← België

Koninklijk besluit betreffende de levensverzekeringsactiviteit

Kort samengevat

Dit Koninklijk Besluit regelt de levensverzekeringsactiviteit in België en vervangt een eerder besluit uit 1992. Het is opgesteld ter uitvoering van verschillende wetten en richtlijnen, waaronder die betreffende de controle van verzekeringsondernemingen en aanvullende pensioenen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
14 NOVEMBER 2003. - Koninklijk besluit betreffende de levensverzekeringsactiviteit VERSLAG AAN DE KONING Sire, Wij hebben de eer het bijgevoegde ontwerp van koninklijk besluit voor te leggen aan Uwe Majesteit, dat opgesteld is ter uitvoering van de wet van 9 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 09/07/1975 pub. 24/12/2014 numac 2014000890 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de controle der verzekeringsondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, hierna "wet op de landverzekeringsovereenkomst" genoemd, en de wet van 28 april 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/2003 pub. 15/05/2003 numac 2003022481 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid type wet prom. 28/04/2003 pub. 16/11/2010 numac 2010000643 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de aanvullende pensioenen.. Dit ontwerp vervangt het koninklijk besluit van 17 december 1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit, hierna « besluit-Leven van 1992 » genoemd. De vervanging van het besluit van 17 december 1992 door het huidige besluit steunt op het feit dat er talrijke wijzigingen in aangebracht zijn. Dit ontwerp heeft als doel : 1. de regels vast te leggen inzake verrichtingen in België en in het buitenland, in overeenstemming met richtlijn 2002/83/EG het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering.Hiertoe : - dienen de bepalingen te worden vastgesteld die niet meer van toepassing zijn op de verzekeringsondernemingen die hun hoofdkantoor in een van de landen van de Gemeenschap hebben, met uitzondering van België; - dient de activiteit van de Belgische verzekeringsondernemingen buiten het nationale grondgebied te worden gereglementeerd; 2. het hoofdstuk in verband met de groepsverzekering aan te passen en een nieuw hoofdstuk voor de individuele pensioentoezegggingsverzekering in te voeren om rekening te houden met de bepalingen van de wet van 28 april 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/2003 pub. 15/05/2003 numac 2003022481 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid type wet prom. 28/04/2003 pub. 16/11/2010 numac 2010000643 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid., hierna de WAP genoemd; 3. de volgende regels en bepalingen in te voeren : - voor tak 23, gelijkaardige regels als die inzake interne externe fondsen in de bankreglementering (I.C.B.); - bepalingen betreffende de afgezonderde fondsen; - bepalingen betreffende de tontineverrichtingen (tak 25). Deze verrichtingen mogen al dan niet met beleggingsfondsen verbonden zijn; - bepalingen betreffende de kapitalisatieverrichtingen (tak 26); - bepalingen betreffende het beheer van collectieve pensioenfondsen voor eigen rekening (tak 21 of 23) of voor rekening van derden (tak 27). Sommige bepalingen van het besluit-Leven van 1992 zijn niet overgenomen. Het betreft hier de bepalingen die betrekking hebben op : - de gewaarborgde rentevoet die hoger is dan de referentierentevoet die geldt voor nog te vestigen prestaties (jaarpremies); deze bepaling is strijdig met de eerder vermelde levensrichtlijn 2002/83/EG; - het bezorgen aan de Commissie voor het Bank- Financier- en Assurantiewezen (CBFA) van documenten, namelijk de polismodellen, de groepsverzekeringsreglementen en bijgevolg de financieringsplannen, aangezien de eerder vermelde levensrichtlijn 2002/83/EG niet meer toelaat dat deze documenten stelselmatig opgevraagd worden; - de techniek van de minimumfinanciering voor de groepsverzekering, die in de stelsels van het type "vaste prestaties" gebruikt wordt bij individuele kapitalisatie. Een stelsel dat kan leiden tot een ontoereikende financiering van de in de WAP omschreven verworven rechten, kan immers niet worden toegelaten; - de zesmaandelijkse melding aan de CBFA van de weigeringen tot betaling. Deze bepaling heeft geen onmiddellijk nut. Zo nodig hebben de verzekerden of de begunstigden nog altijd de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de CBFA; - de aan de tussenpersonen toegekende commissielonen, die geen afbreuk mogen doen aan de waarborgen die met verzekeringsverrichtingen verbonden zijn. Deze bepaling is opgeheven omdat er een controle op de rendabiliteit bestaat. Alleen de artikelen van het ontwerpbesluit die commentaar behoeven worden hierna besproken. HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied (artikelen 1 tot 4) Artikel 2 Het toepassingsgebied van de reglementering betreffende de levensverzekering wordt uitgebreid tot het beheer voor eigen rekening (tak 21 of 23), de tontineverrichtingen (tak 25), de kapitalisatieverrichtingen (tak 26) en het beheer voor rekening van derden (tak 27). De verrichtingen van de takken 25 en 26 zijn tot nu toe nog nooit gereglementeerd geweest, hoewel ze voorkomen in de indeling van de risico's per groep van activiteit en per tak, die als bijlage I bij het koninklijk besluit van 22 februari 1991Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/02/1991 pub. 08/09/2005 numac 2005000468 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen. - Duitse vertaling sluiten houdende algemeen reglement betreffende de controle der verzekeringsondernemingen gevoegd is. Deze verrichtingen worden momenteel nog niet uitgevoerd door de verzekeringsondernemingen die in België gevestigd zijn maar worden wel al aangeboden op onze markt in het kader van het vrij verrichten van diensten. Het is dus absoluut noodzakelijk dat de reglementering betreffende de levensverzekeringsactiviteit uitgebreid wordt tot de voornoemde takken. Zo kunnen er regels vastgesteld worden voor de verzekeringsondernemingen die in België toegelaten zijn en die deze takken zouden willen uitoefenen en kan er ook bescherming geboden worden aan de betrokken verzekeringnemers en de verzekerden, wat ook de herkomst is van de verzekeringsonderneming waarmee de overeenkomst gesloten wordt. Het ontwerp van koninklijk besluit bevat enkele specifieke bepalingen voor deze takken maar gezien de aard van de verrichtingen zijn uiteraard niet alle regels van het ontwerp van toepassing op deze takken. Zo zijn de regels betreffende de voorvalswetten bijvoorbeeld niet van toepassing voor de kapitalisatie. Uit dit artikel volgt dat enkel rechtstreekse verzekeringsverrichtingen bedoeld worden door dit besluit. Artikel 4 Het derde lid vermeldt welke bepalingen niet van toepassing zijn op de verzekeringsondernemingen die hun hoofdkantoor in een van de landen van de Gemeenschap hebben, met uitzondering van België. De andere bepalingen zijn van algemeen belang en moeten dus worden nageleefd door alle verzekeringsondernemingen die in België bedrijvig zijn. HOOFDSTUKKEN II en III. Onderschrijving van de verzekeringsovereenkomst Uitvoering van de overeenkomst (artikelen 5 tot 21) Om overlapping met de wet op de landverzekeringsovereenkomst te vermijden, zijn sommige bepalingen niet opgenomen in dit ontwerp. Het gaat om de volgende bepalingen : - de ondertekening van een voorstel verbindt de partijen niet tot het sluiten van de overeenkomst (artikel 4 - wet op de landverzekeringsovereenkomst); - het overhandigen aan de verzekeringnemer door de verzekeringsonderneming, bij het sluiten van de overeenkomst, van een afschrift van de inlichtingen die hij aan de verzekeringsonderneming heeft meegedeeld (artikel 10, § 3 - wet op de landverzekeringsovereenkomst); - de inwerkingtreding van de overeenkomst (artikel 10, § 2, 1° - wet op de landverzekeringsovereenkomst); - het oorlogsrisico (artikel 9 - wet op de landverzekeringsovereenkomst). Artikel 6, b) De tekst van artikel 4, § 2, b) van het besluit-Leven van 1992 geschrapt om dat strijdig bleek te zijn met de eerder vermelde levensrichtlijn 2002/83/EG. (Arrest van 5 maart 2002 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak C-386/00 tussen Axa Royale Belge en Georges Ochoa / Stratégie Finance Sprl) Artikel 8 De inlichtingen die in dit artikel 8 opgesomd worden, komen bovenop de inlichtingen die vermeld zijn in artikel 15 van het koninklijk besluit van 22 februari 1991Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/02/1991 pub. 08/09/2005 numac 2005000468 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen. - Duitse vertaling sluiten houdende algemeen reglement betreffende de controle der verzekeringsondernemingen. Artikel 8, §§ 1, 2 en 3 Om de transparantie van de levensverzekeringsovereenkomsten te vergroten is artikel 6 § 1 van het besluit-Leven volledig herschreven, zodat de verzekeringnemer de meest relevante informatie krijgt volgens het type van product dat hij onderschreven heeft In § 3 worden, enerzijds, de Universal Life-overeenkomsten van tak 21 bedoeld waarin de verzekerde kapitalen in geval van leven nog niet kunnen worden opgegeven ten gevolge van bijvoorbeeld het afhouden van de overlijdenspremie van de reserve en, anderzijds, de overeenkomsten verbonden met beleggingsfondsen. De afwijkingen waarin voorzien is in artikel 6 § 1 van het besluit-Leven van 1992 betreffende de groepsverzekering en de beleggingsfondsen, worden vermeld in de desbetreffende hoofdstukken. Artikel 8, § 5 et 6 Bedoeling van deze paragrafen is dat de reclame en de aanbiedingen die van de verzekeringsondernemingen uitgaan, bruikbare inlichtingen over de aangeprezen producten zouden artikel bevatten. Artikel 9, § 1 De tekst van artikel 7,§ 1, van het besluit-Leven van 1992, betreffende de mogelijkheid om de overeenkomst op te zeggen binnen dertig dagen, te rekenen vanaf de inwerkingtreding ervan,, is aangepast om rekening te houden met de verrichtingen die verbonden zijn met een beleggingsfonds en met de in artikel 24, § 2, tweede lid en § 3 bedoelde verrichtingen. Het spreekt vanzelf dat de verzekeringsonderneming bij de verrichtingen verbonden met beleggingsfondsen ook de bedragen verbruikt om het overlijdensrisico te dekken, mag afhouden. Artikel 9, § 2 Voor de overeenkomsten die onderschreven zijn ter dekking of voor het opnieuw samenstellen van een krediet, is de termijn van 15 dagen waarin voorzien was in § 2 van artikel 7 van het besluit-Leven van 1992 verlengd tot 30 dagen, naar analogie met § 1. Artikel 10, § 2 Deze tekst bepaalt dat de polis aangeeft in welke mate en voor welke duur de technische grondslagen van de tarifering gewaarborgd zijn. Wanneer hierover niets gezegd wordt in de polis, maar het bedrag van de premies en van de verzekerde prestaties vastgesteld wordt in de bijzondere voorwaarden, houdt bovenvermelde tekst in dat de technische grondslagen die voor de tarifering gebruikt worden, voor de volledige looptijd van de overeenkomst gewaarborgd zijn. Wanneer er niet gepreciseerd wordt welke technische grondslagen gebruikt moeten worden voor de waarborgverhogingen die voorvloeien uit de in de overeenkomst vastgestelde indexaties, worden al deze verhogingen berekend met behulp van de oorspronkelijke technische grondslagen. Artikel 13, § 1 Gezien de lage reductiewaarden voor de tijdelijke verzekeringen bij overlijden met periodieke constante premies, wordt deze paragraaf aangepast om de verzekeringsondernemingen toe te laten in dit type van overeenkomsten vast te leggen dat de verzekeringnemer geen recht heeft op een reductie van de overeenkomst zoals dat het geval is in andere landen. Om eventueel misbruik vanwege de verzekeringsondernemingen te vermijden, geldt deze afwijking echter enkel voor de verrichtingen waarvoor de premies betaalbaar zijn gedurende een periode die langer is dan de helft van de looptijd van de overeenkomst. Artikel 14 Dit artikel bepaalt dat in geval van niet-betaling van de premie voor de tijdelijke verzekeringen bij overlijden met periodieke constante premies, de overeenkomsten opgezegd worden; ook de datum waarop de opzegging uitwerking heeft, wordt in dit artikel vastgelegd. Artikel 15, § 2, 2° Het verzenden van een gewone brief in plaats van een aangetekende brief volstaat wanneer de theoretische afkoopwaarde kleiner is dan 25 euro. Hiermee wordt vermeden dat de verzekeringsonderneming kosten oploopt voor lage afkoopwaarden. Artikel 15, § 4 De polis moet voortaan vermelden op welke wijze de reductievergoeding berekend wordt, zodat de verzekeringnemer op de hoogte is van het bestaan en van de berekeningswijze van deze vergoeding. Artikel 17, § 1 Er is een beperking van het recht op afkoop ingesteld voor de gevallen waarin andere reglementeringen de afkoop verbieden, bijvoorbeeld de verrichtingen bedoeld in het koninklijk besluit van 14 mei 1969 betreffende de toekenning van buitenwettelijke voordelen aan de werknemers bedoeld bij koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers. Gezien de lage afkoopwaarden voor de tijdelijke verzekeringen bij overlijden met periodieke constante premies, wordt deze paragraaf aangepast om de verzekeringsondernemingen toe te laten in dit type van overeenkomsten vast te leggen dat de verzekeringnemer geen recht heeft op afkoop van zijn overeenkomst, zoals dat het geval is in andere landen. Om eventueel misbruik vanwege de verzekeringsondernemingen te vermijden, geldt deze afwijking echter enkel voor de verrichtingen waarvoor de premies betaalbaar zijn gedurende een periode die langer is dan de helft van de looptijd van de overeenkomst. De afkoop van de overeenkomst is overigens moeilijk te verenigen met de filosofie van de tontineverrichtingen. Het is dus niet aangewezen stelselmatig een recht op afkoop te geven aan de verzekeringnemers. Artikel 17, § 4 Deze paragraaf, die betrekking heeft op de datum waarop de afkoop uitwerking heeft, is uitgebreid tot de verrichtingen bedoeld in artikel 24, § 2, tweede lid, en § 3, en tot de verrichtingen die verbonden zijn met een beleggingsfonds. Artikelen 19 en 20 De door deze artikelen bedoelde theoretische afkoopwaarde is deze die niet gecorrigeerd wordt krachtens artikel 30, § 2, laatste lid. Overigens zijn de bepalingen van de laatste zin van artikel 19, 5° en van de laatste zin van artikel 20, 8° overgenomen van het koninklijk besluit van 30 april 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/04/1999 pub. 16/07/1999 numac 1999011195 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 december 1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit sluiten ter wijziging van het koninklijk besluit van 17 december 1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit op één wijziging na. Om zo de ambiguïteit die de hoger vermelde tekst met zich meebracht, namelijk met het volgend boekjaar kon zowel het boekjaar van de verdeling als het boekjaar van de toekenning bedoeld worden, werden de woorden « tijdens het volgende boekjaar » vervangen door de woorden « betreffende het lopende boekjaar ». Artikel 21 De wederinwerkingstelling van de overeenkomsten moet geschieden op basis van de oude technische grondslagen. Zoniet zou er geen verschil zijn met de onderschrijving van een nieuwe verzekeringsovereenkomst en zou dit artikel overbodig zijn. De mogelijkheid tot uitsluiting van zelfmoord gedurende het eerste jaar van de overeenkomst is uitgebreid tot het gedeelte van de prestaties die het voorwerp uitmaken van een wederinwerkingstelling, om de verzekeringsonderneming in staat te stellen zich tegen het antiselectierisico te beveiligen. HOOFDSTUK IV. - Tarieven, reserves en voorzieningen (artikelen 22 tot 31) Afdelingen 1 en 2. - Technisch dossier - Bepalingen inzake tarifering Artikel 23 Dit artikel voert een bepaling in die het publiek in staat stelt het technisch dossier en het winstdelingsplan te raadplegen. Artikel 24 § 1 bevat de basisprincipes in verband met de toereikendheid van de technische grondslagen en de §§ 2, 3 en 4 stellen de regels vast waaraan deze technische grondslagen moeten voldoen. § 1 vormt dus geen afwijking van de §§ 2, 3 en 4. Deze tekst heeft overigens tot gevolg dat de verzekeringsondernemingen er niet mogen van uitgaan dat de toeslagen gedekt zijn door de geraamde winst. Artikel 24, § 2 De referentierentevoet is om prudentiële redenen teruggebracht tot 3,75 % sedert de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 30 april 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/04/1999 pub. 16/07/1999 numac 1999011195 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 december 1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit sluiten. Voor de prestaties bij leven van de verrichtingen waarvan de duur niet langer is dan 8 jaar, wordt de technische rentevoet beperkt tot de spot rate voor dezelfde duur omdat de rentevoet van de markt voor deze verrichtingen lager kan zijn dan de technische referentierentevoet. De spot rate is de interne rendementsvoet voor een vaste verrichting die de betaling op de vervaldag van een prestatie inhoudt als tegenprestatie van één premie bij de aanvang. De berekeningswijze van de spot rate wordt bepaald in bijlage 4. Deze beperking geldt enkel voor de prestaties bij leven aangezien bij prestaties bij overlijden vooral de sterftetafel en niet de rentevoet het tarief beïnvloedt. Alle munten die deelnemen aan de muntunie worden met de euro gelijkgesteld. Artikel 24, § 3 In dit artikel wordt gepreciseerd dat de referentierentevoet voor verrichtingen in een andere munt dan de euro, die is welke voortvloeit uit de regels van het land van de betrokken munt. Bij ontstentenis daarvan zijn de regels betreffende de verrichtingen in euro van toepassing. Artikel 24, § 5, 2° en § 6, 2° Voor de overlevings- en sterftekansen van de verrichtingen waarvan het risico in het buitenland gelegen is, baseert de reglementering zich op de sterfte in het land van het risico. Artikel 24, § 4, tweede lid De technische rentevoet die hoger is dan de technische referentierentevoet (hoge rentevoet) wordt momenteel bepaald op basis van een lineaire interpolatie van de actuariële rendementsvoeten van twee lineaire obligaties (olo's) waarvan de vervaldagen het dichtst bij het einde van de waarborg van de hoge rentevoet liggen. Het besluit-Leven van 1992 bepaalde evenwel dat de interesten jaarlijks herbelegd werden aan de technische referentierentevoet van 4,75 %. Om dit probleem in verband met de herbelegging te vermijden, wordt de vroegere wijze van vaststelling van deze rentevoet vervangen door de techniek van de spot rate. Alle munten die deelnemen aan de muntunie worden met de euro gelijkgesteld. Artikel 24, § 4, derde lid Voor de verrichtingen in een andere munt dan de euro wordt in een bepaling voorzien die analoog is aan die omschreven in het tweede lid. Artikel 24, § 7 De oude tekst bevatte geen enkele beperking voor de sterfte- of overlevingskansen die gedurende ten hoogste 3 jaar konden worden gewaarborgd, op voorwaarde dat voldoende levensverzekeringsvoorzieningen werden aangelegd. Uit veiligheidsoverwegingen beperkt het ontwerp deze kansen tot die welke afgeleid zijn uit de sterftetafels die voortvloeien uit de door de CBFA gepubliceerde statistieken betreffende het aantal verzekerde personen en het aantal overlijdens over 5 jaar. Artikel 27 In de nieuwe context die door de eerder vermelde levensrichtlijn 2002/83/EG geschapen is, lijkt het niet meer aangewezen de structuur van de toeslagen te blijven reglementeren en in het bijzonder de elementen te bepalen waarop deze toeslagen van toepassing zijn. Om de eenheid van berekening van de afkoopwaarden te behouden, zijn evenwel regels ingevoerd betreffende het verbruik van deze toeslagen. In verband met de uittredewetten is er een punt toegevoegd, om rekening te houden met het feit dat er geen recht op afkoop en op reductie meer toegestaan wordt voor de tijdelijke verzekeringen bij overlijden met periodieke constante premies die betaalbaar zijn gedurende een periode die langer is dan de helft van de looptijd van de overeenkomst. Overdrachtsvergoedingen worden met uittredingstoeslagen of afkoopvergoedingen gelijkgesteld. De bepalingen van artikel 30, § 2 zijn dus eveneens van toepassing op deze vergoedingen. Artikel 28 Dit artikel beoogt de bijzondere vergoedingen, die te wijten zijn aan het doen of spijtig laten van de verzekeringnemer, de verzekerde of de begunstigde. Omwille van de volledigheid wordt aan dit artikel toegevoegd dat de polis de bijzondere uitgaven moet vermelden waarvan sprake is in dit artikel. Het is natuurlijk niet gerechtvaardigd om dergelijke vergoedingen te vragen wanneer de belanghebbenden enkel een recht uitoefenen in de voor de onderneming minst kostende omstandigheden (voorbeelden : reductie op aanvraag, aankondiging van het vervallen van een prestatie) of wanneer zij overgaan tot voor de verzekeringsonderneming aanvaardbare of nodige wijzigingen (wijziging van adres, aankondiging van het overlijden na begunstigde, wijziging van verzekeringscombinatie ten gevolge van een wijziging van de gezinstoestand,...). Afdelingen 3 en 4. - Reserves - Voorzieningen De bepalingen betreffende de reserves en de voorzieningen worden voor de duidelijkheid in twee afzonderlijke afdelingen behandeld.. Artikel 29 Dit artikel is aangepast op basis van de wijzigingen die aangebracht zijn in de bepalingen betreffende de toeslagen, waarvan enkel het verbruik nog wordt gereglementeerd. Aldus wordt in § 1 gepreciseerd dat het niet-verbruikte gedeelte van de toeslagen wordt opgenomen in de theoretische afkoopwaarde van de overeenkomst en in § 2, dat de terugbetaling van een quotiteit van de acquisitietoeslag bij afkoop of reductie vervangen wordt door een beperking van het verbruik ervan. De laatste zin van § 3 is gewijzigd om de dubbelzinnigheid op te heffen in het besluit-Leven van 1992. De bepaling die in dit besluit voorkwam maakte niet duidelijk of al dan niet een winstdeling kan worden toegekend in een andere combinatie dan die van de oorspronkelijke overeenkomst of hoe de tariefgrondslagen vastgesteld moeten worden die gebruikt worden voor de berekening van de actuele waarde ten gevolge van de verhoging van de prestaties. Om de in deze materie vastgestelde misbruiken te vermijden, is de reductievergoeding bovendien beperkt. Artikel 30, § 1 Voor de levensverzekeringsverrichtingen die verbonden zijn met een overlijdensverzekeringsverrichting worden de tarieven meestal vastgesteld op basis van een sterftetafel Overlijden. Het sterfteverlies dat vastgesteld wordt op het onderdeel leven van de verrichting wordt gecompenseerd door de winst op het onderdeel overlijden. Wanneer een verzekeringnemer een einde maakt aan het onderdeel overlijden van de verrichting, betekent dit voor de verzekeringsonderneming een sterfteverlies. Om te vermijden dat de financiële betrouwbaarheid van een verzekeringsonderneming om deze reden in het gedrang komt (vooral in groepsverzekeringen) bleek het noodzakelijk dat deze laatste de mogelijkheid krijgt de overeenkomst te reduceren met sterftetafels « Leven », door aan deze paragraaf een derde lid toe te voegen. Hierbij wordt het volgende principe gehanteerd : de berekening van de theoretische afkoopwaarde geschiedt op basis van de oorspronkelijke technische grondslagen en het gereduceerde kapitaal wordt berekend op basis van deze waarde, op grond van dezelfde technische grondslagen, met uitzondering van de sterftetafel « overlijden », die vervangen mag worden door een sterftetafel « leven ». Artikel 30, § 2 Terwijl het besluit-Leven van 1992 in geen enkele beperking voorzag van de afkoopvergoeding, lijkt het aangewezen opnieuw beperkingen in te voeren, op het gevaar af dat het recht op afkoop zelf in het gedrang komt. Voor de klassieke overeenkomsten is de beperking van vóór 1992 opnieuw ingevoerd, maar met de mogelijkheid voor de verzekeringsondernemingen om een vergoeding van 75 euro te eisen als compensatie voor de vaste kosten die de verzekeringsonderneming oploopt wanneer de verzekeringnemer afkoopt. Het laatste lid van deze paragraaf bevat bovendien een bijzondere bepaling inzake de afkoopvergoeding en met name voor de gevallen waarin de afkoop tijdens de eerste acht jaar van de overeenkomst gebeurt. Deze bepaling laat door het invoeren van een geldstraf toe de speculatierisico's te beperken, die erin bestaan overeenkomsten van lange duur te onderschrijven met het doel die na enkele jaren af te kopen in plaats van een overeenkomst van korte duur te onderschrijven. Artikel 30, § 3 Deze bepaling verbiedt de samenvoeging van de reductie- en afkoopvergoedingen bij afkoop van de overeenkomst binnen de maand die volgt op haar reductie. Artikel 31, § 1 Deze paragraaf vermeldt de regels van de eerder vermelde levensrichtlijn 2002/83/EG inzake voorzieningen. Artikel 31, § 3 Deze bepalingen slaan niet op de veiligheidsmarge die reeds in het tarief is inbegrepen, maar de ongunstige ontwikkeling van de gebruikte technische grondslagen die een onontbeerlijke aanpassing van de technische voorzieningen inhouden. Zij zijn dus van toepassing zowel bij de ontwikkeling van de financiële rendementen, bij de ontwikkeling van de sterfte of het overleven als bij de ontwikkeling van de beheerskosten... Dit paragraaf bevat ook een bijzondere regel betreffende de ongunstige ontwikkeling van de financiële rendementen die stelt dat de verzekeringonderneming een aanvullende voorziening dient samen te stellen zodra de gewaarborgde rentevoet 80 % van de gemiddelde rentevoet over de laatste 5 jaar van de OLO's op 10 jaar met meer dan 0,1 % overschrijdt. Dit geldt voor de overeenkomsten waarvoor de gewaarborgde rentevoet vastgesteld is krachtens de bepalingen van artikel 24, §§ 2 et 3. Het gaat om een permanente regel. De berekeningswijze van de samen te stellen aanvullende voorziening en van haar samenstelling wordt in bijlage 5 vastgelegd. Deze bepaling is overgenomen uit het koninklijk besluit van 30 april 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/04/1999 pub. 16/07/1999 numac 1999011195 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 december 1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit sluiten, maar met dit verschil dat er bij de terugneming van voorzieningen rekening gehouden wordt met de vereffende overeenkomsten. De rentevoet van 90% is ingevoerd om een dubbele terugneming van de voorzieningen voor deze overeenkomsten te vermijden. Artikel 31, § 4 Deze bepaling is niet van toepassing op de verrichtingen met betrekking tot de in België gelegen risico's aangezien de voorwaardelijke winstdeling verboden is voor die verrichtingen. HOOFDSTUK V. - Winstdeling (artikelen 32 en 33) Aangezien het algemeen reglement de gelijkaardige bepalingen voor de levensverzekering en de verzekering niet-leven samengebracht heeft, zijn sommige bepalingen niet meer opgenomen in dit ontwerp. Het gaat om de bepalingen betreffende : - het gebruik van winstdelingsstelsels met betrekking tot de vastgestelde sterfte; - het bezorgen van het winstdelingsplan aan de CBFA; - het verbod winstdelingen toe te kennen die de inbreng van buitenlandse hulpbronnen vereisen; - de inhouding van elke toegekende winstdeling op het winstdelingsfonds met betrekking tot de vorige boekjaren. Artikel 32 Het feit dat geen enkele winstdeling mag worden gewaarborgd betekent niet dat de verzekeringsonderneming niet mag beloven dat zij een bepaald percentage van haar winst zal uitkeren. Artikel 33 § 1 Voor de verrichtingen bedoeld in het koninklijk besluit van 14 mei 1969 betreffende de toekenning van buitenwettelijke voordelen aan de werknemers bedoeld bij koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers moet er echter voorzien worden in een afwijking. Dit koninklijk besluit laat immers toe dat de verzekeringsonderneming het repartitiefonds geheel of gedeeltelijk terugneemt om een tekort in het reservefonds aan te vullen. Artikel 33, § 2 Het eerste lid impliceert dat de wijzigingen aan een overeenkomst tijdens een boekjaar (afkoop, reductie, op eindvervaldag komen, overlijden...) hebben geen invloed op de toewijzingsregels voor de winstdeling betreffende het vorige boekjaar. Ingeval de winstdeling van het vorig boekjaar nog niet bepaald is bij het uitdoven van de overeenkomst, zal de toekenning volgens een approximatieve regel geschieden door naar de toekenning voor de vorige boekjaren te verwijzen. Het tweede lid is ingevoerd om te beletten dat de als winstdeling verdeelde som die ten belope van een vijfde niet noodzakelijk moet worden toegekend in de loop van het boekjaar dat volgt op de verdeling, tot in het oneindige door de verzekeringsonderneming zou worden geaccumuleerd. Deze zal voortaan verplicht zijn elk jaar ten minste een achtste van de als winstdeling verdeelde maar niet toegekende som uit te keren. Artikel 33, § 3 Behalve voor de levensverzekeringsovereenkomsten die verbonden zijn met een hypothecaire lening waarvoor de verzekeringsonderneming een voorkeursrentevoet toekent, verbiedt deze bepaling de voorwaardelijke winstdeling. Dit verbod steunt op de volgende overwegingen : - deze praktijk zou in zekere zin een bestraffing zijn die bovenop andere bestraffingen zoals de afkoop- of de reductievergoedingen komt; - over het algemeen is het recht op winstdeling reeds afhankelijk van bepaalde vereisten zoals drempels (minimale verzekerde kapitalen, minimumpremies), die in de toekomst behouden kunnen blijven. De bepalingen van deze paragraaf wijzigen uiteraard niet het voorwaardelijke karakter van de winstdelingen die voorkomen in de overeenkomsten die onderschreven zijn vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit. De uitzondering voor de hypothecaire leningen steunt op het feit dat de verzekeringsonderneming een voorkeursrentevoet toekent voor dit soort lening. Het is uiteraard de winstdeling met betrekking tot de verzekeringsprestatie, ten belope van de hoogte van de lening, die voorwaardelijk zal kunnen zijn. HOOFDSTUK VI. - Collectieve overeenkomsten (artikelen 34 en 35) Dit hoofdstuk blijft ongewijzigd. HOOFDSTUK VII. - Samengevoegde overeenkomsten (artikelen 36 en 37) Artikel 36 De oude tekst blijft behouden, maar er is een bijkomende vereiste aan toegevoegd. Wanneer één verzekeringnemer verschillende verzekeringsovereenkomsten onderschrijft bij eenzelfde verzekeringsonderneming, moet de verzekeringsonderneming namelijk de regels toepassen die betrekking hebben op de samengevoegde overeenkomsten. In dit geval dient deze onderneming op die overeenkomsten de bepalingen van dit besluit toe te passen die betrekking hebben op de algemene voorwaarden, de technische grondslagen, de tarifering en de winstdeling, alsof het om één enkele overeenkomst zou gaan. In de andere gevallen gaat het enkel om een mogelijkheid. Deze verplichting werd ingevoerd omdat ze in sommige gevallen voordelig is voor de verzekeringnemers, in het bijzonder waar het de winstdeling betreft (toelatingsvoorwaarde voor hoge rentevoet) of in geval van afkoop (de forfaitaire straf éénmaal toegepast). HOOFDSTUK VIII. - Bruidsschats- en geboorteverzekeringen (artikel 38) Artikel 38 Dit artikel is opgesteld ter uitvoering van artikel 137 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst waarin vastgesteld wordt dat "de Koning bepaalt in hoever en volgens welke regels de bepalingen van deze wet die betrekking hebben op de levensverzekeringsovereenkomsten ook van toepassing zullen zijn op persoonsverzekeringsovereenkomsten tot uitkering van een vast bedrag waarbij het zich voordoen van het verzekerde voorval niet uitsluitend afhangt van de menselijke levensduur". HOOFDSTUK IX. - Aanvullende verzekeringen (artikelen 39 tot 42) De bepalingen van het besluit-Leven van 1992 betreffende de opzegging en de laattijdige aangifte van het schadegeval ten gevolge van een geval van overmacht, zijn niet overgenomen omdat zij in de wet op de landverzekeringsovereenkomst voorkomen. Artikel 39 Uit de aard van het besluit-Leven van 1992 blijkt dat de personenverzekeringsverrichtingen die betrekking hebben op een bijkomend risico bij de verrichtingen bedoeld in artikel 2, 1° en 2°, gericht moeten zijn op de uitkering van een vast bedrag om als aanvulling op een levensverzekering te kunnen worden beschouwd. Aangezien deze interpretatie betwist werd, is deze bepaling ingevoerd om aan elke dubbelzinnigheid op dit vlak een einde te maken. Artikel 40 Het 1ste lid van artikel 45 van het besluit-Leven van 1992 is gewijzigd om duidelijk te maken dat dit artikel niet alleen geldt voor de levensverzekeringsverrichtingen maar ook voor de verrichtingen i.v.m. bruidsschats- en geboorteverzekeringen. HOOFDSTUK X. - Groepsverzekeringen (artikelen 43 tot 56) Sommige bepalingen van het besluit-Leven van 1992 die betrekking hebben op de door een arbeidsovereenkomst verbonden werknemers zijn niet meer opgenomen in dit ontwerp om overlapping met de WAP te vermijden. Tevens werd de terminologie aangepast aan deze van de WAP. De bepalingen betreffende de volgende punten komen dus niet meer voor in dit ontwerp : - de verplichting om een reglement op te stellen dat de rechten en verplichtingen van de werkgever en van de personeelsleden omschrijft; - de aansluiting; - de vereffeningsvergoeding die niet ten laste van de aangeslotenen mag worden gelegd; het spreekt vanzelf dat het hier zowel gaat om de vergoeding die door de werkgever wordt opgelegd als om deze die door de verzekeringsonderneming wordt opgelegd. Bovendien is er in het ontwerp geen sprake meer van de mogelijkheid om het kenmerk van verworvenheid van de prestaties die voortvloeien uit de toelagen weg te laten indien de aangeslotene door de werkgever ontslagen wordt om dringende redenen. Deze bepaling was namelijk strijdig met bovenvermelde wet. Tenslotte is de bepaling betreffende de aanwijzing van de begunstigden weggelaten omdat zij in een technisch besluit niet thuishoort. Afdeling 1. - Groepsverzekeringsreglement - Aansluiting Artikel 43, §§ 1 en 2 De eerste paragraaf van dit artikel geeft een opsomming van de artikelen die niet van toepassing zijn op de groepsverzekering in het algemeen, terwijl de tweede paragraaf de bepalingen van artikel 54, § 2 van toepassing uitsluit op groepsverzekeringen die door publiekrechtelijke rechtspersonen onderschreven zijn en die bestemd zijn om het statutaire pensioenstelsel te verzekeren. Deze uitsluiting vloeit voort uit het feit dat de aangeslotenen geen recht hebben om ingeval van vertrek het recht op afkoop uit te oefenen omdat het statutaire wettelijke pensioenen betreffen. Artikel 45 Dit artikel, dat met enkele wijzigingen qua vorm is overgenomen uit het besluit-Leven van 1992, brengt alle vermeldingen bijeen die in het groepsreglement moeten voorkomen. Afdeling 2. - Vaste bijdragen - vaste prestaties Artikel 46 De enige beperking die opgelegd wordt aan de plannen van het type « vaste prestaties » is dat ze geen enkele prestatie mogen bevatten die voortvloeit uit overeenkomsten die door de aangeslotenen individueel onderschreven zijn. Afdeling 3. - Financiering Artikel 47 § 1 Dit artikel houdt in dat er in tak 21 individueel getarifeerd moet worden en dat er in tak 23 individuele berekeningen gemaakt moeten worden voor de bijdragen of voor de prestaties die overeenstemmen met de bijdragen, voor de prestaties met betrekking tot de vastgestelde lasten, voor de verrichtingen bij overlijden en voor de aanvullende verzekeringen. Het tweede lid voorziet immers dat voor groepen waar een belangrijk aantal personen verzekerd zijn en dan nog enkel voor de werkgeverstoelagen, de tarifering geen rekening moet houden met de leeftijd van elke verzekerde afzonderlijk, maar wel met de gemiddelde leeftijd gewogen volgens de verzekerde kapitalen. Deze mogelijkheid is beperkt tot tijdelijke overlijdensverzekeringen met een looptijd niet langer dan één jaar. Deze mogelijkheid werd ingevoerd om een belangrijke niet verantwoorde administratieve kost te vermijden; zij is niet verantwoord omdat enerzijds de volledige kost voor de werkgever dezelfde zal zijn en er anderzijds geen enkel risico is voor het niveau van de veiligheid van de verrichting daar de looptijd van die verrichtingen niet langer is dan één jaar. Artikel 47, § 2 Om prudentiële redenen is het aangewezen een bepaling in te voeren die inhoudt dat de verzekeringsonderneming aan toekomstige aangeslotenen geen waarborg mag verlenen betreffende het tarief of betreffende verhogingen van de waarborg van de lopende overeenkomsten voor de groepsverzekeringen. Indien de maximale technische rentevoet zou dalen, zouden de nieuwe technische grondslagen onmiddellijk van toepassing zijn op de bovenvermelde gevallen; bij ontstentenis zou er een hoog renterisico op de verzekeringsonderneming rusten. Voor de sterftetafels kan een gelijkaardige redering toegepast worden. Artikel 48, § 2 Naast de wijzigingen qua vorm worden in 1° van dit artikel de elementen opgesomd die in aanmerking genomen worden voor de vaststelling van de actuele waarde van de verworven prestaties zoals bepaald in het reglement. In 2°, b) is de beperking van de teller en de noemer tot de in het reglement vastgelegde maximale erkende diensttijd enkel van toepassing op de werknemers die na 31 december 1995 in dienst zijn getreden en op de werknemers die in dienst getreden zijn vóór 1 januari 1996, van wie de rechten betrekking hebben op een pensioenstelsel dat ingevoerd is na 31 december 1995. Hierdoor worden tegenstrijdigheden met de overgangsmaatregelen van de WAP vermeden. In dit punt moet onder datum van aansluiting worden verstaan de datum van aansluiting bij het pensioenstelsel, wat nu in het artikel zelf wordt verduidelijkt. Om prudentiële redenen en naar analogie met de verlaging van de referentierentevoet van 4,75 % tot 3,75 %, is de technische rentevoet van 7 % teruggebracht tot 6 %. Deze bepaling is overgenomen uit het koninklijk besluit van 30 april 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/04/1999 pub. 16/07/1999 numac 1999011195 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 december 1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit sluiten. Het laatste lid bevat een definitie van de normale pensioenleeftijd die noodzakelijk is om de verworven reserves, zoals gedefinieerd in de WAP en haar uitvoeringsbesluiten, eenduidig te bepalen. Artikel 48, § 3 Deze paragraaf bepaalt het principe volgens dewelke de minimumreserve van toezeggingen van het type « cash balance » vastgesteld wordt overeenkomstig de bepalingen van artikel 48, § 6. Hun behandeling op deze plaats in het artikel wordt gerechtvaardigd doordat ze meestal beschouwd worden als toezeggingen van het type « vaste prestaties », daar waar het stelsels zijn die nauw aanleunen bij stelsels van het type « vaste bijdragen » met tariefwaarborgen. Artikel 48, § 4 Uit veiligheidsoverwegingen legt deze paragraaf de samenstelling van een bijkomende collectieve reserve op wanneer, in geval van vervroeging van de verzekerde voordelen, de prestaties groter zijn dan die welke zouden voortvloeien uit de actuariële reductie. Daar deze reserve louter prudentieel is, maakt ze deel uit van het financieringsfonds en geeft haar samenstelling geen individuele verworven rechten aan de aangeslotenen. Bovendien zou een gedeeltelijke financiering van 60 % moeten volstaan, aangezien niet alle aangeslotenen tegelijk op vervroegd pensioen gaan. Hierbij staat vast dat, indien er niet genoeg beschikbaar is in het financieringsfonds, de werkgever zal moeten bijpassen. Deze collectieve aanvullende reserve mag niet gespijsd worden met bijdragen van de aangeslotenen. Artikel 48, § 5 De bepaling van deze paragraaf geldt enkel voor de werknemers die na 31 december 1995 in dienst zijn getreden en voor de werknemers die in dienst zijn getreden vóór 1 januari 1996, van wie de rechten betrekking hebben op een pensioenstelsel dat ingevoerd is na 31 december 1995. Hierdoor worden tegenstrijdigheden met de overgangsmaatregelen van de WAP vermeden. Artikel 48, § 6 Aangezien sommige groepsverzekeringsreglementen tariferingsregels gebruiken voor de bepaling van pensioentoezeggingen, een geval dat niet voorzien was in de voorgaande reglementering, voorziet § 6 in een bepaling die toelaat het bedrag te bepalen dat zich op de rekeningen van de aangeslotene bevindt. Bovendien verduidelijkt artikel 48, § 6 het begrip tariferingsregels. Artikel 48, § 7 Deze nieuwe paragraaf regelt het geval waar een gedeelte van de pensioentoezegging bij een andere verzekeraar gefinancierd zou zijn, naar analogie van artikel 25 van het koninklijk besluit van 7 mei 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/05/2000 pub. 01/07/2000 numac 2000011238 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de activiteiten van de voorzorgsinstellingen sluiten betreffende de activiteiten van de voorzorgsinstellingen. Artikel 48, § 8 Bij een gedeeltelijke financiering door de aangeslotenen betaamt het de waarborgen eigen aan de persoonlijke bijdragen volgend uit de WAP te financieren. Artikel 49, § 1 De uitsluiting van § 2, a) en van § 5 van artikel 48 is noodzakelijk. Zonder deze uitsluiting zouden de bepalingen die bedoeld zijn om de verhoging van de minimumreserve die voortvloeit uit een verhoging van de prestaties, te spreiden, ondoeltreffend zijn. Artikel 49, § 2 Deze paragraaf wordt aangevuld met een bepaling betreffende de termijn voor het aanzuiveren van de onderfinanciering die voortvloeit uit de afschaffing van de mogelijkheid bedoeld in artikel 55, § 3 van het besluit-Leven van 1992, door het koninklijk besluit van 30 april 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/04/1999 pub. 16/07/1999 numac 1999011195 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 december 1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit sluiten tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 december 1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit. Die termijn wordt beperkt tot 8 jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van het voornoemde koninklijk besluit van 30 april 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/04/1999 pub. 16/07/1999 numac 1999011195 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 17 december 1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit sluiten, namelijk tot 1 juli 2007. Artikel 49, § 3 Deze paragraaf bepaalt op welke wijze de backservice die in aanmerking genomen wordt bij de invoering van een voorzorgsplan gefinancierd wordt. Indien de werkgever later aan een nieuw personeelslid een backservice toestaat, dient dit voordeel onmiddellijk gefinancierd te worden. Artikel 50 Voortaan wordt de groepsverzekering niet alleen verplicht gereduceerd wanneer de financiering na 6 maanden te rekenen vanaf de aan de werkgever verstuurde verwittiging ontoereikend blijft, maar ook wanneer het pensioenstelsel opgeheven wordt. Tenslotte wordt gepreciseerd dat bij de verdeling van de niet geïndividualiseerde reserves rekening moet worden gehouden met de waarborg van artikel 24, § 1 van de WAP. Afdeling 4. - Financieringsfonds Artikel 51, § 2 Ook in geval van vereffening van de werkgever kunnen de activa van het financieringsfonds niet meer terug opgenomen worden in het vermogen van de werkgever, zoals wél het geval was in het besluit-Leven van 1992. Naar analogie met het standpunt dat werd ingenomen inzake de pensioenfondsen, voorziet deze paragraaf in een aantal gevallen, waaronder het bovenvermelde geval, in de verplichting om de activa van het pensioenfonds die niet overeenstemmen met verplichtingen, geheel of gedeeltelijk over te dragen naar een maatschappelijk fonds van de werkgever, tenzij bij collectieve arbeidsovereenkomst andere toekenningsmodaliteiten vastgesteld zijn.Hierdoor kan aan deze gelden een nieuwe maatschappelijke bestemming gegeven worden. Wanneer de overdracht slechts betrekking heeft op een deel van de werknemers, wordt het naar het maatschappelijk fonds overgedragen bedrag beperkt naar verhouding van de verworven reserves van de betrokken werknemers, in voorkomend geval verhoogd tot de bedragen gewaarborgd in toepassing van artikel 24 van de WAP. Hoewel het niet verplicht is om de waarborg bedoeld in artikel 24, § 2 van de WAP te financieren, zou het niet logisch zijn dat men in de in dit artikel bedoelde situaties de terugkeer naar de werkgever zou toestaan wanneer de fondsen in het financieringsfonds toelaten om die waarborg te dekken. Overigens valt op te merken dat dit conform artikel 25 van de WAP is, dat in geval van opheffing van het aanvullende pensioenstelsel het volgende bepaalt : « de verdeling van de reserves waarborgt aan iedere individuele aangeslotene de door hem opgebouwde verworven reserves, desgevallend aangevuld tot de bedragen gewaarborgd met toepassing van artikel 24 ». Het spreekt vanzelf dat er geen sprake is van een definitieve opheffing van een pensioenstelsel wanneer de opheffing gevolgd wordt door de invoering van een nieuw plan. Onder « activa van het financieringsfonds » wordt het bedrag verstaan dat in de boekhouding is ingeschreven voor het financieringsfonds en niet de dekkingswaarden die erop betrekking hebben. Artikel 51, § 3 Deze bepaling verbiedt voor de reserves, die tot het financieringsfonds behoren, het gebruik niet van andere technische grondslagen dan deze van de overeenkomsten, echter mits naleving van de bepalingen van hoofdstuk IV van dit besluit. Afdeling 5. - Verworven prestaties en reserves Artikel 52, § 1 In het eerste lid is er geen sprake meer van de prestaties gevestigd door het geïndividualiseerde gedeelte van de toelagen. Er is inderdaad gebleken dat deze verwijzing aanleiding kon geven tot onregelmatigheden. Dit is het geval wanneer bij een « vaste prestaties »-stelsel het bedrag van het wettelijk pensioen op het ogenblik van de pensionering hoger is dan de raming ervan tijdens de loopbaan, wat tot een vermindering leidt van de reserve die noodzakelijk is om de prestatie en dus de verworven reserve te verstrekken. Dit is eveneens het geval wanneer het reglement in een pensioenrente voorziet die overdraagbaar is op het hoofd van de echtgenoot en deze vóór de pensionering van de aangeslotene overlijdt. Het is normaal dat voor het patronale gedeelte de verworven reserve vermindert. Er dient te worden aangestipt dat de verworven reserve in ieder geval niet lager mag zijn dan die welke voortvloeit uit de artikelen 6, 2° en 12, 2° van het ontwerp tot koninklijk besluit houdende uitvoering van de WAP. Bovendien verstaat men onder wettelijke bepalingen de statutaire bepalingen voor publiekrechtelijke personen. De bepaling van het tweede lid, die in overeenstemming is met de WAP, laat toe de door de aangeslotene verworven prestaties bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst anders dan door overlijden of pensionering te beperken wanneer hij minder dan 1 jaar aangesloten was. Om de tekst in overeenstemming te brengen met de WAP, zijn de woorden « vermeerderd met 4,75 % interesten », vervangen door « gekapitaliseerd tegen de in artikel 24, § 2, bedoelde maximale referentierentevoet voor de verzekeringsverrichtingen van lange duur ». Afdeling 6. - Vereffening van de verzekerde prestaties Artikel 53 In dit artikel wordt niet meer vermeld welke keuzes de aangeslotene heeft met betrekking tot de vereffening van de prestaties. Deze opties dienen in het reglement te worden bepaald. Het ontwerp stelt echter wel de minimale technische grondslagen vast voor de omzetting van de rente in kapitaal. Afdeling 7. - Reductie of overdracht van de groepsverzekering - Afkoop van de overeenkomsten Artikel 54, §§ 1 en 2 Deze paragrafen bevatten bepalingen i.v.m. het recht op afkoop. Het spreekt voor zich dit recht in het kader van groepsverzekeringen voor werknemers enkel kan worden uitgeoefend mits naleving van de WAP (artikelen 27 en 61). Artikel 54, § 4 Deze paragraaf vermeldt niet meer welke elementen een rol kunnen spelen bij de berekeningswijze van de vereffeningsvergoeding in geval van afkoop van de volledige groepsverzekering. In plaats hiervan bevat het artikel een bepaling die de verzekeringsonderneming toelaat voor de groepsverzekeringen waarvan de som van de over te dragen waarden groter is dan 1.250.000 euro, ofwel in een vergoeding te voorzien die de in artikel 30 bedoelde afkoopvergoeding vervangt, ofwel in een spreiding van de overdracht te voorzien, ofwel in een combinatie van beide, en dit om het nadeel te beperken dat de cedent heeft ondergaan bij de overdracht van aanzienlijke sommen. Afdeling 8. - Aanvullende bepalingen voor groepsverzekeringen ten voordele van bedrijfsleiders Artikel 55 Aangezien de WAP enkel van toepassing is op de door een arbeidsovereenkomst verbonden werknemers is het nodig in het besluit bepalingen te behouden met betrekking tot de aansluiting en het bestaan van een reglement dat de rechten en de verplichtingen van de partijen omschrijft. Het spreekt voor zich dat de overige bepalingen van het Hoofdstuk Groepsverzekeringen ook van toepassing zijn op deze groepsverzekeringen, behalve natuurlijk de bepalingen die expliciet verwijzen naar de WAP. HOOFDSTUK XI. - Verrichtingen die met een afgezonderd fonds zijn verbonden (artikelen 57 tot 61) De bepalingen van dit hoofdstuk, die specifiek zijn voor afgezonderde fondsen, vormen een aanvulling op de andere bepalingen van het koninklijk besluit. Dit hoofdstuk is ingelast om rekening te houden met de evolutie in de economische wereld : het ontstaan van nieuwe producten en de concurrentiepositie van de verzekeringsondernemingen naar Belgisch recht op Europees gebied. De volgende beginselen moeten in acht genomen worden : 1° er moet vermeden worden dat de verrichtingen verbonden met een afgezonderd fonds, een ongunstige weerslag hebben op de andere verzekeringnemers (die een klassieke overeenkomst onderschreven hebben) van tak 21; 2°de beleggingen moeten binnen elk afgezonderd fonds beantwoorden aan dezelfde regels als die welke voor het geheel van tak 21 gelden. Er dient overigens te worden aangestipt dat elk afgezonderd fonds een afzonderlijk beheer vormt in de zin van het algemeen reglement. Zoals voor de beleggingsfondsen is het noodzakelijk dat de verzekeringnemer ingelicht wordt. Dit hoofdstuk handelt over de inventaris van elk fonds, over de elementen die in het winstdelingsreglement moeten voorkomen en over het financieel jaarverslag. Artikel 57 De tekst houdt in dat de samenstelling van een afgezonderd fonds verplicht is wanneer de verrichtingen overeenstemmen met wat in het eerste lid bepaald is. Hij houdt daarentegen geenszins in dat de verzekeringsonderneming geheel of gedeeltelijk meer- of minwaarden zou moeten toekennen voor zover de algemene voorwaarden duidelijk zijn met betrekking tot dit onderwerp. Hij houdt echter wel in dat bij de klassieke tak 21 de winstdeling niet gebonden mag zijn aan de opbrengsten van welbepaalde activa. Artikel 58, § 2 Het 1ste lid bepaalt dat het rendement van het fonds maar toegekend kan worden indien de verrichtingen van het fonds rendabel zijn. Het 2de en 3de lid omschrijven wat onder "rendabel" verstaan wordt. Deze precisering lijkt op die welke voorkomt in artikel 12bis van het algemeen reglement voor de « klassieke » verrichtingen van tak 21. HOOFDSTUK XII. - Verzekeringsverrichtingen die met een beleggingsfonds zijn verbonden (artikelen 62 tot 73) De voornaamste wijzigingen in dit hoofdstuk zijn de volgende : - afschaffing van de technische eenheden omdat dit stelsel weinig doorzichtig is; - invoering van de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden een minimumrendement te waarborgen; - verplichting om bij het onderschrijven van de overeenkomst en in de loop ervan, informatie te verstrekken aan de verzekeringnemers over de voornaamste kenmerken van het beleggingsfonds. Afdeling 1. - Aard van een beleggingsfonds Artikel 62 Dit artikel somt de artikelen op die niet van toepassing zijn op de verrichtingen verbonden met een beleggingsfonds. Uit dit artikel volgt dat de verzekeringsonderneming de verzekeringsnemer op zijn minst jaarlijks het bedrag van de tijdens het afgelopen jaar gestorte premies en van de premie voor de overlijdensdekking moet bezorgen. Aan deze verplichting is natuurlijk voldaan als de inlichting bezorgd wordt bij elke premiestorting en de inhouding van de overlijdenspremie. Afdeling 2. - Vaststelling van de waarde van de eenheid van een beleggingsfonds Artikel 64, § 2 Paragraaf 2 bepaalt dat de verzekeringsonderneming de munt moet vermelden waarin de activa van het fonds geschat worden. Deze munt moet niet noodzakelijker de euro zijn. Artikel 64, § 3 Ten opzichte van het koninklijk besluit van 1992 is de tekst ook gewijzigd qua vorm, maar niet qua inhoud. De tekst vermeldt nu duidelijk dat de verzekeringsondernemingen geen beheerskosten mogen aanrekenen door eenheden af te schaffen. Artikel 65, § 3 Deze paragraaf is gewijzigd opdat uit de tekst duidelijk zou blijken dat de kosten van de toegekende waarborg ten laste zijn van de verzekeringnemers van dit type van overeenkomst. Artikel 66 Dit artikel somt de gevallen op waarin de bepaling van de waarde van de eenheid kan worden opgeschort. Artikel 67 Onder "externe financiële lasten" wordt onder meer verstaan de transactiekosten, de bewaarkosten van de effecten, de publicatiekosten van de financiële pers. Afdelingen 3 en 4. - Evolutie van de waarde van een beleggingsfonds - Aanvullende bepalingen voor groepsverzekeringen die met beleggingsfondsen zijn verbonden Artikel 71, § 1 Artikel 71 (ook 71 in het besluit-Leven van 1992) is gewijzigd omdat de verwijzing naar artikel 69 (ook artikel 69 in het besluit-Leven van 1992) tot verwarring kon leiden.In dit artikel gaat het namelijk om een recht op overdracht voor de aangeslotene, terwijl het in artikel 69 gaat om een recht op overdracht voor de verzekeringnemer, dit wil zeggen voor de werkgever. Voor het overige beperkt de tekst de samenstelling van het beleggingsfonds tot 5 % wat betreft de aandelen of andere met aandelen gelijk te stellen effecten, obligaties en andere geld- en kapitaalmarktinstrumenten uitgegeven door de werkgever, door zijn moederonderneming en door hun dochterondernemingen alsook leningen toegestaan aan deze ondernemingen en vorderingen op deze ondernemingen. Artikel 71, § 3 De bepaling van deze paragraaf slaat op het geval waarbij de aangeslotene bij het (pensioen-)stelsel van zijn vroegere werkgever blijft. Hij blijft weliswaar de mogelijkheid behouden om zijn verworven reserve over te dragen overeenkomstig de WAP. Afdeling 5. - Diverse bepalingen Beide artikelen van deze afdeling hebben tot doel de documenten te omschrijven die het mogelijk maken de verzekeringnemer in te lichten, namelijk het beheersreglement (artikel 72) en het jaarlijks en halfjaarlijks verslag (artikel 73). Voor dit aspect is de tekst gebaseerd op de verplichtingen die van toepassing zijn op de gemeenschappelijke beleggingsfondsen van de banksector. Er is rekening gehouden met de specificiteit van de beleggingsfondsen van de verzekeringsondernemingen die geen rechtspersoonlijkheid hebben. Artikel 72, § 1, 1ste lid Deze bepaling legt de verzekeringsondernemingen op een reglement op te stellen dat ter beschikking van de verzekeringnemer moet worden gesteld op de zetel van de verzekeringsonderneming of hem moet worden meegedeeld op zijn aanvraag. Dit reglement maakt geen deel uit van de algemene voorwaarden aangezien het elementen bevat die variabel zijn in de tijd. Artikel 73, § 3, 3° Onder netto-actief dient men de activa van het beleggingsfonds na aftrek van de schulden met betrekking tot dit beleggingsfonds te begrijpen. HOOFDSTUK XIII. - Beheer van collectieve pensioenfondsen (artikelen 74 tot 76) Afdeling 1. - Beheer voor eigen rekening Artikel 74 De instellingen die begunstigden kunnen zijn van de prestaties van het beheer voor eigen rekening mogen enkel pensioenfondsen zijn die toegelaten zijn overeenkomstig de controlewet, en publiekrechtelijke rechtspersonen die niet onderworpen zijn aan de wet van 17 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen. Het betreft in feite overheidsinstellingen die niet verplicht zijn hun pensioentoezeggingen te consolideren en deze dus via algemene kosten zouden kunnen blijven betalen. Indien deze instellingen voor de gedeeltelijke of volledige consolidering van hun toezeggingen kiezen, moet dit hetzij in een pensioenfonds, hetzij bij een verzekeringsonderneming gebeuren. De door hen beheerde fondsen mogen pas naar de instelling terugvloeien bij de opheffing van het pensioenstelsel, om te beletten dat deze instelling deze fondsen gebruikt om haar schulden te delgen ten koste van haar pensioentoezeggingen. De verzekeringsondernemingen gebruiken voor deze verrichtingen de technische grondslagen van tak 21 of 23. Afdeling 2. - Beheer voor rekening van derden Artikel 75 De verrichtingen met betrekking tot het beheer voor rekening van derden van collectieve pensioenfondsen mogen enkel betrekking hebben op de voorzorgsinstellingen bedoeld in artikel 2, § 3, 6° en de publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van die welke onderworpen zijn aan de wet van 17 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen, om de redenen die aangehaald zijn in artikel 74. HOOFDSTUK XIV. - Individuele pensioentoezeggingsverzekering (artikel 77) Dit nieuwe hoofdstuk wordt ingevoerd om rekening te houden met de bepalingen in verband met de individuele pensioentoezeggingen bedoeld in artikel 6 van de WAP. Wanneer een werkgever ervoor kiest de individuele pensioentoezegging die hij doet aan bepaalde van zijn werknemers onder te brengen bij een verzekeringsmaatschappij, sluit hij met de verzekeraar een individuele pensioentoezeggingsverzekering af. Die verzekering moet voldoen aan de regels die van toepassing zijn op de groepsverzekering voor wat betreft de pensioenovereenkomst, het type van de toezegging, de financiering, de verworven prestaties en reserves, de vereffening van de verzekerde prestaties, afkoop, reductie en overdracht. Tenslotte kan worden verduidelijkt dat analoge regels worden voorgeschreven voor de …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.