📄 Wettekst
10 JULI 2008. - Decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap (1)
Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering bekrachtigen hetgeen volgt : decreet betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap. HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid. Art. 2.Dit decreet is van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, centra voor deeltijdse vorming en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen en op het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen. Art. 3.Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 1° anderstalige nieuwkomer : een jongere die aan alle volgende voorwaarden voldoet : a) een nieuwkomer zijn, dat wil zeggen maximaal één jaar ononderbroken in België verblijven;b) het Nederlands niet als moedertaal of thuistaal hebben;c) maximaal negen maanden ingeschreven zijn, de maanden juli en augustus niet inbegrepen, in een onderwijsinstelling met het Nederlands als onderwijstaal;d) het Nederlands onvoldoende beheersen om deeltijds beroepssecundair onderwijs met goed gevolg te doorlopen;e) op 31 december volgend op de aanvang van het schooljaar de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt;2° arbeidsdeelname : de volwaardige arbeidsparticipatie van jongeren in het reguliere economische circuit of de daaraan gelijkwaardige activiteiten als vermeld in dit decreet;3° betrokken personen : de ouders of de personen die de minderjarige jongere in rechte of in feite onder hun bewaring hebben, dan wel de meerderjarige jongere zelf;4° brugproject : een vorm van arbeidsparticipatie, gericht op jongeren die arbeidsbereid zijn, maar hun arbeidsgerichte attitudes en vaardigheden nog verder moeten ontwikkelen;5° centrumbestuur : het orgaan dat voor het centrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de wet, het decreet, het bijzonder decreet of de statuten toegewezen bevoegdheden;6° eindtermen : minimumdoelen die de overheid noodzakelijk en bereikbaar acht voor een bepaalde jongerenpopulatie in het gewoon secundair onderwijs.Met minimumdoelen wordt bedoeld : een minimum aan kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes, bestemd voor die jongerenpopulatie; 7° inschrijving : de opname in het leerlingenbestand van een door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, dan wel de heropname na uitschrijving;8° leertijd : de opleiding als vermeld in artikel 26, 1°, van het
decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
programmawet
prom.
10/02/1998
pub.
21/02/1998
numac
1998016046
bron
ministerie van middenstand en landbouw
Programmawet tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap
sluiten1 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen;9° lokaal comité : het voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokale overlegorgaan of onderhandelingsorgaan;10° module : het kleinste te certificeren deel van een opleiding in het deeltijds beroepssecundair onderwijs, dat overeenstemt met een bepaalde inhoud;11° onthaalonderwijs : een specifiek en tijdelijk onderwijsaanbod dat anderstalige nieuwkomers voorbereidt op betere doorstroming naar arbeidsdeelname.Dit onderwijsaanbod is gericht op taalvaardigheid, inburgering en zelfredzaamheid; 12° persoonlijk ontwikkelingstraject : een traject voor kwetsbare jongeren in problematische situaties waarbij, door middel van intensieve individuele begeleiding en aangepaste activiteiten, de zelfredzaamheid en het maatschappelijk functioneren van jongeren wordt verhoogd en waarbij ze op die wijze worden voorbereid op een arbeidsgericht traject;13° praktijkcommissie : de commissie als vermeld in artikelen 13 tot en met 18, van het
decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
programmawet
prom.
10/02/1998
pub.
21/02/1998
numac
1998016046
bron
ministerie van middenstand en landbouw
Programmawet tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap
sluiten1 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen;14° scholengemeenschap : één instelling of een groep van instellingen die binnen een geografische omschrijving gezamenlijk instaat voor de onderwijsvoorziening;15° Syntra Vlaanderen : het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen als vermeld in het
decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
programmawet
prom.
10/02/1998
pub.
21/02/1998
numac
1998016046
bron
ministerie van middenstand en landbouw
Programmawet tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap
sluiten1 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen;16° trajectbegeleider : een leraar die in het deeltijds beroepssecundair onderwijs met trajectbegeleiding is belast;17° trajectbegeleider Syntra Vlaanderen : de leersecretaris als vermeld in artikelen 39 en 40, van het
decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
programmawet
prom.
10/02/1998
pub.
21/02/1998
numac
1998016046
bron
ministerie van middenstand en landbouw
Programmawet tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap
sluiten1 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen;18° trajectbegeleiding : een continu proces van begeleiding en opvolging van de persoonlijke ontwikkeling en de vorming van jongeren tijdens de component leren en de component werkplekleren en dit in overleg met de betrokken actoren met als ultiem doel de toeleiding naar de arbeidsmarkt;19° uur : hetzij een periode van 50 minuten hetzij, maar uitsluitend in het geval van een voortraject, brugproject of arbeidsdeelname, een periode van 60 minuten;om te komen tot het minimaal aantal uren voltijds engagement wordt een uur omgerekend naar een periode van 50 minuten; 20° VDAB : de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding als vermeld in het
decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
programmawet
prom.
10/02/1998
pub.
21/02/1998
numac
1998016046
bron
ministerie van middenstand en landbouw
Programmawet tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap
sluiten1 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding : de dienst die voor het Vlaamse Gewest bevoegd is voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding en die voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bevoegd is voor beroepsopleiding;21° voortraject : een specifieke opleidings- en begeleidingsmodule, gericht op jongeren met ontoereikende attitudes en vaardigheden die nog geen duidelijk loopbaanperspectief hebben, en dat als traject altijd past in een arbeidsgerichte context. HOOFDSTUK II. - Voltijds engagement Art. 4.Het stelsel van leren en werken combineert, voor elke individuele jongere, een component leren en een component werkplekleren. Die combinatie omvat minimaal 28 uren per week, wat een voltijds engagement van de jongere inhoudt, en voldoet voor de vervulling van de deeltijdse leerplicht waaraan de jongere eventueel is onderworpen. Art. 5.De component leren kan als volgt worden ingevuld : 1° via het deeltijds beroepssecundair onderwijs, georganiseerd overeenkomstig de bepalingen van dit decreet;2° via de theoretische vorming binnen de leertijd. Art. 6.§ 1. De invulling van de component werkplekleren is afhankelijk van de invulling van de component leren, zoals hierna bepaald.
In het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan de component werkplekleren als volgt worden ingevuld : 1° via arbeidsdeelname;2° via een brugproject;3° via een voortraject. In de leertijd kan de component werkplekleren als volgt worden ingevuld : 1° via de praktijkopleiding binnen de leertijd, die gelijkstaat met arbeidsdeelname;2° via een voortraject, doch uitsluitend in geval van ontstentenis van de praktijkopleiding ingevolge verbreking of opschorting van de leerovereenkomst. § 2. Voor arbeidsdeelname als vermeld in § 1, tweede lid, 1°, komen in aanmerking : 1° elke vorm van reguliere al dan niet bezoldigde tewerkstelling op basis van een overeenkomst die zich ontleent aan een wet, decreet of besluit;2° het volgen van een sportgerelateerde opleiding binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs, waarbij de opleiding enerzijds een duidelijke beroepskwalificatie moet hebben die op zijn minst minimale aansluiting vindt bij de beoefende sport en anderzijds georganiseerd wordt in overleg met en na formele instemming van een erkende sportfederatie;3° het vrijwilligerswerk, zoals bij wet bepaald;4° het tijdelijk volgen van een bijkomende opleiding of cursus die specifiek gericht is op het verhogen van de tewerkstellingsperspectieven of inzetbaarheid op de arbeidsmarkt;5° het verrichten van culturele, sociale of sportactiviteiten georganiseerd door een instantie van de overheid of erkend door of namens een overheid. De invulling van de component werkplekleren door middel van een van voormelde alternatieven kan geenszins afbreuk doen aan artikel 4 dat bepaalt dat de combinatie van de component leren en de component werkplekleren minimaal 28 uren per week omvat. § 3. In afwijking van artikel 4 en onverminderd het in § 4 gestelde, is het toegelaten in volgende gevallen de component werkplekleren tijdelijk niet in te vullen : 1° tijdens de periode tussen het sluiten van een overeenkomst en de inwerkingtreding van die overeenkomst;2° tijdens een periode waarin de jongere actief solliciteert met het oog op invulling van de component werkplekleren;3° tijdens de periode tussen de inschrijving en de screening als vermeld in artikel 62. Het niet invullen van de component werkplekleren kan, afzonderlijk voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en voor de leertijd, maximum 30 dagen per jongere per schooljaar bedragen. Voor de toepassing van deze bepaling worden uitsluitend de gevallen onder 1° en 2° in aanmerking genomen en wordt onder dagen verstaan : alle weekdagen van het schooljaar, met uitzondering van de niet-facultatieve vakantieperiodes zoals bepaald in het
besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
05/07/1999
pub.
10/09/1999
numac
1999036184
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Ministerieel besluit tot vastlegging van de benamingen die kunnen voorkomen op de kwalificatiegetuigschriften van het deeltijds beroepssecundair onderwijs
sluiten2 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs. § 4. In overeenstemming met artikel 51, 3°, is het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs bevoegd om een bepaalde concrete invulling van arbeidsdeelname aan de jongere op te leggen of te ontzeggen. Het centrum zal bij die beslissing alleszins het profiel van de jongere, de meerwaarde voor de component leren en de tijdsduur van de arbeidsdeelname in overweging nemen.
Indien zich meerdere concrete alternatieven voordoen, dan beslist het centrum na overleg met de betrokken personen. In elk geval moet steeds maximaal worden gestreefd naar een invulling van de component werkplekleren door middel van het in § 2, 1°, gestelde, waarbij er een inhoudelijke aansluiting is op de component leren. Art. 7.In het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan, in afwijking van artikelen 5 en 6, § 1, voor een jongere die is ingeschreven in een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs de component leren of de component werkplekleren worden vervangen door een persoonlijk ontwikkelingstraject.
De toepassing van deze bepaling kan er niet toe leiden dat voor een jongere een persoonlijk ontwikkelingstraject wordt gecombineerd met arbeidsdeelname.
Een persoonlijk ontwikkelingstraject wordt georganiseerd door een centrum voor deeltijdse vorming. Als jongeren een persoonlijk ontwikkelingstraject volgen, voldoen ze aan de deeltijdse leerplicht. HOOFDSTUK III. - De component leren Afdeling I. - De opleidingscentra
Onderafdeling I. - Centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs Art. 8.§ 1. Het deeltijds beroepssecundair onderwijs kan door de Vlaamse Gemeenschap worden erkend, gefinancierd of gesubsidieerd in maximaal 48 centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, verdeeld als volgt : 16 in het Gemeenschapsonderwijs, 8 in het gesubsidieerd officieel onderwijs, 24 in het gesubsidieerd vrij onderwijs.
Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is hetzij verbonden aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, hetzij autonoom, naar keuze van het centrumbestuur en met behoud van de toepassing van de programmatie- en rationalisatienormen. Voor de toepassing van het bijzonder
decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
14/07/1998
pub.
29/08/1998
numac
1998035933
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs
type
decreet
prom.
14/07/1998
pub.
10/09/1998
numac
1998035996
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten betreffende het Gemeenschapsonderwijs wordt een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs beschouwd als een school. Als een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is verbonden aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, dan wordt onder centrumbestuur de inrichtende macht van die instelling verstaan. § 2. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing als het deeltijds beroepssecundair onderwijs uitsluitend wordt georganiseerd in de vorm van zeevisserijonderwijs.
In voorkomend geval kan het deeltijds beroepssecundair onderwijs door de Vlaamse Gemeenschap worden erkend, gefinancierd of gesubsidieerd in maximaal drie centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, verdeeld als volgt : één in het Gemeenschapsonderwijs, één in het gesubsidieerd officieel onderwijs, één in het gesubsidieerd vrij onderwijs.
Een dergelijk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs is steeds verbonden aan een instelling met voltijds gewoon secundair onderwijs die het studiegebied maritieme opleidingen organiseert. Art. 9.Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat is verbonden aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs die tot een scholengemeenschap is toegetreden, behoort van rechtswege tot diezelfde scholengemeenschap.
Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat niet langer verbonden is aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs die tot een scholengemeenschap is toegetreden en dat autonoom wordt, blijft van rechtswege tot die scholengemeenschap behoren voor de resterende duur van de vorming van desbetreffende scholengemeenschap. In de andere gevallen beslist het centrumbestuur van een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs over eventuele toetreding tot een scholengemeenschap.
De criteria voor vorming van scholengemeenschappen secundair onderwijs, evenals de bevoegdheden van en de voordelen voor die scholengemeenschappen, zijn bepaald in titel VIII van het
decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
14/07/1998
pub.
29/08/1998
numac
1998035933
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs
type
decreet
prom.
14/07/1998
pub.
10/09/1998
numac
1998035996
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het
decreet van 25 februari 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
25/02/1997
pub.
05/07/1997
numac
1997035724
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1988
type
decreet
prom.
25/02/1997
pub.
05/07/1997
numac
1997035730
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1987
sluiten betreffende het basisonderwijs. Art. 10.§ 1. Met de erkenning van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs krijgt het centrumbestuur de bevoegdheid om aan de jongeren de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen.
Om erkend te worden, moet een centrum aan alle onderstaande voorwaarden samen voldoen : 1° georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een centrumbestuur;2° gevestigd zijn in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden op het gebied van hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid voldoen;3° de controle door de onderwijsinspectie mogelijk maken;4° beschikken over voldoende didactisch materiaal en over een aangepaste schooluitrusting;5° de bepalingen naleven met betrekking tot de onderwijstaal en de taalkennis van het personeel als vermeld in de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs, en als vermeld in de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken;6° een structuur aannemen en inhoudelijk georganiseerd worden als vermeld in dit decreet;7° de reglementering betreffende vakantieregeling en aanwending van de onderwijstijd in acht nemen;8° beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen inzake eindtermen en leerplannen voor zover de uitreiking wordt beoogd van eindstudiebewijzen die identiek zijn aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs;9° beschikken over een beleidscontract, indien het bestuur van beide betrokken centra verschilt, of een beleidsplan, indien het bestuur van beide betrokken centra hetzelfde is, met een centrum voor leerlingenbegeleiding;10° een samenwerkingsakkoord hebben gesloten met ten minste één door de Vlaamse Gemeenschap erkend centrum voor deeltijdse vorming met het oog op de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten voor jongeren, ingeschreven in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, of de bemiddeling en samenwerking als vermeld in artikel 18, § 1, zijn aangegaan;11° beschikken over personeel waarvan de gezondheidstoestand de gezondheid van de jongeren niet in gevaar brengt;12° de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigen;13° voor het officieel onderwijs : a) een open karakter hebben door open te staan voor alle jongeren, ongeacht de ideologische, filosofische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de jongere;b) de leerplannen volgen van het Gemeenschapsonderwijs, het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap of het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen, of eigen leerplannen volgen die ermee verenigbaar zijn vanaf een door de Vlaamse Regering te bepalen datum;c) een werkplan, centrumreglement en boeken gebruiken in overeenstemming met het open karakter als vermeld in punt a);d) begeleid worden door de begeleidingsdienst van het Gemeenschapsonderwijs, het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap of het Provinciaal Onderwijs Vlaanderen vanaf een door de Vlaamse Regering te bepalen datum. § 2. Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs kan erkend worden vanaf het schooljaar van de oprichting ervan. Tijdens het schooljaar van oprichting kan dat centrum aan een inspectie worden onderworpen. De inspectie is specifiek gericht op de vaststelling of aan alle erkenningsvoorwaarden is voldaan. De resultaten van die inspectie moeten uiterlijk op 15 januari van het lopende schooljaar worden bekendgemaakt, zo niet worden ze geacht gunstig te zijn. Het centrum kan pas worden erkend, steeds met terugwerkende kracht vanaf 1 september van het lopende schooljaar, als de resultaten van de inspectie gunstig zijn of geacht worden gunstig te zijn. § 3. De erkenning van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt per schooljaar met een dienstbrief van het Agentschap voor Onderwijsdiensten bevestigd en meegedeeld aan het centrumbestuur in kwestie. § 4. De Vlaamse Regering kan, op voorstel van een college van onderwijsinspecteurs, de erkenning van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs geleidelijk en geheel of gedeeltelijk opheffen als niet meer wordt voldaan aan alle erkenningsvoorwaarden.
Dat college van onderwijsinspecteurs wordt voor de helft samengesteld uit inspectieleden die afkomstig zijn uit het officieel onderwijs, enerzijds, en voor de helft uit inspectieleden die afkomstig zijn uit het vrij onderwijs, anderzijds.
De Vlaamse Regering legt de aanvullende bepalingen vast over de werking en de organisatie van dat college van onderwijsinspecteurs, wijst de leden ervan aan en regelt de beroepsprocedure.
Voor het toezicht op de naleving van de bepalingen als vermeld in § 1, 13°, worden de aanvullende bepalingen vastgelegd bij wijze van bekrachtiging van een gezamenlijk voorstel van de Vlaamse Regering, het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van inrichtende machten van het gesubsidieerd officieel onderwijs. Art. 11.§ 1. Om voor financiering of subsidiëring in aanmerking te komen, moet een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs aan alle onderstaande voorwaarden samen voldoen : 1° beantwoorden aan alle erkenningsvoorwaarden als vermeld in artikel 10, § 1;2° voldoen aan de programmatie- en rationalisatienormen als vermeld in artikel 12; 3° deelnemen aan en samenwerken binnen een lokaal overlegplatform, opgericht overeenkomstig artikel IV.2, § 2, eerste lid, van het
decreet van 28 juni 2002Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
28/06/2002
pub.
14/09/2002
numac
2002036137
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende gelijke onderwijskansen-I
sluiten betreffende gelijkeonderwijskansen-I. Onder samenwerken wordt verstaan de gegevens als vermeld in artikel IV.4, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet, leveren, en de afspraken, gemaakt in het kader van artikel IV.4, eerste lid, van hetzelfde decreet, naleven; 4° deelnemen aan en samenwerken binnen een of meer regionale overlegplatformen als vermeld in artikel 103;5° voor het Gemeenschapsonderwijs : de bevoegdheden van de schoolraad respecteren als vermeld in artikelen 10 tot en met 12 van het bijzonder
decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
14/07/1998
pub.
29/08/1998
numac
1998035933
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs
type
decreet
prom.
14/07/1998
pub.
10/09/1998
numac
1998035996
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten betreffende het Gemeenschapsonderwijs;6° voor het gesubsidieerd officieel onderwijs en het gesubsidieerd vrij onderwijs : geen afbreuk doen aan de besluitvormingsprocedures als vermeld in artikelen 19 tot en met 22 van het
decreet van 2 april 2004Relevante gevonden documenten
type
programmawet
prom.
10/02/1998
pub.
21/02/1998
numac
1998016046
bron
ministerie van middenstand en landbouw
Programmawet tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap
sluiten2 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Die voorwaarde houdt tevens in dat de directeur voor de aan hem door het centrumbestuur gedelegeerde bevoegdheden die voorwerp uitmaken van advies of overleg, voldoende gemandateerd wordt om in de verhouding tot de schoolraad autonoom te kunnen optreden; 7° maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren. § 2. Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs kan gefinancierd of gesubsidieerd worden vanaf het schooljaar van de oprichting ervan. Tijdens het schooljaar van oprichting kan dat centrum aan een inspectie worden onderworpen. De inspectie is specifiek gericht op de vaststelling of aan alle financierings of subsidiëringsvoorwaarden is voldaan. De resultaten van die inspectie moeten uiterlijk op 15 januari van het lopende schooljaar worden bekendgemaakt, zo niet worden ze geacht gunstig te zijn. Het centrum kan pas worden gefinancierd of gesubsidieerd, steeds met terugwerkende kracht vanaf 1 september van het lopende schooljaar, als de resultaten van de inspectie gunstig zijn of geacht worden gunstig te zijn. § 3. De financiering of subsidiëring van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt per schooljaar met een dienstbrief van het Agentschap voor Onderwijsdiensten bevestigd en meegedeeld aan het centrumbestuur in kwestie. § 4. De financiering of subsidiëring van een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat niet meer voldoet aan alle financierings- of subsidiëringsvoorwaarden, wordt door de Vlaamse Regering geheel of gedeeltelijk ingehouden. Die inhouding kan alleen op voorstel van de onderwijsinspectie als het gaat om de voorwaarden als vermeld in artikel 10, § 1, 2°, 4° en 5°. De Vlaamse Regering bepaalt de aanvullende bepalingen voor die inhouding en regelt de beroepsprocedure. Art. 12.§ 1. Voor een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat verbonden is aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs, bedraagt de programmatienorm 25 jongeren en de rationalisatienorm 40 jongeren.
Voor een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs bedraagt de programmatienorm 260 jongeren en de rationalisatienorm 240 jongeren.
Op verzoek van het centrumbestuur kan de Vlaamse Regering, na advies van de Vlaamse Onderwijsraad, voor een autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs gedurende een bepaalde periode een afwijking toestaan op de rationalisatienorm. Het centrumbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.
De desbetreffende norm moet op een van de volgende data worden bereikt : 1° op 1 februari van het voorafgaande schooljaar of op de eerstvolgende lesdag erna als de voormelde datum op een vrije dag valt : voor de programmatienorm als een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs overgaat van niet-autonoom naar autonoom, evenals voor de rationalisatienorm;2° op 1 oktober van het schooljaar in kwestie of op de eerstvolgende lesdag erna als de voormelde datum op een vrije dag valt : voor de programmatienorm in andere gevallen dan het geval als vermeld in 1°. Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs dat de rationalisatienorm niet meer bereikt, moet per 1 september daaropvolgend aan een van de volgende voorwaarden voldoen : 1° overgaan tot geleidelijke afbouw;2° fuseren met een ander al dan niet autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs;3° overgaan van autonoom centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs naar centrum, verbonden aan een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs waaraan nog geen centrum is verbonden, mits de op dat moment geldende rationalisatienorm wordt bereikt. § 2. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing als het deeltijds beroepssecundair onderwijs uitsluitend wordt georganiseerd in de vorm van zeevisserijonderwijs. In voorkomend geval geldt voor het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs geen norm voor de eerste vestigingsplaats en, vanaf de eventueel tweede vestigingsplaats, dat ten minste vijf jongeren ingeschreven moeten zijn in elke vestigingsplaats bij de aanvang van de opleiding. Art. 13.§ 1. In elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt een centrumraad opgericht. Deze heeft tot taak aan het centrumbestuur maatregelen voor te stellen die tot de goede werking van het centrum kunnen bijdragen. § 2. Aan het advies van de centrumraad worden vooraf onderworpen : 1° het centrumreglement als vermeld in artikel 50;2° de organisatorische en materiële uitbouw van het centrum, met inbegrip van de criteria voor de aanwending van het pakket uren-leraar als vermeld in artikel 90;3° de pedagogische aanpak van het leerprogramma;4° de aanwending van de beschikbare middelen;5° de aansluitingsproblematiek van het deeltijds beroepssecundair onderwijs op de arbeidsmarkt in het algemeen en de aansluitingsproblematiek van de component leren op de component werkplekleren in het bijzonder. § 3. De centrumraad telt ten minste zes leden en moet paritair worden samengesteld uit afgevaardigden van het onderwijs, aangewezen door het centrumbestuur, en afgevaardigden van socio-economische organisaties.
Een afgevaardigde van elk centrum voor deeltijdse vorming waarmee het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs samenwerkt en een afgevaardigde van het centrum voor leerlingenbegeleiding maken raadgevend deel uit van de centrumraad.
Onderafdeling II. - Centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen Art. 14.De theoretische vorming binnen de leertijd wordt door de Vlaamse Gemeenschap erkend en gesubsidieerd in door de Vlaamse Regering erkende centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen. Art. 15.Voor de erkenning van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen moeten alle voorwaarden als vermeld in artikel 37 van het
decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
programmawet
prom.
10/02/1998
pub.
21/02/1998
numac
1998016046
bron
ministerie van middenstand en landbouw
Programmawet tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap
sluiten1 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, zijn vervuld.
De Vlaamse Regering kan, op voorstel van een college, de erkenning voor wat betreft de leertijd van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen geleidelijk en geheel of gedeeltelijk opheffen als niet meer wordt voldaan aan de erkenningsvoorwaarden als vermeld in artikel 37 van hetzelfde decreet.
Dat college wordt voor de helft samengesteld uit inspectieleden uit het onderwijs, enerzijds, en voor de helft uit personeelsleden van Syntra Vlaanderen, anderzijds. Voor de toepassing van dit decreet wordt onder opheffing van erkenning verstaan : de opheffing van de mogelijkheid om aan de jongeren de van rechtswege geldende studiebewijzen als vermeld in artikelen 81, 82 of 83, toe te kennen of te laten toekennen.
De Vlaamse Regering legt de aanvullende bepalingen vast over de werking en de organisatie van dat college, wijst de leden ervan aan en regelt de beroepsprocedure. Art. 16.Voor de subsidiëring van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen moeten alle voorwaarden als vermeld in artikel 38 van het
decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
programmawet
prom.
10/02/1998
pub.
21/02/1998
numac
1998016046
bron
ministerie van middenstand en landbouw
Programmawet tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap
sluiten1 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, zijn vervuld.
De subsidiëring voor wat betreft de leertijd van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen dat niet meer voldoet aan alle subsidiëringsvoorwaarden, wordt door Syntra Vlaanderen geheel of gedeeltelijk ingehouden. Die inhouding kan alleen op voorstel van de onderwijsinspectie als het gaat om de voorwaarden als vermeld in artikel 38, § 3, van hetzelfde decreet. De Vlaamse Regering bepaalt de aanvullende bepalingen voor die inhouding en regelt de beroepsprocedure.
Onderafdeling III. - Centra voor deeltijdse vorming Art. 17.§ 1. Een centrum voor deeltijdse vorming kan door de Vlaamse Gemeenschap worden erkend en gesubsidieerd bij besluit van de Vlaamse Regering na advies van een commissie.
Een centrumbestuur dient daartoe uiterlijk op 1 januari van het voorafgaande schooljaar een aanvraagdossier in, waaruit blijkt dat het centrum voor deeltijdse vorming beschikt over de nodige expertise om persoonlijke ontwikkelingstrajecten te organiseren. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere procedureregels.
Uitsluitend verenigingen zonder winstoogmerk die actief zijn in het jeugdwerk of het vormingswerk komen als centrumbestuur in aanmerking. § 2. De commissie als vermeld in § 1, wordt paritair samengesteld uit : 1° afgevaardigden van het departement Onderwijs en Vorming, de onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten;2° deskundigen in de begeleiding van jongeren. Het departement Onderwijs en Vorming stelt de commissie samen en neemt het voorzitterschap ervan waar. § 3. In afwijking van § 1 worden de centra voor deeltijdse vorming van rechtswege door de Vlaamse Gemeenschap erkend en gesubsidieerd indien de organisator ervan tijdens het schooljaar 2007-2008 door de Vlaamse Gemeenschap werd gesubsidieerd voor zijn deeltijdse vormingen. Art. 18.§ 1. De commissie als vermeld in artikel 17, § 1, is tevens belast met bemiddeling in het geval dat een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs geen enkel samenwerkingsakkoord kan bereiken met een centrum voor deeltijdse vorming als vermeld in artikel 10, § 1, 10°.
Als na bemiddeling geen samenwerkingsakkoord tot stand komt, legt de Vlaamse Regering samenwerking op tussen het betrokken centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en een of meer centra voor deeltijdse vorming met het oog op de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan die samenwerking minimaal moet voldoen en garandeert daarbij de belangen van de betrokken jongeren en centra. § 2. De commissie als vermeld in artikel 17, § 1, is tevens belast met bemiddeling in het geval dat een centrum voor deeltijdse vorming geen enkel samenwerkingsakkoord kan bereiken met een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs als vermeld in artikel 19, § 1, 8°.
Als na bemiddeling geen samenwerkingsakkoord tot stand komt, legt de Vlaamse Regering samenwerking op tussen het betrokken centrum voor deeltijdse vorming en een of meer centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs met het oog op de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan die samenwerking minimaal moet voldoen en garandeert daarbij de belangen van de betrokken jongeren en centra. Art. 19.§ 1. Om voor erkenning en subsidiëring in aanmerking te komen, moet een centrum voor deeltijdse vorming aan alle onderstaande voorwaarden samen voldoen : 1° georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een centrumbestuur;2° gevestigd zijn in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden op het gebied van hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid voldoen;3° de controle van de onderwijsinspectie mogelijk maken;4° beschikken over voldoende didactisch materiaal en over een aangepaste uitrusting;5° de bepalingen naleven over de onderwijstaal en de taalkennis van het personeel als vermeld in de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs en als vermeld in de wet van 2 augustus 1963 op het gebruik van de talen in bestuurszaken;6° georganiseerd worden zoals vastgesteld bij dit decreet;7° de reglementering over de vakantieregeling en de aanwending van de onderwijstijd in acht nemen;8° een samenwerkingsakkoord hebben gesloten met ten minste één door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs met het oog op de organisatie van persoonlijke ontwikkelingstrajecten voor de jongeren, ingeschreven in dat centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, of de bemiddeling en samenwerking als vermeld in artikel 18, § 2, zijn aangegaan.Als dit een samenwerkingsakkoord met een officieel centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs betreft, dan moet het centrum voor deeltijdse vorming het neutraliteitsprincipe respecteren; 9° beschikken over personeel waarvan de gezondheidstoestand de gezondheid van de jongeren niet in gevaar brengt;10° de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigen;11° deelnemen aan en samenwerken binnen een of meer regionale overlegplatformen als vermeld in artikel 103;12° maximale inspanningen leveren om het voltijds engagement voor elke jongere te realiseren. § 2. De Vlaamse Regering kan, op voorstel van een college van onderwijsinspecteurs, de erkenning van een centrum voor deeltijdse vorming al dan niet geleidelijk en geheel of gedeeltelijk opheffen en de subsidiëring overeenkomstig inhouden, als niet meer wordt voldaan aan alle erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden. Dat college van onderwijsinspecteurs wordt voor de helft samengesteld uit inspectieleden die afkomstig zijn uit het officieel onderwijs, enerzijds, en voor de helft uit inspectieleden die afkomstig zijn uit het vrij onderwijs, anderzijds.
De Vlaamse Regering legt de aanvullende bepalingen vast over de werking en de organisatie van dat college van onderwijsinspecteurs, wijst de leden ervan aan en regelt de beroepsprocedure.
Onderafdeling IV. - Programmatie van het aanbod Art. 20.Elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs en elk centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen programmeert zijn eigen aanbod : 1° binnen het door de Vlaamse Regering vastgestelde totale aanbod van opleidingen in het deeltijds beroepssecundair onderwijs, respectievelijk in de leertijd;2° rekening houdend met lokale omstandigheden en lokale of individuele behoeften;3° na bespreking in het regionaal overlegplatform waarin het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen in kwestie participeert. Voor de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren, doen die bepalingen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de scholengemeenschappen secundair onderwijs om afspraken te maken over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod, zoals bepaald bij het
decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
14/07/1998
pub.
29/08/1998
numac
1998035933
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs
type
decreet
prom.
14/07/1998
pub.
10/09/1998
numac
1998035996
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
sluiten houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het
decreet van 25 februari 1997Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
25/02/1997
pub.
05/07/1997
numac
1997035724
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1988
type
decreet
prom.
25/02/1997
pub.
05/07/1997
numac
1997035730
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1987
sluiten betreffende het basisonderwijs.
Voor de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen doen die bepalingen geen afbreuk aan de bevoegdheden van Syntra Vlaanderen en zijn raad van bestuur, zoals bepaald bij het
decreet van 7 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
programmawet
prom.
10/02/1998
pub.
21/02/1998
numac
1998016046
bron
ministerie van middenstand en landbouw
Programmawet tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap
sluiten1 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen. Art. 21.Elk centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, elk centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen en elk centrum voor deeltijdse vorming is vrij in de ingebruikname van vestigingsplaatsen.
Voor de toepassing van dit decreet kan een locatie alleen de vestigingsplaats van een centrum zijn als er een deel of het geheel van het opleidings- of vormingsaanbod met eigen personeel wordt georganiseerd.
Elk centrum wijst een administratieve zetel aan. Als een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs verbonden is aan een instelling met voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, is de hoofdvestigingsplaats van die instelling van rechtswege de administratieve zetel van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Afdeling II. - Aanbod en organisatie
Onderafdeling I. - Opleidingsaanbod deeltijds beroepssecundair onderwijs en leertijd Art. 22.De Vlaamse Regering legt, afzonderlijk voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs en voor de leertijd, de lijst van opleidingen vast die kunnen worden georganiseerd. Art. 23.§ 1. Om de lijsten van opleidingen vast te stellen, worden alle bestaande opleidingen gescreend op basis van de omschakelingskalender, bedoeld in artikel 28, § 2.
Die screening strekt ertoe een rationeel en transparant opleidingsaanbod tot stand te brengen door middel van, eventueel, omzetting, samenvoeging of schrapping van benamingen van opleidingen. § 2. De screening van de bestaande opleidingen wordt uitgevoerd door een commissie, die bestaat uit : 1° afgevaardigden van het departement Onderwijs en Vorming, de onderwijsinspectie, het Agentschap voor Onderwijsdiensten;2° deskundigen in de beroepswereld, intern of extern aan de opleidingensector. Het departement Onderwijs en Vorming stelt de commissie samen en neemt het voorzitterschap ervan waar.
De conclusies van de commissie worden voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs ter advies voorgelegd aan de Vlaamse Onderwijsraad en voor de leertijd aan de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen.
Op basis van de conclusies van de commissie en het advies van de Vlaamse Onderwijsraad, respectievelijk de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen, neemt de Vlaamse Regering een beslissing. § 3. Overeenkomstig de bepalingen van §§ 1 en 2 kan een screening periodiek worden herhaald. Art. 24.§ 1. De Vlaamse Regering kan nieuwe opleidingen vastleggen.
De Vlaamse Regering kan daartoe, al dan niet in het kader van de screening als vermeld in artikel 23, § 1, zelf het initiatief nemen of ze kan onderbouwde voorstellen in overweging nemen die door opleidingsverstrekkers of derden worden ingediend. § 2. Een initiatief tot of een voorstel van nieuwe opleiding wordt voorgelegd aan de commissie als vermeld in artikel 23, § 2. De commissie onderzoekt het voorstel ten minste op volledigheid, correctheid en actualiteitswaarde, en formuleert conclusies.
Het oorspronkelijke initiatief of voorstel en de conclusies van de commissie worden ter advies voorgelegd aan de Vlaamse Onderwijsraad, aan de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen of aan beide, afhankelijk van waar de opleiding wordt ondergebracht.
Op basis van de conclusies van de commissie en het advies van de Vlaamse Onderwijsraad, respectievelijk de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen of beide, neemt de Vlaamse Regering een beslissing.
De Vlaamse Regering legt de termijnen vast met betrekking tot de indienings- en adviseringsprocedure. Art. 25.Bij de uitvoering van de opdrachten als vermeld in artikelen 23 en 24, past de commissie al de volgende criteria toe : 1° de opleiding is, in voorkomend geval, in overeenstemming met : a) maatschappelijke ontwikkelingen;b) economische ontwikkelingen, waaronder potentiële tewerkstelling;c) culturele ontwikkelingen;d) technologische ontwikkelingen;e) Europese, federale of Vlaamse regelgeving vanuit de beleidsdomeinen en beleidsniveaus;2° de invulling van de opleiding wordt bepaald vanuit een of meer actuele referentiekaders;3° de onderwijskundige en opvoedkundige context : a) de opleiding is afgestemd op het ontwikkelingsniveau en de talenten van de doelgroep;b) de opleiding past in het concept van leren en werken;c) de opleiding stimuleert de motivatie tot leren en werkplekleren bij jongeren;4° de optimalisering en vrijwaring van de continuïteit in de (studie)loopbaan : a) de inpassing in het bestaande opleidingsaanbod;b) het, waar mogelijk, parallellisme tussen het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd, inzonderheid bij opleidingen die tot dezelfde kwalificatie leiden;c) de waarborgen voor aansluiting op vervolgopleidingen of tewerkstellingsmogelijkheden. Onderafdeling II. - Aanbod van de centra voor deeltijdse vorming Art. 26.Het aanbod van een centrum voor deeltijdse vorming bestaat uit de organisatie van : 1° persoonlijke ontwikkelingstrajecten;2° eventueel : de algemene vorming binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs;3° eventueel : ondersteuning van leerlinggebonden activiteiten in de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs. Onderafdeling III. - Organisatie deeltijds beroepssecundair onderwijs Art. 27.§ 1. Deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt verstrekt naar rata van 15 wekelijkse uren vanaf 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar, met uitzondering van de vakantieperiodes zoals vastgelegd bij
besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
05/07/1999
pub.
10/09/1999
numac
1999036184
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Ministerieel besluit tot vastlegging van de benamingen die kunnen voorkomen op de kwalificatiegetuigschriften van het deeltijds beroepssecundair onderwijs
sluiten2 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs.
In afwijking hiervan : 1° kan de Vlaamse Regering op gemotiveerd verzoek van het centrumbestuur toestemming verlenen om het deeltijds beroepssecundair onderwijs in een ander week- of jaarritme te organiseren op voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan het totale aantal uren op jaarbasis;2° kan het centrumbestuur het aantal wekelijkse uren verhogen voor jongeren die de component werkplekleren tijdelijk niet invullen.Het centrumbestuur bepaalt of die bijkomende uren aan algemene vorming of aan beroepsgerichte vorming worden besteed; 3° wordt het deeltijds beroepssecundair onderwijs in de vorm van zeevisserijonderwijs verstrekt gedurende ten minste 7 en ten hoogste 10 weken per schooljaar naar rata van minimaal 240 uren. § 2. Deeltijds beroepssecundair onderwijs, verstrekt door een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, bestaat uit algemene vorming en beroepsgerichte vorming.
In afwijking hiervan : 1° kan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs enkel de beroepsgerichte vorming verstrekken en de algemene vorming laten verstrekken door een centrum voor deeltijdse vorming;2° kan de klassenraad, vanaf het schooljaar dat begint in het kalenderjaar waarin de jongere de leeftijd van 18 jaar bereikt, de jongere vrijstellen van de algemene vorming.Als van die mogelijkheid wordt gebruikgemaakt, worden 15 wekelijkse uren volledig aan beroepsgerichte vorming besteed. § 3. Een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs moet altijd gedurende ten minste 9 halve lesdagen per week opengesteld zijn. § 4. Voor de organisatie van de beroepsgerichte vorming kan een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs samenwerken met instellingen voor voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs, met andere centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, met centra voor volwassenenonderwijs of met centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
Daartoe wordt er tussen het centrum en de instelling in kwestie of tussen de twee centra in kwestie een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin alle noodzakelijk geachte afspraken en voorwaarden zijn opgenomen. Art. 28.§ 1. Het deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt modulair georganiseerd, waarbij de opleiding wordt aangeboden in modules.
Elke opleiding bestaat uit een of meer modules. Dezelfde module kan in verschillende opleidingen voorkomen.
De Vlaamse Regering ontwikkelt, tezamen met het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, de opleidingenstructuur. Voorafgaand aan een definitieve beslissing, legt ze het resultaat ter advies aan de Vlaamse Onderwijsraad voor. Onder opleidingenstructuur wordt verstaan : 1° de modules per opleiding;2° de aanduiding dat de modules zich sequentieel of onafhankelijk tot elkaar verhouden. In hoofde van de leerling kan een opleiding starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een of meer schooljaren.
Een module kan starten op elk ogenblik van het schooljaar en gespreid worden over een aantal dagen of weken.
In het deeltijds beroepssecundair onderwijs kunnen geen stages worden georganiseerd. § 2. De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip, dat valt op 1 september 2009, 1 september 2010, 1 september 2011 of 1 september 2012, waarop een opleiding omschakelt van een niet-modulaire naar een modulaire organisatie van het deeltijds beroepssecundair onderwijs. § 3. In afwijking van § 1 en in afwachting van het tijdstip als vermeld in § 2, wordt in de overgangsperiode het deeltijds beroepssecundair onderwijs niet-modulair georganiseerd.
De opleiding wordt er aangeboden door middel van algemene, technische en praktische vakken en, eventueel, seminaries. Stages kunnen niet worden georganiseerd. De vakbenamingen worden door de Vlaamse Regering vastgelegd en zijn dezelfde als die voor het voltijds gewoon secundair onderwijs.
Een opleiding start bij het begin van het schooljaar en wordt gespreid over een of meer schooljaren. § 4. In afwachting van het tijdstip als vermeld in § 2, blijven de centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs de opleidingen die ze, op experimentele wijze, reeds modulair organiseerden tot aan de inwerkingtreding van dit decreet overeenkomstig de bepalingen van het
besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2002Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
05/07/1999
pub.
10/09/1999
numac
1999036184
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Ministerieel besluit tot vastlegging van de benamingen die kunnen voorkomen op de kwalificatiegetuigschriften van het deeltijds beroepssecundair onderwijs
sluiten5 betreffende het experimenteel secundair onderwijs volgens een modulair stelsel, op dezelfde wijze verder modulair organiseren. Art. 29.§ 1. Eindtermen kunnen vakgebonden of vakoverschrijdend zijn.
Vakgebonden eindtermen worden vastgelegd voor de basisvorming, zoals bepaald bij het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II. De onderwijsinstelling in kwestie heeft de maatschappelijke opdracht de vakgebonden eindtermen met betrekking tot kennis, inzicht en vaardigheden bij de jongeren te bereiken. Het bereiken van die eindtermen zal worden afgewogen tegenover de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie. Vakgebonden eindtermen met betrekking tot attitudes moeten door de onderwijsinstelling bij de jongeren worden nagestreefd.
Vakoverschrijdende eindtermen zijn minimumdoelen die niet specifiek behoren tot een vakgebied, maar onder meer door middel van meer vakken of onderwijsprojecten worden nagestreefd. Elke instelling heeft de maatschappelijke opdracht de vakoverschrijdende eindtermen bij de jongeren na te streven. De instelling toont aan dat ze met een eigen planning aan de vakoverschrijdende eindtermen werkt.
Elke opleidingsverstrekker beschikt over de vrijheid om leerplannen vast te stellen. Met het oog op de toepassing ervan moeten de leerplannen door de Vlaamse Regering zijn goedgekeurd, volgens de vooraf door haar bepaalde criteria. In leerplannen moeten de vakgebonden eindtermen, als ze bepaald zijn, op een herkenbare wijze worden opgenomen. Leerplannen bevatten daarnaast en desgewenst de doelen die de opleidingsverstrekker uitdrukkelijk formuleert voor de jongeren vanuit het eigen opvoedingsproject in het algemeen of de eigen visie op het vak in het bijzonder. Ook moeten leerplannen voldoende ruimte laten voor de inbreng van onderwijsinstellingen, leraren, lerarenteams of de jongeren zelf. § 2. Om het studiepeil te waarborgen, en uitsluitend met het oog op de uitreiking in het deeltijds beroepssecundair onderwijs van graad- of leerjaargebonden eindstudiebewijzen, identiek aan die van het voltijds gewoon secundair onderwijs, zijn de bepalingen over eindtermen en leerplannen als vermeld in § 1 en met uitzondering van het vak lichamelijke opvoeding, van toepassing op de algemene vorming.
Dit houdt in dat de algemene vorming wordt verstrekt op basis van enerzijds door de Vlaamse Regering goedgekeurde leerplannen waarin op herkenbare wijze de vakgebonden eindtermen moeten worden opgenomen, en anderzijds, en uiterlijk vanaf het schooljaar 2009-2010, met inachtname van de vakoverschrijdende eindtermen.
Met vakgebonden eindtermen worden de eindtermen voor de vakken van de basisvorming bedoeld, met uitzondering van het vak lichamelijke opvoeding, van respectievelijk de tweede graad - eerste en tweede leerjaar, de derde graad - eerste en tweede leerjaar, of de derde graad - derde leerjaar, van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs, naargelang van het geval. Met vakoverschrijdende eindtermen worden de eindtermen bedoeld van respectievelijk de tweede graad of de derde graad van het voltijds gewoon beroepssecundair onderwijs, naargelang van het geval. § 3. Als een centrumbestuur oordeelt dat de eindtermen onvoldoende ruimte laten voor zijn eigen pedagogische en onderwijskundige opvattingen of ermee onverzoenbaar zijn, dient het bij de Vlaamse Regering een aanvraag tot afwijking in. In voorkomend geval gelden de afwijkingsvoorwaarden en -procedure die ook van toepassing zijn in het voltijds gewoon secundair onderwijs als vermeld in het
decreet van 18 januari 2002Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
18/01/2002
pub.
08/02/2002
numac
2001035155
bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
Decreet betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs
sluiten betreffende de eindtermen, de ontwikkelingsdoelen en de specifieke eindtermen in het voltijds gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Art. 30.§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt in nauw overleg met de beroepssectoren, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, en de Vlaamse Onderwijsraad de referentiekaders waarvan de doelen voor de beroepsgerichte vorming van de opleidingen binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs worden afgeleid. In deze doelen worden, voor zover ze bepaald zijn, onverkort de beroepscompetentieprofielen zoals ontwikkeld door de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen opgenomen.
De doelen waarborgen de toepassing van eventuele Europese, federale of Vlaamse regelgeving inzake beroepsuitoefening.
De beroepsgerichte vorming kan enkel gerealiseerd worden door middel van het geïntegreerd doorlopen van de component leren en de component werkplekleren.
Voor een opleiding die zowel in het deeltijds beroepssecundair onderwijs als in de leertijd voorkomt, geldt hetzelfde referentiekader. Als het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de leertijd hetzelfde referentiekader hanteren, dan geldt dat vanaf hetzelfde schooljaar. § 2. De bepalingen van § 1 gelden niet voor opleidingen binnen het deeltijds beroepssecundair onderwijs die door de centra niet-modulair worden georganiseerd in afwachting van het opleidingsaanbod dat tot stand komt na screening als vermeld in artikel 23, § 1. In voorkomend geval worden de door de Vlaamse Regering, na advies van de Vlaamse Onderwijsraad, goedgekeurde opleidingskaarten als referentiekader gehanteerd waarin de minimale leerdoelen en inhouden van de opleiding in kwestie worden beschreven.
Onderafdeling IV. - Organisatie leertijd Art. 31.De leertijd bestaat uit een praktijkopleiding in een onderneming, aangevuld met een theoretische vorming in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen.
Praktijkopleiding en aanvullende theoretische vorming zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De praktijkopleiding staat gelijk met de component werkplekleren en de theoretische vorming staat gelijk met de component leren.
Voor de praktijkopleiding in de leertijd wordt een leerovereenkomst voor bepaalde duur tussen een ondernemingshoofdopleider en een jongere gesloten.
De theoretische vorming in een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen wordt verstrekt gedurende ten minste 30 weken per schooljaar naar rata van minimaal 8 wekelijkse uren, waaronder minimaal 4 uren algemene vorming en minimaal 4 uren beroepsgerichte vorming. De raad van bestuur van Syntra Vlaanderen kan voor bijzondere gevallen beslissen om een opleiding in een ander week- of jaarritme te organiseren op voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan het totale aantal uren op jaarbasis.
Vanaf het schooljaar dat begint in het kalenderjaar waarin de jongere de leeftijd van 18 jaar bereikt, kan Syntra Vlaanderen de jongere vrijstellen van de algemene vorming. Art. 32.§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt in nauw overleg met de beroepssectoren, de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, en de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen de referentiekaders waarvan de doelen voor de beroepsgerichte vorming van de opleidingen binnen de leertijd worden afgeleid. In deze doelen worden, voor zover ze bepaald zijn, onverkort de beroepscompetentieprofielen zoals ontwikkeld door de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen opgenomen.
De doelen waarborgen de toepassing van eventuele Europese, federale of Vlaamse regelgeving inzake beroepsuitoefening.
Voor een opleiding die zowel in de leertijd als in het deeltijds beroepssecundair onderwijs voorkomt, geldt hetzelfde referentiekader.
Als de leertijd en het deeltijds beroepssecundair onderwijs hetzelfde referentiekader hanteren, dan geldt dat vanaf hetzelfde schooljaar. § 2. De bepalingen van § 1 gelden niet voor opleidingen binnen de leertijd die door de centra worden georganiseerd in afwachting van het opleidingsaanbod dat tot stand komt na screening als vermeld in artikel 23, § 1. In voorkomend geval worden de door de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen goedgekeurde programma's als referentiekader gehanteerd waarin de minimale leerdoelen en -inhouden van de opleiding in kwestie worden beschreven. Art. 33.§ 1. Om het studiepeil te waarborgen, en uitsluitend met het oog op de uitreiking in de leertijd van graad- of leerjaargebonden eindstudiebewijzen, identiek aan die van het voltijds gewoon secundair onderw …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.