📄 Wettekst
27 NOVEMBER 1997. Decreet tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium (1)
De Waalse Gewestraad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I - Wijzigingen in het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium Artikel 1.Boek I, met uitzondering van hoofdstuk VI van titel IV, boek II en boek III, met uitzondering van de titels IV en V, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium worden gewijzigd als volgt : « BOEK I Bepalingen betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw TITEL I - Algemene bepalingen HOOFDSTUK I - Doelstellingen en middelen Artikel 1.§ 1. Het grondgebied van het Waalse Gewest vormt het gemeenschappelijk patrimonium van zijn bevolking.
Het Gewest en de andere overheidsorganen zijn, elk binnen zijn bevoegdheden en in coördinatie met het Gewest, belast met de ruimtelijke ordening van dat grondgebied. Ze voorzien op een duurzame wijze in de sociale, economische, patrimoniale en milieubehoeften van de gemeenschap door een kwalitatief beheer van de leefomgeving, een zuinig gebruik van de bodem en zijn rijkdommen en door het behoud en de ontwikkeling van het cultureel, natuurlijk en landschappelijk patrimonium. § 2. De ruimtelijke ordening wordt ontworpen d.m.v. het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan en het gemeentelijk structuurplan. § 3. De ruimtelijke ordening en de stedebouw worden vastgelegd in : 1. gewestplannen;2. gemeentelijke plannen van aanleg;3. gewestelijke stedebouwkundige reglementen;4. gemeentelijke stedebouwkundige reglementen. Art. 2.De Regering bezorgt de Waalse Gewestraad jaarlijks een rapport over de situatie en de vooruitzichten inzake ruimtelijke ordening, stedebouw en patrimonium. HOOFDSTUK II - Delegaties van de Regering Art. 3.De Regering wijst ambtenaren van de Algemene Directie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Patrimonium van het Ministerie van het Waalse Gewest aan om de in dit Wetboek bedoelde opdrachten te vervullen. Deze ambtenaren worden hierna "gemachtigd ambtenaar" genoemd. HOOFDSTUK III - Informatie, openbaarmaking en openbaar onderzoek Art. 4.De Regering bepaalt de volgende regels voor het openbaar onderzoek : 1. het moet minstens vijftien dagen duren;2. de voorgeschreven termijn ervoor wordt opgeschort tussen 16 juli en 15 augustus;3. de dossiers liggen ter inzage in het gemeentehuis op werkdagen en minstens één keer in de week tot 20 uur, of op zaterdagmorgen;4. technische uitleg kan onder de door de Regering bepaalde voorwaarden verkregen worden;5. opmerkingen en bezwaren moeten per post ingediend worden vóór de einddatum van het openbaar onderzoek of, desnoods, mondeling meegedeeld worden op de laatste dag ervan;6. de besluiten worden door aanplakking bekendgemaakt. De Regering of de gemeenten kunnen elke andere wijze van openbaarmaking of terinzagelegging in overweging nemen. HOOFDSTUK IV - Commissies Afdeling I - Gewestelijke commissie voor ruimtelijke ordening
Art. 5.Er wordt een gewestelijke commissie voor ruimtelijke ordening opgericht, hierna "gewestelijke commissie" genoemd, waarvan de voorzitter en de leden door de Regering worden benoemd.
De gewestelijke commissie kan in afdelingen onderverdeeld worden.
De Regering bepaalt de samenstelling en de werkwijze van de gewestelijke commissie en, eventueel, die van haar afdelingen.
De gewestelijke commissie kan een beroep doen op deskundigen en, met instemming van de Regering, op ambtenaren van het Gewest. Art. 6.De gewestelijke commissie doet voorstellen en geeft advies omtrent de evolutie van de ideeën en principes inzake ruimtelijke ordening en stedebouw, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de Regering. Naast de bijzondere bevoegdheden bedoeld in dit Wetboek, heeft de gewestelijke commissie een algemene raadgevende bevoegdheid inzake ruimtelijke ordening en stedebouw.
De gewestelijke commissie bezorgt de Regering elk jaar een activiteitenverslag. Afdeling II - Gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening
Art. 7.§ 1. Op voorstel van de gemeenteraad en na advies van de gewestelijke commissie, stelt de Regering een gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening in, hierna "gemeentelijke commissie" genoemd, waarvan ze het huishoudelijk reglement opstelt.
Naast de voorzitter is de gemeentelijke commissie samengesteld uit : 1. twaalf leden voor minder dan tienduizend inwoners;2. zestien leden voor tien- tot twintigduizend en één inwoners;3. twintig leden voor twintigduizend en één tot veertigduizend inwoners;4. vierentwintig leden voor veertigduizend en één tot tachtigduizend inwoners;5. achtentwintig leden voor meer dan tachtigduizend inwoners. § 2. De gemeenteraad beslist over het instellen van de gemeentelijke commissie. Indien ze reeds bestaat, beslist de gemeenteraad binnen drie maanden na zijn eigen oprichting over de vernieuwing ervan.
Na advies van de gewestelijke commissie kan de Regering het besluit tot instelling van de gemeentelijke commissie op eigen initiatief of op voorstel van de gemeenteraad intrekken wanneer de commissie niet meer bijeenkomt, onregelmatig werkt of wanneer de in het eerste lid bedoelde beslissing tot vernieuwing uitblijft. § 3. De gemeenteraad belast het College van burgemeester en schepenen met een openbare oproep tot de kandidaten binnen de maand na de beslissing tot oprichting of vernieuwing van de gemeentelijke commissie. De openbare oproep wordt gedaan zowel door aanplakking als d.m.v. een bericht op de pagina's voor plaatselijk nieuws van drie Frans- of Duitstalige dagbladen, al naar gelang het geval. Het bericht kan ook bekendgemaakt worden in gemeentelijke informatiebladen of in reclamekranten die gratis aan de bevolking worden uitgedeeld.
Het model en de afmetingen van het bericht worden door de Regering bepaald.
De kandidatuurakte is persoonlijk en moet ingediend worden op de wijze en binnen de termijn die in de oproep zijn opgelegd.
Het College van burgemeester en schepenen legt de kandidatenlijst voor aan de gemeenteraad.
Binnen twee maanden na de indiening van de kandidaturen kiest de gemeenteraad, op voordracht van één of meer van zijn leden, de commissieleden met inachtneming van : 1. een evenwichtige geografische verspreiding;2. een specifieke vertegenwoordiging van de sociale, economische, patrimoniale en milieubelangen binnen de gemeente. De voorzitter van de gemeentelijke commissie wordt door de gemeenteraad gekozen.
Voor elk lid kan de gemeenteraad één of meer plaatsvervangers aanwijzen die dezelfde belangen behartigen.
De gemeentelijke commissie bestaat voor een vierde uit door de gemeenteraad afgevaardigde leden. Deze worden verdeeld naar evenredigheid van de vertegenwoordiging van de meerderheid en de oppositie binnen de gemeenteraad en worden gekozen door de respectievelijke gemeenteraadsleden van beide groepen.
De ambtenaren die belast zijn met de behandeling van dossiers inzake ruimtelijke ordening, stedebouw en patrimonium m.b.t. de gemeente of die zich over die dossiers moeten uitspreken, mogen niet deel uitmaken van de gemeentelijke commissie. § 4. De Regering wijst onder de ambtenaren van de Algemene Directie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Patrimonium van het Ministerie van het Waalse Gewest een afgevaardigde aan die met raadgevende stem zitting heeft in de gemeentelijke commissie.
De gemeentelijke commissie komt minstens tien keer per jaar bijeen, na oproeping door de voorzitter, op de dag, het tijdstip en de plaats die in het huishoudelijk reglement vermeld staan. Bovendien roept de voorzitter de gemeentelijke commissie bijeen op verzoek van het College van burgemeester en schepenen.
Het secretariaat van de commissie wordt door het gemeentebestuur waargenomen. § 5. De leden van de gemeentelijke commissie blijven in dienst tot de aanstelling van hun opvolgers of tot de verzending van de beslissing van de Regering waarbij het besluit tot instelling van de commissie wordt ingetrokken. § 6. Op voorstel van de gemeenteraad kan de Regering de gemeentelijke commissie onderverdelen in afdelingen waarvan ze de taken bepaalt. HOOFDSTUK V - Termijnen voor vergunningen en beroepen Art. 8.De aanvragen om vergunning en de beroepen moeten bij ter post aangetekend schrijven verzonden worden. De poststempel heeft bewijskracht.
Ze moeten ten laatste op de vervaldag van de voorgeschreven termijn verzonden worden. Art. 9.De dag van ontvangst van de akte, die als begindatum van de termijn geldt, wordt niet ingerekend. Art. 10.De vervaldag wordt bij de termijn ingerekend. Wanneer de vervaldag een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt hij naar de eerstkomende werkdag verschoven. HOOFDSTUK VI - Erkenningen en subsidies Art. 11.De Regering erkent, op basis van de criteria en volgens de procedure die ze zelf vaststelt, de privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die belast kunnen worden met de opmaak of de herziening van de ruimtelijke plannen, plannen van aanleg, stedebouwkundige reglementen of verkavelingsvergunningen. Art. 12.De Regering kan onder de haar bepaalde voorwaarden subsidies verlenen : 1. voor het opmaken of voor de volledige herziening van een gemeentelijk plan van aanleg, een gemeentelijk structuurplan of een gemeentelijk stedebouwkundig reglement; 2. voor een effectenonderzoek i.v.m. een ontwerp van gemeentelijk plan van aanleg; 3. voor een analyse van het algemeen nut van de ruimtelijke ordening en de stedebouw; 4. voor de organisatie van informatievergaderingen m.b.t. ruimtelijke ordening en stedebouw; 5. voor de werking van de gemeentelijke commissie en voor de opleiding van haar leden en het betrokken gemeentepersoneel;6. voor de indienstneming, op verzoek van een gemeente of verschillende aangrenzende gemeenten, van een persoon die bevoegd is voor het beheer van het betrokken grondgebied. TITEL II - Ontwerp van de ruimtelijke ordening HOOFDSTUK I - Gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan Art. 13.§ 1. Het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan biedt inrichtings- en ontwikkelingsmogelijkheden voor het hele grondgebied van het Waalse Gewest. § 2. Het plan bevat : 1. de evaluatie van de sociale, economische, patrimoniale en milieubehoeften, alsmede een analyse van de eisen en mogelijkheden van het grondgebied van het Waalse Gewest;2. de algemene doelstellingen inzake harmonisatie van de activiteiten, mobiliteit, zuinig bodembeheer, instandhouding en uitbreiding van het patrimonium met het oog op de duurzame ontwikkeling, zoals bedoeld in het decreet van 21 april 1994 betreffende de milieuplanning in het kader van de duurzame ontwikkeling;3. de te nemen opties en te bereiken sectoriale doelstellingen, met name inzake mobiliteit, uitrustingen en infrastructuren van supraregionaal of regionaal belang. § 3. Het plan kan ook de volgende gegevens bevatten : 1. de afbakening van gebieden voor ruimtelijke ordening;2. de aan te wenden middelen. Art. 14.§ 1. Het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan wordt op initiatief van de Regering opgemaakt.
De gewestelijke commissie wordt op de hoogte gebracht van de voorafgaande studies en kan voorstellen doen telkens als ze het nodig acht. § 2. De Regering neemt het ontwerp-plan voorlopig aan, onderwerpt het aan een terinzagelegging en legt het voor aan de personen en instanties waarvan zij het advies nuttig acht.
De terinzagelegging wordt aangekondigd door aanplakking in elke gemeente, door een bericht in ten minste drie dagbladen die in het Waalse Gewest worden vespreid, waarvan één in het Duits, door een bericht dat drie keer wordt uitgezonden door de R.T.B.F. en door het Belgische Radio- en Televisiecentrum voor uitzendingen in de Duitse taal.
Het ontwerp-plan wordt volgens de door de Regering bepaalde regels gedurende zestig dagen in elke gemeente voor een ieder ter inzage gelegd. De begin- en einddatum van deze termijn worden in de aankondiging vermeld.
Na de aankondiging van de terinzagelegging organiseert de Regering een informatievergadering in de hoofdplaats van elk arrondissement en op de zetel van de Duitstalige Gemeenschap. § 3. De gemeenteraden alsmede de in § 2, eerste lid, bedoelde personen en instanties brengen advies uit aan de Regering binnen vijfenveertig dagen na de einddatum van de terinzagelegging.
De gewestelijke commissie brengt binnen negentig dagen na het verzoek van de Regering advies uit over het gehele dossier. § 4. De Regering neemt het plan definitief aan.
Het besluit van de Regering wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Afschriften van het plan worden binnen tien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad naar de gemeenten gestuurd. Art. 15.De regels voor de opmaak van het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan gelden ook voor de herziening ervan. HOOFDSTUK II - Gemeentelijk structuurplan Art. 16.Het gemeentelijk structuurplan is een richtinggevend, beheers- en programmeringsdocument voor de ontwikkeling van het gemeentelijke grondgebied in zijn geheel.
Het bevat de volgende gegevens : 1. de volgens de vastgestelde prioriteiten beoogde inrichting, alsmede de in kaart gebrachte maatregelen die daarmee gepaard gaan;2. de bestemming per gebied;3. de vestiging van uitrustingen en infrastructuren;4. de algemene richtlijnen voor de harmonisatie en de integratie van de verkeersstromen;5. de regels voor de uitvoering van de inrichtingsmaatregelen. De Regering bepaalt de inhoud van het dossier i.v.m. het plan. Art. 17.§ 1. Het gemeentelijk structuurplan wordt op initiatief van de gemeenteraad opgemaakt na een analyse van de feitelijke en rechtstoestand. De gemeenteraad kiest onder de krachtens artikel 11 erkende personen de privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die het ontwerp-plan moeten opmaken.
De gemeentelijke commissie wordt op de hoogte gebracht van voorafgaande studies en kan voorstellen doen telkens als ze het nodig acht.
De gemeenteraad neemt het ontwerp-plan voorlopig aan. § 2. Het College van burgemeester en schepenen onderwerpt het ontwerp-plan gedurende vijfenveertig dagen aan een openbaar onderzoek.
Het openbaar onderzoek wordt aangekondigd zowel door aanplakking als door een bericht op de pagina's voor plaatselijk nieuws van drie Frans- of Duitstalige dagbladen, al naar gelang het geval. Het bericht kan ook bekendgemaakt worden in gemeentelijke informatiebladen of in reclamekranten die gratis aan de bevolking worden uitgedeeld.
Het College organiseert in het kader van het openbaar onderzoek één of meer informatievergaderingen waarvan de plaats, de dag en het tijdstip in de aankondiging worden vermeld.
Tegelijkertijd onderwerpt het College van burgemeester en schepenen het ontwerp-plan aan het advies van de gemachtigde ambtenaar. Het advies wordt toegezonden binnen dertig dagen na het verzoek van het College van burgemeester en schepenen; bij gebreke hiervan, wordt het geacht gunstig te zijn. § 3. Het ontwerp-plan wordt, evenals de bezwaren en opmerkingen, vervolgens onderworpen aan het advies van de gemeentelijke commissie.
Het advies moet worden toegezonden binnen zestig dagen na het verzoek van het College van burgemeester en schepenen; bij gebreke hiervan wordt het geacht gunstig te zijn. § 4. De gemeenteraad neemt het plan definitief aan; hij bezorgt de Regering een afschrift ervan, alsook het desbetreffende dossier. De Regering kan de beslissing van de gemeenteraad vernietigen bij een met redenen omkleed besluit, te versturen binnen zestig dagen na ontvangst van het volledige dossier.
Het plan ligt voor een ieder ter inzage in het gemeentehuis. Het publiek wordt hierover ingelicht op de in artikel 112 van de nieuwe gemeentewet bedoelde wijze. Art. 18.De regels voor de opmaak van het gemeentelijk structuurplan gelden ook voor de herziening ervan.
TITEL III - Plannen voor de ruimtelijke ordening HOOFDSTUK I - Algemene bepalingen Art. 19.§ 1. De Regering verleent bindende kracht aan het gewestplan en aan het gemeentelijk plan van aanleg.
De grafische en geschreven voorschriften van de plannen hebben een verordenende kracht. § 2. De plannen blijven van kracht tot ze ingevolge een herziening geheel of gedeeltelijk door andere plannen worden vervangen. § 3. Daarvan mag alleen worden afgeweken in de in dit Wetboek bedoelde gevallen en vormen.
De voorschriften van een gewestplan waarvan overeenkomstig artikel 48, tweede lid, wordt afgeweken, houden op van kracht te zijn.
De voorschriften van een gemeentelijk plan van aanleg die niet overeenstemmen met die van een later goegekeurd gewestplan, houden eveneens op van kracht te zijn. Art. 20.De voorschriften van de plannen kunnen beperkingen van het eigendomsrecht inhouden, met inbegrip van een verkavelings- of bouwverbod. HOOFDSTUK II - Gewestplannen Afdeling I - Algemeen
Art. 21.Na advies van de gewestelijke commissie legt de Regering de zones vast waarvoor een plan moet worden opgemaakt. Afdeling II - Inhoud
Art. 22.Het gewestplan richt zich naar de aanwijzingen en richtlijnen van het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan. Art. 23.Het gewestplan bevat : 1. de inrichtingsvoorwaarden die vereist worden door de sociale, economische, patrimoniale en ecologische behoeften van het gebied;2. de verschillende bestemmingen van het grondgebied en de bijzondere voorschriften die daarop betrekking hebben;3. het bestaande en het geplande tracé van het net van de voornaamste verbindings- en verkeerswegen voor het vervoer van vloei- en brandstoffen, alsmede de inrichtingsvoorwaarden die daarop betrekking hebben. Het plan kan eveneens de volgende gegevens bevatten : 1. de oppervlakten die een bijzondere bescherming vereisen om culturele, sociale, historische, esthetische, economische, landschappelijke of ecologische redenen;2. aanvullende voorschriften van stedebouwkundige aard. De Regering kan de grafische voorstelling van het gewestplan bepalen. Afdeling III - Bestemming van de gebieden en algemene voorschriften
Art. 24.Toepassingsgebied.
Deze afdeling bevat algemene voorschriften voor de inrichting en de toepassing van de door de Regering vastgelegde gewestplannen. Art. 25.Indeling van het gewestplan in gebieden.
Het gewestplan bestaat uit gebieden die voor bebouwing bestemd zijn en uit gebieden die niet voor bebouwing bestemd zijn.
De volgende gebieden zijn voor bebouwing bestemd : 1. woongebieden;2. woongebieden met een landelijk karakter;3. gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen;4. recreatiegebieden;5. bedrijfsruimten;6. specifieke bedrijfsruimten;7. ontginningsgebieden;8. gebieden waarvan de bestemming nog niet vaststaat;9. gebieden met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat. De volgende gebieden zijn niet voor bebouwing bestemd : 1. agrarische gebieden;2. bosgebieden;3. groengebieden;4. natuurgebieden;5. parkgebieden. Art. 26.Woongebieden.
Woongebieden zijn hoofdzakelijk voor wonen bestemd.
Economische activiteiten, sociaal-culturele inrichtingen, openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, alsmede landbouwbedrijven en toeristische accomodatie kunnen er eveneens toegelaten worden voor zover ze de hoofdbestemming van het gebied niet in het gedrang brengen en verenigbaar zijn met de omgeving.
De woongebieden moeten ook voorzien in openbare groene ruimten. Art. 27.Woongebieden met een landelijk karakter.
Woongebieden met een landelijk karakter zijn hoofdzakelijk bestemd voor verblijf en landbouwbedrijven.
Economische activiteiten, sociaal-culturele inrichtingen, gebouwen en inrichtingen van nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, alsmede toeristische accomodatie kunnen er eveneens toegelaten worden voor zover ze de hoofdbestemming van het gebied niet in het gedrang brengen en verenigbaar zijn met de omgeving. Art. 28.Gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen. § 1. Onverminderd hun vestiging in een woongebied of in een woongebied met een landelijk karakter zijn de gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen bestemd voor activiteiten van openbaar of algemeen nut.
In deze gebieden mogen alleen gebouwen of inrichtingen opgericht worden die in sociale behoeften voorzien via een publiek- of privaatrechtelijk rechtspersoon aan wie de overheid het beheer van een openbare dienst heeft toevertrouwd. Bouwwerken of inrichtingen die het algemeen nut bevorderen, zijn er eveneens toegelaten. § 2. Het gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen met de overdruk "C.E.T. » is uitsluitend bestemd voor de vestiging en de exploitatie van een centrum voor technische ingraving bedoeld in de wetgeving op de afvalstoffen, en voor installaties voor de afvalverzameling die aan de exploitatie voorafgaat. De ingebruikneming van het gebied na de exploitatie is onderworpen aan een bijkomend voorschrift en de gehele of gedeeltelijke sanering ervan is vastgelegd in de exploitatievergunning die overeenkomstig de wetgeving op de afvalstoffen wordt afgegeven.
Het gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen met de overdruk "C.E.T.D. » is uitsluitend bestemd voor de instandhouding van een buiten dienst gesteld centrum voor technische ingraving bedoeld in de wetgeving op de afvalstoffen.
De handelingen en werken die in dit gebied worden uitgevoerd, kunnen het voorwerp uitmaken van beperkingen ten einde de saneringswerken te kunnen voortzetten en er toezicht op te kunnen houden.
Voor de exploitatie en de instandhouding van voormeld gebied kunnen kantoor- of bewakingsgebouwen toegelaten worden. Rondom het gebied moet in een groene ruimte worden voorzien. Art. 29.Recreatiegebieden.
Recreatiegebieden zijn bestemd voor recreatieve of toeristische accommodatie, met inbegrip van de verblijfsaccomodatie. Art. 30.Gebieden voor bedrijfsruimten Deze gebieden zijn bestemd voor ambachten, diensten, distributie, onderzoek of kleine industrie. Ze kunnen d.m.v. de nodige voorzieningen geïsoleerd worden.
De gebieden voor bedrijfsruimten met een industrieel karakter zijn hoofdzakelijk bestemd voor activiteiten van industriële aard of voor economische activiteiten die om urbanistische, veiligheids-, gezondheids- of milieuredenen geïsoleerd moeten worden. De daarbij horende dienstenbedrijven zijn er toegelaten.
De exploitant of het bewakingspersoneel mogen in bedrijfsruimten gehuisvest worden wanneer de veiligheid of de goede werking van het bedrijf het vereist. De woning maakt noodzakelijk deel uit van de exploitatie. Art. 31.Gebieden voor specifieke bedrijfsruimten. § 1. De gebieden met de overdruk "A.E. » zijn uitsluitend bestemd voor agro-economische buurtactiviteiten, alsook voor houtverwerkingsbedrijven.
De gebieden met de overdruk "G.D. » zijn uitsluitend bestemd voor groothandelsdistributie.
Deze gebieden kunnen geïsoleerd worden d.m.v. de nodige voorzieningen. § 2. De gebieden met de overdruk "R.M. » zijn uitsluitend bestemd voor bedrijven die schadelijk kunnen zijn voor mens, goederen of milieu.
Deze gebieden moeten geïsoleerd worden d.m.v. de nodige voorzieningen. § 3. De exploitant of het bewakingspersoneel mogen in specifieke bedrijfsruimten gehuisvest worden wanneer de veiligheid of de goede werking van het bedrijf het vereist. De woning maakt noodzakelijk deel uit van de exploitatie. Art. 32.Ontginningsgebieden.
De ontginningsgebieden zijn bestemd voor de exploitatie van groeven en hun aanhorigheden, mits bescherming en zuinig beheer van de bodem en de ondergrond.
De ingebruikneming van het gebied na de exploitatie is onderworpen aan een bijkomend voorschrift en de gehele of gedeeltelijke herinrichting ervan is vastgelegd in de exploitatievergunning die overeenkomstig de wetgeving op de groeven wordt afgegeven. Art. 33.Gebieden waarvan de bestemming nog niet vaststaat.
Deze gebieden kunnen elke bestemming krijgen die de gemeente wenst.
De inrichting van deze gebieden is onderworpen aan een gemeentelijk plan van aanleg dat betrekking heeft op het hele gebied of aan een gemeentelijk structuurplan dat betrekking heeft op een deel of op het geheel ervan.
Wanneer het van kracht zijnde gemeentelijk plan van aanleg het gebied geheel of gedeeltelijk bestemt voor woningen, bedrijfsruimten of nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, moet de gemeente een document overleggen waarbij is vastgesteld dat de woongebieden, de bedrijfsruimten of de gebieden voor nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen op het gemeentelijke grondgebied een bezettingscoëfficiënt bereiken die de door de Regering vastgelegde verzadigingsdrempel nabij is.
Bij gebreke daarvan mogen bovenbedoelde gebieden niet ingericht worden. Art. 34.Gebieden met een industrieel karakter, waarvan de bestemming nog niet vaststaat.
Deze gebieden zijn bestemd voor de activiteiten bedoeld in artikel 30, tweede lid.
De inrichting van dergelijk gebied is onderworpen aan een gemeentelijk plan van aanleg voor het hele gebied of, indien een gemeentelijk structuurplan bestaat, voor een deel of het geheel daarvan.
Bij gebreke hiervan mogen bovenbedoelde gebieden niet ingericht worden. Art. 35.Landbouwgebieden.
Landbouwgebieden zijn bestemd voor landbouw in de algemene zin van het woord. Ze moeten bijdragen tot landschapszorg of -bouw.
In landbouwgebieden mogen alleen gebouwen opgericht worden die onontbeerlijk zijn voor het bedrijf en voor de huisvesting van de exploitanten die landbouwer van beroep zijn. Accomodatie voor hoevetoerisme is eveneens toegelaten, voor zover die noodzakelijk deel uitmaken van het landbouwbedrijf.
Landbouwgebieden kunnen uitzonderlijkerwijs bestemd zijn voor recreatieve activiteiten in de open lucht op voorwaarde dat ze hun oorspronkelijke bestemming behouden. Wat de recreatieve activiteiten betreft, kunnen de handelingen en werken slechts tijdelijk toegelaten worden, behalve voor de verbouwing, de uitbreiding of de heroprichting van een bestaand gebouw.
Vissershutten zijn er toegelaten voor zover ze niet gebruikt worden als verblijfplaats of voor handelsactiviteiten, al ware het maar tijdelijk.
De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een vergunning wordt afgegeven voor bebossing, intensieve teelt van bossoorten, visteelt, vissershutten en recreatieve activiteiten in de open lucht, alsmede voor de handelingen en werken die daaraan verbonden zijn. Art. 36.Bosgebieden.
Bosgebieden zijn bestemd voor de bosbouw en het behoud van het ecologische evenwicht. Ze moeten bijdragen tot landschapszorg of -bouw.
In bosgebieden mogen alleen bouwwerken opgericht worden die onontbeerlijk zijn voor de exploitatie, de eerste houtverwerking en het toezicht op de bossen. Jacht- en vissershutten zijn er toegelaten, voor zover ze niet gebruikt worden als verblijfplaats of voor handelsactiviteiten, al ware het maar tijdelijk.
De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een vergunning wordt afgegeven voor de oprichting van gebouwen die onontbeerlijk zijn voor het toezicht op de bossen, voor de exploitatie ervan en de eerste houtverwerking, voor de visteelt en de jacht- en vissershutten. Art. 37.Groengebieden.
Groengebieden zijn bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van het leefmilieu. Ze dragen bij tot landschapsbouw of zijn de geschikte vegetale schakel tussen gebieden waarvan de bestemmingen onverenigbaar zijn. Art. 38.Natuurgebieden.
Natuurgebieden zijn bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van leefmilieus met een hoge biologische waarde of waarin te beschermen soorten voorkomen, ongeacht of het om land- of om watersoorten gaat.
In natuurgebieden zijn alleen handelingen en werken toegelaten die noodzakelijk zijn voor de actieve of passieve bescherming van deze milieus of soorten. Art. 39.Parkgebieden.
Parkgebieden zijn bestemd voor groene ruimten die ingericht worden met het oog op het esthetische.
In deze gebieden zijn alleen handelingen en werken toegelaten die nodig zijn voor de inrichting, het onderhoud of de verfraaiing ervan.
In parkgebieden met een oppervlakte van meer dan vijf ha kunnen ook andere handelingen of werken verricht worden, op voorwaarde dat de hoofdbestemming van de gebieden ongewijzigd blijft en dat een gemeentelijk plan van aanleg van toepassing is op de hele oppervlakte.
De Regering maakt de lijst op van de handelingen en werken die in een parkgebied toegelaten zijn, alsook het percentage van de oppervlakte van het gebied waarop de werken uitgevoerd mogen worden. Art. 40.Het plan kan in overdruk gebieden bevatten waarvan de oppervlakte door de Regering wordt bepaald, met name die : 1. vanuit een bemerkenswaardige benadering;2. vanuit ecologisch oogpunt;3. met een landschappelijke waarde;4. met een culturele, historische of esthetische waarde;5. met een voorspelbaar natuurgevaar of een belangrijke geotechnische druk;6. voor reservatie;7. voor ontginningsuitbreidingen;8. voor de wettelijke ruilverkaveling van landelijke goederen;9. voor waterwinningspreventie;10. met een beschermd onroerend goed;11. voor de bescherming bedoeld in de wetgeving op de natuurbescherming. Art. 41.De in artikel 25 bedoelde gebieden kunnen het voorwerp uitmaken van bijkomende voorschriften. Afdeling IV - Procedure voor het opmaken van gewestplannen
Art. 42.De Regering maakt het voorontwerp van gewestplan op na een analyse van de feitelijke en rechtstoestand.
Indien het voorontwerp betrekking heeft op één of meer gebieden bedoeld in artikel 25, tweede lid, vraagt de Regering een effectenonderzoek met de volgende gegevens : 1. de doelstellingen van het voorontwerp, alsook de menselijke en ecologische eigenheid en de mogelijkheden van het bedoelde grondgebied;2. de rechtvaardiging van het voorontwerp op grond van artikel 1, § 1;3. de evaluatie van de vermoedelijke effecten van de uitvoering van het ontwerp-plan op de mens en zijn activiteiten, de fauna, de flora, de bodem, de ondergrond, het water, de lucht, het klimaat en de landschappen, het patrimonium, alsmede de wisselwerking tussen deze factoren;4. een analyse van de maatregelen die genomen moeten worden om de in 3° bedoelde effecten te voorkomen of te beperken;5. de mogelijke alternatieven en hun rechtvaardiging op grond van de punten 1° en 4°;6. de toelaatbare bestemmingen op grond van de kenmerken van het betrokken grondgebied;7. een niet-technische samenvatting van de bovenvermelde gegevens. Wanneer een voorontwerp van plan enkel betrekking heeft op een infrastructuurproject i.v.m. met het vervoer van vloei- en brandstoffen dat aan een milieu-effectenonderzoek onderworpen is, vraagt de Regering een effectenonderzoek met de in het tweede lid bedoelde gegevens, punt 6° uitgezonderd.
De Regering kiest onder de krachtens dit Wetboek en de wetgeving op de milieu-effectenevaluatie erkende personen, een privaat- of publiekrechtelijk natuurlijke of rechtspersoon die het onderzoek zal uitvoeren.
De Regering houdt de gewestelijke commissie op de hoogte van de evolutie van voorafgaande studies en deelt haar de desbetreffende resultaten mee. De gewestelijke commissie kan, telkens als ze het nodig acht, opmerkingen maken of voorstellen doen. Art. 43.§ 1. De Regering neemt het ontwerp-plan voorlopig aan, in voorkomend geval vergezeld van een effectenonderzoek, en onderwerpt het aan een openbaar onderzoek. § 2. Het openbaar onderzoek wordt aangekondigd in elke gemeente waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, zowel door aanplakking als door een bericht op de pagina's voor plaatselijk nieuws van drie Frans- of Duitstalige dagbladen, al naar gelang het geval. Het bericht kan ook bekendgemaakt worden in gemeentelijke informatiebladen of in reclamekranten die gratis aan de bevolking worden uitgedeeld.
Zodra het openbaar onderzoek is aangekondigd, wordt het ontwerp-plan, in voorkomend geval samen met het effectenonderzoek, gedurende vijfenveertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van de betrokken gemeenten.
De begin- en einddatum van deze termijn worden in de aankondiging vermeld.
Tijdens het openbaar onderzoek belegt het College van burgemeester en schepenen van de gemeente waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, een overlegvergadering waarvan notulen worden opgemaakt.
Bezwaren en opmerkingen moeten vóór de einddatum van het onderzoek schriftelijk gericht worden aan het College van burgemeester en schepenen. Ze moeten gevoegd worden bij de notulen van de overlegvergadering en bij de slotnotulen van het openbaar onderzoek die binnen acht dagen na afloop ervan door het College van burgemeester en schepenen worden opgemaakt. § 3. Het College van burgemeester en schepenen van de gemeenten waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, stuurt de bezwaren, opmerkingen en notulen binnen vijfenveertig dagen na de sluiting van het openbaar onderzoek naar de Regering, terwijl de gemeenteraad van die gemeenten, advies uitbrengt. Bij gebreke hiervan, wordt het advies geacht gunstig te zijn. § 4. De Regering onderwerpt het dossier m.b.t. het ontwerp-plan, samen met het eventuele effectenonderzoek, de bezwaren, opmerkingen, notulen en adviezen binnen zestig dagen na de sluiting van het openbaar onderzoek aan het advies van de gewestelijke commissie en, in voorkomend geval, van de Waalse milieuraad voor de duurzame ontwikkeling.
De adviezen moeten binnen negentig dagen na het verzoek van de Regering uitgebracht worden. Bij gebreke hiervan, worden ze geacht gunstig te zijn. Art. 44.De Regering neemt het plan definitief aan binnen twaalf maanden na de goedkeuring van het ontwerp-plan.
Wanneer de Regering afwijkt van het advies van de gewestelijke commissie, moet haar besluit met redenen omkleed zijn.
Het besluit van de Regering wordt samen met het advies van de gewestelijke commissie in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Binnen tien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, worden afschriften van het plan naar de betrokken gemeenten gezonden, waarna elke gemeente de bevolking door aanplakking meedeelt dat het plan ter inzage ligt in het gemeentehuis. Art. 45.Onverminderd artikel 19, § 3, derde lid, worden de niet conforme bepalingen van de geldende gemeentelijke plannen van aanleg opgeheven bij het besluit van de Regering tot aanneming van het plan.
Voormelde bepalingen worden in het besluit opgenomen. Afdeling V - Procedure en voorschriften voor de herziening
Art. 46.De regels voor de opmaak van het gewestplan gelden ook voor de herziening ervan.
Bovendien moet de opneming van nieuwe gebieden aan de volgende voorschriften voldoen : 1. de nieuwe bebouwingsgebieden moeten aan een bestaand bebouwingsgebied grenzen : van dit voorschrift kan worden afgeweken voor een industriële bedrijfsruimte, een ontginningsgebied of een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat;2. in de nieuwe bebouwingsgebieden is lintbebouwing langs de openbare weg verboden;3. de opneming van nieuwe gemengde of industriële bedrijfsruimten moet globaal gecompenseerd worden door de herbestemming van afgedankte bedrijfsruimten;4. de opneming van een nieuw bebouwingsgebied is onverenigbaar met het behoud van een oppervlakte : a.voor wettelijke ruilverkaveling van landelijke goederen; b. voor waterwinningspreventie;c. met een beschermd onroerend goed;d. voor de bescherming bedoeld in de wetgeving op de natuurbescherming;e. met een voorspelbaar natuurgevaar of een belangrijke geotechnische druk. HOOFDSTUK III - Gemeentelijke plannen van aanleg Afdeling I - Algemeen
Art. 47.De gemeenteraad herziet of neemt één of meer gemeentelijke plannen van aanleg aan, hetzij op eigen initiatief, hetzij binnen de door de Regering voorgeschreven termijn. Afdeling II - Inhoud
Art. 48.Het gemeentelijk plan van aanleg vult het gewestplan aan, alsmede de in artikel 46 bedoelde voorschriften. Het wordt opgemaakt na analyse van het gemeentelijk structuurplan, indien er één bestaat.
Het gemeentelijk plan van aanleg kan desnoods, indien het behoorlijk gegrond is, overeenkomstig artikel 54, 3°, van het gewestplan afwijken, voorzover tegelijkertijd aan de volgende voorwaarden wordt voldaan : 1. de afwijking mag de algemene economie van het gewestplan niet benadelen;2. de afwijking is gewettigd door sociale, economische, patrimoniale of ecologiche behoeften die niet bestonden toen het gewestplan definitief werd aangenomen;3. er moet worden aangetoond dat de nieuwe bestemming beantwoordt aan de bestaande feitelijke inrichtingsmogelijkheden. In dergelijk geval zijn de bepalingen van het gewestplan waarvan wordt afgeweken, niet langer van kracht. Art. 49.Voor het gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarop het betrekking heeft, bevat het gemeentelijk plan van aanleg : 1. de stedebouwkundige en planologische opties;2. de nauwkeurige bestemming van de in artikel 25 bedoelde gebieden, het tracé van het verkeersnet voor het vervoer van vloei- en brandstoffen, de ruimte die bestemd is voor groen-, landbouw- of bosgebieden, voor de landschappen die nodig zijn in het raam van de ecologische vermazing, voor bouwwerken en openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen; 3. voorschriften betreffende de vestiging, de omvang, de materialen en de esthetiek van de bouwwerken en omheiningen, de rechtstreekse omgeving daarvan en de binnenpleinen en tuinen, de aanleg, de uitrusting en de kenmerken van de openbare ruimten, waarbij o.a. rekening wordt gehouden met personen met beperkte beweeglijkheid, alsmede voorschriften betreffende de bouwvrije stroken en aanplantingen; 4. indien een ruilverkaveling of een herverkaveling nodig is, de grenzen van de nieuwe percelen, met de vermelding dat ze met instemming van de Regering door het College van burgemeester en schepenen gewijzigd kunnen worden. In afwijking van het eerste lid, hoeft het gemeentelijk plan van aanleg in het geval van een gemengde of industriële bedrijfsruimte niet meer te bevatten dan : 1. de stedebouwkundige optie en de algemene voorschriften van esthetische aard betreffende de bouwwerken, de rechtstreekse omgeving ervan en de openbare ruimten;2. het bestaande en geplande tracé van de voornaamste verkeerswegen en de aansluitingen op de bestaande hoofdnetten van de verkeersinfrastructuren voor het vervoer van vloei- en brandstoffen;3. de ruimten die voor groengebieden bestemd zijn. Afdeling III - Procedure voor de opmaak van plannen van aanleg
Art. 50.§ 1. De gemeenteraad kiest onder de krachtens artikel 11 erkende personen een privaat- of publiekrechtelijk natuurlijke of rechtspersoon die het voorontwerp van het gemeentelijk plan zal opmaken. § 2. De gemeenteraad kan een effectenonderzoek vragen met : 1. de doelstellingen van het voorontwerp, alsook de menselijke en ecologische eigenheid en de mogelijkheden van het bedoelde grondgebied;2. de rechtvaardiging van het voorontwerp op grond van artikel 1, § 1;3. de evaluatie van de vermoedelijke gevolgen van de uitvoering van het ontwerp-plan op de mens en zijn activiteiten, de fauna, de flora, de bodem, de ondergrond, het water, de lucht, het klimaat en de landschappen, het patrimonium, alsmede de wisselwerking tussen deze factoren;4. een analyse van de maatregelen die genomen moeten worden om de in 3° bedoelde effecten te voorkomen of te beperken;5. de mogelijke alternatieven en hun rechtvaardiging op grond van de punten 1° en 4°;6. de toelaatbare bestemmingen op grond van de kenmerken van het betrokken grondgebied;7. een niet-technische samenvatting van de bovenvermelde gegevens. In dit geval kiest de gemeenteraad onder de krachtens dit Wetboek en de wetgeving op de milieu-effectenevaluatie erkende personen, een privaat- of publiekrechtelijk natuurlijke of rechtspersoon die het onderzoek zal uitvoeren. § 3. Het College van burgemeester en schepenen houdt de gemeentelijke commissie, indien er één bestaat, op de hoogte van de evolutie van voorafgaande studies en deelt haar de resultaten daarvan mee. De gemeentelijke commissie kan voorstellen doen telkens als zij het nodig acht. Art. 51.§ 1. Na een analyse van de feitelijke en rechtstoestand neemt de gemeenteraad het ontwerp van gemeentelijk plan van aanleg voorlopig aan, in voorkomend geval samen met het effectenonderzoek, en geeft het College van burgemeester en schepenen opdracht om het aan een openbaar onderzoek te onderwerpen.
Desnoods bepaalt de gemeenteraad dat het ontwerp-plan mag afwijken van het gewestplan en vermeldt hij de punten waarvoor het ontwerp van de voorschriften van het gewestplan afwijkt. § 2. Het openbaar onderzoek wordt aangekondigd zowel door aanplakking in de gemeente als door een bericht op de pagina's voor plaatselijk nieuws van drie Frans- of Duitstalige dagbladen, al naar gelang het geval. Het bericht kan ook bekendgemaakt worden in gemeentelijke informatiebladen of in reclamekranten die gratis aan de bevolking worden uitgedeeld.
Zodra het openbaar onderzoek is aangekondigd, wordt het ontwerp-plan, in voorkomend geval samen met het effectenonderzoek, gedurende vijfenveertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis. De begin- en einddatum van deze termijn worden in de aankondiging vermeld.
Tijdens het openbaar onderzoek belegt het College van burgemeester en schepenen een overlegvergadering waarvan notulen worden opgemaakt.
Bezwaren en opmerkingen moeten vóór de einddatum van het onderzoek schriftelijk gericht worden aan het College van burgemeester en schepenen. Ze moeten gevoegd worden bij de notulen van de overlegvergadering en bij de slotnotulen van het openbaar onderzoek die binnen acht dagen na afloop ervan door het College van burgemeester en schepenen worden opgemaakt. § 3. Het dossier betreffende het ontwerp-plan, in voorkomend geval vergezeld van het effectenonderzoek, wordt met de bezwaren, opmerkingen en notulen binnen acht dagen na afloop van het openbaar onderzoek door het College van burgemeester en schepenen aan het advies van de gemeentelijke commissie of, bij gebreke hiervan, de gewestelijke commissie onderworpen en, eventueel, van de Waalse milieuraad voor duurzame ontwikkeling.
Het advies wordt binnen zestig dagen na het verzoek van het College van burgemeester en schepenen uitgebracht; bij gebreke hiervan, wordt het geacht gunstig te zijn. § 4. Binnen de daarop volgende vijfenveertig dagen neemt de gemeenteraad kennis van het volledige dossier. Hij kan ofwel het gemeentelijk plan definitief aannemen ofwel beslissen het te wijzigen.
In het laatste geval wordt overgegaan tot een nieuw openbaar onderzoek waarvan de regels en de termijn in dit artikel worden vermeld.
Wanneer de gemeenteraad afwijkt van het advies van de gemeentelijke commissie of, bij gebreke hiervan, de gewestelijke commissie, moet zijn beslissing met redenen omkleed zijn. Art. 52.§ 1. De Regering keurt het gemeentelijk plan van aanleg goed of verwerpt het bij een met redenen omkleed besluit. Zij kan haar goedkeuring afhankelijk stellen van de overlegging van een onteigeningsplan. § 2. Het besluit van de Regering wordt genomen binnen zestig dagen, met ingang van de dag waarop de gemachtigde ambtenaar het volledige dossier in ontvangst neemt. Deze termijn kan bij een met redenen omkleed besluit één keer met dertig dagen verlengd worden.
Indien het besluit van de Regering niet bij ter post aangetekend schrijven met ontvangbewijs naar het College van burgemeester en schepenen wordt verzonden, kan dit laatste de Regering een rappelbrief toesturen bij ter post aangetekend schrijven met ontvangbewijs.
Indien het College van burgemeester en schepenen het besluit van de Regering niet heeft ontvangen na afloop van een nieuwe termijn van dertig dagen die ingaat op de verzenddatum van de aangetekende rappelbrief, wordt het gemeentelijk plan van aanleg geacht goedgekeurd te zijn, met uitzondering van het eventueel bijgevoegde onteigeningsplan. Wijkt het gemeentelijk plan van aanleg echter af van het gewestplan, dan wordt het geacht geweigerd te zijn. § 3. In het Belgisch Staatsblad wordt op initiatief van de meest gerede betrokken partij hetzij het besluit van de Regering bekendgemaakt, hetzij het bericht waarbij het College van burgemeester en schepenen de stilzwijgende goedkeuring van het gemeentelijk plan van aanleg vaststelt, hetzij het bericht waarbij het plan geacht wordt geweigerd te zijn.
Binnen tien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad wordt een afschrift van het goedgekeurde gemeentelijk plan van aanleg naar het College van burgemeester en schepenen en de gemachtigde ambtenaar gezonden.
Het gemeentelijk plan van aanleg ligt ter inzage in het gemeentehuis.
Het publiek wordt ingelicht op de in artikel 112 van de nieuwe gemeentewet bedoelde wijze. Afdeling IV Herzieningsprocedure
Art. 53.De regels voor het opmaken van gemeentelijke plannen van aanleg gelden ook voor de herziening ervan. Afdeling V - Opmaak en herziening door de Regering
Art. 54.De Regering kan bij een met redenen omkleed besluit, op eigen initiatief of op verzoek van de gemeenteraad, besluiten : 1. tot de opmaak van een gemeentelijk plan van aanleg met het oog op de gehele of gedeeltelijke herziening of nietigverklaring van een verkavelingsvergunning die niet overeenstemt met de later van kracht geworden plannen of die strijdig is met werken van algemeen nut;2. tot de herziening van een gemeentelijk plan van aanleg : a.waarvan het bereik geheel of gedeeltelijk onder de toepassing valt van een gewestelijk stedebouwkundig reglement; b. waarvan één of meer voorschriften onverenigbaar zijn met die van een gewestplan dat later van kracht geworden is;c. dat niet langer overeenstemt met de perceelplannen die goedgekeurd zijn krachtens artikel 6 van de
wet van 12 juli 1956Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/07/1956
pub.
06/07/2011
numac
2011000414
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen
sluiten tot instelling van het statuut van de autosnelwegen of met de voorschriften van de reglementen die krachtens artikel 10 van deze wet zijn genomen;d. dat strijdig is met werken van algemeen nut;3. na advies van de gewestelijke commissie, tot de opmaak of de herziening van een gemeentelijk plan van aanleg dat afwijkt van het gewestplan met het oog op de opneming van een bebouwingsgebied, in welk geval de Regering een effectenonderzoek kan opleggen;het advies van de gewestelijke commissie wordt binnen vijfenveertig dagen na het verzoek van de Regering uitgebracht; bij gebreke hiervan wordt het geacht gunstig te zijn; 4. in de gevallen die niet in 3° voorkomen, tot de opmaak of de herziening van een gemeentelijk plan van aanleg dat van het gewestplan afwijkt. Art. 55.Indien de gemeenteraad de in artikel 47 bedoelde verplichting tot aanneming van een gemeentelijk plan van aanleg niet binnen de voorgeschreven termijn nakomt, of indien hij een aan zijn goedkeuring onderworpen plan van aanleg verwerpt, kan de Regering het plan in zijn plaats opmaken of herzien. Art. 56.In deze gevallen kiest de Regering, onder de krachtens artikel 11 erkende personen, de publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die het voorontwerp van het gemeentelijk plan van aanleg zullen opmaken en, onder de personen erkend krachtens dit Wetboek en de wetgeving op de milieu-effectenevaluatie, degenen die in voorkomend geval het in artikel 50, § 2, bedoelde effectenonderzoek zullen uitvoeren.
De Regering treedt op in de plaats van de gemeenteraad of het College van burgemeester en schepenen op de wijze en binnen de termijn bedoeld in de artikelen 50, 51 en 52. Het openbaar onderzoek wordt evenwel georganiseerd door en op kosten van de gemeente. Afdeling VI - Gevolgen van een gemeentelijk plan van aanleg
Art. 57.De goedkeuring of de aanneming van een gemeentelijk plan van aanleg door de Regering stelt de gemeente vrij van alle andere wettelijke formaliteiten inzake rooiplannen.
De gemeenteraad bepaalt de rooiplannen die nodig zijn voor de uitvoering van het gemeentelijk plan van aanleg. HOOFDSTUK IV - Onteigeningen en vergoedingen Art. 58.De onroerende goederen die nodig zijn voor de uitvoering van de voorschriften van de gewestplannen of de gemeentelijke plannen van aanleg kunnen verworven worden door onteigening ten algemenen nutte.
De onteigenende machten zijn : het Gewest, de provincies, de gemeenten, de autonome gemeentebedrijven en de openbare inrichtingen en instellingen gemachtigd bij de wet of bij het decreet tot onteigening ten algemenen nutte.
Wanneer de geplande onteigening bedoeld is voor de inrichting van een gebied dat bestemd is voor verkaveling met het oog op de oprichting van woon- of handelsgebouwen, heeft/hebben de eigenaar(s) van meer dan de helft van de binnen die omvang gelegen percelen, het recht te vragen om binnen de termijn en onder de voorwaarden die door de onteigenende macht worden bepaald, belast te worden met de uitvoering van de voor deze inrichting vereiste werken, alsmede met de herverkavelings- of ruilverkavelingswerken, voor zover zij kunnen aantonen dat zij over de nodige middelen beschikken.
Deze aanvraag moet, op straffe van uitsluiting, ingediend worden binnen drie maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit van de Regering tot goedkeuring van het onteigeningsplan.
Wanneer de onteigening bedoeld is voor de inrichting van een gebied dat krachtens artikel 49, eerste lid, 3°, een bijzondere bestemming heeft, kan/kunnen de eigenaar(s) onder de bovenbedoelde voorwaarden vragen om belast te worden met de uitvoering van de inrichtingswerkzaamheden.
In de gevallen bedoeld in de leden 1 tot 5 zal de onteigenende macht, op verzoek van de personen die met de inrichting van het gebied belast zijn, de nodige onroerende goederen onteigenen indien een verkrijging in der minne onmogelijk is. Art. 59.Om over te gaan tot de onteigeningen die nodig zijn voor de uitvoering van een plan van aanleg, moet de onteigenende macht in het bezit zijn van een door de Regering goedgekeurd onteigeningsplan dat van toepassing is op een deel of op het geheel van het in het plan van aanleg opgenomen gebied. Het besluit van de Regering kan tegelijkertijd betrekking hebben op het plan van aanleg en op het desbetreffende onteigeningsplan. Art. 60.Het onteigeningsplan moet de omvang van de te onteigenen - vrijstaande of in zones gegroepeerde - onroerende goederen vermelden, evenals, op grond van het kadaster, de sectie, de nummers, de oppervlakte en de aard van de percelen, alsmede de naam van de eigenaars.
Het plan moet eveneens de onteigenende macht(en) vermelden.
Wat de werken en vastgoedverrichtingen betreft, mag het plan zich beperken tot de bepalingen van het plan van aanleg. Art. 61.§ 1. Indien het onteigeningsplan en het plan van aanleg tegelijkertijd worden opgemaakt, worden ze samen onderworpen aan de regels voor de opmaak van het plan van aanleg. Daarenboven worden de eigenaars van de goederen die gelegen zijn binnen de omvang van de te onteigenen onroerende goederen, schriftelijk en thuis persoonlijk verwittigd dat het ontwerp in het gemeentehuis ligt.
Indien een andere macht, openbare inrichting of instelling dan de gemeente waar de goederen gelegen zijn, besluit tot de onteigening, vallen de kosten voor het door de gemeente verricht openbaar onderzoek ten laste van de onteigenaar. § 2. Indien het onteigeningsplan na het plan van aanleg wordt opgemaakt, dan wordt het door de gemeente aan een openbaar onderzoek onderworpen. Dit wordt aangekondigd zowel door aanplakking als door een bericht op de pagina's voor plaatselijk nieuws van drie Frans- of Duitstalige dagbladen, al naar gelang het geval. Het bericht kan ook bekendgemaakt worden in gemeentelijke informatiebladen of in reclamekranten die gratis aan de bevolking worden uitgedeeld.
Het onteigeningsplan wordt gedurende dertig dagen voor een ieder ter inzage gelegd in het gemeentehuis. De begin- en einddatum van deze termijn worden in de aankondiging vermeld.
De eigenaars van de goederen die gelegen zijn binnen de omvang van de te onteigenen onroerende goederen worden schriftelijk en thuis persoonlijk verwittigd dat het ontwerp in het gemeentehuis ligt.
Bezwaren en opmerkingen moeten binnen de in het tweede lid bedoelde termijn van 30 dagen gericht worden aan het College van burgemeester en schepenen en gevoegd worden bij de slotnotulen van het openbaar onderzoek. Wanneer het onteigeningsplan wordt opgemaakt door een andere onteigenende macht dan de gemeente, brengt de gemeenteraad advies uit binnen de voor het openbaar onderzoek voorgeschreven termijn. Bij gebreke hiervan wordt het advies geacht gunstig te zijn.
Het College van burgemeester en schepenen maakt de notulen op binnen vijftien dagen na het verstrijken van deze termijn.
De Regering keurt het onteigeningsplan goed binnen zestig dagen na ontvangst van het volledige dossier. Deze termijn kan met dertig dagen verlengd worden bij een met redenen omkleed besluit.
Indien het besluit van de Regering niet binnen deze termijn wordt toezonden, kan de onteigenende macht haar een rappelbrief bij ter post aangetekend schrijven toesturen.
Indien de onteigenende macht het besluit van de Regering niet heeft ontvangen na afloop van een nieuwe termijn van zestig dagen die ingaat op de verzenddatum van de aangetekende rappelbrief, wordt het gemeentelijk plan van aanleg geacht verworpen te zijn.
Het goedkeuringsbesluit wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Art. 62.Elk onteigeningsplan dat opgemaakt wordt krachtens dit boek, wordt vóór het besluit van de Regering onderworpen aan het advies van een commissie bestaand uit drie deskundigen die voor drie jaar door de Regering worden benoemd, en uit twee vertegenwoordigers van de Regering. De commissie moet zich uitspreken binnen dertig dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt. Art. 63.De onteigenende macht die in het bezit is van een krachtens dit boek door de Regering goedgekeurd onteigeningsplan, wordt vrijgesteld van de administratieve formaliteiten die opgelegd worden bij alle andere wetsbepalingen inzake onteigening ten algemenen nutte. Art. 64.Bij de berekening van de waarde van het onteigende onroerend goed wordt geen rekening gehouden met de meerwaarde of de minderwaarde die voortvloeit uit de voorschriften van het plan van aanleg, noch met de verhoogde waarde van het goed ten gevolge van werken of verbouwingen die uitgevoerd werden met overtreding van de voorschriften van het plan van aanleg, indien de werkzaamheden worden uitgevoerd na de sluiting van het openbaar onderzoek. Art. 65.Onteigeningen die achtereenvolgens worden afgekondigd met het oog op de uitvoering van het - zelfs herziene - plan van aanleg worden voor de schatting van de waarde van de te onteigenen goederen als een geheel beschouwd op de datum van het eerste onteigeningsbesluit. Art. 66.Op verzoek van de onteigenende macht worden de comités voor de aankoop van onroerende goederen, die onder het Ministerie van Financiën ressorteren, belast met alle aankopen en onteigeningen van onroerende goederen met het oog op de uitvoering van de plannen van aanleg, alsmede met het sluiten van alle overeenkomsten i.v.m. de ruilverkaveling of de herverkaveling van vastgoed. Ongeacht de onteigenende macht, zijn voormelde comités alsmede de ontvangers der domeinen steeds gemachtigd om zonder bijzondere formaliteiten over te gaan tot de openbare of onderhandse verkoop van goederen die krachtens de plannen van aanleg werden aangekocht of onteigend. Van de in dit lid bedoelde akten kunnen afschriften worden verkregen.
De voorzitters van de aankoopcomités zijn bevoegd om de onteigenende macht in rechte te vertegenwoordigen. Art. 67.De in dit hoofdstuk bedoelde onteigeningen worden voortgezet overeenkomstig de rechtsprocedure die werd ingevoerd bij de wetten van 27 mei 1870 en 9 september 1907, of bij de wet van 10 mei 1926.
Wanneer de onmiddellijke inbezitneming van een onroerend goed of een groep onroerende goederen echter nodig is, stelt de Regering dit vast in haar besluit waarbij het onteigeningsplan bindende kracht verkrijgt, of in een afzonderlijk besluit. In dat geval wordt de procedure toegepast die werd ingevoerd bij de artikelen 2 tot 20 van de
wet van 26 juli 1962Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
26/07/1962
pub.
26/02/2010
numac
2010000080
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de rechtspleging bij dringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. Art. 68.Wanneer de in artikel 58 bedoelde goederen niet verworven worden binnen een termijn van 10 jaar, te rekenen vanaf de goedkeuring van het onteigeningsplan, of wanneer de onteigeningsprocedure niet wordt ingezet binnen dezelfde termijn, kan de eigenaar de bevoegde overheid bij ter post aangetekende brief vragen van de onteigening van zijn goed af te zien.
Indien het om een andere overheid gaat dan het Waalse Gewest, dan wordt de ingebrekestelling bij ter post aangetekend schrijven meegedeeld aan de Regering of aan de gemachtigde ambtenaar.
Indien een stedebouwkundige of een verkavelingsvergunning vóór de inwerkingtreding van een plan van aanleg wordt geweigerd om de toekomstige inrichting niet in het gedrang te brengen, dan loopt de termijn van tien jaar vanaf de datum waarop de weigering van de vergunning werd verzonden.
Indien de bevoegde overheid zich niet heeft uitgesproken binnen een termijn van één jaar na de datum waarop de aangetekende brief werd verstuurd, kan de eigenaar binnen de in artikel 70 bedoelde perken vergoed worden. Art. 69.De bepalingen van de artikelen 59 tot 67 zijn van toepassing op verwervingen van goederen die nodig zijn voor de uitvoering van de rooiplannen.
De Regering kan bij haar besluit evenwel bepalen dat het goedgekeurde plan slechts uitgevoerd kan worden naarmate de stedebouwkundige of verkavelingsaanvragen worden ingediend. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 68 niet van toepassing. Art. 70.Wanneer het bouwverbod, zoals bedoeld in artikel 84, § 1, 1°, of het verkavelingsverbod dat voortspruit uit een plan met bindende kracht, een einde maakt aan het gebruik waarvoor een onroerend goed bestemd is op de dag vóór die waarop voormeld plan van kracht wordt, moet het Gewest of de gemeente, al naar gelang het geval, een vergoeding betalen.
De geschatte waardevermindering die in aanmerking komt voor de berekening van de vergoeding, is het verschil tussen enerzijds de waarde van het goed bij de aankoop, geactualiseerd tot de dag waarop het recht op vergoeding ontstaat, en verhoogd met de lasten en kosten die vóór de inwerkingtreding van het plan gedragen worden door de rechthebbende op de vergoeding, en anderzijds de waarde van het goed bij het ontstaan van het recht op vergoeding na de inwerkingtreding van het plan. Alleen de waardevermindering die uit het plan voortvloeit, kan in aanmerking genomen worden voor de vergoeding.
Het recht op vergoeding ontstaat hetzij bij de verkoop van het goed, hetzij bij de weigering van een stedebouwkundige of een verkavelingsvergunning, hetzij bij de afgifte van een negatief stedebouwkundig attest dat daarop betrekking heeft.
De Regering bepaalt de regels voor de uitvoering van dit artikel, met name wat betreft de vaststelling van de waarden van het goed, alsmede de aanpassing daarvan.
Een waardevermindering van het goed ten gevolge van het bouw- of verkavelingsverbod wordt echter niet vergoed onder twintig procent van die waarde.
De vergoeding wordt beperkt of geweigerd indien en in zoverre is bewezen dat de aanvrager eigenaar is van andere goederen in het Waalse Gewest die voordeel halen uit de toepassing van een plan van aanleg of uit werkzaamheden die op kosten van de overheid worden uitgevoerd.
Aan de verplichting tot vergoeding kan, zelfs in geval van eigendomsoverdracht van het goed, voldaan worden krachtens een met redenen omkleed besluit waarbij de Regering beslist tot of toestemming geeft voor de herziening van voormeld plan van aanleg ten einde het goed de bestemming terug te geven die het had op de dag vóór die waarop het plan van kracht is geworden.
Wanneer, krachtens een plan dat bindende kracht heeft, bouwverbod kan worden opgelegd aan de koper …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.