volgt: "Art. 4.3.11. Erkenningen zijn niet overdraagbaar.". Art. 49.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012, 16 november 2012, 1 maart 2013, 21 juni 2013 en 29 november 2013, wordt een artikel 4.3.12 ingevoegd, dat luidt als volgt: "Art. 4.3.12. De OVAM kan in geval van schorsing of opheffing van de erkenning van een sloopbeheerorganisatie de volgende taken overnemen: 1° de uitreiking van de conformverklaringen selectieve sloop;2° de aflevering van de verwerkingstoelating; 3° de uitreiking van de sloopattesten.". Art. 50.In artikel 4.5.2, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt: "2° bedrijfsafvalstoffen, andere dan vermeld in 1°, die niet overeenkomstig artikel 4.3.2 zijn ingezameld;"; 2° er wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt: "3° onbehandeld grofvuil.". Art. 51.Aan artikel 5.1.4 van hetzelfde besluit wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt: "De minima en maxima, vermeld in bijlage 5.1.4, worden jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van de evolutie van de gezondheidsindex en wel als volgt: elk bedrag wordt vermenigvuldigd met een factor met in de teller de gezondheidsindex die van toepassing was op 1 november van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het bedrag wordt gewijzigd, en met in de noemer de gezondheidsindex die van toepassing was op 1 november van het jaar dat voorafgaat aan de vaststelling van het vigerende bedrag. Het zo verkregen getal wordt afgerond tot het gehele getal." Art. 52.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012, 16 november 2012, 1 maart 2013, 21 juni 2013 en 29 november 2013, wordt een artikel 5.1.7 ingevoegd, dat luidt als volgt: "Art. 5.1.7. De gemeente stimuleert hergebruik door minstens een overeenkomst te sluiten met een door de OVAM erkend kringloopcentrum. Die overeenkomst omvat minstens bepalingen over de sensibilisering, de onderlinge doorverwijsfunctie, de inzamelwijzen, het restafval en de vergoeding voor herbruikbare goederen.". Art. 53.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012, 16 november 2012, 1 maart 2013, 21 juni 2013 en 29 november 2013, wordt onderafdeling 5.2.5, die bestaat uit artikel 5.2.5.1 tot en met 5.2.5.4, vervangen door wat volgt: "Onderafdeling 5.2.5. Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur Art. 5.2.5.1. Gescheiden ingezamelde afgedankte EEA worden ingezameld en getransporteerd op zo'n wijze dat optimaal hergebruik en recyclage van onderdelen en volledige apparaten die voor recyclage in aanmerking komen, mogelijk zijn. Art. 5.2.5.2. De ingezamelde afgedankte EEA worden op een milieuverantwoorde wijze opgeslagen, rekening houdend met de volgende technische voorschriften: 1° op een ondoorlatende ondergrond van geschikte terreinen met opvangvoorzieningen voor lekolie en, indien nodig, olie- en vuilafscheiders;2° voorzien van weerbestendige afdekking van geschikte terreinen;3° voor koel- en vriestoestellen: droog en zo geplaatst dat het koelcircuit niet beschadigd kan worden;4° voor beeldschermen: in intacte toestand;5° gescheiden van gedemonteerde reserveonderdelen of herbruikbare toestellen. Art. 5.2.5.3. Afgedankte EEA worden gedepollueerd voor ze, geheel of gedeeltelijk, worden gerecycleerd. De apparatuur wordt gedepollueerd, dit omvat ten minste de afzondering van alle vloeistoffen en een selectieve behandeling overeenkomstig artikel 5.2.2.5.2, § 8 en § 9, van titel II van het VLAREM. In de milieuvergunning van de inrichting voor de verwerking van afgedankte EEA kan van die bepaling worden afgeweken. Art. 5.2.5.4. § 1. De inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of -makelaar of de kennisgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, die afgedankte EEA inzamelt, opslaat, verwerkt of met het oog op verwerking aanbiedt aan een derde, moet de doelstellingen voor de voorbereiding voor hergebruik en nuttige toepassing, vermeld in artikel 3.4.4.7, behalen. § 2. De inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of -makelaar, de verwerker, het hergebruikcentrum en de kennisgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, die afgedankte EEA inzamelt, opslaat of verwerkt of met het oog op verwerking aanbiedt aan een derde, of de organisatie die daarvoor is aangewezen, stelt voor 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM of van de organisatie die daarvoor is aangewezen: 1° de naam van de inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of -makelaar, de verwerker, het hergebruikcentrum en de kennisgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, die afgedankte EEA inzamelt, opslaat, verwerkt of met het oog op verwerking aanbiedt aan een derde, het ondernemingsnummer, het postnummer en de plaats, de straatnaam en het nummer, het land, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon;2° de naam, het adres en de NACEBEL-code van alle afvalstoffenproducenten van afgedankte EEA die tot het bedrijfsafval behoren;3° de rapportageperiode; 4° de hoeveelheid afgedankte EEA, uitgedrukt in kilogram en aantallen, huishoudelijke of professionele apparatuur en per categorie als vermeld in artikel 3.4.4.2, die op het grondgebied, dan wel binnen of buiten de Europese Unie zijn overgebracht die:
- a)in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werden ingezameld voor rekening van een producent van EEA of een derde die handelt in naam van de producent van EEA;
- b)niet in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werden ingezameld voor rekening van een producent van EEA of een derde die handelt in naam van de producent van EEA;
- c)werden aangeboden aan een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar;
- d)werden voorbereid voor hergebruik, alsook het aandeel daarvan dat uiteindelijk in hergebruik werd gebracht;
- e)werden aangeboden aan een vergunde verwerker van afgedankte EEA; 5° de hoeveelheden afvalstoffen die voortkomen uit de verwerking van afgedankte EEA, uitgedrukt in kilogram en opgesplitst per materiaal als vermeld in artikel 3.4.4.7, en per categorie als vermeld in artikel 3.4.4.2, die:
- a)werden gerecycleerd;
- b)op een andere wijze nuttig werden toegepast;
- c)werden verwijderd in installaties voor de verbranding van afvalstoffen;
- d)werden verwijderd door storten. De gegevens, vermeld in het eerste lid, die aan de OVAM of aan de organisatie die daarvoor is aangewezen, worden verstrekt, worden gevalideerd door een onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd overeenkomstig ISO 17020. Als voor een of meer van de voormelde activiteiten een beroep werd gedaan op een derde, worden de volgende contactgegevens van die derde telkens vermeld: de firmanaam, het ondernemingsnummer, het adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon. Art. 5.2.5.5. Voor de aanvang van een inzamelactie voor afgedankte EEA van huishoudelijke oorsprong beschikt de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar over een goedkeuring van het beheersorganisme ter uitvoering van een milieubeleidsovereenkomst of van een producent die beschikt over een goedgekeurd individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan. Het beheersorganisme of de producent die beschikt over een goedgekeurd individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan mag een inzamelactie alleen afkeuren op basis van non-conformiteit met het Materialendecreet en dit besluit. Overeenkomstig artikel 5.2.5.4 wordt er per inzamelpunt gerapporteerd aan het beheersorganisme of aan de producent die beschikt over een goedgekeurd individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan. Art. 5.2.5.6. De houder die EEA niet langer voor eigen gebruik wil aanwenden, moet zich ontdoen van die EEA als de EEA niet voldoen aan de hergebruikscriteria, vermeld in artikel 5.2.5.10. Art. 5.2.5.7. Gebruikte EEA die niet voldoen aan de hergebruikscriteria, vermeld in artikel 5.2.5.10, worden als een afvalstof ingezameld, verhandeld, gemakeld, en/of vervoerd. Art. 5.2.5.8. Het hergebruikcentrum voor EEA moet voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° het hergebruikcentrum voor EEA ondergaat binnen het jaar een keuring door een ISO17020-geaccrediteerde keuringsinstelling die de naleving van dit artikel evalueert.Nadien wordt er om de vier jaar een nieuwe keuring uitgevoerd. De keuringsinstelling stelt het verslag van elke keuring binnen twee maanden na de keuring ter beschikking van de OVAM; 2° de voorbereiding voor hergebruik van afgedankte EEA gebeurt door gekwalificeerd personeel, met minimaal een diploma elektriciteit van het technisch secundair onderwijs of gelijkwaardig door aantoonbare ervaring;3° bij de voorbereiding voor hergebruik van afgedankte EEA worden de regels, vastgesteld door de minister, nageleefd.Die regels hebben betrekking op de minimale handelingen die moeten worden uitgevoerd met het oog op een kwaliteitsvolle voorbereiding voor hergebruik van afgedankte EEA. Art. 5.2.5.9. Het hergebruikcentrum voor EEA dat met het oog op de voorbereiding voor hergebruik toegang wil verkrijgen tot afgedankte EEA die zijn ingezameld in opdracht van de producenten sluit daarvoor een samenwerkingsovereenkomst met de producenten of met een door de producenten aangewezen organisatie, waarin de onderlinge samenwerkingsmodaliteiten worden geregeld. Art. 5.2.5.10. Gebruikte EEA kunnen alleen opnieuw in hergebruik gebracht worden als tweedehandse EEA als voldaan is aan de hergebruikscriteria. De hergebruikscriteria, vermeld in het eerste lid, worden door de minister vastgesteld en houden minstens rekening met de algemene staat van het apparaat, de functionaliteit, het energieverbruik, de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, het bestaan van een reguliere markt voor het apparaat en een voldoende mate van bescherming tijdens het transport. Art. 5.2.5.11. Met inachtneming van de uitzonderingen, vermeld in artikel 5.2.5.12, kunnen gebruikte EEA alleen grensoverschrijdend overgebracht worden als tweedehands EEA als voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden: 1° de gebruikte EEA zijn voorbereid voor hergebruik in een hergebruikcentrum voor EEA overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in artikel 5.2.5.8, en voldoen aan de hergebruikscriteria, vermeld in artikel 5.2.5.10; 2° de houder, verantwoordelijk voor het transport, beschikt over de volgende documenten, die bij de lading aanwezig zijn:
- a)een kopie van de factuur en het contract met betrekking tot de verkoop en/of de eigendomsoverdracht van de EEA, waarin wordt verklaard dat de apparatuur bestemd is voor onmiddellijk hergebruik en volledig functioneel is;
- b)een bewijs van beoordeling of test voor alle EEA die deel uitmaken van de zending;
- c)gespecificeerde etiketinformatie;
- d)een verklaring van de houder die het vervoer van de EEA organiseert, dat de zending geen materiaal of apparatuur omvat die een afvalstof is;3° tijdens het vervoer en het in- en uitladen is de EEA voorzien van passende bescherming tegen beschadiging, meer bepaald door voldoende verpakking en passende stapeling van de lading. De minister kan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 2°,
- b)en c), nader uitwerken. Als de grensoverschrijdende overbrenging plaatsvindt zonder te voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, worden de apparaten beschouwd als een afvalstof. Art. 5.2.5.12. Artikel 5.2.5.11, eerste lid, 1° en 2°, a), b), c), is niet van toepassing als door afdoende bewijs wordt gedocumenteerd dat de overbrenging plaatsvindt in het kader van een overdrachtovereenkomst tussen ondernemingen en minstens voldaan is aan een van de volgende voorwaarden: 1° de EEA worden, door of in opdracht van de producent van EEA, de tussenhandelaar of de eindverkoper, naar de producent van het EEA of naar een derde die in diens naam handelt, teruggestuurd als defect voor reparatie onder garantie met het oog op hergebruik;2° de gebruikte professionele EEA worden verzonden naar de producent van de EEA, naar een derde die in diens naam handelt of naar faciliteiten van een derde in landen waar Besluit C