📄 Wettekst
1 MAART 2018. - Decreet betreffende bodembeheer en bodemsanering (1)
Het Waals Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Doelstellingen en toepassingsgebied
Artikel 1.§ 1. De bodem, onlosmakelijk onderdeel van het gemeenschappelijk erfgoed van het Waalse Gewest, vervult vitale functies voor de mens en de ecosystemen, met name voor de productie van voedsel en biomassa, de opslag, de filtratie en de verwerking van verscheidene stoffen.
Het beleid van het Waals Gewest is erop gericht, via een geïntegreerde benadering, de bodemkwaliteit te vrijwaren, de talrijke bedreigingen die de bodems ondergaan te bestrijden, de bodemaantasting te verhelpen en een duurzaam bodemgebruik te bevorderen.
Dit decreet beoogt het vrijwaren en verbeteren van de bodemkwaliteit, het voorkomen van bodemverschraling, van bodemverontreiniging, de identificatie van potentiële verontreinigingsbronnen, de organisatie van de onderzoeken tot vaststelling van het bestaan van een verontreiniging en de bepaling van de modaliteiten voor de sanering van de verontreinigde bodems. § 2. Onverminderd artikel 5 worden uit het toepassingsgebied van dit decreet gehouden : 1° afval dat op de grond is neergelegd of in de bodem is verwerkt waarvan bestanddelen bij een visuele controle duidelijk als los van de grond beschouwd kunnen worden;2° afval dat op de grond is neergelegd of in de bodem is verwerkt, dat niet beantwoordt aan 1° voor zover het gerecycleerd, benut of verwijderd kan worden overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen over de afvalstoffen of die beheerd worden overeenkomstig de wettelijke of reglementaire bepalingen betreffende de afvalstoffen van de ontginningsindustrie. Lid 1 geldt onverminderd de toepassing van dit decreet bij bewezen verontreiniging of bij potentiële verontreiniging aanwezig in de bodem onder bedoelde afvalstoffen.
Lid 1, 2°, geldt onverminderd de toepassing van dit decreet voor de verontreinigingen of vermoedens van verontreinigingen volgend op de benutting.
De Regering kan de nadere regels voor de visuele controle vastleggen en een procedure bepalen om voor iedere persoon te bevestigen dat aan de voorwaarden bedoeld in lid 1, 1° en 2°, voldaan is. Afdeling 2. - Begripsomschrijvingen
Art. 2.Voor de toepassing van dit decreet dient te worden verstaan onder : 1° "bodem" : de oppervlaktelaag van de aardkorst, met inbegrip van de ondergrondse wateren in de zin van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, en de andere bestanddelen en organismen die erin aanwezig zijn;2° "verontreinigende stof" : product, preparatie, stof, chemische verbinding, organisme of micro-organisme die wegens zijn of haar concentratie een verontreiniging vormt en veroorzaakt wordt door menselijke activiteit;3° "bodemverontreiniging" : de aanwezigheid op of in de bodem van verontreinigende stoffen die rechtstreeks of onrechtstreeks nadelig zijn of kunnen zijn voor de bodemkwaliteit;4° "nieuwe bodemverontreiniging" : bodemverontreiniging veroorzaakt door een emissie, een gebeurtenis of een incident die zich voor hebben gedaan te rekenen van 30 april 2007;5° "historische bodemverontreiniging" : bodemverontreiniging veroorzaakt door een emissie, een gebeurtenis of een incident die zich voor hebben gedaan voor 30 april 2007;6° "gemengde bodemverontreiniging" : bodemverontreiniging die, zonder dat enig onderscheid kan worden gemaakt, bestaat uit een nieuwe en een historische bodemverontreiniging;7° "bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormt" : a) bodemverontreiniging die, rekening houdend met de bodemkenmerken en de functies die de bodem vervult, met de aard, de concentratie en het risico op verspreiding van de aanwezige verontreinigende stoffen een bron van verontreinigende stoffen vormt of zou kunnen vormen die overgedragen kunnen worden op mensen, dieren en planten, waarbij zeker of vermoedelijk schade kan ontstaan voor de veiligheid of de gezondheid van de mens of de kwaliteit van het leefmilieu;b) bodemverontreiniging die schade zou kunnen berokkenen aan de voorraden van tot drinkwater verwerkbaar water;8° "terrein" : de grond zoals hij afgebakend is door een perceel, een deel of meerdere al dan niet gekadastreerde percelen, met inbegrip van de bouwwerken en installaties, opgericht op of in de grond;9° "vervuilde grond" : grond waar de bodemvervuiling aangetoond is;10° "potentieel vervuilde grond" : grond waar bodemvervuiling vermoed wordt, met name wegens de aanwezigheid of het voorvallen, in het verleden, van een omschreven activiteit of installatie die de bodem zou kunnen verontreinigen of wegens het gekend zijn van een bijzonder voorval of de aanwezigheid van afvalstoffen, nog eens bevestigd door onderzoeken uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van dit decreet;11° "oriëntatieonderzoek" : het onderzoek, uitgevoerd door een deskundige, waarbij beoogd wordt na te gaan, of er van enige bodemvervuiling sprake is en in voorkomend geval een eerste omschrijving en inschatting van de omvang van die vervuiling wordt gegeven;12° "kenmerkenonderzoek" : het onderzoek, uitgevoerd door een deskundige waarbij de bodemvervuiling omschreven en de exacte ligging ervan aangegeven wordt om te oordelen of bodemsanering noodzakelijk is;13° "gecombineerd onderzoek" : het onderzoek, uitgevoerd door een deskundige waarin in één enkel onderzoek de inhoud en de doelstellingen van oriëntatie- en kenmerkenonderzoek gecombineerd worden;14° "bodemsanering" : het behandelen, verwijderen, neutraliseren, immobiliseren en ter plaatse beperken van bodemverontreiniging om het terrein verenigbaar te maken met een bepaald gebruik;15° "veiligheidsmaatregelen" : maatregelen, eveneens in de vorm van beperkingen in de toegang en in het gebruik, uitgezonderd de saneringshandelingen en -werken waarmee de gevolgen van een bodemverontreiniging beheersbaar worden gemaakt of het ontstaan ervan voorkomen wordt;16° "opvolgingsmaatregelen" : maatregelen die de verplichtinghouder dient te nemen om zich ervan te vergewissen, dat de risico's tijdens het uitvoeren van de verplichtingen bedoeld in artikel 19 beheerst worden, met inbegrip van de uitvoering van de bodemsanerende handelingen en werken;17° "best beschikbare technieken" : de best beschikbare technieken, zoals omschreven in artikel 1, 19°, van het
decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
08/06/1999
numac
1999027439
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de milieuvergunning
sluiten betreffende de milieuvergunning, toegepast op bodembeheer, die voorzien in een duurzame sanering op basis van indicatoren omschreven op leefmilieu-, economisch en maatschappelijk vlak;18° "administratie" : de administratieve dienst, aangewezen door de Regering;19° "met het toezicht belaste ambtenaar" : de ambtenaar, daartoe aangewezen door de Regering;20° "SPAQuE" : de "Société publique d'aide à la qualité de l'environnement", bedoeld in artikel 22, § 2, van de wet van 2 april 1962 betreffende de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij en de gewestelijke investeringsmaatschappijen;21° "deskundige" : deskundige in het beheer van verontreinigde bodems voor de uitvoering van de opdrachten bedoeld in dit decreet;22° "achtergrondconcentratie" : omgevingsconcentratie van een polluent in de bodem;de omgevingsconcentraties kunnen wijzen op natuurlijke geologische variaties of op de invloed van een veralgemeende landbouw-, industriële of stedelijke activiteit; 23° « drempelwaarde » : concentratie aan verontreinigende stoffen die overeenstemt met een niveau boven welk : - een kenmerkenonderzoek wordt ondernomen; - een sanering wordt ondernomen in het geval van een nieuwe verontreiniging; - en een sanering wordt ondernomen wanneer er een ernstige bedreiging bestaat in het kader van een historische verontreiniging; 24° « bijzondere waarde » : de concentratie in de bodem van één of meerdere bepaalde verontreinigende stoffen, vastgesteld na een oriënteringsonderzoek, een kenmerkenonderzoek een gecombineerd onderzoek of een sanering, die een residuele verontreiniging vormt, vastgelegd in het bodemcontrolecertificaat;25° « bodemcontrolecertificaat » : certificaat waarvan de Regering de minimuminhoud vastlegt, in voorkomend geval per type procedure, en dat de beslissing inhoudt waarbij is vastgesteld dat een terrein het voorwerp heeft uitgemaakt van een oriënteringsonderzoek, een kenmerkenonderzoek, een gecombineerd onderzoek, saneringshandelingen en -werken, een onmiddellijke beheersmaatregel of saneringshandelingen en -werken toevertrouwd aan de SPAQuE en dat de gemeten polluentenconcentraties voldoen aan de voorschriften van dit decreet en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten;26° « Wetboek » : Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling;27° « afstand » : elke translatieve, constitutieve, declaratieve of abdicatieve handeling betreffende een zakelijk recht, de verlenging ervan alsook de opbouw, overdracht of verlenging van persoonlijke rechten van meer dan negen jaar, met inbegrip van de onroerende leasing en de vermogensinbrengen en -overdrachten in de vennootschap, met uitsluiting van de door de Regering opgesomde handelingen met een familiaal karakter;28° "ISSeP" : het « Institut scientifique de service public » (Openbaar wetenschappelijk instituut), opgericht bij het decreet van 7 juni 1990, inzonderheid op artikel 4, § 3, gewijzigd bij het decreet van 9 april 1998;29° « laboratorium » : het laboratorium, erkend om de analyses bepaald bij dit decreet uit te voeren;30° bodembeheersovereenkomst : overeenkomst, gesloten tussen het Waalse Gewest en één of meerdre natuurlijke of rechtspersonen die ertoe beoogt een investerings- en saneringsprogramma vast te leggen met de lijst, de prioriteit en de data van de tenuitvoerlegging van de onderzoeken en saneringen die de betrokken personen beloven in acht te nemen;31° « herstelplan » : een van de volgende elemnten : a) het saneringsplan zoals bedoeld in artikel 7, § 3, van het decreet van 25 juli 1991 betreffende de belasting op de afvalstoffen in het Waalse Gewest of in artikel 35, § 2, van het fiscaal
decreet van 22 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
22/03/2007
pub.
28/04/2008
numac
2008031206
bron
vlaamse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Decreet houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord gesloten op 23 oktober 2006 tussen het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie tot wijziging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 juli 1991 inzake bevordering van het toerisme en tot opheffing van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 1 oktober 1991 met het oog op het toevertrouwen van zekere opdrachten aan het « Office de Promotion du Tourisme » en op het delegeren van zekere bevoegdheden voor de toepassing van het decreet van 19 juli 1991 betreffende de promotie van het toerisme
type
decreet
prom.
22/03/2007
pub.
24/04/2007
numac
2007201248
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet tot wijziging van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen
type
decreet
prom.
22/03/2007
pub.
24/01/2008
numac
2008031006
bron
franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest
Decreet betreffende de gelijkheid van behandeling van personen in de beroepsopleiding
type
decreet
prom.
22/03/2007
pub.
23/04/2007
numac
2007201222
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet houdende goedkeuring, wat betreft de materies waarvan de uitoefening aan de Franse Gemeenschap is overgedragen, van het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Franse Gemeenschap en het Waals Gewest betreffende het administratieve en financiële beheer van de provinciale coördinaties voor de gelijkheid van vrouwen en mannen
sluiten tot bevordering van afvalpreventie en -valorisatie in het Waalse Gewest voor wijziging ervan bij het
decreet van 5 december 2008Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
05/12/2008
pub.
18/02/2009
numac
2009200642
bron
waalse overheidsdienst
Decreet betreffende het bodembeheer
sluiten betreffende het bodembeheer; b) het tenuitvoerleggingsplan om het herstel in oorspronkelijke staat uit te voeren in e zin van artikel 43 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen of in de artikelen D.157, D.159 en D.163 van Boek I van het Milieuwetboek; c) het saneringsplan bedoeld in artikel 116, § 1; d) het plan voor herstel in oorspronkelijke staat bedoeld in artikel 71 van het
decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
08/06/1999
numac
1999027439
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de milieuvergunning
sluiten betreffende de milieuvergunning of in artikel D.149 van boek I van het Milieuwetboek; e) de omtrek van de herin te richten locatie, ingediend voor 1 juni 2017 zoals aangenomen door de Regering in de zin van de artikelen 167 of 182 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie en waarvoor een document afgeleverd door de administratie het bijzonder bestek voor de herinrichtingswerken goedkeurt;32° « uitbater » : de uitbater in de zin van artikel 1, 8°, van het
decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
08/06/1999
numac
1999027439
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de milieuvergunning
sluiten betreffende de milieuvergunning;33° « installaties of activiteiten die een risico inhouden voor de bodem » : ingedeelde installaties en activiteiten die geacht worden een milieu-impact te hebben op de bodem met een mogelijke verontreiniging tot gevolg;34° "mandataris" : iedere persoon, niet noodzakelijk een deskundige of een verplichtinghouder, behoorlijk gemandateerd door één of meerdere verplichtinghouders om als aanspreekpunt op te treden in de relaties met de administratie;35° "opvullingen" : volume aarde of vaste speciën die de mens op een terrein heeft opgehoopt, waardoor de topografie ervan gewijzigd is of die ertoe bestemd is andere aarde of vaste speciën te vervangen zonder de topgrafie van de plaats noodzakelijkerwijs te wijzigen;36° « wijziging van de grondinneming met een impact op het bodembeheer" : wijziging van de grondoppervlakte of herinrichting van de grond wegens handelingen of werken die een belemmering of een extreme moeilijkheid vormen voor onderzoekingen, analyses of saneringshandelingen en werken met betrekking tot een bodemverontreiniging die vastgesteld is op het terrein of in de onmiddellijke nabijheid ervan gelegen is;37° "afvalstoffen verwerkt in de bodem" : afvalstoffen in de zin van artikel 2, 1°, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen die geheel of gedeeltelijk in de bodem ingegraven zijn;38° "onmiddellijke beheersmaatregelen" : maatregelen gevolgd door een deskundige met het oog op het voorkomen of verminderen van de onmiddellijke gevaren en risico's en op het verwijderen van de bodemverontreiniging;39° « verplichtinghouder » : de houder(s) verantwoordelijk voor één of meerdere verplichtingen vernoemd in artikel 19, lid 1. Afdeling 3. - Voorkoming en voorlichting
Art. 3.Iedere persoon is ertoe gehouden, de passende maatregelen te treffen om de bodem te vrijwaren en iedere nieuwe bodemverontreiniging te voorkomen. Art. 4.Om de bodem te beschermen en er een duurzame en milieuvriendelijke benutting van te garanderen, de kwaliteit ervan te vrijwaren en te herstellen en de erop inwerkende processen van afbraak en aantasting te voorkomen, kan de Regering de nodige maatregelen treffen om het volgende te reglementeren en te organiseren : 1° het beheer van de gronden en andere in de bodem verwerkte stoffen;2° de benutting van de organische stoffen of meststoffen voor de spreiding met name in het kader van landbouwactiviteiten of van stoffen of substanties die deel uitmaken van de samenstelling ervan;3° het beheer van werken die schade zouden kunnen berokkenen aan de bodemkwaliteit. Daartoe kan zij volgende maatregelen treffen : 1° de monsternemings- en analysemethodes voor die stoffen of substanties en voor de bodems vaststellen;2° laboratoria of deskundigen erkennen volgens de door haar bepaalde regels;3° andere dienstverleners of interveniënten erkennen volgens de door haar bepaalde regels;4° verplichtingen opleggen inzake rapportage, mededeling van gegevens en een authentieke databank oprichten;5° de spreiding van organische stoffen of meststoffen voor de spreiding in het kader van bepaalde activiteiten op sommige percelen verbieden of inperken volgens een door haar bepaalde procedure;6° onder de door haar vastgestelde voorwaarden bepaalde gebruiksvormen van de bodem en de aanwending van de organische stoffen of meststoffen voor de spreiding met name in het kader van landbouwactiviteiten reglementeren volgens bepaalde modi voor gebruik van de bodem en benutting, met inbegrip van een benuttingscertificaat, een registratiecertificaat of het certificaat van een administratieve overheid;7° tegen de door haar vastgestelde voorwaarden en volgens de door haar bepaalde procedureregels, een verbod, nadere regels of een beperking opleggen voor de invoering in het Waalse Gewest van organische stoffen of meststoffen voor de spreiding in het kader van landbouwactiviteiten uit andere staten of gewesten wanneer zij vaststelt dat de absorptiecapaciteit van de bodems in het hele Waalse Gewest of een deel ervan overschreden is;8° het beheer organiseren van de organische stoffen, met inbegrip van hun gedifferentieerde benutting in functie van hun kenmerken en de kenmerken van de ontvangende milieus;9° de installatie, het gebruik, het onderhoud en de controle van de reservoirs reglementeren. Eenieder die een bodem wijzigt of uitbaat waakt erover, de erosie die de bodemkwaliteit op lange termijn zou kunnen bedreigen, te voorkomen door passende landbouw- en uitbatingstechnieken zoals een erosiebestrijdende inrichting van de percelen, erosiebestrijdende teelttechnieken en gewasrotatie. Art. 5.§ 1. De Regering voorziet in het gedifferentieerd beheer van de gronden in functie van hun kwaliteit en oorsprong, en in functie van de kenmerken en de soorten benutting van de ontvangende milieus.
Zij bepaalt de verantwoordelijkheden in het beheer van de gronden en in het voltooien van de procedures.
Elke grondbeweging en -benutting vereist een voorafgaandelijke kwaliteitscontrole en een certificering van die controle, en wordt traceerbaar gemaakt. De Regering stelt er de voorwaarden en nadere regels van vast; zij bepaalt de eventuele uitzonderingen.
De gegevens betreffende de bodem- en grondkwaliteit, ingezameld ter uitvoering van dit artikel, worden ingevoerd in de databank ondergrond. § 2. Er wordt een dossierrecht geheven voor elk dossier inzake grondbeheer dat onderworpen wordt aan de certificering voor kwaliteitscontrole en voor elke grondbeweging die aan een kennisgeving wordt onderworpen.
De Regering benadert de nadere berekenings- en inningsregels voor het dossierrecht, en de eventuele vrijstellingen.
Het dossierrecht omvat : 1° het bedrag dat de administratieve kosten dekt, geïnd door de administratie of in haar opdracht, en waarvan de opbrengst gestort wordt in het fonds voor afvalstoffenbeheer, opgericht in de ontvangsten- en de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest;2° het bedrag geïnd door een concessiehouder ter uitvoering van een concessiecontract, gesloten overeenkomstig § 3 ter dekking van de vergoeding van de dienst. § 3. De certificering van de kwaliteitscontrole en de opvolging van het grondbeheer worden door de administratie of onder haar controle uitgevoerd.
De Regering kan volgende activiteiten in delegatie geven onder de vorm van één of meerdere concessies van openbare diensten : 1° de uitvoering van de traceerbaarheid van de gronden, met inbegrip van de noodzakelijke verificatieverrichtingen in dit verband, evenals de toelating voor grondbewegingen;2° de certificering van de kwaliteitscontrole van de gronden, met inbegrip van de verificatieverrichtingen die daarvoor noodzakelijk zijn;3° de inzameling en de verwerking van gegevens uit de activiteiten bedoeld in 1° en 2° en de overdracht ervan naar de databank bodemtoestand;4° de inning van de dossierrechten voor haar rekening en voor rekening van de administratie, met inbegrip van de uitoefening van een controle op de storting van die bedragen;5° de ontwikkeling van de informatica-instrumenten en de databanken nodig voor het beheer van de activiteiten bedoeld in 1° tot 4°, en voor de opvolging van het beheer van de gronden in het algemeen;6° de mededeling van informatie over het beheer van de gronden;7° alle andere opvolgings-, adviserings- en rapportageactiviteiten in verband met het grondbeheer. De Regering bepaalt de voorwaarden waaraan de concessiehouder dient te voldoen, rekening houdend met volgende minimumvereisten : 1° garanties geven inzake onpartijdigheid en niet-bestaan van belangenconflicten;2° niet rechtstreeks betrokken zijn bij de verrichtingen voor de productie, de kwaliteitscontrole of het beheer van gronden en, in voorkomend geval, andere stoffen bedoeld in § 5;3° beschikken over voldoende middelen om zijn activiteiten uit te voeren;4° onder de stichters en de personen die voor de concessiehouder verbintenissen mogen aangaan, enkel personen tellen die hun burgerlijke en politieke rechten genieten en niet zijn veroordeeld voor inbreuken op de leefmilieuwetgeving in de Europese Unie;5° gevestigd zijn op het grondgebied van het Waals Gewest en het taalgebruik eerbiedigen in elke relatie met de administratie en de personen die betrokken zijn bij het grondbeheer in het Waalse Gewest;6° op homogene wijze het gehele Waalse grondgebied dekken en gelijke en niet-discriminerende voorwaarden toepassen;7° een zekerheid stellen zodat het Gewest een waarborg krijgt inzake de zorgvuldige uitvoering van de activiteiten;8° gedekt zijn door een aansprakelijkheidsverzekerinsgcontract voor de gezamenlijke in concessie gegeven activiteiten. De Waalse Regering stelt vast : 1° de minimumregels inzake goed bestuur en transparantie die in acht te nemen zijn in het kader van de relaties van de concessiehouder met het gezag, met name de handelingen en documenten die voorafgaandelijk ter goedkeuring aan de administratie worden voorgelegd;2° de minimumregels inzake goed bestuur die in acht te nemen zijn ten opzichte van de verschillende betrokken partijen;3° de juridische en technische minimumvoorwaarden waarin de in concessie gegeven functionele activiteiten worden georganiseerd;4° de informatieverplichtingen ten opzichte van de administratie, de gebruikers en de betrokken partijen, evenals de nadere regels voor het overmaken of ter beschikking stellen van informatie en de termijnen;5° de financieringsregels voor de functionele activiteiten via de dossierrechten, en de verplichtingen inzake transparantie voor de financiering van de activiteiten en de kosten;6° de regels en de nadere regels inzake openstaande beroepen tegen de beslissingen van de concessiehouder. § 4. Er wordt een platform opgericht voor technische dialoog en overleg tussen de verschillende partijen, betrokken bij grondbeheer.
De samenstelling en de organisatie van het platform worden door de Regering in nadere regels vastgelegd.
Het platform brengt advies uit over ieder vraagstuk in verband met het grondbeheer dat het van de Minister, de administratie, de concessiehouder bedoeld in § 3 of ten minste één vijfde van zijn leden voorgelegd krijgt. § 5. De Regering kan de toepassing van het geheel of van een deel van de bepalingen van de §§ 1 tot 4 uitbreiden naar andere stoffen die op of in de bodems benut kunnen worden en een kwaliteitscontrole en een traceerbaarheid vereisen. Art. 6.De uitbater en degene die een terrein bewaakt die voorwerp zijn van vervuiling met een concentratie die de criteria vastgesteld in de artikelen 53 tot 55 te boven gaat, zijn ertoe gehouden, als ze geïnformeerd zijn over de aanwezigheid van die verontreinigende stoffen, de ambtenaar belast met het toezicht onverwijld in te lichten, evenals het gemeentecollege van de betrokken gemeente(n).
Hij heeft eveneens de verplichting om de ambtenaar belast met het toezicht, evenals de eigenaar en de betrokken gemeente(n), zodra hij geïnformeerd wordt, kennis te geven van elk risico op verplaatsing van de verontreiniging buiten het terrein.
Lid één is niet van toepassing als de informatie over de aanwezigheid van verontreinigende stoffen voortvloeit uit ofwel : 1° een bodemanalyse die strikt is uitgevoerd met als doel het verbeteren van de wetenschappelijke kennis over de bodemkwaliteit op het grondgebied;2° een bodemanalyse die strikt ertoe bestemd is de leefmilieukwaliteit of de vruchtbaarheid van landbouwgronden, bewerkte tuinen of potentieel bewerkbare gronden;3° een analyse van gronden, uitgevoerd in het kader van maatregelen voor gedifferentieerd beheer van de gronden overeenkomstig artikel 5. Afdeling 4. - Onteigening en lasten
Art. 7.Op eigen initiatief of op vraag van de verplichtinghouder kan de Regering overgaan tot onteigening ten algemenen nutte van de onroerende goederen voor de uitvoering van de saneringshandelingen en -werken op het terrein. Art. 8.§ 1. De gronden die het voorwerp uitmaken van onderzoeks-, veiligheids-, opvolgings- of saneringsmaatregelen, evenals de naburige goederen, ondergaan de lasten noodzakelijk voor de goede afloop ervan, met inbegrip van de toegang, de gebruiksbeperkingen, de uitvoering of de instandhouding van bouwwerken, handelingen en werken.
De Regering legt de nadere regels vast voor de toepassing van de lasten bedoeld in lid één.
De eigenaars en bezetters van die naburige goederen worden vooraf ingelicht over de uitvoering van die maatregelen, volgens de nadere regels omschreven door de Regering.
De uitoefening van dat prerogatief houdt in dat in voorkomend geval de schade aan de naburige goederen veroorzaakt door die interventies ongedaan wordt gemaakt. § 2. Om de opdrachten inzake inventaris of onderzoekingen, die haar worden toevertrouwd ter uitvoering van dit decreet, te verrichten, is de SPAQuE gemachtigd om tegen de door de Regering vastgestelde voorwaarden één of meerdere al dan niet gekadastreerde percelen, en de buitenkanten ervan, te betreden om er de onderzoeken, analyses en monsternames te verrichten, al dan niet vergezeld door deskundigen of gespecialiseerde ondernemingen.
Daartoe en desnoods kan de SPAQuE het optreden van de openbare macht vorderen. § 3. Als het betrokken perceel of de betrokken percelen ingenomen worden door een woonst, en in afwezigheid van de bewoner, wordt door de leidend ambtenaar van bedoelde administratie machtiging gevraagd aan de bevoegde rechtbank. § 4. Er is geen vergoeding verschuldigd aan de houders van zakelijke of persoonlijke rechten op die goederen, behalve hun beroep tegen de verantwoordelijke. HOOFDSTUK II. - Waarden, register van de bodemconcentraties en databank Afdeling 1. - Waarden
Art. 9.Onverminderd de bijzondere waarden bepaalt bijlage 1 bij dit decreet de drempelwaarden, en het toepassingsgebied ervan al naar gelang van de huidige of toekomstige feitelijke en rechtstoestand, volgens het type gebruik van het terrein zoals bepaald in bijlagen 2 en 3 bij dit decreet.
De Regering is bevoegd om de bijlagen 1, 2 en 3 aan te vullen en te wijzigen, mits motivering. De besluiten genomen krachtens dit lid zullen ophouden uitwerking te hebben als ze niet bij decreet zijn bevestigd binnen een termijn van twaalf maanden na bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
In afwijking van het eerste lid is het type natuurlijk gebruik van toepassing op de terreinen gelegen in een Natura 2000-locatie en op de terreinen die in aanmerking komen voor een beschermingsstatuut in de zin van de
wet van 12 juli 1973Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/07/1973
pub.
24/08/2010
numac
2010000473
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet op het natuurbehoud Duitse vertaling van de federale versie
sluiten op het natuurbehoud en is het type landbouwkundig gebruik van toepassing op de terreinen gelegen in een preventiegebied van een grondwaterwinning bepaald krachtens artikel R.156 van boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt.
Indien noch dit decreet noch de Regering de drempelwaarde betreffende een vervuilende stof overeenkomstig het eerste lid hebben vastgelegd, kan de administratie ze in haar in artikel 44 of in voorkomend geval in artikel 50 bedoelde beslissing vastleggen na advies van de door de Waalse Regering aangewezen instanties. Afdeling 2. - Bodemconcentraties
Art. 10.De gewestelijke kaart van de bodemconcentraties wordt door de administratie opgemaakt en bijgewerkt op basis van de beste beschikbare gegevens, met inbegrip van de gegevens die door de deskundigen verstrekt worden in het kader van de oriënterings- of kenmerkenonderzoeken.
Die kaart wordt ter inzage van het publiek gelegd.
Bij gebreke van kaart bedoeld in lid één, kan de deskundige eventuele bodemconcentraties voorstellen overeenkomstig de artikelen 43, 49, 52 en 69. Afdeling 3. - Databank ondergrond
Art. 11.§ 1. De databank ondergrond wordt door de administratie geleidelijk opgesteld en beheerd.
De administratie is de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
De administratie stelt een jaarverslag op, dat aan de Regering wordt overgemaakt, die het dan overmaakt aan de voorzitter van het Waals Parlement. § 2. De databank ondergrond neemt voor elk al dan niet gekadastreerd perceel de gegevens die bij de administratie beschikbaar zijn zoals bedoeld in artikel 12 op.
De gegevens van de databank ondergrond worden bewaard indien ze relevant blijken te zijn. § 3. De administratie zorgt voor de verspreiding in elektronische vorm van de gegevens bedoeld in artikel 12, §§ 2 tot 4, als actieve informatie in de zin van Titel I van Deel III van Boek I van het Milieuwetboek. De verspreiding gebeurt via de Portaalsite Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst. De Regering stelt de nadere regels vast volgens welke deze verspreiding uitgevoerd wordt.
De administratie verschaft toegang aan iedere persoon tot de gegevens bedoeld in artikel 12, §§ 2 tot 4, die niet beschikbaar zijn in elektronische vorm. De Regering legt de nadere toegangsregels vast overeenkomstig Titel I van Deel III van Boek I van het Milieuwetboek.
Iedere persoon heeft toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 12, § 3, middels zijn identificatie volgens de nadere regels vastgesteld door de Regering. Art. 12.§ 1. Voor elk al dan niet gekadastreerd perceel neemt de databank ondergrond de gegevens op waarover de administratie beschikt volgens de categorieën bedoeld in de paragrafen 2 tot 4.
De gegevens vervat in de databank ondergrond maakt duidelijk, tot welke categorie ze behoren.
Onverminderd artikel 75, § 3, gelden de gegevens bedoeld in §§ 2 en 3, opgenomen in de databank, tot het tegendeel wordt bewezen. § 2. De gegevens uit de eerste categorie hebben betrekking op : 1° de percelen waarvoor een machtiging die een installatie of een activiteit beoogt met een risico voor de bodem is uitgereikt in het kader van een administratieve ordehandhaving; 2° de percelen die een bodemverontreiniging zouden kunnen vertonen, vermeld in de processen-verbaal van vaststelling van een overtreding en de bezoekverslagen opgesteld door de personeelsleden aangewezen krachtens artikel D.140 van Boek I van het Milieuwetboek of door de personeelsleden aangewezen bij de bepalingen bedoeld in artikel D.138 van Boek I van het Milieuwetboek voor wijziging ervan bij het
decreet van 27 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
27/05/2004
pub.
09/07/2004
numac
2004027101
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende Boek I van het Milieuwetboek
type
decreet
prom.
27/05/2004
pub.
23/09/2004
numac
2004202818
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt
sluiten tot invoering van Boek I van het Milieuwetboek; 3° de percelen vallend onder een vervuild of potentieel vervuild terrein;4° de percelen die een residuele vervuiling vertonen na afloop van de uitvoering van een herstelplan dat het voorwerp uitmaakt van een goedgekeurde plaatsomschrijving;5° de bodemcontrolecertificaten;6° de gegevens en documenten uitgebracht overeenkomstig artikel 5;7° de refertes van de machtigingen tot uitbating en milieuvergunningen met betrekking tot de installaties en activiteiten die een risico inhouden voor de bodem;8° de refertes van de herstelplannen;9° de documenten die de zorgvuldige uitvoering van een sanering overeenkomstig een herstelplan bewijzen;10° de beslissingen van de administratie over de gegevens bedoeld in paragraaf 3;11° de beslissingen van de Regering bedoeld in de artikelen 79 en 81. § 3. De gegevens uit de tweede categorie hebben betrekking op : 1° de oriëntatieonderzoeken;2° de kenmerkenonderzoeken;3° de gecombineerde onderzoeken;4° de saneringsprojecten;5° de eindbeoordelingen van de saneringshandelingen en -werken bedoeld in artikel 71;6° de gegevens met betrekking tot de uitvoering van aanvullende werken bedoeld in artikel 71;7° de veiligheidsmaatregelen;8° de opvolgingsmaatregelen;9° de gegevens ingezameld in het kader van de onmiddellijke beheersmaatregelen bedoeld in artikel 80. § 4. De gegevens uit de derde categorie omvatten alle gegevens van strikt indicatieve aard die betrekking hebben op een bepaald perceel en die ten opzichte van de genererende feiten bedoeld in de artikelen 23 tot 27 niet de verplichtingen bedoeld in artikel 19 doen ontstaan.
Het informatieve karakter van die gegevens wordt als dusdanig duidelijk vermeld.
De categorie bedoeld in lid 1 omvat : 1° de gegevens die betrekking hebben op de percelen, geïnventariseerd in het kader van onderzoeken of onderzoekingen die vaststellen dat ze installaties of activiteiten die een risico inhouden voor de bodem, ontvangen hebben of kunnen hebben.Als dusdanig worden de voormalige activiteiten of installaties geacht die gevaarlijke stoffen met een potentiële impact op de bodem hebben kunnen gebruiken; 2° de vermelding van de aanwezigheid van opgehoogde aarde op bedoeld terrein;3° de gegevens medegedeeld krachtens artikel 6 of medegedeeld op initiatief van de gemeentelijke overheden. De Waalse Regering bepaalt de nadere regels volgens welke die gegevens een voldoende betrouwbaar vermoeden van vervuiling kunnen vormen om geval per geval toegewezen te worden aan de eerste categorie bedoeld in § 2. Art. 13.§ 1. Er staat voor eenieder, volgens nadere regels voorzien door de Regering, een recht open tot rechtzetting van de gegevens vervat in de databank ondergrond. De uitoefening van dat recht heeft geen beperking in de tijd. § 2. De percelen waarvan de gegevens het voorwerp hebben uitgemaakt van een aanvraag tot rechtzetting worden voorzien van een dienovereenkomstige melding in de databank ondergrond.
De verplichtingen ontstaan uit de artikelen 23 tot 27 voortvloeiend uit gegevens van de databank over de toestand ondergrond worden niet opgeschort wegens de aanvraag tot rechtzetting voor betrokken perceel, behalve in de gevallen bepaald door de Regering. Art. 14.§ 1. Er wordt een beheers- en toezichtcomité van de databank ondergrond opgericht, hierna het Comité genoemd. Het Comité wordt ermee belast te waken over en bij te dragen tot de doeltreffende en veilige werking van de databank ondergrond. Daartoe bestaat zijn opdracht erin : 1° de werking en de benutting van de databank ondergrond te controleren met inbegrip van de aanvragen tot rechtzetting bedoeld in artikel 13;2° ter attentie van de Minister bevoegd voor Leefmilieu suggesties te formuleren over de opportuniteit om het uitgevoerde systeem te wijzigen met betrekking tot de inachtneming van het zorgvuldig gebruik van de gegevens opgenomen in de databank. § 2. Het Comité bestaat uit zes leden, aangewezen door de Regering met volgende verdeling : 1° één vertegenwoordiger van de Minister van Leefmilieu, die het voorzitterschap waarneemt;2° twee vertegenwoordigers van het Operationeel Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst;3° twee vertegenwoordigers van het Operationeel Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Erfgoed en Energie van de Waalse Overheidsdienst;4° één vertegenwoordiger van de SPAQuE. De Regering kan de samenstelling van het comité verder aanvullen. § 3. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de werking van het beheerscomité en bepaalt zijn opdrachten nader.
Het Comité legt zijn huishoudelijk reglement ter goedkeuring aan de Regering voor. Art. 15.§ 1. De administratie zamelt bij de referentiebronnen die over de nodige gegevens beschikken in het kader van hun activiteiten, die gegevens in nodig voor de invulling van de databank ondergrond.
Elke referentiebron maakt de administratie de gegevens over die ze bezit volgens de technische regels opgenomen in een protocol dat de administratie samen met de referentiebron ondertekend heeft. Het overmaken van die gegevens maakt een eenduidige aanwijzing van de betrokken percelen en een toewijzing tot een categorie waarvan die gegevens deel zouden moeten uitmaken, mogelijk.
De Regering stelt de minimuminhoud van het protocol vast. § 2. De referentiebronnen zijn : 1° de administratie voor wat betreft de gegevens bedoeld in artikel 12, §§ 2, 3 en 4;2° de SPAQuE voor wat betreft de gegevens bedoeld in artikel 12, §§ 2, 3°, 4°, 5°, 9°, 10° en § 4;3° de autoriteiten die de herstelplannen goedkeuren en beheren voor wat betreft de gegevens bedoeld in artikel 12, § 2, 9° en 10° ;4° de krachtens artikel 5 aangewezen concessiehouder voor wat betreft de gegevens bedoeld in artikel 12, § 2, 6°. § 3. De autoriteit die betrokken partij is bij een gerechtelijke procedure of een betwisting maakt de administratie, zodra deze uitgesproken zijn, een afschrift over van de vonnissen en arresten in verband met de bodemverontreinigingen. § 4. De Regering stelt de minimuminhoud van het protocol bedoeld in § 1 vast en legt de nadere regels vast volgens welke de referentiebronnen en autoriteiten waarvan sprake in §§ 2 en 3 de gegevens aan de administratie verstrekken.
De Regering legt de nadere regels vast voor de invoering van gegevens in, en het beheer van de databank ondergond, alsook voor het aanmaken van het cartografisch informatiemateriaal van de databank ondergrond. Art. 16.Nadat de administratie de gegevens heeft laten opnemen in de databank ondergrond, maakt ze jaarlijks ter informatie een samenvatting van de relevante gegevens aan de betrokken gemeenten over.
De Regering stelt de nadere regels vast volgens welke de houders van zakelijke rechten of de uitbaters voor de terreinen die hen betreffen ingelicht worden over de opname van gegevens in de databank ondergrond. Art. 17.§ 1. De Administratie verstrekt bij aangetekend schrijven of per e-mail een eensluidend verklaard uittreksel van de databank ondergrond aan elke persoon die erom verzoekt.
Het eensluidend verklaard uittreksel wordt bij aangetekend schrijven of per e-mail verstrekt mits betaling van een dossierrecht gestort aan het "Fonds pour la protection de l'Environnement "(Fonds Leefmilieubescherming), "section Protection des sols" (Afdeling Bodembescherming), bedoeld in artikel D.170, § 1, van Boek I van het Milieuwetboek.
De Regering bepaalt de geldigheidsduur, de modaliteiten voor de aanvraag en de afgifte van het eensluidend verklaard uittreksel van de databank ondergrond alsook de modaliteiten voor de inning van de dossiersrechten.
Er wordt een eensluidend uittreksel verstrekt voor elk beoogd, al dan niet gekadastreerd perceel.
In het geval dat de databank ondergrond geen enkel gegeven bevat voor het betrokken perceel, wordt dit uitdrukkelijk vermeld in het eensluidend verklaard uittreksel van de databank. § 2. Het bedrag van het dossierrecht voor de afgifte van het eenvormig uittreksel wordt volgens onderstaande formule berekend : "M = A + [(N-1) x B]" Waarbij : 1° « M het dossierrecht is »;2° "A = 30 euro";3° "N het aantal al dan niet gekadastreerde percelen is betreffende hetzelfde goed dat het voorwerp uitmaakt van éénzelfde aanvraag";4° "B = 10 euros". Wanneer een aanvraag minstens één niet gekadastreerd perceel beoogt, wordt het bedrag van het dossierrecht vermeerderd met 100 euro.
Indien het eensluidend verklaard uittreksel per aangetekend schrijven wordt afgegeven, wordt het dossierrecht met 10 euro vermeerderd.
Het bedrag van het dossierrecht wordt beperkt tot maximum 320 euro.
Eénzelfde aanvraag wordt beperkt tot maximum 80 al dan niet gekadastreerde percelen. Bij een hoger aantal wordt de aanvraag onderworpen aan een voorafgaandelijke goedkeuring volgens de nadere regels bepaald door de Regering. Afdeling 4. - Waalse code van goede praktijken en Waals compendium van
methodes voor monsternemingen en analyses Art. 18.§ 1. De Regering neemt minimumregels aan voor technische procedures met betrekking tot : 1° het oriëntatie-, kenmerken- en risico-onderzoek;2° het saneringsproject;3° de eindbeoordeling. Aan de minimumregels bedoeld in lid 1 wordt een Waalse code van goede praktijken (Franse afkorting : CWBP) toegevoegd, opgemaakt in de vorm van referentiehandleidingen.
De Waalse code van goede praktijken heeft een indicatieve waarde en beoogt de kwaliteit van het deskundigenproces te waarborgen. Hij bevat criteria waarmee de deskundige kan verantwoorden en waarborgen dat de alternatieve methodologieën die hij voorstelt een gelijkwaardig informatieniveau en een gelijkwaardige informatiekwaliteit bezitten.
De minimumregels bedoeld in lid 1 en de Waalse code van goede praktijken bevatten specifieke en vereenvoudigde technische procedures voor wat betreft de onderzoekingen en analyses van de risico's in verband met aardeophogingen. Ze kunnen eveneens methodologieën bevatten in verband met de bodembescherming, de bestrijding en het herstel van bodemkwaliteitsaantastingen. § 2. De Regering neemt de minimumregels aan voor methodes inzake afneming en monsterneming, bewaring, voorbehandeling en analyse van de monsters alsook de analytische procedures tot bepaling van de gehalten aan verontreinigende stoffen in de bodems.
Aan de minimumregels bedoeld in lid 1 wordt een Waals compendium van de methodes voor monsternemingen en analyses toegevoegd, Franse afkorting : CWEA. Die minimumregels en het CWEA bevatten criteria waarbij het laboratorium en de deskundige in de mogelijkheid gesteld worden om te verantwoorden en te waarborgen dat de methodes voor analyse en monsterneming die zij voorstellen een gelijkwaardig informatieniveau en een gelijkwaardige informatiekwaliteit verzekeren. Ze bevatten eveneens specifieke en vereenvoudigde methodes voor de monsterneming en analyses voor wat betreft de aardeophogingen. HOOFDSTUK III. - Verplichtingen, genererende feiten, verplichtinghouders en afwijkingen Afdeling 1. - Algemeen
Art. 19.De verplichtingen van dit decreet houden, in voorkomend geval, het volgende in : 1° een oriënteringsonderzoek;2° een kenmerkenonderzoek;3° een saneringsproject;4° de uitvoering van saneringshandelingen en -werken;5° de uitvoering van opvolgingsmaatregelen;6° de uitvoering van veiligheidsmaatregelen, met uitzondering van toegangs-, gebruiks- en benuttingsbeperkingen. Overeenkomstig artikel 52 kan de verplichtinghouder beslissen een gecombineerd onderzoek in plaats van het oriënteringsonderzoek bedoeld in het eerste lid, 1°, in te voeren.
De veiligheidsmaatregelen worden in het bodemcontrolecertificaat bepaald volgens de verplichtingen bedoeld in het eerste lid, en blijven ten laste van de oorspronkelijke verplichtinghouder met uitzondering van de toegangs-, gebruiks- en benuttingsbeperkingen eigen aan de grond, en die nageleefd moeten worden door elke huidige of toekomstige gebruiker en elke houder van een zakelijk recht daarop. Art. 20.§ 1. Ten aanzien van alle genererende feiten bedoeld in de artikelen 23 tot 28 worden de stappen in verband met de verplichtingen, indien de verplichtinghouder failliet verklaard is, het voorwerp uitmaakt van een beslaglegging of van een collectieve schuldenregeling, respectievelijk ondernomen door : 1° de curator, voor rekening van de massa;2° de gevolmachtigde notaris, voor rekening van de beslag leggende schuldeisers;3° de bemiddelaar, voor rekening van de persoon die voor schuldbemiddeling in aanmerking komt. De schulden i.v.m. de uitvoering van het oriënteringsonderzoek, het kenmerkenonderzoek, het gecombineerd onderzoek, het saneringsproject, de uitvoering van saneringshandelingen en -werken, alsook de veiligheids- en opvolgingsmaatregelen, incluis de kosten voor het eventueel stellen van financiële zekerheden, zijn ten laste van de massa. Hetzelfde geldt indien een beroep wordt gedaan op artikel 22 door de curator, de gevolmachtigde notaris of de bemiddelaar, in uitvoering van artikel 31, § 6, eerste lid. § 2. De Regering beschikt over een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de verplichtinghouders en kan een wettelijke hypotheek op alle goederen van die personen vestigen. Het voorrecht neemt rang onmiddellijk na de voorrechten bedoeld in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 betreffende de herziening van het hypotheekstelsel. Art. 21.§ 1. Iedereen kan een naar behoren onderbouwde aanvraag bij de administratie indienen, met als doel een overeenkomst van bodembeheer te ondertekenen.
Een overeenkomst van bodembeheer kan ondertekend worden : 1° wanneer de vrijwillige onderwerping bedoeld in artikel 22 op meerderen gronden betrekking heeft;2° wanneer de verplichtingen van de verplichtinghouder op meerdere gronden betrekking hebben;3° als er meerdere verplichtinghouders zijn op een vervuild of potentieel vervuild grond, na overleg van de houders zoals bedoeld in artikel 73 van dit decreet; 4° wanneer de vervuilde of potentieel vervuilde grond deel uitmaakt van een project in de zin van artikel D.IV.31 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, waarvoor een proces-verbaal goedgekeurd is of goedgekeurd geacht wordt. 5° wanneer de aangetroffen toestand elementen bevat die de uitvoering van dit decreet kunnen bemoeilijken.De Regering bepaalt de toestanden die als complex beschouwd kunnen worden in de zin van deze bepaling.
Deze aanvraag bevat een voorstel van onderzoeks- en saneringsprogramma met de lijst, de prioriteit en de data van tenuitvoerlegging van de onderzoekingen en saneringen die de betrokken persoon of personen zich ertoe verbinden in acht te nemen.
De administratie beslist binnen de zestig dagen.
In functie van de omstandigheden kunnen de administratie en de « SPAQuE » op eigen initiatief, in het kader van de toevertrouwde opdrachten, het sluiten van een overeenkomst voorstellen. § 2. De overeenkomst van bodembeheer bepaalt het onderzoeks- of saneringsprogramma met de lijst, de prioriteit en de data van tenuitvoerlegging van de onderzoekingen of saneringen die de betrokken personen zich ertoe verbinden in acht te nemen. De partijen kunnen elk onderling akkoord laten opnemen, met name omtrent de mogelijke herontwikkeling van de locatie, voor zover het van dit decreet niet afwijkt.
Onverminderd de andere bepalingen vervangen de in de overeenkomst van bodembeheer bedoelde termijnen voor uitvoering van de in artikel 19 bedoelde verplichtingen, de termijnen die in het decreet voorzien zijn. § 3. De Regering bepaalt de modaliteiten in verband met het sluiten van de overeenkomst van bodembeheer, de duur en toepassingsvoorwaarden ervan, en kan het model ervan vaststellen. Afdeling 2. - Vrijwillige onderwerping
Art. 22.§ 1. Eénieder die het wenst kan zich via een aan de administratie gerichte kennisgeving individueel onderwerpen aan de bepalingen van dit decreet. Bij gebrek aan dergelijke kennisgeving wordt de vrijwillige onderwerping geacht te hebben plaatsgevonden door de toezending van : : 1° het oriënteringsonderzoek volgens de vormen en de modaliteiten voorgeschreven in artikel 43;2° het gecombineerd onderzoek volgens de vormen en de modaliteiten voorgeschreven in artikel 52;3° het saneringsproject beoogd bij de versnelde saneringsprocedure volgens de vormen en modaliteiten voorgeschreven in artikel 69;4° het inlichten over de aanstelling van een deskundige om over te gaan tot dringende beheersmaatregelen volgens de vormen en modaliteiten voorgeschreven in artikel 80. Voor éénieder die niet aan de verplichtingen voortvloeiend uit de artikelen 23 tot 27 onderworpen is, is de vrijwillige onderwerping bedoeld in het eerste lid een onderwerping zonder enig nadelige erkenning en zonder nadere verbintenis om één of meerdere verplichtingen bedoeld in artikel 19 te verwezenlijken. Onverminderd artikel 29, § 1, eerste lid, 1°, en artikel 31, § 6, tweede lid, kan de betrokken persoon te allen tijde de administratie verzoeken ontlast te worden van de verplichting om zijn verbintenis na te leven. § 2. Indien de wens om zich aan de bepalingen van hoofdstuk IV te onderwerpen betrekking heeft op één of verschillende terreinen waarvan de bodem verontreinigd of potentieel verontreinigd is, onderwerpt de natuurlijke of rechtspersoon aan de goedkeuring van de administratie een onderzoeks- en saneringsprogramma met de lijst, de prioriteit en de data van de tenuitvoerlegging van de onderzoekingen en saneringen die hij zich ertoe verbindt, in acht te nemen. § 3. De vrijwillige onderwerping bedoeld in paragraaf 1 kan het voorwerp uitmaken van een overeenkomst van grondbeheer zoals bedoeld in artikel 21. Afdeling 3. - Genererende feiten uit het oriënteringsonderzoek
Art. 23.§ 1. Een oriënteringsonderzoek wordt door de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning, van een globale vergunning of van een geïntegreerde vergunning uitgevoerd op een terrein vermeld als vervuild of potentieel vervuild in de databank ondergrond, voor zover de handelingen en werken die het voorwerp uitmaken van de vergunningsaanvraag het volgende inhouden, hetzij : 1° de uitvoering van handelingen en werken zoals bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 1°, 4°, 9° en 13°, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, voor zover ze een wijziging van de grondinneming met gevolgen voor het grondbeheer inhouden; 2° een wijziging van het gebruikstype naar een dwingender gebruik, veroorzaakt door een feitelijke wijziging van bestemming of gebruik; Het oriënteringsonderzoek of gecombineerd onderzoek wordt bij de vergunningsaanvraag gevoegd en wordt tegelijkertijd aan de administratie overgemaakt overeenkomstig de artikelen 43, eerste lid, en 52, § 1, tweede lid. De procedure tot onderzoek van de bedoelde vergunningsaanvragen wordt overeenkomstig de toepasselijke wetgevingen vervolgd. § 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op vergunningsaanvragen : 1° die als hoofddoel de verwezenlijking beogen van een netwerk voor de distributie, de productie of de sanering van water, elektriciteit of gas, telecommunicatie, tele-informatica, teledistributie of het vervoer van gas, elektriciteit of vloeistoffen;2° die als hoofddoel de verwezenlijking beogen van wegenwerken;3° in verband met een tijdelijke vestiging in de zin van artikel 1, 4°, van het
decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
08/06/1999
numac
1999027439
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de milieuvergunning
sluiten betreffende de milieuvergunning en waarvan de onafgebroken exploitatieduur niet meer dan één jaar bedraagt. § 3. De Regering kan een lijst vaststellen van de handelingen en werken waarop paragraaf 1 niet van toepassing is, wegens aard of omvang ervan. § 4. Wanneer de vergunning niet afgeleverd wordt of wanneer de aanvrager bedoeld in § 1, 1°, beslist zijn vergunning niet uit te voeren, is hij er niet toe gehouden, de onderzoekingen verder te zetten en is hij er niet toe gehouden het saneringsproject noodzakelijk voor de uitvoering van zijn project te verwezenlijken, voor zover hij niet als verplichtinghouder krachtens artikel 26 aangeduid wordt of is. Art. 24.§ 1. Een oriënteringsonderzoek wordt uitgevoerd door de exploitant van een installatie of activiteit die een risico voor de bodem inhoudt : 1° wanneer de bedoelde installatie of activiteit stopgezet wordt;2° na afloop van de vergunning of verklaring die de bedoelde installatie of activiteit machtigt;3° wanneer de vergunning die de bedoelde installatie of activiteit machtigt definitief ingetrokken wordt;4° in het geval van een in kracht van gewijsde gegane beslissing waarbij het verbod op de exploitatie van de bedoelde installatie of activiteit definitief uitgesproken wordt ;5° in geval van faillissement. De Regering bepaalt de lijst installaties of activiteiten die een risico voor de bodem inhouden. § 2. Paragraaf één is niet van toepassing op tijdelijke vestigingen in de zin van artikel 1, 4°, van het
decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
11/03/1999
pub.
08/06/1999
numac
1999027439
bron
ministerie van het waalse gewest
Decreet betreffende de milieuvergunning
sluiten betreffende de milieuvergunningen, waarvan de onafgebroken exploitatieduur niet meer dan één jaar bedraagt. § 3. De Regering kan criteria vaststellen waarop paragraaf 1 niet van toepassing is, voor elke installatie of activiteit die een risico voor de bodem inhoudt. Art. 25.Een oriënteringsonderzoek wordt uitgevoerd door de veroorzaker van milieuschade die de bodems treft in de zin van artikel D.94, 1°, c), van Boek I van het Milieuwetboek. Art. 26.§ 1. Een oriënteringsonderzoek wordt uitgevoerd na beslissing van de administratie indien er ernstige aanwijzingen zijn dat een bodemverontreiniging de drempelwaarden of bodemconcentraties, indien deze hoger zijn dan de drempelwaarden, overschrijdt of dreigt te overschrijden. Bij de beslissing wordt het vervuild terrein geïdentificeerd en wordt er bepaald ten laste van wie het oriënteringsonderzoek uitgevoerd moet worden. Bij de beslissing van de administratie kunnen er opvolgingsmaatregelen worden opgelegd totdat over het oriënteringsonderzoek beslist wordt.
In afwijking van lid 1 mag de administratie niet beslissen om een verplichtinghouder aan te duiden wanneer : 1° de overschrijding van de drempelwaarden toe te schrijven is aan een inbreng van stoffen conform het gebruikscertificaat of de registratie, afgegeven overeenkomstig artikel 3 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;2° de overschrijding van de drempelwaarden te wijten is aan een ophoging van aarde of van andere stoffen met inachtneming van de bepalingen die overeenkomstig artikel 5 genomen zijn;3° dringende beheersmaatregelen conform artikel 79 genomen worden;4° de exploitant of de houder van zakelijke rechten voor wie een aanwijzing als verplichtinghouder overwegen wordt, aantoont dat hij geen fout of nalatigheid begaan heeft en dat de milieuschade toe te schrijven is aan een emissie of aan een uitdrukkelijk gemachtigde gebeurtenis die voldoet aan alle voorwaarden in verband met een machtiging of een vergunning die van toepassing is op de datum van de emissie of gebeurtenis.De Regering bepaalt de procedure en modaliteiten onder welke bedoelde verplichtinghouder de noodzakelijke bewijselementen levert.
De administratie kan bij éénieder elk beschikbaar document opvragen die zij nuttig acht om na te gaan of één van de situaties bedoeld in lid 2 aangetroffen is. § 2. De administratie duidt bij voorrang als verplichtinghouder de veroorzaker of de vermoedelijke veroorzaker van de bodemverontreiniging aan. Geen enkele veroorzaker of vermoedelijke veroorzaker mag aangeduid worden wanneer : 1° hij niet geïdentificeerd kan worden of moeilijk identificeerbaar is;2° hij niet voor de verontreiniging aansprakelijk gesteld kan worden;3° de verdeling van de aansprakelijkheid tussen alle veroorzakers moeilijk te stellen is conform de voorwaarden vastgesteld door de Regering. De veroorzaker of de vermoedelijke veroorzaker mag niet aangeduid worden indien hij insolvent is, behalve als de insolventie het gevolg is van een fraude in de zin van artikel 490bis van het Strafwetboek.
Bij ontstentenis van een veroorzaker of vermoedelijke veroorzaker duidt de administratie als verplichtinghouder de exploitant aan, voor zover hij niet insolvent is, behalve als de insolventie het gevolg is van een fraude in de zin van artikel 490bis van het Strafwetboek. § 4. Bij gebrek aan andere verplichtinghouders aangeduid overeenkomstig §§ 2 en 3, duidt de administratie als verplichtinghouder de vruchtgebruiker, de erfpachter, de drager van een recht van opstal of de lessee aan, die daadwerkelijk over het terrein beschikt.
Wanneer er geen verdeling van het zakelijk recht op het terrein is, duidt de administratie de eigenaar van het bedoelde terrein aan. § 5. Diegene die vrijwillig de bepalingen van hoofdstuk IV overeenkomstig artikel 22 toepast, treedt in de plaats elke andere verplichtinghouder voor de periode waarin hij zich ertoe verbonden heeft. § 6. In de gevallen bedoeld in § 2 tot 4 kunnen meerdere verplichtinghouders van dezelfde rang gelijktijdig aangeduid worden. § 7. Wanneer een publiekrechtelijke maatschappij belast wordt met de herinrichting van een locatie in de zin van artikel D.V.1, lid 1, 2°, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, in geval van ernstige dreiging en indien de verantwoordelijke voor de verontreiniging niet zelf heeft gesaneerd, kan de Regering de publiekrechtelijke maatschappij desgevallend ermee belasten de sanering overeenkomstig dit decreet uit te voeren. Art. 27.Wanneer uit de goedkeuring door de administratie van een onderzoek, uitgevoerd door de verplichtinghouder, blijkt dat er een andere verplichtinghouder dient te worden aangeduid, kan laatstgenoemde door de administratie worden aangeduid ter uitvoering van alle of een deel van de verplichtingen bedoeld in artikel 19.
In het geval bedoeld in lid 1 kan de verplichtinghouder of de deskundige belast met de onderzoekingen voor zover hij gemachtigd is, bij de administratie een aanvraag indienen tot aanduiding van een andere verplichtinghouder.
De administratie neemt een beslissing binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag.
Zodra de beslissing van de administratie aan de nieuwe verplichtinghouder meegedeeld is, wordt de verplichtinghouder die oorspronkelijk aangeduid is, vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 19. Afdeling 4. - Feiten die andere verplichtingen doen ontstaan
Art. 28.Dit zijn de feiten die andere verplichtingen doen ontstaan : 1° een kenmerkenonderzoek wordt uitgevoerd na beslissing van de administratie, overeenkomstig artikel 44, lid 2, 4°, en artikel 50, lid 2, 5° ;2° een saneringsproject wordt uitgevoerd, na beslissing van de administratie, overeenkomstig artikel 50, lid 2, 4° ;3° saneringshandelingen en -werken worden uitgevoerd, na beslissing van de administratie, overeenkomstig artikels 66 en 69;4° opvolgingsmaatregelen worden uitgevoerd, na beslissing van de administratie, overeenkomstig artikel 44, lid 2, 4° en 5°, en lid 3, en artikel 50, lid 4, en artikel 71, § 3, lid 1, 3° ;5° veiligheidsmaatregelen worden uitgevoerd, na beslissing van de administratie, overeenkomstig artikels 44, lid 3, en 50, § 1, lid 2, 1°, en artikel 71, § 3, lid 1, 3° en artikel 80, § 3, lid 4, 1°. Afdeling 5. - Afwijkingen
Art. 29.§ 1. In afwijking van de artikelen 23 tot 27 ontstaat er geen verplichting een oriënteringsonderzoek uit te voeren wanneer : 1° een vrijwillige onderwerping aan de bepalingen van hoofdstuk IV, overeenkomstig artikel 22, ingediend is door de verplichtinghouder of een derde, voor zover de bedoelde personen hun verplichtingen nagaan;2° wanneer er onderzoekingen of saneringshandelingen en -werken ove …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.