← België

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie

Kort samengevat

Dit besluit regelt het administratief statuut en de bezoldiging van ambtenaren die werkzaam zijn bij het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het doel is om een uniform kader te bieden voor hun arbeidsvoorwaarden en salarissen.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
6 MEI 1999. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, inzonderheid op het artikel 40, § 1; Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 augustus 1967, bij de koninklijke besluiten van 13 november 1967, bij de koninklijke besluiten van 18 april 1969, 17 september 1969, 10 maart 1971, 13 september 1972, 26 mei 1975, 1 augustus 1975, 4 december 1975, 5 april 1976, 12 augustus 1981, 10 september 1981, 16 november 1981, 18 november 1982, 30 maart 1983, 22 februari 1985, 25 februari 1985, bij de koninklijke besluiten van 1 maart 1985, bij de koninklijke besluiten van 24 mei 1985, 3 juli 1985, 28 februari 1986, 21 januari 1987 en 13 juli 1987, bij het arrest nr. 28.582 van de Raad van State van 13 oktober 1987, bij de koninklijke besluiten van 2 februari 1988 en 28 oktober 1988, bij de koninklijke besluiten van 10 maart 1989, bij de koninklijke besluiten van 12 november 1990, 20 november 1990, 27 december 1990, 16 april 1991, 25 oktober 1991, 6 november 1991 en 21 november 1991, bij de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 11 februari 1993, 10 maart 1993 en 8 juli 1993 en bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1997Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 03/07/1997 pub. 13/09/1997 numac 1997031336 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 tot vaststellling van de organieke personeelsformatie van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 03/07/1997 pub. 13/09/1997 numac 1997031337 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de ambtenaren van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling titularis kunnen zijn type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 03/07/1997 pub. 16/07/1997 numac 1997031245 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van artikel 53 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 03/07/1997 pub. 13/09/1997 numac 1997031338 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 houdende reglement van het personeel van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 03/07/1997 pub. 12/09/1997 numac 1997031392 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het besluit van 16 november 1995 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende benoeming van de voorzitter en de ondervoorzitter van het beheerscomité van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 03/07/1997 pub. 20/11/1997 numac 1997031422 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende benoeming van twee leden van de raad van bestuur van de haven van Brussel sluiten; Gelet op het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 september 1969, 14 december 1970, 23 september 1971, 31 januari 1977, 4 juli 1979, 25 april 1980, 12 augustus 1981, 28 februari 1986, 31 mei 1988, 28 oktober 1988, 20 maart 1989, 16 oktober 1989, 19 september 1990, 13 november 1990, 31 juli 1991 en 18 november 1991; Gelet op het besluit van de Regent van 30 maart 1950 de toekenning regelend van toelagen wegens buitengewone prestaties, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 november 1951, 30 augustus 1954, 11 december 1970, 11 augustus 1976 en 30 november 1979; Gelet op het koninklijk besluit van 30 november 1950 betreffende de huisvesting van sommige categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel; Gelet op het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen betreffende de afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheden, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 mei 1968, 7 maart 1977, 24 november 1978, 22 januari 1979, 27 juli 1981, 16 november 1981, 30 maart 1983, 31 december 1984, 18 februari 1985, 3 juli 1985, 26 augustus 1987, 1 oktober 1987, 2 oktober 1989, 27 maart 1990, 19 juli 1990, 25 oktober 1990, 18 september 1991, 10 oktober 1991, 6 november 1991 en 14 februari 1992; Gelet op het koninklijk besluit van 1 juni 1964 houdende bijzondere bepalingen betreffende de stand van disponibiliteit van het Rijkspersoneel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 november 1967 en bij het koninklijk besluit van 14 december 1970; Gelet op het koninklijk besluit van 20 juli 1964 betreffende de hiërarchische indeling en de loopbaan van sommige personeelsleden van de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 november 1969, 6 september 1971, 10 juli 1972, 29 juni 1973, 6 augustus 1974, 27 oktober 1975, 13 september 1976, 14 september 1976, 11 februari 1977, 22 mei 1978, 3 september 1979, 12 augustus 1981, 18 mei 1983, 19 maart 1985, 7 maart 1989, 18 december 1989, 21 december 1990 en 16 september 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 12 oktober 1964 tot vaststelling van de bezoldiging van hen die hun medewerking verlenen voor de vorming en de voortgezette opleiding van het Rijkspersoneel; Gelet op het koninklijk besluit van 11 januari 1965 houdende vaststelling van de manier van aanwijzing van de groepsleiders in de typdiensten en van hun bezoldiging; Gelet op het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 december 1984 en bij het ministerieel besluit van 12 december 1984; Gelet op het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen en toelagen van alle aard toegekend aan het personeel der ministeries, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 6 februari 1967 en 2 maart 1989; Gelet op het koninklijk besluit van 29 april 1965 betreffende de valorisatie van de voordelen in natura toegekend aan de conciërges van de verschillende Ministeries en van de instellingen welke tot die Ministeries behoren, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 februari 1979; Gelet op het koninklijk besluit van 13 november 1967 tot vaststelling van de administratieve toestand van de Rijksambtenaren die met een opdracht worden belast, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 december 1971, 2 april 1979 en 19 september 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 14 februari 1968 houdende sommige administratieve en geldelijke bepalingen ten gunste van de personeelsleden der rijksbesturen die met de graden van conducteur, van technisch ingenieur of met sommige graden van het controle- en opzichterpersoneel van werken zijn bekleed, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 juni 1973, 12 september 1974 en 16 november 1979; Gelet op het koninklijk besluit van 21 augustus 1970 betreffende de toekenning van verlof en van een vergoeding van sociale promotie aan sommige categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 april 1976, 3 december 1987 en 6 november 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der Ministeries, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 juni 1975, 5 december 1978 en 30 maart 1983, bij het koninklijk besluit nr. 279 van 30 maart 1984, bij de koninklijke besluiten van 27 juli 1989, 13 december 1989, 7 augustus 1991, 6 november 1991 en 18 november 1991 en bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 1994; Gelet op het koninklijk besluit van 29 juni 1973 tot vaststelling van de weddeschalen der aan verscheidene Ministeries gemene graden, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 januari 1974 en bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 1994; Gelet op het koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 januari 1981 en 16 april 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 26 mei 1975 betreffende de afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 maart 1977, 27 juli 1981, 16 november 1981 en 25 oktober 1990; Gelet op het koninklijk besluit van 28 september 1976 tot instelling van een toelage voor sommige ambtenaren van de Rijksbesturen, die geslaagd zijn voor een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 maart 1995; Gelet op het koninklijk besluit van 11 februari 1977 houdende bijzondere administratieve en geldelijke bepalingen betreffende sommige personeelsleden in de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 september 1981, 7 augustus 1991 en 6 november 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 11 februari 1977 betreffende de toekenning van de zogeheten "weddenschaal van geselecteerde" aan bepaalde personeelsleden van sommige ministeries; Gelet op het koninklijk besluit van 31 juli 1978 houdende toekenning van een toelage voor vervanging van de huisbewaarder tijdens het vakantieverlof, aan personen vreemd aan de Administratie; Gelet op het koninklijk besluit van 16 november 1979 tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen ten gunste van personeelsleden der rijksbesturen die met een graad van architect zijn bekleed; Gelet op het koninklijk besluit van 16 november 1979 tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen ten gunste van de personeelsleden der rijksbesturen die met een graad van industrieel ingenieur zijn bekleed, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 december 1984; Gelet op het koninklijk besluit van 8 augustus 1983 betreffende de uitoefening van een hoger ambt in de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 februari 1989 en 6 november 1991; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 25 juli 1991 tot toekenning van een premie voor tweetaligheid aan het personeel dat werkzaam is bij het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gewijzigd bij het besluit van 19 maart 1998; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 8 juli 1993 betreffende de loopbaan en de evaluatie van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gewijzigd bij de besluiten van 9 november 1993, 26 mei 1994, 27 april 1995, 4 december 1997 en 19 november 1998; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 8 juli 1993 betreffende de rangschikking per niveau en per rang van de graden die de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kunnen bekleden, gewijzigd bij de besluiten van 26 mei 1994 en 27 april 1995; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 23 december 1993 tot vaststelling van de weddeschalen van de graden van niveau 3 en 4 van het ministerie en van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 13 januari 1994 tot vaststelling van de wijze waarop ambtenaren die niet onder het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ressorteren, bij het ministerie van dat gewest kunnen worden benoemd; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 januari 1994 tot oprichting van de raad van beroep van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en tot vaststelling van de samenstelling ervan; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 1994 tot vaststelling van de weddeschalen van de niveaus 1, 2+ en 2 van het ministerie en van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gewijzigd bij het besluit van 22 oktober 1998; Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 11 januari 1996 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; Overwegende dat met dit besluit uitvoering wordt gegeven aan clausule 2.1 van de raamovereenkomst inzake het ouderschapsverlof die bij richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 is gevoegd alsook aan artikel 9 van richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie. Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 25 mei 1998; Gelet op de akkoordbevinding van de minister bevoegd voor Begroting van 16 juni 1998; Gelet op de akkoordbevinding van de federale minister van Pensioenen van 14 juli 1998; Gelet op protocol nr. 100/5 van 6 april 1998 van het Gemeenschappelijk Comité voor alle overheidsdiensten; Gelet op de protocollen van Sectorcomité XV nr. 98/10 van 27 april 1998 en nr. 98/14 van 18 juni 1998; Gelet op het besluit van de Regering van 25 juni 1998 over het verzoek om advies door de Raad van State binnen een termijn van een maand; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 8 maart 1999, met toepassing van artikel 84, 1e lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op het voorstel van de minister bevoegd voor Ambtenarenzaken, Na beraadslaging, Besluit : BOEK I. - ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder : 1° De Regering : De Brusselse Hoofdstedelijke Regering;2° het ministerie : het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;3° de minister : de minister bevoegd voor Ambtenarenzaken;4° de functioneel bevoegde minister : de minister of staatssecretaris waarvan een dienst van het ministerie afhangt krachtens de bevoegdheden die hij uitoefent;5° het diensthoofd : de ambtenaar titularis van de graad van directeur-diensthoofd in rang A4;6° Vakorganisaties : de representatieve vakorganisaties die zetelen in Sectorcomité XV in uitvoering van artikel 8, § 1, van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. TITEL II. - De organisatie van het ministerie HOOFDSTUK I. - De ambtenaren Art. 2.Ambtenaar is elkeen die in vast dienstverband in het ministerie tewerkgesteld is. De ambtenaar valt onder de bepalingen van dit statuut. Aan de statutaire toestand van de ambtenaar kan alleen een einde worden gemaakt in de gevallen voorzien door de statutaire bepalingen die op hem toepasselijk zijn. Art. 3.De ambtenaren van het ministerie worden benoemd in graden. HOOFDSTUK II. - De graden Art. 4.De graad is de titel op grond waarvan de ambtenaar met een rang bekleed is en waardoor hij gemachtigd is een betrekking in te nemen die met deze graad overeenstemt. De graden worden gerangschikt per niveau en per rang. Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie volgens de kwalificatie van de vorming en de geschiktheid waarvan blijk moet worden gegeven opdat die graad kan worden toegekend. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau. Art. 5.Elke rang wordt aangeduid met een letter gevolgd door een cijfer, de letter verwijst naar het niveau, het cijfer plaatst de rang binnen het niveau. Het hoogste cijfer stemt overeen met de hoogste rang. De rangen worden als volgt verdeeld onder de niveaus : 1° in niveau A, zeven rangen gerangschikt van rang A1 tot rang A7.2° in niveau B, twee rangen, nl.rang B1 en rang B2. 3° in niveau C, twee rangen, nl.rang C1 en rang C2. 4° in niveau D, twee rangen, nl.rang D1 en rang D2. 5° in niveau E, twee rangen, nl.rang E1 en rang E2. Het niveau A is het hoogste niveau. Art. 6.De volgende graden worden gecreëerd : in rang A7 : secretaris-generaal in rang A6 : adjunct-secretaris-generaal in rang A5 : directeur-generaal in rang A4 : directeur-diensthoofd in rang A3 : ingenieur-directeur directeur in rang A2 : eerste ingenieur eerste attaché in rang A1 : ingenieur attaché in rang B2 : eerste assistent in rang B1 : assistent in rang C2 : eerste adjunct in rang C1 : adjunct in rang D2 : eerste klerk in rang D1 : klerk in rang E2 : eerste beambte in rang E1 : beambte HOOFDSTUK III. - De personeelsformatie Art. 7.De personeelsformatie drukt het aantal betrekkingen per niveau, rang en graad uit dat noodzakelijk wordt geacht om de permanente opdrachten van het ministerie uit te voeren. Art. 8.De Regering stelt de personeelsformatie vast. Zij verdeelt de betrekkingen over de besturen op voorstel van de directieraad. Eveneens op voorstel van de directieraad deelt zij de betrekkingen van rang A2 in elk bestuur in kaderbetrekkingen, expertbetrekkingen en expertbetrekkingen van hoog niveau in. Voor de toepassing van dit artikel dient te worden verstaan onder : 1° kaderbetrekking : een betrekking waarbij de klemtoon ligt op het beheer van een onderdeel van de dienst waaraan de titularis wordt toegewezen;2° expertbetrekking : een betrekking waarbij de klemtoon ligt op de algemene kennis van de behandelde materie die vereist is voor het uitoefenen van de betrekking;3° expertbetrekking van hoog niveau : een betrekking waarbij de klemtoon ligt op de grondige gespecialiseerde kennis van de behandelde materie die vereist is voor het uitoefenen van de betrekking. Art. 9.De dienst belast met het "human ressources management", afgekort als HRM stelt de functiebeschrijvingen op en legt ze ter goedkeuring voor aan de directieraad. Op voorstel van deze laatste, stelt de minister de kwalificaties verbonden aan de graden vast. Art. 10.De directieraad stelt het organogram van ieder bestuur vast. Het organogram van het ministerie, evenals elke wijziging die er wordt aan aangebracht, wordt bij wijze van dienstnota aan alle personeelsleden medegedeeld. HOOFDSTUK IV. - De ambtenaren-generaal Art. 11.Ambtenaren-generaal zijn de ambtenaren die titularis zijn van een graad van ten minste rang A5. Art. 12.§ 1. De secretaris-generaal, bijgestaan door de adjunct-secretaris-generaal : 1° leidt het ministerie en zorgt voor de goede werking en de coördinatie van het geheel van de besturen;2° oefent het hoog gezag uit over heel het personeel en is in het bijzonder belast met de handhaving van de tucht en de orde;3° leidt, organiseert en coördineert de gemeenschappelijke diensten;4° beslist over de verdeling van de werkingsmiddelen van het ministerie;5° leidt en coördineert de opstelling van de begroting en ziet toe op de uitvoering ervan;6° ziet toe op de uitvoering van de regeringsbeslissingen. Hij zendt de dossiers en de onderrichtingen van de ministers met de nodige inlichtingen aan de bevoegde besturen. Hij viseert de door de besturen naar de ministers gezonden dossiers en voegt er zo nodig zijn opmerkingen aan toe. § 2. De secretaris-generaal en de adjunct-secretaris-generaal werken een billijke en evenwichtige verdeling van de verantwoordelijkheden uit; deze verdeling wordt ter goedkeuring aan de Regering voorgelegd. § 3. De adjunct-secretaris-generaal : - vervangt de secretaris-generaal tijdens diens afwezigheid; - doet aan de minister uit eigen beweging elk nuttig voorstel in verband met de werking van het ministerie en brengt deze ter kennis van de secretaris-generaal. Art. 13.De directeurs-generaal : 1° behandelen rechtstreeks met de functioneel bevoegde ministers de aangelegenheden eigen aan hun bestuur;2° leiden, organiseren en coördineren de diensten van hun bestuur;3° oefenen het hoog gezag uit over het personeel van hun bestuur en zien toe op de eerbiediging van orde en tucht;4° kunnen elk voorstel doen aan de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal betreffende de organisatie en de coördinatie van de besturen van het ministerie. Art. 14.De ambtenaren-generaal kunnen binnen hun bevoegdheden bedoeld in de artikelen 12 en 13, delegatie verlenen aan de ambtenaren van niveau A die zij aanwijzen. HOOFDSTUK V. - De directieraad Art. 15.De directieraad bestaat uit de secretaris-generaal, de adjunct-secretaris-generaal en de directeurs-generaal. De directieraad wordt voorgezeten door de secretaris-generaal of, bij afwezigheid of verhindering, door de adjunct-secretaris-generaal. Indien beiden afwezig of verhinderd zijn, wordt de directieraad voorgezeten door de ambtenaar-generaal aangewezen door de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal. Art. 16.De directieraad stelt zijn huishoudelijk reglement op conform artikel 27 van het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes. Art. 17.De directieraad is belast met de opdrachten die dit statuut hem toekent. Bij de directieraad kan elke aangelegenheid die betrekking heeft op de organisatie van het ministerie aanhangig gemaakt worden voor advies door één van haar leden. HOOFDSTUK VI. - De commissie van beroep inzake ambtenarenzaken Afdeling 1. - Opdracht en samenstelling van de commissie Art. 18.Er wordt een commissie van beroep opgericht bevoegd voor de beroepen inzake stage, evaluatie, afwezigheden, verloven en verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid. Art. 19.De commissie bestaat uit : 1° een effectieve en een plaatsvervangende voorzitter, magistraten of op rust gestelde magistraten, aangewezen door de Regering;2° per taalrol, drie leden gekozen onder de ambtenaren van rang A3, aangewezen door de Regering;3° per taalrol, drie leden die de vakorganisaties vertegenwoordigen, door deze aangewezen. De plaatsvervangende leden worden op dezelfde wijze aangewezen : per taalrol drie ambtenaren van rang A3 en drie vertegenwoordigers van de vakorganisaties. Afdeling 2. - De werking van de commissie Art. 20.De commissie vergadert in afdelingen per taalrol. De secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal wijst onder de ambtenaren van het ministerie een secretaris en een plaatsvervangend secretaris aan voor elke afdeling. Art. 21.De verenigde afdelingen stellen een gemeenschappelijk huishoudelijk reglement op. Art. 22.Elke afdeling van de commissie beraadslaagt slechts geldig indien de meerderheid van de leden aanwezig is. Tijdens de stemming moet het aantal leden aangewezen door de Regering en aangewezen door de vakorganisaties gelijk zijn; in voorkomend geval, wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van een of meerdere leden, na loting. Art. 23.Elk lid van de commissie, met inbegrip van de voorzitter, is stemgerechtigd. HOOFDSTUK VII. - De Hoge Raad voor Gewestelijke Ambtenarenzaken Art. 24.Er wordt een Hoge Raad voor Gewestelijke Ambtenarenzaken, afgekort als de Hoge Raad, opgericht, die is samengesteld uit vijf leden behorende tot de academische wereld en/of tot openbare diensten die niet ressorteren onder het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De leden worden benoemd voor vijf jaar. Hun mandaat is hernieuwbaar. De Regering bepaalt de nadere regelen betreffende de samenstelling en de werking van de Hoge Raad. De Hoge Raad oefent de opdrachten uit die dit besluit hem toekent. De Regering kan hem met bijkomende bevoegdheden belasten. TITEL III. - De werving, de stage en de benoeming HOOFDSTUK I. - De werving Art. 25.Een vacante betrekking wordt toegewezen aan een kandidaat van de interne mobiliteit, een laureaat van een vergelijkend overgangsexamen naar een hoger niveau of een laureaat van een vergelijkend wervingsexamen. Art. 26.Vergelijkende wervingsexamens worden georganiseerd voor de graden van rang A1, B1, C1, D1 en E1. Worden beschouwd als wervingsgraden : in niveau A, rang A1 : attaché ingenieur in niveau B, rang B1 : assistent in niveau C, rang C1 : adjunct in niveau D, rang D1 : klerk in niveau E, rang E1 : beambte. Art. 27.De vergelijkende wervingsexamens worden georganiseerd op aanvraag van de minister. Art. 28.De minister bepaalt of er al dan niet een reserve van geslaagden wordt aangelegd. In geval hij beslist een reserve aan te leggen, worden de niet batig gerangschikte geslaagden erin opgenomen. De reserve heeft een geldigheidsduur van drie jaar. De minister kan na raadpleging van de Vaste Wervingssecretaris een andere duur bepalen. Hij licht de kandidaten terzake in. De minister kan ook de duur van een bestaande reserve met telkens een jaar verlengen indien de behoeften van de diensten dit rechtvaardigen. Hij licht de laureaten terzake in. Art. 29.Na overleg met de Vast Wervingssecretaris, bepaalt de minister : 1° de functiebeschrijving van de betrekking(en) overeenstemmend met de wervingsgraad en de vereiste kwalificatie van de te werven ambtenaren;2° het programma van het vergelijkende wervingsexamen. Eveneens na overleg met de Vaste Wervingssecretaris, kan hij : 1° bijzondere wervingsvoorwaarden opleggen wanneer de aard van het ambt het vereist;2° nader bepalen welke diploma's in het bijzonder toegang verlenen tot het ambt waarvoor een vergelijkend wervingsexamen wordt uitgeschreven. Art. 30.Wanneer een vacante betrekking moet worden ingevuld door een geslaagde van een vergelijkend wervingsexamen, richt de minister of de ambtenaar die hij daartoe aanwijst, een verzoek in deze zin aan de Vaste Wervingssecretaris. De minister of de ambtenaar die hij daartoe aanwijst, roept de aangewezen kandidaat in dienst uiterlijk de eerste dag van de tweede maand volgend op die waarin de Vaste Wervingssecretaris de geslaagde ter beschikking heeft gesteld van het ministerie. Wanneer de geslaagde bij zijn werkgever een opzeggingstermijn moet eerbiedigen, wordt hij in dienst geroepen de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van deze termijn. HOOFDSTUK II. - De stage Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 31.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit. De volgende statutaire bepalingen zijn evenwel op hem toepasselijk : 1° de bezoldiging;2° de rechten, plichten en onverenigbaarheden;3° de tuchtregeling;4° de administratieve standen en de afwezigheden. Met inachtneming van artikel 45 van het koninklijk besluit van 24 september 1994 tot bepaling van de algemene principes, geniet de stagiair van : 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° de feestdagen;3° het omstandigheidsverlof;4° het verlof wegens ziekte of invaliditeit.5° het bevallingsverlof;6° de disponibiliteit wegens ziekte of gebrekkigheid Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Art. 32.§ 1. De door de Vast Wervingssecretaris aangewezen geslaagde mag tot de stage worden toegelaten alvorens zijn lichamelijke geschiktheid is gecontroleerd door de Sociaal-Medische Rijksdienst conform het koninklijk besluit van 1 december 1964 betreffende de controle op de lichamelijke geschiktheid vereist van gegadigden voor bepaalde overheidsbetrekkingen. Als hij nadien aan deze vereiste niet voldoet, wordt hij ambtshalve ontslagen. § 2. Ten laatste op de datum van dit ontslag wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst afgesloten, waarvan de duur gelijk is aan de minimumduur die nodig is om een werkloosheidsuitkering te kunnen genieten. Wanneer hij bij de aanvang van deze overeenkomst arbeidsongeschikt is, heeft hij recht op betaling van zijn wedde gedurende maximum zes maanden. Wordt hij arbeidsongeschikt in de loop van de overeenkomst, dan ontvangt hij een wedde gedurende de wachttijd opgelegd door de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen. Art. 33.De Regering laat de kandidaat voor een betrekking van niveau A of B toe tot de stage; de minister de kandidaat voor een betrekking van niveau C, D of E. Art. 34.Wanneer de stagiair buiten zijn jaarlijkse vakantie, tien werkdagen gewettigde afwezigheid overschrijdt, wordt de stage geschorst. Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair. Hij behoudt deze eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of afdanking wordt genomen. Art. 35.Op voorstel van de directieraad wijst de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal de stagiair voorlopig toe in een met zijn kwalificatie overeenstemmende vacante betrekking bij het bestuur waar deze laatste zijn stage zal volbrengen. Hij kan deze aanwijzing veranderen : 1° in het belang van de dienst, met instemming van de directieraad;2° op aanvraag van de stagiair, na gunstig advies van de dienst belast met de vorming en met instemming van de directieraad. Art. 36.De directeur-generaal van het bestuur waarbij de stagiair wordt ingedeeld, wijst de ambtenaren van rang A3 aan die de leiding van de stage uitoefenen, naargelang van de taalrol van de stagiair. Onder dezelfde voorwaarden wijst de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal in hun diensten de ambtenaren van rang A3 aan die de leiding van de stage waarnemen. Art. 37.De opleiding van de stagiair gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de ambtenaar belast met de leiding van de stage, in samenwerking met de bevoegde hiërarchische meerdere en de dienst belast met de vorming. De bevoegde hiërarchische meerdere zorgt voor de opleiding in de materie die door zijn dienst wordt behandeld. In samenwerking met de dienst belast met de vorming leert hij de stagiair de activiteiten kennen van de andere diensten van het ministerie. De dienst belast met de vorming bepaalt de vormingsactiviteiten waaraan de stagiair verplicht moet deelnemen. Art. 38.De ambtenaar belast met de leiding van de stage maakt de verslagen bedoeld in de artikelen 41, 43 en 44 op en zendt ze naar de dienst belast met de vorming. Deze laatste kan in overleg met de ambtenaar belast met de leiding van de stage beslissen de stagiair bijkomende vormingsactiviteiten te laten volgen. De minister legt het model van het stageverslag vast. Afdeling 2. - De stagiairs van niveau A en B Art. 39.De stage duurt één jaar. Zij kan ten hoogste met een jaar worden verlengd in het in artikel 51, 1°, bedoelde geval. Art. 40.Elke stagiair stelt een eindverhandeling op over een onderwerp dat in overleg met zijn bevoegde hiërarchische meerdere en de dienst belast met de vorming wordt vastgelegd. Art. 41.Elke maand gedurende het eerste trimester van de stage en vervolgens om de drie maanden organiseert de ambtenaar belast met de leiding van de stage een evaluatiegesprek over het verloop van de stage, inzonderheid over : 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van zijn werkopdrachten. Het onderhoud heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen. De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag. Het verslag wordt betekend aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Afdeling 3. - De stagiairs van niveau C, D en E Art. 42.De stage duurt zes maanden. Zij kan ten hoogste met zes maanden worden verlengd in het in artikel 51, 1° bedoelde geval. Art. 43.De ambtenaar belast met de leiding van de stage stelt na de eerste, de derde en de zesde maand van de stage een stageverslag op. Het verslag wordt ter kennis gebracht van de stagiair, die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Het voormelde verslag wordt aan de dienst belast met de vorming toegezonden. Afdeling 4. - Het einde van de stage Art. 44.De ambtenaar belast met de leiding van de stage stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met de dienst belast met de vorming. Hij voegt er een van de voorstellen bedoeld in artikel 46 aan toe. Hij deelt het eindverslag aan de stagiair mede, die over tien werkdagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen. Art. 45.De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, al dan niet ten goede, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties. Voor de stagiairs van niveaus A en B wordt bovendien rekening gehouden met de eindverhandeling. Art. 46.De ambtenaar belast met de leiding van de stage overhandigt het eindverslag aan de directeur-generaal. Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stelt de directeur-generaal aan de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal voor de benoeming van de stagiair voor te leggen aan de benoemende overheid, bedoeld in artikel 54, tweede lid. Indien het eindverslag ongunstig is of een voorbehoud uitdrukt wat het verloop van de stage betreft, kan de directeur-generaal met instemming van de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal de afdanking wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het ministerie of de verlenging van de stage voorstellen. Art. 47.Het eindverslag wordt in de diensten van de secretaris-generaal voorgelegd aan de secretaris-generaal of aan de adjunct-secretaris-generaal die mutatis mutandis de in het vorige artikel bedoelde voorstellen kunnen doen. Afdeling 4. - De procedure van beroep Art. 48.In de gevallen bedoeld in de artikelen 46, derde lid, en 47, legt de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal, al naargelang van de taalrol van de stagiair, het dossier voor aan de commissie bedoeld in artikel 18. Hij voegt er het voorstel van beslissing aan toe. Hij betekent dit aan de stagiair. De datum van de betekening doet de termijn lopen, bedoeld in artikel 51, tweede lid. Art. 49.De voorzitter van de commissie roept de stagiair op. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 50.De ambtenaar belast met de leiding van de stage brengt verslag uit over het verloop van de stage. Het hoofd van de dienst belast met de vorming of zijn afgevaardigde evenals de ambtenaar belast met de leiding van de stage worden gehoord. Art. 51.De commissie kan beslissen : 1° de stage te verlengen, volgens de nadere regels die zij bepaalt, met inachtneming van de maximumtermijnen bepaald in de artikelen 39, tweede lid en 42, tweede lid;2° de benoeming voor te stellen aan de benoemende overheid;3° de afdanking wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het ministerie voor te stellen aan de benoemende overheid. De commissie beslist binnen drie maanden nadat het dossier bij haar werd ingediend. Bij ontstentenis, wordt de benoeming van de stagiair voorgesteld aan de benoemende overheid. Art. 52.In geval van verlenging van de stage wordt de stagiair geëvalueerd zoals tijdens de initiële stage. Artikel 46 is toepasselijk, met dien verstande dat de ambtenaar belast met de leiding van de stage geen tweede verlenging van de stage kan voorstellen. Art. 53.De opzeggingstermijn voor een stagiair die wordt afgedankt, bedraagt drie maanden. Ten laatste op de datum van de beslissing tot opzegging wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst afgesloten waarvan de duur overeenstemt met de in het vorige lid bedoelde opzeggingstermijn. HOOFDSTUK III. - De benoeming Art. 54.De geschikt verklaarde stagiair wordt benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. De Regering benoemt de stagiairs van niveau A en B, de minister of zijn gemachtigde die van niveau C, D en E. Art. 55.De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/07/1831 pub. 26/07/2012 numac 2012000423 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet « betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie ». - Officieuze coördinatie in het Duits type decreet prom. 20/07/1831 pub. 07/02/2013 numac 2013000079 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet op de drukpers sluiten. De ambtenaren van niveau A en B leggen de eed af in handen van de minister. De anderen leggen de eed af in handen van de minister of de door hem aangewezen ambtenaar. Art. 56.De secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal wijst de pas benoemde ambtenaar een betrekking van zijn graad toe. TITEL IV. - De loopbaan HOOFDSTUK I. - De hiërarchische loopbaan Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 57.De hiërarchische loopbaan is de loopbaan die de ambtenaar kan doorlopen door verhoging in graad of door bevordering in een expertbetrekking van hoog niveau overeenstemmend met dezelfde graad als degene die hij bekleedt. Art. 58.Iedere open betrekking wordt door de benoemende overheid vacant verklaard alvorens zij kan worden begeven. Art. 59.Het personeelsreglement stelt de wijze vast waarop de vacature aan de belanghebbenden wordt bekendgemaakt, de termijn tussen de oproep tot de kandidaten en het indienen van de sollicitaties, evenals de vorm waarin de kandidatuur moet worden ingediend. Art. 60.De bevorderingen in de hiërarchische loopbaan worden verleend : 1° door de Regering voor de graden van rang A3, A2 en B2;2° door de minister of door de daartoe door hem aangewezen ambtenaar voor de andere niveaus. Afdeling 2. - De bevordering tot een graad van rang A2 of A3 Onderafdeling 1. - De voorwaarden inzake rang en anciënniteit Art. 61.De kaderbetrekkingen en de expertbetrekkingen van rang A2 staan open voor titularissen van de graad van attaché in rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. De betrekkingen van eerste ingenieur in rang A2 staan open voor titularissen van de graad van ingenieur in rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen. Bij gebrek aan kandidaten die de voorwaarden inzake anciënniteit vervullen, kan de minister de vereiste anciënniteit met een derde verlagen. De beslissing van de minister wordt vermeld in de bekendmaking van de vacante betrekking en in de aanhef van het benoemingsbesluit. Art. 62.De betrekkingen van eerste attaché van rang A2, expert van hoog niveau staan open voor ambtenaren bekleed met de graad van attaché van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen, evenals voor ambtenaren met de graad van eerste attaché van rang A2 die titularis zijn van een kader- of expertbetrekking. Art. 63.De betrekkingen van directeur in rang A3 staan open voor de titularissen van de graad van eerste attaché in rang A2 die ten minste negen jaar niveauanciënniteit waarvan twee jaar graadanciënniteit hebben. De betrekkingen van ingenieur-directeur in rang A3 staan open voor titularissen van de graad van eerste ingenieur in rang A2 die ten minste negen jaar niveau-anciënniteit waarvan twee jaar graadanciënniteit tellen. Art. 64.Sommige door de Regering te bepalen gespecialiseerde functies kunnen in een graad van rang A3 door middel van bevordering worden toegewezen aan ambtenaren van het ministerie en de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest nadat de Regering daartoe voorafgaandelijk de noodzaak heeft vastgesteld. Sommige door de Regering te bepalen gespecialiseerde functies kunnen in een graad van rang A3 door middel van bevordering worden toegewezen aan ambtenaren van de besturen van de federale Staat, de Gemeenschappen en andere Gewesten nadat de Regering daartoe voorafgaandelijk de noodzaak heeft vastgesteld. De in het tweede lid beschreven procedure mag niet worden toegepast zolang geen oproep tot de kandidaten gericht werd binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Onderafdeling 2. - De voorwaarden inzake geschiktheid, opleiding en evaluatie Art. 65.Alleen houders van een managementbrevet dat overeenstemt met de vereisten van de uitoefening van de vacant verklaarde betrekking, kunnen zich kandidaat stellen voor een bevordering in een kaderbetrekking van rang A2 of voor een betrekking van rang A3. De Regering bepaalt de inhoud van de proef en de nadere regels van de toekenning van het managementbrevet. Art. 66.De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een betrekking van rang A2 of rang A3 moet een evaluatie "voldoende" hebben. Onderafdeling 3. - De bevorderingsprocedure Art. 67.Voor iedere bevordering brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit. De directieraad spreekt zich in zijn advies uit over iedere sollicitant die voldoet aan de vereisten om de te begeven betrekking te bekleden. Hij neemt hierbij in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° de aanspraken en ervaringen die de sollicitant doet gelden voor een bevordering in de vacante betrekking;3° het evaluatiedossier van de kandidaat. Art. 68.De directieraad formuleert een voorstel van benoeming dat ten hoogste zes namen van kandidaten per vacante betrekking bevat. De kandidaten worden geklasseerd in de volgorde waarin zij voor de benoeming in aanmerking komen. Ingeval verscheidene sollicitanten dezelfde of gelijkwaardige aanspraken voor bevordering kunnen laten gelden, wordt de voorkeur bepaald door de waardering bedoeld in artikel 125. Art. 69.Van het voorstel wordt kennis gegeven aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld voor de te begeven betrekking. De ambtenaar die zich benadeeld acht kan binnen tien werkdagen na de kennisgeving bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad. De ambtenaar wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 70.De Regering volgt de definitieve klassering die eenparig wordt uitgebracht. Indien het voorstel van de directieraad niet eenparig wordt uitgebracht en de Regering niet instemt met de door de directieraad voorgestelde volgorde, moet zij haar beslissing omstandig met redenen omkleden. Afdeling 3. - De bevordering tot een graad van rang B2, C2, D2 en E2 Onderafdeling 1. - De voorwaarden inzake rang, anciënniteit, geschiktheid en evaluatie Art. 71.De betrekkingen van rang B2, C2, D2 en E2 staan open voor ambtenaren van respectievelijk rang B1, C1, D1 en E1 die ten minste negen jaar graadanciënniteit tellen. De kandidaten moeten "voldoende" als evaluatie hebben. Art. 72.Alleen de houders van een brevet bedoeld in het tweede lid van dit artikel, kunnen zich kandidaat stellen voor een bevordering door verhoging in graad. De Regering bepaalt de inhoud van de proef en de nadere regels van de toekenning van het brevet. Onderafdeling 2. - De bevorderingsprocedure Art. 73.Voor iedere bevordering brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit. De directieraad spreekt zich in zijn advies uit over iedere sollicitant die voldoet aan de vereisten om de te begeven betrekking te bekleden. Hij neemt hierbij in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° het evaluatiedossier van de kandidaten. Art. 74.De directieraad formuleert een voorstel van benoeming dat ten hoogste zes namen van kandidaten per vacante betrekking bevat. De kandidaten worden geklasseerd in de volgorde waarin zij voor de benoeming in aanmerking komen. Bij gelijkheid van de kandidaturen, geeft hij de voorkeur aan de kandidaat met achtereenvolgens : 1° de grootste graadanciënniteit;2° de grootste dienstanciënniteit;3° de hoogste leeftijd. Art. 75.Van het voorstel wordt kennis gegeven aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld voor de te begeven betrekking. De ambtenaar die zich benadeeld acht, kan binnen tien werkdagen na de kennisgeving bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad. De ambtenaar wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 76.De benoemende overheid volgt de definitieve klassering die eenparig wordt uitgebracht. Indien het voorstel van de directieraad niet eenparig wordt uitgebracht en de benoemende overheid niet instemt met de door de directieraad voorgestelde volgorde, moet zij haar beslissing omstandig met redenen omkleden. HOOFDSTUK II. - De functionele loopbaan Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 77.De functionele loopbaan is voorbehouden aan de ambtenaren die titularis zijn van een wervingsgraad. Zij bestaat erin dat de ambtenaar, zonder in graad te verhogen, een of twee hogere weddenschalen geniet dan die welke zijn verbonden aan zijn graad, zolang hij voldoet aan de eisen die het statuut stelt inzake anciënniteit, evaluatie en vorming. Art. 78.De secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal of de door hen aangewezen ambtenaar beheert het stelsel van de functionele loopbanen. Hij kent de hogere weddenschaal toe zodra een ambtenaar de voorwaarden inzake graadanciënniteit, evaluatie en vorming vervult. Afdeling 2. - De gewone functionele loopbaan Art. 79.Aan de wervingsgraden attaché, assistent, adjunct, klerk en beambte zijn de weddenschalen 101, 102 en 103 verbonden. Aan de wervingsgraad van ingenieur zijn de weddeschalen 111, 112 en 113 verbonden. De weddenschaal 101 of 111, naargelang van de graad, wordt toegekend vanaf de aanwerving of de overgang naar een hoger niveau. De weddenschaal 102 of 112, naargelang van de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar die : 1° negen jaar graadanciënniteit telt;2° over een evaluatie "voldoende" beschikt;3° met goed gevolg de in artikel 259 bedoelde vorming heeft gevolgd. De weddenschaal 103 of 113, naargelang van de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar zodra hij achttien jaar graadanciënniteit telt, onder dezelfde voorwaarden inzake evaluatie en vorming. Afdeling 3. - De versnelde functionele loopbaan Art. 80.De ambtenaar die beschikt over een evaluatie "voldoende" kan zijn functionele loopbaan versnellen door een of meerdere programma's inzake vrijwillige beroepsvorming overeenstemmend met zijn niveau met goed gevolg af te werken nog vóór hij de vereiste graadanciënniteit telt. Onder vrijwillige beroepsvorming dient te worden verstaan de vorming bedoeld in artikel 261. Onder de voorwaarden bepaald in het eerste lid van dit artikel, wordt de weddenschaal 102 of 112, naargelang van de graad, toegekend zodra hij zes jaar graadanciënniteit telt en de weddenschaal 103 of 113 naargelang de graad zodra hij twaalf jaar graadanciënniteit telt. De weddenschaal 103 of 113 naargelang de graad wordt nochtans alleen toegekend nadat de ambtenaar ten minste vier jaar zijn weddenschaal 102 of 112, naargelang van de graad, heeft genoten. HOOFDSTUK III. - Het mandaat Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 81.De Regering kent de betrekkingen verbonden aan de graden van rang A4, A5, A6 en A7 bij mandaat toe. Iedere betrekking wordt door de Regering vacant verklaard alvorens zij kan worden begeven bij mandaat. Het personeelsreglement stelt de wijze vast waarop de vacature aan de belanghebbenden wordt bekendgemaakt, de termijn tussen de oproep tot de kandidaten en het indienen van de sollicitaties, evenals de vorm waarin de kandidatuur moet worden ingediend. Art. 82.Onverminderd de bijzondere voorwaarden die worden gesteld, kunnen alleen ambtenaren die een managementbrevet hebben behaald dat overeenstemt met de vereisten van de uitoefening van de vacant verklaarde betrekking, zich kandidaat stellen voor een mandaat. De Regering bepaalt de nadere regels van de toekenning van het managementbrevet. Art. 83.Vóór elke toekenning van een mandaat legt de overheid de doeleinden vast die tijdens dit mandaat moeten bereikt worden. Onder overheid moet worden verstaan : 1° voor een mandaat van rang A4 : de directeur-generaal van het bestuur waartoe de mandaathouder behoort en de functioneel bevoegde minister;2° voor een mandaat van rang A5 : de secretaris-generaal, de adjunct-secretaris-generaal en de functioneel bevoegde minister(s);3° voor een mandaat van rang A6 en rang A7 : de minister. Art. 84.De aangestelde ambtenaar oefent het mandaat daadwerkelijk uit. In geval de aangestelde ambtenaar het mandaat niet kan uitoefenen wegens langdurige ziekte of zwangerschapsverlof, kan de Regering de voortzetting ervan voor maximum zes maanden aan een andere ambtenaar toevertrouwen, conform artikelen 107 en 108. Art. 85.De graadanciënniteit van de mandaathouder is gelijk aan zijn anciënniteit in de graad die hij bekleedde voor zijn aanstelling. De duur van het mandaat wordt meegerekend in zijn dienst, graad- en geldelijke anciënniteit. De ambtenaar geniet de geldelijke rechten verbonden aan de graad die hem bij mandaat wordt toegekend. Art. 86.Het mandaat duurt vijf jaar. Onverminderd artikel 129, eindigt het na afloop van de vastgestelde duur of door het vrijwillig ontslag van de mandaathouder. De ambtenaar die zijn mandaat beëindigt, kan zich kandidaat stellen voor een verlenging ervan. De ambtenaar wiens mandaat niet wordt verlengd, herkrijgt de graad die hij voor zijn mandaat bekleedde. Art. 87.De Regering stelt de mandaten open voor ambtenaren van het ministerie en van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Ze stelt de wijze vast waarop ambtenaren die niet behoren tot het ministerie een mandaat kunnen opnemen bij het ministerie. Afdeling 2. - De procedure van toekenning van de mandaten Art. 88.De mandaten van rang A4, A5, A6 en A7 staan open voor ambtenaren van ten minste rang A3 die drie jaar graadanciënniteit tellen. In de oproep tot de kandidaten deelt de overheid de doelstellingen mee die de mandaathouder dient te bereiken tijdens zijn mandaat. Elke kandidaat dient een beheersplan op te stellen waarin rekening gehouden wordt met de doelstellingen bedoeld in het tweede lid. De Hoge Raad geeft advies over de visie die de kandidaat ontwikkelt op de uitoefening van het mandaat, evenals over zijn managementbekwaamheden. Hij kan de kandidaten uitnodigen voor een gesprek. Art. 89.De directieraad geeft een met redenen omkleed advies over iedere kandidaat die voldoet aan de vereisten. Hij neemt hierbij in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie;2° de aanspraken die de sollicitant doet gelden op de bij mandaat te begeven betrekking en zijn visie op de uitoefening ervan;3° het evaluatiedossier van de kandidaat;4° het advies uitgebracht door de Hoge Raad. In geval meer dan één kandidaat dezelfde of gelijkwaardige aanspraken laat gelden, wordt de voorkeur gegeven aan de ambtenaar die conform de artikelen 124 en 125 de meest positieve waardering heeft gekregen. Art. 90.De directieraad formuleert een voorstel van toekenning dat ten hoogste zes namen van kandidaten per vacante betrekking bevat. De kandidaten worden geklasseerd in de volgorde waarin zij in aanmerking komen. Het voorstel wordt aan de kandidaten betekend. Art. 91.De ambtenaar die zich benadeeld acht kan binnen tien werkdagen na de kennisgeving bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad. Hij wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art. 92.De Regering volgt de definitieve klassering die eenparig wordt uitgebracht. Indien het voorstel van de directieraad niet eenparig wordt uitgebracht en de Regering niet instemt met de door de directieraad voorgestelde volgorde, moet zij haar beslissing omstandig met redenen omkleden. Art. 93.De bepalingen van artikel 89 tot 92 zijn niet toepasselijk op de toekenning van een mandaat in rang A5, A6 of A7. HOOFDSTUK IV. - De bevordering door overgang naar een hoger niveau Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 94.De overgang naar een hoger niveau wordt verleend bij wijze van een vergelijkend examen georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat. Art. 95.Onverminderd de toepassing van artikel 340, is de bevordering door overgang naar een hoger niveau alleen mogelijk als er een betrekking in de wervingsgraad van dat niveau vacant is. Art. 96.De vergelijkende examens worden om de twee jaar georganiseerd, in overleg met het Vast Wervingssecretariaat. Afdeling 2. - Het vergelijkend examen voor overgang naar niveau A Art. 97.De overgang naar niveau A staat open voor ambtenaren van de niveaus B en C. Art. 98.Het vergelijkende examen voor overgang naar niveau A bestaat uit een gesprek uitgaande van een praktijkgeval dat verband houdt met het ambt. Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 60 % der punten behalen. Art. 99.Om tot het vergelijkend examen te worden toegelaten, moeten de kandidaten in het bezit zijn van vijf brevetten : 1° een brevet waaruit blijkt dat zij geslaagd zijn in een proef van algemene vorming voorbereidend op een vergelijkend examen voor overgang naar niveau A;2° vier brevetten waaruit blijkt dat zij geslaagd zijn in een proef over de vakken vastgesteld door het Vast Wervingssecretariaat. De kandidaat die in het bezit is van het brevet bedoeld onder 1° mag deelnemen aan de proeven bedoeld onder 2°. Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 60 % der punten behalen over het geheel van de proeven bedoeld onder 1° en 2°. Een brevet dat behaald werd met 60 % der punten is definitief verkregen. In het ander geval blijft het geldig gedurende zes jaar. Art. 100.De geslaagden in het vergelijkend examen worden gerangschikt volgens de punten behaald in de proef bedoeld in artikel 98. Afdeling 3. - De vergelijkende examens voor overgang naar niveau B, C en D Art. 101.De overgang naar niveaus B, C en D staat open voor de ambtenaren van respectievelijk niveaus C, D en E. Art. 102.Het vergelijkend examen voor overgang naar niveau B of C omvat een algemeen gedeelte en een bijzonder gedeelte. Het algemeen gedeelte bestaat ofwel uit een synthese met commentaar van een tekst ofwel uit het opstellen van een rapport over een probleem in verband met het niveau dat het vergelijkend examen beoogt. Het bijzonder gedeelte bestaat uit een meerkeuzetest over materies die vastgesteld worden in overleg met de Vaste Wervingssecretaris en die betrekking hebben op het niveau dat het vergelijkend examen beoogt. Art. 103.Alleen wie slaagt voor het algemene examengedeelte kan deelnemen aan het specifieke examengedeelte. Om te slagen moeten de kandidaten minstens 50 % van de punten voor elk gedeelte behalen en 60 % van de punten voor het geheel van het examen. Op zijn vraag kan een kandidaat die 60 % behaalde voor het eerste gedeelte maar niet voor het tweede, vrijgesteld worden van het eerste gedeelte als hij nogmaals aan een vergelijkend examen voor overgang naar hetzelfde niveau deelneemt. De geslaagden worden gerangschikt volgens de in beide examengedeelten behaalde punten. Art. 104.Het vergelijkend examen voor overgang naar niveau D bestaat uit een eenmalige proef gebaseerd op de voor het hogere niveau vereiste kwalificaties en geschiktheden. Om te slagen moeten de kandidaten 60 % van de punten behalen. De geslaagden worden gerangschikt volgens de behaalde punten. HOOFDSTUK V. - De uitoefening van een hoger ambt Art. 105.Onverminderd artikel 84, vallen de ambten die bij mandaat worden uitgeoefend, niet onder de bepalingen van dit hoofdstuk. Art. 106.Onder hoger ambt wordt verstaan elk ambt dat overeenstemt met een in de personeelsformatie voorkomende betrekking van een graad van hogere rang dan die waarvan de ambtenaar titularis is. Art. 107.Een ambtenaar kan worden aangesteld in een hoger ambt voor een betrekking die tijdelijk onbezet is. Het feit alleen dat een betrekking tijdelijk onbezet is, is geen voldoende reden om die betrekking voorlopig te verlenen. Art. 108.Alleen een ambtenaar die voldoet aan alle statutaire vereisten om tot de met het hoger ambt overeenstemmende graad te worden benoemd, kan voor het uitoefenen van dat ambt worden aangesteld. Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft opgelopen mag niet worden aangesteld alvorens zijn straf is doorgehaald. Art. 109.In een tijdelijk vacante betrekking kan een ambtenaar alleen worden aangesteld indien de titularis ten minste een maand afwezig is. Een hoger ambt kan alleen worden toegekend met ingang van de eerste dag van een maand. Art. 110.De minister of de ambtenaar die hij hiertoe aanwijst, beslist over de toekenning van een hoger ambt op voorstel van de directieraad. Art. 111.De akte tot aanstelling vermeldt : 1° een omschrijving van het ambt dat tijdelijk vacant is, zijn huidige titularis en de reden van diens afwezigheid;2° een verantwoording van de noodzaak om een hoger ambt toe te kennen;3° een verantwoording van de keuze van de voorgestelde ambtenaar. Art. 112.Een ambtenaar die met een hoger ambt is belast, beschikt over alle aan dat ambt verbonden prerogatieven. Art. 113.De uitoefening van een hoger ambt verleent geen aanspraak op een benoeming in de graad van dat ambt. TITEL V. - De evaluatie HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 114.De evaluatie wordt gedaan door twee hiërarchische meerderen van dezelfde taalrol als de geëvalueerde en waarvan ten minste één van rang A1 of hoger. De minister bepaalt voor elk bestuur de graad en rang van de ambtenaren die bevoegd zijn om als hiërarchische meerdere de evaluatie te doen. Art. 115.Geen enkele ambtenaar kan een evaluatie doen zonder hiertoe vooraf een aangepaste opleiding te hebben gevolgd. Art. 116.De evaluatie gebeurt met behulp van een evaluatieblad. De minister stelt het model van het evaluatieblad vast. Het blad maakt deel uit van het persoonlijk dossier van de ambtenaar. Art. 117.De evaluatie heeft plaats om de twee jaar tussen 15 oktober en 15 december, het ene jaar voor de ambtenaren van niveau A en B, het volgende jaar voor die van de andere niveaus. De individuele evaluatiebladen moeten vóór het einde van het jaar waarin de evaluatie plaatsvindt, worden ingediend bij de dienst belast met HRM. De evaluatie is geldig voor de twee volgende kalenderjaren. Art. 118.In afwijking van artikel 117, eerste lid heeft een tussentijdse evaluatie plaats : 1° één jaar na het toekennen van een nieuw ambt;2° twee jaar na de benoeming van de ambtenaar of na de overgang naar een hoger niveau;3° één jaar na de toekenning van een vermelding "met voorbehoud" of "onvoldoende" die definitief is geworden. Op vraag van de betrokkene kan deze laatste tussentijdse evaluatie nochtans plaats vinden vanaf zes maanden na de datum waarop de vorige evaluatie definitief werd. Art. 119.In de loop van iedere evaluatieperiode kan de bevoegde hiërarchische meerdere gunstige of ongunstige bevindingen in verband met de criteria opgesomd in artikel 124 aan het evaluatiedossier toevoegen. Iedere notering wordt ter kennis gebracht van de ambtenaar die er eventueel zijn opmerkingen kan aan toevoegen. De ambtenaar kan de bevoegde hiërarchische meerdere vragen een voor hem gunstig stuk in verband met de uitvoering van zijn werk aan zijn evaluatiedossier toe te voegen. Geen aanbeveling, van welke aard ook, mag in het evaluatiedossier voorkomen. Art. 120.De bevoegde hiërarchische meerdere die minder dan drie maanden de leiding heeft over de ambtenaar, raadpleegt de vorige bevoegde hiërarchische meerderen van de ambtenaar vóór het gesprek bedoeld in artikel 122, § 2. Art. 121.De ambtenaar die, om gelijk welke reden, afwezig is of zijn ambt niet uitoefent en die zich in een administratiev …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.