📄 Wettekst
22 OKTOBER 2017. - Koninklijk besluit betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7
Verslag aan de Koning Sire, Wij hebben de eer ter ondertekening van Uwe Majesteit een koninklijk besluit voor te leggen betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7.
Het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle is overeenkomstig de
wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/04/1994
pub.
14/10/2011
numac
2011000621
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor nucleaire controle, de bevoegde autoriteit die instaat voor de bescherming van de bevolking, werknemers en leefmilieu voor wat betreft het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7.
De gekozen optie bestaat in de uitvaardiging van een volledig nieuw koninklijk besluit, in plaats van in de integratie van de vereisten van de richtlijn 2013/59/Euratom en van de huidige versies van de richtlijn 2008/68/EG in het algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen (ARBIS,
koninklijk besluit van 20 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
20/07/2001
pub.
08/08/2001
numac
2001014153
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende de inschrijving van voertuigen
sluiten).
De Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk verleende op 11 januari 2017 een positief advies over de ontwerptekst van dit koninklijk besluit.
De Hoge Gezondheidsraad formuleerde in het advies van 24 januari 2017 enkele opmerkingen.
Op 1 september 2016 werd de ontwerptekst van dit koninklijk besluit meegedeeld aan de Europese Commissie. De Commissie antwoordde op 9 januari 2017.
De inspectie van financiën formuleerde haar advies op 5 april 2017.
Op 30 mei 2017 verleende de Minister van Begroting, haar akkoord;
Op 8 februari 2016 werd de reguleringsimpactanalyse uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de
wet van 15 december 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/12/2013
pub.
31/12/2013
numac
2013021138
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging
sluiten houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging.
De Raad van State verleende op 10 augustus 2017 het advies nr. 61.766/2/V op basis van art. 84, § 1, eerste lid, 2,° van de gecoördineerde weten op de Raad van State. De tekst werd aangepast aan de opmerkingen van de Raad van State, met uitzondering van de opmerking met betrekking tot artikel 145. De vierde alinea van artikel 145 diende te worden geschrapt aangezien de inhoud ervan volgens de Raad van State overbodig was. Er werd gekozen om dit artikel toch te behouden omdat ze meer duidelijkheid verschaft aan de betrokken stakeholders. 1. Inleiding Het koninklijk besluit vervangt het hoofdstuk VII van het
koninklijk besluit van 20 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
20/07/2001
pub.
08/08/2001
numac
2001014153
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende de inschrijving van voertuigen
sluiten houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, de werknemers en het leefmilieu tegen de gevaren van ioniserende stralingen (ARBIS), betreffende het vervoer van radioactieve stoffen. Dit besluit: ? zet de richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land, zoals gewijzigd bij beschikking 2009/240/EG van 4 maart 2009, besluit 2010/187/EU van 25 maart 2010, richtlijn 2010/61/EU van 2 september 2010, besluit 2011/26/EU van 14 januari 2011, uitvoeringsbesluit 2012/188/EU van 4 april 2012, richtlijn 2012/45/EU van 3 december 2012, uitvoeringsbesluit 2013/218/EU van 6 mei 2013, richtlijn 2014/103/EU van 21 november 2014, uitvoeringsbesluiten (EU) 2015/217 van 10 april 2014, (EU) 2015/974 van 17 juni 2015 en (EU) 2016/629 van 20 april 2016, richtlijn (EU) 2016/2309 van 16 december 2016 en uitvoeringsbesluit (EU) 2017/695 van 7 april 2017 om voor wat betreft het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7; en, ? zet eveneens de richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom en 2003/122/Euratom om, voor wat betreft de praktijk van het vervoer van radioactieve stoffen.
De oorsprong van de herziening van dit hoofdstuk is terug te vinden in volgende feiten: ? Hoofdstuk VII van het
koninklijk besluit van 20 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
20/07/2001
pub.
08/08/2001
numac
2001014153
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende de inschrijving van voertuigen
sluiten houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, de werknemers en het leefmilieu tegen de gevaren van ioniserende stralingen (algemeen reglement), betreffende het vervoer van radioactieve stoffen werd grotendeels overgenomen uit een koninklijk besluit van 28 februari 1963. Sinds de eerste versie in 1963 werd dit hoofdstuk niet meer grondig herzien. Kleinere aanpassingen werden over de jaren heen wel gemaakt, vooral de aanpassingen naar aanleiding van nieuwe "andere" basisregelgevingen zoals o.a. de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling. ? Ondertussen heeft het vervoer van radioactieve stoffen meerdere fundamentele wijzigingen doorgemaakt. Het vervoer moet in een Europese en ook een internationale context geplaatst worden. Het huidige hoofdstuk VII is daar niet meer aan aangepast. Het vervoer van radioactieve stoffen wordt op internationaal vlak geregeld door Conventies en Akkoorden voor het vervoer van gevaarlijke goederen. Via Europese richtlijnen zijn deze regelgevingen ook van toepassing op het nationale vervoer. ? Een aantal betrokken actoren van de logistieke keten zijn nu niet voorzien in de huidige regelgeving.
De doelstelling van dit besluit is het bekomen van een transportregelgeving aangepast aan de Europese en internationale context voor het vervoer van radioactieve stoffen welke een administratieve vereenvoudiging voor alle stakeholders inhoudt zonder verlies aan informatie voor de bevoegde overheid over wie, wat, wanneer en waar vervoert. Uiteraard blijven de algemene bepalingen met betrekking tot stralingsbescherming die opgenomen zijn in het
koninklijk besluit van 20 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
20/07/2001
pub.
08/08/2001
numac
2001014153
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende de inschrijving van voertuigen
sluiten houdend algemeen reglement op de bescherming van de werknemers, de bevolking en het leefmilieu tegen de gevaren van ioniserende stralingen van toepassing op alle aspecten van het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7.
Het besluit geeft ook een antwoord op de IRRS-aanbeveling betreffende het uitbreiden van de bevoegdheden van het Agentschap om bindende technisch regelgeving uit te vaardigen in de vorm van o.a. FANC besluiten, alsook aan de suggestie betreffende het versterken van de graduele aanpak voor het vervoer van o.a. de lage risico radioactieve stoffen.
Dit besluit kwam tot stand in nauw overleg met alle betrokken stakeholders die op verschillende momenten van het proces geconsulteerd werden. Tijdens al deze consultaties werden alle vergund vervoerders: wegvervoerders, spoorvervoerders, maritieme lijnen en de luchtvaartmaatschappijen uitgenodigd alsook als de gekende afhandelaars op de luchthaven van Zaventem en Luik en de gekende kaai-uitbaters in de haven van Antwerpen. Eveneens werden de havenkapiteinsdiensten in Antwerpen en Zeebrugge, vertegenwoordigers van de FOD Mobiliteit en vervoer (het Bestuur der Luchtvaart, de nationale veiligheidsoverheid van de spoorwegen (DVIS),...), de luchthavenuitbater in Zaventem alsook de verantwoordelijke overheid op de luchthaven van Luik in dit stakeholdersoverleg betrokken.
Een eerste consultatie vond plaats via een schriftelijke enquête.
Hierbij werden de eerste ideeën afgetoetst met de stakeholders. De commentaren, suggesties en opmerkingen die we ontvingen werden in een nieuw voorstel verwerkt en terug voorgelegd tijdens een ronde tafel.
Een volgende overlegronde werd dan sectorieel gehouden om de specificiteiten van iedere vervoerswijze aan bod te laten komen. In een laatste fase werd het eindresultaat tijdens de ronde tafel voorgesteld. Einde 2016 werd het ontwerp koninklijk besluit en de ontwerp FANC-reglementen nogmaals sectorieel voorgesteld aan de stakeholders. Eveneens werden reeds een aantal praktisch regelingen die zullen volgen uit de toepassing van de nieuwe regeling aan de stakeholders voorgesteld. 2. Algemene toelichting Dit nieuw koninklijk besluit behandelt niet enkel het "verplaatsen" van radioactieve stoffen maar gaat over het vervoer van radioactieve stoffen zoals voorzien in het internationaal reglement voor het vervoer van radioactieve stoffen uitgegeven door Internationale organisatie voor Atoomenergie te Wenen.De bepalingen van dit IAEA reglement worden overgenomen in de Internationale en Europese conventies en reglementeringen voor het vervoer van gevaarlijke goederen, waar de radioactieve stoffen deel van uitmaken namelijk de klasse 7 van in totaal 9 klassen. In deze internationale context omvat het vervoer alle operaties en omstandigheden verbonden met en betrokken bij het verplaatsen van radioactieve stoffen met inbegrip van het ontwerp, fabricatie, onderhoud en reparatie van verpakkingen en radioactieve materialen en de voorbereiding, verzenden, laden, het vervoer alsook het onderbrekingen van transporten, de opslag in transit, het ontladen en de ontvangst op de eindbestemming van radioactieve stoffen. Dit houdt uiteraard in dat dit besluit op meerdere soorten organisaties van toepassing is dan het huidige hoofdstuk VII van het ARBIS. Op dit vlak houdt het besluit een uitbreiding in ten opzichte van de bestaande regelgeving.
Dit vervoer moet ook ruimer gezien worden dan het "nationaal en internationaal nucleair vervoer" dat gedefinieerd is in de wet van 15/04/1994. Deze definities zijn specifiek gericht op het verplaatsen van nucleair materiaal in het kader van de beveiliging van deze transporten en maken maar een klein deel uit van het vervoer dat geviseerd wordt door dit besluit.
Gezien het vervoer van radioactieve stoffen ingebed is in internationale conventies, akkoorden en Europese richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke goederen is er in dit besluit dan ook sprake van het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 en niet van het vervoer van radioactieve stoffen. Met dit besluit worden de bepalingen van deze internationale regelgevingen ook van toepassing voor het vervoer van alle gevaarlijke goederen van de klasse 7 op Belgisch grondgebied. Dit is een absolute noodzaak gezien de internationale context van deze transporten. Dit houdt uiteraard ook in dat de terminologie en definities vaak ingegeven werden door deze internationale regelgevingen. Er werd bewust gekozen om de internationale regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 als leidraad te gebruiken om te vermijden dat er verschillen ontstaan tussen de landen betrokken bij een internationaal vervoer van klasse 7 gevaarlijke goederen. Deze keuze werd ook ingegeven door het feit dat de organisaties waarop dit besluit van toepassing is, vertrouwd zijn met deze internationale regelgeving en minder met de nationale regelgeving stralingsbescherming. Omwille van deze redenen zal er in dit besluit geen verwijzing meer zijn naar specifieke gebruiksdefinities van radioactieve stoffen zoals bijvoorbeeld ingekapselde bronnen, radio-isotopen,... maar zal er sprake zijn van specifieke transporttermen zoals: speciale vorm radioactief materiaal, UN-nummers, transportindex,...
Stralingsbescherming Daar blootstelling aan ioniserende stralingen schadelijk kan zijn, maar ook noodzakelijk (zoals in de geneeskunde), is de reglementering inzake stralingsbescherming gebaseerd op twee basisprincipes, d.i. het justificatiebeginsel en het optimaliseringsprincipe, waar over beide een internationale consensus bestaat.
Het justificatiebeginsel, zoals gedefinieerd in Richtlijn 96/29/Euratom, houdt in dat de verschillende activiteiten met een blootstelling aan ioniserende stralingen tot gevolg, moeten kunnen "worden gerechtvaardigd door de economische, sociale en andere voordelen af te wegen tegen de gezondheidsschade die zij kunnen toebrengen".
Het ALARA-beginsel of optimaliseringsprincipe, houdt in dat de blootstellingen niet alleen gerechtvaardigd moeten worden, maar wat meer is, dat ze "zo laag wordt gehouden als redelijkerwijze mogelijk is, economische en sociale factoren in aanmerking genomen".
Deze beginselen zijn geconcretiseerd in de reglementering van nucleaire activiteiten op internationaal, Europees en nationaal vlak.
In het Belgisch recht zijn deze beginselen neergelegd in artikel 20.1.1.1. a en b van het ARBIS, dat de omzetting vormt van Richtlijn 96/29/Euratom.
In de nieuwe basisnormen die vastgelegd zijn in de richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad van 5 december 2013, blijven deze principes gehandhaafd.
Het transport van radioactieve stoffen wordt algemeen gezien als noodzakelijk en is derhalve gerechtvaardigd in het kader van activiteiten die te maken hebben met het gebruik van radioactief materiaal in de medische sector, landbouwsector, industrie, onderzoek en het opwekken van nucleaire energie.
Het rechtvaardigingsbeginsel houdt in dat de verschillende soorten handelingen die kunnen leiden tot een blootstelling aan ioniserende stralingen, vooraleer ze de eerste maal worden vergund of worden aangenomen voor veralgemeend gebruik, moeten worden gerechtvaardigd door de voordelen die ze bieden, nadat met alle voor- en nadelen werd rekening gehouden, deze op het gebied van de gezondheid inbegrepen.
Welnu, het vervoer van radioactieve stoffen is reeds lang internationaal aanvaard en een individuele rechtvaardiging voor ieder vervoer is geen vereiste. In dit besluit wordt er daarom geen aparte en voorafgaandelijke justificatie voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 gevraagd. De praktijk, inclusief het vervoer, is immers als gerechtvaardigd beoordeeld.
Principes van het internationaal vervoer De veiligheid van het vervoer van radioactieve stoffen is in de internationale regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke goederen gebaseerd op 3 assen: ? Het collo. ? De betrouwbaarheid van het vervoer. ? Preventie en beheer van incidenten en ongevallen.
Het collo zijnde de verpakking met zijn radioactieve inhoud. Hoe meer radioactieve stoffen er in een verpakking vervoerd zullen worden, hoe hoger de eisen zijn die aan het verpakkingsmateriaal zullen gesteld worden. De veiligheid van het vervoer moet zowel in routine transportomstandigheden, normale omstandigheden (= routine maar inclusief kleine incidenten) als in ongevalsomstandigheden gegarandeerd blijven.
Deze bescherming wordt verkregen door beperking van de 4 risico's: ? De insluiting van de radioactieve inhoud; ? De beheersing van de intensiteit van de externe straling; ? Het voorkomen van criticaliteit; ? De preventie van de schade veroorzaakt door de warmteafgifte.
Gezien de veiligheid en ook de stralingsbescherming bepaald wordt door het correct gebruik van het collo, is de stralingsbescherming van de betrokkenen minder afhankelijk van het vervoersmiddel. De maximale intensiteit die aan de buitenzijde van een collo mag gemeten worden is onafhankelijk van het vervoersmiddel waarmee het vervoerd zal worden.
Uiteraard worden er voor de verschillende vervoersmiddelen bijkomende stralingslimieten opgelegd in functie van de plaats waar er contact met het publiek mogelijk is.
Voor wat betreft de betrouwbaarheid van het vervoer is het van belang dat alle betrokken actoren de regels die voorzien zijn in de internationale en nationale reglementen naleven. Om die reden werd ook het toepassingsgebied van dit besluit uitgebreid naar o.a. de organisaties betrokken bij de behandelingen van colli tijdens het multimodale vervoer of tijdens het wijzigen van vervoermiddel voor het maritieme en luchtvervoer. De afzenders van colli met gevaarlijke goederen van de klasse 7 werden niet expliciet opgenomen in dit besluit gezien zij reeds onderworpen zijn aan een vergunningsplicht via hoofdstuk II van het algemeen reglement. Zij worden wel expliciet opgenomen in de jaarlijkse inspectieplannen voor wat betreft hun verantwoordelijkheid bij het klaarmaken van colli (verpakkingen met de radioactieve stoffen) voor verzending.
Principes van het nieuwe koninklijke besluit Op basis van dit koninklijk besluit moet er geen verplichte route worden opgelegd die moet worden gevolgd bij het uitvoeren van transporten van gevaarlijke goederen van de klasse 7. Voor het wegvervoer is er in de wegcode een verplichting ingeschreven om zoveel mogelijk de autosnelwegen te gebruiken. De wijze waarop een zending gevaarlijke goederen van de klasse 7 vervoerd wordt, dient bepaald te worden door de afzender en is in een internationale context vaak afhankelijk van de bereidwilligheid van o.a. luchtvervoerders of maritieme lijnen om deze goederen te accepteren. Omwille van veiligheids-of beveiligingsredenen kunnen er voor specifieke transporten wel bijkomende voorwaarden opgelegd worden door de bevoegde overheid (FANC) die eventueel ook met de routing te maken kunnen hebben.
Onder "veiligheid", in het Frans voor toepassing van dit besluit "sûreté", verstaan we het creëren van omstandigheden, het voorkomen van ongevallen of het beperken van de gevolgen van ongevallen met als doel bescherming van de werkers, bevolking en leefmilieu tegen de gevaren van ioniserende stralingen. Onder "beveiliging", in het frans voor dit besluit "sécurité", verstaan we eerder het voorkomen, detecteren alsook een antwoord bieden op diefstal van, sabotage van, illegale toegang tot gevaarlijke goederen van de klasse 7.
Het huidige toezichtsysteem is gebaseerd op voornamelijk het afleveren van vergunningen aan vervoerders gecombineerd met terreininspecties.
Het doel is om van dit voornamelijk administratief vergunningsgebaseerd systeem over te schakelen naar een systeem waarbij iedere organisatie betrokken bij het vervoer gekend en erkend wordt met daarnaast een focus op verschillende soorten inspecties, en dit zonder verlies aan kwaliteit van informatie en gebaseerd op een geïntegreerde en graduele aanpak.
Iedere vervoerder of iedere organisatie betrokken bij het multimodaal vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 dient erkend te zijn.
Met deze laatste organisaties worden deze bedoeld die zelf niet vervoeren maar wel overlaadoperaties uitvoeren tussen de verschillende vervoerswijzen zoals bvb kaai-uitbaters in de haven inclusief de havenarbeiders of afhandelaars op de luchthaven. (voor het maritiem en het luchtvervoer wordt het overladen tussen vliegtuigen of schepen ook door deze organisaties uitgevoerd).
Onderbrekingen van transport zijn eveneens voorzien in dit besluit. De onderbrekingssites dienen goedgekeurd te worden.
De erkenningen zullen afgeleverd worden volgens het principe van een graduele aanpak. Deze graduele aanpak wordt ingevoerd door UN-groepen waarvoor vervoerders zich kunnen laten erkennen. Deze UN-groepen worden bepaald rekening houdend met de aard en de specifieke risico's verbonden aan de stoffen die ze bevatten en zijn samengesteld uit UN-nummers. Deze laatste nummers worden in de internationale regelgevingen betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen gegeven aan elke gevaarlijke stof zodat een unieke identificatie van elk gevaarlijk goed mogelijk is. De UN-groep 1 bevat deze radioactieve stoffen waarbij er tijdens het vervoer enkel met een beperkt radiologisch risico rekening dient gehouden te worden, alsook alle andere gevaarlijke goederen waarbij klasse 7 als nevenrisico wordt beschouwd. De UN-groep 2 bevat de radioactieve stoffen met een groter radiologisch risico. Bij het vervoer van stoffen uit UN-groep 3 moet er tijdens het vervoer niet alleen met een radiologisch risico rekening houden maar ook met een criticaliteitsrisico. UN-groep 4 bevat uraanhexafluoride waar er naast het radiologische vooral een chemisch risico aanwezig is, en afhankelijk van de verrijkingsgraad ook een criticaliteitsrisico.
De organisaties betrokken bij het laden en lossen kunnen geconfronteerd worden met elk van deze UN-groepen. Hiervoor werd dan ook een erkenning ingevoerd onafhankelijk van de klasse 7 gevaarlijke goederen die behandeld worden maar veeleer toegespitst op de behandelingen en manipulaties die moeten uitgevoerd worden en de wijze waarop ze uitgevoerd worden.
Tijdens het erkenningsproces zal er voornamelijk nagegaan worden of de organisatie die de erkenning vraagt, alle mogelijk processen en procedures in plaats heeft om te garanderen dat zij de activiteit waarvoor de erkenning gevraagd wordt op een veilige en reglementaire wijze kan uitvoeren.
Naast de erkenningen van de organisatie blijven er ook in dit besluit een aantal transporten aan een voorafgaandelijke vergunning onderworpen. Ook hier is er een graduele aanpak ingevoerd. Er werd enerzijds geopteerd om enkel de transporten te vergunnen waar vanuit radiologisch en/of beveiligingsoogpunt een voorafgaande verificatie dient te gebeuren. Anderzijds werden transporten geïdentificeerd waar er omwille van andere regelgevingen een nood is om vooraf de modaliteiten van deze transporten te vergunnen. Hierbij werd uiteraard rekening gehouden met de verplichting om bepaalde verzendingen goed te keuren in het kader van de internationale regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7.
Om de graduele aanpak af te ronden zijn er nog transporten waarvoor er een melding gevraagd zal worden alvorens het vervoer mag plaatsvinden.
Ook hier is er steeds gekozen voor de transporten die omwille van stralingsbescherming, beveiliging of andere regelgevingen een bijzondere aandacht vragen.
De graduele aanpak die voorzien wordt, bevindt zich niet enkel op het niveau van de indeling van de gevaarlijke goederen van de klasse 7 en de bepaling van welke transporten nog aan een vergunning onderworpen zijn maar wordt eveneens uitgewerkt in de processen en procedures die dit besluit in praktijk brengt.
Onderbrekingen van het vervoer Gezien de steeds groter wordende internationalisering van het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7, de belangrijkheid van de Belgische havens, voornamelijk de haven van Antwerpen, als Europese draaischijven voor bepaalde gevaarlijke goederen van de klasse 7, de steeds groter wordende files en het niet klokvast zijn van aanlegtijden van schepen alsook de steeds striktere eisen inzake levertermijnen, is er een noodzaak ontstaan om een reglementair kader te scheppen voor het onderbreken van transporten. Uiteraard mogen de transporten altijd onderbroken worden op plaatsen die vergund zijn in het kader van hoofdstuk II van het Algemeen reglement voor de radioactieve stoffen die vervoerd worden, te gebruiken, maar het is niet mogelijk om steeds op deze plaatsen de transporten te onderbreken. Daarom biedt dit besluit een mogelijkheid om afhankelijk van de duurtijd de transporten te onderbreken onder specifieke voorwaarden.
De definitie van onderbreking van transport is het tijdelijk onderbreken van het transport op een daarvoor bestemde plaats waarbij de colli, containers of tanks die de gevaarlijke goederen van de klasse 7 bevatten, niet van het voertuig wordt afgeladen. Tijdens de onderbreking wordt er geen manipulatie van de colli, containers of tanks voorzien. Het voertuig blijft in zijn "transportconditie" klaar om onmiddellijk zijn weg te vervolgen, waarbij wel maatregelen worden genomen om te vermijden dat onbevoegden toegang krijgen tot deze transporten. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een "korte" onderbreking van minder dan 72 uren en een "langere" van meer dan 72 uren maar beperkt tot maximum 15 dagen.
Er worden strikte voorwaarden opgelegd tijdens deze onderbreking waarbij het Agentschap steeds op de hoogte moet zijn van waar deze onderbreking plaatsvinden.
De onderbreking van meer dan 72 uren kan enkel op plaatsen gebeuren die hiervoor specifiek erkend werden door het Agentschap.
Organisaties betrokken bij het multimodaal vervoer Hoofdstuk 6 van het besluit legt verplichtingen op aan een nieuwe categorie van stakeholders namelijk de organisaties die betrokken zijn bij het laden en lossen van goederen van de klasse 7 tijdens het multimodale vervoer. Het gaat hier dus over organisaties die colli, containers of tanks met gevaarlijke goederen van de klasse 7 van ene transportmodus naar een andere overladen, en voor het maritiem en luchtvervoer overladen tussen verschillende vervoersmiddelen van dezelfde vervoerswijze. Het betreft onder andere de afhandelaars op de luchthaven en de goederenbehandelaars in de havens.
Tot op heden werden zij aan geen wettelijke verplichtingen onderworpen voor wat betreft het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7.
Aangezien zij echter een cruciale rol spelen in het vlot verloop van het vervoer en het personeel van deze organisatie mogelijk blootgesteld kan worden aan ioniserende stralingen, dienen er aan deze organisaties de nodige aandacht besteed te worden. Zij dienen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit een erkenning te bekomen vanuit het Agentschap via een soortgelijke procedure als de vervoerders. Ze worden echter erkend voor de behandelingen die zij uitvoeren voor de verschillende transporteurs waar zij contracten mee afsluiten. 3. Specifieke toelichtingen Voor de opbouw van het besluit werd geopteerd om, na enkele algemene bepalingen, de indeling te baseren op de verplichtingen die opgelegd worden aan de verschillende stakeholders om alzo de leesbaarheid en praktische bruikbaarheid van het besluit te verhogen.Er werd ook voor geopteerd om de bijbehorende besluiten van het Agentschap via deze hoofdstukken in te delen.
Hoofdstuk 1 van het koninklijk besluit bepaalt het toepassingsgebied.
Artikel 1 bepaalt dat het koninklijk besluit een gedeeltelijke omzetting van 2 Europese richtlijnen omvat.
Artikel 2 bepaalt dat het vervoer alle vervoerswijzen en vervoersmiddelen afdekt maar dat ook het ontwerp van modellen van collo, de fabricage, onderhoud en reparatie van verpakkingen onder het toepassingsgebied van dit besluit vallen, zoals voorzien in de internationale regelgeving.
Verder bepaalt dit artikel dat voor zowel nationaal als internationaal vervoer van kernmaterialen, de bepalingen van het
koninklijk besluit van 17 oktober 2011Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
17/10/2011
pub.
05/12/2011
numac
2011014278
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking en federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Koninklijk besluit houdende goedkeuring van het besluit 2009-II-15 van 3 december 2009 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart tot wijziging van het Patentreglement Rijn met betrekking tot de erkenning van nationale vaarbewijzen en radarbevoegdheidsbewijzen
type
koninklijk besluit
prom.
17/10/2011
pub.
08/11/2011
numac
2011205531
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken en federaal agentschap voor nucleaire controle
Koninklijk besluit betreffende de fysieke beveiliging van het kernmateriaal en de nucleaire installaties
type
koninklijk besluit
prom.
17/10/2011
pub.
05/12/2011
numac
2011014279
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking en federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Koninklijk besluit houdende goedkeuring van het besluit 2009-I-13 van 4 juni 2009 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart tot wijziging van het Patentreglement Rijn met betrekking tot de erkenning van nationale vaarbewijzen en radarbevoegdheidsbewijzen
type
koninklijk besluit
prom.
17/10/2011
pub.
08/11/2011
numac
2011205532
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken en federaal agentschap voor nucleaire controle
Koninklijk besluit houdende de categorisering en de bescherming van nucleaire documenten
type
koninklijk besluit
prom.
17/10/2011
pub.
08/11/2011
numac
2011205534
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken en federaal agentschap voor nucleaire controle
Koninklijk besluit betreffende de categorisering van het kernmateriaal en de definiëring van veiligheidszones in de nucleaire installaties en de nucleaire vervoerbedrijven
sluiten ook van toepassing zijn.
Artikel 3 sluit de transporten uit die uitgevoerd worden door de Belgische of buitenlandse krijgsmacht, gezien de bevoegdheden van het Agentschap het militaire domein niet bestrijken. Naar aanleiding van aanbeveling II.2.4 van de Hoge gezondheidsraad (HGR) werd in dit artikel enkel de transporten uitgesloten die door de Belgische of Buitenlandse krijgsmachten effectief worden uitgevoerd. Dit laat het Agentschap toe om toe te zien op transporten die door vervoerders, extern aan de krijgsmacht, worden uitgevoerd en alzo voor de nodige stralingsbescherming voor deze werknemers te zorgen.
Artikel 4 bevat de in de internationale regelgeving opgenomen gevallen waarop het reglement voor het vervoer van radioactieve stoffen niet van toepassing is.
Een bijzondere vrijstelling is deze voor stoffelijke overschotten van personen (lijken) en dieren (krengen) die een behandeling met radioactieve stoffen kregen voor hun overlijden. Deze stoffelijke overschotten bevatten in een aantal gevallen nog radioactieve stoffen in hoeveelheden die vanuit stralingsbeschermingsoogpunt niet mag verwaarloosd worden maar waar de nodige maatregelen tijdens het vervoer van deze stoffelijk overschotten genomen worden in het kader van de vrijgave van deze stoffelijke overschotten.
Hoofdstuk 2 artikel 5 bevat de definities van toepassing op dit koninklijk besluit. Enerzijds zijn deze die opgenomen zijn in het Algemeen besluit van toepassing alsook deze van de internationale regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke goederen en anderzijds zijn er specifieke definities toegevoegd.
De definitie van gevaarlijke goederen van de klasse 7 moet de huidige twijfelachtige toestand verhelpen waarbij sommige afzenders hun radioactieve stoffen klasseren volgens de internationale regelgeving binnen de klasse 7 door er een UN-nummer aan toe te kennen maar anderzijds verklaren dat de totale activiteit lager ligt dan de vrijstellingsniveau's waardoor er volgens de huidige Belgische regelgeving geen vervoervergunning nodig is. Dit komt nu vooral voor bij "lege verpakkingen" die radioactieve stoffen bevat hebben en teruggestuurd worden naar de oorspronkelijke afzender voor hergebruik.
Door nu enkel nog te verwijzen naar gevaarlijke goederen van de klasse 7 is de situatie duidelijk. Van het ogenblik dat er aan een radioactieve stof een UN-nummer van de klasse 7 wordt toegekend, is het voorgelegde besluit van toepassing. De specifieke situatie waar de klasse van het hoofdgevaar niet de klasse 7 is maar waar de klasse 7 wel als nevenrisico wordt aangeduid wordt eveneens afgedekt door dit besluit. (bvb UN 3507).
Naar aanleiding van de aanbevelingen van de HGR werden de volgende definities aangepast: Multimodaal vervoer en Organisatie betrokken bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7: in deze definities werden het wisselen van vervoersmiddelen binnen het maritieme vervoer en het luchtvervoer toegevoegd. Deze wisselingen gebeuren ook via een organisatie op kaai of in de luchthaven en dient eveneens deel uit te maken van het erkennings- en/of vergunningsproces.
Verder werden de definities van veiligheidsoptiesdossier en veiligheidsdossier verduidelijkt zoals aangegeven in aanbeveling II.2.7 van de HGR. Hoofdstuk 3, afdeling 3.1 bevat algemene bepalingen.
Artikel 6 bepaalt dat het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 in overeenstemming moet zijn met de internationale regelgevingen.
Artikel 7 bepaalt dat het vervoer, de behandeling en onderbrekingen op Belgisch grondgebied enkel mogen geschieden door organisaties die beschikken over een erkenning van het Agentschap. Verder wordt ook vermeld dat de organisaties die de colli, containers of tanks voorbereiden, met andere woorden de afzenders, hiervoor geen aparte erkenning moeten aanvragen voor zover zij reeds beschikken over een vergunning in het kader van hoofdstuk II van het algemeen reglement.
Het is wel voorzien in de interne processen van het Agentschap dat deze afzenders zullen geïnspecteerd worden naar het respecteren van de specifieke verantwoordelijkheden voor het klaarmaken van deze colli.
Artikel 8 bepaalt dat het Agentschap de bevoegde overheid is voor wat betreft de gevaarlijke goederen van de klasse 7 wanneer er in de internationale regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke goederen bevoegdheden worden toevertrouwd aan de bevoegde overheid.
Artikel 9 bepaalt dat het verplaatsen van radioactieve stoffen binnen een ingedeelde inrichting niet onder dit besluit valt voor zover er geen gebruik wordt gemaakt van het openbare wegennet (of spoorwegen of waterwegen). Dit vervoer dient onder de verantwoordelijkheid van de exploitant uitgevoerd te worden. De Dienst fysische controle van de exploitant dient de voorwaarden voor deze transporten goed te keuren.
Artikel 10 bepaalt dat transporten die onderbroken worden op Belgisch grondgebied aan de bepalingen van hoofdstuk 5 moeten voldoen.
Artikel 11 bepaalt dat de beveiliging van de transporten van gevaarlijke goederen van de klasse 7 dient te voldoen aan de bepalingen opgenomen in de verschillende internationale regelgevingen voor het vervoer van gevaarlijke goederen. Het Agentschap kan reglementen opstellen over de wijze waarop deze bepalingen kunnen gerespecteerd worden, alsook de modaliteiten en de vormen bepalen volgens welke het voorziene beveiligingsplan dient opgesteld en eventueel aan het Agentschap voorgelegd te worden.
Artikel 12 bepaalt dat zowel ter verhoging van de veiligheid als van de beveiliging het Agentschap bestaande vergunningen, erkenningen en goedkeuringen kan wijzigen, aanvullen of indien nodig kunnen er ook nieuwe voorwaarden opgelegd worden. Deze bepaling is nodig om indien de omstandigheden, zowel naar veiligheid als naar beveiliging, erom vragen, snel en efficiënt te kunnen ingrijpen.
De HGR stelt in zijn aanbeveling II.2.8 dat de bevoegdheden van het Agentschap in art. 12 dienen beperkt te worden. Dit lijkt een bijna onmogelijke opdracht om reeds op voorhand te voorzien welke de domeinen zijn waarbinnen eventuele bijkomende voorwaarden moeten opgelegd worden. Deze zullen in de toekomst bepaald worden door inderdaad specifieke omstandigheden die niet te voorzien zijn alsook voortvloeien uit de ervaringsfeedback. Deze omschrijving is vaag en wordt daarom niet in het betrokken artikel opgenomen.
Artikel 13 bevat de bepaling uit artikel 1.5 en artikel 5 van de richtlijn 2008/68/EG en is hiermee dan ook omgezet.
Hoofdstuk 3, afdeling 3.2, artikelen 14 tot en met 16, bevatten bepalingen voor wat betreft het vervoer over de weg, het spoor of en binnenwateren. Deze bepalingen vloeien rechtstreeks voort uit de omzetting van de richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land om voor wat betreft het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7. Deze bepalingen werden gestroomlijnd met de omzetting van deze richtlijn voor de andere gevaarlijke goederen.
Artikel 17 houdt een bepaling in betreffende de samenladingsverboden.
Hoofdstuk 4 bevat alle verplichtingen die een vervoerder dient te respecteren om gevaarlijke goederen van de klasse 7 te mogen vervoeren op Belgisch grondgebied. De structuur van dit hoofdstuk wordt in de hoofdstukken 5 en 6 herhaalt voor de andere betrokkenen. Het doel om deze bepalingen steeds te herhalen is om de leesbaarheid van de tekst voor de specifieke doelgroep te vergroten door alle bepalingen die de doelgroep aangaat samen te houden.
Artikel 18 legt aan een vervoerder, eender welke vervoerswijze, de verplichting op om erkend te worden alvorens een vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 mag uitgevoerd worden. Deze erkenning kan vervangen worden door een vergunning in het geval het een éénmalig vervoer betreft.
Artikel 19 bepaalt de voorwaarden waaraan een vervoerder minimaal moet voldoen om erkend te kunnen worden, nl het beschikken over: ? een stralingsbeschermingsprogramma, ? een beheersysteem, ? een noodprocedure, ? een aangestelde van het vervoer ? een dienst fysische controle en ? een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid.
Deze voorwaarden vloeien voort uit de verplichtingen die reeds zijn opgenomen in de van kracht zijnde internationale overeenkomsten en reglementen alsook uit bepalingen opgenomen in het algemeen reglement.
Dit artikel bepaalt ook dat het Agentschap reglementen kan opstellen met betrekking tot deze voorwaarden. Deze voorwaarden zijn algemeen voor alle vervoerders maar zullen ook verder voor de andere betrokken organisaties gelden die een erkenning moeten bekomen.
Artikel 20 bepaalt dat de erkenning die door de vervoeder dient bekomen te worden beperkt kan zijn tot één of meerdere UN-groepen en eventueel tot één of meerdere UN-nummers binnen een zelfde groep (aanbeveling II.2.12 van de HGR). De opgenomen UN-groepen zijn bepaald rekening houdend met de aard en de specifieke risico's verbonden aan de stoffen die ze bevatten (conform de aanbeveling II.2.11 van de HGR), en zijn samengesteld uit UN-nummers.
De indeling van de UN-nummers in de UN-groepen wordt vastgesteld door het Agentschap gezien deze UN-nummers internationaal worden bepaald en er in principe elke 2 jaar wijzigingen kunnen voorkomen.
Deze indeling geeft ook vorm aan de graduele aanpak die voorzien is in het geheel van besluit. Op basis van deze indeling zal de inhoud van het stralingsbeschermingsprogramma, het beheersysteem en de noodprocedure meer of minder uitgebreid zijn.
In afdeling 4.2 wordt de erkenningsprocedure bepaald.
Artikel 21 stelt dat het Agentschap de inhoud en de modaliteiten zal bepalen van de aanvraag tot erkenning in een besluit van het Agentschap. De informatie die gevraagd zal worden kan verschillen in functie van de vervoerswijze alsook van de UN-groepen waarvoor de erkenning zal kunnen gevraagd worden. De informatie die gevraagd zal worden moet enerzijds toelaten om een beeld te vormen van de betrokken vervoerder en welke transporten deze wil uitvoeren en anderzijds moet deze informatie toelaten de aanvraag tot erkenning te kunnen beoordelen op het respecteren van de bepalingen voorzien in artikel 19.
Artikel 22 stelt dat het Agentschap een formulier voor deze aanvraag zal ontwikkelen en de modaliteiten van indienen zal bepalen in een apart besluit van het Agentschap.
De termijn die in artikel 23 aan het Agentschap wordt gegeven om een beslissing te nemen in een erkenningsdossier is 3 maanden. Uiteraard is dit te tellen vanaf het ogenblik dat de aanvraag volledig is. In de processen van het Agentschap zal voorzien worden dat de volledigheid van het dossier bevestigt wordt aan de aanvrager. Deze periode kan voor de vervoerders die de minst risicovolle stoffen vervoeren ingekort worden tot maximum 1 maand. Voor de aanvragen van erkenning waar het Agentschap de termijn van 3 maanden niet kan respecteren moet het overschrijden van deze periode gerechtvaardigd zijn door de technische analyse van het dossier, waardoor er tussen het Agentschap en de aanvrager nog onduidelijkheden moeten uitgeklaard worden. Dit principe geldt voor elke aanvraag in dit besluit waarbij de voorgestelde termijnen niet gerespecteerd kunnen worden.
Artikel 24 stelt dat bij een gunstige evaluatie het Agentschap een erkenningsbesluit aflevert en aan de aanvrager toestuurt.
Artikel 25 stelt welke de beperkingen zijn die in een erkenningsbesluit kunnen worden opgenomen. Het gaat over de geldigheidsdatum die maximaal 5 jaar bedraagt. Deze geldigheidsperiode kan meer beperkt worden wanneer deze gemotiveerd wordt door het Agentschap. Ook de gevraagde UN-groepen en/of UN-nummers kunnen meer beperkt worden dan gevraagd mits motivatie. Het Agentschap kan ook bijkomende voorwaarden opleggen die betrekking hebben op onder andere de elementen opgenomen in dit artikel. Deze lijst is echter niet limitatief.
Artikel 26 bevat de procedure die voorzien is wanneer de beslissing van het Agentschap ongunstig is. Afdeling 4.3 bevat de procedure in geval van een wijziging van
erkenning.
Artikel 27 stelt dat wijzigingen in de informatie die bij de aanvraag tot erkenning werden verstrekt en die zodanig zijn dat het beschikkende deel van het erkenningsbesluit moet aangepast worden het voorwerp moet uitmaken van een aanvraag tot wijziging van de erkenning. Uiteraard dient deze aanvraag de gegevens te bevatten die gewijzigd zijn en dient deze aanvraag zo snel als mogelijk ingediend te worden. Het Agentschap stelt hiervoor eveneens een formulier op en stelt ook eventuele modaliteiten voor het indienen van de aanvraag vast.
Artikel 28 stelt de beslissingstermijn van 2 maanden vast. Een langere termijn moet gerechtvaardigd worden op dezelfde wijze als in artikel 23.
Artikelen 29 en 30 stellen analoog aan artikelen 24 en 25 de procedure vast bij gunstige beslissing. De geldigheidstermijn van een gewijzigd erkenningsbesluit is dezelfde als de oorspronkelijke erkenning. Als de wijziging samen met de verlenging gevraagd wordt is deze maximaal 5 jaar geldig.
Artikel 31 stelt analoog aan artikel 26 de procedure voor ongunstige beslissing vast.
Artikel 32 geeft de bevoegdheid aan het Agentschap om te bepalen welke wijzigingen van de informatie die verstrekt werd bij de aanvraag tot erkenning maar die niet leiden tot een wijziging van het erkenningsbesluit toch onverwijld aan het Agentschap dienen gemeld te worden. Afdeling 4.4 bevat de procedure bij verlenging van de erkenning.
Artikel 33 stelt de periode vast waarbinnen een erkende vervoerder de verlenging van zijn erkenning dient aan te vragen. Deze termijn moet het Agentschap toelaten de aanvragen te behandelen en de actualisatie van de gegevens te verwerken. Ook voor de verlenging zal het Agentschap een formulier opstellen.
De artikelen 34 tot en met 36 bevatten analoog aan artikelen 28 tot en met 31 de procedure bij gunstige en bij ongunstige beslissing. Afdeling 4.5, artikel 37, legt een strikte verplichting op voor wat
betreft de rapportering aan het Agentschap die iedere erkende vervoerder dient toe te sturen. Deze rapporten moeten het Agentschap de mogelijkheid geven om te analyseren wie/wat/wanneer en hoe vervoerd heeft, om daaruit o.a. de steeds wederkerende vervoerstromen te kunnen analyseren. Het Agentschap stelt hiervoor een formulier op alsook eventuele modaliteiten voor het indienen ervan. Afdeling 4.6 behandelt de transporten die nog aan een voorafgaandelijk
vergunning onderworpen zullen worden.
Onderafdeling 4.6.1, artikel 38, deelt de transporten die vergunningsplichtig zijn in, in 3 grote categorieën: ? In eerste instantie de groep van transporten die volgens de internationale regelgevingen goedgekeurd dienen te worden door de bevoegde overheden van alle landen die door het vervoer worden aangedaan. Men spreekt hier over een goedkeuring voor verzending. Een bijzondere aandacht gaat in deze categorie naar de goedkeuring voor verzending bij speciale overeenkomst. Hierbij is het op voorhand geweten dat niet aan alle reglementaire bepalingen kan voldaan worden.
Het is aan de aanvrager om compenserende maatregelen voor te stellen om een equivalent veiligheidsniveau te kunnen garanderen. Bij het afvoeren van oude radioactieve bronnen naar een afvalverwerker dient vaak gebruik gemaakt te worden van deze mogelijkheid. Ook bij de toekomstige ontmanteling van de kerncentrales zal er van deze mogelijkheid gebruik moeten gemaakt worden om onderdelen op een veilige wijze af te voeren. Van de voorgestelde compenserende maatregelen moet er een grondige analyse gemaakt worden waardoor de analysetijd voor het aanvraagdossier langer is dan voor een standaard transport en eerder zal aanleunen aan de periode nodig voor het evalueren van een veiligheidsdossier voor de goedkeuring van een model van collo. ? De eenmalige transporten: hier gaat het over een transport dat door een niet erkende vervoerder eenmalig op Belgisch grondgebied wordt uitgevoerd. Er wordt hier vooral gedacht aan een luchtvaartmaatschappij of een maritieme lijn die uitzonderlijk gevaarlijke goederen van de klasse 7 aan boord hebben wanneer zij landen of aanmeren in België, en dit zonder de andere vervoerswijzen uit te sluiten. Deze vervoerders zullen niet het uitgebreide erkenningsproces moeten doorlopen maar het ene transport dat zij willen uitvoeren zal vooraf door het Agentschap vergund worden, waardoor er geverifieerd kan worden of aan alle reglementaire bepalingen voor het specifieke vervoer voldaan is. ? Verder zijn er de transporten waar er geoordeeld werd dat er een evaluatie moet gebeuren door het Agentschap op basis van stralingsbescherming, transportveiligheid of - beveiliging. Deze transporten mogen enkel door erkende vervoerders die ook vergund werden uitgevoerd worden. Wat wil zeggen dat deze transporten belangrijk genoeg zijn om enerzijds te verifiëren via de erkenning of de vervoerder op veilige wijze deze transporten kan uitvoeren en anderzijds op voorhand na te gaan of het specifieke of een reeks specifieke transporten aan de reglementaire bepalingen voldoet.
De aanbeveling II.2.14 van de HGR stelt dat er hier minimale vereisten op hun plaats zijn omtrent deze transporten die door het Agentschap aan vergunning onderworpen worden. Deze aanbeveling is overbodig, gezien de graduele aanpak in het geheel van deze regelgeving zodanig is opgebouwd dat het inderdaad deze transporten zijn die vanuit stralingsbeschermingsoogpunt, transportveiligheid, beveiliging van transporten en andere regelgevingen aan specifieke voorwaarden of een specifiek toezicht onderworpen moeten zijn. Het verengen van deze bepaling tot de voorbeelden opgenomen in de aanbeveling is geen goede praktijk. Uiteraard zijn de voorbeelden opgenoemd in de aanbeveling deze die in dit besluit aan vergunning onderworpen zijn. Er is geen garantie dat deze niet kunnen evolueren.
Een volgende aanbeveling van de HGR (II.2.15) betreft de gelijkschakeling tussen de vervoervergunningen en de goedkeuringscertificaten voor verzending. Dit is inderdaad het geval.
De goedkeuringscertificaten voor verzending gelden als vervoervergunning en de bepalingen in het volledige reglement die van toepassing zijn op de vergunningen zijn dit uiteraard ook op de goedkeuringscertificaten voor verzending. Op enkele plaatsen in het besluit werd dit verder duidelijk gesteld.
Onderafdeling 4.6.2 bepaalt de procedure voor de aanvraag van een vergunning of een goedkeuring voor verzending.
Artikel 39 stelt dat de aanvraag moet ingediend worden bij het Agentschap volgens de modaliteiten door haar bepaald (lid 1). Deze aanvragen moeten gebeuren door de erkende vervoerder zelf, met uitzondering van de aanvragen voor een éénmalig vervoer (lid 2). In lid 3 is er een mogelijkheid geschept dat het Agentschap kan bepalen dat een andere betrokkene dan de erkende vervoerder de aanvraag kan indienen (lid 3). Het algemeen principe blijft dat de erkende vervoerder zelf over de nodige kennis moet beschikken om de aanvraag in te dienen. In specifieke gevallen is dit niet altijd het geval. We denken dan vooral aan aanvragen voor goedkeuringen voor verzending bij speciale overeenkomst. In zulke gevallen is het soms aangewezen dat de aanvraag door bvb de afzender wordt ingediend. Het is echter aan het Agentschap om daarover te oordelen. Het Agentschap behoudt zich in ieder geval het recht om met de andere betrokkenen rechtstreeks contact op te nemen om specifieke informatie te bekomen (lid 4). Welke gegevens moeten verstrekt worden zal in een besluit van het Agentschap bepaalt worden en zal zich toespitsen op de informatie betreffende het specifieke vervoer waarvoor een vergunning wordt gevraagd alsook op de verplichte informatie opgelegd door de van kracht zijnde internationale overeenkomsten en reglementen betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7. Het Agentschap zal ook voor deze aanvraag een formulier opstellen en de nodige modaliteiten voor indiening vastleggen.
De aanbeveling van de HGR II.2.16 werd verwerkt in het toevoegen van een bepaling in artikel 39 die stelt dat de aanvragen voor vergunning altijd door een erkende vervoerder dient aangevraagd te worden tenzij het een aanvraag voor eenmalig vervoer betreft.
Artikel 40 bepaalt de termijn waarbinnen het Agentschap een beslissing moet nemen over de aanvragen tot vergunning. Deze termijn wordt vastgesteld op 1 maand behalve voor de goedkeuringen voor verzending waar de termijn 6 maanden bedraagt. Dit verschil is te verklaren in het feit dat de analyse van deze internationaal vereiste goedkeuringen meer tijd vergen.
Artikelen 41 tot en met 43 bevat dezelfde procedure bij gunstige en ongunstige beslissing als voorzien voor de erkenningen, analoog aan art. 24-26.
Onderafdeling 4.6.3, artikelen 44 tot en met 48, bevatten de bepalingen betreffende de wijzigingen van vergunningen. Deze zijn analoog aan artikelen 27 tot en met 31 voorzien voor wijzigingen van erkenningen.
Onderafdeling 4.6.4, artikelen 49 tot en met 53, bevatten de bepalingen betreffende het verlengen van vergunningen. Deze zijn analoog aan artikelen 33 tot en met 36.
In afdeling 4.7.1, artikel 54, wordt de mogelijkheid gegeven aan een erkende vervoerder om transporten van gevaarlijke goederen van de klasse 7 in onderaanneming te laten uitvoeren onder voorwaarden vastgesteld door het Agentschap. De erkende vervoerder blijft verantwoordelijk voor het transport dat hij in onderaanneming geeft.
Deze onderaanneming is aan strikte condities onderworpen. Zo mogen de transporten van de hoogste categorie van fysieke beveiliging niet in onderaanneming gegeven worden.
Artikel 55 legt een verbod op aan de onderaannemer van een erkende vervoerder om de aan hem toevertrouwde transporten verder in onderaanneming te geven.
De voorwaarden voor deze onderaanneming wordt vastgelegd in afdeling 4.7.2.
Artikel 56 bepaalt dat de onderaannemers in het erkenningsbesluit van de erkende vervoerder moeten opgenomen zijn.
Artikel 57 bepaalt dat er een schriftelijke verbintenis moet zijn tussen de erkende vervoerder en zijn onderaannemers, en dat er tussen de erkende vervoerder en zijn onderaannemer duidelijkheid moet zijn over het toepassen van het stralingsbeschermingsprogramma, de noodprocedures en het beheersysteem. Afdeling 4.8, artikel 58, legt een verplichting van voormelding op
voor bepaalde transporten die plaatsvinden. Het betreft hier transporten die vanuit het oogpunt stralingsbescherming, transportveiligheid of transportbeveiliging een specifieke opvolging vereisen. Of waarbij dit nodig wordt geacht vanwege de aard van de risico's die de vervoerder goederen met zich meebrengen.
Dit systeem van voormeldingen vervolledigt de graduele aanpak.
Deze voormeldingen moeten het Agentschap toelaten op een makkelijke wijze de inspecties van belangrijke transporten te organiseren. Het Agentschap zal voor deze voormeldingen een specifiek formulier opstellen en de modaliteiten voor het versturen van deze meldingen bepalen. Afdeling 4.9, artikel 59, bepaalt de verantwoordelijkheid van de
erkende vervoerder die gevaarlijke goederen van de klasse 7 het Belgische grondgebied binnenbrengt en waar er nog een aansluitend vervoer georganiseerd moet worden. Volgens dit artikel moet deze vervoerder er zich van vergewissen dat er een vlot en reglementair transport en overslag kan plaatsvinden. En dit voordat hij de stoffen het Belgische grondgebied binnenbrengt.
Hoofdstuk 5 van het besluit behandelt de verplichtingen bij onderbrekingen van transporten, met uitzondering van de opslag in transit, waar de colli tussen 2 vervoerswijzen of bij wijziging van vervoersmiddel voor het maritiem en luchtvervoer, voor een korte tijd moeten opgeslagen worden. Deze opslag in transit wordt behandeld in hoofdstuk 6. Afdeling 5.1, artikel 60, bepaalt dat onderbrekingen van transporten
die langer duren dan 72 uren mogen enkel onderbroken worden op een erkende onderbrekingssite of in een ingedeelde inrichting. De onderbrekingen op een onderbrekingssite mogen maximaal 15 dagen duren.
Transporten van nucleaire materialen van de hoogste beveiligingsgroep mogen slechts onderbroken worden mits expliciete toelating van het Agentschap.
Artikel 61 bepaalt naar analogie van artikel 19 welke de voorwaarden zijn om een erkenning te krijgen. Deze voorwaarden zijn gelijkaardig als deze voor een vervoerder maar dan toegespitst op de onderbreking van het vervoer.
Artikel 62 verbiedt het openen van de colli, containers of tanks tijdens de onderbreking.
Artikel 63 stelt dat het Agentschap verdere voorwaarden en voorschriften kan bepalen waaraan moet voldaan zijn tijdens de onderbrekingen. Deze zullen in een besluit van het Agentschap worden vastgelegd.
Onderafdeling 5.1.2, artikelen 64 tot en met 68, bevatten de procedure voor het aanvragen en bekomen van de erkenning. Deze zijn analoog aan artikelen 21 tot en met 26.
Onderafdeling 5.1.3, artikelen 69 tot en met 74, bevatten de procedure bij wijzigingen van de erkenning, analoog aan artikelen 27 tot en met 32.
Onderafdeling 5.1.4, artikelen 75 tot en met 79, bevatten de procedure bij verlenging van de erkenning, analoog aan artikel 33 tot en met 36 Afdeling 5.2, artikel 80, stelt dat het Agentschap haar akkoord moet
geven voor onderbrekingen van transporten voor minder dan 72 uren en dat deze onderbreking moet gemeld worden aan het Agentschap. Het Agentschap kan voorwaarden opleggen aan deze onderbrekingen.
Hoofdstuk 6 van het besluit legt verplichtingen op aan een nieuwe categorie van stakeholders namelijk de organisaties die betrokken zijn bij het laden en lossen van gevaarlijke goederen van de klasse 7 tijdens het multimodale vervoer. Afdeling 6.1, artikel 81, legt aan elke organisatie betrokken bij de
behandeling van gevaarlijke goederen van de klasse 7, de verplichting op om erkend te worden alvorens een behandeling van gevaarlijke goederen van de klasse 7 mag uitgevoerd worden.
Artikel 82 bevat naar analogie van artikelen 19 en 61 de elementen waarover deze organisaties dienen te beschikken alvorens een erkenning te kunnen bekomen. Afdeling 6.2, artikelen 83 tot en met 89, bevatten naar analogie van
artikelen 21 tot en met 26 en 64 tot en met 68 de procedure voor aanvraag van erkenning. Afdeling 6.3, artikelen 90 tot en met 95, bevatten naar analogie van
artikelen 27 tot en met 32 en 69 tot en met 74 de procedure voor de wijziging van de erkenning. Afdeling 6.4, artikelen 96 tot en met 99, bevatten naar analogie van
artikelen 33 tot en met 36 en 75 tot en met 79 de procedure voor de verlenging van de erkenning. Afdeling 6.5, onderafdeling 6.5.1, artikel 100, bevat de mogelijkheid
voor de organisaties betrokken bij het behandelen van de colli, containers of tanks met gevaarlijke goederen van de klasse 7 om voor een beperkt aantal manipulaties een vergunning te bekomen via een aangepast proces. Dit is het equivalent van de vergunning voor eenmalig vervoer bij de vervoerder. Gezien de organisatie betrokken bij het multimodaal vervoer voor meerdere vervoerders kan werken is de maximale frequentie verhoogd. De bedoeling is dat er maximaal 4 keer per 12 glijdende maanden een vergunning kan bekomen worden om voor een specifiek vervoer de behandeling te verzorgen volgens een case by case benadering. Indien er meer dan 4 behandelingen voorzien worden per 12 glijdende maanden dient een erkenning aangevraagd te worden.
Onderafdeling 6.5.2, artikelen 101 tot en met 105, bevat de procedure voor het bekomen van de vergunning. Afdeling 6.6, artikel 106, behandelt de opslag in transit. Hiermee
wordt bedoeld een korte opslag tussen verschillende vervoerswijzen of bij wijziging van vervoersmiddel bij het maritiem of luchtvervoer. Het algemeen principe bij multimodaal vervoer blijft dat de aansluiting van de verschillende vervoerswijzen of vervoersmiddelen onmiddellijk dient te gebeuren. In praktijk is dit niet altijd haalbaar. In de gevallen waar de rechtstreekse overslag niet mogelijk is moet de opslag in transit zo kort mogelijk gehouden worden. Het Agentschap kan verdere modaliteiten bepalen voor deze opslag in transit. Deze opslag dient deel uit te maken van het erkenningsdossier van de organisaties betrokken bij het behandelen van gevaarlijke goederen van de klasse 7.
Naar aanleiding van de aanbeveling van de HGR betreffende het multimodale vervoer werd het hoofdstuk nog een grondig nagekeken en omwille van harmonisatie o.a. met hoofdstuk 4 werd er een specifieke sectie toegevoegd 6.7 betreffende onderaanneming die uiteraard ook voor deze organisaties mogelijk moet zijn.
Artikelen 107 tot en met 108 bevatten naar analogie van artikelen 54 en 55 de mogelijkheid om de behandeling van colli met gevaarlijke goederen van de klasse 7 in onderaanneming te geven. Alsook het verbod voor de onderaannemer om de behandelingen verder te geven. De voorwaarden voor deze onderaanneming zullen verder uitgewerkt worden in een besluit van het Agentschap zoals ook voor de vervoerders voorzien is.
Artikelen 109 en 110 zijn analoog aan artikelen 56 en 57 en bevatten de voorwaarden voor deze onderaanneming.
Hoofdstuk 7 bevat de verplichtingen voor de aanvragers van goedkeuringen voor modellen van collo voor het vervoer van gevaarlijk goederen van de klasse 7. Het goedkeuren van modellen van collo vloeit rechtstreeks voort uit de internationale reglementering voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7. Volgens deze regelgeving bestaan er unilaterale goedkeuringen en multilaterale goedkeuringen. In het ene geval moet er enkel door de bevoegde overheid van het land van oorsprong een goedkeuring afgeleverd worden, in het andere geval moeten de overheden van elk land dat door het transport wordt aangedaan een goedkeuring afleveren voor het model van collo. Het land van oorsprong wordt beschouwd als het land waar de ontwerper van het model van collo zich bevindt.
Artikel 111 bepaalt dat de aanvragen voor goedkeuring van modellen van collo bij het Agentschap moeten ingediend worden alsook wie deze aanvraag moet indienen. In de 3de alinea van artikel 111 wordt ook bepaald dat als België het land van oorsprong is van een model van collo of wanneer er een buitenlands model van collo op Belgisch grondgebied gebruikt wordt voor een stockage langer dan 1 jaar (in dat geval gaat het meestal om de dual purpose casks) het Agentschap reeds in een vroegere fase van het ontwerp dient betrokken te worden, namelijk reeds bij het opstellen van het zogenoemde veiligheidsoptiesdossier. Deze bepaling maakt het mogelijk om veiligheidsissues reeds in een vroeg stadium te bespreken tussen de ontwerper en het Agentschap dat uiteindelijk de goedkeuring moet verstrekken. De inhoud van dit ve …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.