Koninklijk besluit tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen wat het herstel en de afwikkel
Kort samengevat
Dit Koninklijk besluit wijzigt de wet van 25 april 2014 betreffende het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, specifiek met betrekking tot het herstel en de afwikkeling van financiële groepen. Het doel is om bankcrises beter te kunnen voorkomen en beheersen door nieuwe bevoegdheden en instrumenten te introduceren.
Wat het reguleert
- De toepassing van afwikkelingsmaatregelen voor individuele kredietinstellingen die in gebreke blijven of dreigen te blijven.
- Het herstel en de afwikkeling van (grensoverschrijdende) groepen van financiële ondernemingen.
- De relaties met derde landen in het kader van herstel en afwikkeling van groepen.
- De gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2014/59/EU (BRR-richtlijn) in Belgisch recht.
Wie het aanbelangt
- Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen.
- Financiële groepen, inclusief moederondernemingen, onderling verbonden financiële ondernemingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings.
Kernpunten
- Overheidsinstanties krijgen nieuwe bevoegdheden en instrumenten om bankcrises te voorkomen en te beheersen.
- Afwikkelingsmaatregelen kunnen worden toegepast als een kredietinstelling in gebreke blijft, er geen private oplossing is en dit in het algemeen belang noodzakelijk is.
- Het besluit vult de eerdere omzetting van de BRR-richtlijn aan door bepalingen over herstel en afwikkeling van groepen en relaties met derde landen op te nemen.
- Dit besluit is een uitvoering van artikelen 311 en 387 van de wet van 25 april 2014.
Wettekst
26 DECEMBER 2015. - Koninklijk besluit tot wijziging van de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 18/01/2016 numac 2016000006 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 25/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014003234 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand enenergie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003194 bron federale overheidsdienst financien en federale overheidsdienst justitie Wet op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003195 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse bepalingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 27/05/2014 numac 2014003225 bron federale overheidsdienst financien Wet inzake het statuut van en het toezicht op de onafhankelijk financieel planners en inzake het verstrekken van raad over financiële planning door gereglementeerde ondernemingen en tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen wat het herstel en de afwikkeling van groepen betreft VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het besluit dat wij de eer hebben ter ondertekening aan Uwe Majesteit voor te leggen, voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad ("BRR-richtlijn"). De BRR-richtlijn verschaft aan de overheidsinstanties nieuwe bevoegdheden en instrumenten om eventuele bankcrises in de Europese Unie beter te kunnen voorkomen en beheersen. De BRR-richtlijn voorziet in de toepassing van afwikkelingsmaatregelen wanneer een individuele kredietinstelling in gebreke blijft of waarschijnlijk in gebreke zal blijven, er geen alternatieve oplossing vanuit de particuliere sector mogelijk is, en zulks noodzakelijk is in het algemeen belang. De BRR-richtlijn voorziet daarnaast in parallelle bepalingen inzake het herstel en de afwikkeling van (grensoverschrijdende) groepen, dit wil zeggen het geheel van door een moederonderneming geleide onderling verbonden financiële ondernemingen, in voorkomend geval met inbegrip van financiële holdings en gemengde financiële holdings. De BRR-richtlijn werd gedeeltelijk in Belgisch recht omgezet via de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 18/01/2016 numac 2016000006 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 25/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014003234 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand enenergie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003194 bron federale overheidsdienst financien en federale overheidsdienst justitie Wet op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003195 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse bepalingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 27/05/2014 numac 2014003225 bron federale overheidsdienst financien Wet inzake het statuut van en het toezicht op de onafhankelijk financieel planners en inzake het verstrekken van raad over financiële planning door gereglementeerde ondernemingen en tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen. De bepalingen van de BRR-richtlijn die betrekking hebben op het herstel en de afwikkeling van (grensoverschrijdende) groepen en inzake de betrekkingen met derde landen werden echter nog niet omgezet. Het voorliggende besluit strekt dus tot omzetting van de bepalingen van de BRR-richtlijn die betrekking hebben op het herstel en de afwikkeling van groepen, met inbegrip van de betrekkingen met derde landen. Het voorliggende besluit wordt genomen in uitvoering van de artikelen 311 en 387 van de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 18/01/2016 numac 2016000006 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 25/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014003234 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand enenergie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003194 bron federale overheidsdienst financien en federale overheidsdienst justitie Wet op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003195 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse bepalingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 27/05/2014 numac 2014003225 bron federale overheidsdienst financien Wet inzake het statuut van en het toezicht op de onafhankelijk financieel planners en inzake het verstrekken van raad over financiële planning door gereglementeerde ondernemingen en tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen (de "bankwet"), die Uwe Majesteit machtigen om bij een in Ministerraad overlegd besluit, op advies van het Afwikkelingscollege van de Nationale Bank van België, alle dienstige maatregelen te treffen inzake, respectievelijk (
- i)de toepassing van de bepalingen inzake afwikkeling op de kredietinstellingen die deel uitmaken van grensoverschrijdende groepen, (
- ii)de uitvoering in België van preventie-, herstel- en afwikkelingsmaatregelen genomen door de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten of derde landen, (iii) de uitwisselingen met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en derde landen en (
- iv)de uitbreiding van de bepalingen inzake herstelplannen, afwikkelingsplannen en de afwikkeling tot financiële holdings en gemengde financiële holdings. Het voorliggende besluit beperkt zich tot de loutere omzetting van de geviseerde bepalingen van de BRR-richtlijn en gaat niet verder dan wat in die richtlijn is voorgeschreven. Er wordt dus geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid geboden door artikel 1, lid 2 van de BRR-richtlijn om regels vast te stellen die strikter zijn dan of aanvullend op de BRR-richtlijn. Er werd rekening gehouden met de opmerkingen van de Raad van State, in zijn advies 58.496/2 van 9 december 2015. Het oorspronkelijke ontwerp bevatte een artikel 5 houdende wijziging van artikel 293 van de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 18/01/2016 numac 2016000006 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 25/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014003234 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand enenergie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003194 bron federale overheidsdienst financien en federale overheidsdienst justitie Wet op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003195 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse bepalingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 27/05/2014 numac 2014003225 bron federale overheidsdienst financien Wet inzake het statuut van en het toezicht op de onafhankelijk financieel planners en inzake het verstrekken van raad over financiële planning door gereglementeerde ondernemingen en tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten. De Raad merkte terecht op dat dit artikel geen grondslag vond in artikel 311 of 387 van de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 18/01/2016 numac 2016000006 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 25/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014003234 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand enenergie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003194 bron federale overheidsdienst financien en federale overheidsdienst justitie Wet op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003195 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse bepalingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 27/05/2014 numac 2014003225 bron federale overheidsdienst financien Wet inzake het statuut van en het toezicht op de onafhankelijk financieel planners en inzake het verstrekken van raad over financiële planning door gereglementeerde ondernemingen en tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten. Artikel 5 werd daarom geschrapt. De bijlage bij dit verslag bevat een concordantietabel, die moet toelaten na te gaan van welk artikel van de BRR-richtlijn de nieuw in te voegen artikelen van de bankwet de omzetting vormen. Te dien einde wordt Uwe Majesteit gemachtigd de vigerende wettelijke bepalingen te wijzigen, aan te vullen, te vervangen of op te heffen. Artikelsgewijze bespreking Artikel 1 Dit artikel bepaalt dat het huidige besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de BRR-richtlijn. Artikel 2 Dit artikel, dat artikel 3 van de bankwet wijzigt, voegt een aantal algemene definities toe die verband houden met het herstel en de afwikkeling van groepen, zoals de definitie van "groepsherstelplan" en van "groepsafwikkelingsplan". Wanneer de bankwet melding maakt van de "afwikkelingsautoriteit" zal overeenkomstig artikel 3, 52° bedoeld worden de Nationale Bank van België dan wel de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd door of krachtens Verordening (EU) nr. 806/2014. Bij de afwikkeling van grensoverschrijdende groepen zal de Belgische afwikkelingsautoriteit echter in nauwe samenwerking met de afwikkelingsautoriteiten van de andere betrokken lidstaten, en in voorkomend geval zelfs met de afwikkelingsautoriteiten van derde landen, beslissingen moeten nemen. Om de taakverdeling tussen de Belgische afwikkelingsautoriteit enerzijds en de andere afwikkelingsautoriteiten anderzijds te verduidelijken, wordt een definitie ingevoegd van "buitenlandse afwikkelingsautoriteit" (dit is een afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat of, in voorkomend geval, de gemeenschappelijke afwikkelingsraad volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd door of krachtens Verordening (EU) nr. 806/2014), en van "afwikkelingsautoriteit van een derde land". Artikel 3 Dit artikel wijzigt artikel 108 van de bankwet, om te verduidelijken in welk geval een kredietinstelling een individueel herstelplan dient op te stellen dan wel dient opgenomen te worden in een door de moederonderneming opgesteld groepsherstelplan. De vuistregel luidt dat een kredietinstelling enkel een individueel herstelplan dient op te maken wanneer die instelling niet is opgenomen in een groepsherstelplan. De toezichthouder kan niettemin beslissen dat kredietinstellingen die deel uitmaken van een groep toch een individueel herstelplan dienen op te stellen (zie het nieuw in te voegen artikel 433 van de bankwet). Article 4 Dit artikel wijzigt artikel 226 van de bankwet, om te verduidelijken in welk geval de afwikkelingsautoriteit een afwikkelingsplan dient op te stellen voor een individuele kredietinstelling. De vuistregel luidt dat de afwikkelingsautoriteit een individueel afwikkelingsplan opmaakt wanneer de betrokken kredietinstelling niet is opgenomen in een groepsherstelplan. Article 5 Dit artikel introduceert een nieuw boek XI in de bankwet met als opschrift "Herstel en afwikkeling van groepen". Dit boek bevat alle relevante materiële en procedurele vereisten voor het herstel en de afwikkeling van groepen. Met het oog op de leesbaarheid wordt er voor geopteerd om deze bepalingen onder te brengen in een apart deel van de bankwet, veeleer dan deze te incorporeren in de bestaande bepalingen van de bankwet inzake herstel en afwikkeling van individuele kredietinstellingen naar Belgisch recht. De onderdelen van het nieuw in te voegen boek XI worden hierna beknopt toegelicht. Art. 423 (definities) Het nieuw in te voegen artikel 423 bevat definities die uitsluitend van toepassing zijn op boek XI en nog niet voorkomen in de algemene definities vervat in artikel 3 van de bankwet. De begrippen EER-moederkredietinstelling, Belgische EER-moederkredietinstelling, financiële moederholding in een lidstaat, financiële EER-moederholding, Belgische financiële EER-moederholding, gemengde financiële moederholding in een lidstaat, gemengde financiële EER-moederholding en Belgische gemengde financiële EER-moederholding ontlenen hun betekenis aan de definities die reeds vervat zijn in artikel 164, § 2 van de bankwet voor wat het toezicht op geconsolideerde basis betreft. Er wordt een definitie opgenomen van "EER-moederonderneming" (naar analogie van artikel 2, lid 1, onder 85 van de BRR-richtlijn) en bij uitbreiding ook van "Belgische EER-moederonderneming" en "moederonderneming in een lidstaat". Naar analogie van artikel 2, lid 1, onder 26 wordt een "groep" ruim gedefinieerd als een moederonderneming en haar dochterondernemingen, en verstaat men onder "Belgische groep" een groep waarvan de moederonderneming een Belgische EER-moederonderneming is en waarvoor het toezicht op geconsolideerd niveau dus wordt uitgeoefend door de Belgische toezichthouder. De rechtstreekse link tussen de groepsafwikkeling enerzijds en het geconsolideerd toezicht anderzijds, wordt ook bevestigd in de definitie van "afwikkelingsautoriteit op groepsniveau": het betreft de afwikkelingsautoriteit in de lidstaat waar de consoliderende toezichthouder is gevestigd. De andere definities behoeven geen nadere toelichting. Art. 424 (toepassingsgebied) Het nieuw in te voegen artikel 424 bepaalt op welke entiteiten de regels inzake herstel en afwikkeling kunnen toegepast worden. Dit artikel strekt tot omzetting van artikel 1, lid 1 van de BRR-richtlijn. Art. 425 tot 438 (groepsherstelplannen) De nieuw in te voegen artikelen 425 tot 429 strekken tot omzetting van de artikelen7 en 9 van de BRR-richtlijn. Zij bepalen dat iedere Belgische EER-moederonderneming een groepsherstelplan dient op te stellen voor de gehele groep die zij leidt, en specifiëren de inhoud en de doelstellingen van de groepsherstelplannen. Het nieuw in te voegen artikel 429 bepaalt dat de toezichthouder afwijkingen kan toestaan van de verplichtingen inzake de opmaak van groepsherstelplannen. Deze afwijkingen mogen echter niet betrekking hebben op de verplichtingen bedoeld in artikel 110, § 2, tweede en derde lid. Die verplichtingen blijven in elk geval gelden voor kredietinstellingen die deel uitmaken van een groep. De nieuw in te voegen artikelen 430 tot en met 438 strekken voornamelijk tot omzetting van artikel 8 van de BRR-richtlijn. Deze artikelen beschrijven de procedures voor de beoordeling, door de toezichthouder, van een groepsherstelplan. De toezichthouder kan wijzigingen in het groepsherstelplan voorstellen of aanbrengen wanneer hij van oordeel is dat het plan wezenlijke tekortkomingen vertoont of dat er significante belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging ervan. De bepalingen beschrijven de rol van de Belgische toezichthouder al naargelang het groepsherstelplan is opgesteld door een Belgische EER-moederonderneming, dan wel door een EER-moederonderneming in een andere lidstaat. Art. 439 tot 452 (groepsafwikkelingsplannen) De nieuw in te voegen artikelen 439 tot en met 452 strekken tot omzetting van de artikelen 12, 13, 16, 17 en 18 van de BRR-richtlijn. De Belgische afwikkelingsautoriteit dient een groepsafwikkelingsplan op te stellen voor de afwikkeling van iedere Belgische groep, en verleent haar medewerking aan de opstelling van de groepsafwikkelingsplannen van buitenlandse groepen die één of meer Belgische entiteiten omvatten. De nieuw in te voegen artikelen bepalen de inhoud, doelstellingen en procedures waarbij er naar gestreefd wordt om in een afwikkelingscollege, samen met de andere bevoegde autoriteiten, tot een gezamenlijk besluit te komen over het groepsafwikkelingsplan. De bepalingen beschrijven de rol van de Belgische afwikkelingsautoriteit al naargelang het afwikkelingsplan betrekking heeft op een Belgische dan wel een buitenlandse groep. Het nieuw in te voegen artikel 443 bepaalt dat de afwikkelingsautoriteit kan afwijken van de verplichtingen inzake de opmaak van groepsherstelplannen. Kredietinstellingen die deel uitmaken van een groep maar die zijn aangesloten bij een centrale instelling zoals bedoeld in artikel 239 van de bankwet, kunnen onder bepaalde voorwaarden worden vrijgesteld van de verplichtingen inzake de opmaak van afwikkelingsplannen. Het betreft de toepassing, bij analogie, van wat bepaald is in het gewijzigde artikel 229 van de bankwet. Tegelijk met de opstelling van het groepsafwikkelingsplan dienen de afwikkelingsautoriteiten de afwikkelbaarheid van iedere groep te beoordelen en, in voorkomend geval, een besluit te nemen over de maatregelen die dienen genomen te worden om de vastgestelde belemmeringen voor de afwikkelbaarheid te verminderen of op te heffen. Ook hier verschilt de rol van de Belgische afwikkelingsautoriteit al naargelang de beoordeling betrekking heeft op een Belgische dan wel een buitenlandse groep. Art. 453 tot 485 (afwikkeling van groepen) De titel V heeft betrekking op de eigenlijke afwikkelingvan groepen, met inbegrip van de betrekkingen met derde landen. De nieuw in te voegen artikelen 453 tot en met 456 beschrijven de doelstellingen, voorwaarden en algemene beginselen inzake afwikkeling van groepen. Afwikkelingsmaatregelen worden in principe genomen ten aanzien van de kredietinstellingen die deel uitmaken van een groep. Artikel 454 bepaalt echter in welke omstandigheden een afwikkelingsmaatregel ook kan genomen worden ten aanzien van financiële instellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings die deel uitmaken van een groep. Dit artikel strekt tot omzetting van artikel 33 van de BRR-richtlijn. De nieuw in te voegen artikelen 457 en 458 bepalen de bevoegdheid voor de afwikkelingsautoriteit om de door de entiteiten van een groep uitgegeven kapitaalinstrumenten af te schrijven of om te zetten. Deze artikelen strekken voornamelijk tot omzetting van de artikelen 59 en 62 van de BRR-richtlijn. De nieuw in te voegen artikelen 459 tot en met 463 strekken tot omzetting, voor wat de toepassing op geconsolideerd niveau betreft, van de bepalingen van artikel 45 van de BRR-richtlijn inzake het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva. Deze bepalingen houden nauw verband met de toepassing van het instrument van interne versterking (bail-in), waarvan de omzetting via een afzonderlijke koninklijk besluit zal gerealiseerd worden op grond van artikel 255, § 2 van de bankwet. De nieuw in te voegen artikelen 464 tot en met 477 beschrijven op gedetailleerde wijze de beginselen en procedures die moeten toegepast worden voor het nemen van beslissingen inzake de afwikkeling van groepen en voor het opstellen van afwikkelingsregelingen. Artikel 464 werd niet aangepast in het licht van de opmerking van de Raad van State dat het om een een onvolledige omzetting van artikel 81, lid 3 van de BRR-richtlijn zou gaan. De omzetting van dat artikel werd immers reeds verzekerd door artikel 292 van de bankwet. Het ontworpen artikel 464 verduidelijkt dat indien de afwikkelingsautoriteit zelf een kennisgeving ontvangt zoals bedoeld in artikel 81 van de BRR-richtlijn, zij de toezichthouder, het Garantiefonds of de Minister van Financiën daarvan kan op de hoogte brengen. Dit om te verzekeren dat deze autoriteiten in elk geval op de hoogte zijn wanneer de voorwaarden voor afwikkeling vervuld zijn in hoofde van een instelling. De afwikkelingsmaatregelen dienen in principe het voorwerp uit te maken van een gezamenlijk besluit van de afwikkelingsautoriteiten die in het bevoegde afwikkelingscollege vertegenwoordigd zijn. Een afwikkelingscollege wordt opgericht voor elke groep die aan de afwikkelingsbepalingen onderworpen is. Europese afwikkelingscolleges zijn te onderscheiden van de "gewone" afwikkelingscolleges: zij dienen opgericht te worden wanneer een kredietinstelling van een derde land of een moederonderneming van een derde land dochterkredietinstellingen heeft in België en in één of meer andere lidstaten. De artikelen 472 en volgende strekken tot omzetting van de artikelen 91 en 92 van de BRR-richtlijn. Zij bepalen de rol van de Belgische afwikkelingsautoriteit al naargelang de zes hypotheses die zich kunnen voordoen bij de afwikkeling van een grensoverschrijdende groep: 1° de afwikkeling waarbij een Belgische dochteronderneming van een Belgische EER-moederonderneming betrokken is;2° de afwikkeling waarbij een Belgische dochteronderneming van een EER-moederonderneming in een andere lidstaat betrokken is;3° de afwikkeling waarbij een buitenlandse dochteronderneming van een Belgische EER-moederonderneming betrokken is;4° de afwikkeling waarbij een buitenlandse dochteronderneming van een EER-moederonderneming van een andere lidstaat betrokken is;5° de afwikkeling waarbij een Belgische EER-moederonderneming betrokken is;6° de afwikkeling waarbij een EER-moederonderneming in een andere lidstaat betrokken is. De nieuw in te voegen artikelen 478 tot en met 485, tot slot, strekken voornamelijk tot omzetting van de artikelen 94 tot en met 97 van de BRR-richtlijn. Zij regelen de betrekkingen met derde landen, met name de erkenning en handhaving van afwikkelingsprocedures van derde landen en de samenwerking met deze landen. Artikel 6 Dit artikel bepaalt dat het ontwerpbesluit in werking treedt op 1 januari 2016. Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Financiën, J. VAN OVERTVELDT ADVIES 58.496/2 VAN 9 DECEMBER 2015 OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT "TOT WIJZIGING VAN DE WET VAN 25 APRIL 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 18/01/2016 numac 2016000006 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 25/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014003234 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand enenergie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003194 bron federale overheidsdienst financien en federale overheidsdienst justitie Wet op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003195 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse bepalingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 27/05/2014 numac 2014003225 bron federale overheidsdienst financien Wet inzake het statuut van en het toezicht op de onafhankelijk financieel planners en inzake het verstrekken van raad over financiële planning door gereglementeerde ondernemingen en tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten OP HET STATUUT VAN EN HET TOEZICHT OP KREDIETINSTELLINGEN WAT HET HERSTEL EN DE AFWIKKELING VAN GROEPEN BETREFT" Op 16 november 2015 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Financiën verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 18/01/2016 numac 2016000006 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 25/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014003234 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand enenergie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003194 bron federale overheidsdienst financien en federale overheidsdienst justitie Wet op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003195 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse bepalingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 27/05/2014 numac 2014003225 bron federale overheidsdienst financien Wet inzake het statuut van en het toezicht op de onafhankelijk financieel planners en inzake het verstrekken van raad over financiële planning door gereglementeerde ondernemingen en tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen wat het herstel en de afwikkeling van groepen betreft" . Het ontwerp is door de tweede kamer onderzocht op 9 december 2015 . De kamer was samengesteld uit Pierre Vandernoot, kamervoorzitter, Luc Detroux en Wanda Vogel, staatsraden, Yves De Cordt en Marianne Dony, assessoren, en Anne-Catherine Van Geersdaele, griffier. Het verslag is uitgebracht door Jean-Luc Paquet, eerste auditeur . De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Wanda Vogel. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 9 december 2015. Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten. Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen. Voorafgaande vormvereisten In de aanhef dient melding te worden gemaakt van de geïntegreerde impactanalyse, een vormvereiste dat luidens het dossier dat bij de adviesaanvraag is gevoegd naar behoren is vervuld. Algemene opmerking Ook al sluit de Franse tekst van het voorliggende ontwerp - vaak letterlijk - aan bij de Franse tekst van de omgezette richtlijn
- - Koninklijk besluit tot wijziging van de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 18/01/2016 numac 2016000006 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 25/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014003234 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand enenergie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003194 bron federale overheidsdienst financien en federale overheidsdienst justitie Wet op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003195 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse bepalingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 27/05/2014 numac 2014003225 bron federale overheidsdienst financien Wet inzake het statuut van en het toezicht op de onafhankelijk financieel planners en inzake het verstrekken van raad over financiële planning door gereglementeerde ondernemingen en tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen wat het herstel en de afwikkeling van groepen betreft FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 18/01/2016 numac 2016000006 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 25/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014003234 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand enenergie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003194 bron federale overheidsdienst financien en federale overheidsdienst justitie Wet op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003195 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse bepalingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 27/05/2014 numac 2014003225 bron federale overheidsdienst financien Wet inzake het statuut van en het toezicht op de onafhankelijk financieel planners en inzake het verstrekken van raad over financiële planning door gereglementeerde ondernemingen en tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, de artikelen 311 en 387; Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 4 november 2015; Gelet op het advies het Afwikkelingscollege van de Nationale Bank van België, gegeven op 9 november 2015; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 10 november 2015; Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig artikels 6 en 7 van de wet van 15 december 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging type wet prom. 15/12/2013 pub. 13/02/2014 numac 2014000088 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging. - Duitse vertaling van uittreksels sluiten houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging; Gelet op advies 58.496/2 van de Raad van State, gegeven op 9 december 2015, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op de voordracht van de Minister van Financiën, en op het advies van de in Raad vergaderde ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling Artikel 1.Het voorliggend koninklijk besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad. HOOFDSTUK II - Wijzigingen in de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 18/01/2016 numac 2016000006 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 25/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014003234 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand enenergie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003194 bron federale overheidsdienst financien en federale overheidsdienst justitie Wet op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003195 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse bepalingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 27/05/2014 numac 2014003225 bron federale overheidsdienst financien Wet inzake het statuut van en het toezicht op de onafhankelijk financieel planners en inzake het verstrekken van raad over financiële planning door gereglementeerde ondernemingen en tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen Art. 2.In artikel 3 van de wet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 18/01/2016 numac 2016000006 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. - Duitse vertaling van uittreksels type wet prom. 25/04/2014 pub. 28/05/2014 numac 2014003234 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand enenergie, federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst financien Wet tot wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 21 december 2009 op het statuut van de betalingsinstellingen en van de instellingen voor elektronisch geld, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en tot de activiteit van uitgifte van elektronisch geld en de toegang tot betalingssystemen, de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003194 bron federale overheidsdienst financien en federale overheidsdienst justitie Wet op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 07/05/2014 numac 2014003195 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse bepalingen type wet prom. 25/04/2014 pub. 27/05/2014 numac 2014003225 bron federale overheidsdienst financien Wet inzake het statuut van en het toezicht op de onafhankelijk financieel planners en inzake het verstrekken van raad over financiële planning door gereglementeerde ondernemingen en tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen en van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten sluiten op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° er wordt een bepaling onder 49/1° ingevoegd, luidende : "49/1° Richtlijn 2014/59/EU : de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr.1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad;"; 2° er wordt een bepaling onder 50/1° ingevoegd, luidende : "50/1° groepsherstelplan : een plan dat is opgesteld overeenkomstig artikel 425 of een plan bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 2014/59/EU dat is opgesteld door een EER-moederonderneming;"; 3° er wordt een bepaling onder 51/1° ingevoegd, luidende : "51/1° groepsafwikkelingsplan : een plan dat overeenkomstig artikel 439 wordt opgesteld of een plan in de zin van artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU dat wordt opgesteld door een buitenlandse afwikkelingsautoriteit;"; 4° er wordt een bepaling onder 52/1° ingevoegd, luidende : "52/1° buitenlandse afwikkelingsautoriteit : een overheidsinstantie of een instelling die met toepassing van artikel 3 van Richtlijn 2014/59/EU officieel erkend is door het nationaal recht van een andere lidstaat en gemachtigd om afwikkelingsinstrumenten toe te passen en de afwikkelingsbevoegdheden uit te oefenen, evenals, in voorkomend geval, de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, volgens de bevoegdheidsverdeling vastgelegd door of krachtens Verordening nr. 806/2014;"; 5° er wordt een bepaling onder 52/2° ingevoegd, luidende : "52/2° afwikkelingsautoriteit van een derde land : een autoriteit die in een derde land verantwoordelijk is voor de toepassing van instrumenten of de uitoefening van bevoegdheden die vergelijkbaar zijn met de afwikkelingsinstrumenten en afwikkelingsbevoegdheden bedoeld in deze wet;"; 6° de bepaling onder 53° wordt vervangen als volgt : "53° afwikkelbaarheid : de mogelijkheid voor een afwikkelingsautoriteit om een kredietinstelling, een groep als bedoeld in artikel 423, 12° of een entiteit als bedoeld in artikel 424 af te wikkelen;". Art. 3.Artikel 108 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : "Art. 108.§
- De kredietinstelling waarvoor geen groepsherstelplan wordt opgesteld, stelt een herstelplan op met maatregelen die door de instelling kunnen worden uitgevoerd voor het herstel van haar financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan, en actualiseert dit plan. De kredietinstelling deelt het herstelplan mee aan de toezichthouder. §
- Kredietinstellingen waarvoor een groepsherstelplan wordt opgesteld, dienen een herstelplan op individuele basis op te stellen indien de bevoegde autoriteiten daartoe besloten hebben overeenkomstig artikel 435, § 1 of § 3, artikel 436, § 3 of in de zin van artikel 8, lid 2 of lid 4 van Richtlijn 2014/59/EU.". Art. 4.In artikel 226 van dezelfde wet wordt paragraaf 1 vervangen als volgt : " §
- Na overleg met de toezichthouder stelt de afwikkelingsautoriteit een afwikkelingsplan op voor elke kredietinstelling die geen deel uitmaakt van een groep waarvoor een groepsherstelplan wordt opgesteld.". Art. 5.In dezelfde wet wordt een Boek XI ingevoegd, luidende : "BOEK XI. - HERSTEL EN AFWIKKELING VAN GROEPEN TITEL I. - Definities Art. 423.Onverminderd de in artikel 3 bedoelde definities wordt voor de toepassing van dit Boek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen verstaan onder : 1° EER-moederkredietinstelling : een EER-moederkredietinstelling in de zin van artikel 164, § 2, 3° ;2° Belgische EER-moederkredietinstelling : een Belgische EER-moederkredietinstelling in de zin van artikel 164, § 2, 4° ;3° financiële moederholding in een lidstaat : een financiële moederholding in een lidstaat in de zin van artikel 164, § 2, 5° ;4° financiële EER-moederholding : een financiële EER-moederholding in de zin van artikel 164, § 2, 6° ;5° Belgische financiële EER-moederholding : een Belgische EER-moederholding in de zin van artikel 164, § 2, 7° ;6° gemengde financiële moederholding in een lidstaat : een gemengde financiële holding in een lidstaat in de zin van artikel 164, § 2, 8° ;7° gemengde financiële EER-moederholding : een gemengde financiële EER-moederholding in de zin van artikel 164, § 2, 9° ;8° Belgische gemengde financiële EER-moederholding : een Belgische gemengde financiële moederholding in de zin van artikel 164, § 2, 10° ;9° Belgische EER-moederonderneming : een Belgische EER-moederkredietinstelling, een Belgische financiële EER-moederholding of een Belgische gemengde financiële EER-moederholding;10° EER-moederonderneming : een EER-moederkredietinstelling, een financiële EER-moederholding of een gemengde financiële EER-moederholding;11° moederonderneming in een lidstaat : een moederkredietinstelling in een lidstaat, een financiële moederholding in een lidstaat of een gemengde financiële moederholding in een lidstaat;12° groep : een moederonderneming en haar dochterondernemingen;13° Belgische groep : een groep waarvan de moederonderneming een Belgische EER-moederonderneming is;14° afwikkelingsautoriteit op groepsniveau : de afwikkelingsautoriteit in de lidstaat waar de consoliderende toezichthouder is gevestigd;15° groepsafwikkelingsregeling : een plan dat met het oog op een groepsafwikkeling wordt opgesteld als bedoeld in artikel 465, § 1;16° afwikkelingscollege : een afwikkelingscollege als bedoeld in artikel 468 of 469;17° Europees afwikkelingscollege : een afwikkelingscollege als bedoeld in artikel 470;18° bevoegde autoriteit : de nationale autoriteit van een lidstaat die krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen gemachtigd is om toezicht uit te oefenen op de holdings en instellingen als bedoeld in artikel 424, 1°, 2°, 3° en 4° ;19° geëigende autoriteit : de autoriteit van een lidstaat die volgens het nationaal recht van die lidstaat verantwoordelijk is voor het bepalen van de elementen bedoeld in artikel 250, § 2 en in artikel 457, § 1 ;20° bevoegd ministerie : het ministerie bevoegd voor financiën of een ander ministerie van een lidstaat dat als bevoegd ministerie is aangeduid krachtens het nationaal recht van die lidstaat dat omzetting geeft aan Richtlijn 2014/59/EU;21° EER-bijkantoor : een bijkantoor van een kredietinstelling van een derde land, dat in een lidstaat is gevestigd. TITEL II. - Toepassingsgebied Art. 424.In de mate en op de wijze bepaald in dit Boek, zijn de bepalingen van Boek II, Titel II, Hoofdstuk VII en van Titels IV en VIII van toepassing op : 1° in de EER gevestigde kredietinstellingen;2° in de EER gevestigde financiële holdings, gemengde financiële holdings en gemengde holdings;3° financiële moederholdings in een lidstaat, financiële EER-moederholdings, gemengde financiële moederholdings in een lidstaat, gemengde financiële EER-moederholdings;4° in de EER gevestigde financiële instellingen indien zij dochteronderneming zijn van een kredietinstelling dan wel van een in punt 3° of 4° bedoelde onderneming, en onder het toezicht op geconsolideerde basis op de moederonderneming vallen;5° buiten de EER gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen. TITEL III. - Groepsherstelplannen HOOFDSTUK I. - Opmaak van groepsherstelplannen Art. 425.§
- Elke Belgische EER-moederonderneming stelt een groepsherstelplan op voor de gehele Belgische groep die zij leidt, en deelt dit mee aan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder. Het groepsherstelplan is gericht op de stabilisatie van de groep als geheel of van elke kredietinstelling van de groep als deze in een moeilijke financiële situatie verkeert, en heeft als doel de oorzaken van de moeilijkheden aan te pakken of weg te nemen en de financiële positie van de groep of de kredietinstelling te herstellen, waarbij ook de financiële positie van andere groepsentiteiten in aanmerking wordt genomen. §
- Het groepsherstelplan bevat : 1° de maatregelen die, in het licht van de doelstellingen bedoeld in paragraaf 1, moeten worden genomen op het niveau van de Belgische EER-moederonderneming, van de dochterondernemingen, van de groepsentiteiten bedoeld in artikel 424, 2° en 3° en, indien van toepassing, van de significante bijkantoren;2° regelingen met het oog op het waarborgen van de coördinatie en consistentie van die maatregelen;3° in voorkomend geval, regelingen voor het verlenen van financiële steun binnen de groep, die zijn aangenomen op grond van een overeenkomst in die zin. §
- Groepsherstelplannen stellen voor elk van de scenario's vast of er belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen binnen de groep, ook op het niveau van iedere groepsentiteit die onder het plan valt, en of er wezenlijke praktische of juridische belemmeringen zijn voor de snelle overdracht van eigen vermogen of voor het terugbetalen van activa of passiva binnen de groep. Art. 426.§
- Ieder groepsherstelplan bevat een raamwerk van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren van een potentiële verslechtering van de financiële positie van de in het plan opgenomen kredietinstellingen, met aanduiding van de momenten waarop iedere kredietinstelling onderzoekt of in het plan opgenomen corrigerende maatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd. Te dien einde bepaalt het herstelplan passende procedures voor de periodieke monitoring van de in het eerste lid bedoelde indicatoren alsook voor het onderzoek van de in overweging te nemen corrigerende maatregelen, met inbegrip van de eventueel te volgen escalatieprocedure. §
- Voor Belgische kredietinstellingen die opgenomen zijn in een groepsherstelplan, omvatten de in paragraaf 1 bedoelde indicatoren een progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van bezwaarde activa van de kredietinstelling, die door de toezichthouder wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 108, § 2, tweede lid. Het groepsherstelplan vermeldt de corrigerende maatregelen die moeten worden overwogen bij overschrijding van elk van de drempels. §
- De Belgische kredietinstelling die opgenomen wordt in een groepsherstelplan en de Belgische EER-moederonderneming kunnen, wanneer hun wettelijk bestuursorgaan zulks in het licht van de omstandigheden aangewezen acht : 1° maatregelen nemen in het kader van het groepsherstelplan ook als de betrokken indicator niet is gehaald;2° geen maatregelen nemen in het kader van het groepsherstelplan ook als de betrokken indicator wel is gehaald. De kredietinstelling of de Belgische EER-moederonderneming stellen de toezichthouder onverwijld in kennis van elke beslissing om een maatregel te nemen in het kader van de uitvoering van het groepsherstelplan, en van elke beslissing om dit niet te doen ondanks het feit dat de betrokken indicator is gehaald. §
- Onverminderd de andere bevoegdheden die deze wet hem toekent, kan de toezichthouder de Belgische kredietinstelling die opgenomen wordt in een groepsherstelplan opdragen om een of meer in het groepsherstelplan opgenomen corrigerende maatregelen te nemen indien de instelling nalaat om uit eigen initiatief passende maatregelen te nemen. Art. 427.De Belgische EER-moeder-onderneming actualiseert het groepsherstelplan bedoeld in artikel 425 ten minste eenmaal per jaar en in ieder geval na elke wijziging in de juridische of organisatiestructuur, de werkzaamheden of de financiële positie van de groep of de groepsentiteiten, die een significante invloed kan hebben op het plan of wijziging ervan vergt. In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder kan de toezichthouder van de Belgische EER-moederonderneming eisen dat zij haar groepsherstelplan vaker actualiseert. Art. 428.Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2 van de wet van 22 februari 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/02/1998 pub. 28/03/1998 numac 1998003158 bron ministerie van financien Wet tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België type wet prom. 22/02/1998 pub. 03/03/1998 numac 1998021087 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen sluiten kan de Bank de nadere regels bepalen inzake : 1° de minimuminhoud van het groepsherstelplan;2° de informatie die door de kredietinstelling, de Belgische EER-moederonderneming of de groepsentiteiten aan de toezichthouder of aan een andere bevoegde autoriteit, in voorkomend geval in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, moet worden meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren. Art. 429.§
- De toezichthouder kan een Belgische EER-moederonderneming of een groepsentiteit toestaan af te wijken van de verplichtingen van dit Hoofdstuk inzake de inhoud van het groepsherstelplan, de frequentie van actualisering van het plan of de informatieverstrekking door de kredietinstelling of de kredietinstellingen van de groep alsmede van de termijn bepaald in artikel 114, § 2, of in artikel 416, voor zover een dergelijke afwijking verantwoord is in het licht van de impact die het in gebreke blijven en de vereffening van de betrokken kredietinstelling of de kredietinstellingen van de groep in het kader van een vereffeningsprocedure kunnen hebben op de financiële markten, op andere kredietinstellingen, op de financieringsvoorwaarden en op de economie in het algemeen. Hierbij houdt de toezichthouder in het bijzonder rekening met de aard van de werkzaamheden van de betrokken kredietinstelling, haar aandeelhoudersstructuur, rechtsvorm, risicoprofiel, omvang en juridisch statuut, verwevenheid met andere kredietinstellingen of het financiële stelsel in het algemeen, de perimeter en complexiteit van haar werkzaamheden en de eventuele uitoefening van beleggingsdiensten- of activiteiten. De toezichthouder kan een afwijking toegekend met toepassing van het eerste lid te allen tijde weer intrekken. Hij beoordeelt de noodzaak en de opportuniteit van het behoud van de toegekende afwijkingen ten minste eenmaal per jaar en na een wijziging in de juridische of organisatiestructuur, de werkzaamheden of de financiële positie van de betrokken kredietinstelling. §
- De met toepassing van paragraaf 1 toegekende afwijkingen mogen in geen geval betrekking hebben op de verplichtingen inzake de progressieve schaal van drempelwaarden voor de proportie van bezwaarde activa, als bedoeld in artikel 110, § 2, tweede en derde lid. HOOFDSTUK II. - Beoordeling van groepsherstelplannen Afdeling I. - Beoordeling van groepsherstelplannen opgesteld door een Belgische EER-moederonderneming Art. 430.§
- Het wettelijk bestuursorgaan van de Belgische EER-moederonderneming die het groepsherstelplan opstelt overeenkomstig artikel 425, keurt het groepsherstelplan goed alvorens het aan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, voor te leggen. §
- De Belgische EER-moederonderneming legt haar eerste groepsherstelplan aan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, voor binnen zes maanden vanaf het ogenblik waarop een Belgische groep tot stand is gekomen. Onder voorbehoud van wat in het derde lid is bepaald, legt de Belgische EER-moederonderneming aan de toezichthouder een geactualiseerd plan voor binnen twee maanden volgend op het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de verplichting tot actualisering van het plan, met dien verstande dat de toezichthouder deze termijn kan verlengen tot maximum zes maanden. Indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de verplichting tot actualisering van het plan, een wijziging is in de financiële positie van de moederonderneming of van een groepsentiteit die het plan aanmerkelijk kan beïnvloeden, stelt de moederonderneming de toezichthouder hiervan onverwijld in kennis en legt zij een geactualiseerd plan voor binnen de termijn die haar door de toezichthouder wordt meegedeeld. §
- In zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder bezorgt de toezichthouder het groepsherstelplan en elk geactualiseerd groepsherstelplan aan : 1° de autoriteiten die deelnemen aan de in artikel 178 bedoelde colleges van bevoegde autoriteiten;2° de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau;3° de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen;4° de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar significante bijkantoren zijn gevestigd, voor zover dit relevant is voor het betrokken bijkantoor. Deze autoriteiten kunnen binnen dertig dagen na ontvangst van het groepsherstelplan aanbevelingen richten aan de toezichthouder over de maatregelen bepaald in het plan die de afwikkelbaarheid van de groepsentiteiten negatief kunnen beïnvloeden. Art. 431.Zo snel mogelijk na ontvangst van het groepsherstelplan onderzoekt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, samen met de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen, in voorkomend geval na raadpleging van de bevoegde autoriteiten van significante bijkantoren, het groepsherstelplan. De beoordeling heeft minstens betrekking op de elementen bedoeld in artikel 432 tot artikel
- Art. 432.De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen, beoordelen of het groepsherstelplan voldoet aan de vereisten bepaald in Hoofdstuk I. Hierbij evalueren zij in het bijzonder of het groepsherstelplan toelaat redelijkerwijze te verwachten dat : 1° de uitvoering van de in het plan opgenomen maatregelen van aard is om de levensvatbaarheid en de financiële positie van de kredietinstellingen of de groep in stand te houden of te herstellen, rekening houdend met de voorbereidende maatregelen die de kredietinstellingen of de Belgische EER-moederonderneming hebben getroffen of voornemens zijn te treffen;2° het plan en de verschillende opties die daarin zijn opgenomen, snel en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd in situaties van financiële stress, waarbij in de mate van het mogelijke significante negatieve gevolgen voor het financiële stelsel worden vermeden, mede in scenario's van gelijktijdige uitvoering van herstelplannen van andere kredietinstellingen. Bij deze evaluatie wordt bijzondere aandacht besteed aan de toereikendheid van de kapitaal- en financieringsstructuur van de kredietinstellingen, van de groep en van de groepsentiteiten in verhouding tot de graad van complexiteit van hun organisatiestructuur en tot hun risicoprofiel. Art. 433.De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen, beoordelen of de kredietinstellingen die deel uitmaken van de groep een herstelplan op individuele basis moeten opstellen. Art. 434.§
- Indien de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen oordelen dat het groepsherstelplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of dat er significante belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging ervan, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, de Belgische EER-moederonderneming daarvan in kennis en, nadat zij haar de gelegenheid hebben gegeven om haar standpunt te formuleren, nodigt hij haar uit om binnen twee maanden een herzien plan in te dienen waarin de tekortkomingen of belemmeringen zijn verholpen. De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten kunnen voornoemde termijn met maximum één maand verlengen. §
- Indien de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen oordelen dat de door hen geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet naar behoren zijn verholpen in het overeenkomstig paragraaf 1 herziene plan, kan de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, de Belgische EER-moederonderneming gelasten om binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze bevinding aan deze moederonderneming, specifieke wijzigingen in het groepsherstelplan aan te brengen. §
- Indien de Belgische EER-moederonderneming binnen de gestelde termijn geen gevolg geeft aan de uitnodiging bedoeld in paragraaf 1, of indien de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen oordelen dat het herziene groepsherstelplan dat werd ingediend overeenkomstig paragraaf 1 de door hen geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpt en het onmogelijk is om deze naar behoren te verhelpen middels een aanmaning overeenkomstig paragraaf 2, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, de Belgische EER-moederonderneming daarvan in kennis en vereist hij dat zij binnen dertig dagen bepaalt welke wijzigingen in de werkzaamheden van de groep kunnen aangebracht worden om deze tekortkomingen of belemmeringen te verhelpen. §
- Indien de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen oordelen dat de wijzigingen voorgesteld door de Belgische EER-moederonderneming met toepassing van paragraaf 1, de door hen geïdentificeerde tekortkomingen of belemmeringen niet verhelpen, kunnen de consoliderende toezichthouder en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen, onverminderd andere maatregelen bepaald door of krachtens deze wet, de groepsentiteiten waarvoor zij bevoegd zijn gelasten elke maatregel te treffen die zij noodzakelijk en evenredig achten om een einde te maken aan deze tekortkomingen of belemmeringen. De toezichthouder kan de Belgische EER-moederonderneming of de Belgische kredietinstellingen die deel uitmaken van de groep, inzonderheid gelasten de maatregelen te treffen bedoeld in artikel 116, § 2, tweede lid. Art. 435.§
- De toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, en de bevoegde autoriteiten van de dochterondernemingen streven ernaar om binnen vier maanden na de in artikel 430, § 1 bedoelde mededeling van het groepsherstelplan tot een gezamenlijk besluit te komen over het bepaalde in de artikelen 432 tot
- De toezichthouder kan de EBA overeenkomstig artikel 31 van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit. §
- Indien de bevoegde autoriteiten er niet in slagen binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 een gezamenlijk besluit te nemen over de evaluatie en beoordeling van het groepsherstelplan krachtens artikel 432 of over de toepassing van de maatregelen die de Belgische EER-moederonderneming krachtens artikel 434 dient te nemen, is het volgende van toepassing : 1° de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, neemt zelf een beslissing met inachtneming van de standpunten en voorbehouden die door de andere bevoegde autoriteiten kenbaar zijn gemaakt, en stelt de Belgische EER-moederonderneming en de andere bevoegde autoriteiten schriftelijk in kennis van die beslissing;2° indien een van de bevoegde autoriteiten binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 een zaak als vermeld in artikel 437 overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr.1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, zijn besluit uit en wacht hij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af. Hij neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na het einde van de termijn bedoeld in paragraaf 1 of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA er niet in slaagt binnen één maand een besluit te nemen, is het besluit van de toezichthouder, in zijn hoedanigheid van consoliderende toezichthouder, van toepassing. §
- Indien de toezichthouder er niet in slaagt om samen met andere bevoegde autoriteiten binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 een gezamenlijk besluit te nemen over het bepaalde in artikel 433, of over de toepassing van de in artikel 434 bedoelde maatregelen op het niveau van de Belgische dochterondernemingen, is het volgende van toepassing : 1° de toezichthouder neemt zelf een besluit ten aanzien van de Belgische dochteronder-nemingen van de groep;2° indien een van de andere bevoegde autoriteiten binnen de termijn bedoeld in paragraaf 1 een zaak als vermeld in artikel 437 overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr.1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder zijn besluit uit en wacht hij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af. De toezichthouder neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na het einde van de termijn bedoeld in paragraaf 1 of nadat een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA er niet in slaagt binnen één maand een besluit te nemen, is het besluit van de toezichthouder van toepassing. Afdeling II. - Beoordeling van groepsherstelplannen opgesteld door een EER-moederonderneming in een andere lidstaat Art. 436.§
- In zijn hoedanigheid van bevoegde autoriteit voor het toezicht op een Belgische kredietinstelling die een dochteronderneming is van een EER-moederonderneming in een andere lidstaat, stelt de toezichthouder alles in het werk om tot een gezamenlijk besluit te komen zoals bedoeld in artikel 8, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU. De toezichthouder kan de EBA krachtens artikel 31, onder c) van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit. §
- Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1 over de aangelegenheden bedoeld in artikel 8, lid 3 van Richtlijn 2014/59/EU, is het volgende van toepassing : 1° de toezichthouder maakt aan de consoliderende toezichthouder zijn standpunten en voorbehouden over betreffende het besluit dat de consoliderende toezichthouder overweegt te nemen over de aangelegenheden bedoeld in artikel 8, lid 3 van Richtlijn 2014/59/EU;2° de toezichthouder kan tot aan het einde van de termijn bedoeld in artikel 8, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU en zolang geen gezamenlijk besluit is genomen, een zaak als vermeld in artikel 437 overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr.1093/2010 aan de EBA voorleggen. §
- Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1 over de aangelegenheden bedoeld in artikel 8, lid 4 van Richtlijn 2014/59/EU, is het volgende van toepassing : 1° de toezichthouder neemt zelf het besluit bedoeld in artikel 433 of over de toepassing van de in artikel 434 bedoelde maatregelen ten aanzien van de Belgische dochterondernemingen;2° indien een van de andere bevoegde autoriteiten binnen de termijn bedoeld in artikel 8, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU een zaak als vermeld in artikel 437 overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de toezichthouder zijn besluit uit en wacht hij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af. De toezichthouder neemt zijn besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. Indien de EBA er niet in slaagt binnen één maand een besluit te nemen, is het besluit van de toezichthouder van toepassing; 3° de toezichthouder kan zelf, tot aan het einde van de termijn bedoeld in artikel 8, lid 2 van Richtlijn 2014/59/EU, en zolang geen gezamenlijk besluit is genomen, een zaak als vermeld in artikel 437 overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr.1093/2010 aan de EBA voorleggen. Afdeling III. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. 437.De EBA kan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 19, lid 3 van Verordening nr. 1093/2010 helpen bij het bereiken van overeenstemming over de beoordeling van groepsherstelplannen en de uitvoering van de maatregelen bedoeld in artikel 116, § 2, tweede lid, onder 1°, 2° en 4° of in artikel 6, lid 6, onder a), b) en d) van Richtlijn 2014/59/EU. Art. 438.De gezamenlijke besluiten en de besluiten genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, als bedoeld in de artikelen 435 en 436 worden door de toezichthouder als definitief erkend en in voorkomend geval toegepast in België. TITEL IV. - Groepsafwikkelingsplannen HOOFDSTUK I. - Opmaak van groepsafwikkelingsplannen Afdeling I. - Afwikkelingsplannen van Belgische groepen Art. 439 §
- In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit samen met de afwikkelingsautoriteiten van de dochteronder-nemingen een groepsafwikkelingsplan op voor de afwikkeling van iedere Belgische groep als geheel, hetzij door het afwikkelen van de Belgische EER-moederonderneming, hetzij door het opbreken en afwikkelen van de dochterondernemingen. Het groepsafwikkelingsplan bevat maatregelen voor de afwikkeling van : 1° de Belgische EER-moederonderneming;2° de in de EER gevestigde dochterondernemingen die deel uitmaken van de groep;3° de in artikel 424, 2° en 3° bedoelde entiteiten die deel uitmaken van de groep;4° onverminderd Hoofdstuk VI, de dochterondernemingen die deel uitmaken van de groep en die ressorteren onder een derde land. §
- In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau kan de afwikkelingsautoriteit eisen dat de groepsentiteiten assistentie verlenen bij het opstellen en actualiseren van het groepsafwikkelingsplan, en dat zij haar alle daarvoor noodzakelijke informatie verstrekken. De afwikkelingsautoriteit kan de groepsentiteiten in het bijzonder verplichten om gedetailleerde gegevens bij te houden aangaande financiële contracten waarbij zij partij zijn. Indien alle of een deel van deze informatie reeds beschikbaar is bij een andere bevoegde autoriteit, maakt deze autoriteit die informatie over aan de afwikkelingsautoriteit. §
- De afwikkelingsautoriteit deelt een samenvatting van de sleutelelementen van het groepsafwikkelingsplan mee aan de Belgische EER-moederonderneming. Art. 440.§
- Het groepsafwikkelingsplan bepaalt de afwikkelingsmaatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van de in het plan opgenomen groepsentiteiten, en bevat zowel de afwikkelingsmaatregelen met betrekking tot de Belgische EER-moederonderneming, de dochterkredietinstellingen en de in artikel 424, 2°, 3° en 4° bedoelde entiteiten, als de gecoördineerde afwikkelingsmaatregelen met betrekking tot de dochterkredietinstellingen, indien de voorwaarden bepaald in artikel 244 of 454 zijn vervuld. Het groepsafwikkelingsplan is er in het bijzonder op gericht om de continuïteit van de kritieke functies van de betrokken entiteiten te waarborgen, te vermijden dat de stabiliteit van het Belgische en internationale financiële stelsel wordt aangetast en de gewaarborgde deposito's te beschermen. §
- In het groepsafwikkelingsplan wordt rekening gehouden met verschillende scenario's, waaronder de mogelijkheid dat het in gebreke blijven idiosyncratisch is dan wel zich voordoet in een context van algemene financiële stabiliteit of systeembrede gebeurtenissen. §
- Het groepsafwikkelingsplan houdt geen rekening met enige uitzonderlijke overheidssteun, en evenmin met enige noodfinanciering door centrale banken of enig beroep op andere faciliteiten voor liquiditeitsverstrekking door centrale banken onder voorwaarden inzake zekerheden, duur of interest die afwijken van standaardvoorwaarden. Het plan bevat niettemin een analyse van hoe en wanneer een groepsentiteit een beroep zou kunnen doen op de faciliteiten van centrale banken, en geeft aan welke activa daarvoor als zekerheid in aanmerking kunnen komen. Art. 441.§
- Het groepsafwikkelingsplan : 1° onderzoekt in welke mate de afwikkelingsinstrumenten en bevoegdheden op gecoördineerde wijze op in de EER gevestigde groepsentiteiten kunnen worden toegepast en uitgeoefend, en bevat maatregelen die de aankoop door een derde van de groep als geheel of van afzonderlijke bedrijfsonderdelen of -activiteiten van een aantal of van bepaalde groepsentiteiten faciliteren, en signaleert potentiële belemmeringen voor een gecoördineerde afwikkeling;2° stelt, ingeval de groep entiteiten omvat die in derde landen zijn gevestigd, passende regelingen vast voor de samenwerking en coördinatie met de betrokken autoriteiten van die derde landen en de gevolgen voor afwikkeling binnen de EER;3° geeft aan welke maatregelen, waaronder de juridische en economische afsplitsing van bepaalde functies of bedrijfsonderdelen, nodig zijn om de afwikkeling van de groep te vergemakkelijken wanneer aan de voorwaarden voor groepsafwikkeling wordt voldaan;4° stelt eventuele niet in deze wet beschreven aanvullende maatregelen vast die de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, voornemens is te nemen ten aanzien van de afwikkeling van de groep;5° geeft aan hoe de groepsafwikkelingsmaatregelen kunnen worden gefinancierd en zet indien de financieringsregeling nodig is, de beginselen uiteen voor de verdeling van de verantwoordelijkheid voor deze financiering over de financieringsbronnen in de verschillende lidstaten. Deze beginselen worden vastgesteld op basis van billijke en evenwichtige criteria en houden met name rekening met het effect op de financiële stabiliteit in alle betrokken lidstaten. §
- Bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de afwikkelingsautoriteit, kan de Koning het volgende nader bepalen : 1° de minimuminhoud van het groepsafwikkelingsplan;en 2° de informatie die door de groepsentiteiten aan de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, moet worden meegedeeld, en de frequentie waarmee dit dient te gebeuren. Art. 442.De afwikkelingsautoriteit actualiseert het groepsafwikkelingsplan ten minste eenmaal per jaar en in ieder geval na elke wijziging in de juridische of organisatiestructuur, de werkzaamheden of de financiële positie van de groep, inclusief eventuele groepsentiteiten, die een significante invloed kan hebben op het plan of wijziging ervan vergt. De afwikkelingsautoriteit zendt de wijzigingen van het afwikkelingsplan toe aan de betrokken bevoegde autoriteiten. Art. 443.§
- De afwikkelingsautoriteit kan de kredietinstellingen bedoeld in artikel 239, § 1, vrijstellen van de verplichtingen van deze Titel. §
- Wanneer de afwikkelingsautoriteit een vrijstelling verleent met toepassing van paragraaf 1, past zij de in deze Titel bepaalde vereisten toe op basis van de algemene situatie van de centrale instelling en de bij deze instelling aangesloten kredietinstellingen als bedoeld in artikel
- §
- De Belgische kredietinstellingen die krachtens artikel 6, leden 4 en 5, onder b), van de GTM-verordening onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staan of waarvan de werkzaamheden een belangrijk deel van het Belgische financiële stelsel uitmaken, kunnen niet worden vrijgesteld uit hoofde van paragraaf
- Voor de toepassing van deze paragraaf worden de werkzaamheden van een instelling geacht een belangrijk deel van het Belgische financiële stelsel uit te maken indien voldaan is aan een van de volgende voorwaarden : 1° de totale waarde van haar activa is groter dan 30.000.000.000 EUR; of 2° de verhouding tussen haar totale activa en het bruto binnenlands product is groter dan 20%. §
- De afwikkelingsautoriteit kan afwijken van de verplichtingen krachtens dit Hoofdstuk inzake de inhoud van het groepsafwikkelingsplan, de frequentie van actualisering van het plan of de informatieverstrekking door de Belgische EER-moederonderneming of de groepsentiteiten, voor zover een dergelijke afwijking verantwoord is in het licht van de impact die het in gebreke blijven en de vereffening van deze entiteiten in het kader van een vereffeningsprocedure kunnen hebben op de financiële markten, op andere kredietinstellingen, op de financierings-voorwaarden en op de economie in het algemeen. Hierbij houdt de afwikkelingsautoriteit in het bijzonder rekening met de aard van de werkzaamheden van de betrokken entiteiten, hun aandeelhoudersstructuur, rechtsvorm, risicoprofiel, omvang en juridisch statuut, verwevenheid met andere kredietinstellingen of het financiële stelsel in het algemeen, de perimeter en complexiteit van haar werkzaamheden en de eventuele uitoefening van beleggingsdiensten- of activiteiten. Art. 444.§
- In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau geeft de afwikkelingsautoriteit de overeenkomstig artikel 439, § 2 meegedeelde relevante informatie door aan : 1° de EBA;2° de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van dochterondernemingen;3° de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten in jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn, indien relevant voor hen;4° de autoriteiten die deelnemen aan de in artikel 178 bedoelde colleges van bevoegde autoriteiten;en 5° de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten van de lidstaten waar de entiteiten bedoeld in artikel 424, § 1, 2° en 3° zijn gevestigd. §
- De informatie die de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, verstrekt aan de voor de dochterondernemingen bevoegde autoriteiten, aan de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten in de jurisdicties waar significante bijkantoren zijn gevestigd en aan de autoriteiten die deelnemen aan de in artikel 178 bedoelde colleges van bevoegde autoriteiten, omvat ten minste alle informatie die relevant is voor de dochteronderneming of het significante bijkantoor. De informatie die aan de EBA wordt verstrekt, omvat alle informatie die relevant is voor de rol van de EBA met betrekking tot de groepsafwikkelingsplannen. Indien het informatie betreft in verband met dochterondernemingen in derde landen, is de afwikkelingsautoriteit niet verplicht die informatie door te geven zonder toestemming van de toezichthoudende autoriteit of de afwikkelingsautoriteit van het betrokken derde land. Art. 445.§
- In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit het groepsafwikkelingsplan op in een afwikkelingscollege samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten bedoeld in artikel 444, § 1 en na raadpleging van de betrokken bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de bevoegde autoriteiten in jurisdicties waar significante bijkantoren gevestigd zijn indien dit voor deze bijkantoren relevant is. §
- In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau stelt de afwikkelingsautoriteit alles in het werk om samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die het niet oneens zijn, een gezamenlijk besluit tot vaststelling van het groepsafwikkelingsplan te nemen binnen vier maanden vanaf de datum van de toezending van de in artikel 444, § 2 bedoelde informatie. De afwikkelingsautoriteit kan de EBA krachtens artikel 31, onder c) van Verordening nr. 1093/2010 verzoeken om bijstand bij het bereiken van een gezamenlijk besluit. §
- Als de afwikkelingsautoriteit en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten niet binnen vier maanden tot een gezamenlijk besluit komen, neemt de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, zelf een besluit over het groepsafwikkelingsplan. Het besluit wordt volledig gemotiveerd en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die het oneens zijn. Indien een buitenlandse afwikkelingsautoriteit binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de afwikkelingsautoriteit haar besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. Zij neemt haar besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. Het besluit wordt door de afwikkelingsautoriteit aan de Belgische EER-moederonderneming verstrekt en ter kennis gebracht van de andere leden van het afwikkelingscollege. Wat het afwikkelingsplan op individueel niveau betreft, formuleert de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, haar standpunten en voorbehouden alvorens de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die het oneens zijn zelf een besluit nemen en een afwikkelingsplan opstellen voor de entiteiten in hun rechtsgebied. In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau kan de afwikkelingsautoriteit tot aan het einde van de in paragraaf 2 bedoelde termijn en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 voorleggen aan de EBA. §
- In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau neemt de afwikkelingsautoriteit het initiatief tot een herbeoordeling van het groepsafwikkelingsplan waartoe gezamenlijk besloten is, met inbegrip van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, wanneer een buitenlandse afwikkelingsautoriteit die het oneens is, oordeelt dat het onderwerp waarover onenigheid bestaat, afbreuk doet aan de budgettaire verantwoordelijkheden van haar lidstaat. §
- In haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau neemt de afwikkelingsautoriteit geen gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 2, zolang de maatregelen om de wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van de groep weg te nemen niet zijn vastgesteld overeenkomstig artikel
- §
- Indien de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, oordeelt dat een onderwerp waarover onenigheid bestaat, waarover een individueel besluit wordt genomen krachtens § 3, lid 4 en dat aan de EBA is voorgelegd, op een of andere wijze afbreuk kan doen aan de budgettaire verantwoordelijkheden van België, kan zij die bezorgdheid ter kennis brengen van de EBA en de betrokken buitenlandse afwikkelingsautoriteiten. Afdeling II. - Afwikkelingsplannen van buitenlandse groepen Art. 446.§
- In haar hoedanigheid van autoriteit die bevoegd is voor de afwikkeling van groepsentiteiten naar Belgisch recht die dochterondernemingen zijn van een EER-moederonderneming, stelt de afwikkelingsautoriteit alles in het werk om samen met de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau tot een gezamenlijk besluit te komen over de vaststelling van een groepsafwikkelingsplan voor de betrokken groepsentiteiten, en dit binnen vier maanden vanaf de datum waarop de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau de informatie bedoeld in artikel 13, lid 1 van Richtlijn 2014/59/EU heeft toegezonden. Bij verschil van mening kan de afwikkelingsautoriteit de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau verzoeken om de EBA te raadplegen. §
- Bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit als bedoeld in paragraaf 1, neemt de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, zelf een besluit en stelt zij een afwikkelingsplan op voor de in paragraaf 1 bedoelde groepsentiteiten naar Belgisch recht. Het besluit wordt volledig gemotiveerd, bevat de redenen waarom de afwikkelingsautoriteit het niet eens is met het voorgestelde groepsafwikkelingsplan en houdt rekening met de standpunten en voorbehouden van de andere bevoegde autoriteiten en de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten. Indien een andere afwikkelingsautoriteit binnen de in de paragraaf 1 bedoelde termijn de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de afwikkelingsautoriteit haar besluit uit in afwachting van een eventueel door de EBA genomen besluit. Zij neemt haar besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De afwikkelingsautoriteit brengt haar besluit ter kennis van de andere leden van het afwikkelingscollege. In haar hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, maakt de afwikkelingsautoriteit aan de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau haar standpunten en voorbehouden over betreffende het besluit dat de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau overweegt te nemen over het groepsafwikkelingsplan. De afwikkelingsautoriteit kan tot aan het einde van de in paragraaf 1 bedoelde termijn en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 voorleggen aan de EBA. In haar hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, maakt de afwikkelingsautoriteit aan de buitenlandse afwikkelingsautoriteiten die een individueel besluit over een afwikkelingsplan zullen nemen, haar standpunten en voorbehouden over betreffende dat besluit. De afwikkelingsautoriteit kan tot aan het einde van de in paragraaf 1 bedoelde termijn en zolang er geen gezamenlijk besluit is genomen, de zaak krachtens artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 voorleggen aan de EBA. §
- Wanneer de afwikkelingsautoriteit, in haar hoedanigheid als bedoeld in paragraaf 1, oordeelt dat een onderwerp waarover onenigheid bestaat en waarover een gezamenlijk besluit wordt genomen, afbreuk doet aan de budgettaire verantwoordelijkheden van België, kan zij die bezorgdheid ter kennis brengen van de buitenlandse afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en verzoeken om een herbeoordeling van het groepsafwikkelingsplan. §
- Indien de afwikkelingsautoriteit oordeelt dat een onderwerp waarover onenigheid bestaat, waarover een individueel besluit wordt genomen en dat aan de EBA is voorgelegd, op een of andere wijze afbreuk kan doen aan de budgettaire verantwoordelijkheden van België, kan zij die bezorgdheid ter kennis brengen van de EBA en de betrokken buitenlandse andere afwikkelingsautoriteiten. Art. 447.De gezamenlijke besluiten en de besluiten genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, als bedoe