Wet houdende instemming met het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof, gedaan te Rome, op 17 juli 1998. - Corrigendum
Kort samengevat
Deze wet betreft de instemming met het Statuut van Rome, dat het Internationaal Strafhof opricht. Het Hof is een permanente instelling die rechtsmacht heeft over de meest ernstige misdaden met internationale draagwijdte.
Wat het reguleert
- De oprichting en de werking van het Internationaal Strafhof.
- De relatie van het Hof met de Verenigde Naties.
- De zetel van het Hof en zijn wettelijke status en bevoegdheden.
- De misdaden waarover het Hof rechtsmacht heeft, zoals genocide, misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden.
Wie het aangaat
- Staten die Partij zijn bij dit Statuut.
- Personen die verdacht worden van de meest ernstige misdaden met internationale draagwijdte.
Kernpunten
- Het Internationaal Strafhof is opgericht als een permanente instelling.
- De zetel van het Hof is gevestigd in Den Haag, Nederland.
- Het Hof heeft rechtsmacht over de misdaad genocide, misdaden tegen de mensheid, oorlogsmisdaden en de misdaad agressie (zodra nader omschreven).
- De rechtsmacht van het Hof is complementair aan de nationale jurisdicties in strafzaken.
Wettekst
Wettekst
FEDERALE OVERHEIDSDIENST BUITENLANDSE ZAKEN, BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING 25 MEI
- - Wet houdende instemming met het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof, gedaan te Rome, op 17 juli
- - Corrigendum
(1)Het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof, gedaan te Rome op 17 juli 1998, werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 1 december 2000, als bijlage bij de wet van 25 mei 2000 houdende instemming met het Statuut (b. 40368 tot 40420). De Franse versie van dit Statuut dat werd aangenomen op 17 juli 1998 door de diplomatieke conferentie van gevolmachtigden van de Verenigde Naties ter oprichting van een Internationaal Strafhof, is het voorwerp geweest van opeenvolgende verbeteringen die door de depositaris werden medegedeeld nl. op 10 november 1998, op 12 juli 1999, op 30 november 1999, op 8 mei 2000 en op 17 januari 2001. De nieuwe versie van het Statuut die hierna gepubliceerd is, bevat het geheel van de tot heden aangebrachte verbeteringen. STATUUT VAN ROME INZAKE HET INTERNATIONAAL STRAFHOF Preambule De Staten die Partij zijn bij dit Statuut, Zich bewust van het feit dat alle volken verenigd zijn door gemeenschappelijke banden, en hun culturen zijn samengebracht in een gemeenschappelijk erfgoed, en bezorgd dat dit broze mozaïek ieder moment uiteen kan vallen, Indachtig het feit dat in de loop van deze eeuw miljoenen kinderen, vrouwen en mannen het slachtoffer zijn geweest van onvoorstelbare wreedheden die het geweten van de mensheid hevig schokken, Erkennend dat dergelijke zware misdaden een gevaar vormen voor de vrede, de veiligheid en het welzijn van de wereld, Bevestigend dat de ernstigste misdaden die de gehele internationale gemeenschap met zorg vervullen niet onbestraft dienen te blijven en dat een doeltreffende vervolging daarvan verzekerd dient te worden door het treffen van maatregelen op nationaal niveau en door het versterken van internationale samenwerking, Vastbesloten een einde te maken aan de straffeloosheid van de daders van deze misdaden en daardoor bij te dragen aan het voorkomen van dergelijke misdaden, In herinnering brengend dat het de plicht is van elke Staat om zijn rechtsmacht in strafzaken uit te oefenen over degenen die verantwoordelijk zijn voor internationale misdaden, De doeleinden en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties opnieuw bevestigend, en meer in het bijzonder het feit dat alle Staten zich dienen te onthouden van de dreiging met of het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een Staat, of van op enige andere wijze die onverenigbaar is met de doeleinden van de Verenigde Naties, Benadrukkend in dit verband dat niets in dit Statuut dient te worden beschouwd als een machtiging aan een Staat die Partij is om te interveniëren in een gewapend conflict of in de binnenlandse aangelegenheden van een Staat, Vastbesloten hiertoe, alsmede in het belang van huidige en toekomstige generaties, een onafhankelijk permanent Internationaal Strafhof verbonden met het systeem van de Verenigde Naties op te richten, met rechtsmacht ten aanzien van de ernstigste misdaden die de gehele internationale gemeenschap met zorg vervullen, Benadrukkend dat het krachtens dit Statuut opgerichte Internationaal Strafhof complementair zal zijn aan de nationale jurisdicties in strafzaken, Vastbesloten een duurzame eerbiediging en handhaving van internationale gerechtigheid te waarborgen, Zijn als volgt overeengekomen: HOOFDSTUK I - OPRICHTING VAN HET HOF Artikel 1 Oprichting van het Hof Een Internationaal Strafhof (« het Hof ») wordt hierbij opgericht. Het is een permanente instelling met de bevoegdheid rechtsmacht uit te oefenen over personen in verband met de meest ernstige misdaden met internationale draagwijdte in de zin van dit Statuut. Deze rechtsmacht is complementair aan de nationale jurisdicties in strafzaken. De rechtsmacht en werkwijze van het Hof worden geregeld door de bepalingen van dit Statuut. Artikel 2 Relatie van het Hof met de Verenigde Naties De relatie van het Hof met de Verenigde Naties wordt geregeld door middel van een overeenkomst die dient te worden goedgekeurd door de Vergadering van de Staten die Partij zijn bij dit Statuut, en daarna door de Voorzitter van het Hof namens het Hof wordt gesloten. Artikel 3 Zetel van het Hof 1. De zetel van het Hof wordt gevestigd te Den Haag, Nederland (« de Gaststaat »).2. Het Hof onderhandelt met de Gaststaat over een zetelovereenkomst, die dient te worden goedgekeurd door de Vergadering van de Staten die Partij zijn, en daarna door de Voorzitter van het Hof in naam van het Hof wordt gesloten.3. Het Hof is bevoegd elders zitting te houden wanneer het dit wenselijk acht, overeenkomstig het in dit Statuut bepaalde. Artikel 4 Wettelijke status en bevoegdheden van het Hof 1. Het Hof bezit internationale rechtspersoonlijkheid.Tevens bezit het de handelingsbevoegdheid die benodigd is voor de uitoefening van zijn taken en de verwezenlijking van zijn doelstellingen. 2. Het Hof kan zijn taken en bevoegdheden uitoefenen op de wijze bepaald in dit Statuut op het grondgebied van een Staat die Partij is, alsmede, krachtens een daartoe strekkende overeenkomst, op het grondgebied van een andere Staat. HOOFDSTUK II - RECHTSMACHT, ONTVANKELIJKHEID EN TOEPASSELIJK RECHT Artikel 5 Misdaden waarover het Hof rechtsmacht heeft 1. De rechtsmacht van het Hof is beperkt tot de meest ernstige misdaden die de internationale gemeenschap in haar geheel aangaan.Het Hof heeft overeenkomstig het Statuut rechtsmacht in verband met de volgende misdaden : (
- a)de misdaad genocide;(
- b)misdaden tegen de mensheid;(
- c)oorlogsmisdaden;(
- d)de misdaad agressie.2. Het Hof oefent rechtsmacht uit in verband met de misdaad agressie zodra overeenkomstig de artikelen 121 en 123 een bepaling is aanvaard waarin deze misdaad nader is omschreven en de voorwaarden zijn vastgelegd krachtens welke het Hof rechtsmacht uitoefent in verband met deze misdaad.Een dergelijke bepaling dient in overeenstemming te zijn met de desbetreffende bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties. Artikel 6 De misdaad genocide Voor de toepassing van dit Statuut wordt onder genocide elk van de volgende handelingen verstaan, gepleegd met de bedoeling een nationale, etnische of godsdienstige groep, dan wel een groep behorend tot een bepaald ras, als zodanig geheel of gedeeltelijk te vernietigen : (
- a)het doden van leden van de groep;(
- b)het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep;(
- c)het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden gericht op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging;(
- d)het opleggen van maatregelen bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen;(
- e)het onder dwang overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep. Artikel 7 Misdaden tegen de mensheid 1. Voor de toepassing van dit Statuut wordt onder misdaad tegen de mensheid elk van de volgende handelingen verstaan, indien gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval : (
- a)moord;(
- b)uitroeiing;(
- c)slavernij;(
- d)deportatie of onder dwang overbrengen van bevolking;(
- e)gevangenneming of andere ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid in strijd met fundamentele regels van internationaal recht;(
- f)marteling;(
- g)verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie, of enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst;(
- h)vervolging van een identificeerbare groep of collectiviteit op politieke gronden, omdat deze tot een bepaald ras of een bepaalde nationaliteit behoort, op etnische, culturele of godsdienstige gronden, of op grond van geslacht, zoals nader omschreven in paragraaf 3, of op andere gronden die universeel zijn erkend als ontoelaatbaar krachtens internationaal recht, in verband met een in deze paragraaf bedoelde handeling of enige andere misdaad waarover het Hof rechtsmacht heeft;(
- i)gedwongen verdwijning van personen;(
- j)de misdaad apartheid;(
- k)andere onmenselijke handelingen van vergelijkbare aard waardoor opzettelijk ernstig lijden of ernstig lichamelijk letsel of schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid wordt veroorzaakt.2. Voor de toepassing van paragraaf 1 : (
- a)betekent « aanval gericht tegen een burgerbevolking » een wijze van optreden die het meermaals plegen van in paragraaf 1 bedoelde handelingen tegen een burgerbevolking met zich meebrengt, ter uitvoering of voortzetting van het beleid van een Staat of organisatie dat het plegen van een dergelijke aanval tot doel heeft;(
- b)betekent « uitroeiing » het opzettelijk opleggen van levensvoorwaarden, onder andere de onthouding van toegang tot voedsel en geneesmiddelen, gericht op de vernietiging van een deel van een bevolking;(
- c)betekent « slavernij » de uitoefening op een persoon van een of alle bevoegdheden verbonden aan het recht van eigendom, met inbegrip van de uitoefening van dergelijke bevoegdheid en bij mensenhandel, in het bijzonder handel in vrouwen en kinderen;(
- d)betekent « deportatie of onder dwang overbrengen van bevolking » het onder dwang verplaatsen van personen door verdrijving of andere dwangmaatregelen uit het gebied waarin zij zich rechtmatig bevinden zonder dat daartoe krachtens internationaal recht gronden zijn;(
- e)betekent « marteling » het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn of ernstig lijden, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk, bij een persoon die zich in gevangenschap of in de macht bevindt van degene die beschuldigd wordt, met dien verstande dat onder marteling niet wordt verstaan pijn of lijden dat louter het gevolg is van, inherent is aan of samenhangt met rechtmatige sancties;(
- f)betekent « gedwongen zwangerschap » de onrechtmatige gevangenschap van een vrouw die onder dwang zwanger is gemaakt, met de opzet de etnische samenstelling van een bevolking te beïnvloeden of andere ernstige schendingen van internationaal recht te plegen.Deze definitie mag in geen geval worden uitgelegd als een aantasting van nationale wetgeving met betrekking tot zwangerschap; (
- g)betekent « vervolging » het opzettelijk en in ernstige mate ontnemen van fundamentele rechten in strijd met het internationaal recht op grond van de identiteit van de groep of collectiviteit;(
- h)betekent « de misdaad apartheid » onmenselijke handelingen van een vergelijkbare aard als de in paragraaf 1 bedoelde handelingen, gepleegd in het kader van een geïnstitutionaliseerd regime van systematische onderdrukking en overheersing door een groep van een bepaald ras van een of meer groepen van een ander ras en begaan met de opzet dat regime in stand te houden;(
- i)betekent « gedwongen verdwijning van personen » het arresteren, gevangen houden of afvoeren van personen door of met de machtiging, ondersteuning of toestemming van een Staat of politieke organisatie, gevolgd door een weigering een dergelijke vrijheidsontneming te erkennen of informatie te verstrekken over het lot of de verblijfplaats van die personen, met de opzet hen langdurig buiten de bescherming van de wet te plaatsen.3. Voor de toepassing van dit Statuut verwijst het begrip geslacht naar de beide geslachten, zowel het mannelijk als het vrouwelijk geslacht, in de context van de samenleving.Onder geslacht wordt niets anders verstaan dan hetgeen hiervoor is bepaald. Artikel 8 Oorlogsmisdaden 1. Het Hof heeft rechtsmacht in verband met oorlogsmisdaden, in het bijzonder wanneer deze worden gepleegd als onderdeel van een plan of beleid of als onderdeel van het op grote schaal plegen van dergelijke misdaden.2. Voor de toepassing van dit Statuut wordt verstaan onder oorlogsmisdaden: (
- a)ernstige inbreuken op de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, namelijk een van de volgende handelingen tegen personen of goederen die ingevolge de bepalingen van de Verdragen van Genève beschermd zijn : (
- i)opzettelijk doden; (
- ii)marteling of onmenselijke behandeling, met inbegrip van biologische experimenten; (iii) opzettelijk veroorzaken van ernstig lijden, zwaar lichamelijk letsel of ernstige schade aan de gezondheid; (
- iv)grootschalige wederrechtelijke en moedwillige vernietiging en toeëigening van goederen zonder militaire noodzaak; (
- v)een krijgsgevangene of andere beschermde persoon dwingen dienst te nemen bij de strijdkrachten van een vijandige mogendheid; (
- vi)een krijgsgevangene of andere beschermde persoon opzettelijk het recht op een eerlijke en rechtmatige berechting onthouden; (vii)onrechtmatige deportatie of verplaatsing of onrechtmatige opsluiting; (viii) gijzelneming. (
- b)Andere ernstige schendingen van de wetten en gebruiken die toepasselijk zijn in een internationaal gewapend conflict binnen het gevestigde kader van het internationale recht, namelijk een van de volgende handelingen: (
- i)opzettelijk aanvallen richten op de burgerbevolking als zodanig of op individuele burgers die niet rechtstreeks aan vijandelijkheden deelnemen; (
- ii)opzettelijk aanvallen richten op burgerdoelen, dat wil zeggen doelen die geen militair doel zijn; (iii) opzettelijk aanvallen richten op personeel, installaties, materieel, eenheden of voertuigen betrokken bij humanitaire hulpverlening of vredesmissies overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, zolang deze recht hebben op de bescherming die aan burgers of burgerdoelen wordt verleend krachtens het internationale recht inzake gewapende conflicten; (
- iv)opzettelijk een aanval inzetten in de wetenschap dat een dergelijke aanval incidenteel verliezen aan levens of letsel onder burgers zal veroorzaken of schade aan burgerdoelen of omvangrijke, langdurige en ernstige schade aan het milieu zal aanrichten, die duidelijk buitensporig zou zijn in verhouding tot het te verwachten concrete en directe algehele militaire voordeel; (
- v)aanvallen of bombarderen met wat voor middelen ook van steden, dorpen, woningen of gebouwen, die niet worden verdedigd en geen militair doelwit zijn; (
- vi)een strijder doden of verwonden die zich, na het neerleggen van zijn wapens of wanneer hij zich niet meer kan verdedigen, onvoorwaardelijk heeft overgegeven; (vii) op ongepaste wijze gebruik maken van een witte vlag, van de vlag of de militaire onderscheidingstekens en het uniform van de vijand of van de Verenigde Naties, alsmede van de emblemen voorzien door de Verdragen van Genève, en hierdoor verlies aan mensenlevens of ernstig lichamelijk letsel veroorzaken; (viii) rechtstreekse of indirecte verplaatsing door de bezettende mogendheid van delen van haar eigen burgerbevolking naar het bezette grondgebied, of de deportatie of het verplaatsen van de gehele of een deel van de bevolking van het bezette grondgebied binnen dat grondgebied of daarbuiten; (
- ix)opzettelijk aanvallen richten op gebouwen bestemd voor godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of caritatieve doeleinden, historische monumenten, ziekenhuizen en plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, voorzover deze geen militair doelwit zijn; (
- x)personen die zich in de macht van een tegenpartij bevinden onderwerpen aan lichamelijke verminking of medische of wetenschappelijke experimenten van welke aard ook, die niet worden gerechtvaardigd door de geneeskundige of tandheelkundige behandeling van de betrokken persoon of door diens behandeling in het ziekenhuis noch in zijn belang worden uitgevoerd, en die de dood tot gevolg hebben of de gezondheid van die persoon of personen ernstig in gevaar brengen; (
- xi)op verraderlijke wijze doden of verwonden van personen die behoren tot de vijandige natie of het vijandige leger; (xii) verklaren dat geen kwartier zal worden verleend; (xiii) vernietiging of inbeslagneming van goederen van de vijand tenzij deze vernietiging of inbeslagneming dringend vereist is als gevolg van dwingende oorlogsomstandigheden; (xiv) verklaren dat de rechten en handelingen van onderdanen van de vijandelijke partij vervallen, geschorst of in rechte niet-ontvankelijk zijn; (
- xv)onderdanen van de vijandige partij dwingen deel te nemen aan oorlogshandelingen gericht tegen hun eigen land, ook als zij voor de aanvang van de oorlog in dienst van de oorlogvoerende partij waren; (xvi) een stad of plaats plunderen, ook wanneer deze bij een aanval wordt ingenomen; (xvii) gebruik van gif of giftige wapens; (xviii) gebruik van verstikkende, giftige of andere gassen en overige soortgelijke vloeistoffen, materialen of apparaten; (xix) gebruik van kogels die in het menselijk lichaam gemakkelijk in omvang toenemen of platter en breder worden, zoals kogels met een harde mantel die de kern gedeeltelijk onbedekt laat of voorzien is van inkepingen; (
- xx)gebruik van wapens, projectielen en materieel en methoden van oorlogvoering die de eigenschap hebben overbodig letsel of nodeloos lijden te veroorzaken of die van zichzelf geen onderscheid maken waardoor zij in strijd zijn met het internationale recht inzake gewapende conflicten, mits dergelijke wapens, projectielen, materieel en methoden van oorlogvoering vallen onder een algeheel verbod en zijn opgenomen in een bijlage bij dit Statuut, krachtens een amendement overeenkomstig de desbetreffende bepalingen in de artikelen 121 en 123; (xxi) aantastingen van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling; (xxii) verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwanger-schap zoals gedefinieerd in artikel 7, paragraaf 2, alinea (f), gedwongen sterilisatie of elke andere vorm van seksueel geweld die eveneens een ernstige inbreuk op de Verdragen van Genève oplevert; (xxiii) gebruikmaken van de aanwezigheid van een burger of een andere beschermde persoon teneinde bepaalde punten, gebieden of strijdkrachten te vrijwaren van militaire operaties; (xxiv) opzettelijk aanvallen richten op gebouwen, materieel, medische eenheden en transport, alsmede personeel dat gebruik maakt van de emblemen van de Verdragen van Genève overeenkomstig internationaal recht; (xxv) opzettelijk gebruikmaken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering door hun goederen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor hun overleving, waaronder het opzettelijk belemmeren van de aanvoer van hulpgoederen zoals voorzien in de Verdragen van Genève; (xxvi) kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij de nationale strijdkrachten onder de wapens roepen of in militaire dienst nemen dan wel hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden. (
- c)In geval van een gewapend conflict dat niet internationaal van aard is, ernstige schendingen van het gemeenschappelijk artikel 3 van de vier Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, namelijk een van de volgende handelingen begaan tegen personen die niet actief deelnemen aan de vijandelijkheden, waaronder leden van strijdkrachten die hun wapens hebben neergelegd en degenen die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwondingen, gevangenschap of andere oorzaken : (
- i)geweld tegen het leven en de persoon, in het bijzonder alle vormen van moord, verminking, wrede behandeling en marteling; (
- ii)aantastingen van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling; (iii) gijzelneming; (
- iv)het uitspreken van veroordelingen en tenuitvoerleggen van executies zonder voorafgaand vonnis uitgesproken door een op regelmatige wijze samengesteld rechtscollege dat alle gerechtelijke waarborgen biedt die algemeen als onmisbaar worden erkend. (
- d)Paragraaf 2, alinea (c), geldt voor gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn en geldt derhalve niet voor gevallen van interne onlusten en spanningen, zoals oproer, geïsoleerde en sporadische gewelddadigheden of andere handelingen van vergelijkbare aard.(
- e)Andere ernstige schendingen van de wetten en gebruiken die gelden ingeval van gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn, binnen het gevestigde kader van internationaal recht, namelijk een van de volgende handelingen : (
- i)opzettelijk aanvallen richten op de burgerbevolking als zodanig of op individuele burgers die niet rechtstreeks aan vijandelijkheden deelnemen; (
- ii)opzettelijk aanvallen richten op gebouwen, materieel, medische eenheden en transport, en personeel dat gebruik maakt van de emblemen van de Verdragen van Genève overeenkomstig internationaal recht; (iii) opzettelijk aanvallen richten op personeel, installaties, materieel, eenheden of voertuigen betrokken bij humanitaire hulpverlening of vredesmissies overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, zolang deze recht hebben op de bescherming die aan burgers of burgerdoelen wordt verleend krachtens het recht inzake gewapende conflicten; (
- iv)opzettelijk aanvallen richten op gebouwen bestemd voor godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of charitatieve doeleinden, historische monumenten, ziekenhuizen en plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, mits deze geen militair doelwit zijn; (
- v)een stad of plaats plunderen, ook wanneer deze bij een aanval wordt ingenomen; (
- vi)verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap zoals gedefinieerd in artikel 7, paragraaf 2, alinea (f), gedwongen sterilisatie of elke andere vorm van seksueel geweld die eveneens een ernstige schending zijn van het gemeenschappelijk artikel 3 van de vier Verdragen van Genève; (vii) kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij strijdkrachten of gewapende groepen onder de wapens roepen of in militaire dienst nemen dan wel hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden; (viii) verplaatsing bevelen van de burgerbevolking om redenen die verband houden met het conflict, tenzij de veiligheid van de betrokken burgers of dwingende militaire redenen dit vereisen; (
- ix)op verraderlijke wijze doden of verwonden van een vijandelijke strijder; (
- x)verklaren dat geen kwartier zal worden verleend; (
- xi)personen die zich in de macht van een andere partij bij het conflict bevinden onderwerpen aan lichamelijke verminking of aan geneeskundige of wetenschappelijke experimenten van welke aard ook, die niet gerechtvaardigd worden door de geneeskundige of tandheelkundige behandeling van de betrokken persoon of door diens behandeling in het ziekenhuis, noch in zijn belang worden uitgevoerd, en die de dood tot gevolg hebben of de gezondheid van die persoon of personen ernstig in gevaar brengen; (xii) vernietiging of inbeslagneming van goederen van een tegenstander, tenzij deze vernietiging of inbeslagneming dringend vereist is als gevolg van de dwingende omstandigheden van het conflict; (
- f)Paragraaf 2, alinea (e), geldt voor gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn en geldt derhalve niet voor gevallen van interne onlusten en spanningen zoals oproer, geïsoleerde en sporadische gewelddadigheden of andere handelingen van vergelijkbare aard.Het geldt voor gewapende conflicten die plaatsvinden op het grondgebied van een Staat in het geval van een langdurig gewapend conflict tussen de autoriteiten van deze Staat en georganiseerde gewapende groepen of tussen deze groepen onderling. 3. Paragraaf 2, alinea's (
- c)en (e), laat onverlet de verantwoordelijkheid van een regering om de openbare orde in de Staat te handhaven of te herstellen of om de eenheid en territoriale integriteit van de Staat met alle legitieme middelen te verdedigen. Artikel 9 Elementen van Misdaden 1. Elementen van misdaden helpen het Hof bij de interpretatie en toepassing van de artikelen 6, 7 en 8.Zij worden aangenomen met een tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van de Staten die Partij zijn. 2. Wijzigingen in de elementen van misdaden kunnen worden voorgesteld door : (
- a)een Staat die Partij is;(
- b)de rechters, die beslissen bij absolute meerderheid;(
- c)de Aanklager. Deze wijzigingen worden aangenomen met een tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van de Staten die Partij zijn. 3. De elementen van misdaden en wijzigingen daaraan dienen in overeenstemming te zijn met dit Statuut. Artikel 10 Niets in dit deel wordt zodanig uitgelegd dat daarmee, op welke wijze dan ook, een beperking zou worden aangebracht in of inbreuk zou worden gemaakt op bestaande of in ontwikkeling zijnde regels van internationaal recht die andere doeleinden beogen dan dit Statuut. Artikel 11 Rechtsmacht ratione temporis 1. Het Hof bezit alleen rechtsmacht met betrekking tot misdaden die zijn gepleegd na inwerkingtreding van dit Statuut.2. Indien een Staat Partij wordt bij dit Statuut na de inwerkingtreding daarvan, is het Hof slechts bevoegd zijn rechtsmacht uit te oefenen met betrekking tot misdaden die zijn gepleegd na de inwerkingtreding van dit Statuut voor die Staat, tenzij die Staat een verklaring ingevolge artikel 12, paragraaf 3, heeft afgelegd. Artikel 12 Voorafgaande voorwaarden voor de uitoefening van rechtsmacht 1. Een Staat die Partij wordt bij dit Statuut aanvaardt daardoor de rechtsmacht van het Hof met betrekking tot de misdaden bedoeld in artikel 5.2. In de gevallen bedoeld in artikel 13, paragraaf (
- a)of (c), is het Hof bevoegd zijn rechtsmacht uit te oefenen indien een of meer van de volgende Staten partij zijn bij dit Statuut of de rechtsmacht van het Hof hebben aanvaard overeenkomstig paragraaf 3: (
- a)de Staat op wiens grondgebied de gedragingen in kwestie plaatsvonden of, indien de misdaad werd gepleegd aan boord van een schip of luchtvaartuig, de Staat van registratie van dat schip of luchtvaartuig;(
- b)de Staat waarvan de persoon die van de misdaad wordt beschuldigd onderdaan is.3. Indien de aanvaarding door een Staat die geen Partij is bij dit Statuut vereist is krachtens paragraaf 2, kan die Staat, door middel van een verklaring die bij de Griffier wordt neergelegd, de uitoefening van rechtsmacht door het Hof aanvaarden met betrekking tot de desbetreffende misdaad.De Staat die de uitoefening van rechtsmacht aanvaardt werkt zonder vertraging of uitzondering samen met het Hof overeenkomstig Hoofdstuk IX. Artikel 13 Uitoefening van rechtsmacht Het Hof is bevoegd zijn rechtsmacht uit te oefenen met betrekking tot een misdaad bedoeld in artikel 5 overeenkomstig de bepalingen van dit Statuut, indien: (
- a)een situatie waarin een of meer van deze misdaden lijken te zijn gepleegd, overeenkomstig artikel 14 naar de Aanklager wordt verwezen door een Staat die Partij is;(
- b)een situatie waarin een of meer van deze misdaden lijken te zijn gepleegd, naar de Aanklager wordt verwezen door de Veiligheidsraad, handelend krachtens Hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties;of (
- c)de Aanklager een onderzoek heeft geopend met betrekking tot deze misdaad overeenkomstig artikel 15. Artikel 14 Aangiften van een situatie door een Staat die Partij is 1. Een Staat die Partij is kan een situatie waarin een of meer misdaden lijken te zijn gepleegd waarover het Hof rechtsmacht heeft aangeven bij de Aanklager waarbij de Aanklager wordt verzocht de situatie te onderzoeken teneinde vast te stellen of een of meer specifieke personen in staat van beschuldiging dienen te worden gesteld wegens het plegen van deze misdaden.2. Voorzover mogelijk worden bij de aangifte de relevante omstandigheden vermeld, vergezeld van alle ondersteunende documenten die ter beschikking staan van de Staat die de aangifte doet. Artikel 15 De Aanklager 1. De Aanklager kan op eigen initiatief een onderzoek openen op grond van informatie over misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit.2. De Aanklager onderzoekt de ernst van de ontvangen informatie. Hiertoe is hij bevoegd aanvullende informatie te verzoeken van Staten, organen van de Verenigde Naties, intergouvernementele of niet-gouvernementele organisaties, of van andere betrouwbare bronnen die daarvoor naar zijn mening in aanmerking komen, en is hij bevoegd schriftelijke of mondelinge getuigenverklaringen in ontvangst te nemen op de zetel van het Hof. 3. Indien de Aanklager concludeert dat er een redelijke basis is om tot een onderzoek over te gaan, dient hij een verzoek in bij de Kamer van vooronderzoek voor een machtiging daartoe, onder overlegging van de verzamelde stavingstukken.Slachtoffers kunnen hun mening kenbaar maken bij de Kamer van vooronderzoek overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering. 4. Indien de Kamer van vooronderzoek, na kennisneming van het verzoek en de stavingstukken, van oordeel is dat er een redelijke basis is om over te gaan tot een onderzoek en dat de zaak klaarblijkelijk binnen de rechtsmacht van het Hof valt, verleent de Kamer van vooronderzoek machtiging voor de opening van het onderzoek, onverminderd latere beslissingen van het Hof met betrekking tot de rechtsmacht en de ontvankelijkheid van een zaak.5. De weigering door de Kamer van vooronderzoek om machtiging te verlenen voor een onderzoek vormt geen beletsel voor de indiening door de Aanklager van een later verzoek dat gebaseerd is op nieuwe feiten of bewijs met betrekking tot dezelfde situatie.6. Indien de Aanklager na het voorbereidend onderzoek bedoeld in paragrafen 1 en 2 concludeert dat de verstrekte informatie geen redelijke basis voor een onderzoek oplevert, stelt hij degenen die de informatie hebben verstrekt daarvan in kennis.Dit belet de Aanklager niet nadere informatie die aan hem wordt overgelegd met betrekking tot dezelfde situatie in het licht van nieuwe feiten of bewijs in overweging te nemen. Artikel 16 Opschorting van onderzoek of vervolging Geen onderzoek of vervolging kan worden aangevangen of voortgezet krachtens dit Statuut gedurende een periode van 12 maanden nadat de Veiligheidsraad bij resolutie die krachtens Hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties is aangenomen, een verzoek daartoe tot het Hof heeft gericht; het verzoek kan door de Raad worden hernieuwd onder dezelfde voorwaarden. Artikel 17 Vragen met betrekking tot ontvankelijkheid 1. Gelet op de tiende alinea van de Preambule en artikel 1 besluit het Hof tot niet-ontvankelijkheid van een zaak indien: (
- a)in de zaak onderzoek of vervolging plaatsvindt door een Staat die ter zake rechtsmacht heeft, tenzij de Staat niet bereid of niet bij machte is het onderzoek of de vervolging daadwerkelijk uit te voeren;(
- b)in de zaak een onderzoek is verricht door een Staat die rechtsmacht heeft in dit verband en de Staat besloten heeft de betrokken persoon niet te vervolgen, tenzij het besluit het gevolg was van het niet bereid of niet bij machte zijn van de Staat de vervolging daadwerkelijk uit te voeren;(
- c)de betrokken persoon reeds terecht heeft gestaan voor gedragingen waarop de klacht betrekking heeft, en terechtstaan voor het Hof niet is toegestaan ingevolge artikel 20, paragraaf 3;(
- d)de zaak niet voldoende ernstig is om verdere stappen van het Hof te rechtvaardigen.2. Bij de vaststelling of sprake is van het ontbreken van bereidheid in een bepaalde zaak beoordeelt het Hof, met inachtneming van de in het internationale recht erkende beginselen van een behoorlijke rechtsbedeling, of een of meer van de volgende omstandigheden zich voordoen : (
- a)tot de procedure werd of wordt overgegaan of het nationale besluit werd genomen teneinde de betrokken persoon af te schermen tegen strafrechtelijke aansprakelijkheid voor misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit als bedoeld in artikel 5;(
- b)er is sprake van ongerechtvaardigde vertraging in de procedure die, onder de omstandigheden, niet verenigbaar is met het voornemen de betrokken persoon terecht te doen staan;(
- c)de procedure werd of wordt niet gevoerd op een onafhankelijke of onpartijdige wijze en vond of vindt plaats op een wijze die, onder de omstandigheden, niet verenigbaar is met het voornemen om de betrokken persoon terecht te doen staan.3. Bij de bepaling of in een afzonderlijk geval sprake is van onmacht, gaat het Hof na of de Staat vanwege een algehele of substantiële ineenstorting of niet-beschikbaarheid van zijn nationale rechterlijke organisatie, niet bij machte is de verdachte of het noodzakelijke bewijs en de noodzakelijke getuigenverklaringen in handen te krijgen of anderszins niet bij machte is tot het voeren van die procedure. Artikel 18 Voorafgaande beslissingen met betrekking tot de ontvankelijkheid 1. Wanneer aangifte is gedaan van een situatie bij het Hof ingevolge artikel 13, alinea (a), en de Aanklager heeft bepaald dat er een redelijke basis is om een onderzoek te openen, of de Aanklager opent een onderzoek ingevolge artikel 13, alinea (c), en artikel 15, stelt de Aanklager alle Staten die Partij zijn hiervan in kennis, alsmede die Staten die, de beschikbare informatie in aanmerking nemende, normaliter rechtsmacht zouden uitoefenen in verband met de betrokken misdaden.De Aanklager is bevoegd de kennisgeving op vertrouwelijke basis aan deze Staten te verstrekken en de omvang van de aan Staten te verstrekken informatie te beperken als de Aanklager dit noodzakelijk acht ter bescherming van personen, of teneinde vernietiging van bewijsmateriaal te voorkomen of personen het vluchten te beletten. 2. Binnen een maand na ontvangst van die kennisgeving kan een Staat het Hof meedelen dat hij een onderzoek instelt of heeft ingesteld met betrekking tot zijn onderdanen of anderen waarover hij rechtsmacht bezit inzake strafbare handelingen die misdaden kunnen opleveren als bedoeld in artikel 5 en betrekking hebben op de informatie die is verstrekt in de aan Staten gerichte kennisgeving.Op verzoek van die Staat besluit de Aanklager tot opschorting ten gunste van het onderzoek van de Staat naar die personen, tenzij de Kamer van vooronderzoek op verzoek van de Aanklager besluit tot machtiging voor het onderzoek door hemzelf. 3. De opschorting door de Aanklager ten behoeve van het onderzoek van een Staat staat open voor herziening zes maanden na de datum van de opschorting of telkens wanneer er sprake is van een belangrijke verandering in de omstandigheden die voortvloeit uit het gebrek aan bereidheid of de onbekwaamheid van de Staat om het onderzoek daadwerkelijk uit te voeren.4. De betrokken Staat of de Aanklager is bevoegd tegen een beslissing van de Kamer van vooronderzoek in beroep te gaan bij de Kamer van beroep overeenkomstig artikel 82.Het beroep kan in een verkorte procedure worden behandeld. 5. Wanneer de Aanklager tot opschorting heeft besloten ten behoeve van een onderzoek overeenkomstig paragraaf 2, is de Aanklager bevoegd de betrokken Staat te verzoeken hem periodiek te informeren over de vooruitgang van zijn onderzoek en de daaropvolgende vervolging.Staten die Partij zijn dienen onverwijld aan deze verzoeken te voldoen. 6. Hangende een beslissing van de Kamer van vooronderzoek of telkens wanneer de Aanklager ingevolge dit artikel tot opschorting heeft besloten ten behoeve van een onderzoek, is de Aanklager bevoegd, bij wijze van uitzondering, de Kamer van vooronderzoek om machtiging te verzoeken tot het verrichten van noodzakelijke onderzoekshandelingen teneinde bewijsmateriaal veilig te stellen, wanneer zich een eenmalige gelegenheid voordoet om belangrijk bewijsmateriaal te verkrijgen of wanneer een aanzienlijk risico bestaat dat dergelijk bewijs nadien niet meer beschikbaar is.7. Een Staat die een beslissing van de Kamer van vooronderzoek ingevolge dit artikel heeft aangevochten, is bevoegd de ontvankelijkheid van een zaak ingevolge artikel 19 te betwisten op grond van aanvullende relevante feiten of een wezenlijke wijziging in de omstandigheden. Artikel 19 Betwisting van de rechtsmacht van het Hof of de ontvankelijkheid van een zaak 1. Het Hof verzekert zich ervan dat het rechtsmacht bezit over elke zaak die bij hem is aangebracht.Het Hof is ambtshalve bevoegd de ontvankelijkheid van een zaak overeenkomstig artikel 17 vast te stellen. 2. De ontvankelijkheid van een zaak op de gronden bedoeld in artikel 17 of de rechtsmacht van het Hof kunnen worden betwist door : (
- a)een verdachte of een persoon tegen wie een bevel tot aanhouding of een oproep tot verschijnen is uitgevaardigd ingevolge artikel 58;(
- b)een Staat die rechtsmacht bezit over een zaak op grond van het feit dat hij in de zaak een onderzoek verricht of heeft verricht of vervolging instelt of heeft ingesteld;of (
- c)een Staat wiens aanvaarding van rechtsmacht vereist is ingevolge artikel 12.3. De Aanklager is bevoegd het Hof te verzoeken om een beslissing te nemen met betrekking tot een vraag over rechtsmacht of ontvankelijkheid.In procedures die betrekking hebben op rechtsmacht of ontvankelijkheid kunnen zowel zij die aangifte hebben gedaan van de situatie ingevolge artikel 13, als slachtoffers hun opvattingen aan het Hof kenbaar maken. 4. De ontvankelijkheid van een zaak of de rechtsmacht van het Hof kan slechts eenmaal worden betwist door een persoon of Staat als bedoeld in paragraaf 2.De betwisting dient te geschieden voor of bij de aanvang van de terechtzitting. In uitzonderlijke omstandigheden is het Hof bevoegd toestemming te verlenen tot het herhaaldelijk naar voren brengen van de betwisting of betwisting toestaan op een later tijdstip dan bij de aanvang van de terechtzitting. Betwisting van de ontvankelijkheid van een zaak bij de aanvang van een terechtzitting of op een later tijdstip met toestemming van het Hof mag alleen worden gebaseerd op artikel 17, paragraaf 1, alinea (c). 5. Een Staat als bedoeld in paragraaf 2, alinea's (
- b)en (c), maakt zijn bezwaren in een zo vroeg mogelijk stadium kenbaar.6. Voorafgaand aan de bevestiging van de tenlastelegging dient elke betwisting van de ontvankelijkheid van een zaak of van de rechtsmacht van het Hof te worden verwezen naar de Kamer van vooronderzoek.Na bevestiging van de tenlastelegging wordt de betwisting verwezen naar de Kamer van eerste aanleg. Tegen besluiten met betrekking tot rechtsmacht of ontvankelijkheid kan in beroep worden gegaan bij de Kamer van beroep overeenkomstig artikel 82. 7. Indien een betwisting plaatsvindt door een Staat bedoeld in paragraaf 2, alinea (
- b)of (c), schort de Aanklager het onderzoek op totdat het Hof een beslissing neemt overeenkomstig artikel 17.8. Hangende een beslissing van het Hof is de Aanklager bevoegd het Hof te verzoeken hem machtiging te verlenen : (
- a)de noodzakelijke onderzoekshandelingen te verrichten bedoeld in artikel 18, paragraaf 6;(
- b)een verklaring of getuigenis van een getuige op te nemen of het vergaren en onderzoeken van bewijsmateriaal te voltooien waarmee was aangevangen voordat een betwisting plaatsvond;en (
- c)in samenwerking met de betrokken Staten, personen ten aanzien van wie de Aanklager reeds om een bevel tot aanhouding ingevolge artikel 58 heeft verzocht, het vluchten te beletten.9. De betwisting doet geen afbreuk aan de geldigheid van een handeling verricht door de Aanklager of aan een opdracht of bevel gegeven door het Hof voordat de betwisting plaatsvond.10. Indien het Hof heeft besloten dat een zaak niet-ontvankelijk is ingevolge artikel 17, is de Aanklager bevoegd een verzoek in te dienen tot herziening van de beslissing wanneer hij volledig overtuigd is van het feit dat nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen die de grondslag ontkrachten waarop voordien de zaak niet ontvankelijk was bevonden ingevolge artikel 17.11. Indien de Aanklager, gelet op de bepalingen van artikel 17, een onderzoek opschort, heeft de Aanklager het recht de betrokken Staat te verzoeken hem informatie over de procedure te verschaffen.Die informatie wordt op verzoek van de betrokken Staat vertrouwelijk behandeld. Indien de Aanklager daarna besluit een onderzoek in te stellen, stelt hij de Staat daarvan in kennis ten gunste van wiens procedure hij zijn onderzoek heeft opgeschort. Artikel 20 Ne bis in idem 1. Behoudens hetgeen in dit Statuut is bepaald, staat niemand voor het Hof terecht voor gedragingen die de grondslag vormden van misdaden waarvoor de betrokkene door het Hof is veroordeeld of vrijgesproken.2. Niemand staat terecht voor een ander gerecht voor een misdaad bedoeld in artikel 5 waarvoor de betrokkene reeds door het Hof is veroordeeld of vrijgesproken.3. Niemand die voor een ander gerecht heeft terechtgestaan voor gedragingen die ook ingevolge de artikelen 6, 7 of 8 verboden zijn, staat voor het Hof terecht voor dezelfde gedragingen, tenzij de procedure bij het andere gerecht : (
- a)diende ter onttrekking van de betrokkene aan de strafrechtelijke aansprakelijkheid in verband met misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit;of (
- b)anderszins niet op onafhankelijke of onpartijdige wijze verliep overeenkomstig de in het internationale recht erkende waarborgen voor een behoorlijke rechtsbedeling en plaatsvond op een wijze die, onder de omstandigheden, niet verenigbaar was met het voornemen om de betrokkene terecht te doen staan. Artikel 21 Toepasselijk recht 1. Het Hof past toe : (
- a)in de eerste plaats, dit Statuut, de elementen van misdaden en het Reglement van proces- en bewijsvoering;(
- b)in de tweede plaats, indien van toepassing, toepasselijke verdragen en de beginselen en regels van internationaal recht, waaronder de gevestigde beginselen van het internationaal recht inzake gewapende conflicten;(
- c)bij gebreke daarvan, algemene rechtsbeginselen die door het Hof worden ontleend aan de nationale wetten van rechtsstelsels van de wereld, waaronder, indien van toepassing, nationale wetten van Staten die normaliter rechtsmacht zouden uitoefenen in verband met de misdaad, mits die beginselen niet onverenigbaar zijn met dit Statuut en met internationaal recht en internationaal erkende normen en maatstaven.2. Het Hof is bevoegd beginselen en rechtsregels toe te passen overeenkomstig de interpretatie die het in zijn voorgaande beslissingen daaraan gaf.3. De toepassing en interpretatie van het recht ingevolge dit artikel dient verenigbaar te zijn met internationaal erkende mensenrechten, waarbij geen nadelig onderscheid mag worden gemaakt op zulke gronden als geslacht, zoals gedefinieerd in artikel 7, paragraaf 3, leeftijd, ras, huidskleur, taal, godsdienst of geloof, politieke of andere opvatting, nationale, etnische of maatschappelijke oorsprong, bezit, geboorte of enige andere eigenschap. HOOFDSTUK III - ALGEMENE BEGINSELEN VAN STRAFRECHT Artikel 22 Nullum crimen sine lege 1. Niemand zal krachtens dit Statuut strafrechtelijk aansprakelijk zijn tenzij het desbetreffende feit op het tijdstip waarop het plaatsvindt een misdaad oplevert waarover het Hof rechtsmacht bezit.2. De definitie van een misdaad wordt strikt geïnterpreteerd en niet verruimd naar analogie.In geval van dubbelzinnigheid wordt de definitie uitgelegd in het voordeel van de persoon ten aanzien van wie een onderzoek plaatsvindt of die vervolgd of veroordeeld wordt. 3. Dit artikel laat onverlet dat een gedraging als misdaad wordt gekwalificeerd naar internationaal recht onafhankelijk van dit Statuut. Artikel 23 Nulla poena sine lege Een door het Hof veroordeelde persoon kan uitsluitend worden gestraft overeenkomstig de bepalingen van dit Statuut. Artikel 24 Geen terugwerkende kracht ratione personae 1. Niemand is strafrechtelijk aansprakelijk krachtens dit Statuut in verband met een feit dat plaatsvond voor de inwerkingtreding van het Statuut.2. Ingeval van een wijziging van het op een bepaalde zaak toepasselijke recht voordat een definitieve uitspraak wordt gewezen, wordt het recht toegepast dat het gunstigst is voor de persoon die onderworpen is aan een onderzoek, vervolging of veroordeling. Artikel 25 Individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid 1. Het Hof bezit krachtens dit Statuut rechtsmacht over natuurlijke personen.2. Een persoon die een misdaad pleegt waarover het Hof rechtsmacht bezit is persoonlijk aansprakelijk en strafbaar overeenkomstig dit Statuut.3. Overeenkomstig dit Statuut is een persoon strafrechtelijk aansprakelijk en strafbaar voor een misdaad waarover het Hof rechtsmacht bezit, indien die persoon: (
- a)een dergelijke misdaad pleegt als individu, gezamenlijk met of door middel van een andere persoon, ongeacht of die andere persoon strafrechtelijk aansprakelijk is;(
- b)opdracht geeft tot, verzoekt om of beweegt tot het plegen van een dergelijke misdaad die feitelijk plaatsvindt of waartoe een poging wordt gedaan;(
- c)teneinde het plegen van een dergelijke misdaad te vergemakkelijken, hulp biedt, medewerking verleent of anderszins bijstand biedt bij het plegen of een poging tot het plegen daarvan, met inbegrip van het verschaffen van de middelen tot het plegen van die misdaad;(
- d)op andere wijze meewerkt aan het plegen of een poging tot het plegen van een dergelijke misdaad door een groep personen die handelt met een gemeenschappelijk doel.Deze medewerking dient opzettelijk te zijn en dient: (
- i)te worden verleend met het doel de criminele activiteit of het criminele doel van de groep te bevorderen, terwijl een dergelijke activiteit of doel het plegen van een misdaad oplevert waarover het Hof rechtsmacht bezit;of (
- ii)te worden verleend met kennis van de bedoeling van de groep om de misdaad te plegen; (
- e)met betrekking tot de misdaad genocide, rechtstreeks en openlijk anderen aanzet tot het plegen van genocide;(
- f)een poging doet een dergelijke misdaad te plegen door stappen te nemen waardoor de uitvoering van de misdaad wezenlijk in gang wordt gezet, maar de misdaad niet wordt voltrokken ten gevolge van omstandigheden die onafhankelijk zijn van de bedoelingen van de persoon.Een persoon die echter de poging tot het plegen van de misdaad staakt of anderszins de voltrekking van de misdaad verhindert, is niet strafbaar krachtens dit Statuut in verband met de poging tot het plegen van die misdaad, indien die persoon volledig en vrijwillig van het misdadig doel heeft afgezien. 4. Geen van de bepalingen van dit Statuut met betrekking tot individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid is van invloed op de aansprakelijkheid van Staten krachtens internationaal recht. Artikel 26 Uitsluiting van rechtsmacht over personen beneden de achttien jaar Het Hof bezit geen rechtsmacht over een persoon wiens leeftijd lager was dan achttien jaar ten tijde van het vermeende plegen van een misdaad. Artikel 27 Irrelevantie van officiële hoedanigheid 1. Dit Statuut geldt op gelijke wijze ten aanzien van iedereen zonder enig onderscheid op grond van de officiële hoedanigheid.In het bijzonder ontheft de officiële hoedanigheid als staatshoofd of regeringsleider, lid van een regering of parlement, gekozen vertegenwoordiger of ambtenaar een persoon nooit van strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens dit Statuut en evenmin vormt dit als dusdanig een grond voor strafvermindering. 2. Immuniteit of bijzondere procedurele regels die mogelijk verbonden zijn aan de officiële hoedanigheid van een persoon krachtens nationaal of internationaal recht, vormen voor het Hof geen beletsel voor het uitoefenen van zijn rechtsmacht over deze persoon. Artikel 28 Aansprakelijkheid van bevelhebbers en andere meerderen In aanvulling op andere gronden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens dit Statuut voor misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit : (
- a)is een militair bevelhebber of persoon die daadwerkelijk als militair bevelhebber optreedt, strafrechtelijk aansprakelijk voor misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit, wanneer deze zijn gepleegd door strijdkrachten onder zijn daadwerkelijk bevel en leiding of, afhankelijk van de omstandigheden, onder zijn daadwerkelijke gezag en leiding, als gevolg van zijn nalaten behoorlijk leiding te geven aan die strijdkrachten, indien : (
- i)die militaire bevelhebber of persoon kennis had van het feit dat de strijdkrachten deze misdaden pleegden of op het punt stonden deze te plegen, dan wel wegens de omstandigheden op dat moment daarvan kennis had moeten hebben;en (
- ii)die militaire bevelhebber of persoon naliet alle noodzakelijke en redelijke maatregelen te treffen die binnen zijn macht lagen om het plegen daarvan te verhinderen of te beperken of de zaak voor te leggen aan de bevoegde autoriteiten voor onderzoek en vervolging. (
- b)is een meerdere voor wat betreft de verhouding tussen een hiërarchisch meerdere en andere dan in alinea (
- a)bedoelde ondergeschikten, strafrechtelijk aansprakelijk voor misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit, indien deze zijn gepleegd door ondergeschikten die onder zijn daadwerkelijk gezag en leiding stonden als gevolg van zijn nalaten behoorlijk leiding te geven aan deze ondergeschikten, indien : (
- i)de meerdere kennis had van, dan wel bewust geen acht geslagen heeft op informatie die duidelijk aangaf dat de ondergeschikten deze misdaden pleegden of op het punt stonden deze te plegen; (
- ii)de misdaden activiteiten betroffen binnen het bereik van de daadwerkelijke aansprakelijkheid en leiding van de meerdere; en (iii) de meerdere naliet alle noodzakelijke en redelijke maatregelen te treffen die binnen zijn macht lagen om het plegen van de misdaden te verhinderen of te beperken of de zaak voor te leggen aan de bevoegde autoriteiten voor onderzoek en vervolging. Artikel 29 Geen verjaring Misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit verjaren niet. Artikel 30 Psychologisch element 1. Tenzij anders bepaald is een persoon alleen strafrechtelijk aansprakelijk en strafbaar in verband met een misdaad waarover het Hof rechtsmacht bezit, indien het materieel element gepleegd is met opzet en wetenschap.2. Voor de toepassing van dit artikel handelt een persoon met opzet indien : (
- a)die persoon met betrekking tot gedragingen, de bedoeling heeft tot de gedragingen over te gaan;(
- b)die persoon met betrekking tot een gevolg, de bedoeling heeft dat gevolg teweeg te brengen of zich ervan bewust is dat het gevolg zich bij een normale gang van zaken zal voordoen.3. Voor de toepassing van dit artikel is er sprake van kennis wanneer een persoon zich ervan bewust is dat een omstandigheid bestaat of dat een gevolg zich bij een normale gang van zaken zal voordoen.« Kennis hebben » en « welbewust » worden dienovereenkomstig uitgelegd. Artikel 31 Strafuitsluitingsgronden 1. Naast de overige in dit Statuut opgenomen strafuitsluitingsgronden is een persoon niet strafrechtelijk aansprakelijk indien, ten tijde van de gedragingen van die persoon : (
- a)de persoon lijdt aan een geestesziekte of een geestelijke stoornis die deze persoon het vermogen de wederrechtelijkheid of aard van zijn gedragingen te beseffen, of het vermogen zijn gedragingen te beheersen teneinde de wettelijke vereisten na te leven, ontneemt;(
- b)de persoon zich in een staat van intoxicatie bevindt die zijn vermogen om de wederrechtelijkheid of de aard van zijn gedragingen te beseffen, of zijn vermogen zijn gedragingen te beheersen teneinde de wettelijke vereisten na te leven, vernietigt, tenzij de persoon vrijwillig in een staat van intoxicatie is geraakt onder zodanige omstandigheden dat de persoon kennis had van of geen acht sloeg op het risico dat hij, als gevolg van de intoxicatie, waarschijnlijk zou overgaan tot gedragingen die een misdaad vormen waarover het Hof rechtsmacht bezit ;(
- c)de persoon redelijk handelt ter verdediging van zichzelf of van een andere persoon, of, bij oorlogsmisdaden, van goederen die van essentieel belang zijn voor het overleven van de persoon of van een andere persoon of voor de instandhouding van goederen die van essentieel belang zijn voor het volbrengen van een militaire missie, tegen een dreigend en wederrechtelijk gebruik van geweld op een wijze die evenredig is aan het gevaar voor de persoon of de andere persoon of de beschermde goederen.Het feit dat de persoon betrokken was bij een door strijdkrachten uitgevoerde defensieve operatie vormt op zichzelf geen strafuitsluitingsgrond ingevolge deze paragraaf; (
- d)de gedraging waarvan gesteld wordt dat ze een misdaad vormt waarover het Hof rechtsmacht bezit, voortgevloeid is uit dwang als gevolg van een onmiddellijke doodsdreiging voor de persoon of een andere persoon of een dreiging van voortdurend of dreigend ernstig lichamelijk letsel, en de persoon noodzakelijkerwijs en redelijk handelt teneinde deze dreiging af te wenden, mits de persoon niet de bedoeling heeft groter letsel toe te brengen dan het letsel dat hij tracht te voorkomen.Een dergelijke dreiging kan : (
- i)veroorzaakt worden door andere personen;of (
- ii)gevormd worden door andere omstandigheden waarop die persoon geen invloed kan uitoefenen. 2. Het Hof oordeelt over de toepasselijkheid van de in dit Statuut bepaalde strafuitsluitingsgronden in de voorliggende zaak.3. Ter terechtzitting is het Hof bevoegd een andere strafuitsluitingsgrond te overwegen dan de in paragraaf 1 vermelde gronden, wanneer deze grond is ontleend aan het in artikel 21 beschreven toepasselijke recht.De procedure voor de overweging of een dergelijke grond bestaat wordt geregeld in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering. Artikel 32 Dwaling ten aanzien van de feiten of dwaling ten aanzien van het recht 1. Dwaling ten aanzien van de feiten is slechts een strafuitsluitingsgrond indien daardoor het psychologisch element dat voor de misdaad is vereist wordt tenietgedaan.2. Dwaling ten aanzien van het recht bij de vraag of een bepaalde vorm van gedragingen een misdaad is waarover het Hof rechtsmacht bezit, is geen strafuitsluitingsgrond.Dwaling ten aanzien van het recht kan echter een strafuitsluitingsgrond zijn indien daardoor het psychologisch element dat voor deze misdaad is vereist wordt tenietgedaan, of als deze onder het toepassingsgebied van artikel 33 valt. Artikel 33 Bevelen van meerderen en wettelijk voorschrift 1. Het feit dat een misdaad waarover het Hof rechtsmacht heeft door een persoon is gepleegd krachtens een bevel van een regering of van een meerdere, militair of burger, ontheft die persoon niet van strafrechtelijke aansprakelijkheid, tenzij : (
- a)de persoon wettelijk verplicht was bevelen van de desbetreffende regering of meerdere op te volgen;(
- b)de persoon geen kennis had van het feit dat het bevel onwettig was;en (
- c)het bevel niet onmiskenbaar onwettig was.2. Voor de toepassing van dit artikel zijn bevelen om genocide of misdaden tegen de mensheid te plegen onmiskenbaar onwettig. HOOFDSTUK IV - SAMENSTELLING EN DAGELIJKS BESTUUR VAN HET HOF Artikel 34 Organen van het Hof Het Hof bestaat uit de volgende organen : (
- a)Het Voorzitterschap;(
- b)Een Afdeling beroep, een Afdeling eerste aanleg en een Afdeling vooronderzoek;(
- c)Het Bureau van de Aanklager;(
- d)De Griffie. Artikel 35 Uitoefening van de functie van rechter 1. Alle rechters worden gekozen als voltijdse leden van het Hof en zijn beschikbaar om op die basis werkzaam te zijn vanaf de aanvang van hun ambtstermijn.2. De rechters die deel uitmaken van het Voorzitterschap zijn op voltijdse basis werkzaam zodra zij zijn gekozen.3. Het Voorzitterschap is bevoegd, afhankelijk van de werklast van het Hof en in overleg met zijn leden, periodiek te beslissen in hoeverre het vereist is dat de overige rechters op voltijdse basis werkzaam zijn.Een dergelijke regeling doet geen afbreuk aan het in artikel 40 bepaalde. 4. De financiële regelingen voor niet op voltijdse basis werkzame rechters worden overeenkomstig artikel 49 getroffen. Artikel 36 Kwalificaties, voordracht en verkiezing van rechters 1. Onverminderd het in paragraaf 2 bepaalde, bestaat het Hof uit 18 rechters.2. (
- a)Het Voorzitterschap, optredend namens het Hof, is bevoegd voor te stellen het in paragraaf 1 vermelde aantal rechters te verhogen onder opgave van redenen waarom dit noodzakelijk en passend wordt geacht.De Griffier doet alle Staten die Partij zijn een dergelijk voorstel onverwijld toekomen. (
- b)Beraad over een dergelijk voorstel vindt plaats in een overeenkomstig artikel 112 bijeen te roepen bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn.Het voorstel wordt geacht te zijn aanvaard indien het wordt goedgekeurd in de vergadering bij een tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van Staten die Partij zijn; het wordt van kracht op de door de Vergadering van Staten die Partij zijn vastgestelde datum. (
- c)(i)Wanneer een voorstel tot verhoging van het aantal rechters eenmaal is aanvaard overeenkomstig het in alinea (
- b)bepaalde, vindt verkiezing van de nader toe te voegen rechters plaats in de eerstvolgende bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn overeenkomstig paragrafen 3 tot en met 8, en artikel 37, paragraaf 2; (
- ii)Wanneer een voorstel tot verhoging van het aantal rechters eenmaal is aanvaard en wordt uitgevoerd overeenkomstig het in alinea's (
- b)en (c), sub-alinea (
- i)bepaalde, staat het het Voorzitterschap daarna te allen tijde vrij, indien de werklast van het Hof dit rechtvaardigt, een vermindering van het aantal rechters voor te stellen, mits het aantal rechters niet minder wordt dan het in paragraaf 1 vermelde aantal.Het voorstel wordt behandeld overeenkomstig de procedure vermeld in alinea's (
- a)en (b). Indien het voorstel wordt aanvaard, wordt het aantal rechters geleidelijk verminderd naar gelang de ambtstermijn van de zittende rechters afloopt, totdat het vereiste aantal is bereikt. 3. (
- a)De rechters worden gekozen uit personen van hoog zedelijk aanzien, die onpartijdig en integer zijn en de in hun respectieve Staten vereiste kwalificaties hebben voor benoeming tot de hoogste functies bij de rechterlijke macht.(
- b)Elke kandidaat voor verkiezing in het Hof : (
- i)bezit erkende bekwaamheid in het strafrecht en strafprocesrecht en de vereiste relevante ervaring in strafzaken als rechter, aanklager, advocaat, of in een andere, vergelijkbare hoedanigheid;of (
- ii)bezit erkende bekwaamheid op relevante gebieden van internationaal recht zoals internationaal humanitair recht en mensenrechten en een ruime professionele ervaring op juridisch gebied, relevant voor het werk van de rechters van het Hof; (
- c)voor verkiezing in het Hof dient een kandidaat een uitstekende kennis te bezitten van ten minste een van de werktalen van het Hof en deze taal vloeiend te spreken.4. (
- a)Alle Staten die Partij zijn bij dit Statuut kunnen kandidaten voorstellen voor verkiezing in het Hof : (
- i)door middel van de procedure voor voordracht van kandidate voor benoeming tot de hoogste functies bij de rechterlijke macht in de betrokken Staat;of (
- ii)door middel van de procedure die voor voordracht van kandidaten voor het Internationaal Hof van Justitie is voorzien in het Statuut van dat Hof. De voordrachten gaan vergezeld van een opgave waarin zo gedetailleerd als nodig wordt aangegeven op welke wijze de kandidaat voldoet aan de vereisten van paragraaf 3. (
- b)Voor elke verkiezing kan elke Staat die Partij is één kandidaat voordragen, die niet noodzakelijkerwijs onderdaan van die Staat hoeft te zijn, maar wel onderdaan is van een Staat die Partij is.(
- c)Waar nodig kan de vergadering van Staten die Partij zijn besluiten tot instelling van een adviescommissie voor onderzoek van de kandidaturen.In dat geval worden de samenstelling en het mandaat van de commissie vastgesteld door de Vergadering van Staten die Partij zijn. 5. Ten behoeve van de verkiezing worden twee lijsten met kandidaten opgesteld : Lijst A, met de namen van kandidaten met de kwalificaties bedoeld in paragraaf 3, sub-alinea (b)(
- i);en Lijst B, met de namen van kandidaten met de kwalificaties bedoeld in paragraaf 3, sub-alinea (b)(ii). Een kandidaat die beschikt over voldoende kwalificaties voor beide lijsten heeft de keuze op welke lijst hij wenst te worden opgenomen. Bij de eerste verkiezing voor het Hof worden ten minste negen rechters gekozen van lijst A en ten minste vijf rechters van lijst B. Volgende verkiezingen worden zodanig ingericht dat dezelfde verhouding tussen rechters van de ene en de andere lijst wordt geëerbiedigd. 6. (
- a)De rechters worden gekozen door middel van een geheime stemming in een bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn, daartoe bijeengeroepen ingevolge artikel 112.Onverminderd paragraaf 7 zijn de personen die in het Hof worden gekozen de 18 kandidaten die het grootste aantal stemmen en een tweederde meerderheid krijgen van de aanwezige Staten die Partij zijn en hun stem uitbrengen. (
- b)Indien bij de eerste stemming geen voldoende aantal rechters is gekozen, vinden opeenvolgende stemmingen plaats overeenkomstig de procedures bedoeld in het in alinea (
- a)bepaalde totdat de resterende plaatsen zijn vervuld.7. Geen twee rechters mogen onderdaan zijn van dezelfde Staat.Een persoon die ten behoeve van het lidmaatschap van het Hof als onderdaan van meer dan een Staat kan worden beschouwd, wordt geacht onderdaan te zijn van de Staat waarin die persoon gewoonlijk zijn burgerlijke en politieke rechten uitoefent. 8. (
- a)De Staten die Partij zijn dienen bij de keuze van rechters rekening te houden met de behoefte, bij de samenstelling van het Hof, aan : (
- i)vertegenwoordiging van de voornaamste rechtsstelsels van de wereld; (
- ii)een billijke geografische vertegenwoordiging; en (iii) een billijke vertegenwoordiging van vrouwelijke en mannelijke rechters. (
- b)De Staten die Partij zijn dienen ook rekening te houden met de wenselijkheid rechters op te nemen die beschikken over juridische deskundigheid ten aanzien van bepaalde onderwerpen, waaronder in ieder geval maar niet beperkt tot materies inzake geweld tegen vrouwen of kinderen.9. (
- a)Onverminderd het in alinea (
- b)bepaalde is de ambtstermijn van rechters negen jaar, en onverminderd het in alinea (
- c)en in artikel 37, paragraaf 2, bepaalde zijn zij niet herkiesbaar.(
- b)Bij de eerste verkiezing wordt een derde van de gekozen rechters door loting aangewezen voor een ambtstermijn van drie jaar;een derde van de gekozen rechters wordt door loting aangewezen voor een ambtstermijn van zes jaar, terwijl de ambtstermijn van de overige rechters negen jaar zal zijn. (
- c)Een rechter die ingevolge het in alinea (
- b)bepaalde is aangewezen voor een ambtstermijn van drie jaar komt in aanmerking voor herverkiezing voor een volledige ambtstermijn.10. Niettegenstaande paragraaf 9 blijft een rechter die overeenkomstig artikel 39 is aangewezen om zitting te hebben in een Kamer van berechting of Kamer van beroep, in functie teneinde het onderzoek in eerste aanleg of in beroep te voltooien, waarvan de behandeling bij die kamer reeds is aangevangen. Artikel 37 Rechterlijke vacatures 1. Teneinde in de vacature te voorzien vindt een verkiezing plaats overeenkomstig artikel 36.2. Een rechter die gekozen is teneinde in een vacature te voorzien blijft in functie voor het resterende deel van de ambtstermijn van zijn voorganger en komt, indien die periode drie jaar of minder bedraagt, in aanmerking voor herverkiezing voor een volledige ambtstermijn ingevolge artikel 36. Artikel 38 Het Voorzitterschap 1. De Voorzitter en de Eerste en Tweede Ondervoorzitter worden door de rechters gekozen bij absolute meerderheid.Zij bekleden hun ambt gedurende een ambtstermijn van drie jaar of tot het einde van hun respectieve ambtstermijnen als rechter, indien deze eerder eindigen. Zij zijn eenmaal herkiesbaar. 2. De Eerste Ondervoorzitter vervangt de Voorzitter in het geval de Voorzitter niet beschikbaar of gewraakt is.De tweede Ondervoorzitter vervangt de Voorzitter in het geval zowel de Voorzitter als de Eerste Ondervoorzitter niet beschikbaar of gewraakt zijn. 3. De Voorzitter vormt, samen met de Eerste en Tweede Ondervoorzitter, het Voorzitterschap, dat verantwoordelijk is voor : (
- a)het adequate dagelijks bestuur van het Hof, met uitzondering van het Bureau van de Aanklager;en (
- b)de overige taken die aan het Voorzitterschap zijn opgedragen overeenkomstig dit Statuut.4. Bij het uitoefenen van zijn taken ingevolge paragraaf 3, alinea (a), handelt het Voorzitterschap in coördinatie met de Aanklager en streeft naar overeenstemming met hem over alle zaken van gemeenschappelijk belang. Artikel 39 Kamers 1. Zo spoedig mogelijk na de verkiezing van de rechters vormt het Hof de afdelingen vermeld in artikel 34, paragraaf (b).De Afdeling beroep bestaat uit de Voorzitter en vier andere rechters, de Afdeling eerste aanleg bestaat uit ten minste zes rechters en de Afdeling vooronderzoek uit ten minste zes rechters. De indeling van rechters bij de afdelingen vindt plaats op basis van de aard van de taken die door elke afdeling dienen te worden vervuld en de kwalificaties en ervaring van de voor het Hof gekozen rechters, opdat elke afdeling beschikt over een passende combinatie van deskundigheid op het gebied van het straf- en strafprocesrecht en het internationaal recht. De Afdelingen van Berechting en Vooronderzoek zijn overwegend samengesteld uit rechters met ervaring op het gebied van strafprocedures. 2. (
- a)De rechterlijke taken van het Hof worden in elke afdeling uitgeoefend door Kamers.(
- b)(
- i)De Kamer van beroep bestaat uit alle rechters van de Afdeling beroep; (
- ii)De taken van de Kamer van eerste aanleg worden uitgeoefend door drie rechters van de Afdeling eerste aanleg; (iii) De taken van de Kamer van vooronderzoek worden uitgeoefend door drie rechters van de Afdeling vooronderzoek of door een alleenzittende rechter van die afdeling overeenkomstig dit Statuut en het Reglement van proces- en bewijsvoering. (
- c)Niets in deze paragraaf belet de gelijktijdige samenstelling van meer dan een Kamer van eerste aanleg of vooronderzoek indien een efficiënte verdeling van de werklast van het Hof dit vereist.3. (
- a)Rechters ingedeeld bij de Afdelingen Berechting en Vooronderzoek hebben in die afdelingen zitting voor de duur van drie jaar, en na afloop van die termijn tot na de voltooiing van de zaak waarvan de behandeling bij de betrokken afdeling reeds is aangevangen.(
- b)Rechters ingedeeld bij de Afdeling beroep hebben in die afdeling zitting gedurende hun gehele ambtstermijn.4. Rechters ingedeeld bij de Afdeling beroep hebben alleen in die afdeling zitting.Niets in dit artikel belet echter de tijdelijke detachering van rechters van de Afdeling eerste aanleg bij de Afdeling vooronderzoek of omgekeerd, indien het Voorzitterschap van oordeel is dat een efficiënte verdeling van de werklast van het Hof dit vereist, mits een rechter die heeft deelgenomen aan de fase van vooronderzoek van een zaak in geen geval in aanmerking komt voor zitting in de Kamer van eerste aanleg die die zaak behandelt. Artikel 40 Onafhankelijkheid van de rechters 1. De rechters zijn onafhankelijk in de uitoefening van hun taken.2. Rechters onthouden zich van alle activiteiten waarvan aannemelijk is dat zij hun rechterlijke taken in de weg staan of het vertrouwen in hun onafhankelijkheid aantasten.3. Rechters die voltijds werkzaam dienen te zijn op de zetel van het Hof onthouden zich van alle andere beroepsmatige bezigheden.4. Over vragen met betrekking tot de toepassing van het paragrafen 2 en 3 wordt door de rechters beslist bij absolute meerderheid.Wanneer een dergelijke vraag een bepaalde rechter betreft, neemt die rechter geen deel aan de beslissing. Artikel 41 Verschoning en wraking van rechters 1. Het Voorzitterschap mag, op verzoek van een rechter, die rechter toestaan zich te verschonen van uitoefening van een functie krachtens dit Statuut overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering.2. (
- a)Een rechter neemt niet deel aan een zaak waarin redelijkerwijs twijfel kan rijzen aan zijn onpartijdigheid op welke grond dan ook. Een rechter wordt overeenkomstig deze paragraaf in een zaak gewraakt, onder meer indien die rechter voordien in enigerlei hoedanigheid betrokken was bij die zaak bij het Hof of bij een daarmee samenhangende strafvervolging op nationaal niveau waarbij de persoon tegen wie een onderzoek loopt of die vervolgd wordt, betrokken is. Tevens wordt de rechter gewraakt op andere gronden, als bepaald in het Reglement van proces- of bewijsvoering. (
- b)De Aanklager of de persoon tegen wie een onderzoek loopt of die vervolgd wordt is bevoegd om wraking van een rechter te verzoeken ingevolge deze paragraaf.(
- c)Over vragen met betrekking tot de wraking van een rechter wordt door de rechters beslist bij absolute meerderheid.De rechter die gewraakt wordt heeft het recht de kwestie toe te lichten, maar neemt geen deel aan de beslissing. Artikel 42 Het Bureau van de Aanklager 1. Het Bureau van de Aanklager treedt onafhankelijk op, als afzonderlijk orgaan van het Hof.Het is verantwoordelijk voor de ontvangst van klachten en aangiften en van alle behoorlijk onderbouwde informatie over misdaden binnen de rechtsmacht van het Hof, voor de bestudering daarvan, voor het voeren van onderzoeken en het ondersteunen van de beschuldiging voor het Hof. Een lid van het Bureau vraagt om, noch handelt volgens aanwijzingen van een externe bron. 2. De Aanklager is hoofd van het Bureau.De Aanklager heeft het volledige gezag over het beheer en het dagelijks bestuur van het Bureau, met inbegrip van het personeel, de voorzieningen en andere middelen. De Aanklager wordt bijgestaan door een of meer Substituut-Aanklagers, die gerechtigd zijn tot het uitvoeren van alle handelingen die krachtens dit Statuut van de Aanklager worden verlangd. De Aanklager en Substituut- Aanklagers dienen van verschillende nationaliteiten te zijn. Zij vervullen hun functie op voltijdse basis. 3. De Aanklager en Substituut-Aanklagers dienen personen van hoog zedelijk aanzien te zijn, in hoge mate bekwaam op het gebied van en met uitgebreide praktische ervaring in de vervolging of de berechting in strafzaken.Zij dienen te beschikken over een uitstekende kennis van tenminste een van de werktalen van het Hof en die taal vloeiend te spreken. 4. De Aanklager wordt gekozen bij geheime stemming bij absolute meerderheid van de leden van de Vergadering van Staten die Partij zijn.De Substituut-Aanklagers worden op eenzelfde wijze gekozen uit een door de Aanklager verstrekte lijst van kandidaten. Voor elke functie van Substituut-Aanklager draagt de Aanklager drie kandidaten voor. Tenzij bij hun verkiezing wordt besloten tot een kortere termijn, bedraagt de ambtstermijn van de Aanklager en de Substituut-Aanklagers negen jaar en zijn zij niet herkiesbaar. 5. De Aanklager en de Substituut-Aanklagers onthouden zich van alle activiteiten waarvan aannemelijk is dat zij zijn taken als Aanklager in de weg staan of het vertrouwen in zijn onafhankelijkheid aantasten. Zij onthouden zich van alle andere beroepsmatige bezigheden. 6. Het Voorzitterschap is bevoegd de Aanklager of een Substituut-Aanklager, op zijn verzoek, toe te staan zich te verschonen van optreden in een bepaalde zaak.7. De Aanklager noch een Substituut-Aanklager mogen deelnemen aan de behandeling van een zaak waarin hun onpartijdigheid redelijkerwijs kan worden betwijfeld op welke grond dan ook.Zij worden overeenkomstig deze paragraaf gewraakt in een zaak, onder meer indien zij voordien in enigerlei hoedanigheid betrokken waren bij die zaak voor het Hof of bij een daarmee samenhangende strafvervolging op nationaal niveau waarbij de persoon betrokken is tegen wie een onderzoek loopt of die vervolgd wordt. 8. Over vragen met betrekking tot de wraking van de Aanklager of een Substituut-Aanklager wordt beslist door de Kamer van beroep.(
- a)De persoon tegen wie een onderzoek loopt of die vervolgd wordt is te allen tijde bevoegd te verzoeken om wraking van de Aanklager of een Substituut-Aanklager op de gronden vermeld in dit artikel;(
- b)De Aanklager of, naargelang het geval, de bevoegde Substituut-Aanklager, indien van toepassing, heeft het recht de kwestie toe te lichten.9. De Aanklager benoemt adviseurs met juridische deskundigheid ten aanzien van bepaalde onderwerpen, waaronder, maar niet beperkt tot, seksueel geweld en seksistisch geweld en geweld tegen kinderen. Artikel 43 De Griffie 1. De Griffie is belast met de niet-gerechtelijke aspecten van het dagelijks bestuur en de bediening van het Hof, onverminderd de taken en bevoegdheden van de Aanklager overeenkomstig artikel 42.2. Aan het hoofd van de Griffie staat de Griffier, de hoogste bestuurlijke functionaris van het Hof.De Griffier oefent zijn taken uit onder gezag van de Voorzitter van het Hof. 3. De Griffier en de Substituut-Griffier dienen personen van hoog zedelijk aanzien te zijn, in hoge mate bekwaam en met een uitstekende kennis van ten minste een van de werktalen van het Hof en die taal vloeiend te spreken.4. De rechters kiezen de Griffier bij absolute meerderheid bij geheime stemming, daarbij rekening houdend met aanbevelingen van de Vergadering van Staten die Partij zijn.Indien de noodzaak daartoe ontstaat en op aanbeveling van de Griffier kiezen de rechters op dezelfde wijze een Substituut-Griffier. 5. De ambtstermijn van de Griffier is vijf jaar, hij is eenmaal herkiesbaar en werkt op voltijdse basis.De Substituut-Griffier wordt benoemd voor een ambtstermijn van vijf jaar of voor zoveel korter als de rechters bij absolute meerderheid besluiten; de Substituut-Griffier kan worden gekozen met dien verstande dat hij zal worden opgeroepen zijn taak uit te oefenen wanneer dat nodig is. 6. De Griffier roept binnen de Griffie een Afdeling voor Slachtoffers en Getuigen in het leven.Deze Afdeling treft, in overleg met het Bureau van de Aanklager, beschermende maatregelen en beveiligingsregelingen, draagt zorg voor advies en andere passende bijstand aan getuigen, aan slachtoffers die voor het Hof verschijnen en aan anderen die in gevaar zijn vanwege door dergelijke getuigen afgelegde getuigenverklaringen. De Afdeling dient te beschikken over personeel met deskundigheid op het gebied van trauma's, met inbegrip van trauma's ten gevolge van seksueel geweld. Artikel 44 Personeel 1. De Aanklager en de Griffier dragen zorg voor de benoeming van voor hun respectieve afdelingen vereist gekwalificeerd personeel.In het geval van de Aanklager omvat dit mede de benoeming van personen die met onderzoek worden belast. 2. Bij de aanstelling van personeel waarborgen de Aanklager en de Griffier de hoogste normen van doelmatigheid, bekwaamheid en integriteit, en houden daarbij voorzover mogelijk rekening met de criteria vermeld in artikel 36, paragraaf 8.3. De Griffier stelt met instemming van het Voorzitterschap en de Aanklager een Personeelsreglement voor, waarin mede de voorwaarden zijn vervat voor benoeming, honorering en ontslag van het personeel van het Hof.Het Reglement wordt goedgekeurd door de Vergadering van Staten die Partij zijn. 4. Het Hof is in uitzonderlijke omstandigheden bevoegd gebruik te maken van de deskundigheid van medewerkers die om niet ter beschikking worden gesteld door Staten die Partij zijn, intergouvernementele of niet-gouvernementele organisaties, die de organen van het Hof bij het werk assisteren.De Aanklager is bevoegd een dergelijk aanbod te aanvaarden namens het Bureau. Deze om niet ter beschikking gestelde medewerkers worden ingezet overeenkomstig de richtlijnen die door de Vergadering van Staten die Partij zijn worden vastgesteld. Artikel 45 Plechtige gelofte Voordat zij hun respectieve taken krachtens dit Statuut aanvaarden, leggen rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers, de Griffier en de Substituut-Griffier ieder een gelofte af in een openbare zitting dat zij hun respectieve functies onpartijdig en gewetensvol zullen uitoefenen. Artikel 46 Ontzetting uit het ambt 1. Een rechter, de Aanklager, een Substituut-Aanklager, de Griffier of de Substituut-Griffier wordt uit zijn ambt ontzet indien een beslissing hiertoe wordt genomen overeenkomstig paragraaf 2, in gevallen waarin die persoon : (
- a)zich schuldig blijkt te hebben gemaakt aan ernstig wangedrag of aan ernstig plichtsverzuim krachtens dit Statuut, zoals bepaald in het Reglement van proces- en bewijsvoering;of (
- b)niet in staat is de krachtens dit Statuut vereiste taken uit te oefenen.2. Een beslissing tot ontzetting uit het ambt van een rechter, de Aanklager of een Substituut-Aanklager ingevolge paragraaf 1 wordt genomen door de Vergadering van Staten die Partij zijn, bij geheime stemming : (
- a)in het geval van een rechter, bij een tweederde meerderheid van de Staten die Partij zijn, overeenkomstig een aanbeveling die door de overige rechters is aanvaard bij een tweederde meerderheid;(
- b)in het geval van de Aanklager, bij absolute meerderheid van de Staten die Partij zijn;(
- c)in het geval van een Substituut-Aanklager, bij absolute meerderheid van de Staten die Partij zijn, op aanbeveling van de Aanklager.3. Een besluit over de ontzetting uit het ambt van de Griffier of Substituut-Griffier wordt genomen bij absolute meerderheid van de rechters.4. Een rechter, Aanklager, Substituut-Aanklager, Griffier of Substituut- Griffier wiens gedrag of bekwaamheid om de krachtens dit Statuut vereiste taken van het ambt uit te oefenen wordt betwist ingevolge dit artikel, krijgt volledig de gelegenheid bewijs aan te voeren en te verkrijgen en zijn standpunt kenbaar te maken overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering.De persoon in kwestie neemt niet anderszins deel aan de behandeling van de zaak. Artikel 47 Tuchtmaatregelen Een rechter, Aanklager, Substituut-Aanklager, Griffier of Substituut- Griffier die zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag van minder ernstige aard dan dat bedoeld in artikel 46, paragraaf 1, wordt onderworpen aan disciplinaire maatregelen overeenkomstig het Reglement van procesen bewijsvoering. Artikel 48 Voorrechten en immuniteiten 1. Het Hof geniet op het grondgebied van elke Staat die Partij is de voorrechten en immuniteiten die noodzakelijk zijn voor de vervulling van zijn taken.2. De rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers en de Griffier genieten bij de uitoefening van of met betrekking tot de werkzaamheden van het Hof dezelfde voorrechten en immuniteiten als aan hoofden van diplomatieke missies worden verleend, en zij blijven na afloop van hun ambtstermijn immuniteit genieten ten aanzien van elke juridische procedure met betrekking tot het door hen gesproken of geschreven woord en door hen in hun officiële hoedanigheid verrichte handelingen.3. De Substituut-Griffier, het personeel van het Bureau van de Aanklager en het personeel van de Griffie genieten de voorrechten en immuniteiten en faciliteiten vereist voor de uitoefening van hun functie overeenkomstig de overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten van het Hof.4. Raadslieden, deskundigen, getuigen en alle andere personen die aanwezig dienen te zijn op de zetel van het Hof worden behandeld op de wijze die noodzakelijk is voor het behoorlijk functioneren van het Hof overeenkomstig de overeenkomst inzake voorrechten en immuniteiten van het Hof.5. De voorrechten en immuniteiten van : (
- a)een rechter of de Aanklager kunnen worden opgeheven bij absolute meerderheid van de rechters;(
- b)de Griffier kunnen worden opgeheven door het Voorzitterschap;(
- c)de Substituut-Aanklagers en het personeel van het Bureau van de Aanklager kunnen worden opgeheven door de Aanklager;(
- d)de Substituut-Griffier en het personeel van de Griffie kunnen worden opgeheven door de Griffier. Artikel 49 Salarissen, toelagen en kostenvergoedingen De rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklagers, de Griffier en de Substituut-Griffier ontvangen de salarissen, toelagen en kostenvergoedingen die door de Vergadering van Staten die Partij zijn worden vastgesteld. Deze salarissen en toelagen worden gedurende hun ambtstermijn niet verlaagd. Artikel 50 Officiële talen en werktalen 1. De officiële talen van het Hof zijn Arabisch, Chinees, Engels, Frans, Russisch en Spaans.De vonnissen van het Hof, alsmede andere beslissingen ter oplossing van fundamentele kwesties die aan het Hof zijn voorgelegd, worden gepubliceerd in de officiële talen. Het Voorzitterschap beslist overeenkomstig de criteria vastgelegd in het Reglement van proces- en bewijsvoering welke beslissingen kunnen worden beschouwd als een oplossing van fundamentele kwesties ten behoeve van de toepassing van deze paragraaf. 2. De werktalen van het Hof zijn Engels en Frans.Het Reglement van proces- en bewijsvoering bepaalt in welke gevallen andere officiële talen als werktaal mogen worden gebruikt. 3. Op verzoek van een partij in een procedure of een Staat die toestemming heeft gekregen zich in een procedure te voegen, verleent het Hof toestemming voor het gebruik van een andere taal dan Engels of Frans door een dergelijke partij of Staat, mits het Hof zulks voldoende gerechtvaardigd acht. Artikel 51 Reglement van proces- en bewijsvoering 1. Het Reglement van proces- en bewijsvoering wordt van kracht nadat het is aangenomen bij tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van Staten die Partij zijn.2. Wijzigingen in het Reglement van proces- en bewijsvoering kunnen worden voorgesteld door : (
- a)elke Staat die Partij is;(
- b)een absolute meerderheid van rechters;of (
- c)de Aanklager. Wijzigingen treden in werking na te zijn aangenomen bij tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van Staten die Partij zijn. 3. Na aanneming van het Reglement van proces- en bewijsvoering kunnen de rechters in dringende gevallen, wanneer het Reglement niet voorziet in een bepaalde situatie die zich voor het Hof voordoet, bij tweederde meerderheid voorlopige regels opstellen die worden toegepast tot hun aanneming, wijziging of verwerping in de eerstvolgende gewone of buitengewone zitting van de Vergadering van Staten die Partij zijn.4. Het Reglement van proces- en bewijsvoering, wijzigingen daarin en elke voorlopige regel dienen in overeenstemming met dit Statuut te zijn.Wijzigingen in het Reglement van proces- en bewijsvoering alsmede voorlopige regels worden niet met terugwerkende kracht toegepast ten nadele van de persoon tegen wie een onderzoek loopt of die wordt vervolgd of is veroordeeld. 5. Ingeval het Statuut en het Reglement van proces- en bewijsvoering met elkaar in strijd zijn, gaat het Statuut voor. Artikel 52 Huishoudelijk reglement van het Hof 1. De rechters stellen overeenkomstig dit Statuut en het Reglement van proces- en bewijsvoering, bij absolute meerderheid het huishoudelijk reglement vast dat noodzakelijk is voor het dagelijks functioneren van het Hof.2. De Aanklager en de Griffier worden geraadpleegd bij de uitwerking van het huishoudelijk reglement en wijzigingen daarin.3. Het huishoudelijk reglement en wijzigingen daarin treden in werking zodra zij zijn aangenomen tenzij de rechters anders besluiten. Onmiddellijk na aanneming worden zij voor commentaar gestuurd aan de Staten die Partij zijn. Indien er binnen zes maanden geen bezwaren zijn van een meerderheid van Staten die Partij zijn, blijven zij van kracht. HOOFDSTUK V - ONDERZOEK EN VERVOLGING Artikel 53 Opening van een onderzoek 1. De Aanklager opent na evaluatie van de informatie die hem ter beschikking is gesteld, een onderzoek tenzij hij besluit dat geen redelijke basis aanwezig is om krachtens dit Statuut tot vervolging over te gaan.Bij de beslissing of een onderzoek wordt geopend, gaat de Aanklager na of : (
- a)de informatie waarover de Aanklager beschikt een redelijke basis vormt om aan te nemen dat een misdaad waarover het Hof rechtsmacht bezit is of wordt gepleegd;(
- b)de zaak ontvankelijk is of zou zijn ingevolge artikel 17;en (
- c)de ernst van de misdaad en de belangen van de slachtoffers in aanmerking genomen, er niettemin gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een onderzoek niet in het belang van een goede rechtsbedeling zou zijn.Indien de Aanklager besluit dat geen redelijke basis aanwezig is om tot vervolging over te gaan en dit besluit louter gebaseerd is op het onder c hierboven bepaalde, stelt hij de Kamer van vooronderzoek hiervan in kennis. 2. Indien de Aanklager na onderzoek tot de slotsom komt dat niet voldoende grondslag bestaat voor een vervolging omdat : (
- a)niet voldoende juridische of feitelijke grondslag aanwezig is om een bevel tot aanhouding of dagvaarding ingevolge artikel 58 te vragen;(
- b)de zaak niet-ontvankelijk is ingevolge artikel 17;of (
- c)vervolging niet in het belang van de goede rechtsbedeling is, alle omstandigheden in aanmerking genomen, met inbegrip van de ernst van de misdaad, de belangen van slachtoffers en de leeftijd of zwakke gezondheid van de beschuldigde, en diens rol in de misdaad waarop de beschuldiging betrekking heeft; stelt de Aanklager de Kamer van vooronderzoek en de Staat die ingevolge artikel 14 aangifte heeft gedaan of de Veiligheidsraad in een zaak krachtens artikel 13, paragraaf (b), in kennis van zijn conclusie en de redenen voor de conclusie. 3. (
- a)Op verzoek van de Staat die ingevolge artikel 14 aangifte heeft gedaan of de Veiligheidsraad ingevolge artikel 13, paragraaf (b), kan de Kamer van vooronderzoek een beslissing van de Aanklager ingevolge paragraaf 1 of 2 om geen vervolging in te stellen herzien en de Aanklager verzoeken die beslissing te heroverwegen.(
- b)De Kamer van vooronderzoek is bovendien ambtshalve bevoegd een beslissing van de Aanklager om geen vervolging in te stellen te herzien, indien deze louter gebaseerd is op paragraaf 1, alinea (c), of paragraaf 2, alinea (c).In een dergelijk geval wordt de beslissing van de Aanklager eerst na bevestiging van kracht door de Kamer van vooronderzoek. 4. De Aanklager is te allen tijde bevoegd de beslissing om een onderzoek of vervolging in te stellen in heroverweging te nemen op grond van nieuwe feiten of informatie. Artikel 54 Taken en bevoegdheden van de Aanklager met betrekking tot het onderzoek 1. De Aanklager dient : (
- a)teneinde de waarheid vast te stellen, alle feiten en bewijsmiddelen bij het onderzoek te betrekken, voorzover relevant voor de beoordeling van de vraag of sprake is van strafrechtelijke aansprakelijkheid ingevolge dit Statuut, en daarbij bezwarende en ontlastende omstandigheden gelijkelijk te onderzoeken;(
- b)passende maatregelen te treffen teneinde te waarborgen dat misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit doelmatig worden onderzocht en vervolgd en daarbij de belangen en persoonlijke omstandigheden van slachtoffers en getuigen te respecteren, met inbegrip van leeftijd, geslacht, zoals gedefinieerd in artikel 7, paragraaf 3, en gezondheid, en daarbij in aanmerking te nemen de aard van de misdaad, in het bijzonder wanneer het seksueel geweld, seksistisch geweld of geweld tegen kinderen betreft;en (
- c)volledig de rechten van personen ingevolge dit Statuut te eerbiedigen.2. De Aanklager is bevoegd een onderzoek uit te voeren op het grondgebied van een Staat : (
- a)overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk IX;of (
- b)daartoe gemachtigd door de Kamer van vooronderzoek ingevolge artikel 57, paragraaf 3, alinea (d).3. De Aanklager is bevoegd : (
- a)bewijsmiddelen te vergaren en te onderzoeken;(
- b)de aanwezigheid te verzoeken van personen tegen wie een onderzoek loopt, van slachtoffers en van getuigen en hen ondervragen;(
- c)van een Staat of intergouvernementele organisatie of intergouvernementeel akkoord medewerking te verzoeken overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden of mandaat;(
- d)regelingen te treffen of overeenkomsten te sluiten die niet onverenigbaar zijn met dit Statuut, voorzover vereist om de medewerking van een Staat, een intergouvernementele organisatie of een persoon te vergemakkelijken;(
- e)overeen te komen in geen enkele fase van het proces stukken of informatie bekend te maken die de Aanklager verkrijgt op voorwaarde van vertrouwelijkheid en louter om nieuwe bewijsmiddelen te verzamelen, tenzij degene die de informatie heeft gegeven toestemming verleent;en (
- f)de vereiste maatregelen te treffen of daarom te verzoeken teneinde de vertrouwelijkheid van informatie, de bescherming van een persoon of de instandhouding van bewijsmiddelen te verzekeren. Artikel 55 Rechten van personen gedurende een onderzoek 1. Ten aanzien van een onderzoek ingevolge dit Statuut wordt een persoon : (
- a)niet gedwongen een voor zichzelf belastende verklaring af te leggen of schuld te bekennen;(
- b)niet onderworpen aan enigerlei vorm van dwang, druk of bedreiging, marteling of enigerlei andere vorm van wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;en (
- c)indien ondervraging plaatsvindt in een andere taal dan een taal die de persoon volledig begrijpt en spreekt, kosteloos bijstand verleend door een bevoegde tolk en krijgt hij de vertalingen die noodzakelijk zijn om aan de vereisten van billijkheid te voldoen;(
- d)niet onderworpen aan willekeurige aanhouding, vasthouding of vrijheidsbeneming, behoudens op de gronden en overeenkomstig de procedures, vastgesteld in het Statuut.2. Wanneer er gronden zijn om aan te nemen dat een persoon een misdaad heeft gepleegd waarover het Hof rechtsmacht bezit en die persoon zal worden ondervraagd door de Aanklager of door nationale autoriteiten op grond van een verzoek gedaan ingevolge Hoofdstuk IX van dit Statuut, wordt die persoon, alvorens te worden ondervraagd, geïnformeerd dat hij tevens de volgende rechten heeft : (
- a)het recht in kennis te worden gesteld, alvorens te worden ondervraagd, van het bestaan van gronden om aan te nemen dat hij een misdaad heeft gepleegd waarover het Hof rechtsmacht bezit;(
- b)het recht tot zwijgen, zonder dat zulks meeweegt bij het vaststellen van schuld of onschuld;(
- c)het recht te worden bijgestaan door een raadsman naar eigen keuze, of, indien hij er geen heeft, te worden bijgestaan door een ambtshalve toegewezen raadsman, in alle gevallen waarin het belang van de rechtsbedeling dit vereist;dit is kosteloos in die gevallen waarin betrokkene niet over voldoende middelen beschikt om daarin zelf te voorzien; (
- d)het recht te worden ondervraagd in aanwezigheid van een raadsman tenzij hij daarvan vrijwillig afstand heeft gedaan. Artikel 56 Rol van de Kamer van vooronderzoek in het geval dat de gelegenheid om informatie te vergaren zich niet nogmaals zal voordoen 1. (
- a)Wanneer de Aanklager van oordeel is dat een onderzoek een eenmalige gelegenheid biedt die zich misschien niet meer zal voordoen om een getuige een getuigenis of een verklaring te laten afleggen of bewijs te onderzoeken, te vergaren of te toetsen voor een onderzoek ter terechtzitting, stelt de Aanklager de Kamer van vooronderzoek hiervan in kennis.(
- b)In dat geval is de Kamer van vooronderzoek bevoegd, op verzoek van de Aanklager, alle maatregelen te treffen, vereist om de doelmatigheid en zuiverheid van de procedure te verzekeren en, in het bijzonder, de rechten van de verdediging te beschermen.(
- c)Tenzij de Kamer van vooronderzoek anders beslist, verstrekt de Aanklager de relevante informatie aan de persoon die is aangehouden of verschenen op een oproep in verband met het onderzoek vermeld onder (a), teneinde in de zaak te worden gehoord.2. De maatregelen in paragraaf 1, alinea (b), bestaan onder andere uit : (
- a)aanbevelingen doen of bevelen uitvaardigen met betrekking tot de te volgen procedure;(
- b)bepalen dat een proces-verbaal van de procedure wordt gemaakt;(
- c)een deskundige benoemen voor bijstand;(
- d)toestemming verlenen aan een raadsman voor een persoon die is aangehouden of voor het Hof is verschenen naar aanleiding van een oproeping om deel te nemen of, wanneer nog geen aanhouding of verschijning heeft plaatsgevonden of geen raadsman is aangewezen, het benoemen van een andere raadsman om de belangen van de verdediging waar te nemen en te vertegenwoordigen;(
- e)een van de leden of, indien noodzakelijk, een andere beschikbare rechter van de Afdeling vooronderzoek of de Afdeling eerste aanleg als waarnemer aanwijzen en aanbevelingen doen of bevelen uitvaardigen met betrekking tot de vergaring en de veiligstelling van bewijsmiddelen en het ondervragen van personen;(
- f)alle andere stappen te nemen die vereist zijn voor het vergaren of veiligstellen van bewijsmiddelen.3. (
- a)Wanneer de Aanklager niet om maatregelen ingevolge dit artikel heeft verzocht doch de Kamer van vooronderzoek meent dat die maatregelen vereist zijn voor de veiligstelling van bewijsmiddelen die zij essentieel acht voor de verdediging ter terechtzitting, pleegt zij overleg met de Aanklager over de vraag of deze goede redenen heeft voor het achterwege laten van een verzoek om de maatregelen.Indien de Kamer van vooronderzoek na dit overleg tot de slotsom komt dat het achterwege laten door de Aanklager van een verzoek om dergelijke maatregelen ongerechtvaardigd is, is de Kamer van vooronderzoek ambtshalve bevoegd dergelijke maatregelen te treffen. (
- b)De Aanklager heeft het recht van beroep tegen een ambtshalve beslissing van de Kamer van vooronderzoek ingevolge deze paragraaf. Het beroep wordt versneld behandeld. 4. De toelaatbaarheid van bewijsmiddelen die ingevolge dit artikel zijn veiliggesteld of vergaard ten behoeve van het onderzoek ter terechtzitting, of van het proces-verbaal daarvan, wordt op de terechtzitting beheerst door artikel 69 en krijgt het daaraan door de Kamer van eerste aanleg toegekende gewicht. Artikel 57 Taken en bevoegdheden van de Kamer van vooronderzoek 1. Tenzij dit Statuut anders bepaalt, vervult de Kamer van vooronderzoek zijn taken overeenkomstig het in dit artikel bepaalde.2. (
- a)Beslissingen van de Kamer van vooronderzoek ingevolge de artikelen 15, 18, 19, 54, paragraaf 2, 61, paragraaf 7, en 72 worden genomen door een meerderheid van zijn rechters.(
- b)In alle overige gevallen vervult een alleenzittende rechter van de Kamer van vooronderzoek de in dit Statuut voorziene taken, tenzij dit anders is geregeld in het Reglement van proces- en bewijsvoering of door een meerderheid van de Kamer van vooronderzoek.3. Naast zijn overige taken ingevolge dit Statuut is de Kamer van vooronderzoek bevoegd om : (
- a)op verzoek van de Aanklager de voor een onderzoek vereiste bevelen uit te vaardigen;(
- b)op verzoek van een persoon die is aangehouden of verschenen ingevolge op een bevel overeenkomstig artikel 58, de bevelen uit te vaardigen, met inbegrip van maatregelen als vermeld in artikel 56, of de samenwerking te verlangen ingevolge Hoofdstuk IX vereist om de persoon terzijde te staan bij de voorbereiding van zijn verdediging;(
- c)waar dit noodzakelijk is, zorg te dragen voor de bescherming en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers en getuigen, de veiligstelling van bewijsmiddelen, de bescherming van personen die aangehouden of verschenen zijn op een bevel, en de bescherming van informatie die de nationale veiligheid betreft;(
- d)de Aanklager te machtigen om bepaalde onderzoeksmaatregelen te treffen binnen het grondgebied van een Staat die Partij is zonder de samenwerking van die Staat te hebben verzekerd ingevolge Hoofdstuk IX, indien, telkens wanneer dit mogelijk is rekening houdend met de zienswijze van de betrokken Staat, de Kamer van vooronderzoek in dat geval heeft bepaald dat de Staat kennelijk niet bij machte is uitvoering te geven aan een rechtshulpverzoek ten gevolge van niet-beschikbaarheid van een autoriteit of een onderdeel in zijn rechtsstelsel bevoegd tot het uitvoering geven aan een verzoek tot samenwerking ingevolge Hoofdstuk IX;(
- e)wanneer een bevel tot aanhouding of tot verschijning is uitgevaardigd ingevolge artikel 58, en met inachtneming van de zwaarte van het bewijs en de rechten van de betrokken partijen zoals voorzien in dit Statuut en het Reglement van proces- en bewijsvoering, rechtshulp te vragen aan Staten ingevolge artikel 93, paragraaf 1, alinea (k), om beschermende maatregelen te treffen ter fine van verbeurdverklaring die uiteindelijk vooral slachtoffers ten goede zullen komen. Artikel 58 Uitvaardiging door de Kamer van vooronderzoek van een bevel tot aanhouding of een dagvaarding tot verschijning 1. Nadat het onderzoek is geopend vaardigt de Kamer van vooronderzoek op verzoek van de Aanklager een bevel tot aanhouding van een persoon uit, indien de Kamer van vooronderzoek na bestudering van het verzoek en de bewijsmiddelen of overige door de Aanklager overgelegde informatie ervan overtuigd is dat : (
- a)redelijke gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat de persoon een misdaad heeft gepleegd waarover het Hof rechtsmacht bezit;en (
- b)de aanhouding van de persoon noodzakelijk lijkt teneinde : (
- i)te verzekeren dat de persoon ter terechtzitting zal verschijnen; (
- ii)te voorkomen dat de persoon het onderzoek of de gerechtelijke procedure zal belemmeren of in gevaar brengen, of (iii) de persoon te beletten voort te gaan met het plegen van die misdaad of een aanverwante misdaad waarover het Hof rechtsmacht bezit en dat voortvloeit uit dezelfde omstandigheden. 2. Het verzoek van de Aanklager vermeldt : (
- a)de naam van de persoon en alle overige informatie relevant voor diens identificatie;(
- b)een specifieke verwijzing naar de misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit en die de persoon beweerdelijk heeft gepleegd;(
- c)een beknopte beschrijving van de feiten die beweerdelijk die misdaden vormen;(
- d)een samenvatting van de bewijsmiddelen en de overige informatie die redelijke gronden vormen om aan te nemen dat de persoon die misdaden heeft gepleegd;en (
- e)de reden waarom de Aanklager meent dat de aanhouding van de persoon noodzakelijk is.3. Het bevel tot aanhouding vermeldt : (
- a)de naam van de persoon en alle overige informatie relevant voor diens identificatie;(
- b)een specifieke verwijzing naar de misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit en waarvoor de aanhouding van de persoon wordt verzocht;en (
- c)een beknopte beschrijving van de feiten die beweerdelijk die misdaden vormen.4. Het bevel tot aanhouding blijft van kracht totdat door het Hof anders wordt beslist.5. Op basis van het bevel tot aanhouding is het Hof ingevolge Hoofdstuk IX bevoegd de voorlopige aanhouding of de aanhouding en overdracht van de persoon te verzoeken.6. De Aanklager is bevoegd de Kamer van vooronderzoek te verzoeken het bevel tot aanhouding te wijzigen door een wijziging in of een toevoeging aan de daarin vermelde misdaden.De Kamer van vooronderzoek wijzigt het bevel dienovereenkomstig, indien hij ervan overtuigd is dat redelijke gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat de persoon de gewijzigde of toegevoegde misdaden heeft gepleegd. 7. Als alternatief voor een verzoek om een bevel tot aanhouding is de Aanklager bevoegd een verzoek in te dienen om de Kamer van vooronderzoek te vragen een oproep tot verschijning van de persoon uit te vaardigen.Indien de Kamer van vooronderzoek ervan overtuigd is dat redelijke gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat de persoon de beweerde misdaad heeft gepleegd en dat een oproep tot verschijning voldoende is om de verschijning van de persoon te verzekeren, vaardigt hij het bevel uit, met of zonder vrijheidsbeperkende voorwaarden (niet zijnde hechtenis) indien het nationale recht daarin voorziet, tot verschijning van de persoon. Het bevel vermeldt : (
- a)de naam van de persoon en alle overige informatie relevant voor diens identificatie;(
- b)de datum die is vastgesteld voor de verschijning van de persoon;(
- c)een specifieke verwijzing naar de misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit en die de persoon beweerdelijk heeft gepleegd;en (
- d)een beknopte beschrijving van de feiten die beweerdelijk de misdaad vormen. Het bevel wordt aan de persoon betekend. Artikel 59 Aanhoudingsprocedure in de Staat van bewaring 1. Een Staat die Partij is en een verzoek heeft ontvangen voor de voorlopige aanhouding of voor aanhouding en overdracht onderneemt onmiddellijk stappen voor de aanhouding van de betrokken persoon overeenkomstig zijn wetgeving en het in Hoofdstuk IX bepaalde.2. Een aangehouden persoon wordt onverwijld geleid voor de bevoegde gerechtelijke autoriteit in de Staat van bewaring, die overeenkomstig het recht van die Staat vaststelt of : (
- a)het bevel tot aanhouding die persoon betreft;(
- b)de persoon is aangehouden overeenkomstig de juiste procedure;en (
- c)de rechten van de persoon zijn geëerbiedigd.3. In afwachting van de overdracht heeft de aangehouden persoon het recht een verzoek tot voorlopige invrijheidsstelling in te dienen bij de bevoegde autoriteit in de Staat van bewaring.4. Bij een beslissing op een dergelijk verzoek overweegt de bevoegde autoriteit in de Staat van bewaring of, gezien de ernst van de beweerde misdaden, dringende en uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn die een voorlopige invrijheidstelling rechtvaardigen, en of noodzakelijke waarborgen bestaan om te verzekeren dat de Staat van bewaring zijn verplichting tot overdracht van die persoon aan het Hof kan nakomen.Het staat de bevoegde autoriteit van de Staat van bewaring niet vrij te overwegen of het bevel tot aanhouding op de juiste wijze is uitgevaardigd overeenkomstig artikel 58, paragraaf 1, alinea's (
- a)en (b). 5. De Kamer van vooronderzoek wordt in kennis gesteld van elk verzoek tot voorlopige invrijheidstelling en doet aanbevelingen aan de bevoegde autoriteit in de Staat van bewaring.De bevoegde autoriteit in de Staat van bewaring betrekt deze aanbevelingen volledig in haar overwegingen, met inbegrip van alle aanbevelingen met betrekking tot maatregelen ter voorkoming van ontvluchting van de persoon, alvorens haar beslissing te nemen. 6. Indien de persoon voorlopige invrijheidstelling wordt verleend, is de Kamer van vooronderzoek bevoegd te verzoeken dat regelmatig verslag wordt gedaan van de stand van zaken van de voorlopige invrijheidstelling.7. Op een bevel tot overdracht, uit te voeren door de Staat van bewaring, wordt de persoon zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld aan het Hof. Artikel 60 Inleidende procedure voor het Hof 1. Na overdracht van de persoon aan het Hof of na diens verschijning voor het Hof uit vrije wil of ingevolge een bevel overtuigt de Kamer van vooronderzoek zich ervan dat de persoon op de hoogte is gesteld van de misdaden die hij beweerdelijk heeft gepleegd en van zijn rechten ingevolge dit Statuut, met inbegrip van het recht om een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling in te dienen in afwachting van de terechtzitting.2. Een persoon voor wie een bevel tot aanhouding geldt is bevoegd een verzoek in te dienen tot voorlopige invrijheidstelling in afwachting van de terechtzitting.Indien de Kamer van vooronderzoek ervan overtuigd is dat aan de voorwaarden vermeld in artikel 58, paragraaf 1, is voldaan, blijft de persoon in hechtenis. Indien de Kamer van vooronderzoek daar niet van overtuigd is, stelt de Kamer van vooronderzoek de persoon met of zonder voorwaarden in vrijheid. 3. De Kamer van vooronderzoek neemt regelmatig haar beslissing inzake de invrijheidstelling of hechtenis van de persoon in heroverweging en kan dit op elk tijdstip doen waarop de Aanklager of de persoon hierom verzoekt.Bij deze heroverweging is de Kamer bevoegd zijn beslissing met betrekking tot hechtenis, invrijheidstelling of voorwaarden van invrijheidstelling te wijzigen, indien hij ervan overtuigd is dat gewijzigde omstandigheden dit vereisen. 4. De Kamer van vooronderzoek draagt er zorg voor dat een persoon niet in hechtenis wordt gehouden gedurende een onredelijk lange periode voorafgaand aan de terechtzitting als gevolg van ongerechtvaardigde vertraging door de Aanklager.Indien een dergelijke vertraging zich voordoet, overweegt het Hof de invrijheidstelling van de persoon met of zonder voorwaarden. 5. Indien vereist, is de Kamer van vooronderzoek bevoegd een bevel tot aanhouding uit te vaardigen ter verzekering van de aanwezigheid van een persoon die in vrijheid is gesteld. Artikel 61 Bevestiging van de tenlastegelegde feiten voorafgaande aan de terechtzitting 1. Onverminderd het in paragraaf 2 bepaalde houdt de Kamer van vooronderzoek binnen een redelijke termijn na de overdracht of de vrijwillige verschijning van de persoon voor het Hof een hoorzitting ter bevestiging van de tenlastegelegde feiten op grond waarvan de Aanklager voornemens is een terechtzitting te doen plaatsvinden.De hoorzitting wordt gehouden in aanwezigheid van de Aanklager en de in staat van beschuldiging gestelde persoon, alsmede zijn raadsman. 2. De Kamer van vooronderzoek is op verzoek van de Aanklager of ambtshalve bevoegd een hoorzitting te houden in afwezigheid van de in staat van beschuldiging gestelde persoon teneinde de tenlastegelegde feiten te bevestigen op grond waarvan de Aanklager voornemens is een terechtzitting te doen plaatsvinden, wanneer de persoon: (
- a)afstand heeft gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn;of (
- b)gevlucht is of niet kan worden gevonden, terwijl alle redelijke stappen zijn ondernomen om zijn verschijning voor het Hof te verzekeren en de persoon op de hoogte te stellen van de tenlastegelegde feiten en van het feit dat een hoorzitting zal worden gehouden ter bevestiging van de tenlastegelegde feiten.In dat geval wordt de persoon vertegenwoordigd door een raadsman wanneer de Kamer van vooronderzoek vaststelt dat het in het belang van een goede rechtsbedeling is. 3. Binnen redelijke tijd voor de hoorzitting : (
- a)ontvangt de persoon een afschrift van het document waarin de tenlastegelegde feiten staan vermeld op grond waarvan de Aanklager voornemens is de persoon terecht te doen staan;en (
- b)wordt de persoon op de hoogte gesteld van de bewijsmiddelen waarop de Aanklager voornemens is zich op de hoorzitting te baseren.De Kamer van vooronderzoek is bevoegd bevelen uit te vaardigen met betrekking tot de openbaarmaking van informatie voor het doel van de hoorzitting. 4. Voorafgaande aan de hoorzitting is de Aanklager bevoegd het onderzoek voort te zetten en de tenlastegelegde feiten te wijzigen of in te trekken.De persoon zal op redelijke termijn voor de hoorzitting in kennis worden gesteld van wijzigingen in of intrekking van de tenlastegelegde feiten. In het geval van intrekking van de tenlastegelegde feiten stelt de Aanklager de Kamer van vooronderzoek in kennis van de redenen voor de intrekking. 5. Tijdens de hoorzitting onderbouwt de Aanklager elk tenlastegelegd feit met voldoende bewijs voor de vaststelling van substantiële gronden om aan te nemen dat de persoon de tenlastegelegde misdaad heeft gepleegd.De Aanklager is bevoegd zich te baseren op documentair bewijs of op een samenvatting van de bewijsmiddelen en behoeft niet de getuigen op te roepen die geacht worden ter terechtzitting een verklaring af te leggen. 6. Op de hoorzitting is de persoon bevoegd : (
- a)de tenlastegelegde feiten te betwisten;(
- b)het bewijs dat door de Aanklager is geleverd te betwisten;en (
- c)bewijs te leveren.7. De Kamer van vooronderzoek stelt op basis van de hoorzitting vast of voldoende bewijsmiddelen aanwezig zijn voor de vaststelling van substantiële gronden om aan te nemen dat de persoon alle tenlastegelegde misdaden heeft gepleegd.Gebaseerd op zijn vaststelling besluit de Kamer van vooronderzoek tot : (
- a)bevestiging van die tenlastegelegde feiten ten aanzien waarvan hij heeft vastgesteld dat voldoende bewijsmiddelen aanwezig zijn;en verwijzing van de persoon naar een Kamer van eerste aanleg om terecht te staan in verband met de bevestigde tenlastegelegde feiten; (
- b)afwijzing van de bevestiging van die tenlastegelegde feiten ten aanzien waarvan hij heeft vastgesteld dat onvoldoende bewijs aanwezig is;(
- c)verdaging van de hoorzitting en een verzoek aan de Aanklager om te overwegen : (
- i)nader bewijs te verstrekken of nader onderzoek uit te voeren met betrekking tot een bepaald tenlastegelegd feit;of (
- ii)een tenlastegelegd feit te wijzigen omdat de overgelegde bewijsmiddelen een andere misdaad blijken op te leveren waarover het Hof rechtsmacht bezit. 8. Wanneer de Kamer van vooronderzoek weigert een tenlastegelegd feit te bevestigen, belet dit de Aanklager niet een nader verzoek om bevestiging te doen indien het verzoek wordt onderbouwd met aanvullende bewijsmiddelen.9. Nadat de tenlastegelegde feiten zijn bevestigd en voordat de terechtzitting is begonnen, is de Aanklager bevoegd met toestemming van de Kamer van vooronderzoek en na kennisgeving aan de beschuldigde, de tenlastegelegde feiten te wijzigen.Indien de Aanklager aanvullende punten aan de tenlastegelegde feiten wenst toe te voegen of ernstiger tenlastegelegde feiten daarvoor in de plaats te stellen, dient een hoorzitting te worden gehouden ingevolge dit artikel om die tenlastegelegde feiten te bevestigen. Na aanvang van de terechtzitting is de Aanklager bevoegd met toestemming van de Kamer van eerste aanleg de tenlastegelegde feiten in te trekken. 10. Een bevel tot aanhouding dat voordien is uitgevaardigd, houdt op van kracht te zijn voorzover het tenlastegelegde feiten betreft die niet door de Kamer van vooronderzoek zijn bevestigd of die door de Aanklager zijn ingetrokken.11. Wanneer de tenlastegelegde feiten eenmaal zijn bevestigd overeenkomstig dit artikel, stelt het Voorzitterschap een Kamer van eerste aanleg samen die ingevolge paragraaf 8 en artikel 64, paragraaf 4, verantwoordelijk is voor de daaropvolgende procesvoering en die bevoegd is alle taken van de Kamer van vooronderzoek te vervullen voorzover die in die fase relevant en toepasselijk zijn. HOOFDSTUK VI - DE TERECHTZITTING Artikel 62 Plaats van terechtzitting Tenzij anders wordt besloten vindt de terechtzitting plaats waar de zetel van het Hof is gevestigd. Artikel 63 Terechtzitting in aanwezigheid van de beschuldigde 1. De beschuldigde woont de terechtzitting bij.2. Indien de beschuldigde, die voor het Hof aanwezig is, de terechtzitting blijft verstoren, is de Kamer van eerste aanleg bevoegd de beschuldigde te verwijderen en ervoor te zorgen dat hij als waarnemer de terechtzitting kan volgen en de raadsman van buiten de rechtszaal instructies kan geven, zonodig door middel van het gebruik van communicatietechnologie.Dergelijke maatregelen worden alleen in uitzonderlijke omstandigheden getroffen, nadat andere redelijke alternatieven ongeschikt zijn gebleken, en slechts voor zolang dit strikt noodzakelijk is. Artikel 64 Taken en bevoegdheden van de Kamer van eerste aanleg 1. De in dit artikel vermelde taken en bevoegdheden van de Kamer van berechting worden uitgeoefend overeenkomstig dit Statuut en het Reglement van proces- en bewijsvoering.2. De Kamer van eerste aanleg draagt er zorg voor dat een terechtzitting eerlijk en vlot verloopt en wordt geleid met volledige eerbiediging van de rechten van de beschuldigde en passende inachtneming van de bescherming van slachtoffers en getuigen.3. Bij aanwijzing van een zaak voor terechtzitting overeenkomstig dit Statuut dient de ter behandeling van de zaak aangewezen Kamer van berechting : (
- a)overleg te plegen met de partijen en de procedures te bepalen voor een eerlijk en vlot verloop van de procedure;(
- b)de op de terechtzitting te gebruiken taal of talen vast te stellen;(
- c)onverminderd de overige relevante bepalingen van dit Statuut, zorg te dragen voor openbaarmaking van nog niet eerder openbaar gemaakte documenten of informatie, zodanig ruim voor de aanvang van de terechtzitting dat een passende voorbereiding van de terechtzitting mogelijk is.4. De Kamer van eerste aanleg is bevoegd, indien vereist voor zijn doeltreffend en eerlijk functioneren, voorafgaande vragen naar de Kamer van vooronderzoek te verwijzen of, indien vereist, naar een andere beschikbare rechter van de Afdeling vooronderzoek.5. De Kamer van eerste aanleg kan in voorkomend geval met kennisgeving aan partijen bepalen dat feiten die aan verschillende beschuldigden ten laste gelegd zijn, zullen worden samengevoegd of gesplitst.6. Bij de uitoefening van zijn taken voorafgaand aan of in de loop van een terechtzitting is de Kamer van eerste aanleg bevoegd, zonodig : (
- a)alle in artikel 61, paragraaf 11, vermelde taken van de Kamer van vooronderzoek uit te oefenen;(
- b)de aanwezigheid van getuigen alsook hun verklaringen te verlangen evenals de overlegging van documenten en ander bewijsmateriaal door zonodig de bijstand in te roepen van Staten zoals voorzien in dit Statuut;(
- c)zorg te dragen voor de bescherming van vertrouwelijke informatie;(
- d)de overlegging te gelasten van bewijsmiddelen in aanvulling op het bewijs dat reeds voor de terechtzitting is vergaard of tijdens de terechtzitting door partijen naar voren is gebracht;(
- e)zorg te dragen voor de bescherming van de beschuldigde, getuigen en slachtoffers;en (
- f)te beslissen over alle overige relevante zaken.7. De terechtzitting is openbaar.De Kamer van eerste aanleg is echter bevoegd te bepalen dat bijzondere omstandigheden vereisen dat bepaalde onderdelen van de procedure achter gesloten deuren moeten plaatsvinden vanwege het in artikel 68 bepaalde of ter bescherming van vertrouwelijke of gevoelige informatie verstrekt in een getuigenverklaring. 8. (
- a)Bij de aanvang van de terechtzitting laat de Kamer van eerste aanleg aan de beschuldigde de tenlastegelegde feiten voorlezen, die voordien door de Kamer van vooronderzoek zijn bevestigd.De Kamer van berechting overtuigt zich ervan dat de beschuldigde de aard van de tenlastegelegde feiten begrijpt. Hij geeft hem de gelegenheid om schuld te bekennen overeenkomstig artikel 65 of zich onschuldig te verklaren. (
- b)Ter terechtzitting is de rechter die als voorzitter optreedt bevoegd aanwijzingen te geven ten aanzien van de procedure, mede ter verzekering dat deze op eerlijke en onpartijdige wijze verloopt.Onder voorbehoud van enige instructie van de Voorzitter, kunnen de partijen bewijsmateriaal overleggen overeenkomstig het in dit Statuut bepaalde. 9. De Kamer van eerste aanleg heeft onder meer de bevoegdheid op verzoek van een partij of ambtshalve : (
- a)te beslissen of bewijs toelaatbaar of relevant is;en (
- b)alle vereiste maatregelen te treffen teneinde een hoorzitting ordelijk te doen verlopen.10. De Kamer van eerste aanleg zorgt ervoor dat een volledig proces-verbaal van de terechtzitting wordt gemaakt, dat het verloop van de handelingen ter terechtzitting nauwkeurig weergeeft en wordt gehouden en bewaard door de Griffier. Artikel 65 Procedure in geval van bekentenis 1. Wanneer de beschuldigde schuld bekent overeenkomstig artikel 64, paragraaf 8, alinea (a), beslist de Kamer van eerste aanleg of : (
- a)de beschuldigde de aard en de gevolgen van zijn bekentenis begrijpt;(
- b)de bekentenis door de beschuldigde vrijwillig is gedaan na voldoende overleg met de raadsman voor de verdediging;en (
- c)de bekentenis wordt ondersteund door de feiten in de zaak, zoals deze blijken uit : (
- i)de tenlastegelegde feiten die door de Aanklager naar voren zijn gebracht en door de beschuldigde bekend; (
- ii)materiaal dat door de Aanklager is overgelegd ter aanvulling op de tenlastegelegde feiten, dat door de beschuldigde is aanvaard; en (iii) elk overig bewijs, zoals de verklaringen van getuigen, dat door de Aanklager of de beschuldigde naar voor is gebracht. 2. Wanneer de Kamer van eerste aanleg ervan overtuigd is dat het in paragraaf 1 bedoelde is vastgesteld, beschouwt de Kamer van eerste aanleg de bekentenis in samenhang met het overige aanvullende bewijs als voldoende grond voor alle wezenlijke feiten die vereist zijn als bewijs voor de misdaad waarop de bekentenis betrekking heeft, en kan hij de beschuldigde voor die misdaad veroordelen.3. Wanneer de Kamer van eerste aanleg er niet van overtuigd is dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in paragraaf 1, beschouwt hij de bekentenis als niet gedaan, in welk geval hij gelast de terechtzitting voort te zetten volgens de in dit Statuut bepaalde normale procedures voor terechtzitting en naar een andere Kamer van eerste aanleg kan verwijzen.4. Wanneer de Kamer van eerste aanleg van oordeel is dat een meer volledige voorstelling van de feiten in de zaak noodzakelijk is in het belang van de rechtspleging, in het bijzonder in het belang van de slachtoffers, is de Kamer van berechting bevoegd : (
- a)de Aanklager te verzoeken om aanvullende bewijsmiddelen te overleggen, met inbegrip van getuigenverklaringen;of (
- b)te gelasten dat de terechtzitting volgens de in dit Statuut bepaalde normale procedures voor terechtzitting wordt voortgezet, in welk geval de Kamer van eerste aanleg de bekentenis als niet gedaan beschouwt en hij de zaak kan verwijzen naar een andere Kamer van eerste aanleg.5. Elk overleg tussen de Aanklager en de verdediging over een wijziging in de tenlastegelegde feiten, de bekentenis of de op te leggen straf voor het Hof is niet bindend. Artikel 66 Vermoeden van onschuld 1. Een ieder wordt verondersteld onschuldig te zijn totdat zijn schuld voor het Hof is bewezen overeenkomstig het toepasselijke recht.2. De plicht de schuld van de beschuldigde te bewijzen rust op de Aanklager.3. Teneinde de beschuldigde te veroordelen, dient het Hof buiten iedere redelijke twijfel overtuigd te zijn van de schuld van de beschuldigde. Artikel 67 Rechten van de beschuldigde 1. Bij het onderzoek van de hem tenlastegelegde feiten heeft de beschuldigde recht op een openbare zitting met inachtneming van het in dit Statuut bepaalde, die op eerlijke en onpartijdige wijze wordt gehouden, en op de volgende minimumwaarborgen, op grond van volledige gelijkheid: (
- a)onverwijld en in detail op de hoogte te worden gesteld van de aard, de reden en de inhoud van het hem tenlastegelegde, in een taal die hij volledig begrijpt en spreekt;(
- b)te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten voor de voorbereiding van de verdediging en vrijelijke en vertrouwelijke communicatie met de raadsman van zijn keuze;(
- c)terecht te staan zonder buitensporige vertraging;(
- d)onverminderd het bepaalde in artikel 63, paragraaf 2, aanwezig te zijn ter terechtzitting, verweer te voeren in persoon of door middel van de raadsman van zijn keuze, op de hoogte te worden gesteld van dit recht wanneer hij geen rechtsbijstand heeft en rechtsbijstand toegewezen te krijgen door het Hof in alle gevallen waarin het belang van de rechtspleging dit vereist, en kosteloos indien de beschuldigde niet over voldoende middelen beschikt;(
- e)getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en de verschijning en ondervraging te bewerkstelligen van getuigen à decharge onder dezelfde voorwaarden die gelden voor getuigen à charge; de beschuldigde is tevens gerechtigd verweermiddelen aan te voeren en ander krachtens dit Statuut toelaatbaar bewijs naar voren te brengen; (
- f)kosteloos bijstand te krijgen van een bevoegde tolk en de vertalingen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de vereisten van eerlijkheid, indien de taal van enige procedure voor het Hof of van enig document dat aan het Hof wordt overgelegd geen taal is die de beschuldigde volledig begrijpt en spreekt;(
- g)niet te worden gedwongen te getuigen of schuld te bekennen en te kunnen blijven zwijgen zonder dat dit in overweging wordt genomen bij het vaststellen van schuld of onschuld;(
- h)een onbeëdigde mondelinge of schriftelijke verklaring ten behoeve van zijn verdediging af te leggen;en (
- i)niet te worden onderworpen aan een omkering van de bewijslast of aan enige plicht tot tegenbewijs.2. Naast enige andere ingevolge dit Statuut bepaalde openbaarmaking, stelt de Aanklager de verdediging in een zo vroeg mogelijk stadium in kennis van bewijsmiddelen die zich in het bezit of in de macht van de Aanklager bevinden en waarvan hij meent dat deze de onschuld van de beschuldigde aantonen of daartoe bijdragen of dat deze de schuld van de beschuldigde verlichten, of die de geloofwaardigheid kunnen aantasten van bewijs waarop de vervolging steunt.Het Hof beslist in gevallen waarin twijfel bestaat over de toepassing van deze paragraaf. Artikel 68 Bescherming van slachtoffers en getuigen en hun deelname aan de procedure 1. Het Hof treft passende maatregelen ter bescherming van de veiligheid, het lichamelijk en geestelijk welzijn, de waardigheid en de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers en getuigen.Daarbij neemt het Hof alle relevante factoren in aanmerking, met inbegrip van leeftijd, geslacht zoals gedefinieerd in artikel 7, paragraaf 3, en gezondheid, en de aard van de misdaad, in het bijzonder doch daartoe niet beperkt, wanneer de misdaad gepaard gaat met seksueel geweld of seksistisch geweld of geweld tegen kinderen. De Aanklager treft dergelijke maatregelen in het bijzonder tijdens het onderzoek en de vervolging van dergelijke misdaden. De maatregelen mogen geen afbreuk doen aan of in strijd zijn met de rechten van de beschuldigde en een eerlijke en onpartijdige terechtzitting. 2. Als uitzondering op het in artikel 67 vastgelegde beginsel dat hoorzittingen openbaar zijn, kunnen de Kamers van het Hof, ter bescherming van slachtoffers en getuigen of een beschuldigde, een deel van het proces in een besloten zitting doen plaatsvinden of toestaan dat bewijs wordt geleverd met behulp van elektronische of andere bijzondere middelen.In het bijzonder wordt dit soort maatregelen getroffen in geval van slachtoffers van seksueel geweld of een kind dat slachtoffer of getui