Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen
Kort samengevat
Deze wet regelt de voorwaarden waaraan rijscholen moeten voldoen om erkend te worden voor het geven van rijonderricht voor motorvoertuigen, ter vervanging van eerdere regelgeving. Het doel is om meer rechtszekerheid, transparantie en kwaliteit te garanderen in de sector van rijscholen.
Wat het reguleert
- De voorwaarden voor de erkenning van scholen die motorvoertuigen besturen.
- De kwaliteitseisen voor instructeurs en leidinggevend personeel van rijscholen.
- De publiciteit en informatieverstrekking door rijscholen aan leerlingen.
- De procedure voor het verkrijgen van een erkenning, exploitatievergunning en goedkeuring van oefenterreinen.
Wie het aanbelangt
- Scholen die rijonderricht voor motorvoertuigen aanbieden.
- Instructeurs en leidinggevend personeel van rijscholen.
Kernpunten
- Theoretisch en praktisch rijonderricht tegen vergoeding mag alleen worden verstrekt door een erkende rijschool.
- De erkenning wordt afgeleverd als aan objectieve, op kwaliteit gebaseerde voorwaarden is voldaan; het criterium van "algemeen belang" is geschrapt.
- Kwaliteitseisen voor instructeurs en leidinggevend personeel worden verscherpt, inclusief de invoering van brevet V voor bepaalde categorieën.
- Alle erkende rijscholen moeten binnen twee jaar aan de nieuwe normen voldoen en hun erkenningsaanvraag eventueel hernieuwen.
Wettekst
LAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van besluit dat ik de eer heb aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, vervangt het koninklijk besluit van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten typ
§ 2
kan de bestaande erkenning van onderwijsinstellingen waarvan de onderwijsbevoegdheid vakken insluit die gerelateerd zijn aan de auto(rij)techniek, door de Minister bestendigd worden, mits te voldoen aan dezelfde kwaliteitscriteria van dit besluit. § 4.
§ 2
kunnen de verenigingen zonder winstoogmerk en de vennootschappen met sociaal oogmerk die aan dezelfde kwaliteitscriteria voldoen, een erkenning van rijschool voor theoretisch en praktisch onderricht in het besturen van voertuigen van de categorie B krijgen, enkel voor de volgende groepen van personen :
- a)degenen die leefloon ontvangen of evenwaardige sociale bijstand genieten;
- b)de personen die sedert meer dan 12 maanden ingeschreven zijn als werkzoekende;
- c)de personen met een handicap die de volgende voorwaarden vervullen : of - met een permanente invaliditeit van minstens 80 %;of - wiens gezondheidstoestand een autonomievermindering van minstens 12 punten veroorzaakt, gemeten volgens de gids en de schaal die van toepassing zijn in het kader van de wetgeving betreffende de vergoedingen voor personen met een handicap; of - met een permanente invaliditeit die rechtstreeks voortvloeit uit de onderste ledematen en een invaliditeit van minstens 50 % veroorzaakt; of - met een gehele verlamming van de bovenste ledematen of amputatie van deze ledematen; of - aan de burgerlijke en militaire invaliden met een oorlogsinvaliditeit van minstens 50 %. § 5.
§ 2
kunnen de verenigingen zonder winstoogmerk en de bedrijven met een sociaal oogmerk, mits te voldoen aan dezelfde kwaliteitscriteria, een erkenning krijgen van rijschool voor de theoretische lessen voor het besturen van voertuigen van categorie B, uitsluitend aan de gevangenen op het einde van hun straf, dus voornamelijk die welke in aanmerking komen voor een voorwaardelijke vrijlatingprocedure, mits gunstig advies van de directeur van de betrokken strafinrichting. § 6. Een natuurlijke persoon of een rechtspersoon kan slechts houder zijn van één erkenning van rijschool. Art. 3.De rijschool dient over minstens één vestigingseenheid in België te beschikken. Elke vestigingseenheid beschikt over de in artikel 15 bepaalde lokalen, over minstens één in artikel 16 bepaald oefenterrein en over de in de artikelen 17 en 18 bepaalde voertuigen. Art. 4.Alleen de erkende rijscholen, hun representatieve beroepsorganisaties en de in artikel 4, 4°, 5°, 6°, 7°, 8° 9° en ten 15° van het koninklijk besluit van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014079 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014078 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 09/09/1998 numac 1998014201 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit waarbij de gemeentebesturen verplicht worden de Minister tot wiens bevoegdheid verkeersveiligheid behoort, via het Rijksregister van de natuurlijke personen gegevens te verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs sluiten betreffende het rijbewijs bepaalde instellingen is het toegestaan reclame te maken binnen hun met het rijonderricht verbonden opdracht. HOOFDSTUK III. - Procedure tot verkrijgen en tot intrekken van de erkenning van rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid en de goedkeuring van oefenterrein Art. 5.§ 1. Indien de in dit besluit bepaalde voorwaarden zijn vervuld, geeft de Minister ten laatste binnen de drie maand vanaf de indiening van de volledige aanvraag een erkenning van rijschool af, alsook de in artikel 7 bepaalde exploitatievergunning van een vestigingseenheid en, behalve als er reeds één bestaat, de goedkeuring van het in artikel 8 bepaalde oefenterrein. De aanvrager wordt via schrijven in kennis gesteld dat zijn aanvraag volledig is. De Minister kan de termijn waarin hij zijn beslissing moet nemen verlengen met één maand. Hij verwittigt de kandidaat daarvan. Als de erkenning van rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid of de goedkeuring van oefenterrein voor een volledige aanvraag niet binnen de opgelegde termijn wordt gegeven, geldt het gebrek van beslissing als een beslissing van aanvaarding. § 2. Elke in artikel 2, § 2, § 3, § 4, en § 5 bedoelde natuurlijke of rechtspersoon die de erkenning van rijschool wenst te verkrijgen, richt aan de Minister of zijn gemachtigde een aanvraag door een per post aangetekende brief, waarvan het model door de Minister wordt bepaald; deze aanvraag kan gebeuren op aangetekende elektronische wijze. Bij de aanvraag worden de volgende documenten gevoegd, onder voorbehoud van het vierde lid : 1° de naamlijst van de leidinggevende en onderwijzende personeelsleden van de rijschool alsook van de natuurlijke of rechtspersonen die opdrachten in zelfstandig verband voor de rijschool vervullen met vermelding van hun statuut, met afschrift van de toelatingen en stukken die bevestigen dat deze personen aan de door artikelen 11 en 12 bepaalde voorwaarden voldoen;2° voor de rechtspersonen die aan de publicatieverplichting onderworpen zijn, de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad waarin de oprichtingsakte van de onderneming volledig of als uittreksel en ook de wijzigingen bekendgemaakt worden;3° een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, dat hoogtens drie maanden oud is ter bevestiging dat de in artikel 12, § 1, 1° en 2° bepaalde voorwaarden worden nageleefd voor de personen die de rechtspersoon wettelijk vertegenwoordigen of voor de natuurlijke persoon, net als voor het leidinggevende en onderwijzende personeel;4° een verklaring van de RSZ die bevestigt dat de belanghebbende geen schulden heeft ten aanzien van de RSZ. Deze documenten kunnen tevens op elektronische wijze worden verzonden. De documenten hierboven vermeld in punt 2°, 3° en 4° zullen door het bestuur zelf worden opgevraagd bij de bevoegde instanties; deze aanvraag kan gebeuren op elektronische wijze. Indien het bestuur deze documenten niet kan krijgen, moet de aanvrager zelf instaan voor deze documenten. Het bestuur mag op gepaste wijze ter plaatse de echtheid van de op de aanvraag vermelde gegevens nagaan. Art. 6.§ 1. De erkenning van rijschool vermeldt : 1° de naam en het adres van de maatschappelijke zetel van de rijschool;2° de commerciële benaming;3° het juridische statuut van de rijschool;4° het unieke ondernemingsnummer;5° het aan de rijschool toegekende erkenningsnummer;6° de naam van de rijschooldirecteur, 7° zo nodig, de in artikel 2, §§ 4 en 5 bedoelde beperkingen;8° de erkenningsdatum; 9°. de afleveringsdatum van het document van de erkenning van rijschool. § 2. Elke wijziging aan de gegevens van de erkenning van rijschool, tenzij het gegevens betreft die door de betreffende onderneming reeds werden medegedeeld in uitvoering van het artikel 6, § 3 van de wet van 16 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/01/2003 pub. 05/02/2003 numac 2003011027 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen sluiten houdende oprichting van de Kruispuntbank van Ondernemingen maakt het voorwerp uit van een wijzigingsaanvraag van de erkenning van rijschool. § 3. In geval van definitieve stopzetting van de activiteiten, of indien de rijschool geen vestigingseenheid meer heeft, trekt de Minister de erkenning van rijschool in, na de directeur gehoord te hebben. Hij kan de erkenning van rijschool ook schorsen of intrekken in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald in artikel 41. Art. 7.§ 1. Elke rijschool die een exploitatievergunning van een vestigingseenheid wenst te verkrijgen, dient bij de Minister of zijn gemachtigde een aanvraag in door een per post aangetekende brief, waarvan het model door de Minister wordt bepaald; deze aanvraag kan gebeuren op aangetekende elektronische wijze. De volgende documenten moeten bij de aanvraag gevoegd worden : 1° een verklaring op eer dat het lokaal voor de administratie van de vestigingseenheid bestemd is;2° een schema op schaal van het leslokaal en het oefenterrein met vermelding van de in artikels 15 en 16 bedoelde uitrusting en van de gevraagde onderrichtcategorieën.Als het terrein al goedgekeurd werd, moet de aanvrager alleen het stamnummer van dat terrein op zijn aanvraag vermelden; 3° een attest van de burgemeester dat het leslokaal en het administratief lokaal voldoen aan de geldende wettelijke normen;4° het schema van de theoretische en praktische lessen. Deze documenten kunnen tevens op elektronische wijze worden verzonden. Het bestuur kan op afdoende wijze ter plaatse de echtheid van de in de aanvraag vermelde gegevens nagaan. § 2. De exploitatievergunning van een vestigingseenheid vermeldt : 1° de identificatiegegevens van de rijschool;2° het adres van het leslokaal;3° het adres van het lokaal bestemd voor de administratie van de rijschool;4° het stamnummer van de vestigingseenheid;5° de exploitatievoorwaarden;6° de ligging en het stamnummer van het oefenterrein;7° de datum van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid; 8°. de afleveringsdatum van het document van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid; 9°. de vestigingseenheid; 10°. de toegestane onderrichtcategorieën waarvan sprake in artikel 16, § 1. Elke substantiële wijzing van de elementen van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid maakt het voorwerp uit van een wijzigingsaanvraag van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid voor die zetel, waarvan het model door de Minister wordt vastgesteld. § 3. Bij definitieve stopzetting van de activiteiten van een vestigingseenheid trekt de Minister de exploitatievergunning van een vestigingseenheid van de betrokken zetel in, na de rijschooldirecteur gehoord te hebben. De exploitatievergunning van een vestigingseenheid wordt ingetrokken door de Minister, wanneer het onderricht niet gestart wordt binnen de zes maanden na de toekenning van de exploitatievergunning van een vestigingseenheid of wanneer het rijonderricht er langer dan één jaar wordt opgeschort. De rijschooldirecteur wordt vooraf gehoord. Hij kan de exploitatievergunning van een vestigingseenheid ook intrekken in de gevallen en volgens de modaliteiten die worden bepaald in artikel 41. § 4. De rijschooldirecteur deelt binnen de acht dagen aan de Minister of zijn gemachtigde de tijdelijke of definitieve sluiting van de rijschool of van een vestigingseenheid mee, door een per post aangetekende brief; deze mededeling kan ook op aangetekende elektronische wijze gebeuren. Art. 8.§ 1. Elke rijschool die een goedkeuring van een oefenterrein wenst te verkrijgen, dient bij de Minister of zijn gemachtigde een aanvraag in een per post aangetekende brief, waarvan het model door de Minister wordt vastgesteld; deze aanvraag kan ook op aangetekende elektronische wijze gebeuren. Een schema op schaal van het oefenterrein met vermelding van de uitrusting, bedoeld in artikel 16 wordt bij de aanvraag gevoegd; dit schema kan ook op elektronische wijze worden verzonden. Het bestuur mag op afdoende wijze ter plaatse de echtheid van de op de aanvraag vermelde gegevens nagaan. § 2. De goedkeuring van het oefenterrein vermeldt : 1° de identificatiegegevens van de eigenaar van het oefenterrein;2° de ligging en de beschrijving van het oefenterrein en het aantal uitrustingen per onderrichtscategorie;3° de gelijktijdige opleidingen die per onderrichtscategorie voorzien in artikel 16, § 1, toegestaan worden;4° het stamnummer van het oefenterrein;5° de toegestane onderrichtscategorieën;6° de goedkeuringsdatum; 7°. de afleveringsdatum van het document van de goedkeuring. Elke aanzienlijke wijziging aan het oefenterrein maakt het voorwerp uit van een nieuwe goedkeuringsaanvraag van het oefenterrein, volgens het door de Minister opgestelde model. § 3. Bij definitieve stopzetting van de activiteiten op het oefenterrein, trekt de Minister de goedkeuring van dit oefenterrein in, na de rijschooldirecteur gehoord te hebben. Hij kan de goedkeuring van het oefenterrein ook intrekken in de gevallen en volgens de modaliteiten die worden bepaald in artikel 41. Art. 9.De toekenning en de intrekking van de erkenning van rijschool, exploitatievergunning van een vestigingseenheid en de goedkeuring van het oefenterrein worden in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd en worden eveneens geregistreerd in de Kruispuntbank van Ondernemingen, die deze gegevens via de portal kan ter beschikking stellen. Het bestuur houdt een register bij van de erkenningen van rijscholen, exploitatievergunningen van de vestigingseenheden en de goedkeuringen van oefenterreinen; dit register kan de vorm van een geïnformatiseerde gegevensbank aannemen. Art. 10.§ 1. De retributie voor de afgifte van een erkenning van rijschool, overeenkomstig artikel 5, bedraagt 250 euro; zij bedraagt 125 euro in geval van substantiële wijziging van één der gegevens van de erkenning. Voor de afgifte van een exploitatievergunning van een vestigingseenheid of in geval van substantiële wijziging van de gegevens van de vergunning bedraagt de retributie 125 euro. § 2. Elke rijschool is de hierna bepaalde jaarlijkse retributies verschuldigd om de kosten van administratie, controle en toezicht te dekken : - 125 euro per erkende rijschool; - 125 euro per vestigingseenheid; - 50 euro per leidinggevend of onderwijzend personeelslid. § 3. De in §§ 1 en 2 bedoelde retributies worden door toedoen van het bestuur geïnd. Zij worden de eerste keer betaald voordat de rijschool, de vestigingseenheid of het personeelslid waarop ze betrekking hebben, hun werkzaamheden starten. De jaarlijkse retributies worden uiterlijk op 31 maart van het betrokken jaar betaald, op grond van de gegevens die in toepassing van artikel 11, § 3, voor het voorgaande jaar meegedeeld werden. HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden voor de erkenning van de rijschool, de exploitatievergunning van een vestigingseenheid en de goedkeuring van oefenterrein Afdeling I. - Voorwaarden betreffende de personen Art. 11.§ 1. In elke rijschool wordt een rijschooldirecteur aangesteld, die voldoet aan de in artikelen 12 en 13 gestelde voorwaarden en die verantwoordelijk is voor het verstrekte onderricht en ook voor de interne kwaliteitscontrole. De rijschooldirecteur kan bij de uitoefening van zijn taken door één of meerdere adjunct-rijschooldirecteurs bijgestaan worden De rijschool die naast de rijschooldirecteur meer dan vijftien instructeurs tewerkstelt, moet een adjunct-rijschooldirecteur aanstellen. § 2. De rijschooldirecteur waakt erover dat de opleiding van de kandidaat-bestuurders en van de stagiairs beantwoordt aan de voorwaarden van dit besluit. Hij moet de onder zijn toezicht staande stagiairs met de opdrachten van een rijschool vertrouwd maken en hen deskundig maken. Hij is verantwoordelijk voor de terbeschikkingstelling van de leslokalen, de oefenterreinen, het didactische materiaal en de lesvoertuigen. De rijschooldirecteur oefent zijn hoofdberoep uit binnen de rijschool die hij leidt. Met hoofdberoep wordt de bezigheid bedoeld die minstens 20 werkuren per week in beslag neemt. Hij kan deze functie slechts in een enkele rijschool uitoefenen. De rijschooldirecteur is de natuurlijke persoon houder van de erkenning of, indien de houder van de erkenning een rechtspersoon is, de natuurlijke persoon die haar vertegenwoordigt of één van de natuur lijke personen die, alleen of gezamenlijk, haar vertegenwoordigen. § 3. De rijschooldirecteur deelt aan de Minister of zijn gemachtigde ten laatste op 31 december van elk jaar de lijst mee van de leidinggevende en onderwijzende personeelsleden van de rijschool alsook van de natuurlijke of rechtspersonen die in dat jaar opdrachten in ondergeschikt of zelfstandig verband hebben vervuld voor de rijschool, voor de toepassing van artikel 10; deze mededeling kan op elektronische wijze gebeuren. § 4. Elke rijschool doet een beroep op instructeurs die aan de voorwaarden van artikelen 12 en 13 voldoen. Art. 12.§ 1. De rijschooldirecteur, de adjunct-rijschooldirecteur, de instructeurs en de stagiairs moeten aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° niet bij een in kracht van gewijsde gegaan gerechtelijke beslissing veroordeeld zijn :
- a)wegens een in Boek II, Titel III, Titel VII, hoofdstuk V en VI, Titel VIII, hoofdstuk 1 en Titel IX, hoofdstuk I en II van het Strafwetboek bepaalde inbreuk;
- b)wegens een inbreuk op de artikelen 30, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 37bis, 47, 48 of 49 van de op 16 maart 1968 gecoördineerde wet betreffende de politie op het wegverkeer;
- c)wegens een inbreuk op de bepalingen van dit besluit;2° niet vervallen zijn of geweest zijn uit het recht om een motorvoertuig te besturen.Dit verbod is evenwel niet van toepassing bij uitwissing van de veroordeling of bij herstel in eer en rechten, op voorwaarde dat voldaan is aan de onderzoeken die de rechter zou kunnen opgelegd hebben in toepassing van artikel 38 van de op 16 maart 1968 gecoördineerde wet betreffende de politie over het wegverkeer; 3° houder zijn van het vereiste brevet voor de uitoefening van de in artikel 24 bedoelde functie en de in § 2 bedoelde toelating, behalve voor de stagairs. De houder van een in artikel 24 bedoeld brevet II, III of V kan evenwel, in geval van overmacht en mits toelating door de Minister, belast worden met de leiding van een rijschool gedurende een periode van hoogstens twee jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van de toelating. Na afloop van deze termijn wordt de erkenning van rijschool door de Minister ingetrokken, als geen houder van een brevet I aangesteld werd; 4° voor de personen belast met het praktische rijonderricht, het medische onderzoek ondergaan hebben, dat bepaald wordt door artikel 43 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014079 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014078 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 09/09/1998 numac 1998014201 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit waarbij de gemeentebesturen verplicht worden de Minister tot wiens bevoegdheid verkeersveiligheid behoort, via het Rijksregister van de natuurlijke personen gegevens te verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs sluiten betreffende het rijbewijs;5° gedurende tenminste drie jaar houder zijn van een door een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs, tenminste geldig voor het besturen van voertuigen van de categorie B of van een evenwaardige categorie, en voor de personen die het praktische rijonderricht verstrekken : gedurende tenminste vier jaar houder zijn van een door een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte afgeleverd rijbewijs dat geldig is voor de categorie of subcategorie van voertuigen waarvoor zij het rijonderricht verstrekken;6° voor de houders van een brevet I of III, houder zijn van een diploma, getuigschrift of brevet dat toegang verleent tot de niveaus A, B of C van de Rijksbesturen, die bedoeld worden in bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende statuut van het rijkspersoneel, of van een buitenlands diploma, getuigschrift of brevet, dat als gelijkwaardig erkend is overeenkomstig hoofdstuk 2 van dezelfde bijlage, of een beroepservaring van ten minste zes jaar als rijschoolinstructeur kunnen aantonen;7° de rijschooldirecteur bezorgt, een attest waaruit blijkt dat de rijschoolinstructeurs of leidinggevende personeelsleden aan de werden aangegeven en dat de nodige sociale zekerheidsbijdragen RSZ werden betaald.Voor de natuurlijke of rechtspersonen die opdrachten in zelfstandig verband hebben vervuld voor de rijschool, levert hij tevens het bewijs dat de opdrachten in zelfstandig verband werden uitgeoefend. De gegevens hierboven vermeld onder punt 3° en 5° worden verondersteld reeds gekend te zijn door de administratie; in geval van nood zal deze bijkomende inlichtingen vragen aan de aanvrager. De gegevens hierboven vermeld in punt 1°, 2° en 7° zullen door het bestuur zelf worden opgevraagd bij de bevoegde instanties; deze aanvraag kan op elektronische wijze gebeuren. Indien het bestuur deze documenten niet kan krijgen moet de aanvrager zelf instaan voor deze documenten. De personen die de rijschool wettig vertegenwoordigen moeten aan de in 1° gestelde voorwaarden voldoen. § 2. De indiensttreding van een leidinggevend of onderwijzend personeelslid vindt plaats, nadat een directie- of instructietoelating door de Minister of zijn gemachtigde werd verleend. Deze toelating wordt gegeven binnen de maand te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bewijs dat de aanvrager aan alle in § 1 bedoelde voorwaarden voldoet. De Minister of zijn gemachtigde kan de termijn waarin hij zijn beslissing moet nemen, verlengen met één maand. Hij verwittigt daarvan de kandidaat. Als de directie- of instructietoelating voor een volledige aanvraag niet binnen de termijn wordt gegeven, geldt het gebrek van beslissing als een beslissing van aanvaarding. De directie- of instructietoelating wordt gematerialiseerd door een nationale code op het rijbewijs van de houder. Een bijzondere directie- of instructietoelating, wordt afgeleverd aan de personen die geen Belgisch rijbewijs kunnen verkrijgen volgens de bepalingen van artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014079 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014078 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 09/09/1998 numac 1998014201 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit waarbij de gemeentebesturen verplicht worden de Minister tot wiens bevoegdheid verkeersveiligheid behoort, via het Rijksregister van de natuurlijke personen gegevens te verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs sluiten betreffende het rijbewijs. In geval van intrekking of schorsing van de directie- of instructietoelating, wordt het rijbewijs hernieuwd, overeenkomstig artikel 49 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014079 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014078 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 09/09/1998 numac 1998014201 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit waarbij de gemeentebesturen verplicht worden de Minister tot wiens bevoegdheid verkeersveiligheid behoort, via het Rijksregister van de natuurlijke personen gegevens te verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs sluiten betreffende het rijbewijs. De op het rijbewijs te vermelden codes zijn als volgt bepaald : - code 101 naast de categorie B voor de houder van brevet I en III; - code 102 naast de categorie B voor de houder van brevet III, die geen brevet I heeft; - code 103 naast de categorie B voor de houder van brevet II; - code 103 naast de categorie A voor de houder van brevet IV; - code 103 naast de categorieën en subcategorieën B+E, C, C1, C+E, C1+E, D, D1, D+E, D1+E voor de houder van brevet V. Art. 13.Elke functie of betrekking in een erkend organisme voor technische controle van motorvoertuigen, die van tolk bij het theoretische examen inbegrepen, en de controlefuncties bedoeld in artikel 39 zijn onverenigbaar met elke functie of elke betrekking in een erkende rijschool. Art. 14.§ 1. De rijschooldirecteurs, adjunct-rijschooldirecteurs of instructeurs, die houder van een directie- of instructietoelating zijn, zijn verplicht om elk jaar een opleiding over de in § 2 bedoelde onderwerpen te volgen. De inhoud van de opleiding wordt bij ministerieel besluit bepaald. Deze opleiding duurt minstens : - twaalf uur voor het voltijds werkende personeel en voor het drie vierden deeltijds werkende personeel; - vierentwintig uur voor het halftijds werkende personeel en voor het één vierde deeltijds werkende personeel. In het jaar waarin ze hun brevet behalen, zijn de rijschooldirecteurs, adjunct-rijschooldirecteurs en de instructeurs vrijgesteld van deze verplichting. De rijschooldirecteur ziet erop toe dat elke adjunct-rijschooldirecteur en instructeur die onder zijn toezicht geplaatst is, de in deze paragraaf bedoelde opleiding volgt. § 2. De opleiding slaat onder meer op de volgende onderwerpen : 1° wijzigingen van de reglementering betreffende de verkeersveiligheid in de brede zin;2° begrippen en methodologie van de organisatie van het theoretische en praktische onderricht;3° begrippen en maatregelen tot bevordering van de verkeersveiligheid en de mobiliteit in het kader van de duurzame ontwikkeling;4° verdieping van de in de bijlage 2 bepaalde examenleerstof;5° voor de houders van brevet I : economische en organisatorische aspecten van de exploitatie van een rijschool. De opleiding die voor het verkrijgen van een ander brevet gevolgd werd, wordt niet meegerekend. § 3. De organisatoren van de in § 1 bedoelde opleidingsactiviteiten leveren aan de rijschooldirecteurs, de adjunct-rijschooldirecteurs en de instructeurs die de opleiding hebben gevolgd, een getuigschrift af waarvan het model door de Minister bepaald wordt. Het gevolgde aantal uren en de onderwezen onderwerpen worden erop vermeld. Het getuigschrift wordt gedurende drie jaar bijgehouden door de rijschool waar de rijschooldirecteur, de adjunct-rijschooldirecteur of de instructeur tijdens hun opleiding hun functies vervullen. § 4. De Minister of zijn gemachtigde weigert de getuigschriften, als de opleiding niet de in § 1 bepaalde uren duurde of niet over de in § 2 bepaalde onderwerpen ging. Voor de getuigschriften die in het lopende of voorafgaande jaar geweigerd werden, dient de rijschooldirecteur, adjunct-rijschooldirecteur of instructeur binnen twaalf maanden na de kennisgeving van de weigering een vervangingscursus te volgen. De Minister of zijn gemachtigde zal de rijschooldirecteur, adjunct-rijschooldirecteur of instructeur schriftelijk verwittigen van de weigering bedoeld in het vorige lid. Afdeling II. - Voorwaarden betreffende de lokalen Art. 15.§ 1. Iedere vestigingseenheid beschikt over door de Minister of zijn gemachtigde goedgekeurde lokalen, bestemd voor het theoretische onderricht en voor de administratie van de rijschool. De lokalen omvatten een leslokaal, een sanitaire inrichting, een onthaalruimte voor de leerlingen, een (deel van een) lokaal voor de administratie. Zij kunnen niet in een drankgelegenheid noch in een woonruimte worden ingericht. Zij moeten een attest van conformiteit gekregen hebben zoals voorzien in artikel 7. Ieder leslokaal moet voortdurend aan de volgende vereisten voldoen : 1° plaats aan minstens tien leerlingen bieden;2° uitgerust zijn voor visuele voorstellingen;3° in overeenstemming zijn met de hygiënische bepalingen voor de voor het publiek toegankelijke lokalen;4° beschikken over borden en over didactische schema's voor de onderwezen leerstof;5° beschikken over maquettes van de belangrijkste onderdelen van een motorvoertuig, zoals het remsysteem, de schakeling, de lichten, het differentieel en over het belangrijkste voertuigtoebehoren;6° beschikken over de bijgewerkte reglementering betreffende de onderwezen leerstof. Elke vestigingseenheid dient voor elke groep van tien leerlingen over een computer te beschikken, die voor meerkeuzevragen geprogrammeerd is. Dit programma moet tijdens de openingsuren van de rijschool kunnen geraadpleegd worden. § 2. De leslokalen kunnen ook door andere vestigingseenheid of door andere rijscholen worden gebruikt. Het stamnummer van de vestigingseenheid of vestigingseenheden, de naam van de rijschooldirecteur of van zijn gemachtigde en ook een contactadres moeten goed leesbaar voor het publiek in het leslokaal en in het lokaal voor de administratie uitgehangen worden. De rijschooldirecteur deelt aan de Minister of zijn gemachtigde aanzienlijke wijzigingen van de lokalen mee, minstens veertien dagen voor hun uitvoering wordt gepland; deze mededeling kan via een aangetekend schrijven per post of op aangetekende elektronische wijze gebeuren. Afdeling III. - Oefenterreinen Art. 16.§ 1. Iedere vestigingseenheid beschikt over minstens één oefenterrein voor het praktische onderricht. Dit oefenterrein moet voor één of meer van de volgende onderrichtcategorieën goedgekeurd worden : - A : voertuigen van de categorieën A3 en A; - B : voertuigen van de categorie B; - C-D : voertuigen van de categorieën en subcategorieën C1, C, D1 en D; - E : voertuigen van de categorieën en subcategorieën B+E, C1+E, C+E, D1+E en D+E. De rijschooldirecteur stelt de Minister of zijn gemachtigde binnen acht dagen in kennis van de geplande wijzigingen aan de onderrichtcategorieën en de uitrusting van het oefenterrein, en ook van elke wijziging van de grootte van het terrein; deze mededeling kan via traditioneel aangetekend schrijven of op aangetekende elektronische wijze gebeuren. § 2. Het oefenterrein moet zo ingericht worden, dat alle aan het rijonderricht vreemde personen er geen toegang toe hebben gedurende de praktische lessen. Het beschikt over de in bijlage 1 bepaalde uitrustingen, die het mogelijk moeten maken om de in bijlage 5 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014079 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014078 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 09/09/1998 numac 1998014201 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit waarbij de gemeentebesturen verplicht worden de Minister tot wiens bevoegdheid verkeersveiligheid behoort, via het Rijksregister van de natuurlijke personen gegevens te verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs sluiten betreffende het rijbewijs bepaalde manoeuvres in alle veiligheid aan te leren. Een uitrusting voor een bepaalde onderrichtscategorie mag maar door hoogstens twee lesvoertuigen tegelijk gebruikt worden. Het oefenterrein mag door verschillende vestigingseenheden en door meerdere rijscholen gebruikt worden. De afstand tussen de vestigingseenheid en het oefenterrein kan niet meer bedragen dan 20 km in vogelvlucht, behoudens een door de Minister of zijn gemachtigde verleende afwijking. Afdeling IV. - Lesvoertuigen Art. 17.§ 1. De rijscholen moeten voor elke op de exploitatievergunning van een vestigingseenheid vermelde onderrichtcategorie over minstens één lesvoertuig beschikken. Alle hiervoor bestemde voertuigen moeten ter beschikking van de instructeurs worden gesteld bij de uitoefening van hun functie. Alle voertuigen moeten voldoen aan de voorwaarden van het artikel 18 van dit besluit en van de artikelen 38 of 90 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014079 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014078 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 09/09/1998 numac 1998014201 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit waarbij de gemeentebesturen verplicht worden de Minister tot wiens bevoegdheid verkeersveiligheid behoort, via het Rijksregister van de natuurlijke personen gegevens te verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs sluiten betreffende het rijbewijs. De rijschool houdt een register bij met de gegevens van de lesvoertuigen. Zij houdt afschriften van de inschrijvingsbewijzen en van de geldige keuringsbewijzen van de gebruikte voertuigen bij. § 2. De rijscholen erkend voor de onderrichtscategorie A, moeten beschikken over een bromfiets klasse B, over een in artikel 38, § 2, 1° bepaalde motorfiets en ook over een motorfiets zoals bedoeld in artikel 38, § 2, 2° van het koninklijk besluit van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014079 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014078 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 09/09/1998 numac 1998014201 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit waarbij de gemeentebesturen verplicht worden de Minister tot wiens bevoegdheid verkeersveiligheid behoort, via het Rijksregister van de natuurlijke personen gegevens te verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs sluiten betreffende het rijbewijs. Zij moeten bovendien over een door het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie goedgekeurde radioverbinding beschikken, die dient voor het rijonderricht op de openbare weg. Art. 18.§ 1. De voertuigen van de categorieën A3 en A moeten voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° minder dan vijf jaar oud zijn;2° achteraan een bord hebben met de vermelding « rijschool », gevolgd door het erkenningsnummer van de rijschool.Dit bord mag vervangen worden door een door de kandidaat gedragen rugvest met dezelfde vermelding. § 2. De voertuigen van de categorie B moeten aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° het voertuig moet minder dan vijf jaar oud zijn;2° de organen voor de bediening van de koppeling, van de bedrijfsreminrichting, van de noodreminrichting en van het gaspedaal alsook van de dimlichten, van de richtingaanwijzers en van het geluidstoestel moeten dubbel geïnstalleerd worden, zodanig dat leerling en instructeur ze ieder afzonderlijk kunnen bedienen, zonder dat de vereiste prestaties van die inrichtingen daardoor afnemen. De instructeur moet bovendien de grootlichten kunnen doven en in plaats daarvan de dimlichten aansteken. Deze dubbele bediening is niet verplicht voor de in serie ingebouwde inrichtingen die automatisch zijn of die door de instructeur gemakkelijk te bereiken zijn zonder gevaar dat de leerling wordt gehinderd; 3° een verklikkerinrichting dient op akoestische wijze aan te geven dat de instructeur het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting of van de koppeling bedient of de bediening ervan verhindert.Wanneer deze verklikkerinrichting ingeschakeld wordt, wordt de goede werking ervan aangegeven door een verklikkerlichtje dat evenwel dooft wanneer het akoestische alarmsignaal in werking treedt; 4° het voertuig moet uitgerust zijn met een combinatie van achteruitkijkspiegels die zo aangebracht zijn dat leerling en instructeur beschikken over het uitzicht voorgeschreven in artikel 34 van het koninklijk besluit van 1 december 1975Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 14/07/2014 numac 2014000537 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 31/03/2000 numac 1999000004 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer - Duitse vertaling sluiten houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;5° het voertuig moet aan de rechterzijde minstens twee deuren hebben;6° de achterbank moet uitgerust zijn met hoofdsteunen en veiligheidsgordels. § 3. De voertuigen van categorie C of D of van de subcategorie C1 of D1 worden voorafgaandelijk goedgekeurd door de Minister of zijn gemachtigde en beantwoorden aan de volgende voorwaarden : 1° de organen voor de bediening van de koppeling, van de bedrijfsreminrichting, en van het gaspedaal moeten dubbel geïnstalleerd worden, zodanig dat leerling en instructeur ze ieder afzonderlijk kunnen bedienen, zonder dat de vereiste prestaties van die inrichtingen daardoor afnemen. Bovendien moet de instructeur de grootlichten kunnen doven en in plaats daarvan de dimlichten aansteken. Deze dubbele bediening is niet verplicht voor de in serie ingebouwde inrichtingen die automatisch zijn of die door de instructeur gemakkelijk te bereiken zijn zonder gevaar dat de leerling wordt; 2° een verklikkerinrichting dient op akoestische wijze aan te geven dat de instructeur het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting of van de koppeling bedient of de bediening ervan verhindert.Wanneer deze verklikkerinrichting ingeschakeld wordt, wordt de goede werking ervan aangegeven door een verklikkerlichtje dat evenwel dooft wanneer het akoestische alarmsignaal in werking treedt; 3° uitgerust zijn met een combinatie van achteruitkijkspiegels die zo aangebracht zijn dat leerling en instructeur beschikken over het uitzicht voorgeschreven in artikel 34 van het koninklijk besluit van 1 december 1975Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 14/07/2014 numac 2014000537 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 31/03/2000 numac 1999000004 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer - Duitse vertaling sluiten houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, en met een systeem dat de visualisering van de dode hoek mogelijk maakt;4° uitgerust zijn met veiligheidsgordels voor de bestuurder, de instructeur en de examinator. § 4. Als het gaat over voertuigen van de categorie B+E, C+E of D+E of van de subcategorie C1+E of D1+E, moet het trekkende voertuig, naargelang het geval, aan de voorwaarden van § 2 en § 3 voldoen. § 5. De voertuigen van de categorieën B, B+E, C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1 en D1+E moeten uitgerust zijn met één of meer borden met het opschrift « rijschool » gevolgd door het erkenningsnummer van de rijschool, die vooraan en achteraan duidelijk leesbaar moeten zijn van op een afstand van minstens 30 m, en verlicht of reflecterend, tussen zonsondergang en zonsopgang. De andere opschriften dan « rijschool » mogen niet groter zijn dan de helft van de tekens van dit opschrift. Op het lesvoertuig mogen enkel de naam of maatschappelijke benaming van de rechtspersoon, de naam, het logo, het adres, het elektronische adres, het telefoonnummer en het faxnummer van de rijschool voorkomen. Art. 19.Elk lesvoertuig moet door een verzekeringspolis gedekt worden voor : 1° de burgerlijke aansprakelijkheid van de leerling, als bestuurder en als passagier;2° de schade die onder alle omstandigheden aan de leerling of zijn bezittingen berokkend wordt. Deze polis stipuleert dat de verzekeraar van elk verhaal tegen de leerling afziet. De dekking van de schade aan de bezittingen van de leerling mag tot 1.000 euro worden beperkt. Afdeling V. - Onderricht Art. 20.De instructeur moet de leerling nauwgezet opleiden. Hij moet hem de kennis, de vaardigheden en het gedrag bijbrengen, die in de bijlagen 4 en 5 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014079 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014078 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 09/09/1998 numac 1998014201 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit waarbij de gemeentebesturen verplicht worden de Minister tot wiens bevoegdheid verkeersveiligheid behoort, via het Rijksregister van de natuurlijke personen gegevens te verstrekken betreffende het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs sluiten betreffende het rijbewijs bepaald zijn. De Minister kan de spreiding van de lessen in de tijd vastleggen. Art. 21.Het theoretische rijonderricht mag enkel worden gegeven door theorie-instructeurs die houder van een instructietoelating zijn, of door stagiairs. Dit onderricht moet in de in de exploitatievergunning van een vestigingseenheid vermelde lokalen plaatsvinden. De Minister kan een rijschool toestaan om aan groepen met verplaatsingsproblemen theoretisch rijonderricht te geven in lokalen, die haar voor die groepen ter beschikking gesteld worden. Art. 22.§ 1. Het praktische rijonderricht mag enkel worden gegeven door en onder toezicht van praktijkinstructeurs die houder van een instructietoelating zijn, of door stagiairs. Het praktische onderricht van de manoeuvres vindt op een goedgekeurd oefenterrein plaats. Het mag plaatsvinden op de openbare weg op het einde van de opleidingscyclus. § 2. Het praktische rijonderricht wordt verstrekt aan boord van een voertuig dat tot de categorie of de subcategorie behoort waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd en dat in de exploitatievergunning van een vestigingseenheid en in de goedkeuring van het oefenterrein is vermeld. Het voertuig moet naargelang zijn categorie of subcategorie aan de voorwaarden van artikelen 17 en 18 voldoen. Aan gehandicapte personen die een dergelijk voertuig niet kunnen besturen, mag het praktische rijonderricht gegeven worden met een speciaal aan hun handicap aangepast voertuig, dat zijzelf of het in artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014079 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 30/04/1998 numac 1998014078 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het rijbewijs type koninklijk besluit prom. 23/03/1998 pub. 09/09/1998 numac 1998014201 bron min