← België

Decreet over de onderwijsinternaten

Kort samengevat

Dit decreet regelt de werking van onderwijsinternaten in Vlaanderen, met als doel het waarborgen van kwaliteitsvol verblijf en begeleiding voor internen, gericht op hun ontwikkeling en schoolloopbaan. Het stelt voorwaarden voor erkenning, toezicht en inschrijvingen.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
16 JUNI 2023. - Decreet over de onderwijsinternaten (1) Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt: Decreet over de onderwijsinternaten HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid. Art. 2.De bepalingen van dit decreet zijn van toepassing op de onderwijsinternaten. Art. 3.§ 1. In dit decreet wordt verstaan onder: 1° bestuur: de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor één of meer onderwijsinternaten;2° betrokken personen: de ouders of de meerderjarige interne zelf;3° CLB: een centrum voor leerlingenbegeleiding als vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 27 april 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 31/07/1998 numac 1998035839 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de euro type decreet prom. 14/07/1998 pub. 10/09/1998 numac 1998035996 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn sluiten1 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding;4° oprichten: starten met een nieuw onderwijsinternaat of een nieuwe vestigingsplaats op de eerste schooldag van september;5° ORE: omkaderingsrekeneenheid of omkaderingsrekeneenheden;6° ouders: de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige interne onder hun bewaring hebben;7° Regering: de Vlaamse Regering;8° reglement: het reglement van het onderwijsinternaat, vermeld in artikel 22. § 2. Voor de toepassing van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten geldt, tenzij het uitdrukkelijk anders is bepaald, dat: 1° als volgt wordt afgerond bij berekeningen: als het eerste cijfer na de komma groter dan vier is, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal, als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal;2° als de onderwijsinspectie een handeling kan of moet stellen, dat gebeurt overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035724 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1988 type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035730 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1987 sluiten0 betreffende de kwaliteit van onderwijs en zijn uitvoeringsbesluiten;3° als het bestuur of de directeur de betrokken persoon of interne op de hoogte brengt van een beslissing van individuele strekking met rechtsgevolgen voor de interne, die beslissing altijd moet vermelden: a) welk beroep ingesteld kan worden;b) bij welke instantie dat kan, met vermelding van de adres- en contactgegevens van die instantie;c) binnen welke termijn het beroep ingesteld moet worden;4° de Regering de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap zal aanduiden. HOOFDSTUK 2. - Opdracht van de onderwijsinternaten Afdeling 1. - Opdracht Art. 4.Een onderwijsinternaat zorgt voor kwaliteitsvol verblijf voor en begeleiding van internen, gericht op hun ontwikkeling en het realiseren van hun schoolloopbaan. Art. 5.§ 1. De gewone verblijfsdagen voor een onderwijsinternaat zijn: 1° de avond, nacht en ochtend tussen twee dagen waarop lesgegeven wordt overeenkomstig artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap of artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs;2° de woensdagnamiddag voor de internen uit het basisonderwijs en de lesvrije halve dagen ingevolge artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het secundair onderwijs. § 2. Een onderwijsinternaat kan, na onderhandeling in het bevoegde lokaal comité, open zijn: 1° de avond en nacht van en de ochtend na een niet-schooldag;2° de dagen dat de lessen geschorst zijn overeenkomstig artikel 3 en 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap of artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs, voor zover ze niet aansluitend aan een weekend of een vakantieperiode vallen;3° de vakantiedagen, vermeld in artikel 5 en 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, voor zover ze niet in of aansluitend aan een weekend of een vakantieperiode vallen;4° de vakantiedagen, vermeld in artikel 7, 6° en 7°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs, voor zover ze niet in of aansluitend aan een weekend of een vakantieperiode vallen. Deze dagen zijn eveneens gewone verblijfsdagen. Afdeling 2. - Erkenning Art. 6.Een onderwijsinternaat kan erkend worden als het aan al de volgende voorwaarden voldoet: 1° het eerbiedigt in het geheel van de werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de Rechten van de Mens en van het Kind in het bijzonder en staat open voor alle internen, ongeacht de ideologische, filosofische of godsdienstige opvattingen;2° het is georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van een bestuur;3° het is gevestigd in gebouwen en lokalen die voldoen aan de voorwaarden voor bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne en die op een aangepaste wijze ingericht worden;4° het maakt controle door de onderwijsinspectie mogelijk;5° het komt tegemoet aan de kwaliteitsverwachtingen die opgenomen zijn in het referentiekader onderwijsinternaatskwaliteit, vastgelegd door de Regering;6° het leeft de bepalingen over de taalregeling in het onderwijs en de taalkennis van het personeel na;7° het leeft de bepalingen na van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten;8° het voert een doeltreffend beleid rond middelenmisbruik, met bijzondere aandacht voor het rookverbod, vermeld in artikel 4 tot en met 7 van het decreet van 6 juni 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/06/2008 pub. 18/07/2008 numac 2008202338 bron vlaamse overheid Decreet houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding sluiten houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding. Art. 7.§ 1. Een bestuur dat voor een onderwijsinternaat de erkenning wil verkrijgen, dient een aanvraag in bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap uiterlijk op 1 april die aan de oprichting voorafgaat. Die termijn geldt als vervaltermijn. De Regering legt de wijze van aanvraag vast. De onderwijsinspectie gaat na of het onderwijsinternaat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, 1°, 2°, 3° en 4°. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie beslist de Regering een voorlopige erkenning voor één schooljaar te verlenen, ofwel geen voorlopige erkenning te verlenen. Als op 15 juni geen beslissing is meegedeeld, wordt de voorlopige erkenning geacht te zijn geweigerd. In een voorlopig erkend onderwijsinternaat is affectatie, mutatie of vaste benoeming van personeelsleden niet mogelijk. § 2. In de loop van het schooljaar van de voorlopige erkenning onderzoekt de onderwijsinspectie via een doorlichting ter plaatse of het onderwijsinternaat voldoet aan de voorwaarden voor een erkenning als vermeld in artikel 6. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie beslist de Regering dat het onderwijsinternaat voldoet aan de voorwaarden voor een erkenning als vermeld in artikel 6, ofwel dat het onderwijsinternaat niet erkend wordt vanaf het volgende schooljaar. Als er op 15 april geen beslissing is meegedeeld, wordt de erkenning geacht te zijn geweigerd. § 3. Als het onderwijsinternaat niet erkend wordt, brengt het onderwijsinternaat de betrokken personen hiervan onmiddellijk op de hoogte. Art. 8.§ 1. Een onderwijsinternaat kan uit verschillende vestigingsplaatsen bestaan. In dat geval bepaalt het bestuur vrij op welke vestigingsplaats de administratieve zetel van het onderwijsinternaat wordt gevestigd. Die vestigingsplaats wordt de hoofdvestigingsplaats genoemd. § 2. Een bestuur dat een bijkomende vestigingsplaats wil oprichten of een vestigingsplaats wil verhuizen, dient uiterlijk op 1 april van het voorafgaande schooljaar een verzoek om toestemming in bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap. Die termijn geldt als vervaltermijn. De Regering legt de wijze waarop het bestuur de toestemming kan vragen vast. De onderwijsinspectie gaat na of de bijkomende vestigingsplaats voldoet aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 6, 3°. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie beslist de Regering de toestemming te geven om de vestigingsplaats te betrekken, ofwel geen toestemming te geven. Als er op 15 juni geen beslissing is meegedeeld, wordt de voorlopige toestemming geacht te zijn geweigerd. § 3. De Regering bepaalt de wijze waarop een onderwijsinternaat in noodsituaties internen tijdelijk kan onderbrengen buiten de bekende vestigingsplaatsen. Art. 9.De Regering kan, na advies van de onderwijsinspectie, de erkenning van het onderwijsinternaat of de toestemming om een vestigingsplaats te betrekken, opheffen. Art. 10.Alleen een erkend onderwijsinternaat kan de benaming `onderwijsinternaat' dragen. Afdeling 3. - Toezicht Art. 11.De onderwijsinspectie is bevoegd voor de controle op de kwaliteit. HOOFDSTUK 3. - Participatie Art. 12.Het bestuur voert een beleid rond participatie. HOOFDSTUK 4. - Inschrijvingen Art. 13.§ 1. Voorafgaand aan een inschrijving biedt het bestuur schriftelijk of elektronisch het reglement, vermeld in artikel 22, aan de betrokken personen aan en geeft daarbij toelichting, als ze dat willen. De betrokken personen kunnen altijd een papieren versie van het reglement vragen. § 2. De inschrijving van de interne wordt genomen na ondertekening voor akkoord met het reglement door de betrokken personen. § 3. Bij elke wijziging van het reglement informeert het bestuur de betrokken personen schriftelijk of via elektronische drager over die wijziging en geeft daarbij toelichting, als de betrokken personen dat willen. De betrokken personen geven dan hun akkoord. De betrokken personen die erom verzoeken, ontvangen altijd een papieren versie van het reglement. Als de betrokken personen zich met de wijziging niet akkoord verklaren, wordt aan de inschrijving van de interne een einde gesteld op het einde van het lopende schooljaar. Een wijziging van het reglement kan op zijn vroegst uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar, tenzij die wijziging het rechtstreekse gevolg is van nieuwe regelgeving. § 4. In afwijking van paragraaf 3 is geen akkoord van de betrokken personen vereist bij de mededeling van de omzetting van een voorlopige erkenning in een definitieve. § 5. Een bestuur schrijft een interne uit op eenvoudig verzoek van de betrokken personen. Een bestuur kan, op eigen initiatief, een interne alleen uitschrijven op grond van paragraaf 3, vierde lid, artikel 14, § 2, tweede lid, en § 3, derde lid, en artikel 17, § 3, tweede lid. Een bestuur dat een interne uitschrijft, deelt dat schriftelijk of elektronisch mee binnen een termijn van tien kalenderdagen aan de betrokken persoon. Art. 14.§ 1. Bij de inschrijving van een interne van wie het verblijf in het onderwijsinternaat kadert in jeugdhulpverlening zoals bepaald in het decreet van 12 juli 2013Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035724 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1988 type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035730 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1987 sluiten5 betreffende de integrale jeugdhulp, kan het reglement pas ondertekend worden door de betrokken personen na kwaliteitsvolle aanmelding en na de ondertekening door alle partijen van een afsprakenkader en ondersteuningsplan. § 2. Als het onderwijsinternaat na een gerealiseerde inschrijving kennisneemt van jeugdhulpverlening die al bestaat op het moment van de inschrijving, wordt alsnog binnen een periode van twintig kalenderdagen een afsprakenkader en ondersteuningsplan opgemaakt en ondertekend. Als er geen afsprakenkader en ondersteuningsplan vastgelegd kan worden, wordt de interne automatisch uitgeschreven. § 3. Een afsprakenkader en ondersteuningsplan wordt ook opgemaakt als de noodzaak tot jeugdhulpverlening ontstaat na de inschrijving. Het afsprakenkader en ondersteuningsplan wordt geëvalueerd en aangepast als door een wijziging van de hulpvraag van de interne er substantieel meer of minder bijkomende ondersteuning nodig is. Als er geen afsprakenkader en ondersteuningsplan vastgelegd kan worden, wordt de inschrijving van de interne beëindigd op 30 juni van het lopende schooljaar. § 4. De Regering bepaalt voor het afsprakenkader en ondersteuningsplan: 1° de minimale inhoud, waaronder de afspraken over opvolging van de jongere, het verloop van het verblijf in het onderwijsinternaat en eventuele evolutie in zorgvraag en de ondersteuning van de interne en het onderwijsinternaat vanuit één of meerdere welzijnsactoren door de inzet van personeel en middelen;2° de minimale actoren die betrokken zijn bij de opmaak;3° de partners die het ondertekenen. § 5. Partners die na bespreking het afsprakenkader en ondersteuningsplan niet ondertekenen, moeten dat tegenover de andere partners motiveren. Art. 15.Het bestuur registreert elke inschrijving binnen zeven kalenderdagen, uiterlijk op de eerste dag van het daadwerkelijke verblijf in het onderwijsinternaat, in de administratieve toepassingen voor de uitwisseling van gegevens van internen tussen onderwijsinternaten en de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap. Om de internen uniek te kunnen identificeren bij de registratie van de inschrijving in de administratieve toepassingen voor het uitwisselen van internengegevens tussen de onderwijsinternaten en het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, registreert een onderwijsinternaat de volgende gegevens van de interne als die beschikbaar zijn: 1° de voor- en achternaam;2° het rijksregisternummer of bisnummer, dat is het identificatienummer van de sociale zekerheid voor de personen die rechten hebben binnen de Belgische sociale zekerheid, maar niet opgenomen zijn in het Rijksregister;3° het domicilieadres;4° de datum van de inschrijving;5° de aanwezigheid van een afsprakenkader en ondersteuningsplan als vermeld in artikel 14;6° het is een interne waarvan de beide ouders of desgevallend de enige ouder een ambulant beroep als binnenschipper, kermis- en circusexploitant en -artiest uitoefenen als vermeld in artikel 40. De bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens, vermeld in het tweede lid. De gegevens, vermeld in het tweede lid, worden maximaal tien jaar bewaard na de laatste inschrijving in een door de Vlaamse Gemeenschap erkend onderwijsinternaat. HOOFDSTUK 5. - Preventieve schorsing, tijdelijke en definitieve uitsluiting Art. 16.Dit hoofdstuk is alleen van toepassing op internen uit het lager en het secundair onderwijs. Art. 17.§ 1. Een preventieve schorsing is een uitzonderlijke maatregel die de directeur voor een interne kan hanteren als bewarende maatregel. De interne wordt daarbij indien mogelijk gehoord. De preventieve schorsing kan onmiddellijk uitwerking hebben. De interne kan dan gedurende maximaal vijf opeenvolgende verblijfsdagen geen deel uitmaken van de leefgroep. De directeur kan, na motivering aan de betrokken personen, beslissen om die periode eenmalig met maximaal vijf opeenvolgende verblijfsdagen te verlengen als door externe factoren het tuchtonderzoek niet binnen die eerste periode kan worden afgerond. De directeur brengt de betrokken personen op de hoogte van de preventieve schorsing. Als voor de interne een afsprakenkader en ondersteuningsplan is vastgelegd, wordt de contactpersoon ook op de hoogte gebracht. Het bestuur voorziet in opvang voor de interne, tenzij het aan de betrokken personen motiveert waarom dat niet haalbaar is. Het bestuur zorgt er mee voor dat de interne in de periode van preventieve schorsing naar school kan blijven gaan. § 2. Een tijdelijke uitsluiting is een tuchtsanctie die inhoudt dat de gesanctioneerde interne gedurende minimaal één dag en maximaal vijftien opeenvolgende verblijfsdagen geen deel mag uitmaken van de leefgroep. De directeur kan, in uitzonderlijke gevallen en alleen bij feiten die in relatie staan tot de werking van het onderwijsinternaat, een interne tijdelijk uitsluiten. Een nieuwe tijdelijke uitsluiting is alleen mogelijk na een nieuw feit. Het bestuur voorziet in opvang voor de interne, tenzij het aan de betrokken personen motiveert waarom dat niet haalbaar is. Het bestuur zorgt er mee voor dat de interne in de periode van tijdelijke uitsluiting naar school kan blijven gaan. § 3. Een definitieve uitsluiting is een tuchtsanctie die inhoudt dat de gesanctioneerde interne wordt uitgeschreven op het moment dat die interne in een ander onderwijsinternaat is ingeschreven, of uiterlijk één maand, vakantieperioden tussen 1 september en 30 juni niet inbegrepen, na de schriftelijke kennisgeving, ver meld in artikel 18. De directeur kan, in uitzonderlijke gevallen en alleen bij feiten die in relatie staan tot de werking van het onderwijsinternaat, een interne definitief uitsluiten. In afwachting van de uitschrijving mag de gesanctioneerde interne geen deel meer uitmaken van de leefgroep. Het bestuur voorziet in opvang voor de interne, tenzij het aan de betrokken personen motiveert waarom dat niet haalbaar is. Het bestuur zorgt er mee voor dat de interne tot het moment van uitschrijving naar school kan blijven gaan. Art. 18.Tijdelijke en definitieve uitsluitingen kunnen alleen uitgevoerd worden na een procedure die de rechten van verdediging waarborgt en waarin de volgende principes gerespecteerd worden: 1° het voorafgaande advies van de personeelsleden die bij de interne betrokken zijn, wordt ingewonnen.Het CLB van de school waar de interne naar school gaat, krijgt de mogelijkheid om advies te geven. In voorkomend geval wordt de contactpersoon die is opgenomen in het afsprakenkader en ondersteuningsplan, om advies gevraagd; 2° de betrokken personen, het CLB van de school van de interne en, in voorkomend geval, de contactpersoon die opgenomen is in het afsprakenkader en ondersteuningsplan, worden schriftelijk op de hoogte gebracht van de intentie tot een tuchtmaatregel;3° de betrokken personen en de interne hebben inzage in het volledige tuchtdossier van de interne en worden gehoord, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon.Het CLB en, in voorkomend geval, de contactpersoon die opgenomen is in het afsprakenkader en ondersteuningsplan, worden geïnformeerd over de inhoud van het tuchtdossier; 4° de tuchtstraf is proportioneel met de ernst van de feiten. De genomen beslissing wordt schriftelijk gemotiveerd. De betrokken personen, de school en het CLB van de interne en, in voorkomend geval, de contactpersoon die opgenomen is in het afsprakenkader en ondersteuningsplan, worden ervan op de hoogte gebracht. Art. 19.§ 1. De betrokken personen kunnen beroep instellen tegen een beslissing tot definitieve uitsluiting. De beroepsprocedure is vastgelegd in het reglement, vermeld in artikel 22, met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk. De betrokken personen stellen het beroep in bij het bestuur. Het verzoek- schrift wordt gedateerd en ondertekend en vermeldt ten minste het voorwerp van beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren. Bij die omschrijving kunnen overtuigingsstukken gevoegd worden. Het beroep wordt behandeld door een beroepscommissie. § 2. Het beroep, vermeld in paragraaf 1, leidt tot een van de volgende situaties: 1° de gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van onontvankelijkheid als: a) de termijn voor de indiening van het beroep die in het reglement is opgenomen, is overschreden;b) het beroep niet voldoet aan de vormvereisten die opgenomen zijn in het reglement;2° de bevestiging van de definitieve uitsluiting of de vernietiging van de definitieve uitsluiting.Het bestuur aanvaardt de verantwoordelijkheid voor die beslissing van de beroepscommissie. § 3. Het resultaat van het beroep wordt aan de betrokken personen gemotiveerd en ze worden er schriftelijk van op de hoogte gebracht binnen de vervaltermijn die bepaald is in het reglement. Bij overschrijding van de vervaltermijn is de omstreden definitieve uitsluiting van rechtswege nietig. Art. 20.§ 1. De beroepscommissie wordt opgericht door het bestuur. § 2. Het bestuur bepaalt de samenstelling van de beroepscommissie, met inachtneming van de volgende bepalingen: 1° de samenstelling van de beroepscommissie kan per te behandelen dossier verschillen, maar kan binnen het te behandelen dossier niet wijzigen, behalve in de gevallen waarin dat noodzakelijk is voor de continuïteit van de werking van de beroepscommissie;2° de beroepscommissie is als volgt samengesteld: enerzijds interne leden, dat zijn leden van het bestuur of leden van het onderwijsinternaat waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, met uitzondering van de directeur en, in voorkomend geval, zijn afgevaardigde die de beslissing heeft genomen, anderzijds externe leden, dat zijn leden die niet behoren tot het bestuur of tot het onderwijsinternaat waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen. In voorkomend geval en voor de toepassing van deze bepalingen: a) wordt een persoon die vanuit zijn hoedanigheden zowel een intern lid als een extern lid is, geacht een intern lid te zijn;b) wordt een lid, met uitzondering van het personeel, van de internaatsraad of, in voorkomend geval, van de ouderraad van het internaat waar de betwiste beslissing tot definitieve uitsluiting is genomen, geacht een extern lid te zijn, tenzij de bepaling, vermeld in punt a), van toepassing is;3° de voorzitter wordt door het bestuur onder de externe personen aangewezen. Art. 21.§ 1. Het bestuur bepaalt de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van de volgende bepalingen: 1° elk lid van een beroepscommissie is in beginsel stemgerechtigd, op voorwaarde dat bij stemming het aantal stemgerechtigde interne leden van de beroepscommissie en het aantal stemgerechtigde externe leden van de beroepscommissie gelijk moeten zijn.Bij staking van stemmen is de stem van de voorzit- ter doorslaggevend; 2° elk lid van een beroepscommissie is aan discretieplicht onderworpen;3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de interne in kwestie;4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, waaronder eventueel het horen van een of meer personeelsleden die betrokken zijn bij de interne en die een advies over de definitieve uitsluiting hebben gegeven;5° de werking van een beroepscommissie kan geen afbreuk doen aan de statutaire rechten van de individuele personeelsleden;6° een beroepscommissie oordeelt of de genomen beslissing in elk geval in overeenstemming is met de decretale en reglementaire bepalingen en met het reglement. § 2. Het beroep schort de uitvoering van de beslissing tot uitsluiting niet op. HOOFDSTUK 6. - Het reglement Art. 22.Een bestuur stelt voor het onderwijsinternaat een reglement op. Het reglement bevat minstens de volgende elementen: 1° de missie en de visie van het onderwijsinternaat;2° de status van de erkenning, vermeld in artikel 7;3° de juridische aard en samenstelling van het bestuur en de wijze waarop de betrokken personen ermee in contact kunnen komen;4° de algemene organisatie, met minimaal: a) de momenten waarop het onderwijsinternaat open is, met inbegrip van de regeling bij hybride onderwijs;b) het aanbod aan activiteiten, met minimaal de studiebegeleiding;c) het gebruik van het Nederlands;d) de indeling in leefgroepen (of andere organisatievormen);e) het gebruik van kamers en zalen;f) het gebruik van elektrische apparaten;g) de momenten van aankomst en vertrek;h) de bezoekregeling;i) de richtlijnen over afwezigheden;j) de regels over opvang overdag, bij ziekte;k) het beleid rond middelenmisbruik, met bijzondere aandacht voor het rookverbod;5° de onderlinge relatie tussen het onderwijsinternaat, de interne en de betrokken personen, met minimaal: a) wederzijdse afspraken over oudercontact, studie, welbevinden en sociaal contact;b) afspraken over informatie-uitwisseling, met het oog op de begeleiding van de interne als leerling van een school, tussen internen, ouders, onderwijsinternaten en derden, zoals de school van de interne en het daaraan verbonden CLB;c) de wijze waarop vorm gegeven wordt aan het recht op inspraak en participatie van internen en de betrokken personen;d) het recht op inzage door de betrokken personen, hun kopierecht en hun recht op toelichting bij de gegevens die op de interne betrekking hebben;e) de situaties waarin persoonsgegevens worden verwerkt, de wijze waarop deze gegevens worden verwerkt en de maximale bewaartermijn van deze gegevens;f) de wijze waarop bij wijziging van onderwijsinternaat informatie, met uitzondering van informatie uit het eventuele tuchtdossier, doorgegeven wordt aan het volgende onderwijsinternaat;g) de tuchtregeling met minimaal de mogelijkheid gehoord te worden, de decretaal bepaalde beroepsmogelijkheden en de mogelijkheid tot wraking in het kader van de tuchtprocedure;h) het aanspreekpunt grensoverschrijdend gedrag en het verdere verloop bij eventuele meldingen;i) de klachtenprocedure;j) de wijze waarop er een einde gesteld kan worden aan de inschrijving door de betrokken personen of door het onderwijsinternaat;6° de financiële regeling, met inbegrip van: a) de persoonlijke bijdrage, vermeld in artikel 39 en 40, op jaarbasis, de betalingsmodaliteiten met minimaal de mogelijkheid om maandelijks te betalen en de wijze waarop dat aangevraagd kan worden;b) de eventueel gevraagde waarborg, vermeld in artikel 38, § 2, en de modaliteiten ervan;c) de regeling als er niet gebruikgemaakt wordt of kan worden van het onderwijsinternaat;d) in voorkomend geval, de criteria voor de sociale maatregelen die in het onderwijsinternaat gehanteerd worden;e) de wijze waarop, in voorkomend geval, een sociale maatregel voor de kosten gevraagd kan worden;f) andere kosten als vermeld in artikel 41, die verbonden zijn aan activiteiten die aangeboden worden, en de betalingsmodaliteiten;g) de regeling bij het niet betalen van voorgelegde rekeningen. Met uitzondering van het tweede lid, 2° en 3°, kan een onderwijsinternaat tussen zijn verschillende vestigingsplaatsen een onderscheid maken in het reglement. HOOFDSTUK 7. - Omkadering Afdeling 1. - Financierings- en subsidiëringsvoorwaarden Art. 23.§ 1. Een bestuur verkrijgt financiering of subsidiëring voor zijn onderwijsinternaat als al de volgende voorwaarden vervuld zijn: 1° het onderwijsinternaat is overeenkomstig artikel 6 erkend;2° het onderwijsinternaat maakt controle van het werkingsbudget door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap mogelijk; 3° het onderwijsinternaat genereert op basis van artikel 25 niet meer dan twee opeenvolgende teldagen minder dan 62.875 ORE. § 2. In afwijking van de financierings- en subsidiëringsvoorwaarde geformuleerd in paragraaf 1, 3°, kan een bestuur voor een onderwijsinternaat dat met toepassing van artikel 25 minstens 6348 ORE genereert een samenwerkingsovereenkomst afsluiten met een residentiële voorziening, vermeld in artikel 2, § 1, 49° en 55° /1, van het decreet van 12 juli 2013Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035724 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1988 type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035730 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1987 sluiten5 betreffende de integrale jeugdhulp, of een multifunctioneel centrum als bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap. De samenwerkingsovereenkomst bevat minimaal de volgende elementen: 1° het betrokken onderwijsinternaat;2° de betrokken voorziening of multifunctioneel centrum zoals bepaald in paragraaf 2, eerste lid;3° de concrete samenwerking die de organiseerbaarheid en de invulling van de kwaliteitsverwachtingen van het onderwijsinternaat garandeert;4° de wijze waarop de samenwerking door de betrokken partners geëvalueerd en bijgestuurd wordt;5° een handtekening van alle betrokken partners. Het protocol van de onderhandelingen hierover in het bevoegde lokaal comité wordt als bijlage bij de samenwerkingsovereenkomst gevoegd. De Regering legt de communicatie over de samenwerkingsovereenkomst vast. Een bestuur dat wil werken op basis van een samenwerkingsovereenkomst, dient uiterlijk op 1 april van het schooljaar dat aan de start van de samenwerkingsovereenkomst voorafgaat, de samenwerkingsovereenkomst in bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap. § 3. In afwijking van de financierings- en subsidiëringsvoorwaarde geformuleerd in paragraaf 1, 3°, kan een bestuur voor een onderwijsinternaat dat met toepassing van artikel 25 minstens 12.875 ORE genereert, het met toepassing van artikel 25 verkregen aantal ORE vanuit eigen middelen aanvullen door personeel aan te stellen volgens artikel 43 tot aan de norm geformuleerd in paragraaf 1, 3°. Een bestuur dat het met toepassing van artikel 25 verkregen aantal ORE vanuit eigen middelen aanvult, dient dit uiterlijk op 1 april van het voorgaande schooljaar wanneer de teldag de eerste schooldag van februari is, of 1 december van het lopende schooljaar wanneer de teldag de eerste schooldag van oktober is, te melden bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap. § 4. Een bestuur dat voor een onderwijsinternaat financiering of subsidiëring wil verkrijgen, dient uiterlijk op 1 april van het schooljaar dat aan de start van de financiering of subsidiëring voorafgaat, een aanvraag in bij de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap. Na beoordeling van de financierings- en subsidiëringsvoorwaarde en de berekening van de ORE ontvangt het onderwijsinternaat vanuit de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap daarover een mededeling. § 5. Per gebouwencomplex, zijnde de onroerende goederen gelegen op eenzelfde of op aaneengesloten kadastrale percelen, kan maar één onderwijsinternaat gefinancierd of gesubsidieerd worden. Afdeling 2. - Omkadering gewone verblijfsdagen Art. 24.§ 1. De teldag voor de berekening van de omkadering is de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar. Bij een fusie van onderwijsinternaten op 1 september van een schooljaar, zonder wijziging op het vlak van vestigingsplaatsen, wordt voor de berekening van de omkadering die fusie geacht te hebben plaatsgevonden op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar. Bij overheveling van het onderwijsinternaat van een bestuur naar een ander bestuur op 1 september van een schooljaar wordt voor de berekening van de omkadering die overheveling geacht te hebben plaatsgevonden op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar. De teldag voor de berekening van de omkadering van een onderwijsinternaat dat op 1 september voor het eerst gefinancierd of gesubsidieerd wordt, is de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. Als het nieuwe onderwijsinternaat ontstaat door een afsplitsing van een bestaand onderwijsinternaat, is voor beide de teldag de eerste schooldag van oktober. Bij het oprichten of afschaffen van een vestigingsplaats is de teldag voor de berekening van de omkadering van het hele onderwijsinternaat de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar. § 2. Voor de toepassing op de berekening van de omkadering en het werkingsbudget op basis van de ingevulde bijkomende verblijfsdagen, vermeld in artikel 27, geldt: 1° voor de teldag `de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar' wordt de telperiode van twaalf maanden die voorafgaat aan de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar gehanteerd;2° voor de teldag `de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar' wordt de maand september als telperiode gehanteerd;3° voor de teldag `de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar' die volgt op een telling in de maand september wordt de telperiode van september tot en met januari van het voorgaande schooljaar gehanteerd. Art. 25.§ 1. Voor het schooljaar X-X +1 heeft een onderwijsinternaat recht op omkadering die wordt berekend volgens de formule: tabeleenheden + (aantal internen dg 1 x ORE dg 1) + (aantal internen dg 2 x ORE dg 2) + (aantal internen dg 3 x ORE dg 3), waarbij: 1° tabeleenheden: het aantal ORE dat overeenstemt met het aantal internen in de tabel die is opgenomen in de bijlage die bij dit decreet is gevoegd;2° internen: a) de internen die bij aanvang van het schooljaar waarin de teldag valt de leeftijd van 21 jaar nog niet bereikt hebben en die ingeschreven zijn in: - een erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school voor gewoon of buitengewoon basis- of secundair onderwijs; - een erkend, gefinancierd of gesubsidieerd centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs als vermeld in artikel 3, 10°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010; - een Europese school als bepaald in het Verdrag van 21 juni 1994 houdende het Statuut van de Europese scholen; b) de internen die bij aanvang van het schooljaar waarin de teldag valt de leeftijd van 25 jaar nog niet bereikt hebben en die op de teldag ingeschreven zijn in een erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school voor voltijds gewoon secundair onderwijs in: - een structuuronderdeel van het derde leerjaar van de derde graad als vermeld in artikel 124, 3°, c) tot en met e), van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010; - de opleiding Verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, vermeld in artikel 124, derde lid, van dezelfde codex; 3° de doelgroepen, dg, de volgende zijn: a) doelgroep 1: internen die ingeschreven zijn in het kleuteronderwijs;b) doelgroep 2: internen met een IAC-verslag als vermeld in artikel 15 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 of artikel 294, § 2, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 of een OV4-verslag als vermeld in artikel 294, § 2, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010;c) doelgroep 3: een interne van wie het verblijf in het onderwijsinternaat kadert in jeugdhulpverlening en voor wie overeenkomstig artikel 14 een afsprakenkader en ondersteuningsplan is opgemaakt;4° het bijkomende aantal omkaderingsrekeneenheden per doelgroep, ORE dg, de volgende zijn: a) doelgroep 1: tabelbedrag van de eerste interne gedeeld door 2;b) doelgroep 2: 277,78 ORE;c) doelgroep 3: 277,78 ORE. § 2. Een interne kan tot verschillende doelgroepen behoren. Een interne kan op één teldag maar in één onderwijsinternaat meetellen. Afdeling 3. - Aanvullende omkadering Onderafdeling 1. - Aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering Art. 26.§ 1. Aan de onderwijsinternaten worden ORE toegekend voor aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering. § 2. Het aantal ORE waarop een onderwijsinternaat recht heeft, is 82.501 ORE x B/C, waarbij: 1° B: het totale aantal toegekende ORE aan het onderwijsinternaat van het vorige schooljaar op basis van artikel 25 en 27;2° C: het totale aantal toegekende ORE van alle onderwijsinternaten samen van het vorige schooljaar op basis van artikel 25 en 27. § 3. De ORE kunnen worden samengelegd. De onderwijsinternaten die ervoor kiezen om de ORE samen te leggen, richten daarvoor een of meer samenwerkingsverbanden `aanvangsbegeleiding, beleidsondersteuning en professionalisering' op, waarin afspraken worden gemaakt over de aanwending van die ORE. De Regering kan met betrekking tot het samenwerkingsverband de volgende maatregelen vastleggen: 1° de duur van de samenwerking;2° de vorm van de overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht;3° de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap. Onderafdeling 2. - Bijkomende verblijfsdagen Art. 27.§ 1. Een onderwijsinternaat heeft voor het schooljaar X-X +1 recht op omkadering voor bijkomende verblijfsdagen. In dit artikel wordt verstaan onder: 1° bijkomende verblijfsdag: dag die niet valt onder de toepassing van artikel 5;2° ingevulde bijkomende verblijfsdag: de aanwezigheid van één interne, met uitzondering van de studenten van de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, vermeld in artikel 124, derde lid, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, op een bijkomende verblijfsdag. § 2. Voor bijkomende verblijfsdagen op de avond en nacht voor en de ochtend van een niet-schooldag wordt de omkadering berekend volgens de volgende formule: aantal ingevulde bijkomende verblijfsdagen tijdens de telperiode, vermeld in artikel 24, § 2, x 15,15 ORE. Als de telperiode de maand september van het lopende schooljaar is, wordt het aantal ingevulde bijkomende verblijfsdagen vermenigvuldigd met 181,8 ORE. Als de telperiode de maanden september tot en met januari van het voorgaande schooljaar is, wordt het aantal ingevulde bijkomende verblijfsdagen vermenigvuldigd met 36,36 ORE. § 3. Voor alle andere bijkomende verblijfsdagen wordt de omkadering berekend volgens de volgende formule: aantal ingevulde bijkomende verblijfsdagen tijdens de telperiode, vermeld in artikel 24, § 2, x 45,46 ORE. Als de telperiode de maand september van het lopende schooljaar is, wordt het aantal ingevulde bijkomende verblijfsdagen vermenigvuldigd met 545,52 ORE. Als de telperiode de maanden september tot en met januari van het voorgaande schooljaar is, wordt het aantal ingevulde bijkomende verblijfsdagen vermenigvuldigd met 109,1 ORE. Een onderwijsinternaat kan slechts omkadering verkrijgen voor deze bijkomende verblijfsdagen indien de berekende omkadering ten minste 10.000 ORE bedraagt. De bijkomende ORE gegenereerd op basis van paragraaf 2 mogen in rekening genomen worden voor de berekening van de 10.000 ORE. § 3. De Regering bepaalt de wijze waarop een bestuur deze aanvullende omkadering kan aanvragen. Onderafdeling 3. - Samen onderwijsinternaat maken Art. 28.§ 1. Aan elk onderwijsinternaat worden 277,78 ORE `Samen Internaat Maken' toegekend. De ORE kunnen worden samengelegd. De onderwijsinternaten die ervoor kiezen om de ORE samen te leggen, richten daarvoor een of meer samenwerkingsverbanden `Samen Internaat Maken' op, waar afspraken worden gemaakt over de aanwending van deze ORE. De Regering kan met betrekking tot het samenwerkingsverband de volgende maatregelen vastleggen: 1° de duur van de samenwerking;2° de vorm van overeenkomst waarmee het samenwerkingsverband wordt opgericht;3° de wijze en het tijdstip van mededeling van het samenwerkingsverband aan de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap. § 2. Met de ORE, vermeld in paragraaf 1, kunnen in elk onderwijsinternaat betrekkingen in wervingsambten worden ingericht overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de toegekende omkadering. De Regering keurt het afsprakenkader goed tussen het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs en de representatieve vakorganisaties over de wijze van toekenning, de verdeling en de inzet van de ORE, vermeld in paragraaf 1. Afdeling 4. - Aanwending Onderafdeling 1. - Personeelsformatie Art. 29.De Regering bepaalt de personeelscategorieën voor onderwijsinternaten en deelt die in wervings-, selectie- en bevorderingsambten in. Art. 30.De Regering bepaalt het aantal ORE dat aan elk ambt wordt toegekend. Het aantal ORE van een ambt wordt vastgelegd op basis van een bekwaamheidsbewijs of een salarisschaal. Art. 31.Het bestuur kan de ORE alleen aanwenden voor de werking van het onderwijsinternaat. Het bestuur beslist, na onderhandeling in het bevoegde lokaal comité, over de aanwending van de toegekende ORE en houdt daarbij rekening met de regelgeving over de verdeling van de betrekkingen en reaffectatie en wedertewerkstelling. Er moet minimum één halftijdse of maximum één voltijdse betrekking in het ambt van directeur per onderwijsinternaat worden ingericht binnen de beschikbare ORE. Art. 32.De Regering bepaalt voor elk ambt van de personeelscategorieën, vermeld in artikel 29, de prestatieregeling. Onderafdeling 2. - Overdracht Art. 33.§ 1. Een bestuur kan, na onderhandeling in het bevoegde lokaal comité, ORE die het tijdens een bepaald schooljaar niet aanwendt, overdragen naar een ander onderwijsinternaat als het voldoet aan al de volgende voorwaarden: 1° het bestuur legt uiterlijk op 15 oktober van het schooljaar het aantal ORE vast dat maximaal overgedragen wordt; 2° er worden maximaal 10.000 ORE overgedragen; 3° het bestuur heeft op erewoord verklaard dat het tijdens dat schooljaar in het onderwijsinternaat overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking moet uitspreken of dat de leden van het personeel die nieuw of bijkomend ter beschikking werden gesteld wegens ontstentenis van betrekking, kunnen worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in een onderwijsinternaat van het bestuur voor de hele verdere duur van het schooljaar. § 2. De Regering bepaalt de wijze waarop de overgedragen ORE gemeld worden aan de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap. § 3. De betrekkingen die worden ingericht op basis van overgedragen ORE komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het bestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekkingen. Het niet-naleven van deze bepaling heeft tot gevolg dat de vaste benoeming geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. Het bestuur moet met het oog op de controle een verklaring op erewoord bezorgen aan de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen. § 4. Indien de overdracht tot gevolg zou hebben dat personeelsleden ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking heeft deze terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking ten aanzien van de overheid. Art. 34.§ 1. Een bestuur kan, na onderhandeling in het bevoegde lokaal comité, ORE die het tijdens een bepaald schooljaar niet aanwendt, overdragen naar het volgende schooljaar als het voldoet aan al de volgende voorwaarden: 1° het bestuur legt uiterlijk op 1 november van het schooljaar het aantal ORE vast dat maximaal overgedragen wordt; 2° er worden maximaal 10.000 ORE overgedragen; 3° het bestuur heeft op erewoord verklaard dat het tijdens dat schooljaar in het onderwijsinternaat overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking moet uitspreken of dat de leden van het personeel die nieuw of bijkomend ter beschikking werden gesteld wegens ontstentenis van betrekking, kunnen worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in een onderwijsinternaat van het bestuur voor de hele verdere duur van het schooljaar. § 2. De Regering bepaalt de wijze waarop de overgedragen ORE gemeld worden aan de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap. § 3. De betrekkingen die worden ingericht op basis van overgedragen ORE komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het bestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekkingen. Het niet-naleven van deze bepaling heeft tot gevolg dat de vaste benoeming geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid. Het bestuur moet met het oog op de controle een verklaring op erewoord bezorgen aan de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap waarin het verklaart deze bepaling in acht te nemen. § 4. Indien de overdracht tot gevolg zou hebben dat personeelsleden ter beschikking gesteld worden wegens ontstentenis van betrekking heeft deze terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking ten aanzien van de overheid. Afdeling 5. - Salarisfinanciering of -subsidiëring Art. 35.§ 1. Een bestuur krijgt voor zijn personeelsleden die aangesteld zijn binnen de toegekende ORE een salaris als die personeelsleden voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens een door de Regering te verlenen vrijstelling;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling, vermeld in punt 1° ;3° houder zijn van de bekwaamheidsbewijzen, vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 5, 8°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;4° aangeworven zijn met inachtname van de reglementering over de reaffectatie en wedertewerkstelling;5° in dienst zijn op grond van de reglementering over de omkadering. § 2. De salarissen worden door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap rechtstreeks en maandelijks aan de betrokken personeelsleden uitbetaald. HOOFDSTUK 8. - Financiële middelen Afdeling 1. - Toekenning Onderafdeling 1. - Werkingsbudget Art. 36.§ 1. Elk onderwijsinternaat dat aan de financierings- of subsidiëringsvoorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1, § 2 of § 3, voldoet, heeft recht op een werkingsbudget. Voor het schooljaar 2023-2024 is het startbedrag voor het werkingsbudget voor onderwijsinternaten 12.925.900 euro. § 2. Vanaf het schooljaar 2024-2025 wordt het bedrag van 12.925.900 euro vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2. De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend: 1° A1 = het aantal internen, vermeld in artikel 25, § 1, 2°, op de teldag, zoals geformuleerd in artikel 24 van het vorige schooljaar/het aantal internen, vermeld in artikel 25, § 1, 2°, op de teldag, zoals geformuleerd in artikel 24 van het voorlaatste schooljaar;2° A2 = (Cx-1/Cx-2), waarbij: a) Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;b) Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2. § 3. Het budget dat verkregen is na toepassing van paragraaf 2, wordt gedeeld door het totale aantal internen, vermeld in artikel 25, § 1, 2°, van alle onderwijsinternaten samen op de teldag, vermeld in artikel 24. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per interne, hierna GW te noemen. § 4. Per internaat wordt het totale werkingsbudget berekend door het aantal internen, vermeld in artikel 25, § 1, 2°, van het onderwijsinternaat, dat geteld is overeenkomstig artikel 24, te vermenigvuldigen met GW. § 5. Het werkingsbudget dat verkregen is na toepassing van paragraaf 4, wordt voor het gesubsidieerd onderwijs jaarlijks toegekend aan de besturen. Het werkingsbudget dat verkregen is na toepassing van paragraaf 4, wordt voor het Gemeenschapsonderwijs jaarlijks aan de raden van bestuur van de scholengroepen toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 36, 2°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 31/07/1998 numac 1998035839 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de euro type decreet prom. 14/07/1998 pub. 10/09/1998 numac 1998035996 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn sluiten betreffende het Gemeenschapsonderwijs. § 6. Het werkingsbudget wordt elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald, waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50% van de werkingsbudgetten van het schooljaar in kwestie vertegenwoordigt en het saldo vóór 1 juli betaald wordt. § 7. Als het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin het werkingsbudget voor het schooljaar in kwestie is opgenomen, aanleiding geeft tot meer budget voor de besturen, wordt het bijkomende budget uitbetaald binnen twee maanden na de bekrachtiging door de Regering van het decreet in kwestie. Art. 37.§ 1. Een onderwijsinternaat dat overeenkomstig artikel 27 omkadering voor verblijf op bijkomende verblijfsdagen toegekend heeft gekregen, ontvangt, naast het werkingsbudget, vermeld in artikel 36, een werkingsbudget voor de werking op bijkomende verblijfsdagen. § 2. Het werkingsbudget voor de werking op bijkomende verblijfsdagen wordt berekend door het bedrag van 34.371 euro te vermenigvuldigen met de aanpassingscoëfficiënten A1 en A2. De coëfficiënten A1 en A2 worden als volgt berekend: 1° A1= het aantal ingevulde bijkomende verblijfsdagen, berekend overeenkomstig artikel 27, van het vorige schooljaar/het aantal ingevulde bijkomende verblijfsdagen, berekend overeenkomstig artikel 27, van het voorlaatste schooljaar. Het aantal ingevulde bijkomende verblijfsdagen van onderwijsinternaten met telperiode de maand september van het lopende schooljaar wordt vermenigvuldigd met 12. Het aantal ingevulde bijkomende verblijfsdagen van onderwijsinternaten met telperiode de maanden september tot en met januari van het voorgaande schooljaar wordt vermenigvuldigd met 2,4. 2° A2 = (Cx-1/Cx-2), waarbij: a) Cx-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-1;b) Cx-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar x-2. § 3. Het budget dat verkregen is na toepassing van paragraaf 2, wordt gedeeld door het totale aantal ingevulde bijkomende verblijfsdagen, berekend overeenkomstig artikel 27. Het aantal ingevulde bijkomende verblijfsdagen van onderwijsinternaten met telperiode de maand september van het lopende schooljaar wordt vermenigvuldigd met 12. Het aantal ingevulde bijkomende verblijfsdagen van onderwijsinternaten met telperiode de maanden september tot en met januari van het voorgaande schooljaar wordt vermenigvuldigd met 2,4. Het quotiënt van die deling resulteert in een geldwaarde per ingevulde bijkomende verblijfsdag, hierna GW_BV te noemen. § 4. Per internaat wordt het totale werkingsbudget voor de werking op bijkomende verblijfsdagen berekend door het aantal ingevulde bijkomende verblijfsdagen, overeenkomstig artikel 27, te vermenigvuldigen met GW_BV. Het aantal ingevulde bijkomende verblijfsdagen van onderwijsinternaten met telperiode de maand september van het lopende schooljaar wordt vermenigvuldigd met 12. Het aantal ingevulde bijkomende verblijfsdagen van onderwijsinternaten met telperiode de maanden september tot en met januari van het voorgaande schooljaar wordt vermenigvuldigd met 2,4. § 5. Het werkingsbudget dat verkregen is na toepassing van paragraaf 4, wordt voor het gesubsidieerd onderwijs jaarlijks toegekend aan de besturen. Het werkingsbudget dat verkregen is na toepassing van paragraaf 4, wordt voor onderwijsinternaten van het Gemeenschapsonderwijs jaarlijks aan de raden van bestuur van de scholengroepen toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 36, 2°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 31/07/1998 numac 1998035839 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de euro type decreet prom. 14/07/1998 pub. 10/09/1998 numac 1998035996 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn sluiten betreffende het Gemeenschapsonderwijs. § 6. Het werkingsbudget wordt elk schooljaar in minstens twee schijven uitbetaald, waarbij vóór 1 februari de som van de uitbetaalde schijven minstens 50% van de werkingsbudgetten van het schooljaar in kwestie vertegenwoordigt, en het saldo vóór 1 juli betaald wordt. § 7. Als het decreet houdende de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van het begrotingsjaar waarin het werkingsbudget voor het schooljaar in kwestie is opgenomen, aanleiding geeft tot meer budget voor de besturen, wordt het bijkomende budget uitbetaald binnen twee maanden na de bekrachtiging door de Regering van het decreet in kwestie. Onderafdeling 2. - Persoonlijke bijdrage Art. 38.§ 1. Voor de inschrijving in een onderwijsinternaat van internen als vermeld in artikel 25, § 1, 2°, kan geen direct of indirect inschrijvingsgeld worden gevraagd. § 2. Bij de inschrijving in een onderwijsinternaat mag een redelijke waarborg gevraagd worden. Art. 39.Het bestuur kan een persoonlijke bijdrage vragen die in redelijke verhouding staat tot de verblijfskosten van de interne. De facturen vermelden dat gespreide betaling mogelijk is, alsook een contactpersoon tot wie de betrokken personen die een dergelijke gespreide betaling willen, zich kunnen richten. Art. 40.Het onderwijsinternaat ontvangt per, op de eerste schooldag van februari van het lopende schooljaar ingeschreven, leerplichtige interne waarvan beide ouders of desgevallend de enige ouder een ambulant beroep als binnenschipper, kermis- en circusexploitant en -artiest uitoefenen een bijkomend werkingsbudget. Het onderwijsinternaat brengt dat bijkomend werkingsbudget in mindering op de persoonlijke bijdrage die aan de betrokken personen aangerekend wordt. Dit bijkomend werkingsbudget is op jaarbasis: 1° 878,96 euro voor internen uit het basisonderwijs;2° 1087,43 euro voor internen uit het secundair onderwijs. Het bijkomend werkingsbudget wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de gezondheidsindex. Het bijkomend werkingsbudget wordt uitgekeerd aan het bestuur op voorlegging van een staat die ingediend is door het bestuur en juist verklaard door de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap. Art. 41.Het bestuur kan buiten de persoonlijke bijdrage voor verblijfskosten, vermeld in artikel 39, een persoonlijke bijdrage vragen voor deelname aan activiteiten of diensten die buiten de normale werking van het onderwijsinternaat vallen. Die persoonlijke bijdrage moet in redelijke verhouding staan tot de kosten die aan de activiteit of dienst verbonden zijn. Afdeling 2. - Aanwending van het werkingsbudget Art. 42.Het bestuur kan het werkingsbudget alleen aanwenden voor de werking van het onderwijsinternaat. De Regering bepaalt de wijze waarop de besteding van het werkingsbudget gecontroleerd wordt. Die controle mag geen betrekking hebben op de opportuniteit. Art. 43.§ 1. Het bestuur kan ten laste van de eigen middelen en ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 36 en 37, personeel aanwerven. Deze personeelsleden vallen onder de toepassing van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten. § 2. Het bestuur kan personeel aanwerven: 1° ten laste van het werkingsbudget, vermeld in artikel 36 en 37;2° ten laste van de eigen middelen om de ORE-norm, vermeld in artikel 23, § 1, 3°, te behalen overeenkomstig artikel 23, § 3;3° ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB;4° ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/05/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999035652 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening type decreet prom. 18/05/1999 pub. 15/06/1999 numac 1999035687 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de openbaarheid van bestuur type decreet prom. 18/05/1999 pub. 30/06/1999 numac 1999035744 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn type decreet prom. 18/05/1999 pub. 29/06/1999 numac 1999035740 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 sluiten2 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken. In het gemeenschapsonderwijs kan een bestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een bestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991. De betrekking die met de middelen, vermeld in het eerste lid, wordt ingericht kan niet vacant worden verklaard en het bestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekking. Het personeelslid dat door een bestuur van een onderwijsinternaat van het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven volgens het tweede lid, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 is op hem van toepassing. Het personeelslid dat door een bestuur van een gesubsidieerd onderwijsinternaat wordt aangeworven volgens het derde lid, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 is op hem van toepassing. De bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap betaalt het salaris of de salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. De bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het bestuur terug. HOOFDSTUK 9. - Bijkomende projectmatige financiële middelen Art. 44.De Regering kan bijkomende projectmatige financiële middelen toekennen. De bijko …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.