Decreet over de programmatische aanpak stikstof
Kort samengevat
Dit decreet regelt de programmatische aanpak van stikstof in Vlaanderen. Het heeft als doel de stikstofdepositie te verminderen om de kwaliteit van stikstofgevoelige natuurgebieden te beschermen.
Wat het reguleert
- De totale stikstofdepositie die aanwezig is (achtergronddepositie).
- Ammoniakemissiearme stalsystemen en technieken (AEA-lijst en AEA-stal).
- Maatregelen voor het reduceren van ammoniakemissie bij veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties.
- De bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens.
Wie het aanbelangt
- Exploitanten van ingedeelde inrichtingen of activiteiten, zoals veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties.
- Bedrijven die biologische productie toepassen.
Kernpunten
- De "achtergronddepositie" is de totale stikstofdepositie die actueel aanwezig is.
- Een "AEA-stal" is een ammoniakemissiearme stal gebouwd volgens specifieke staltechnieken.
- "Ammoniakemissiereducerende maatregelen" zijn wetenschappelijk gevalideerde maatregelen die de ammoniakemissie verminderen.
- "Kritische depositiewaarde" is de grens waarboven de kwaliteit van een habitattype significant kan worden aangetast door stikstofdepositie.
Wettekst
26 JANUARI 2024. - Decreet over de programmatische aanpak stikstof (1) Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt: Decreet over de programmatische aanpak stikst
van afdeling 2 van dit hoofdstuk vallen, wordt de ammoniakemissie die het gevolg is van industriële processen en die niet voortkomt uit de toepassing van deNOx-technieken, gezamenlijk met de NOx-emissie beoordeeld overeenkomstig het beoordelingskader, vermeld in afdeling 2 van dit hoofdstuk. § 2. Voor projecten die onder het
van afdeling 2 van dit hoofdstuk vallen, is het beoordelingskader, vermeld in afdeling 4 van dit hoofdstuk, van overeenkomstige toepassing voor de beoordeling van de ammoniakemissie die voortkomt uit de toepassing van deNOx-technieken. In afwijking van het eerste lid wordt de ammoniakemissie die voortkomt uit de toepassing van deNOx-technieken, gezamenlijk met de NOx-emissie beoordeeld overeenkomstig het beoordelingskader, vermeld in afdeling 2 van dit hoofdstuk, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de deNOx-installatie zorgt voor een NOx-N-reductie van minstens 50%;2° de impactscore van de IIOA zonder deNOx-installatie is groter dan of gelijk aan de impactscore van de IIOA met de deNOx-installatie. In afwijking van het eerste lid kan in overleg met de advies- en vergunningverlenende overheid de ammoniakemissie die voortkomt uit de toepassing van deNOx-technieken, gezamenlijk met de NOx-emissie beoordeeld worden overeenkomstig het beoordelingskader, vermeld in afdeling 2 van dit hoofdstuk, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de deNOx-techniek zal toegepast worden in combinatie met een of meer in de aanvraag opgenomen en toe te passen NOx-reducerende technieken;2° de deNOx-installatie en deNOx-reducerende technieken, vermeld in punt 1°, zorgen samen voor een NOx-N-reductie van minstens 50%;3° de impactscore van de IIOA zonder deNOx-installatie en zonder deNOx-reducerende technieken, vermeld in punt 1°, is groter dan of gelijk aan de impactscore van de IIOA met deNOx-installatie en NOx-reducerende technieken, vermeld in punt 1°, samen. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de afwijking, vermeld in het derde lid. Art. 24.Als een veehouderij of mestverwerkingsinstallatie onder het
van afdeling 2 of 3 en ook van afdeling 4 van dit hoofdstuk valt, wordt het beoordelingskader, vermeld in afdeling 4 van dit hoofdstuk, toegepast voor de totale stikstofdepositie. Art. 25.Voor de toepassing van afdeling 2 en 3 van dit hoofdstuk omvat de stikstofdepositie die veroorzaakt wordt door verkeer van een verkeersdragend infrastructuurproject, alleen de stikstofdepositie die het gevolg is van het bijkomende verkeer ten opzichte van de bestaande situatie. Voor de toepassing van afdeling 2 en 3 van dit hoofdstuk omvat de stikstofdepositie die veroorzaakt wordt door verkeer voor een verandering aan een verkeersdragend infrastructuurproject dat een capaciteitsverhoging inhoudt, alleen de stikstofdepositie die het gevolg is van het bijkomende verkeer ten gevolge van de verandering. Voor de toepassing van afdeling 2 en 3 van dit hoofdstuk omvat de stikstofdepositie die veroorzaakt wordt door verkeer voor een verkeersgenererend project of de verandering ervan, de stikstofdepositie ten gevolge van de vervoersbewegingen die het project veroorzaakt. Art. 26.Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 24 is voor een mobiliteitsgerelateerd project dat ook een exploitatie van een IIOA met een of meer stationaire bronnen van stikstofoxiden omvat, het beoordelingskader, vermeld in afdeling 2 van dit hoofdstuk, van overeenkomstige toepassing voor de beoordeling van de totale stikstofdepositie van dat project in de volgende gevallen: 1° de exploitatie van de IIOA met een of meer stationaire bronnen vindt plaats na de aanlegfase van het mobiliteitsgerelateerd project;2° de exploitatie van de IIOA met een of meer stationaire bronnen vindt enkel plaats tijdens de aanlegfase van het mobiliteitsgerelateerd project en de aanlegfase in zijn totaliteit, met inbegrip van de exploitatie van deze IIOA, leidt tot een grotere gemiddelde equivalente jaaremissie van NOx dan de gemiddelde jaaremissie van NOx van het mobiliteitsgerelateerd project na de aanlegfase. Afdeling 2. - Beoordelingskader voor stationaire bronnen van stikstofoxiden Onderafdeling 1. -
Art. 27
.Deze afdeling is van toepassing op de omgevingsvergunningsprocedure, op de procedure voor het vaststellen van een projectbesluit dat overeenkomstig artikel 39 van het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/04/2014 pub. 23/10/2014 numac 2014036510 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de omgevingsvergunning type decreet prom. 25/04/2014 pub. 27/08/2014 numac 2014035897 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning type decreet prom. 25/04/2014 pub. 27/08/2014 numac 2014035706 bron vlaamse overheid Decreet betreffende complexe projecten sluiten betreffende complexe projecten zal gelden als omgevingsvergunning en op elke andere procedure waarmee een beslissing tot stand komt die op grond van decretale bepalingen geldt als omgevingsvergunning, voor de exploitatie van een IIOA met een of meer stationaire bronnen van stikstofoxiden. Onderafdeling
- - Drempelwaarde Art. 28.Bij een omgevingsvergunningsaanvraag of een ontwerp van projectbesluit voor de exploitatie van een IIOA is de opmaak van een passende beoordeling van de effecten van stikstofdepositie via de lucht ten aanzien van SBZ-H niet vereist als de impactscore kleiner is dan of gelijk is aan een drempelwaarde van 1%. Als de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 54 een aangepaste drempelwaarde heeft vastgesteld, geldt, in afwijking van het eerste lid, die aangepaste drempelwaarde in de plaats van de drempelwaarde, vermeld in het eerste lid. Onderafdeling
- - Passende beoordeling Art. 29.De opmaak van een passende beoordeling van de effecten van stikstofdepositie via de lucht ten aanzien van SBZ-H is vereist bij een omgevingsvergunningsaanvraag of een ontwerp van projectbesluit voor de exploitatie van een IIOA die niet voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel
- Art. 30.Als uit de passende beoordeling van de effecten, vermeld in artikel 29, hetzij blijkt dat er geen bijkomende stikstofdepositie is ten opzichte van de vergunde situatie, hetzij blijkt dat het project ten opzichte van de vergunde situatie leidt tot een stijging van de stikstofdepositie, is er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ-H in kwestie mogelijk, wat de effecten van stikstofdepositie via de lucht betreft, als het project de gebiedsspecifieke neerwaartse depositietrend van NOx in die SBZ-H niet hypothekeert. Bij de passende beoordeling van de effecten, vermeld in artikel 29, voor projecten die niet vergund zijn op het ogenblik van de beoordeling, is er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ-H in kwestie mogelijk, wat de effecten van stikstofdepositie via de lucht betreft, als het project de gebiedsspecifieke neerwaartse depositietrend van NOx in die SBZ-H niet hypothekeert. De gebiedsspecifieke neerwaartse depositietrend, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt bepaald door de vermindering van de depositie van stikstofoxiden, die beoogd wordt door de realisatie van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, § 2, 1°, systematisch in aanmerking te nemen voor een specifieke SBZ-H. Bij de beoordeling of de gebiedsspecifieke neerwaartse depositietrend, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt gehypothekeerd, kunnen de volgende emissiereducerende maatregelen in aanmerking genomen worden voor de vermindering van de totale NOx-emissie van de stationaire bron van stikstofoxiden: 1° technisch-economische reductiemaatregelen die streven naar de ondergrens van de met de BBT geassocieerde emissieniveaus bij GPBV-installaties of bij niet-GPBV-installaties die strenger zijn dan wat voorgeschreven is in titel II van het VLAREM.Om de economische haalbaarheid van de maatregelen te bepalen, wordt rekening gehouden met het gangbare afwegingsgebied; 2° maatregelen die verder reduceren, ook al gaan die verder dan het gangbare afwegingsgebied inzake economische haalbaarheid. De Vlaamse Regering onderzoekt door middel van een planmilieueffectrapportage en passende beoordeling onder welke voorwaarden extern salderen, zonder de emissiereductiedoelstellingen, vermeld in artikel 4, § 2, § 3 en § 4, in het gedrang te brengen, gunstig passend beoordeeld kan worden. Vervolgens stelt de Vlaamse Regering, rekening houdend met het resultaat van deze planmilieueffectrapportage en passende beoordeling, de voorwaarden vast waaronder extern salderen met NOx-emissies vanaf 1 januari 2025 in aanmerking genomen kan worden. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de beoordeling van de stijging van stikstofdepositie en voor de beoordeling of de gebiedsspecifieke neerwaartse depositietrend wordt gehypothekeerd. Afdeling
- - Beoordelingskader voor stikstofoxiden veroorzaakt door mobiliteitsgerelateerde projecten Onderafdeling
- -
Art. 31
.Deze afdeling is van toepassing op de omgevingsvergunningsprocedure, op de procedure voor het vaststellen van een projectbesluit dat overeenkomstig artikel 39 van het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/04/2014 pub. 23/10/2014 numac 2014036510 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de omgevingsvergunning type decreet prom. 25/04/2014 pub. 27/08/2014 numac 2014035897 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning type decreet prom. 25/04/2014 pub. 27/08/2014 numac 2014035706 bron vlaamse overheid Decreet betreffende complexe projecten sluiten betreffende complexe projecten zal gelden als omgevingsvergunning en op elke andere procedure waarmee een beslissing tot stand komt die op grond van decretale bepalingen geldt als omgevingsvergunning, voor mobiliteitsgerelateerde projecten waarvoor artikel 26 niet van toepassing is. De Vlaamse Regering kan een lijst vaststellen van mobiliteitsgerelateerde projecten die geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een SBZ-H kunnen veroorzaken vanwege de zeer beperkte omvang van stikstofemissies die veroorzaakt worden. De projecten op die lijst vallen niet onder het
van deze afdeling. Onderafdeling
- - Drempelwaarde Art. 32.Bij een omgevingsvergunningsaanvraag of een ontwerp van projectbesluit voor een mobiliteitsgerelateerd project is de opmaak van een passende beoordeling van de effecten van stikstofdepositie via de lucht, ten aanzien van SBZ-H, niet vereist als de impactscore kleiner is dan of gelijk is aan een drempelwaarde van 1%. Als de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 54 een aangepaste drempelwaarde heeft vastgesteld, geldt, in afwijking van het eerste lid, die aangepaste drempelwaarde in plaats van de drempelwaarde, vermeld in het eerste lid. Onderafdeling
- - Passende beoordeling Art. 33.De opmaak van een passende beoordeling van de effecten van stikstofdepositie via de lucht, ten aanzien van SBZ-H, is vereist bij een omgevingsvergunningsaanvraag of een ontwerp van projectbesluit voor een mobiliteitsgerelateerd project dat niet voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel
- Art. 34.Als uit de passende beoordeling van de effecten, vermeld in artikel 33, hetzij blijkt dat het project geen bijkomende stikstofdepositie veroorzaakt ten opzichte van de bestaande situatie, hetzij blijkt dat het project ten opzichte van de bestaande situatie leidt tot een stijging van de stikstofdepositie, is er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ-H in kwestie mogelijk, wat de effecten van stikstofdepositie via de lucht betreft, als het project de gebiedsspecifieke neerwaartse depositietrend van NOx in die SBZ-H niet hypothekeert. De gebiedsspecifieke neerwaartse depositietrend, vermeld in het eerste lid, wordt bepaald door de vermindering van de depositie van stikstofoxiden, die beoogd wordt door de realisatie van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, § 2, 1°, systematisch in aanmerking te nemen voor een specifieke SBZ-H. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de beoordeling van de stijging van stikstofdepositie en voor de beoordeling of de gebiedsspecifieke neerwaartse depositietrend wordt gehypothekeerd. Afdeling
- - Beoordelingskader voor ammoniak van veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties Onderafdeling
- -
Art. 35
.Deze afdeling is van toepassing op de omgevingsvergunningsprocedure voor de exploitatie van veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties. Onderafdeling
- - Drempelwaarde Art. 36.Voor een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een veehouderij of mestverwerkingsinstallatie is de opmaak van een passende beoordeling van de effecten van stikstofdepositie via de lucht ten aanzien van SBZ-H niet vereist als de impactscore kleiner is dan of gelijk is aan een drempelwaarde van 0,025%. Als de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 54 een aangepaste drempelwaarde heeft vastgesteld, geldt, in afwijking van het eerste lid, die aangepaste drempelwaarde in plaats van de drempelwaarde, vermeld in het eerste lid. Onderafdeling
- - Passende beoordeling Art. 37.De opmaak van een passende beoordeling van de effecten van stikstofdepositie via de lucht ten aanzien van SBZ-H is vereist bij een omgevingsvergunningsaanvraag voor de exploitatie van een veehouderij of mestverwerkingsinstallatie die niet voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel
- Art. 38.Bij de passende beoordeling van de effecten, vermeld in artikel 37, is er voor de exploitatie van een veehouderij waarvoor een PAS-referentie 2030 van toepassing is, geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ-H in kwestie mogelijk, wat de effecten van stikstofdepositie via de lucht betreft, als een omgevingsvergunning wordt verleend overeenkomstig artikel 7, 10 of 11, of als voldaan is aan al de volgende voorwaarden: 1° er is voldaan aan de PAS-referentie 2030;2° er is geen stijging van de stikstofdepositie ten opzichte van de huidige vergunde situatie;3° de impactscore is lager dan 50%. Bij de passende beoordeling van de effecten, vermeld in artikel 37, is er voor de exploitatie van een mestverwerkingsinstallatie of voor de exploitatie van een veehouderij waarvoor geen PAS-referentie 2030 van toepassing is, geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ-H in kwestie mogelijk, wat de effecten van stikstofdepositie via de lucht betreft, als de impactscore lager is dan 50% en er geen stijging is van de depositie ten opzichte van de huidige vergunde situatie. Als niet voldaan is aan een van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, of als niet voldaan is aan een van de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, is er bij de passende beoordeling van de effecten, vermeld in artikel 37, geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de SBZ-H in kwestie mogelijk, wat de effecten van stikstofdepositie via de lucht betreft, als het project de gebiedsspecifieke neerwaartse depositietrend van ammoniak in die SBZ-H niet hypothekeert. De gebiedsspecifieke neerwaartse depositietrend, vermeld in het derde lid, wordt bepaald door de vermindering van de depositie van ammoniak, die beoogd wordt door de realisatie van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, § 2, 2°, systematisch in aanmerking te nemen voor een specifieke SBZ-H. De Vlaamse Regering onderzoekt door middel van een planmilieueffectrapportage en passende beoordeling onder welke voorwaarden extern salderen, zonder de emissiereductiedoelstellingen, vermeld in artikel 4, § 2, § 3 en § 4, in het gedrang te brengen, gunstig passend beoordeeld kan worden. Vervolgens stelt de Vlaamse Regering, rekening houdend met het resultaat van deze planmilieueffectrapportage en passende beoordeling, de voorwaarden vast waaronder extern salderen met ammoniakemissies van een andere veehouderij of mestverwerkingsinstallatie vanaf 1 januari 2025 in aanmerking genomen kan worden. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de beoordeling van de stijging van stikstofdepositie en voor de beoordeling of de gebiedsspecifieke neerwaartse depositietrend wordt gehypothekeerd. HOOFDSTUK
- - Flankerend beleid met inbegrip van woonrecht Art. 39.Overeenkomstig de Europese regels voor staatssteun werkt de Vlaamse Regering een flankerend beleid uit dat bestaat uit een pakket van stimulerende en compenserende maatregelen, dat in hoofdzaak gericht is op landbouwers die, voor het bereiken van de doelstellingen, opgenomen in dit decreet, emissiereducerende maatregelen of bronmaatregelen toepassen, of hun landbouwactiviteiten omvormen met het oog op het verminderen van de stikstofimpact. De Vlaamse Regering kan daarbij de instrumenten, vermeld in deel 2 van het decreet van 28 maart 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 28/03/2014 pub. 22/08/2014 numac 2014035709 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de landinrichting sluiten betreffende de landinrichting, inzetten. De maatregelen, vermeld in het eerste lid, kunnen onder meer betrekking hebben op: 1° steun met betrekking tot emissiereducerende maatregelen;2° steun voor de volledige of gedeeltelijke stopzetting van de landbouwactiviteiten;3° steun voor de volledige of gedeeltelijke omvorming van landbouwactiviteiten met het oog op het verminderen van de stikstofimpact;4° steun voor onderzoek en begeleiding, onder meer in het kader van de ontwikkeling van emissiereducerende maatregelen. Op de locatie waar voor de stopzetting van een veehouderij een vergoeding werd verleend in het kader van het flankerend beleid, vermeld in dit artikel, kan na de stopzetting geen nieuwe veehouderij meer worden vergund. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel en bepaalt voor het flankerende beleid, vermeld in dit artikel: 1° de nadere voorwaarden, gespecificeerd per maatregel van het flankerend beleid, waaraan voldaan moet zijn om toegang te hebben tot het flankerende beleid;2° per maatregel welke aspecten voor steun in aanmerking komen en op welke wijze de steun berekend wordt;3° de nadere regels voor het aanvragen, opvolgen en toekennen van het flankerend beleid. Art. 40.§
- Voor de landbouwer, zijn afstammelingen, de langstlevende echtgenoot, echtgenote of wettelijk samenwonende partner van de landbouwer of van zijn afstammelingen, en hun respectieve gezinsleden geldt, op persoonlijke titel, een tijdelijk woonrecht vanaf de dag van de volledige stopzetting van hetzij de landbouwactiviteiten van een piekbelaster, hetzij de landbouwactiviteiten op een locatie waarvoor overeenkomstig artikel 39 steun voor de stopzetting van de landbouwactiviteiten verleend werd. Het uitoefenen van dat woonrecht is vrijgesteld van een eventuele vergunningsplicht als vermeld in artikel 4.2.1, 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Het woonrecht houdt voor de landbouwer, de langstlevende echtgenoot, echtgenote of wettelijk samenwonende partner van de landbouwer of van zijn afstammelingen, en hun respectieve gezinsleden het recht in om de woning residentieel te bewonen. In geval van overdracht van de bedrijfswoning of het landbouwbedrijf is een voorafgaande omgevingsvergunning vereist voor de wijziging van de hoofdfunctie van een bebouwd onroerend goed als de woning of de voormalige bedrijfsgebouwen niet opnieuw ten dienste staan van landbouwactiviteiten. §
- Het woonrecht, vermeld in paragraaf 1, vervalt als en zodra: 1° de woning niet langer betrokken wordt als hoofdverblijfplaats door de landbouwer, zijn afstammelingen of hun respectieve gezinsleden, wat blijkt uit het bevolkingsregister van de gemeente in kwestie;2° een overdracht van de bedrijfswoning aan anderen dan aan de personen, vermeld in paragraaf 1, plaatsvindt. §
- Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: 1° de afstammelingen: de afstammelingen, met inbegrip van geadopteerde of erkende kinderen, van de landbouwer, van de echtgenoot of echtgenote van de landbouwer, of van de wettelijk samenwonende partner van de landbouwer;2° overdracht: de overdracht van het eigendomsrecht, de overdracht van een ander zakelijk recht, de overdracht van het gebruiksrecht of de verhuur aan derden, als dat niet de afstammelingen zijn;3° de landbouwer: de natuurlijke persoon die, overeenkomstig de gegevens van de Mestbankaangifte, op de dag voor de volledige stopzetting van de landbouwactiviteiten, de exploitant was van de exploitatie in kwestie. HOOFDSTUK
- - Maatwerkgebieden Afdeling
- - Turnhouts Vennengebied Art. 41.Het werkingsgebied Turnhouts Vennengebied bestaat uit veertien deelgebieden van de SBZ-H BE2100024 `Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout' en een zone van twee kilometer rond de drie deelgebieden BE2100024-3, BE2100024-5 en BE2100024-7 van die SBZ-H waar habitattype 3110 tot doel is gesteld. Dat werkingsgebied is als maatwerkgebied aangeduid op de kaart die is opgenomen in bijlage 3, die bij dit decreet is gevoegd. Art. 42.§
- Een intendant die door de Vlaamse Regering aangewezen is, maakt voor 10 maart 2025 een ontwerp van ontwikkelingsplan op om de doelstelling vastgesteld in de op 10 maart 2023 door de Vlaamse Regering vastgestelde programmatische aanpak stikstof te realiseren. Het ontwikkelingsplan kan zich beperken tot deelzones of tot een kleinere perimeter binnen het werkingsgebied, vermeld in artikel
- Het ontwikkelingsplan bevat onder meer de volgende maatregelen: 1° de ruimtelijke allocatie in de betrokken deelgebieden van de in artikel 41 vermelde SBZ-H van alle instandhoudingsdoelstellingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2014 tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone BE2100024 `Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout' en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone BE2101538 `Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout' van de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten;2° bemestingsnormen buiten de speciale beschermingszones in de gebieden die hydrologisch in contact staan met de habitattypes 3110 en 3130 in de betrokken deelgebieden van de in artikel 41 vermelde SBZ-H;3° bemestingsnormen binnen de speciale beschermingszones voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen in kwestie;4° alle herstel- en inrichtingsmaatregelen in functie van de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen in kwestie;5° een onderzoek naar ontwikkelingsmogelijkheden voor de lokale landbouw;6° een doorkijk naar 2045;7° de sociale en bedrijfseconomische begeleiding van de betrokken landbouwers. De intendant, vermeld in het eerste lid, maakt het ontwerp van ontwikkelingsplan op in samenspraak met de VLM, het ANB, het Departement Omgeving en het Departement Landbouw en Visserij en met alle lokale actoren en rapporteert driemaandelijks over de voortgang van de opmaak aan de Vlaamse Regering. §
- De Vlaamse Regering stelt het ontwikkelingsplan, zoals opgemaakt overeenkomstig paragraaf 1, vast als inrichtingsnota volgens de procedure voorzien in uitvoering van titel 2 van deel 4 van het decreet van 28 maart 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 28/03/2014 pub. 22/08/2014 numac 2014035709 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de landinrichting sluiten betreffende de landinrichting. Als op 10 maart 2025 geen ontwikkelingsplan overeenkomstig paragraaf 1 is opgemaakt, neemt de Vlaamse Regering de nodige maatregelen om de doelstelling, vermeld in de op 10 maart 2023 door de Vlaamse Regering vastgestelde programmatische aanpak stikstof te realiseren. Art. 43.Tot twee jaar na de vaststelling van de inrichtingsnota, vermeld in artikel 42, § 2, eerste lid, of tot twee jaar na het nemen van de nodige maatregelen, vermeld in artikel 42, § 2, tweede lid, wordt in het werkingsgebied, vermeld in artikel 41, geen vergunning verleend die: 1° een verandering inhoudt van een IIOA die gepaard gaat met een stijging van stikstofemissies of een stijging van stikstofdeposities in de SBZ-H in kwestie;2° een omzetting inhoudt van een vergunning voor de exploitatie van een IIOA die gepaard gaat met stikstofemissies, naar een vergunning van onbepaalde duur. In het werkingsgebied, vermeld in artikel 41, kan de vergunningstermijn van een milieuvergunning of een omgevingsvergunning die werd verleend voor een IIOA waarvan de exploitatie gepaard gaat met stikstofemissies, worden verlengd als voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1° de vergunningstermijn verstrijkt binnen een termijn van twee jaar na de vaststelling van de inrichtingsnota, vermeld in artikel 42, § 1, eerste lid, of binnen een termijn van twee jaar na het nemen van de nodige maatregelen, vermeld in artikel 42, § 2, tweede lid;2° het verzoek tot verlenging van de vergunningstermijn wordt ingediend uiterlijk op de dag voor de lopende vergunningstermijn is verstreken;3° de vergunningstermijn wordt verlengd tot uiterlijk twee jaar na de vaststelling van de inrichtingsnota, vermeld in artikel 42, § 1, eerste lid, of tot uiterlijk twee jaar na het nemen van de bijkomende maatregelen, vermeld in artikel 42, § 2, tweede lid. In afwijking van het eerste lid, 2°, en het tweede lid kan een vergunning worden verleend die een omzetting inhoudt naar een vergunning van onbepaalde duur van een vergunning voor de exploitatie van een IIOA die gepaard gaat met stikstofemissies als de IIOA geen piekbelaster is, voldoet aan de PAS-referentie 2030, vermeld in artikel 5, eerste lid, en er geen stijging is van de stikstofdepositie ten opzichte van de huidige vergunde situatie. Afdeling
- - Andere maatwerkgebieden Art. 44.Voor de maatwerkgebieden Kalmthoutse Heide, Mechelse Heide, De Maten en Voerstreek, die respectievelijk bestaan uit de SBZ-H BE2100015 `Kalmthoutse Heide', de SBZ-H BE2200028 `De Maten', de SBZ-H BE220035 `Mechelse Heide en de vallei van de Ziepbeek' en vijf deelgebieden van de SBZ-H BE2200039 `Voerstreek' en voor telkens een zone van twee kilometer rond die gebieden, stelt de Vlaamse Regering een of meer inrichtingsnota's vast conform artikel 4.2.1 van het decreet van 28 maart 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 28/03/2014 pub. 22/08/2014 numac 2014035709 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de landinrichting sluiten betreffende de landinrichting. Die inrichtingsnota's realiseren mee de doelstellingen, vermeld in de PAS, hoofdstuk 3, Emissiereductie en bronmaatregelen, respectievelijk rubriek 1.3.1 SBZ-H BE2100015 - Kalmthoutse Heide, 1.3.2 SBZ-H BE2200028 - De Maten, 1.3.3 SBZ-H BE2200035 - Mechelse Heide en vallei van de Ziepbeek en 1.3.4 SBZ-H BE2200039 - Voerstreek. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit decreet worden de ontwerpen van inrichtingsnota bezorgd aan de gemeente en de provincie conform artikel 4.2.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten8 betreffende de landinrichting. Die termijn is een termijn van orde. De maatwerkgebieden en de zones van twee kilometer rond die gebieden zijn aangeduid op de kaarten die zijn opgenomen in bijlage 4 tot en met 7, die bij dit decreet zijn gevoegd. HOOFDSTUK
- - Monitoring en borging Afdeling
- - Monitoring Onderafdeling
- - Algemene bepalingen Art. 45.De uitvoering van dit decreet wordt gemonitord, in het bijzonder op de punten, vermeld in artikel 48 tot en met
- Art. 46.Bij de monitoring, vermeld in artikel 45, wordt maximaal gebruikgemaakt van bestaande monitorings- of rapporteringsregelingen en wordt daarmee afgestemd om overlapping van monitoring en rapportering te vermijden. Onderafdeling
- - Voortgangsrapport Art. 47.De Vlaamse Regering draagt het Departement Omgeving op om vanaf 2025 jaarlijks een voortgangsrapport op te stellen dat op basis van de gegevens die op dat moment beschikbaar zijn, minstens de volgende punten bevat: 1° de stikstoftoestand: de uitstoot en concentratie van stikstofoxiden en ammoniak in de omgevingslucht, en de depositie van stikstofoxiden en ammoniak;2° de resultaten van de monitoring, vermeld in artikel 48 tot en met 51;3° de voortgang van de uitvoering van de bronmaatregelen, vermeld in hoofdstuk 2;4° de voortgang van de realisering van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, op het niveau van SBZ-H en de habitattypes. De Vlaamse Regering draagt de relevante entiteiten van de Vlaamse administratie op om de nodige gegevens ter beschikking te stellen van het Departement Omgeving om het voortgangsrapport op te maken. Het voortgangsrapport wordt meegedeeld aan de Vlaamse Regering. Onderafdeling
- - Monitoring van de voortgang van de stikstofsanering en van de evolutie van de kwaliteit van de natuur en van het natuurlijk milieu Art. 48.De Vlaamse Regering draagt het INBO op om een meetnet te realiseren om de kwaliteit van de natuur en van het natuurlijk milieu te monitoren op het niveau van de SBZ-H en, waar nodig, voor een selectie van kritische locaties binnen de SBZ-H met het oog op de evaluatie van de resultaten, de effectiviteit en de efficiëntie van de stikstofsanering. De monitoring wordt per combinatie van habitatgroep en maatregel uitgevoerd. Art. 49.De Vlaamse Regering draagt het ANB op om te voorzien in een systeem van monitoring van de voortgang van de stikstofsanering om de doelstelling, vermeld in artikel 4, § 5, te realiseren. Die monitoring omvat de opvolging van de oppervlakte onder passend beheer met de stikstofsanering die daaraan gekoppeld is, en van de start en stand van uitvoering van de stikstofsaneringsprojecten voor stikstofsanering op landschapsschaal. De Vlaamse Regering draagt het ANB op om in 2025 te voorzien in een evaluatie van de gerealiseerde oppervlakte onder passend beheer met de stikstofsanering die daaraan gekoppeld is, mede in functie van de in artikel 50septies, § 4, tweede lid, van het Natuur decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten voorziene aanpassing van de in artikel 36ter, § 1, zesde lid, van het Natuur decreet van 21 oktober 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten vermelde zoekzonekaart. Als dat nodig is voor de tijdige uitvoering van de doelstelling, vermeld in artikel 4, § 5, kan de Vlaamse Regering bijkomende maatregelen nemen op basis van de resultaten van die evaluatie. Onderafdeling
- - Monitoring van de uitstoot, concentratie en depositie van stikstof Art. 50.De Vlaamse Regering draagt de VMM op om te voorzien in een systeem van monitoring van de uitstoot en concentratie van stikstofoxiden en ammoniak in de omgevingslucht, en de depositie van stikstofoxiden en ammoniak. Onderafdeling
- - Monitoring van de voortgang en effectiviteit van de emissiebeperkende maatregelen Art. 51.De Vlaamse Regering draagt het Departement Omgeving op om de monitoring van de voortgang van de implementatie van de emissiebeperkende maatregelen of maatregelpakketten, vermeld in hoofdstuk 2, en van de gerealiseerde reducties in emissie en depositie van stikstof die eraan gekoppeld zijn, te coördineren met het oog op de voortgangsrapportage, vermeld in artikel
- De Vlaamse Regering draagt het Departement Omgeving op om voor de monitoring, vermeld in het eerste lid, onder meer samen te werken met andere entiteiten van het beleidsdomein Omgeving en het beleidsdomein Landbouw en Visserij. Afdeling
- - Evaluatie en bijsturing Onderafdeling
- - Periodieke evaluatie en tussentijdse bijsturing Art. 52.De Vlaamse Regering evalueert tweejaarlijks de voortgang, de effectiviteit van de maatregelen, vermeld in hoofdstuk 2, en het globale doelbereik. Ze geeft aan waar bijsturing nodig is. Bijsturing is nodig als de geplande maatregelen onvoldoende blijken om de vooropgestelde reductie van de emissie of depositie te realiseren. De Vlaamse Regering neemt de nodige maatregelen om de bijsturing, vermeld in het eerste lid, te realiseren. De bijsturing kan bestaan in de aanvulling van de maatregelen, vermeld in hoofdstuk 2, voor de betreffende sector of deelsector als de geplande maatregelen onvoldoende blijken om de reductie te realiseren die voor die sector of deelsector vooropgesteld is. De bijsturing kan er ook in bestaan dat de maatregelen van het Vlaams Luchtbeleidsplan 2030 worden aangevuld of aangescherpt als die onvoldoende zouden blijken om de emissiereductiedoelstelling voor NOx, vermeld in artikel 4, § 2, te realiseren. De Vlaamse Regering evalueert jaarlijks de voortgang van de realisatie van de doelstelling, vermeld in artikel 42, § 1, eerste lid, waarbij ze de resterende opgave verkleint in de mate dat buitenlandse ammoniakemissiereducties leiden tot een bijkomende daling van de stikstofdepositie in de SBZ-H, vermeld in artikel
- Art. 53.De Vlaamse Regering evalueert de programmatische aanpak stikstof zesjaarlijks. Onderafdeling
- - Evaluatie van de beoordelingskaders Art. 54.De gecumuleerde effecten van vergunningen die verleend zijn met toepassing van de drempelwaarden, vermeld in artikel 28, 32 en 36, worden in 2024 en vervolgens jaarlijks begroot. De toepassing van die drempelwaarden mag de daling van de emissie door de emissiereducerende maatregelen, vermeld in hoofdstuk 2, niet hypothekeren. In 2024 en vervolgens jaarlijks past de Vlaamse Regering de drempelwaarden, vermeld in het eerste lid, aan als aan de hand van de begroting, vermeld in het eerste lid, blijkt dat de toepassing van die drempelwaarden de daling van de emissie door de emissiereducerende maatregelen, vermeld in hoofdstuk 2, hypothekeert. Onderafdeling
- - Tussentijdse evaluatie in de sector rundveehouderijen Art. 55.In 2026 evalueert de Vlaamse Regering of de volgende doelstellingen gehaald zijn: 1° voor melkvee is de ammoniakemissie met minimaal 12,5% gedaald ten opzichte van de referentiesituatie 2021;2° voor mestkalveren is de ammoniakemissie met minimaal 14% gedaald ten opzichte van de referentiesituatie 2021;3° voor vleesvee is de ammoniakemissie niet gestegen ten opzichte van de referentiesituatie
- Bij het onderzoek, vermeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met: 1° het aantal runderen dat op 1 januari 2026 gehouden wordt;2° de ammoniakemissiereducerende maatregelen die toegepast werden overeenkomstig de Mestbankaangifte van de landbouwers die in 2025 runderen hebben gehouden. Als blijkt dat een of meer van de doelstellingen, vermeld in het eerste lid, niet gehaald zijn, actualiseert de Vlaamse Regering de reductiepercentages, vermeld in artikel 9, § 1, tweede lid, om de doelstelling, vermeld in artikel 4, § 3, te behalen, en zal de VLM nutriëntenemissierechten opkopen overeenkomstig de regeling, vermeld in artikel 40, § 2, van het Mest decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen sluiten. Als de ammoniakemissie van een in het eerste lid vermelde subsector ten opzichte van de referentiesituatie 2021 verder is gedaald dan de minimale doelstelling, vermeld in het eerste lid voor die subsector, zal de Vlaamse Regering, desgevallend in afwijking van het derde lid, de reductiepercentages, vermeld in artikel 4, § 3, 2° en in artikel 9, § 1, tweede lid, actualiseren, door het reductiepercentage voor een andere in het eerste lid vermelde subsector te verminderen, op voorwaarde dat dit geen afbreuk doet aan het totale volume aan emissiereductie beoogd door het geheel van de in het eerste lid en in artikel 4, § 3, vermelde doelstellingen, en onder de verdere voorwaarden te bepalen door de Vlaamse Regering. Afdeling
- - Vlaams vergunningenregister en informatieplicht Art. 56.Om de geldende vergunningstoestand te kunnen raadplegen met het oog op het realiseren van de doelstellingen, vermeld in hoofdstuk 1, afdeling 2, houdt de Vlaamse administratie de gegevens, vermeld in het tweede lid, op een digitaal raadpleegbare wijze bij van de vergunningen en meldingen, vermeld in artikel 5 van het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/04/2014 pub. 23/10/2014 numac 2014036510 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de omgevingsvergunning type decreet prom. 25/04/2014 pub. 27/08/2014 numac 2014035897 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning type decreet prom. 25/04/2014 pub. 27/08/2014 numac 2014035706 bron vlaamse overheid Decreet betreffende complexe projecten sluiten betreffende de omgevingsvergunning, die betrekking hebben op een IIOA en die stikstofemissies kunnen veroorzaken. Daarbij worden per IIOA minstens de volgende gegevens bijgehouden: 1° de naam van de exploitant;2° de locatie van elke IIOA die in de aanvraag van een omgevingsvergunning of melding opgenomen is;3° elke administratieve beslissing die in eerste of laatste aanleg genomen is, of elke beslissing van de Raad voor Vergunningsbetwistingen of Raad van State over de vergunningen en meldingen, vermeld in het eerste lid;4° elke melding van overdracht van een IIOA;5° elke melding van het verval van de vergunningen, vermeld in het eerste lid;6° elke melding van vrijwillige gedeeltelijke of volledige stopzetting van een IIOA;7° elke definitieve beslissing over de stopzetting, vermeld in dit decreet, van een IIOA. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de bovenstaande gegevens aan de Vlaamse administratie worden meegedeeld en de wijze waarop de vergunningverlenende overheid, de adviesinstanties in het kader van vergunningverlening en de instrumenterende ambtenaar die gegevens kunnen raadplegen. De Vlaamse Regering kan bijkomende gegevens bepalen die op dezelfde wijze bijgehouden moeten worden om de doelstellingen, vermeld in het eerste lid, te behalen. Art. 57.In voorkomend geval vermeldt iedereen die een onroerend goed waarop of waarin een veehouderij of een mestverwerkingsinstallatie wordt of werd geëxploiteerd, voor eigen rekening of als tussenpersoon verkoopt, verhuurt voor meer dan negen jaar, inbrengt in een vennootschap, een vruchtgebruik, erfpacht of een opstalrecht overdraagt, of op andere wijze een eigendomsoverdracht met een vergeldend karakter van het goed bewerkstelligt, in de publiciteit die daaraan verbonden is, of het onroerend goed, dan wel de percelen in kwestie al dan niet volledig of gedeeltelijk vallen onder de regeling, vermeld in hoofdstuk 2, 4 of
- De Vlaamse Regering kan nader bepalen wat onder de publiciteit, vermeld in het eerste lid, begrepen wordt. De Vlaamse Regering kan bepaalde vormen van publiciteit om praktische redenen van de verplichting, vermeld in het eerste lid, vrijstellen en kan nadere regels bepalen om de informatieplicht na te komen. In voorkomend geval vermeldt iedereen die een onderhandse akte van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed waarop of waarin een veehouderij of een mestverwerkingsinstallatie wordt of werd geëxploiteerd, van inbreng van het onroerend goed in een vennootschap, en ook van vestiging of overdracht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal opmaakt, of het onroerend goed, dan wel de percelen in kwestie al dan niet volledig of gedeeltelijk vallen onder de regeling, vermeld in hoofdstuk 2, 4 of
- In voorkomend geval vermeldt de instrumenterende ambtenaar in alle onderhandse en authentieke akten van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed waarop of waarin een veehouderij of een mestverwerkingsinstallatie wordt of werd geëxploiteerd, van een inbreng van het onroerend goed in een vennootschap, en ook in alle akten van vestiging of overdracht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal, en in elke andere akte van een eigendomsoverdracht onder bezwarende titel, met uitzondering van huwelijkscontracten en de wijzigingen ervan, en met uitzondering van contracten over de mandeligheid, of het onroerend goed dan wel de percelen in kwestie al dan niet volledig of gedeeltelijk onder de regeling, vermeld in hoofdstuk 2, 4 of 5, vallen. De instrumenterende ambtenaar neemt in de akte een verwijzing op naar de afdeling van dit decreet die van toepassing is. De informatieverplichtingen, vermeld in dit artikel, vervallen als de regeling, vermeld in hoofdstuk 2, 4 of 5, ophoudt uitwerking te hebben. HOOFDSTUK
- - Verwerking van persoonsgegevens Art. 58.§
- Voor de uitvoering van de taken van algemeen belang die dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan aan de VLM opdragen met betrekking tot het dossierbeheer in het kader van de vaststelling van de PAS-referentie 2030, vermeld in artikel 5, de berekening van de impactscores van de piekbelasters, de aanduiding van de piekbelasters en het uitvoeren van bedrijfsbezoeken, vermeld in artikel 18 en 19 van dit decreet, verwerkt de VLM de informatie, met inbegrip van de persoonsgegevens, die daartoe noodzakelijk is. De VLM doet dat als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming. Voor de verwerkingen, vermeld in artikel 12, 40, 47, 51, 54 en 56 van dit decreet, kan de Vlaamse Regering de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, bepalen. §
- De verwerkingsverantwoordelijken, vermeld in paragraaf 1, verwerken de persoonsgegevens onder de volgende voorwaarden: 1° de persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is;2° de persoonsgegevens worden verzameld voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden als vermeld in artikel 58 en 60 en worden vervolgens niet verder op een wijze verwerkt die met die doeleinden onverenigbaar is;3° de persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die toereikend is, ter zake dient en beperkt is tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt;4° de persoonsgegevens zijn juist en worden zo nodig geactualiseerd;5° alle redelijke maatregelen worden genomen om persoonsgegevens die onjuist zijn, gelet op de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt, onmiddellijk te wissen of te verbeteren;6° de persoonsgegevens worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt;7° de persoonsgegevens worden, door passende technische of organisatorische maatregelen te nemen, op een dusdanige manier verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, zodat ze onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging. De verwerkingsverantwoordelijken, vermeld in paragraaf 1, zijn verantwoordelijk voor de naleving van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, en kunnen dat aantonen. De verwerkingsverantwoordelijken, vermeld in paragraaf 1, nemen overeenkomstig artikel 12 van de algemene verordening gegevensbescherming passende maatregelen om de betrokkenen te informeren over de verwerking van hun persoonsgegevens conform artikel 13 en 14 van de voormelde verordening, en informeren de betrokkenen over de rechten, vermeld in artikel 15 tot en met 22 en artikel 34 van de voormelde verordening. §
- Als bij de berekening van de impactscore via de onlinerekentool, vermeld in artikel 3, § 2, van dit decreet, het besluit uitsluitend gebaseerd is op een geautomatiseerde verwerking in de zin van artikel 22 van de algemene verordening gegevensbescherming, treffen de verwerkingsverantwoordelijken, vermeld in paragraaf 1, de passende maatregelen voor het beschermen van de rechten, vermeld in artikel 22 van de voormelde verordening. Art. 59.Voor de uitoefening van de taken, vermeld in artikel 5, 18 en 19 van dit decreet, is artikel 4, § 4 en § 5, van het Mest decreet van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006037097 bron vlaamse overheid Decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen sluiten van overeenkomstige toepassing. Art. 60.De landcommissies kunnen voor de uitoefening van hun taken van algemeen belang die ze voor het flankerend beleid in het kader van de programmatische aanpak stikstof hebben, zoals in het kader van het bepalen van de vergoedingen en van de aankoopprijs van de onroerende goederen, voor zover dat noodzakelijk is, informatie, waaronder persoonsgegevens, opvragen bij andere overheden of instanties die daarover beschikken en kunnen die informatie verwerken, op voorwaarde dat ze de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens naleven. De persoonsgegevens die kunnen worden opgevraagd, alsook de instanties of overheden die de persoonsgegevens verstrekken, worden nader bepaald door de Vlaamse Regering, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens. De landcommissies kunnen met toepassing van het eerste lid de Notariële Aktebank, vermeld in artikel 18 van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, raadplegen op voorwaarde dat ze de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens naleven die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens. De verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, omvat met name de verwerking van identificatiegegevens van de betrokkenen waaronder het rijksregisternummer van de betrokkenen en, in voorkomend geval, het BIS-nummer. Voor de toepassing daarvan wordt verstaan onder betrokkenen: de persoon of personen die een aanvraag indienen voor flankerend beleid in het kader van de programmatische aanpak stikstof en, in voorkomend geval, alle andere personen die bij de aanvraag betrokken zijn, waaronder de betrokken exploitant, de eigenaar van de onroerende goederen waarop de aanvraag betrekking heeft, de houder van de milieuvergunning, stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning, en de persoon of personen aan wie de nutriëntenemissierechten van de exploitatie in kwestie toegewezen zijn. De bepalingen in dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op de Vlaamse Grondenbank voor de uitvoering van de taken van algemeen belang die de Vlaamse Grondenbank heeft voor het flankerend beleid in het kader van de programmatische aanpak stikstof. Art. 61.De persoonsgegevens die verwerkt worden conform artikel 5, 12, 18, 19, 20, § 2, 40, 47, 51, 54, 56 en 60 van dit decreet, worden door de verwerkingsverantwoordelijke bewaard gedurende de termijnen die noodzakelijk zijn om de taken in kwestie te vervullen overeenkomstig de regels voor het beheren, bewaren en vernietigen van bestuursdocumenten die zijn opgenomen in titel 3, hoofdstuk 3, afdeling 5, van het Bestuurs decreet van 7 december 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/10/1997 pub. 10/01/1998 numac 1997036441 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu sluiten
- Art. 62.De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de verwerking van persoonsgegevens met betrekking tot de categorieën van de te verwerken persoonsgegevens, de aard van de gegevens die uitgewisseld of opgevraagd kunnen worden, de vorm waarin en de wijze waarop die gegevens worden verwerkt en uitgewisseld, de categorieën van de personen die toegang hebben tot de verwerkte gegevens, de beveiliging van die gegevens en de passende waarborgen voor de rechten van de betrokkenen. HOOFDSTUK
- - Wijzigingsbepalingen Afdeling
- - Wijziging van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij Art. 63.Aan artikel 6bis van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 2 april 2021, wordt een paragraaf 9 toegevoegd, die luidt als volgt: " §
- Het agentschap wordt belast met de taken die overeenkomstig het decreet van 26 januari 2024 over de programmatische aanpak stikstof aan de VLM zijn opgedragen.". Afdeling
- - Wijziging van het DABM van 5 april 1995 Art. 64.Aan artikel 16.1.1, eerste lid, van het DABM, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 21/12/2007 pub. 29/02/2008 numac 2008035341 bron vlaamse overheid Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI « Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen » type decreet prom. 21/12/2007 pub. 12/02/2008 numac 2008035231 bron vlaamse overheid Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende