Decreet tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium
In het kort
Dit decreet wijzigt het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium en regelt de organisatie van ruimtelijke ordening en stedebouw in het Waalse Gewest. Het stelt kaders vast voor de ontwikkeling van het grondgebied en de bescherming van het patrimonium.
Wat het reguleert
- De organisatie van ruimtelijke ordening en stedebouw in het Waalse Gewest.
- De procedures voor het opstellen en herzien van ruimtelijke plannen, zoals het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan en gemeentelijke structuurplannen.
- De samenstelling en werking van adviescommissies voor ruimtelijke ordening op gewestelijk en gemeentelijk niveau.
- De regels voor openbaar onderzoek, informatievoorziening en termijnen voor vergunningen en beroepen.
Wie het betreft
- De Regering van het Waalse Gewest en andere overheidsorganen die belast zijn met ruimtelijke ordening.
- Gemeenten en hun raden, die verantwoordelijk zijn voor gemeentelijke plannen en adviescommissies.
Kernpunten
- Het Waalse grondgebied wordt beschouwd als gemeenschappelijk patrimonium, waarbij duurzame ontwikkeling van sociale, economische, patrimoniale en milieubehoeften centraal staat.
- Ruimtelijke ordening wordt vormgegeven door het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan en het gemeentelijk structuurplan, en vastgelegd in gewest- en gemeentelijke plannen van aanleg en stedebouwkundige reglementen.
- Openbare onderzoeken moeten minstens 15 dagen duren, met een opschorting tussen 16 juli en 15 augustus, en dossiers moeten ter inzage liggen in het gemeentehuis.
- Er worden een gewestelijke commissie en gemeentelijke adviescommissies voor ruimtelijke ordening opgericht, waarvan de samenstelling en werkwijze door de Regering worden bepaald.
Wettekst
Wettekst
27 NOVEMBER 1997. Decreet tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium
(1)De Waalse Gewestraad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I - Wijzigingen in het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium Artikel 1.Boek I, met uitzondering van hoofdstuk VI van titel IV, boek II en boek III, met uitzondering van de titels IV en V, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium worden gewijzigd als volgt : « BOEK I Bepalingen betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw TITEL I - Algemene bepalingen HOOFDSTUK I - Doelstellingen en middelen Artikel 1.§ 1. Het grondgebied van het Waalse Gewest vormt het gemeenschappelijk patrimonium van zijn bevolking. Het Gewest en de andere overheidsorganen zijn, elk binnen zijn bevoegdheden en in coördinatie met het Gewest, belast met de ruimtelijke ordening van dat grondgebied. Ze voorzien op een duurzame wijze in de sociale, economische, patrimoniale en milieubehoeften van de gemeenschap door een kwalitatief beheer van de leefomgeving, een zuinig gebruik van de bodem en zijn rijkdommen en door het behoud en de ontwikkeling van het cultureel, natuurlijk en landschappelijk patrimonium. § 2. De ruimtelijke ordening wordt ontworpen d.m.v. het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan en het gemeentelijk structuurplan. § 3. De ruimtelijke ordening en de stedebouw worden vastgelegd in : 1. gewestplannen;2. gemeentelijke plannen van aanleg;3. gewestelijke stedebouwkundige reglementen;4. gemeentelijke stedebouwkundige reglementen. Art. 2.De Regering bezorgt de Waalse Gewestraad jaarlijks een rapport over de situatie en de vooruitzichten inzake ruimtelijke ordening, stedebouw en patrimonium. HOOFDSTUK II - Delegaties van de Regering Art. 3.De Regering wijst ambtenaren van de Algemene Directie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Patrimonium van het Ministerie van het Waalse Gewest aan om de in dit Wetboek bedoelde opdrachten te vervullen. Deze ambtenaren worden hierna "gemachtigd ambtenaar" genoemd. HOOFDSTUK III - Informatie, openbaarmaking en openbaar onderzoek Art. 4.De Regering bepaalt de volgende regels voor het openbaar onderzoek : 1. het moet minstens vijftien dagen duren;2. de voorgeschreven termijn ervoor wordt opgeschort tussen 16 juli en 15 augustus;3. de dossiers liggen ter inzage in het gemeentehuis op werkdagen en minstens één keer in de week tot 20 uur, of op zaterdagmorgen;4. technische uitleg kan onder de door de Regering bepaalde voorwaarden verkregen worden;5. opmerkingen en bezwaren moeten per post ingediend worden vóór de einddatum van het openbaar onderzoek of, desnoods, mondeling meegedeeld worden op de laatste dag ervan;6. de besluiten worden door aanplakking bekendgemaakt. De Regering of de gemeenten kunnen elke andere wijze van openbaarmaking of terinzagelegging in overweging nemen. HOOFDSTUK IV - Commissies Afdeling I - Gewestelijke commissie voor ruimtelijke ordening Art. 5.Er wordt een gewestelijke commissie voor ruimtelijke ordening opgericht, hierna "gewestelijke commissie" genoemd, waarvan de voorzitter en de leden door de Regering worden benoemd. De gewestelijke commissie kan in afdelingen onderverdeeld worden. De Regering bepaalt de samenstelling en de werkwijze van de gewestelijke commissie en, eventueel, die van haar afdelingen. De gewestelijke commissie kan een beroep doen op deskundigen en, met instemming van de Regering, op ambtenaren van het Gewest. Art. 6.De gewestelijke commissie doet voorstellen en geeft advies omtrent de evolutie van de ideeën en principes inzake ruimtelijke ordening en stedebouw, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de Regering. Naast de bijzondere bevoegdheden bedoeld in dit Wetboek, heeft de gewestelijke commissie een algemene raadgevende bevoegdheid inzake ruimtelijke ordening en stedebouw. De gewestelijke commissie bezorgt de Regering elk jaar een activiteitenverslag. Afdeling II - Gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening Art. 7.§ 1. Op voorstel van de gemeenteraad en na advies van de gewestelijke commissie, stelt de Regering een gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening in, hierna "gemeentelijke commissie" genoemd, waarvan ze het huishoudelijk reglement opstelt. Naast de voorzitter is de gemeentelijke commissie samengesteld uit : 1. twaalf leden voor minder dan tienduizend inwoners;2. zestien leden voor tien- tot twintigduizend en één inwoners;3. twintig leden voor twintigduizend en één tot veertigduizend inwoners;4. vierentwintig leden voor veertigduizend en één tot tachtigduizend inwoners;5. achtentwintig leden voor meer dan tachtigduizend inwoners. § 2. De gemeenteraad beslist over het instellen van de gemeentelijke commissie. Indien ze reeds bestaat, beslist de gemeenteraad binnen drie maanden na zijn eigen oprichting over de vernieuwing ervan. Na advies van de gewestelijke commissie kan de Regering het besluit tot instelling van de gemeentelijke commissie op eigen initiatief of op voorstel van de gemeenteraad intrekken wanneer de commissie niet meer bijeenkomt, onregelmatig werkt of wanneer de in het eerste lid bedoelde beslissing tot vernieuwing uitblijft. § 3. De gemeenteraad belast het College van burgemeester en schepenen met een openbare oproep tot de kandidaten binnen de maand na de beslissing tot oprichting of vernieuwing van de gemeentelijke commissie. De openbare oproep wordt gedaan zowel door aanplakking als d.m.v. een bericht op de pagina's voor plaatselijk nieuws van drie Frans- of Duitstalige dagbladen, al naar gelang het geval. Het bericht kan ook bekendgemaakt worden in gemeentelijke informatiebladen of in reclamekranten die gratis aan de bevolking worden uitgedeeld. Het model en de afmetingen van het bericht worden door de Regering bepaald. De kandidatuurakte is persoonlijk en moet ingediend worden op de wijze en binnen de termijn die in de oproep zijn opgelegd. Het College van burgemeester en schepenen legt de kandidatenlijst voor aan de gemeenteraad. Binnen twee maanden na de indiening van de kandidaturen kiest de gemeenteraad, op voordracht van één of meer van zijn leden, de commissieleden met inachtneming van : 1. een evenwichtige geografische verspreiding;2. een specifieke vertegenwoordiging van de sociale, economische, patrimoniale en milieubelangen binnen de gemeente. De voorzitter van de gemeentelijke commissie wordt door de gemeenteraad gekozen. Voor elk lid kan de gemeenteraad één of meer plaatsvervangers aanwijzen die dezelfde belangen behartigen. De gemeentelijke commissie bestaat voor een vierde uit door de gemeenteraad afgevaardigde leden. Deze worden verdeeld naar evenredigheid van de vertegenwoordiging van de meerderheid en de oppositie binnen de gemeenteraad en worden gekozen door de respectievelijke gemeenteraadsleden van beide groepen. De ambtenaren die belast zijn met de behandeling van dossiers inzake ruimtelijke ordening, stedebouw en patrimonium m.b.t. de gemeente of die zich over die dossiers moeten uitspreken, mogen niet deel uitmaken van de gemeentelijke commissie. § 4. De Regering wijst onder de ambtenaren van de Algemene Directie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Patrimonium van het Ministerie van het Waalse Gewest een afgevaardigde aan die met raadgevende stem zitting heeft in de gemeentelijke commissie. De gemeentelijke commissie komt minstens tien keer per jaar bijeen, na oproeping door de voorzitter, op de dag, het tijdstip en de plaats die in het huishoudelijk reglement vermeld staan. Bovendien roept de voorzitter de gemeentelijke commissie bijeen op verzoek van het College van burgemeester en schepenen. Het secretariaat van de commissie wordt door het gemeentebestuur waargenomen. § 5. De leden van de gemeentelijke commissie blijven in dienst tot de aanstelling van hun opvolgers of tot de verzending van de beslissing van de Regering waarbij het besluit tot instelling van de commissie wordt ingetrokken. § 6. Op voorstel van de gemeenteraad kan de Regering de gemeentelijke commissie onderverdelen in afdelingen waarvan ze de taken bepaalt. HOOFDSTUK V - Termijnen voor vergunningen en beroepen Art. 8.De aanvragen om vergunning en de beroepen moeten bij ter post aangetekend schrijven verzonden worden. De poststempel heeft bewijskracht. Ze moeten ten laatste op de vervaldag van de voorgeschreven termijn verzonden worden. Art. 9.De dag van ontvangst van de akte, die als begindatum van de termijn geldt, wordt niet ingerekend. Art. 10.De vervaldag wordt bij de termijn ingerekend. Wanneer de vervaldag een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt hij naar de eerstkomende werkdag verschoven. HOOFDSTUK VI - Erkenningen en subsidies Art. 11.De Regering erkent, op basis van de criteria en volgens de procedure die ze zelf vaststelt, de privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die belast kunnen worden met de opmaak of de herziening van de ruimtelijke plannen, plannen van aanleg, stedebouwkundige reglementen of verkavelingsvergunningen. Art. 12.De Regering kan onder de haar bepaalde voorwaarden subsidies verlenen : 1. voor het opmaken of voor de volledige herziening van een gemeentelijk plan van aanleg, een gemeentelijk structuurplan of een gemeentelijk stedebouwkundig reglement; 2. voor een effectenonderzoek i.v.m. een ontwerp van gemeentelijk plan van aanleg; 3. voor een analyse van het algemeen nut van de ruimtelijke ordening en de stedebouw; 4. voor de organisatie van informatievergaderingen m.b.t. ruimtelijke ordening en stedebouw; 5. voor de werking van de gemeentelijke commissie en voor de opleiding van haar leden en het betrokken gemeentepersoneel;6. voor de indienstneming, op verzoek van een gemeente of verschillende aangrenzende gemeenten, van een persoon die bevoegd is voor het beheer van het betrokken grondgebied. TITEL II - Ontwerp van de ruimtelijke ordening HOOFDSTUK I - Gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan Art. 13.§ 1. Het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan biedt inrichtings- en ontwikkelingsmogelijkheden voor het hele grondgebied van het Waalse Gewest. § 2. Het plan bevat : 1. de evaluatie van de sociale, economische, patrimoniale en milieubehoeften, alsmede een analyse van de eisen en mogelijkheden van het grondgebied van het Waalse Gewest;2. de algemene doelstellingen inzake harmonisatie van de activiteiten, mobiliteit, zuinig bodembeheer, instandhouding en uitbreiding van het patrimonium met het oog op de duurzame ontwikkeling, zoals bedoeld in het decreet van 21 april 1994 betreffende de milieuplanning in het kader van de duurzame ontwikkeling;3. de te nemen opties en te bereiken sectoriale doelstellingen, met name inzake mobiliteit, uitrustingen en infrastructuren van supraregionaal of regionaal belang. § 3. Het plan kan ook de volgende gegevens bevatten : 1. de afbakening van gebieden voor ruimtelijke ordening;2. de aan te wenden middelen. Art. 14.§ 1. Het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan wordt op initiatief van de Regering opgemaakt. De gewestelijke commissie wordt op de hoogte gebracht van de voorafgaande studies en kan voorstellen doen telkens als ze het nodig acht. § 2. De Regering neemt het ontwerp-plan voorlopig aan, onderwerpt het aan een terinzagelegging en legt het voor aan de personen en instanties waarvan zij het advies nuttig acht. De terinzagelegging wordt aangekondigd door aanplakking in elke gemeente, door een bericht in ten minste drie dagbladen die in het Waalse Gewest worden vespreid, waarvan één in het Duits, door een bericht dat drie keer wordt uitgezonden door de R.T.B.F. en door het Belgische Radio- en Televisiecentrum voor uitzendingen in de Duitse taal. Het ontwerp-plan wordt volgens de door de Regering bepaalde regels gedurende zestig dagen in elke gemeente voor een ieder ter inzage gelegd. De begin- en einddatum van deze termijn worden in de aankondiging vermeld. Na de aankondiging van de terinzagelegging organiseert de Regering een informatievergadering in de hoofdplaats van elk arrondissement en op de zetel van de Duitstalige Gemeenschap. § 3. De gemeenteraden alsmede de in § 2, eerste lid, bedoelde personen en instanties brengen advies uit aan de Regering binnen vijfenveertig dagen na de einddatum van de terinzagelegging. De gewestelijke commissie brengt binnen negentig dagen na het verzoek van de Regering advies uit over het gehele dossier. § 4. De Regering neemt het plan definitief aan. Het besluit van de Regering wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Afschriften van het plan worden binnen tien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad naar de gemeenten gestuurd. Art. 15.De regels voor de opmaak van het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan gelden ook voor de herziening ervan. HOOFDSTUK II - Gemeentelijk structuurplan Art. 16.Het gemeentelijk structuurplan is een richtinggevend, beheers- en programmeringsdocument voor de ontwikkeling van het gemeentelijke grondgebied in zijn geheel. Het bevat de volgende gegevens : 1. de volgens de vastgestelde prioriteiten beoogde inrichting, alsmede de in kaart gebrachte maatregelen die daarmee gepaard gaan;2. de bestemming per gebied;3. de vestiging van uitrustingen en infrastructuren;4. de algemene richtlijnen voor de harmonisatie en de integratie van de verkeersstromen;5. de regels voor de uitvoering van de inrichtingsmaatregelen. De Regering bepaalt de inhoud van het dossier i.v.m. het plan. Art. 17.§ 1. Het gemeentelijk structuurplan wordt op initiatief van de gemeenteraad opgemaakt na een analyse van de feitelijke en rechtstoestand. De gemeenteraad kiest onder de krachtens artikel 11 erkende personen de privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die het ontwerp-plan moeten opmaken. De gemeentelijke commissie wordt op de hoogte gebracht van voorafgaande studies en kan voorstellen doen telkens als ze het nodig acht. De gemeenteraad neemt het ontwerp-plan voorlopig aan. § 2. Het College van burgemeester en schepenen onderwerpt het ontwerp-plan gedurende vijfenveertig dagen aan een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek wordt aangekondigd zowel door aanplakking als door een bericht op de pagina's voor plaatselijk nieuws van drie Frans- of Duitstalige dagbladen, al naar gelang het geval. Het bericht kan ook bekendgemaakt worden in gemeentelijke informatiebladen of in reclamekranten die gratis aan de bevolking worden uitgedeeld. Het College organiseert in het kader van het openbaar onderzoek één of meer informatievergaderingen waarvan de plaats, de dag en het tijdstip in de aankondiging worden vermeld. Tegelijkertijd onderwerpt het College van burgemeester en schepenen het ontwerp-plan aan het advies van de gemachtigde ambtenaar. Het advies wordt toegezonden binnen dertig dagen na het verzoek van het College van burgemeester en schepenen; bij gebreke hiervan, wordt het geacht gunstig te zijn. § 3. Het ontwerp-plan wordt, evenals de bezwaren en opmerkingen, vervolgens onderworpen aan het advies van de gemeentelijke commissie. Het advies moet worden toegezonden binnen zestig dagen na het verzoek van het College van burgemeester en schepenen; bij gebreke hiervan wordt het geacht gunstig te zijn. § 4. De gemeenteraad neemt het plan definitief aan; hij bezorgt de Regering een afschrift ervan, alsook het desbetreffende dossier. De Regering kan de beslissing van de gemeenteraad vernietigen bij een met redenen omkleed besluit, te versturen binnen zestig dagen na ontvangst van het volledige dossier. Het plan ligt voor een ieder ter inzage in het gemeentehuis. Het publiek wordt hierover ingelicht op de in artikel 112 van de nieuwe gemeentewet bedoelde wijze. Art. 18.De regels voor de opmaak van het gemeentelijk structuurplan gelden ook voor de herziening ervan. TITEL III - Plannen voor de ruimtelijke ordening HOOFDSTUK I - Algemene bepalingen Art. 19.§ 1. De Regering verleent bindende kracht aan het gewestplan en aan het gemeentelijk plan van aanleg. De grafische en geschreven voorschriften van de plannen hebben een verordenende kracht. § 2. De plannen blijven van kracht tot ze ingevolge een herziening geheel of gedeeltelijk door andere plannen worden vervangen. § 3. Daarvan mag alleen worden afgeweken in de in dit Wetboek bedoelde gevallen en vormen. De voorschriften van een gewestplan waarvan overeenkomstig artikel 48, tweede lid, wordt afgeweken, houden op van kracht te zijn. De voorschriften van een gemeentelijk plan van aanleg die niet overeenstemmen met die van een later goegekeurd gewestplan, houden eveneens op van kracht te zijn. Art. 20.De voorschriften van de plannen kunnen beperkingen van het eigendomsrecht inhouden, met inbegrip van een verkavelings- of bouwverbod. HOOFDSTUK II - Gewestplannen Afdeling I - Algemeen Art. 21.Na advies van de gewestelijke commissie legt de Regering de zones vast waarvoor een plan moet worden opgemaakt. Afdeling II - Inhoud Art. 22.Het gewestplan richt zich naar de aanwijzingen en richtlijnen van het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan. Art. 23.Het gewestplan bevat : 1. de inrichtingsvoorwaarden die vereist worden door de sociale, economische, patrimoniale en ecologische behoeften van het gebied;2. de verschillende bestemmingen van het grondgebied en de bijzondere voorschriften die daarop betrekking hebben;3. het bestaande en het geplande tracé van het net van de voornaamste verbindings- en verkeerswegen voor het vervoer van vloei- en brandstoffen, alsmede de inrichtingsvoorwaarden die daarop betrekking hebben. Het plan kan eveneens de volgende gegevens bevatten : 1. de oppervlakten die een bijzondere bescherming vereisen om culturele, sociale, historische, esthetische, economische, landschappelijke of ecologische redenen;2. aanvullende voorschriften van stedebouwkundige aard. De Regering kan de grafische voorstelling van het gewestplan bepalen. Afdeling III - Bestemming van de gebieden en algemene voorschriften Art. 24.Toepassingsgebied. Deze afdeling bevat algemene voorschriften voor de inrichting en de toepassing van de door de Regering vastgelegde gewestplannen. Art. 25.Indeling van het gewestplan in gebieden. Het gewestplan bestaat uit gebieden die voor bebouwing bestemd zijn en uit gebieden die niet voor bebouwing bestemd zijn. De volgende gebieden zijn voor bebouwing bestemd : 1. woongebieden;2. woongebieden met een landelijk karakter;3. gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen;4. recreatiegebieden;5. bedrijfsruimten;6. specifieke bedrijfsruimten;7. ontginningsgebieden;8. gebieden waarvan de bestemming nog niet vaststaat;9. gebieden met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat. De volgende gebieden zijn niet voor bebouwing bestemd : 1. agrarische gebieden;2. bosgebieden;3. groengebieden;4. natuurgebieden;5. parkgebieden. Art. 26.Woongebieden. Woongebieden zijn hoofdzakelijk voor wonen bestemd. Economische activiteiten, sociaal-culturele inrichtingen, openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, alsmede landbouwbedrijven en toeristische accomodatie kunnen er eveneens toegelaten worden voor zover ze de hoofdbestemming van het gebied niet in het gedrang brengen en verenigbaar zijn met de omgeving. De woongebieden moeten ook voorzien in openbare groene ruimten. Art. 27.Woongebieden met een landelijk karakter. Woongebieden met een landelijk karakter zijn hoofdzakelijk bestemd voor verblijf en landbouwbedrijven. Economische activiteiten, sociaal-culturele inrichtingen, gebouwen en inrichtingen van nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, alsmede toeristische accomodatie kunnen er eveneens toegelaten worden voor zover ze de hoofdbestemming van het gebied niet in het gedrang brengen en verenigbaar zijn met de omgeving. Art. 28.Gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen. § 1. Onverminderd hun vestiging in een woongebied of in een woongebied met een landelijk karakter zijn de gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen bestemd voor activiteiten van openbaar of algemeen nut. In deze gebieden mogen alleen gebouwen of inrichtingen opgericht worden die in sociale behoeften voorzien via een publiek- of privaatrechtelijk rechtspersoon aan wie de overheid het beheer van een openbare dienst heeft toevertrouwd. Bouwwerken of inrichtingen die het algemeen nut bevorderen, zijn er eveneens toegelaten. § 2. Het gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen met de overdruk "C.E.T. » is uitsluitend bestemd voor de vestiging en de exploitatie van een centrum voor technische ingraving bedoeld in de wetgeving op de afvalstoffen, en voor installaties voor de afvalverzameling die aan de exploitatie voorafgaat. De ingebruikneming van het gebied na de exploitatie is onderworpen aan een bijkomend voorschrift en de gehele of gedeeltelijke sanering ervan is vastgelegd in de exploitatievergunning die overeenkomstig de wetgeving op de afvalstoffen wordt afgegeven. Het gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen met de overdruk "C.E.T.D. » is uitsluitend bestemd voor de instandhouding van een buiten dienst gesteld centrum voor technische ingraving bedoeld in de wetgeving op de afvalstoffen. De handelingen en werken die in dit gebied worden uitgevoerd, kunnen het voorwerp uitmaken van beperkingen ten einde de saneringswerken te kunnen voortzetten en er toezicht op te kunnen houden. Voor de exploitatie en de instandhouding van voormeld gebied kunnen kantoor- of bewakingsgebouwen toegelaten worden. Rondom het gebied moet in een groene ruimte worden voorzien. Art. 29.Recreatiegebieden. Recreatiegebieden zijn bestemd voor recreatieve of toeristische accommodatie, met inbegrip van de verblijfsaccomodatie. Art. 30.Gebieden voor bedrijfsruimten Deze gebieden zijn bestemd voor ambachten, diensten, distributie, onderzoek of kleine industrie. Ze kunnen d.m.v. de nodige voorzieningen geïsoleerd worden. De gebieden voor bedrijfsruimten met een industrieel karakter zijn hoofdzakelijk bestemd voor activiteiten van industriële aard of voor economische activiteiten die om urbanistische, veiligheids-, gezondheids- of milieuredenen geïsoleerd moeten worden. De daarbij horende dienstenbedrijven zijn er toegelaten. De exploitant of het bewakingspersoneel mogen in bedrijfsruimten gehuisvest worden wanneer de veiligheid of de goede werking van het bedrijf het vereist. De woning maakt noodzakelijk deel uit van de exploitatie. Art. 31.Gebieden voor specifieke bedrijfsruimten. § 1. De gebieden met de overdruk "A.E. » zijn uitsluitend bestemd voor agro-economische buurtactiviteiten, alsook voor houtverwerkingsbedrijven. De gebieden met de overdruk "G.D. » zijn uitsluitend bestemd voor groothandelsdistributie. Deze gebieden kunnen geïsoleerd worden d.m.v. de nodige voorzieningen. § 2. De gebieden met de overdruk "R.M. » zijn uitsluitend bestemd voor bedrijven die schadelijk kunnen zijn voor mens, goederen of milieu. Deze gebieden moeten geïsoleerd worden d.m.v. de nodige voorzieningen. § 3. De exploitant of het bewakingspersoneel mogen in specifieke bedrijfsruimten gehuisvest worden wanneer de veiligheid of de goede werking van het bedrijf het vereist. De woning maakt noodzakelijk deel uit van de exploitatie. Art. 32.Ontginningsgebieden. De ontginningsgebieden zijn bestemd voor de exploitatie van groeven en hun aanhorigheden, mits bescherming en zuinig beheer van de bodem en de ondergrond. De ingebruikneming van het gebied na de exploitatie is onderworpen aan een bijkomend voorschrift en de gehele of gedeeltelijke herinrichting ervan is vastgelegd in de exploitatievergunning die overeenkomstig de wetgeving op de groeven wordt afgegeven. Art. 33.Gebieden waarvan de bestemming nog niet vaststaat. Deze gebieden kunnen elke bestemming krijgen die de gemeente wenst. De inrichting van deze gebieden is onderworpen aan een gemeentelijk plan van aanleg dat betrekking heeft op het hele gebied of aan een gemeentelijk structuurplan dat betrekking heeft op een deel of op het geheel ervan. Wanneer het van kracht zijnde gemeentelijk plan van aanleg het gebied geheel of gedeeltelijk bestemt voor woningen, bedrijfsruimten of nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, moet de gemeente een document overleggen waarbij is vastgesteld dat de woongebieden, de bedrijfsruimten of de gebieden voor nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen op het gemeentelijke grondgebied een bezettingscoëfficiënt bereiken die de door de Regering vastgelegde verzadigingsdrempel nabij is. Bij gebreke daarvan mogen bovenbedoelde gebieden niet ingericht worden. Art. 34.Gebieden met een industrieel karakter, waarvan de bestemming nog niet vaststaat. Deze gebieden zijn bestemd voor de activiteiten bedoeld in artikel 30, tweede lid. De inrichting van dergelijk gebied is onderworpen aan een gemeentelijk plan van aanleg voor het hele gebied of, indien een gemeentelijk structuurplan bestaat, voor een deel of het geheel daarvan. Bij gebreke hiervan mogen bovenbedoelde gebieden niet ingericht worden. Art. 35.Landbouwgebieden. Landbouwgebieden zijn bestemd voor landbouw in de algemene zin van het woord. Ze moeten bijdragen tot landschapszorg of -bouw. In landbouwgebieden mogen alleen gebouwen opgericht worden die onontbeerlijk zijn voor het bedrijf en voor de huisvesting van de exploitanten die landbouwer van beroep zijn. Accomodatie voor hoevetoerisme is eveneens toegelaten, voor zover die noodzakelijk deel uitmaken van het landbouwbedrijf. Landbouwgebieden kunnen uitzonderlijkerwijs bestemd zijn voor recreatieve activiteiten in de open lucht op voorwaarde dat ze hun oorspronkelijke bestemming behouden. Wat de recreatieve activiteiten betreft, kunnen de handelingen en werken slechts tijdelijk toegelaten worden, behalve voor de verbouwing, de uitbreiding of de heroprichting van een bestaand gebouw. Vissershutten zijn er toegelaten voor zover ze niet gebruikt worden als verblijfplaats of voor handelsactiviteiten, al ware het maar tijdelijk. De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een vergunning wordt afgegeven voor bebossing, intensieve teelt van bossoorten, visteelt, vissershutten en recreatieve activiteiten in de open lucht, alsmede voor de handelingen en werken die daaraan verbonden zijn. Art. 36.Bosgebieden. Bosgebieden zijn bestemd voor de bosbouw en het behoud van het ecologische evenwicht. Ze moeten bijdragen tot landschapszorg of -bouw. In bosgebieden mogen alleen bouwwerken opgericht worden die onontbeerlijk zijn voor de exploitatie, de eerste houtverwerking en het toezicht op de bossen. Jacht- en vissershutten zijn er toegelaten, voor zover ze niet gebruikt worden als verblijfplaats of voor handelsactiviteiten, al ware het maar tijdelijk. De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een vergunning wordt afgegeven voor de oprichting van gebouwen die onontbeerlijk zijn voor het toezicht op de bossen, voor de exploitatie ervan en de eerste houtverwerking, voor de visteelt en de jacht- en vissershutten. Art. 37.Groengebieden. Groengebieden zijn bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van het leefmilieu. Ze dragen bij tot landschapsbouw of zijn de geschikte vegetale schakel tussen gebieden waarvan de bestemmingen onverenigbaar zijn. Art. 38.Natuurgebieden. Natuurgebieden zijn bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van leefmilieus met een hoge biologische waarde of waarin te beschermen soorten voorkomen, ongeacht of het om land- of om watersoorten gaat. In natuurgebieden zijn alleen handelingen en werken toegelaten die noodzakelijk zijn voor de actieve of passieve bescherming van deze milieus of soorten. Art. 39.Parkgebieden. Parkgebieden zijn bestemd voor groene ruimten die ingericht worden met het oog op het esthetische. In deze gebieden zijn alleen handelingen en werken toegelaten die nodig zijn voor de inrichting, het onderhoud of de verfraaiing ervan. In parkgebieden met een oppervlakte van meer dan vijf ha kunnen ook andere handelingen of werken verricht worden, op voorwaarde dat de hoofdbestemming van de gebieden ongewijzigd blijft en dat een gemeentelijk plan van aanleg van toepassing is op de hele oppervlakte. De Regering maakt de lijst op van de handelingen en werken die in een parkgebied toegelaten zijn, alsook het percentage van de oppervlakte van het gebied waarop de werken uitgevoerd mogen worden. Art. 40.Het plan kan in overdruk gebieden bevatten waarvan de oppervlakte door de Regering wordt bepaald, met name die : 1. vanuit een bemerkenswaardige benadering;2. vanuit ecologisch oogpunt;3. met een landschappelijke waarde;4. met een culturele, historische of esthetische waarde;5. met een voorspelbaar natuurgevaar of een belangrijke geotechnische druk;6. voor reservatie;7. voor ontginningsuitbreidingen;8. voor de wettelijke ruilverkaveling van landelijke goederen;9. voor waterwinningspreventie;10. met een beschermd onroerend goed;11. voor de bescherming bedoeld in de wetgeving op de natuurbescherming. Art. 41.De in artikel 25 bedoelde gebieden kunnen het voorwerp uitmaken van bijkomende voorschriften. Afdeling IV - Procedure voor het opmaken van gewestplannen Art. 42.De Regering maakt het voorontwerp van gewestplan op na een analyse van de feitelijke en rechtstoestand. Indien het voorontwerp betrekking heeft op één of meer gebieden bedoeld in artikel 25, tweede lid, vraagt de Regering een effectenonderzoek met de volgende gegevens : 1. de doelstellingen van het voorontwerp, alsook de menselijke en ecologische eigenheid en de mogelijkheden van het bedoelde grondgebied;2. de rechtvaardiging van het voorontwerp op grond van artikel 1, § 1;3. de evaluatie van de vermoedelijke effecten van de uitvoering van het ontwerp-plan op de mens en zijn activiteiten, de fauna, de flora, de bodem, de ondergrond, het water, de lucht, het klimaat en de landschappen, het patrimonium, alsmede de wisselwerking tussen deze factoren;4. een analyse van de maatregelen die genomen moeten worden om de in 3° bedoelde effecten te voorkomen of te beperken;5. de mogelijke alternatieven en hun rechtvaardiging op grond van de punten 1° en 4°;6. de toelaatbare bestemmingen op grond van de kenmerken van het betrokken grondgebied;7. een niet-technische samenvatting van de bovenvermelde gegevens. Wanneer een voorontwerp van plan enkel betrekking heeft op een infrastructuurproject i.v.m. met het vervoer van vloei- en brandstoffen dat aan een milieu-effectenonderzoek onderworpen is, vraagt de Regering een effectenonderzoek met de in het tweede lid bedoelde gegevens, punt 6° uitgezonderd. De Regering kiest onder de krachtens dit Wetboek en de wetgeving op de milieu-effectenevaluatie erkende personen, een privaat- of publiekrechtelijk natuurlijke of rechtspersoon die het onderzoek zal uitvoeren. De Regering houdt de gewestelijke commissie op de hoogte van de evolutie van voorafgaande studies en deelt haar de desbetreffende resultaten mee. De gewestelijke commissie kan, telkens als ze het nodig acht, opmerkingen maken of voorstellen doen. Art. 43.§ 1. De Regering neemt het ontwerp-plan voorlopig aan, in voorkomend geval vergezeld van een effectenonderzoek, en onderwerpt het aan een openbaar onderzoek. § 2. Het openbaar onderzoek wordt aangekondigd in elke gemeente waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, zowel door aanplakking als door een bericht op de pagina's voor plaatselijk nieuws van drie Frans- of Duitstalige dagbladen, al naar gelang het geval. Het bericht kan ook bekendgemaakt worden in gemeentelijke informatiebladen of in reclamekranten die gratis aan de bevolking worden uitgedeeld. Zodra het openbaar onderzoek is aangekondigd, wordt het ontwerp-plan, in voorkomend geval samen met het effectenonderzoek, gedurende vijfenveertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van de betrokken gemeenten. De begin- en einddatum van deze termijn worden in de aankondiging vermeld. Tijdens het openbaar onderzoek belegt het College van burgemeester en schepenen van de gemeente waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, een overlegvergadering waarvan notulen worden opgemaakt. Bezwaren en opmerkingen moeten vóór de einddatum van het onderzoek schriftelijk gericht worden aan het College van burgemeester en schepenen. Ze moeten gevoegd worden bij de notulen van de overlegvergadering en bij de slotnotulen van het openbaar onderzoek die binnen acht dagen na afloop ervan door het College van burgemeester en schepenen worden opgemaakt. § 3. Het College van burgemeester en schepenen van de gemeenten waarop het ontwerp-plan betrekking heeft, stuurt de bezwaren, opmerkingen en notulen binnen vijfenveertig dagen na de sluiting van het openbaar onderzoek naar de Regering, terwijl de gemeenteraad van die gemeenten, advies uitbrengt. Bij gebreke hiervan, wordt het advies geacht gunstig te zijn. § 4. De Regering onderwerpt het dossier m.b.t. het ontwerp-plan, samen met het eventuele effectenonderzoek, de bezwaren, opmerkingen, notulen en adviezen binnen zestig dagen na de sluiting van het openbaar onderzoek aan het advies van de gewestelijke commissie en, in voorkomend geval, van de Waalse milieuraad voor de duurzame ontwikkeling. De adviezen moeten binnen negentig dagen na het verzoek van de Regering uitgebracht worden. Bij gebreke hiervan, worden ze geacht gunstig te zijn. Art. 44.De Regering neemt het plan definitief aan binnen twaalf maanden na de goedkeuring van het ontwerp-plan. Wanneer de Regering afwijkt van het advies van de gewestelijke commissie, moet haar besluit met redenen omkleed zijn. Het besluit van de Regering wordt samen met het advies van de gewestelijke commissie in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Binnen tien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, worden afschriften van het plan naar de betrokken gemeenten gezonden, waarna elke gemeente de bevolking door aanplakking meedeelt dat het plan ter inzage ligt in het gemeentehuis. Art. 45.Onverminderd artikel 19, § 3, derde lid, worden de niet conforme bepalingen van de geldende gemeentelijke plannen van aanleg opgeheven bij het besluit van de Regering tot aanneming van het plan. Voormelde bepalingen worden in het besluit opgenomen. Afdeling V - Procedure en voorschriften voor de herziening Art. 46.De regels voor de opmaak van het gewestplan gelden ook voor de herziening ervan. Bovendien moet de opneming van nieuwe gebieden aan de volgende voorschriften voldoen : 1. de nieuwe bebouwingsgebieden moeten aan een bestaand bebouwingsgebied grenzen : van dit voorschrift kan worden afgeweken voor een industriële bedrijfsruimte, een ontginningsgebied of een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat;2. in de nieuwe bebouwingsgebieden is lintbebouwing langs de openbare weg verboden;3. de opneming van nieuwe gemengde of industriële bedrijfsruimten moet globaal gecompenseerd worden door de herbestemming van afgedankte bedrijfsruimten;4. de opneming van een nieuw bebouwingsgebied is onverenigbaar met het behoud van een oppervlakte : a.voor wettelijke ruilverkaveling van landelijke goederen; b. voor waterwinningspreventie;c. met een beschermd onroerend goed;d. voor de bescherming bedoeld in de wetgeving op de natuurbescherming;e. met een voorspelbaar natuurgevaar of een belangrijke geotechnische druk. HOOFDSTUK III - Gemeentelijke plannen van aanleg Afdeling I - Algemeen Art. 47.De gemeenteraad herziet of neemt één of meer gemeentelijke plannen van aanleg aan, hetzij op eigen initiatief, hetzij binnen de door de Regering voorgeschreven termijn. Afdeling II - Inhoud Art. 48.Het gemeentelijk plan van aanleg vult het gewestplan aan, alsmede de in artikel 46 bedoelde voorschriften. Het wordt opgemaakt na analyse van het gemeentelijk structuurplan, indien er één bestaat. Het gemeentelijk plan van aanleg kan desnoods, indien het behoorlijk gegrond is, overeenkomstig artikel 54, 3°, van het gewestplan afwijken, voorzover tegelijkertijd aan de volgende voorwaarden wordt voldaan : 1. de afwijking mag de algemene economie van het gewestplan niet benadelen;2. de afwijking is gewettigd door sociale, economische, patrimoniale of ecologiche behoeften die niet bestonden toen het gewestplan definitief werd aangenomen;3. er moet worden aangetoond dat de nieuwe bestemming beantwoordt aan de bestaande feitelijke inrichtingsmogelijkheden. In dergelijk geval zijn de bepalingen van het gewestplan waarvan wordt afgeweken, niet langer van kracht. Art. 49.Voor het gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarop het betrekking heeft, bevat het gemeentelijk plan van aanleg : 1. de stedebouwkundige en planologische opties;2. de nauwkeurige bestemming van de in artikel 25 bedoelde gebieden, het tracé van het verkeersnet voor het vervoer van vloei- en brandstoffen, de ruimte die bestemd is voor groen-, landbouw- of bosgebieden, voor de landschappen die nodig zijn in het raam van de ecologische vermazing, voor bouwwerken en openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen; 3. voorschriften betreffende de vestiging, de omvang, de materialen en de esthetiek van de bouwwerken en omheiningen, de rechtstreekse omgeving daarvan en de binnenpleinen en tuinen, de aanleg, de uitrusting en de kenmerken van de openbare ruimten, waarbij o.a. rekening wordt gehouden met personen met beperkte beweeglijkheid, alsmede voorschriften betreffende de bouwvrije stroken en aanplantingen; 4. indien een ruilverkaveling of een herverkaveling nodig is, de grenzen van de nieuwe percelen, met de vermelding dat ze met instemming van de Regering door het College van burgemeester en schepenen gewijzigd kunnen worden. In afwijking van het eerste lid, hoeft het gemeentelijk plan van aanleg in het geval van een gemengde of industriële bedrijfsruimte niet meer te bevatten dan : 1. de stedebouwkundige optie en de algemene voorschriften van esthetische aard betreffende de bouwwerken, de rechtstreekse omgeving ervan en de openbare ruimten;2. het bestaande en geplande tracé van de voornaamste verkeerswegen en de aansluitingen op de bestaande hoofdnetten van de verkeersinfrastructuren voor het vervoer van vloei- en brandstoffen;3. de ruimten die voor groengebieden bestemd zijn. Afdeling III - Procedure voor de opmaak van plannen van aanleg Art. 50.§ 1. De gemeenteraad kiest onder de krachtens artikel 11 erkende personen een privaat- of publiekrechtelijk natuurlijke of rechtspersoon die het voorontwerp van het gemeentelijk plan zal opmaken. § 2. De gemeenteraad kan een effectenonderzoek vragen met : 1. de doelstellingen van het voorontwerp, alsook de menselijke en ecologische eigenheid en de mogelijkheden van het bedoelde grondgebied;2. de rechtvaardiging van het voorontwerp op grond van artikel 1, § 1;3. de evaluatie van de vermoedelijke gevolgen van de uitvoering van het ontwerp-plan op de mens en zijn activiteiten, de fauna, de flora, de bodem, de ondergrond, het water, de lucht, het klimaat en de landschappen, het patrimonium, alsmede de wisselwerking tussen deze factoren;4. een analyse van de maatregelen die genomen moeten worden om de in 3° bedoelde effecten te voorkomen of te beperken;5. de mogelijke alternatieven en hun rechtvaardiging op grond van de punten 1° en 4°;6. de toelaatbare bestemmingen op grond van de kenmerken van het betrokken grondgebied;7. een niet-technische samenvatting van de bovenvermelde gegevens. In dit geval kiest de gemeenteraad onder de krachtens dit Wetboek en de wetgeving op de milieu-effectenevaluatie erkende personen, een privaat- of publiekrechtelijk natuurlijke of rechtspersoon die het onderzoek zal uitvoeren. § 3. Het College van burgemeester en schepenen houdt de gemeentelijke commissie, indien er één bestaat, op de hoogte van de evolutie van voorafgaande studies en deelt haar de resultaten daarvan mee. De gemeentelijke commissie kan voorstellen doen telkens als zij het nodig acht. Art. 51.§ 1. Na een analyse van de feitelijke en rechtstoestand neemt de gemeenteraad het ontwerp van gemeentelijk plan van aanleg voorlopig aan, in voorkomend geval samen met het effectenonderzoek, en geeft het College van burgemeester en schepenen opdracht om het aan een openbaar onderzoek te onderwerpen. Desnoods bepaalt de gemeenteraad dat het ontwerp-plan mag afwijken van het gewestplan en vermeldt hij de punten waarvoor het ontwerp van de voorschriften van het gewestplan afwijkt. § 2. Het openbaar onderzoek wordt aangekondigd zowel door aanplakking in de gemeente als door een bericht op de pagina's voor plaatselijk nieuws van drie Frans- of Duitstalige dagbladen, al naar gelang het geval. Het bericht kan ook bekendgemaakt worden in gemeentelijke informatiebladen of in reclamekranten die gratis aan de bevolking worden uitgedeeld. Zodra het openbaar onderzoek is aangekondigd, wordt het ontwerp-plan, in voorkomend geval samen met het effectenonderzoek, gedurende vijfenveertig dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis. De begin- en einddatum van deze termijn worden in de aankondiging vermeld. Tijdens het openbaar onderzoek belegt het College van burgemeester en schepenen een overlegvergadering waarvan notulen worden opgemaakt. Bezwaren en opmerkingen moeten vóór de einddatum van het onderzoek schriftelijk gericht worden aan het College van burgemeester en schepenen. Ze moeten gevoegd worden bij de notulen van de overlegvergadering en bij de slotnotulen van het openbaar onderzoek die binnen acht dagen na afloop ervan door het College van burgemeester en schepenen worden opgemaakt. § 3. Het dossier betreffende het ontwerp-plan, in voorkomend geval vergezeld van het effectenonderzoek, wordt met de bezwaren, opmerkingen en notulen binnen acht dagen na afloop van het openbaar onderzoek door het College van burgemeester en schepenen aan het advies van de gemeentelijke commissie of, bij gebreke hiervan, de gewestelijke commissie onderworpen en, eventueel, van de Waalse milieuraad voor duurzame ontwikkeling. Het advies wordt binnen zestig dagen na het verzoek van het College van burgemeester en schepenen uitgebracht; bij gebreke hiervan, wordt het geacht gunstig te zijn. § 4. Binnen de daarop volgende vijfenveertig dagen neemt de gemeenteraad kennis van het volledige dossier. Hij kan ofwel het gemeentelijk plan definitief aannemen ofwel beslissen het te wijzigen. In het laatste geval wordt overgegaan tot een nieuw openbaar onderzoek waarvan de regels en de termijn in dit artikel worden vermeld. Wanneer de gemeenteraad afwijkt van het advies van de gemeentelijke commissie of, bij gebreke hiervan, de gewestelijke commissie, moet zijn beslissing met redenen omkleed zijn. Art. 52.§ 1. De Regering keurt het gemeentelijk plan van aanleg goed of verwerpt het bij een met redenen omkleed besluit. Zij kan haar goedkeuring afhankelijk stellen van de overlegging van een onteigeningsplan. § 2. Het besluit van de Regering wordt genomen binnen zestig dagen, met ingang van de dag waarop de gemachtigde ambtenaar het volledige dossier in ontvangst neemt. Deze termijn kan bij een met redenen omkleed besluit één keer met dertig dagen verlengd worden. Indien het besluit van de Regering niet bij ter post aangetekend schrijven met ontvangbewijs naar het College van burgemeester en schepenen wordt verzonden, kan dit laatste de Regering een rappelbrief toesturen bij ter post aangetekend schrijven met ontvangbewijs. Indien het College van burgemeester en schepenen het besluit van de Regering niet heeft ontvangen na afloop van een nieuwe termijn van dertig dagen die ingaat op de verzenddatum van de aangetekende rappelbrief, wordt het gemeentelijk plan van aanleg geacht goedgekeurd te zijn, met uitzondering van het eventueel bijgevoegde onteigeningsplan. Wijkt het gemeentelijk plan van aanleg echter af van het gewestplan, dan wordt het geacht geweigerd te zijn. § 3. In het Belgisch Staatsblad wordt op initiatief van de meest gerede betrokken partij hetzij het besluit van de Regering bekendgemaakt, hetzij het bericht waarbij het College van burgemeester en schepenen de stilzwijgende goedkeuring van het gemeentelijk plan van aanleg vaststelt, hetzij het bericht waarbij het plan geacht wordt geweigerd te zijn. Binnen tien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad wordt een afschrift van het goedgekeurde gemeentelijk plan van aanleg naar het College van burgemeester en schepenen en de gemachtigde ambtenaar gezonden. Het gemeentelijk plan van aanleg ligt ter inzage in het gemeentehuis. Het publiek wordt ingelicht op de in artikel 112 van de nieuwe gemeentewet bedoelde wijze. Afdeling IV Herzieningsprocedure Art. 53.De regels voor het opmaken van gemeentelijke plannen van aanleg gelden ook voor de herziening ervan. Afdeling V - Opmaak en herziening door de Regering Art. 54.De Regering kan bij een met redenen omkleed besluit, op eigen initiatief of op verzoek van de gemeenteraad, besluiten : 1. tot de opmaak van een gemeentelijk plan van aanleg met het oog op de gehele of gedeeltelijke herziening of nietigverklaring van een verkavelingsvergunning die niet overeenstemt met de later van kracht geworden plannen of die strijdig is met werken van algemeen nut;2. tot de herziening van een gemeentelijk plan van aanleg : a.waarvan het bereik geheel of gedeeltelijk onder de toepassing valt van een gewestelijk stedebouwkundig reglement; b. waarvan één of meer voorschriften onverenigbaar zijn met die van een gewestplan dat later van kracht geworden is;c. dat niet langer overeenstemt met de perceelplannen die goedgekeurd zijn krachtens artikel 6 van de wet van 12 juli 1956Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/07/1956 pub. 06/07/2011 numac 2011000414 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen sluiten tot instelling van het statuut van de autosnelwegen of met de voorschriften van de reglementen die krachtens artikel 10 van deze wet zijn genomen;d. dat strijdig is met werken van algemeen nut;3. na advies van de gewestelijke commissie, tot de opmaak of de herziening van een gemeentelijk plan van aanleg dat afwijkt van het gewestplan met het oog op de opneming van een bebouwingsgebied, in welk geval de Regering een effectenonderzoek kan opleggen;het advies van de gewestelijke commissie wordt binnen vijfenveertig dagen na het verzoek van de Regering uitgebracht; bij gebreke hiervan wordt het geacht gunstig te zijn; 4. in de gevallen die niet in 3° voorkomen, tot de opmaak of de herziening van een gemeentelijk plan van aanleg dat van het gewestplan afwijkt. Art. 55.Indien de gemeenteraad de in artikel 47 bedoelde verplichting tot aanneming van een gemeentelijk plan van aanleg niet binnen de voorgeschreven termijn nakomt, of indien hij een aan zijn goedkeuring onderworpen plan van aanleg verwerpt, kan de Regering het plan in zijn plaats opmaken of herzien. Art. 56.In deze gevallen kiest de Regering, onder de krachtens artikel 11 erkende personen, de publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die het voorontwerp van het gemeentelijk plan van aanleg zullen opmaken en, onder de personen erkend krachtens dit Wetboek en de wetgeving op de milieu-effectenevaluatie, degenen die in voorkomend geval het in artikel 50, § 2, bedoelde effectenonderzoek zullen uitvoeren. De Regering treedt op in de plaats van de gemeenteraad of het College van burgemeester en schepenen op de wijze en binnen de termijn bedoeld in de artikelen 50, 51 en 52. Het openbaar onderzoek wordt evenwel georganiseerd door en op kosten van de gemeente. Afdeling VI - Gevolgen van een gemeentelijk plan van aanleg Art. 57.De goedkeuring of de aanneming van een gemeentelijk plan van aanleg door de Regering stelt de gemeente vrij van alle andere wettelijke formaliteiten inzake rooiplannen. De gemeenteraad bepaalt de rooiplannen die nodig zijn voor de uitvoering van het gemeentelijk plan van aanleg. HOOFDSTUK IV - Onteigeningen en vergoedingen Art. 58.De onroerende goederen die nodig zijn voor de uitvoering van de voorschriften van de gewestplannen of de gemeentelijke plannen van aanleg kunnen verworven worden door onteigening ten algemenen nutte. De onteigenende machten zijn : het Gewest, de provincies, de gemeenten, de autonome gemeentebedrijven en de openbare inrichtingen en instellingen gemachtigd bij de wet of bij het decreet tot onteigening ten algemenen nutte. Wanneer de geplande onteigening bedoeld is voor de inrichting van een gebied dat bestemd is voor verkaveling met het oog op de oprichting van woon- of handelsgebouwen, heeft/hebben de eigenaar(
- s)van meer dan de helft van de binnen die omvang gelegen percelen, het recht te vragen om binnen de termijn en onder de voorwaarden die door de onteigenende macht worden bepaald, belast te worden met de uitvoering van de voor deze inrichting vereiste werken, alsmede met de herverkavelings- of ruilverkavelingswerken, voor zover zij kunnen aantonen dat zij over de nodige middelen beschikken. Deze aanvraag moet, op straffe van uitsluiting, ingediend worden binnen drie maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit van de Regering tot goedkeuring van het onteigeningsplan. Wanneer de onteigening bedoeld is voor de inrichting van een gebied dat krachtens artikel 49, eerste lid, 3°, een bijzondere bestemming heeft, kan/kunnen de eigenaar(
- s)onder de bovenbedoelde voorwaarden vragen om belast te worden met de uitvoering van de inrichtingswerkzaamheden. In de gevallen bedoeld in de leden 1 tot 5 zal de onteigenende macht, op verzoek van de personen die met de inrichting van het gebied belast zijn, de nodige onroerende goederen onteigenen indien een verkrijging in der minne onmogelijk is. Art. 59.Om over te gaan tot de onteigeningen die nodig zijn voor de uitvoering van een plan van aanleg, moet de onteigenende macht in het bezit zijn van een door de Regering goedgekeurd onteigeningsplan dat van toepassing is op een deel of op het geheel van het in het plan van aanleg opgenomen gebied. Het besluit van de Regering kan tegelijkertijd betrekking hebben op het plan van aanleg en op het desbetreffende onteigeningsplan. Art. 60.Het onteigeningsplan moet de omvang van de te onteigenen - vrijstaande of in zones gegroepeerde - onroerende goederen vermelden, evenals, op grond van het kadaster, de sectie, de nummers, de oppervlakte en de aard van de percelen, alsmede de naam van de eigenaars. Het plan moet eveneens de onteigenende macht(
- en)vermelden. Wat de werken en vastgoedverrichtingen betreft, mag het plan zich beperken tot de bepalingen van het plan van aanleg. Art. 61.§ 1. Indien het onteigeningsplan en het plan van aanleg tegelijkertijd worden opgemaakt, worden ze samen onderworpen aan de regels voor de opmaak van het plan van aanleg. Daarenboven worden de eigenaars van de goederen die gelegen zijn binnen de omvang van de te onteigenen onroerende goederen, schriftelijk en thuis persoonlijk verwittigd dat het ontwerp in het gemeentehuis ligt. Indien een andere macht, openbare inrichting of instelling dan de gemeente waar de goederen gelegen zijn, besluit tot de onteigening, vallen de kosten voor het door de gemeente verricht openbaar onderzoek ten laste van de onteigenaar. § 2. Indien het onteigeningsplan na het plan van aanleg wordt opgemaakt, dan wordt het door de gemeente aan een openbaar onderzoek onderworpen. Dit wordt aangekondigd zowel door aanplakking als door een bericht op de pagina's voor plaatselijk nieuws van drie Frans- of Duitstalige dagbladen, al naar gelang het geval. Het bericht kan ook bekendgemaakt worden in gemeentelijke informatiebladen of in reclamekranten die gratis aan de bevolking worden uitgedeeld. Het onteigeningsplan wordt gedurende dertig dagen voor een ieder ter inzage gelegd in het gemeentehuis. De begin- en einddatum van deze termijn worden in de aankondiging vermeld. De eigenaars van de goederen die gelegen zijn binnen de omvang van de te onteigenen onroerende goederen worden schriftelijk en thuis persoonlijk verwittigd dat het ontwerp in het gemeentehuis ligt. Bezwaren en opmerkingen moeten binnen de in het tweede lid bedoelde termijn van 30 dagen gericht worden aan het College van burgemeester en schepenen en gevoegd worden bij de slotnotulen van het openbaar onderzoek. Wanneer het onteigeningsplan wordt opgemaakt door een andere onteigenende macht dan de gemeente, brengt de gemeenteraad advies uit binnen de voor het openbaar onderzoek voorgeschreven termijn. Bij gebreke hiervan wordt het advies geacht gunstig te zijn. Het College van burgemeester en schepenen maakt de notulen op binnen vijftien dagen na het verstrijken van deze termijn. De Regering keurt het onteigeningsplan goed binnen zestig dagen na ontvangst van het volledige dossier. Deze termijn kan met dertig dagen verlengd worden bij een met redenen omkleed besluit. Indien het besluit van de Regering niet binnen deze termijn wordt toezonden, kan de onteigenende macht haar een rappelbrief bij ter post aangetekend schrijven toesturen. Indien de onteigenende macht het besluit van de Regering niet heeft ontvangen na afloop van een nieuwe termijn van zestig dagen die ingaat op de verzenddatum van de aangetekende rappelbrief, wordt het gemeentelijk plan van aanleg geacht verworpen te zijn. Het goedkeuringsbesluit wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Art. 62.Elk onteigeningsplan dat opgemaakt wordt krachtens dit boek, wordt vóór het besluit van de Regering onderworpen aan het advies van een commissie bestaand uit drie deskundigen die voor drie jaar door de Regering worden benoemd, en uit twee vertegenwoordigers van de Regering. De commissie moet zich uitspreken binnen dertig dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt. Art. 63.De onteigenende macht die in het bezit is van een krachtens dit boek door de Regering goedgekeurd onteigeningsplan, wordt vrijgesteld van de administratieve formaliteiten die opgelegd worden bij alle andere wetsbepalingen inzake onteigening ten algemenen nutte. Art. 64.Bij de berekening van de waarde van het onteigende onroerend goed wordt geen rekening gehouden met de meerwaarde of de minderwaarde die voortvloeit uit de voorschriften van het plan van aanleg, noch met de verhoogde waarde van het goed ten gevolge van werken of verbouwingen die uitgevoerd werden met overtreding van de voorschriften van het plan van aanleg, indien de werkzaamheden worden uitgevoerd na de sluiting van het openbaar onderzoek. Art. 65.Onteigeningen die achtereenvolgens worden afgekondigd met het oog op de uitvoering van het - zelfs herziene - plan van aanleg worden voor de schatting van de waarde van de te onteigenen goederen als een geheel beschouwd op de datum van het eerste onteigeningsbesluit. Art. 66.Op verzoek van de onteigenende macht worden de comités voor de aankoop van onroerende goederen, die onder het Ministerie van Financiën ressorteren, belast met alle aankopen en onteigeningen van onroerende goederen met het oog op de uitvoering van de plannen van aanleg, alsmede met het sluiten van alle overeenkomsten i.v.m. de ruilverkaveling of de herverkaveling van vastgoed. Ongeacht de onteigenende macht, zijn voormelde comités alsmede de ontvangers der domeinen steeds gemachtigd om zonder bijzondere formaliteiten over te gaan tot de openbare of onderhandse verkoop van goederen die krachtens de plannen van aanleg werden aangekocht of onteigend. Van de in dit lid bedoelde akten kunnen afschriften worden verkregen. De voorzitters van de aankoopcomités zijn bevoegd om de onteigenende macht in rechte te vertegenwoordigen. Art. 67.De in dit hoofdstuk bedoelde onteigeningen worden voortgezet overeenkomstig de rechtsprocedure die werd ingevoerd bij de wetten van 27 mei 1870 en 9 september 1907, of bij de wet van 10 mei 1926. Wanneer de onmiddellijke inbezitneming van een onroerend goed of een groep onroerende goederen echter nodig is, stelt de Regering dit vast in haar besluit waarbij het onteigeningsplan bindende kracht verkrijgt, of in een afzonderlijk besluit. In dat geval wordt de procedure toegepast die werd ingevoerd bij de artikelen 2 tot 20 van de wet van 26 juli 1962Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/07/1962 pub. 26/02/2010 numac 2010000080 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de rechtspleging bij dringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. Art. 68.Wanneer de in artikel 58 bedoelde goederen niet verworven worden binnen een termijn van 10 jaar, te rekenen vanaf de goedkeuring van het onteigeningsplan, of wanneer de onteigeningsprocedure niet wordt ingezet binnen dezelfde termijn, kan de eigenaar de bevoegde overheid bij ter post aangetekende brief vragen van de onteigening van zijn goed af te zien. Indien het om een andere overheid gaat dan het Waalse Gewest, dan wordt de ingebrekestelling bij ter post aangetekend schrijven meegedeeld aan de Regering of aan de gemachtigde ambtenaar. Indien een stedebouwkundige of een verkavelingsvergunning vóór de inwerkingtreding van een plan van aanleg wordt geweigerd om de toekomstige inrichting niet in het gedrang te brengen, dan loopt de termijn van tien jaar vanaf de datum waarop de weigering van de vergunning werd verzonden. Indien de bevoegde overheid zich niet heeft uitgesproken binnen een termijn van één jaar na de datum waarop de aangetekende brief werd verstuurd, kan de eigenaar binnen de in artikel 70 bedoelde perken vergoed worden. Art. 69.De bepalingen van de artikelen 59 tot 67 zijn van toepassing op verwervingen van goederen die nodig zijn voor de uitvoering van de rooiplannen. De Regering kan bij haar besluit evenwel bepalen dat het goedgekeurde plan slechts uitgevoerd kan worden naarmate de stedebouwkundige of verkavelingsaanvragen worden ingediend. In dat geval zijn de bepalingen van artikel 68 niet van toepassing. Art. 70.Wanneer het bouwverbod, zoals bedoeld in artikel 84, § 1, 1°, of het verkavelingsverbod dat voortspruit uit een plan met bindende kracht, een einde maakt aan het gebruik waarvoor een onroerend goed bestemd is op de dag vóór die waarop voormeld plan van kracht wordt, moet het Gewest of de gemeente, al naar gelang het geval, een vergoeding betalen. De geschatte waardevermindering die in aanmerking komt voor de berekening van de vergoeding, is het verschil tussen enerzijds de waarde van het goed bij de aankoop, geactualiseerd tot de dag waarop het recht op vergoeding ontstaat, en verhoogd met de lasten en kosten die vóór de inwerkingtreding van het plan gedragen worden door de rechthebbende op de vergoeding, en anderzijds de waarde van het goed bij het ontstaan van het recht op vergoeding na de inwerkingtreding van het plan. Alleen de waardevermindering die uit het plan voortvloeit, kan in aanmerking genomen worden voor de vergoeding. Het recht op vergoeding ontstaat hetzij bij de verkoop van het goed, hetzij bij de weigering van een stedebouwkundige of een verkavelingsvergunning, hetzij bij de afgifte van een negatief stedebouwkundig attest dat daarop betrekking heeft. De Regering bepaalt de regels voor de uitvoering van dit artikel, met name wat betreft de vaststelling van de waarden van het goed, alsmede de aanpassing daarvan. Een waardevermindering van het goed ten gevolge van het bouw- of verkavelingsverbod wordt echter niet vergoed onder twintig procent van die waarde. De vergoeding wordt beperkt of geweigerd indien en in zoverre is bewezen dat de aanvrager eigenaar is van andere goederen in het Waalse Gewest die voordeel halen uit de toepassing van een plan van aanleg of uit werkzaamheden die op kosten van de overheid worden uitgevoerd. Aan de verplichting tot vergoeding kan, zelfs in geval van eigendomsoverdracht van het goed, voldaan worden krachtens een met redenen omkleed besluit waarbij de Regering beslist tot of toestemming geeft voor de herziening van voormeld plan van aanleg ten einde het goed de bestemming terug te geven die het had op de dag vóór die waarop het plan van kracht is geworden. Wanneer, krachtens een plan dat bindende kracht heeft, bouwverbod kan worden opgelegd aan de koper van een kavel, kan het Gewest of de gemeente zichzelf vrijstellen van de verplichting tot vergoeding door het perceel van de betrokkene af te kopen, mits terugbetaling van de door deze laatste betaalde prijs, lasten en kosten. Indien de betrokkene alleen het hierboven bedoelde perceel in eigendom heeft, kan hij eisen dat het Gewest of de gemeente het afkoopt. Dat moet hij meedelen in een bij ter post aangetekende brief die binnen twaalf maanden na de bekendmaking van voormeld plan te verzenden is. In dat geval moet het perceel hem afgekocht en betaald worden binnen twaalf maanden na de mededeling. De Regering regelt de toepassing van deze bepaling. In de onderstaande gevallen is geen enkele vergoeding verschuldigd : 1. bouw- of verkavelingsverbod ten gevolge van de geplande onteigening van een goed, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 68;2. verbod tot oprichting op hetzelfde perceel van meer gebouwen dan is toegelaten in het plan of verbod tot overschrijding van de in het plan vastgelegde bebouwingscoëfficiënt van een verkaveling;3. verbod tot exploitatie van gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke inrichtingen buiten de periode waarvoor de exploitatievergunning wordt afgegeven;4. verbod tot bouwen op een terrein dat de in het plan van aanleg vastgelegde minimale afmetingen niet haalt;5. verkavelings- of bouwverbod voor een terrein dat niet aangesloten is op een weg met de nodige voorzieningen, rekening houdende met de ligging;6. bouw- of verkavelingsverbod buiten de agglomeratie wegens de dwingende eisen van de verkeersveiligheid;7. bouw- of verkavelingsverbod voor een terrein waarvoor een eerder toegekende stedebouwkundige of verkavelingsvergunning vervalt op de dag van inwerkingtreding van het plan waarbij het verbod is opgelegd;8. voor gebouwen of vaste installaties die door een natuurramp zijn vernietigd, wanneer het verbod tot wederopbouw voortvloeit uit het koninklijk besluit genomen ter uitvoering van artikel 12, § 3, eerste lid, van de wet van 12 juli 1976 betreffende de herstelling van bepaalde schade aan privé goederen veroorzaakt door natuurrampen;9. bouw- of verkavelingsverbod ten gevolge van het opmaken van een gemeentelijk plan van aanleg, zoals bedoeld in artikel 54, 1°, of van de herziening van een gemeentelijk plan van aanleg, zoals bedoeld in artikel 54, 2°, b;10. bouw- of verkavelingsverbod voor een terrein dat onderhevig is aan een zware fysische druk, zoals bedoeld in artikel 136. Art. 71.De aanvragen om schadevergoeding vallen, ongeacht hun bedrag, onder de bevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg; tegen de uitspraken kan beroep worden ingesteld. De rechtsvorderingen verjaren één jaar na de dag waarop het recht tot vergoeding overeenkomstig artikel 70, derde lid, ontstaat, en tien jaar na de inwerkingtreding van het plan van aanleg. Deze laatste termijn wordt op vijftien jaar gebracht voor de in artikel 68, vierde lid, bedoelde vorderingen tot schadevergoeding. HOOFDSTUK V - Ruilverkaveling en herverkaveling Art. 72.In geval van ruilverkaveling of herverkaveling wordt het vroegere goed werkelijk vervangen door het verkavelde goed of het nieuwe perceel. Mits inachtneming van de onderstaande openbaarmakingsregels en onder voorbehoud van wijzigingen die voortvloeien uit bijzondere overeenkomsten : 1. worden de voorrechten en hypotheken en alle zakelijke rechten, met uitzondering van de erfdienstbaarheden, die het vroegere goed bezwaarden, de vernietigings-, herroepings- en ontbindingsoorzaken die het recht van de eigenaar van het goed betroffen, alsmede allerlei vorderingen die m.b.t. het goed werden ingesteld, van rechtswege overgedragen op het geheel van het verkavelde goed, met inbegrip van de nieuwe delen die erin zijn opgenomen, of op het nieuwe perceel dat het vroegere onroerend goed vervangt, alsmede, in voorkomend geval, op de prijs, de opleg of het saldo van de opleg waarop de eigenaar van het vroegere goed recht heeft ten gevolge van de ruilverkaveling of de herverkaveling in haar geheel; 2. zijn de gebouwen of delen van gebouwen die ten gevolge van de ruilverkaveling of herverkaveling overgedragen worden naar het patrimonium van één of meer andere eigenaars, gezuiverd van alle bovenvermelde rechten, vernietigings-, herroepings- en ontbindingsoorzaken en vorderingen. De schuldenaar wordt wettig bevrijd door de prijs of de opleg aan de deposito- en consignatiekas te betalen. Art. 73.In geval van vernietiging, herroeping of ontbinding vindt de ambtshalve overdracht plaats onverminderd de vergoedingsregeling die door de partijen moet worden toegepast telkens als het verkavelde goed of het nieuwe perceel een hogere waarde heeft dan het vroegere goed. Art. 74.De gevolgen van de ruilverkaveling, zoals bedoeld in artikel 72, kunnen pas dan aan derden tegengeworpen worden wanneer de akte tot vaststelling van de ruilverkaveling of herverkaveling overgeschreven wordt op het kantoor van de hypotheekbewaarder van de plaats waar de goederen gelegen zijn, en, wat betreft de overdracht of de uitdoving van de voorrechten en hypotheken, vanaf de dag waarop de inschrijving m.b.t. deze rechten het voorwerp heeft uitgemaakt van een kanttekening. De kanttekening wordt aangebracht op verzoek van het aankoopcomité of van de onteigenende macht, na overlegging van de ruilverkavelings- of herverkavelingsakte en van een lijst in twee exemplaren met, naast de vermelding van de aan te brengen kanttekeningen, : 1. de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de partijen en die van de schuldeiser;2. de akten op grond waarvan de voorrechten of hypotheken worden overgedragen;3. de nieuwe beschrijving van het verkavelde of herverkavelde onroerend goed;4. de aanwijzingen voorgeschreven bij artikel 12 van de wet van 10 oktober 1913. De hypotheekbewaarder bezorgt de eiser de akte en één van de lijsten, waarop hij onderaan bevestigt de kanttekening te hebben aangebracht. Indien het Gewest de vastgoedtransacties voor haar rekening neemt, moet ze de kosten dragen voor de hypothecaire formaliteiten betreffende de rechten die de verkavelde of herverkavelde onroerende goederen bezwaren. Art. 75.Behalve het pachtcontract, dat nog steeds onder de toepassing valt van de bepalingen van de wet van 4 november 1969 op de huurpacht en van de wet van 22 juli 1970 betreffende de wettige verkaveling van landelijke goederen, wordt het huurrecht m.b.t. verkavelde of herverkavelde goederen overgedragen op het nieuwe perceel dat aan de verhuurder is toegewezen, behoudens vermindering of verhoging van de huurprijs en tenzij de huurder voor de ontbinding kiest. TITEL IV - Stedebouwkundige reglementen HOOFDSTUK I - Gewestelijke stedebouwkundige reglementen Art. 76.De Regering kan één of meer gewestelijke stedebouwkundige reglementen uitvaardigen met de nodige voorschriften i.v.m. : 1. de gezondheid, instandhouding, stevigheid en fraaiheid van de gebouwen, installaties en hun omgeving, alsmede hun veiligheid, met name de beveiliging tegen brand en voorspelbare natuurrisico's, met inbegrip van de grote fysische druk bedoeld in artikel 136;2. de instandhouding, gezondheid, veiligheid, bruikbaarheid en schoonheid van de wegen, de toegangswegen en de omgeving ervan;3. de aansluiting van de onroerende goederen op voorzieningen van algemeen nut, met name water, gas, elektriciteit, verwarming, telecommunicatie en ophaling van huisvuil;4. de verblijfskwaliteit in toeristische plaatsen, met name door het voorkomen van lawaai, stof en geuren veroorzaakt door werkzaamheden, en door op bepaalde uren en dagen werkverbod op te leggen;5. de thermische en akoestische kwaliteit van de bouwwerken, de energiebesparing en -terugwinning;6. wat personen met verminderde beweeglijkheid betreft, de bereikbaarhe id en het gebruik van ruimtes en gebouwen of gedeelten van gebouwen die voor het publiek of voor gemeenschappelijk gebruik bestemd zijn;7. de bescherming van één of meer van de in artikel 40 bedoelde gebieden. De Regering kan ook één of meer gewestelijke stedebouwkundige reglementen uitvaardigen i.v.m. de verdeling en de perceelsgewijze verkoop van een terrein. Deze reglementen kunnen de aanvrager desnoods technische of financiële lasten opleggen of regels voorschrijven waarbij de terreinen bestemd zijn voor groene ruimtes, openbare en gemeenschappelijke gebouwen of voorzieningen. Deze reglementen kunnen betrekking hebben op boven- en ondergrondse bouwwerken en installaties, uithangborden, reclame- en aanplakzuilen, antennes, leidingen, omheiningen, opslagplaatsen, aanplantingen, wijzigingen van het bodemreliëf en de aanleg van verkeers- en parkeerruimte buiten de openbare weg. Deze reglementen houden rekening met de voorschriften die van toepassing zijn op de federale wegen. Ze mogen desnoods van deze voorschriften afwijken indien ze behoorlijk gegrond zijn. Art. 77.Deze reglementen zijn van toepassing op het hele grondgebied van het Waalse Gewest, op een gedeelte ervan waarvan ze de grenzen vastleggen, of op categoriëen van gemeenten of van gedeelten van gemeenten die ze nader bepalen. HOOFDSTUK II - Gemeentelijke stedebouwkundige reglementen Art. 78.§ 1. De gemeenteraad kan één of meer gemeentelijke stedebouwkundige reglementen uitvaardigen. Deze reglementen vullen in voorkomend geval de voorschriften van de gewestelijke stedebouwkundige reglementen aan en mogen er niet van afwijken. Ze bevatten voor het hele gemeentelijke grondgebied of voor een deel ervan waarvan ze de grenzen vastleggen : 1. wat zowel de hoofd- als de bijgebouwen betreft, de voorschriften i.v.m. de dakconstructie, de dakhoogte en -hellingen, het gebintewerk, alsmede de deur- en vensteropeningen; 2. wat de wegen en de openbare ruimtes betreft, de voorschriften i.v.m. het wegenisprofiel, de verhardingstechniek, de grondversteviging, het straatmeubilair, de aanplantingen, de parkeerruimtes, de reclameborden en -procédés, alsmede de buizen, kabels en leidingen. Ze kunnen bovendien elk ander in artikel 76 bedoeld gegeven bevatten. § 2. De gemeentelijke stedebouwkundige reglementen kunnen hetzij één, hetzij meer van de in § 1 bedoelde gegevens bevatten. Art. 79.§ 1. Het gemeentelijk stedebouwkundig reglement wordt opgemaakt op initiatief van de gemeenteraad. De gemeenteraad kiest onder de overeenkomstig artikel 11 erkende personen een privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die het voorontwerp van gemeentelijk reglement zal opmaken. De gemeentelijke commissie, indien er één is, wordt op de hoogte gehouden van voorafgaande studies en kan voorstellen doen telkens als ze het nodig acht. § 2. De gemeenteraad neemt het ontwerp van gemeentelijk stedebouwkundig reglement voorlopig aan en laat het door het College van burgemeester en schepenen gedurende 30 dagen aan een openbaar onderzoek onderwerpen. Het openbaar onderzoek wordt bekendgemaakt zowel door aanplakking als door een bericht op de pagina's voor plaatselijk nieuws van drie Frans- of Duitstalige dagbladen, al naar gelang het geval. Het bericht kan ook bekendgemaakt worden in gemeentelijke informatiebladen of in reclamekranten die gratis aan de bevolking worden uitgedeeld. Tijdens het openbaar onderzoek wordt op initiatief van het College van burgemeester en schepenen een informatievergadering belegd waarvan de plaats, de dag en het tijdstip in de aankondiging worden vermeld. § 3. Het ontwerp van gemeentelijk stedebouwkundig reglement, de bezwaren en opmerkingen moeten binnen acht dagen na het einde van het onderzoek worden onderworpen aan het advies van de gemeentelijke of van de gewestelijke commissie. Het advies wordt ingediend binnen zestig dagen na het verzoek van het College van burgemeester en schepenen. Bij gebreke hiervan wordt het geacht gunstig te zijn. § 4. De gemeenteraad neemt het gemeentelijk stedebouwkundig reglement aan. Binnen zestig dagen na ontvangst van het volledige dossier kan de Regering het reglement bij een met redenen omkleed besluit goedkeuren of weigeren. Deze termijn kan één keer met dertig dagen verlengd worden bij een met redenen omkleed besluit. Indien het besluit van de Regering niet binnen de voorgeschreven termijn wordt toegezonden, wordt het gemeentelijk stedebouwkundig reglement geacht goedgekeurd te zijn. HOOFDSTUK III - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 80.De regels voor het opmaken van een gewestelijk of gemeentelijk stedebouwkundig reglement gelden ook voor de wijziging ervan. Art. 81.Wanneer een gewestelijk stedebouwkundig reglement van kracht wordt, brengt de gemeenteraad het (
- de)geldend(
- e)gemeentelijk(
- e)stedebouwkundig(
- e)reglement(
- en)in overeenstemming met de voorschriften van het gewestelijk reglement, hetzij op eigen initiatief, hetzij binnen een termijn die haar door de Regering wordt opgelegd. De niet-conforme bepalingen van de gemeentelijke reglementen worden van rechtswege opgeheven door het gewestelijk stedebouwkundig reglement. Art. 82.De plannen van aanleg heffen de andersluidende bepalingen van de gemeentelijke stedebouwkundige reglementen van rechtswege op, wat betreft het grondgebied waarop ze betrekking hebben. In de nieuwe gemeentelijke stedebouwkundige reglementen mag niet worden afgeweken van de bepalingen van de van krachtzijnde plannen van aanleg. Art. 83.De gewestelijke en gemeentelijke stedebouwkundige reglementen kunnen een vergunning opleggen voor de uitvoering van handelingen en werken die niet in artikel 84, § 1, voorkomen. Deze handelingen en werken zijn niet onderworpen aan dergelijke vergunning indien ze voorkomen op de lijst bedoeld in artikel 84, § 2, tweede lid, 1°. TITEL V - Stedebouwkundige vergunningen en attesten HOOFDSTUK I - Stedebouwkundige vergunning Afdeling I - Handelingen en werken waarvoor een stedebouwkundige vergunning vereist is Art. 84.§ 1. Zonder voorafgaande, schriftelijke en uitdrukkelijke stedebouwkundige vergunning van het College van burgemeester en schepenen, is het verboden : 1. op een terrein te bouwen of het te gebruiken voor de oprichting van één of meer vaste installaties.Onder "vaste installaties bouwen of plaatsen" verstaat men de oprichting van een gebouw of een kunstwerk, en het plaatsen - zelfs met niet-duurzame materialen - van een installatie, die in de grond zijn ingebouwd, eraan zijn vastgehecht of erop steunen, en die bestemd zijn om ter plaatse te blijven, zelfs als ze demonteer- of verplaatsbaar zijn; 2. één of meer uithangborden of reclamezuilen te plaatsen;3. bouwwerken af te breken;4. te herbouwen;5. een bestaand gebouw te verbouwen, met inbegrip van de oprichting van minstens twee woningen, studio's, flats of studentenkamers, met uitzondering van instandhoudings- en onderhoudswerken onverminderd 14°;onder "verbouwen" verstaat men de aanleg- en inrichtingswerken die schade toebrengen aan de draagstructuren van het gebouw of die een wijziging van het gebouwde volume of de architectuur als gevolg hebben; 6. de bestemming van een gebouw geheel of gedeeltelijk te wijzigen, voor zover deze wijziging voorkomt op een lijst die de Regering heeft opgemaakt met inachtneming van de volgende criteria : a.de weerslag op de omgeving; b. de hoofdfunctie van het gebouw;7. het bodemreliëf aanzienlijk te wijzigen;8. te bebossen, met uitzondering van de bosbouw in bosgebieden;9. te ontbossen;10. losstaande hoogstammige bomen te vellen in groengebieden die krachtens een geldend plan zijn ingericht, alsmede bomen te vellen die geplant zijn op een goed dat het voorwerp van een verkaveling heeft uitgemaakt;11. één of meer bijzondere bomen of hagen te vellen of hun aspect te wijzigen, voor zover deze bomen en hagen voorkomen op een door de Regering opgemaakte lijst;12. de plantengroei te verwijderen of te wijzigen op heiden, in venen of in elk ander gebied waarvan de Regering de bescherming noodzakelijk acht, met uitzondering van de toepassing van een bijzonder plan voor het beheer van een domaniaal natuurreservaat, dat is opgemaakt door de Regering overeenkomstig artikel 14 van de wet van 12 juli 1943 op het natuurbehoud;13. een terrein doorgaans te gebruiken voor : a.de opslag van één of meer afgedankte wagens, schroot, materialen of afvalstoffen; b. de plaatsing van één of meer mobiele installaties, zoals woonwagens, caravans, afgedankte voertuigen en tenten, met uitzondering van mobiele installaties die door een camping-caravaningvergunning zijn toegelaten;14. instandhoudingswerken in de zin van artikel 185, 7°, uit te voeren of te laten uitvoeren op een onroerend goed dat op de in artikel 189 bedoelde beschermingslijst staat of dat overeenkomstig artikel 192 beschermd is;voor deze werken wordt geen vergunning vereist indien het binnen- en buitenuitzicht van het goed, de materialen en de kenmerken die de beschermingsmaatregelen hebben gewettigd, er niet door gewijzigd worden. § 2. De bepalingen van dit Wetboek zijn van toepassing op de handelingen en werken die niet in § 1 worden opgesomd wanneer een stedebouwkundig reglement een vergunning oplegt voor de uitvoering ervan en voor zover ze niet voorkomen op de lijst bedoeld in het tweede lid. De Regering bepaalt de lijst van de minder belangrijke handelingen en werken waarvoor niet moet worden voldaan aan de onderstaande vereisten : 1. een vergunning;2. de medewerking van een architect;3. het eensluidend advies van de in artikel 108 of in artikel 131 bedoelde gemachtigde ambtenaar. Deze lijst geldt echter niet voor handelingen en werken betreffende onroerende goederen die opgenomen zijn op de beschermingslijst, beschermd zijn, gelegen zijn in een in artikel 205 bedoeld beschermingsgebied of in een landschap dat voorkomt in de atlas waarvan sprake in artikel 215, behalve indien de onroerende goederen bestanddelen zijn van het in artikel 185, 11°, bedoelde klein volkspatrimonium. Art. 85.De notaris, de verkoper of zijn lasthebber vermelden in elke koopakte of in elke huurovereenkomst boven negen jaar, alsook in elke akte tot vestiging van een zakelijk recht op een onroerend goed, de bestemming van het onroerend goed die op het moment van de akte in de plannen van aanleg is vastgelegd, en de verklaring van de koper, de verhuurder of de hypotheekgever waarbij zij in voorkomend geval kunnen aantonen dat het goed onderworpen is aan een niet vervallen stedebouwkundige vergunning van minder dan tien jaar of een geldig stedebouwkundig attest waarvan de volledige inhoud in de akte is opgenomen, en dat er geen andere verbintenis bestaat m.b.t. de mogelijkheid om de in artikel 84, § 1, en, in voorkomend geval, in artikel 84, § 2, eerste lid, bedoelde werken op het goed uit te voeren of te handhaven. Bovendien wordt erop gewezen dat geen van de in artikel 84, § 1, en, in voorkomend geval, artikel 84, § 2, eerste lid, bedoelde handelingen en werken zonder stedebouwkundige vergunning op het goed mag worden uitgevoerd. Op initiatief van de verkoper of zijn lasthebber wordt dezelfde verklaring opgenomen in de onderhandse akten en in de authentieke akten tot vaststelling van deze verrichtingen. Afdeling II - Stedebouwkundige lasten Art. 86.§ 1. De stedebouwkundige vergunning wordt geweigerd of is aan voorwaarden onderworpen, ook voor waterzuiveringsstations, indien moet worden gebouwd op een terrein dat niet aangesloten is op een weg met de nodige water- en stroomvoorzieningen, een stevige bedekking en de nodige breedte, rekening houdende met de ligging. § 2. Het College van burgemeester en schepenen, de gemachtigde ambtenaar en de Regering kunnen de afgifte van de vergunning afhankelijk stellen van lasten waarvan zij menen dat ze, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, door de aanvrager moeten worden gedragen. Behalve de financiële waarborgen voor de uitvoering van de werken, hebben de lasten van de aanvrager alleen betrekking op de aanleg of de vernieuwing op zijn kosten van wegen of openbare groene ruimtes. Bovendien kunnen zij de afgifte van de vergunning afkankelijk stellen van een verklaring waarin de aanvrager zich ertoe verbindt de wegen of openbare groene ruimtes die hij in eigendom heeft, gratis, vrij van alle lasten en kosten aan de gemeente af te staan, zodra de werken zijn aangevat. De Regering kan regels voor de toepassing van deze paragraaf vaststellen. Afdeling III - Verval en verlenging van de stedebouwkundige vergunning Art. 87.§ 1. De vergunning vervalt indien de begunstigde binnen twee jaar na de verzending ervan niet op een significante wijze met de werken is gestart. § 2. De vergunning vervalt voor de overige werken indien deze niet volledig werden uitgevoerd binnen vijf jaar na de verzending ervan, behalve wanneer ze in fasen uitgevoerd mogen worden. In dat geval bepaalt de vergunning de vervaldatum voor elke fase, met uitzondering van de eerste. De vergunning vervalt van rechtswege. § 3. De vergunning kan evenwel met één jaar verlengd worden op verzoek van de begunstigde ervan. Het verzoek moet ingediend worden binnen dertig dagen vóór de in § 1 bedoelde vervaldatum. De verlenging wordt toegestaan door het College van burgemeester en schepenen. In het in artikel 127 bedoelde geval wordt de verlenging echter door de gemachtigde ambtenaar toegestaan. Afdeling IV - Stedebouwkundige vergunning met beperkte duur Art. 88.De vergunning heeft een beperkte duur : 1. in de gevallen bedoeld in artikel 84, § 1, 2° en 13°; 2. voor tijdelijke infrastructuren m.b.t. gemeenschapsvoorzieningen of openbare nutsvoorzieningen. Na afloop van de toegestane termijn moet de begunstigde van de vergunning de plaats in haar oorspronkelijke staat herstellen. HOOFDSTUK II - Verkavelingsvergunning Afdeling I - Handelingen waarvoor een verkavelingsvergunning vereist is Art. 89.Het is verboden een terrein te verkavelen zonder voorafgaande, schriftelijke en uitdrukkelijke toestemming van het College van burgemeester en schepenen. Onder "verkavelen" wordt verstaan de verdeling van een goed in minstens twee onbebouwde percelen om minstens één van beide te verkopen, voor meer dan 9 jaar te verhuren, in erfpacht of in opstal te geven, of om één van deze afstandswijzen voor minstens één van deze percelen voor te stellen, met het oog op de bouw van een woning, de oprichting van een vaste of mobiele installatie die als woning kan worden gebruikt, of van een gebouw voor ambachten, dienstverlening, distributie, onderzoek of kleine industrie. In dit laatste geval kan de bouwvergunning slechts de in artikel 49, tweede lid, bedoelde gegevens bevatten. De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een verkavelingsvergunning of de verdeling van een goed vooraf onderworpen kan worden aan de aanneming van een gemeentelijk plan van aanleg. Art. 90.In geval van verdeling van een goed dat niet onderworpen is aan een verkavelingsvergunning, moet de notaris het verdelingsplan alsmede een attest met de aard van de akte en de bestemming van de percelen, die in de akte zal worden opgenomen, uiterlijk twintig dagen vóór de geplande datum van de openbare verkoop of de ondertekening van de akte aan het College en aan de gemachtigde ambtenaar bezorgen. Het College en de ambtenaar delen hun opmerkingen eventueel ter informatie mee. De opmerkingen worden in de akte opgenomen, evenals een verklaring van de auteur waarbij hij aangeeft dat de verdeling niet was onderworpen aan een stedebouwkundige of aan een verkavelingsvergunning en, behoudens overlegging van een stedebouwkundig attest waaruit blijkt dat dergelijke vergunning verkregen zou kunnen worden, dat hij geen enkele verbintenis aangaat m.b.t. de mogelijkheid geen van de in artikel 84, § 1, en, in voorkomend geval, artikel 84, § 2, eerste lid, bedoelde handelingen en werken op het goed uit te voeren. Bovendien vermeldt de notaris in de akte dat geen van de in artikel 84, §§ 1 en 2, eerste lid, bedoelde handelingen en werken zonder stedebouwkundige vergunning uitgevoerd mag worden op het goed waarop de akte betrekking heeft. Dezelfde verklaring wordt opgenomen in de onderhandse en authentieke akten tot vaststelling van deze verrichtingen. Dit artikel geldt voor elke overeenkomst tot overdracht of aanwijzing van eigendom, vruchtgebruik boven negen jaar, erfpacht of opstal betreffende een niet-gebouwd gedeelte van een gebouw, met uitzondering van de akten tot vaststelling van een pachtcontract. Afdeling II - Stedebouwkundige lasten Art. 91.Het College van burgemeester en schepenen, de gemachtigde ambtenaar en de Regering kunnen de afgifte van de vergunning afhankelijk stellen van lasten waarvan zij menen dat ze, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, door de aanvrager moeten worden gedragen. Behalve de financiële waarborgen voor de uitvoering van de werken, hebben de lasten van de aanvrager alleen betrekking op de aanleg of de vernieuwing op zijn kosten van wegen of openbare groene ruimtes, openbare of gemeenschappelijke gebouwen of voorzieningen. Bovendien kunnen zij de afgifte van de vergunning afkankelijk stellen van een verklaring waarin de aanvrager zich ertoe verbindt de eigendom van wegen, openbare groene ruimtes, of van de in de aanvraag vermelde openbare of gemeenschappelijke gebouwen of voorzieningen alsmede de daarvoor bestemde terreinen gratis, vrij van alle lasten en kosteloos aan de gemeente af te staan, zodra de werken zijn aangevat. De Regering kan regels voor de toepassing van deze paragraaf vaststellen. Afdeling III - Gevolgen van de verkavelingsvergunning Art. 92.Het stedebouwkundig plan en de voorschriften voor de verkavelingsvergunning hebben een verordenende waarde. Art. 93.Voorafgaandelijk aan elke vervreemding, huurovereenkomst boven negen jaar of de vestiging van een zakelijk recht, met inbegrip van de hypothecaire bestemming, betreffende een perceel dat onderworpen is aan een verkavelingsvergunning, moet op verzoek van de eigenaar(
- s)van de terreinen een notariële akte worden opgesteld i.v.m. de verdeling van deze terreinen en de verkavelingslasten. De akte moet de kadastrale aanduiding van de goederen bevatten, de eigenaars identificeren in de vorm bepaald bij de wetgeving op de hypotheken en hun titel van eigendom vermelden. De verkavelingsvergunning en het verdelingsplan worden bij de akte gevoegd en op verzoek van de notaris die de akte heeft ontvangen, binnen twee maanden na ontvangst ervan samen overgeschreven op het hypotheekkantoor van het arrondissement waar de goederen gelegen zijn. In plaats van de overschrijving van het verdelingsplan kan een door de notaris voor eensluidend verklaarde afschrift van dat plan neergelegd worden op het hypotheekkantoor. Art. 94.De verdelingsakte, het verkavelingsbestek, de bepalingen van de verkavelingsvergunning en de wijzigende bepalingen worden door de notaris aan de partijen betekend. De notaris maakt daarvan melding in de koopakte, de huurovereenkomst boven negen jaar, de erfpacht of opstal, alsook van de datum van de vergunning. De notaris vermeldt ook in de akte dat geen van de in artikel 84, §§ 1 en 2, eerste lid, bedoelde handelingen en werken zonder stedebouwkundige vergunning mag worden uitgevoerd op het goed waarop de akte betrekking heeft. Dezelfde voorschriften worden opgenomen in de onderhandse akten en in de authentieke akten tot vaststelling van deze verrichtingen. Art. 95.Het is verboden een perceel dat het voorwerp uitmaakt van een verkavelingsvergunning of van een fase daarvan die stedebouwkundige lasten vergt, of waarvoor de aanleg van nieuwe verbindingswegen, de wijziging van het tracé van de bestaande gemeentelijke verbindingswegen, hun verbreding of afschaffing nodig is, vrijwillig te koop te bieden, te verkopen, in huur te geven of voor meer dan negen jaar te verhuren, in erfpacht of in opstal af te staan, voordat de houder van de vergunning hetzij de opgelegde werken en lasten heeft uitgevoerd, hetzij de financiële waarborgen heeft verstrekt die nodig zijn voor de uitvoering daarvan. De vervulling van deze formaliteiten wordt vastgesteld in een door het College van burgemeester en schepenen afgegeven attest en bij ter post aangetekende brief aan de verkavelaar betekend. Het College bezorgt een afschrift van dit attest aan de gemachtigde ambtenaar. Behalve wanneer de overheid voor de voorzieningen zorgt, blijft de houder van de verkavelingsvergunning gedurende tien jaar, samen met de aannemer en de architect van de voorzieningen van de verkaveling, binnen de bij de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde perken hoofdelijk aansprakelijk ten overstaan van het Gewest, de gemeente en de kopers van de percelen. Art. 96.Er mag geen publiciteit omtrent een verkavelingsvergunning worden gemaakt zonder melding van de gemeente waar het goed is gelegen, de datum en het nummer van de vergunning. Art. 97.Erfdienstbaarheden die het gevolg zijn van de daad van de mens of van verbintenissen uit overeenkomst betreffende het grondgebruik die in strijd zijn met de inhoud van de aanvraag om verkavelingsvergunning worden in deze aanvraag vermeld. In dat geval wordt de aanvraag onderworpen aan een openbaar onderzoek op kosten van de aanvrager. De Regering bepaalt de regels voor de uitvoering van het onderzoek. De vergunning doet voormelde erfdienstbaarheden en verbintenissen teniet, onverminderd de schadeloosstelling van de houders van deze rechten, die ten laste komt van de aanvrager. Afdeling IV - Verval van de verkavelingsvergunning Art. 98.Wanneer de verkavelingsvergunning geen stedebouwkundige lasten met zich meebrengt, noch de aanleg van nieuwe verbindingswegen, de wijziging van het tracé van de bestaande gemeentelijke verbindingswegen, hun verbreding of afschaffing tot gevolg heeft, vervalt zij voor het overige gedeelte indien de verkoop of de verhuur voor meer dan negen jaar, de vestiging van erfpacht of opstal voor minstens een derde van de percelen niet werd geregistreerd binnen een termijn van vijf jaar na de afgifte van de vergunning. Het verkoop- en verhuurbewijs wordt vóór het verstrijken van voormelde termijn van vijf jaar geleverd door de uittreksels uit de door de notaris of de ontvanger der registraties eensluidend verklaarde akten aan het College te betekenen. Art. 99.Wanneer de verkavelingsvergunning de aanleg van nieuwe verbindingswegen met zich meebrengt, alsook de wijziging van het tracé van de bestaande gemeentelijke verbindingswegen, hun verbreding of afschaffing, vervalt de vergunning wanneer de houder ervan de opgelegde werken en lasten niet heeft uitgevoerd of de vereiste financiële waarborgen niet heeft verstrekt binnen vijf jaar na de afgifte van de vergunning. De vergunning vervalt eveneens wanneer de houder binnen diezelfde termijn de stedebouwkundige lasten niet op zich heeft genomen of de krachtens artikel 91 vereiste financiële waarborgen niet heeft verstrekt. Art. 100.Wanneer de werken in verschillende fasen mogen worden uitgevoerd, bepaalt de vergunning voor elke fase, met uitzondering van de eerste, de begindatum van de vervaltermijn van vijf jaar. Art. 101.De verkavelingsvergunning vervalt van rechtswege. Het College van burgemeester en schepenen stelt dat verval evenwel vast in notulen die bij ter post aangetekend schrijven aan de verkavelaar en naar de gemachtigde ambtenaar worden gezonden. Indien het College van burgemeester en schepenen het verval niet heeft vastgesteld binnen zestig dagen na het verstrijken van de termijn, dan worden de notulen tot vaststelling van het verval opgemaakt door de gemachtigde ambtenaar en bij ter post aangetekend schrijven aan de verkavelaar en het College van burgemeester en schepenen gezonden. Afdeling V - Wijziging van de verkavelingsvergunning Art. 102.Een verkavelingsvergunning kan, op verzoek van de eigenaar van het perceel waarop ze betrekking heeft, gewijzigd worden voor zover de wijziging geen afbreuk doet aan de rechten die voortvloeien uit uitdrukkelijke overeenkomsten tussen de partijen. De gewone heroverschrijving van de stedebouwkundige voorschriften van de verkavelingsvergunning in een authentieke akte of in een onderhandse overeenkomst mag niet worden beschouwd als een overeenkomst zoals bedoeld in het eerste lid. Art. 103.De bepalingen die de verkavelingsvergunning regelen, gelden ook voor de wijziging ervan, onverminderd de vervulling van de onderstaande formaliteiten. Alvorens zijn aanvraag in te dienen, stuurt de eigenaar een eensluidende afschrift ervan bij ter post aangetekend schrijven naar alle perceeleigenaars die de aanvraag niet medeondertekend hebben. De ontvangstbewijzen van de aangetekende brieven worden gevoegd bij het dossier dat bij de aanvraag gaat. Bezwaren moeten binnen dertig dagen na de dag waarop de aangetekende brieven ter post werden afgegeven, bij ter post aangetekend schrijven gericht worden aan het College van burgemeester en schepenen. De wijziging wordt geweigerd indien de eigenaar(
- s)van meer dan een kwart van de in de oorspronkelijke vergunning toegestane percelen, hun bezwaarschrift binnen de in het tweede lid bedoelde termijn bij ter post aangetekend schrijven aan het College richten. Art. 104.De verkavelingsvergunning kan ook herzien worden onder de voorwaarden en volgens de regels die vastgelegd zijn in de artikelen 54 tot 56. In dat geval kan de Regering, met het oog op een goede inrichting van de plaats, de schorsing van de verkoop, de verhuur voor meer dan negen jaar, de vestiging van erfpacht of opstal voor het geheel van de kavel of een deel ervan, bij een met redenen omkleed besluit bevelen. Art. 105.De wijziging van de verkavelingsvergunning heeft geen enkele weerslag op de vervaltermijn van de verkavelingsvergunning waarvan de wijziging is gevraagd. Art. 106.Wanneer een perceeleigenaar een wijziging van de verkavelingsvergunning heeft verkregen, moet op zijn verzoek een notariële akte van de wijzigingen in de verdeling van de terreinen of in de lasten m.b.t. de verkaveling worden opgemaakt. De akte moet op het moment waarop ze wordt verleden, melding maken van de kadastrale aanduiding van de goederen, alle eigenaars van de aan de verkavelingsvergunning onderworpen percelen identificeren in de vormen bepaald bij de wet op de hypotheken en hun eigendomstitel vermelden; de akte moet bovendien de nauwkeurige aanduiding bevatten van de overschrijving van de akte tot verdeling van de terreinen. De beslissing tot wijziging van de verkavelingsvergunning en, in voorkomend geval, het nieuwe verdelingsplan worden bij deze akte gevoegd en samen met haar overgeschreven, zoals bepaald bij artikel 93. HOOFDSTUK III - Vergunningsaanvragen, beslissingen en beroepen Afdeling I - Bevoegde overheden Art. 107.§ 1. De vergunning wordt afgegeven door het College van burgemeester en schepenen dat een afschrift ervan samen met het dossier naar de gemachtigde ambtenaar stuurt de dag waarop de vergunning naar de aanvrager wordt verzonden, indien het grondgebied waarop het goed is gelegen, onderworpen is aan : 1. hetzij een gemeentelijk plan van aanleg dat nog steeds van toepassing is;2. hetzij een niet vervallen verkavelingsvergunning;3. hetzij tegelijkertijd : a.een geldend gewestplan; b. een gemeentelijk stedebouwkundig reglement dat van toepassing is op het hele gemeentelijke grondgebied en dat alle in artikel 78, § 1, bedoelde punten bevat;c. een aangenomen gemeentelijk structuurplan;d. een gemeentelijke commissie, of indien het voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar niet vereist is voor de uit te voeren handelingen en werken omdat ze voorkomen op de lijst die krachtens artikel 84, § 2, door de Regering is vastgesteld. In de gevallen bedoeld in de artikelen 110 tot 113 of in de gevallen die het voorwerp uitmaken van bijzondere maatregelen van openbaarmaking, spreekt het College van burgemeester en schepenen zich uit na advies van de gemeentelijke commissie, indien er één is. § 2. Indien de procedure onregelmatig is geweest of indien de vergunning niet in overeenstemming is met : 1. het gewestplan, bij gebrek aan een gemeentelijk plan van aanleg of aan een verkavelingsvergunning;2. het gemeentelijk plan van aanleg of de verkavelingsvergunning;3. het gemeentelijk stedebouwkundig reglement;4. de wet van 12 juli 1956Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/07/1956 pub. 06/07/2011 numac 2011000414 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen sluiten tot instelling van het statuut van de autosnelwegen en met de krachtens artikel 6 van deze wet door de Regering goedgekeurde perceelplannen, stelt de gemachtigde ambtenaar een met redenen omkleed beroep in bij de Regering, zoals bedoeld in artikel 119, § 2, tweede lid, en wijst hij op de aard van de onregelmatigheid in de procedure of op de bepaling waaraan de vergunning niet voldoet. In één van de onderstaande gevallen : 1. de Regering heeft besloten tot de herziening van het gemeentelijk plan van aanleg;2. de Regering heeft besloten tot de opmaak van een gemeentelijk plan van aanleg waardoor een verkavelingsvergunning geheel of gedeeltelijk wordt herzien of vernietigd;3. het besluit van het College van burgemeester en schepenen wijkt af van het advies dat in voorkomend geval door de gemeentelijke commissie is uitgebracht, kan de gemachtigde ambtenaar eveneens een met redenen omkleed beroep bij de Regering instellen en aangeven waarom de handelingen en werken die het voorwerp uitmaken van de vergunning of van het bijgevoegde dossier, de algemene bestemming van het gebied of het architecturaal karakter ervan in het gedrang brengen. Deze paragraaf moet in de vergunning opgenomen worden. § 3. Het College van burgemeester en schepenen kan een vergunning weigeren om de reden dat werd besloten hetzij tot de opmaak of de herziening van een gemeentelijk plan van aanleg, hetzij tot de wijziging van het gemeentelijk stedebouwkundig reglement. § 4. De vergunningsweigering om één van de redenen bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, en in paragraaf 3, vervalt indien het nieuwe plan of reglement geen verordenende waarde heeft gekregen binnen drie jaar na de beslissing tot opmaak of herziening van het plan. Het oorspronkelijke verzoek wordt, op aanvraag van de verzoeker, onderworpen aan een nieuwe beslissing die, in geval van weigering, niet meer gegrond kan zijn op voormelde reden. § 5. Volgens de door haar vastgestelde regels bepaalt de Regering bij besluit dat de in paragraaf 1, eerste lid, 3°, bedoelde voorwaarden niet of niet meer vervuld zijn. In dat geval wordt paragraaf 1 van kracht of houdt het op van kracht te zijn bij de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad. Art. 108.§ 1. In de gevallen die niet voorkomen in artikel 107, § 1, eerste lid, wordt de vergunning afgegeven door het College van burgemeester en schepenen na eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar. Het College van burgemeester en schepenen kan de vergunning evenwel weigeren zonder dit advies in te winnen. § 2. Het gunstige, voorwaardelijke of ongunstige advies van de gemachtigde ambtenaar moet met redenen omkleed zijn. In de gegeven plaatselijke stedebouwkundige en architecturale omstandigheden, geeft hij aan waarom de algemene bestemming van het gebied en het architecturale karakter ervan al dan niet bedreigd zijn. De vergunning bevat het beschikkende gedeelte van het advies van de gemachtigde ambtenaar of geeft aan dat zijn advies als ongunstig wordt beschouwd. De aanvrager is gehouden de bij dit advies opgelegde voorschriften in acht te nemen. § 3. Indien wordt besloten tot de herziening van het gewestplan of tot de opmaak van een gemeentelijk plan van aanleg dat van het gewestplan afwijkt, kan de gemachtigde ambtenaar in afwijking van het geldende gewestplan een ongunstig advies uitbrengen. Het College van burgemeester en schepenen kan de vergunning weigeren om de reden dat werd besloten tot de opstelling of de herziening van een gewestelijk plan van aanleg. De vergunningsweigering om één van de redenen bedoeld in het eerste en in het tweede lid, vervalt indien het nieuwe plan niet in werking is getreden binnen drie jaar na de beslissing tot opmaak of herziening. Het oorspronkelijke verzoek wordt, op aanvraag van de verzoeker, onderworpen aan een nieuwe beslissing die, in geval van weigering, niet meer gegrond kan zijn op voormelde reden. § 4. De gemachtigde ambtenaar stelt het in artikel 119, § 2, tweede lid, bedoelde beroep bij de Regering in wanneer de procedure onregelmatig is geweest, wanneer zijn advies niet in acht werd genomen of wanneer hij meent, indien zijn advies bij verstek geacht wordt gunstig te zijn, dat de vergunning de algemene bestemming van het gebied of het architecturale karakter ervan in het gedrang brengt. Deze paragraaf moet in de vergunning opgenomen worden. Art. 109.De vergunning wordt afgegeven krachtens artikel 108 indien het gaat om onroerende goederen die op de beschermingslijst staan en die gelegen zijn in een beschermingsgebied, zoals bedoeld in artikel 205, of in een landschap dat voorkomt in de in artikel 215 bedoelde atlas. In de gevallen en onder de voorwaarden die de Regering bepaalt, wordt de vergunning afgegeven op grond van een patrimoniumsattest. Voor het Franse taalgebied is de toekenning van de vergunning onderworpen aan het advies van de in artikel 185, 3°, bedoelde commissie. Indien deze commissie zich niet heeft uitgesproken binnen de door de Regering vastgestelde termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn. Afdeling II - Afwijkingen Onderafdeling I - Afwijkingen van het gewestplan Art. 110.Openbare gebouwen en nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen. Buiten de gebieden die daarvoor speciaal bestemd zijn en met uitzondering van waardevolle natuurgebieden of oppervlakten, zijn bouwwerken en openbare nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen toegelaten op voorwaarde dat hun vestiging door technische imperatieven is vereist en voor zover ze zich integreren in het al dan niet bebouwde landschap. Art. 111.Gebouwen die niet beantwoorden aan de bestemming van een gebied. Met uitzondering van de waardevolle natuurgebieden of oppervlakten, kunnen de bestaande gebouwen waarvan de huidige of toekomstige bestemming niet in overeenstemming is met de voorschriften van het gewestplan, verbouwd, verruimd of heropgericht worden. Het verbouwde, verruimde of heropgerichte gebouw moet passen in het al dan niet bebouwde landschap. Art. 112.Opvulling. In landbouwgebieden kan een stedebouwkundige of een verkavelingsvergunning verleend worden, voor zover : 1. de dag voordat het gewestplan van kracht wordt, het terrein gelegen is tussen twee woningen die op hoogstens 100 meter van elkaar staan;2. dit terrein en deze woningen gelegen zijn langs dezelfde kant van een openbare weg met de nodige water- en stroomvoorzieningen, een stevige bedekking en de nodige breedte, rekening houdende met de ligging;3. de bouwwerken in het al dan niet bebouwde landschap passen. Er mag echter geen vergunning afgegeven worden voor terreinen die gelegen zijn langs openbare wegen met minstens vier rijvakken. Onderafdeling II - Andere afwijkingen Art. 113.Er kan een stedebouwkundige vergunning verleend worden in afwijking van de voorschriften van een gemeentelijk plan van aanleg, een verkavelingsvergunning of een gewestelijk of gemeentelijk stedebouwkundig reglement, voor zover ze verenigbaar is met de algemene bestemming van het betrokken gebied, het architecturaal karakter ervan of de stedebouwkundige optie die het voorwerp uitmaakt van voormelde voorschriften. Onderafdeling III - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 114.Voor elke vergunningsaanvraag die de toepassing van de bepalingen van deze afdeling inhoudt, kan de Regering of de gemachtigde ambtenaar uitzonderlijkerwijs afwijkingen toestaan, op voorwaarde dat ze vooraf wordt onderworpen aan de door de Regering bepaalde bijzondere maatregelen van openbaarmaking, alsmede aan het advies van de gemeentelijke commissie, indien er één is, en dat ze het voorwerp uitmaakt van een gegrond voorstel van het College van burgemeester en schepenen. Afdeling III - Indiening en behandeling van de vergunningsaanvraag Art. 115.De vergunningsaanvraag wordt bij ter post aangetekend schrijven met ontvangbewijs aan de gemeente gericht of tegen ontvangbewijs op het gemeentehuis neergelegd. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de vergunningsaanvraag. Ze bepaalt hoeveel dossierexemplaren de aanvraag moet bevatten, alsook de schaal en de inhoud van de verschillende plannen die erbij gevoegd moeten worden. Art. 116.§ 1. Indien de aanvraag onvolledig is, stuurt de gemeente de aanvrager binnen vijftien dagen bij aangetekend schrijven een lijst van de ontbrekende stukken toe en verwittigt ze hem dat de procedure opnieuw begint vanaf de ontvangst van de stukken. Indien de aanvraag volledig is, stuurt de gemeente tegelijkertijd : 1. naar de aanvrager, een ontvangbewijs om te bevestigen dat de aanvraag volledig is en al dan niet het advies van de gemachtigde ambtenaar vereist alsmede, in voorkomend geval, de bijzondere maatregelen van openbaarmaking waaraan ze onderworpen is, of de diensten of commissies waarvan het advies wordt gevraagd, alsook de desbetreffende termijnen waarbinnen de beslissing van het College van burgemeester en schepenen moet worden verzonden;2. naar de diensten en commissies bedoeld in 1°, een adviesaanvraag met een exemplaar van de vergunningsaanvraag;3. naar de gemachtigde ambtenaar, een exemplaar van de vergunningsaanvraag met een afschrift van het ontvangbewijs bedoeld in 1° en van de adviesaanvragen bedoeld in 2°. Binnen diezelfde termijn begint de gemeente de bijzondere maatregelen van openbaarmaking toe te passen. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde diensten of commissies geven advies binnen dertig dagen na de aanvraag van het College van burgemeester en schepenen; na afloop van deze termijn wordt het advies geacht gunstig te zijn. § 3. In de gevallen bedoeld in artikel 107, spreekt het College van burgemeester en schepenen zich uit over de vergunningsaanvraag. § 4. In de gevallen bedoeld in artikel 108, wordt de aanvraag, die vergezeld gaat van een verslag van het College van burgemeester en schepenen, aan het advies van de gemachtigde ambtenaar onderworpen. In voorkomend geval bevat het dossier van de vergunningsaanvraag de documenten i.v.m. de bijzondere maatregelen van openbaarmaking of de adviezen van de diensten en commissies bedoeld in paragraaf 1. § 5. Wanneer het College van burgemeester en schepenen de beslissing vraagt van de gemachtigde ambtenaar over de in artikel 114 bedoelde aanvraag om afwijking of het in paragraaf 4 bedoelde advies, brengt het de aanvrager tegelijkertijd daar van op de hoogte bij ter post aangetekend schrijven. De gemachtigde ambtenaar verstuurt zijn beslissing over de aanvraag om afwijking of zijn advies binnen vijfendertig dagen na de aanvraag van het College van burgemeester en schepenen; na afloop van deze termijn wordt het advies geacht gunstig te zijn. Afdeling IV - Beslissing van het College van burgemeester en schepenen Art. 117.De beslissing waarbij het College van burgemeester en schepenen de vergunning verleent of weigert, wordt bij ter post aangetekend schrijven gelijktijdig naar de aanvrager en de gemachtigde ambtenaar verstuurd. Een afschrift van de naar de gemachtigde ambtenaar verstuurde beslissing wordt aan de aanvrager gericht. Zolang de aanvrager het afschrift niet heeft ontvangen, worden de gevolgen van de vergunning opgeschort. De beslissing van het College van burgemeester en schepenen moet verstuurd worden binnen onderstaande termijnen, te rekenen vanaf de datum van het ontvangbewijs of van het ontvangbewijs bedoeld in artikel 115 : 1. dertig dagen wanneer de aanvraag noch het voorafgaande advies van de gemachtigde ambtenaar, noch bijzondere maatregelen van openbaarmaking, noch het advies van de in artikel 116, § 1, bedoelde diensten of commissies vereist;2. zeventig dagen wanneer de aanvraag niet het voorafgaande advies van de gemachtigde ambtenaar vereist, maar wel bijzondere maatregelen van openbaarmaking of het advies van de in artikel 116, § 1, bedoelde diensten of commissies;3. vijfenzeventig dagen wanneer de aanvraag het voorafgaande advies van de gemachtigde ambtenaar vereist, maar niet de bijzondere maatregelen van openbaarmaking, noch het advies van de in artikel 116, § 1, bedoelde diensten of commissies;4. honderdvijftien dagen wanneer de aanvraag het voorafgaande advies van de gemachtigde ambtenaar vereist of zijn beslissing over de aanvraag om afwijking bedoeld in artikel 114, alsook bijzondere maatregelen van openbaarmaking of het advies van de in artikel 116, § 1, bedoelde diensten of commissies. Afdeling V - Aanhangigmaking bij de gemachtigde ambtenaar Art. 118.De aanvrager kan de gemachtigde ambtenaar bij ter post aangetekend schrijven verzoeken binnen onderstaande termijnen en in de volgende gevallen uitspraak te doen over zijn aanvraag : 1. na veertig dagen te rekenen vanaf de datum op het bericht van ontvangst of op het in artikel 115 bedoelde ontvangbewijs en indien hij het schrijven niet heeft ontvangen waarbij het College van burgemeester en schepenen hem laat weten dat het voorafgaande advies van de gemachtigde ambtenaar is vereist; 2. na tachtig dagen te rekenen vanaf de datum op het bericht van ontvangst of het in artikel 115 bedoelde ontvangbewijs en indien hij het schrijven niet heeft ontvangen waarbij het College van burgemeester en schepenen hem laat weten dat hetzij het voorafgaande advies van de gemachtigde ambtenaar is vereist in geval van bijzondere maatregelen van openbaarmaking of van aanvraag om advies van de diensten en commissies bedoeld in artikel 116, § 1, hetzij de beslissing van de gemachtigde ambtenaar m.b.t. de aanvraag om afwijking; 3. na tien dagen te rekenen vanaf het verstrijken van de termijnen bedoeld in artikel 117, tweede lid, en indien hij het ter post aangetekend schrijven niet heeft ontvangen waarbij het College van burgemeester en schepenen hem zijn beslissing laat geworden. Bij zijn brief, waarvan hij gelijktijdig een afschrift naar het College van burgemeester en schepenen stuurt, voegt de aanvrager een voor eensluidend verklaarde afschrift van het dossier dat hij aanvankelijk naar het College van burgemeester en schepenen heeft verstuurd. Binnen 35 dagen na ontvangst van het dossier, stuurt de gemachtigde ambtenaar zijn beslissing bij ter post aangetekend schrijven naar de aanvrager. Wordt de beslissing niet binnen deze termijn verstuurd, dan wordt de vergunning geacht geweigerd te zijn. Op de dag waarop hij zijn besluit naar de aanvrager stuurt, richt de gemachtigde ambtenaar een afschrift daarvan aan het College van burgemeester en schepenen. Afdeling VI - Beroepen Art. 119.§ 1. De aanvrager kan bij ter post aangetekend schrijven een met redenen omkleed beroep bij de Regering instellen : 1. binnen dertig dagen na ontvangst van de in artikel 117 bedoelde beslissing van het College van burgemeester en schepenen;2. binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing bedoeld in artikel 118;3. na vijfenveertig dagen te rekenen vanaf de aangetekende verzending bedoeld in artikel 118, eerste lid, en voor zover de beslissing van de gemachtigde ambtenaar hem niet werd toegestuurd. § 2. Het College van burgemeester en schepenen kan een met redenen omkleed beroep bij de Regering instellen : 1. binnen dertig dagen na ontvangst van de in artikel 118 bedoelde beslissing van de gemachtigde ambtenaar;2. bij gebrek aan de beslissing van de gemachtigde ambtenaar, binnen vijfenzestig dagen te rekenen vanaf de aangetekende zending van de aanvrager bedoeld in artikel 118, eerste lid. In de gevallen bedoeld in artikel 107, § 2 en 108, § 4, stelt de gemachtigde ambtenaar een beroep in bij de Regering binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het College van burgemeester en schepenen bedoeld in artikel 117. De in deze paragraaf bedoelde beroepen en termijnen zijn opschortend. Het beroep wordt gelijktijdig naar de aanvrager gestuurd en, al naar gelang het geval, naar de gemachtigde ambtenaar of het College van burgemeester en schepenen. Art. 120.Binnen tien dagen na ontvangst van het beroep bezorgt de Regering : 1. aan de persoon die het beroep instelde : een ontvangbewijs met de datum waarop de Regering een hoorzitting houdt;2. aan de andere partijen : een afschrift van het dossier betreffende het beroep en van het ontvangbewijs. Bij de Regering wordt een adviescommissie opgericht die haar zetel in Namen heeft. Haar voorzitter en leden worden door de Regering aangewezen. De voorzitter vertegenwoordigt de Regering. Naast de voorzitter bestaat de commissie uit zes leden : twee leden gekozen onder de personen die door de gewestelijke commissie worden voorgedragen, twee leden gekozen onder de personen die door de orde der architecten worden voorgedragen en twee leden gekozen onder de personen die door de bestendige deputaties van de provincieraden worden voorgedragen. De Regering bepaalt de regels voor de samenstelling van de commissie en haar werkingswijze. Binnen zestig dagen na ontvangst van het beroep verzoekt de Regering de partijen of hun afgevaardigden en de commissie te verschijnen. Art. 121.Binnen vijfenzeventig dagen na ontvangst van het beroep stuurt de Regering haar beslissing naar de aanvrager, het College van burgemeester en schepenen en de gemachtigde ambtenaar. Bij gebreke hiervan kan de aanvrager een aangetekende rappelbrief naar de Regering sturen en brengt hij het College van burgemeester en schepenen en de gemachtigde ambtenaar gelijktijdig op de hoogte daarvan. Indien de Regering haar beslissing niet toegezonden heeft binnen dertig dagen na ontvangst van de aangetekende rappelbrief, wordt de betwiste beslissing bevestigd. Art. 122.In de gevallen bedoeld in artikel 84, § 2, tweede lid, 3°, mag de aanvrager alleen bij de gemachtigde ambtenaar een aangetekend beroep instellen binnen dertig dagen na ontvangst van de in artikel 117 bedoelde beslissing van het College van burgemeester en schepenen. Binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het dossier betreffende het beroep, bezorgt de gemachtigde ambtenaar : 1. aan de aanvrager : een ontvangbewijs;2. aan het College van burgemeester en schepenen : een afschrift van het ontvangbewijs. De beslissing van de gemachtigde ambtenaar wordt verstuurd naar de aanvrager en het College van burgemeester en schepenen binnen een termijn van dertig dagen nadat de gemachtigde ambtenaar het aangetekend beroep heeft ontvangen. Indien de beslissing van de gemachtigde ambtenaar niet binnen deze termijn wordt toegezonden, wordt de betwiste beslissing bevestigd. Art. 123.De vergunningen bedoeld in de artikelen 117, 118, 121, 122 en 127 kunnen geweigerd worden, aan voorwaarden onderworpen worden of afwijkingen toestaan om de redenen die in deze titel voorzien zijn. Vooraleer een beslissing te nemen, kan de overheid bij wie een beroep is ingesteld, de aanvrager verzoeken om overlegging van de wijzigende plannen en om het advies van het College van burgemeester en schepenen. In voorkomend geval laat voornoemde overheid de gemeente de bijzondere maatregelen van openbaarmaking treffen of vraagt ze het advies van de gemeentelijke commissie. In deze gevallen worden de gevolgen van de in artikel 121, derde lid, bedoelde rappelbrief gedurende veertig dagen opgeschort, te rekenen vanaf het verzoek van de overheid bij wie het beroep wordt ingesteld. Afdeling VII - Vrijstelling van de procedure inzake de milieu-effectenevaluatie Art. 124.Wanneer de aanvraag om stedebouwkundige of verkavelingsvergunning voldoet aan de voorschriften van een plan van aanleg dat is onderworpen aan een effectenonderzoek overeenkomstig artikel 42 of 50, beslist het College van burgemeester en schepenen, de gemachtigde ambtenaar of de Regering, al naar gelang het geval, dat deze aanvraag onderworpen moet worden aan een milieu-effectenonderzoek. Het College van burgemeester en schepenen, de gemachtigde ambtenaar of de Regering, al naar gelang het geval, kunnen niettemin alle andere gegevens vragen die zij nuttig achten, het milieu-effectenonderzoek betreffende het plan van aanleg laten actualiseren of er één laten uitvoeren m.b.t. de vergunningsaanvraag indien deze wordt ingediend na een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit plan. Art. 125.Wanneer een aanvraag om stedebouwkundige of verkavelingsvergunning onderworpen wordt aan een milieu-effectenonderzoek, worden de bij de wetgeving inzake de milieu-effectenonderzoeken bepaalde regels vervangen door het openbaar onderzoek of de overlegvergadering bedoeld in de artikelen 43 en 51, al naar gelang het geval, voor zover de vergunningsaanvraag en het desbetreffende milieu-effectenonderzoek gevoegd worden bij het ontwerp-plan dat het voorwerp is van een openbaar onderzoek. Afdeling VIII - Gegroepeerde bouwwerken Art. 126.Indien de vergunningsaanvraag betrekking heeft op verschillende bouwwerken die bestemd zijn voor verkoop, verhuur voor meer dan negen jaar, of voor de vestiging van een zakelijk recht, gaat ze vergezeld van een basisakte tot vaststelling van de stedebouwkundige voorschriften voor het geheel en van de beheersregels voor de gemeenschappelijke delen. De vergunning vermeldt de eventuele uitvoeringsfases voor deze bouwwerken, alsmede de begindatum van elke fase. De verkoop van deze gebouwen, de verhuur ervan voor meer dan negen jaar of de vestiging van een zakelijk recht erop is pas mogelijk na de uitvoering van de infrastructuur en de uitrustingen m.b.t. de toegelaten fase, met inbegrip van de waterzuiveringsvoorzieningen, of nadat de financiele waarborgen werden geboden die nodig zijn voor de uitvoering ervan. De uitvoering van deze formaliteit of van de werken wordt vastgesteld binnen dertig dagen na de indiening van een aanvraag d.m.v. een attest dat door het College van burgemeester en schepenen wordt afgegeven en bij ter post aangetekend schrijven naar de aanvrager wordt verzonden. Het College bezorgt de gemachtigde ambtenaar een afschrift van dat attest. Afdeling IX - Vergunningen aangevraagd door een publiekrechtelijk persoon of betreffende werken van algemeen nut. Indiening en behandeling van de aanvragen Art. 127.§ 1. In afwijking van de artikelen 84 en 89 wordt de vergunning afgegeven door de Regering of de gemachtigde ambtenaar wanneer ze wordt aangevraagd door een publiekrechtelijk persoon of wanneer ze betrekking heeft op handelingen en werken van algmeen nut. De Regering bepaalt : 1. de lijst van de publiekrechtelijke personen bedoeld in deze paragraaf;2. de lijst van de handelingen en werken van algemeen nut bedoeld in deze paragraaf. § 2. Het College van burgemeester en schepenen brengt advies uit binnen dertig dagen na de aanvraag van de Regering of de gemachtigde ambtenaar; bij gebreke hiervan wordt het advies geacht gunstig te zijn. Indien het advies ongunstig is, moet de Regering beslissen. § 3. Wanneer het gaat om handelingen en werken van algemeen nut, kan de vergunning worden verleend in afwijking van een gemeentelijk plan van aanleg, een gemeentelijk stedebouwkundig reglement of een rooiplan. Afdeling X - Bijzondere bepalingen betreffende verkavelings- en stedebouwkundige vergunningen die een wijziging van de gemeentelijke wegenis vereisen Art. 128.Deze afdeling is van toepassing op vergunningsaanvragen die de aanleg van nieuwe verbindingswegen inhouden, alsook de wijziging van het tracé van de bestaande gemeentelijke verbindingswegen, de verbreding of de afschaffing ervan. De in artikel 117 bedoelde termijnen worden verdubbeld. Wanneer het goed waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft, gelegen is langs een gewestelijke of een provinciale weg, onderwerpt het College van burgemeester en schepenen de aanvraag aan het advies van het betrokken bestuur. Art. 129.§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 57, eerste lid, wanneer het College van burgemeester en schepenen vaststelt dat de vergunning kan worden verleend, is de behandeling van de aanvraag aan de volgende bijkomende regels onderworpen : 1. het College van burgemeester en schepenen onderwerpt de aanvraag aan een openbaar onderzoek op kosten van de aanvrager;2. de gemeenteraad neemt kennis van de resultaten van het onderzoek en beraadslaagt over d