📄 Wettekst
18 JANUARI 2018. - Decreet houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming
Het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : 1. Inleidend boek.- Basisbeginselen, fundamentele rechten en definities 1.1 Titel 1. - Basisbeginselen en fundamentele rechten Artikel 1.De volgende rechten en plichten zijn algemeen van toepassing : 1° Preventiebeleid is een prioriteit.De nadruk wordt gelegd op gespecialiseerde preventie, met overleg en ter aanvulling van andere preventiestelsels die binnen de Franse Gemeenschap worden georganiseerd of die van andere bevoegde overheden afhangen. 2° De gespecialiseerde hulpverlening en de gespecialiseerde bescherming vullen de algemene maatschappelijke hulpverlening aan of kunnen die vervangen.3° Kinderen, jongeren en hun gezin hebben recht op preventie, gespecialiseerde hulpverlening en gespecialiseerde bescherming die in het kader van dit wetboek worden georganiseerd.Ze hebben tot doel het kind of de jongere de mogelijkheid te verschaffen om zichzelf te ontwikkelen, in het kader van gelijke kansen, met het oog op zijn toegang tot een leven waarin de menselijke waardigheid wordt geëerbiedigd. 4° Wie deelneemt aan de toepassing van dit wetboek moet het hoger belang van het kind of van de jongere en de rechten en vrijheden die hem worden toegekend, in acht nemen. Tot die rechten en vrijheden behoren, deze die vermeld zijn in het internationaal verdrag inzake de rechten van het kind en in de Grondwet. 5° Alle al dan niet erkende openbare of private diensten, bepaald in dit wetboek, met inbegrip van de maatschappelijke administratieve overheden, alsook de natuurlijke en rechtspersonen die hun medewerking verlenen aan de toepassing van dit wetboek zijn ertoe gehouden de rechten van het kind of van de jongere te eerbiedigen, zonder enige discriminatie op grond van onder meer nationaliteit, vermeend ras, huidskleur, voorgeslacht of nationale of etnische oorsprong, leeftijd, geslacht, seksuele geaardheid, godsdienstige of filosofische overtuiging, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, burgerlijke stand, geboorte, fortuin, sociale afkomst, taal, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, handicap, lichamelijk of genetisch kenmerk van het kind of zijn ouders. Alle al dan niet erkende openbare of private diensten, bepaald in dit wetboek, met inbegrip van de maatschappelijke administratieve overheden en de personeelsleden van de erkende diensten, zijn er bovendien toe gehouden de door de Regering vast te stellen deontologische code na te leven. 6° Preventie, hulpverlening en bescherming streven de volgende doelstellingen na : opvoeding, responsabilisering, emancipatie en maatschappelijke inschakeling.7° Hulpverlening en bescherming worden georganiseerd in het kader van dejudicialisering en subsidiariteit van verplichte hulpverlening tegenover vrijwillige hulpverlening.8° Hulpverlening en bescherming worden georganiseerd om zo spoedig mogelijk moeilijkheden van het gezin vanaf de jongste leeftijd van het kind te verhelpen.9° Elke beschermingsmaatregel ten aanzien van een kind in gevaar of van een jongere die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, wordt door de Franse Gemeenschap in het kader van een gerechtelijke beslissing uitgevoerd. Minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, kunnen geenszins met meerderjarigen worden gelijkgesteld betreffende hun aansprakelijkheidsgraad en de gevolgen van hun handelingen. 10° Hulpverlening en bescherming geschieden prioritair in de leefomgeving, waarbij de verwijdering uit deze uitzonderlijk moet zijn. Als het kind of de jongere wordt verwijderd, moet, behalve als dit in strijd is met zijn belang, worden gezorgd voor de eerbiediging van zijn recht persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn ouders te onderhouden, en wordt de mogelijkheid om bij zijn ouders terug te keren regelmatig geëvalueerd, om de duur van de verwijdering zoveel mogelijk te verminderen.
Via hulpverlening en bescherming moeten ouders worden bijgestaan bij de uitoefening van hun opvoedingsrecht en -plicht. 11° De tenlastenemingen door al dan niet erkende diensten en overheidsinstellingen beantwoorden aan erkende behoeften inzake jeugddelinquentie, hebben tot doel de jongere in de samenleving weer in te schakelen en zijn gericht op opvoeding en herstel.12° De erkende en openbare diensten alsook de bevoegde administratie dragen bij tot de voortdurende verbetering van de kwaliteit van preventie, hulpverlening en bescherming voor kinderen, jongeren en hun gezin, inzonderheid door de deelneming van de begunstigden, evaluatie en innovatie.13° Er wordt gestreefd naar de coördinatie en het overleg tussen de verschillende sectoren en instanties die bijdragen tot de toepassing van dit wetboek.14° De Franse Gemeenschap waarborgt de informatie alsook de opleiding tot uitoefening van het ambt en de voortgezette opleiding van het personeel van de erkende diensten en openbare diensten die bijdragen tot de toepassing van dit wetboek.15° De bevoegde administratie waarborgt de informatie aan alle burgers inzake preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming.16° Alle beslissingen die worden genomen ten aanzien van het kind of de jongere en alle inlichtingen die hem worden meegedeeld in het kader van dit wetboek, worden hem in een verstandelijke taal meegedeeld. 1.2 Titel 2. - Definities Art. 2.Voor de toepassing van dit wetboek, dient te worden verstaan onder : 1° post-institutionele begeleiding : educatieve begeleiding in de leefomgeving van de jongere, uitgevoerd na het vertrek uit de overheidsinstelling;2° pleegzorger : de natuurlijke persoon die vrijwillig, in het kader van een hulpverlenings- of beschermingsmaatregel, een kind of een jongere opvangt wiens moeder of vader hij niet is;3° bevoegde administratie : de administratie van de Franse Gemeenschap bevoegd voor preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming;4° hulpverlening : gespecialiseerde hulpverlening in het kader van Boek III;5° arrondissement : elk in het Franse taalgebied gelegen gerechtelijk arrondissement en het gerechtelijk arrondissement Brussel, beperkt tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;6° deontologische commissie : deontologische commissie voor preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming;7° gemeenschapsraad : de gemeenschapsraad voor preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming;8° adviseur : adviseur voor hulpverlening aan de jeugd;9° algemeen afgevaardigde : algemeen afgevaardigde van de Franse Gemeenschap voor de rechten van het kind;10° directeur : directeur voor de jeugdbescherming;11° directeur van de overheidsinstelling : de persoon die de leiding van de overheidsinstelling heeft of de persoon aan wie hij de uitoefening van dat ambt delegeert;12° afdeling : de afdeling van de rechtbank van eerste aanleg zoals bepaald bij de koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van artikel 186 van het Gerechtelijk Wetboek;13° kind : a) voor de toepassing van Boek III : de persoon die jonger dan achttien jaar is of deze die jonger dan twintig jaar is, voor wie een begeleidingsmaatregel vóór de leeftijd van achttien jaar wordt aangevraagd;b) voor de toepassing van Boek IV : de persoon die minder dan achttien jaar oud is;14° team SOS Kinderen ("équipe SOS Enfants") : team SOS Kinderen in de zin van het
decreet van 12 mei 2004Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
12/05/2004
pub.
14/06/2004
numac
2004029185
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet betreffende de hulpverlening aan mishandelde kinderen
sluiten betreffende de hulpverlening aan mishandelde kinderen;15° leefgenoten : de personen met wie het kind of de jongere affectieve of sociale banden heeft, zoals bepaald door de adviseur, de directeur of de jeugdrechtbank, in overleg met het kind of de jeugdrechtbank en zijn gezin;pleegouders zijn zonder uitzondering leefgenoten; 16° gezin : personen met wie het kind of de jongere zich in een afstammingsband bevindt, alsook de voogd en de plaatsvervangende voogd;17° leidend ambtenaar : ambtenaar die de leiding van de bevoegde administratie heeft;18° overheidsinstelling : de overheidsinstelling voor jeugdbescherming van de Franse Gemeenschap, belast met de opvang, in een open en een gesloten regime, van jongeren die worden vervolgd wegens een feit dat als misdrijf wordt omschreven en tegen wie een maatregel tot verwijdering uit de leefomgeving wordt uitgesproken;19° jongere : a) voor de toepassing van Boek I : de persoon die minder dan achttien jaar oud is of die minder dan tweeëntwintig jaar oud is wanneer hij zich tot een krachtens artikel 142 erkende dienst richt;b) voor de toepassing van Boek V : de persoon die wordt vervolgd wegens een feit dat als misdrijf wordt omschreven en dat voor de leeftijd van achttien jaar wordt gepleegd;20° werkdag : dag buiten een zaterdag, een zondag of een feestdag;21°
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/04/1965
pub.
02/08/2010
numac
2010000404
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten :
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/04/1965
pub.
02/08/2010
numac
2010000404
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade;22° opdracht : de beslissing waarbij de adviseur voor hulpverlening aan de jeugd, de directeur van jeugdbescherming of de jeugdrechtbank een opdracht tot hulpverlening of bescherming van een kind of een jongere aan een persoon of een dienst toevertrouwt in het kader van zijn erkenning;23° minister : de minister bevoegd voor preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming;24° ordonnantie van 29 april 2004 : ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 29 april 2004 inzake hulpverlening aan jongeren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;25° personen die het ouderlijk gezag uitoefenen : vader en moeder, voogd of plaatsvervangende voogd;26° preventie : gespecialiseerde preventie, georganiseerd in het kader van Boek I;27° bescherming : gespecialiseerde bescherming, georganiseerd in het kader van de Boeken IV en V;28° plaatsvervangende voogd : de persoon die door de bevoegde autoriteit overeenkomstig de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/04/1965
pub.
02/08/2010
numac
2010000404
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten wordt aangesteld, om bepaalde rechten waarvan de ouders of een van hen ontzet zijn, uit te oefenen, en de overeenkomstige verplichtingen na te komen;29° erkende dienst : de krachtens dit wetboek door de Regering erkende dienst;30° actiedienst in open milieu : dienst waarvan de hoofdopdracht erin bestaat acties te voeren inzake sociale en educatieve preventie ten gunste van jongeren van een bepaalde actiezone, in hun leefomgeving en in hun betrekkingen met hun sociale omgeving, bij gebrek aan een administratieve of gerechtelijke opdracht;31° opdrachtdienst : dienst waaraan de adviseur voor hulpverlening aan de jeugd, de directeur voor jeugdbescherming of de jeugdrechtbank een opdracht tot hulpverlening of bescherming van een kind of een jongere, in het kader van zijn erkenning toevertrouwt;32° residentiële dienst : de opdrachtdienst die het kind of de jongere die een hulpverlenings- of beschermingsmaatregel geniet, huisvest;33° voogd : voogd van de minderjarige in de zin van het Burgerlijk Wetboek of voogd van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling in de zin van de
programmawet van 24 december 2002Relevante gevonden documenten
type
programmawet
prom.
24/12/2002
pub.
31/12/2002
numac
2002021495
bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
Programmawet (1)
sluiten. 2 Boek I. - Preventie 2.1 Titel 1. - Doel en beginselen Art. 3.Preventie is een geheel van individuele en collectieve acties, ten gunste van kwetsbare jongeren, hun gezin en hun leefgenoten, die de emancipatie, autonomisering, socialisering, erkenning, valorisatie, responsabilisering, deelneming en verwerving of herstel van zelfvertrouwen van jongeren, hun gezin en hun leefgenoten, bevorderen, om de risico's van moeilijkheden te beperken en om de zichtbare of niet zichtbare gewelddaden die ten aanzien van de jongere of door de jongere worden gepleegd, te verminderen.
De acties inzake preventie worden gevoerd op een grondgebied waar ze samen met bestaande sociale acties werken en vloeien vooral voort uit het driejaarlijkse actieplan, opgemaakt op grond van een sociale beoordeling van de bepaalde zone.
Preventie bestaat uit een educatieve preventie en een sociale preventie. Art. 4.Educatieve preventie kan verschillende vormen aannemen, inzonderheid : 1° de educatieve begeleiding van de jongere, zijn gezin en zijn leefgenoten;2° de educatieve begeleiding van een jongerengroep;3° de ondersteuning van projecten die door, met en voor jongeren worden uitgevoerd;4° de verwezenlijking van collectieve acties gericht op problemen die specifiek voor jongeren zijn. Sociale preventie neemt vooral de vorm van collectieve acties aan, inzonderheid : 1° acties betreffende de instellingen en de leefomgeving van de jongere;2° de interpellatie van, onder meer, de politieke en administratieve overheden. Art. 5.De acties inzake preventies moeten de volgende beginselen naleven : 1° het gebrek aan een administratieve of gerechtelijke opdracht;2° de vrije deelneming van het betrokken publiek;3° de anonimiteit van jongeren en hun gezin waarborgen. 2.2 Titel 2. - Preventieraad Art. 6.Er wordt een raad voor preventie ingesteld in elke afdeling of elk arrondissement dat niet uit afdelingen bestaat.
In de arrondissementen die niet uit afdelingen bestaan, kan de Regering verschillende raden voor preventie instellen indien de bevolkingsdichtheid of de geografische geaardheid dit vereist. Art. 7.De raad voor preventie moedigt preventie aan en coördineert die op het grondgebied van de afdeling of het arrondissement of op het grondgebied dat krachtens artikel 6, tweede lid wordt bepaald.
De raad voor preventie heeft, op zijn grondgebied, de volgende opdrachten : 1° een sociale beoordeling uitvoeren, op grond van het project van de preventieverantwoordelijke;2° op grond van de sociale beoordeling, een voorstel van driejaarlijks actieplan en bestemming van de beschikbare begroting opmaken;3° overleg en medewerking van alle actoren inzake preventie aanmoedigen;4° de overheden op alle niveaus informeren, en, in voorkomend geval, interpelleren over elke omstandigheid die nadelig is voor de persoonlijke ontwikkeling van jongeren en hun inschakeling in de maatschappij;5° om de drie jaar een balans opmaken van de acties die worden gevoerd en de preventie beoordelen;6° de sociale beoordeling en de driejaarlijkse evaluatie voorleggen aan de Regering, het college voor preventie, de provincieraden, de gemeenteraden en de raden voor sociale actie. Art. 8.De preventieraad is samengesteld uit : 1° de preventieverantwoordelijke van het arrondissement;2° een vertegenwoordiger van elke actiedienst in een open milieu waarvan de erkende actiezone op zijn grondgebied gelegen is;3° een vertegenwoordiger van elke andere erkende dienst zonder opdracht dan een actiedienst in een open milieu waarvan de erkende actiezone op zijn grondgebied gelegen is;4° een vertegenwoordiger van de erkende residentiële diensten die een opdracht hebben, waarvan de erkende actiezone op zijn grondgebied gelegen is;5° een vertegenwoordiger van de erkende niet residentiële opdrachtdiensten waarvan de erkende actiezone op zijn grondgebied gelegen is;6° de adviseur of diens vertegenwoordiger;7° de directeur of diens vertegenwoordiger;8° een facilitator in de zin van het
decreet van 21 november 2013Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
21/11/2013
pub.
03/04/2014
numac
2014029205
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet tot organisatie van een gemeenschappelijk beleid inzake leerplichtonderwijs en hulpverlening aan de jeugd ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van de studieoriëntatie
type
decreet
prom.
21/11/2013
pub.
03/04/2014
numac
2014029203
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet tot organisatie van verschillende schoolstelsels ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van studieoriëntatie
sluiten tot organisatie van een gemeenschappelijk beleid inzake leerplichtonderwijs en hulpverlening aan de jeugd ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van de studieoriëntatie;9° een vertegenwoordiger van jeugdhuizen, ontmoetings- en huisvestigingscentra en informatiecentra voor jongeren in de zin van het
decreet van 20 juli 2000Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
20/07/2000
pub.
26/08/2000
numac
2000029296
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet tot bepaling van de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van jeugdhuizen, van ontmoetings- en accommodatiecentra, van jongeren informatiecentra en van hun federaties
sluiten tot bepaling van de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van jeugdhuizen, van ontmoetings- en huisvestingscentra en van informatiecentra voor jongeren en van hun federaties;10° een subregionale coördinator van de "Office de la Naissance et de l'Enfance" of diens vertegenwoordiger;11° een vertegenwoordiger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;12° een vertegenwoordiger van de gemeentelijke regelingen inzake maatschappelijke cohesie bedoeld bij het decreet van het Waalse Gewest van 6 november 2008 betreffende het plan voor maatschappelijke cohesie in de steden en gemeenten van Wallonië voor wat betreft de aangelegenheden waarvan de uitoefening van de Franse Gemeenschap is overgeheveld en bij het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 13 mei 2004 met betrekking tot de sociale samenhang;13° een vertegenwoordiger van het overlegplatform geestelijke gezondheid;14° twee jeugdmagistraten, de ene van het gerecht, aangewezen door de rechtbank van eerste aanleg van de afdeling of van het arrondissement, de andere van het openbaar ministerie, aangewezen door de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van de afdeling of het arrondissement;15° een advocaat, gespecialiseerd op het gebied van hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming, aangewezen door de stafhouder van de Orde van advocaten van de afdeling of van het arrondissement. Het in het eerste lid bedoelde lid, 13°, van de preventieraad woont de vergaderingen met adviserende stem bij.
De algemeen afgevaardigde of diens vertegenwoordiger wordt als vast lid uitgenodigd voor de vergaderingen van de preventieraad.
De leden van de preventieraad worden door de Regering voor een periode van zes jaar benoemd.
De Regering benoemt een plaatsvervangend lid voor elk werkend lid van de preventieraad, volgens dezelfde procedure.
De preventieraad wordt gezamenlijk voorgezeten door de preventieverantwoordelijke en door een vertegenwoordiger van zijn leden, door de raad verkozen.
Het secretariaat van de preventieraad wordt door de administratieve afdeling van de preventiedienst waargenomen. Art. 9.De Regering bepaalt : 1° de regels voor de werking van de preventieraad en voor de procedure betreffende de benoeming van zijn leden;2° de nadere regels voor de sociale beoordelingen en driejaarlijkse actieplannen;3° de criteria voor de verdeling van de preventiebegroting over de afdelingen, arrondissementen en grondgebieden bepaald krachtens artikel 6, tweede lid;4° de nadere regels volgens welke de preventieraad de bestemming van de op zijn grondgebied beschikbare begroting voorstelt.2. 3 Titel 3.- Preventieverantwoordelijke Art. 10.In elk arrondissement wordt een preventieverantwoordelijke aangesteld.
Hij staat onder het hiërarchische gezag van de leidend ambtenaar.
Hij heeft de leiding van de preventiedienst die hem ter beschikking wordt gesteld om hem bij de uitoefening van zijn bevoegdheden bij te staan.
De ter beschikking van de preventieverantwoordelijke gestelde preventiedienst bestaat uit : 1° een preventieafdeling;2° een administratieve afdeling. Art. 11.De preventieverantwoordelijke heeft de volgende opdrachten : 1° om de drie jaar, de preventieraden een ontwerp van sociale beoordeling voor hun grondgebied meedelen, dat hij opstelt op grond van de sociale beoordelingen van de actiediensten in een open milieu en van de vaststellingen die door de andere leden van de preventieraad worden voorgesteld;2° een permanente analyse uitvoeren van sociale feiten betreffende de jeugd die op het grondgebied van het arrondissement plaatsvinden en deze meedelen aan de preventieraden met het oog op eventuele bijwerkingen van hun sociale beoordelingen en actieplannen;3° om de drie jaar de preventieraden een balans van gevoerde acties voorstellen, opdat ze het preventiebeleid zouden evalueren;4° de preventieraden attent maken op elke toestand die nadelig kan zijn voor de persoonlijke ontwikkeling van jongeren en hun sociale inschakeling;5° de beslissingen van de preventieraad uitvoeren, inzonderheid door de verwezenlijking van het driejaarlijkse actieplan te begeleiden;6° zijn steun verlenen aan de actiediensten in een open milieu bij de verwezenlijking van hun sociale beoordeling;7° in voorkomend geval, de bemiddeling tussen de actiediensten in een open milieu en de plaatselijke autoriteiten organiseren. Art. 12.De Regering bepaalt de nadere regels voor het opstellen van de ontwerpen van sociale beoordelingen. 2. 4 Titel 4.- Preventiecollege Art. 13.Er wordt een preventiecollege ingesteld, dat de volgende opdrachten uitoefent : 1° de sociale beoordelingen van de afdelingen, arrondissementen en grondgebieden bepaald krachtens artikel 6, tweede lid, coördineren, en het resultaat van zijn werkzaamheden meedelen aan de Regering en aan de gemeenschapsraad;2° de uitwisseling en de harmonisering van goede praktijken binnen de afdelingen en de arrondissementen aanmoedigen, waarbij de kenmerken van elk van die in acht moeten worden genomen, onder meer door het ontwikkelen van gemeenschappelijke preventie-instrumenten;3° om de drie jaar, een verslag over de preventie en de aanbevelingen voor de Regering en de gemeenschapsraad opmaken. De Regering deelt het Parlement het in het eerste lid, 3° bedoelde verslag mee. Art. 14.Het preventiecollege is samengesteld uit : 1° de leidende ambtenaar of diens afgevaardigde;2° preventieverantwoordelijken;3° de coördinator van de het team van facilitatoren in de zin van het
decreet van 21 november 2013Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
21/11/2013
pub.
03/04/2014
numac
2014029205
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet tot organisatie van een gemeenschappelijk beleid inzake leerplichtonderwijs en hulpverlening aan de jeugd ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van de studieoriëntatie
type
decreet
prom.
21/11/2013
pub.
03/04/2014
numac
2014029203
bron
ministerie van de franse gemeenschap
Decreet tot organisatie van verschillende schoolstelsels ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van studieoriëntatie
sluiten tot organisatie van een gemeenschappelijk beleid inzake leerplichtonderwijs en hulpverlening aan de jeugd ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van de studieoriëntatie, of diens vertegenwoordiger;4° een vertegenwoordiger van het bestuur bevoegd in jeugdzaken;5° een vertegenwoordiger van het bestuur bevoegd in sportzaken;6° een vertegenwoordiger van de "Office de la naissance et de l'enfance";7° een vertegenwoordiger van elk gewestelijk bestuur bevoegd inzake sociale cohesie;8° een vertegenwoordiger van elk gewestelijk bestuur bevoegd inzake tewerkstelling en opleiding;9° een vertegenwoordiger van elk gewestelijk bestuur bevoegd inzake gezondheid;10° een vertegenwoordiger van de provinciale besturen;11° een vertegenwoordiger van de federatie van openbare centra voor maatschappelijk welzijn van elk gewest;12° een vertegenwoordiger van elke federatie die actiediensten in een open milieu vertegenwoordigt;13° de algemeen afgevaardigde of diens vertegenwoordiger. De het in het eerste lid, 7°, 8° en 9° bedoelde leden van het preventiecollege wonen de vergaderingen met adviserende stem bij.
Het preventiecollege wordt door de leidende ambtenaar of diens afgevaardigde voorgezeten.
Het secretariaat van het preventiecollege wordt door de bevoegde administratie waargenomen.
De Regering stelt de criteria vast waarmee kan worden bepaald dat een federatie de actiediensten in een open milieu vertegenwoordigt. Art. 15.De Regering stelt de regels voor de werking van het preventiecollege en de procedure voor de benoeming van zijn leden vast. 3 Boek II. - Sociale administratieve autoriteiten 3.1 Titel 1. - Adviseur voor hulpverlening aan de jeugd Art. 16.Er wordt een adviseur voor hulpverlening aan de jeugd aangesteld in elke afdeling of in elk arrondissement dat niet uit afdelingen samengesteld is.
Eén of meer adjunct-adviseurs voor hulpverlening aan de jeugd kunnen worden aangesteld om de adviseur bij te wonen.
Tenzij anders wordt bepaald, heeft de adjunct-adviseur voor hulpverlening aan de jeugd dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als de adviseur, met uitzondering van de leiding van de dienst voor hulpverlening aan de jeugd. Art. 17.De adviseur staat onder het hiërarchische gezag van de leidende ambtenaar.
De adviseur en zijn adjuncten oefenen hun bevoegdheden inzake individuele hulpverlening in volle onafhankelijkheid uit.
De adviseur heeft de leiding van de dienst voor hulpverlening aan de jeugd die hem ter beschikking wordt gesteld om hem bij de uitoefening van zijn bevoegdheden bij te staan.
De dienst voor hulpverlening aan de jeugd die ter beschikking van de adviseur wordt gesteld, bestaat uit : 1° een sociale afdeling;2° een administratieve afdeling. De sociale afdeling van de dienst hulpverlening aan de jeugd omvat ten minste één ambtenaar belast met transversale en intersectorale opdrachten. 3.2 Titel 2. - Directeur voor jeugdbescherming Art. 18.Er wordt een directeur voor jeugdbescherming aangesteld in elke afdeling of elk arrondissement dat niet uit afdelingen samengesteld is.
Eén of meer adjunct-directeurs voor jeugdbescherming kunnen worden aangesteld om de directeur bij te staan.
Tenzij anders wordt bepaald, heeft de adjunct-directeur voor jeugdbescherming dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als de directeur, met uitzondering van de leiding van de dienst voor jeugdbescherming. Art. 19.De directeur staat onder het hiërarchische gezag van de leidende ambtenaar.
De directeur en zijn adjuncten oefenen hun bevoegdheden inzake individuele bescherming in volle onafhankelijkheid uit.
De directeur heeft de leiding van de dienst voor jeugdbescherming die hem ter beschikking wordt gesteld om hem bij de uitoefening van zijn bevoegdheden bij te staan.
De dienst voor jeugdbescherming die ter beschikking van de directeur wordt gesteld, bestaat uit : 1° een sociale afdeling;2° een administratieve afdeling. 4 Boek III. - Hulpverlening aan kinderen en hun gezin 4.1 Titel 1. - Toepassingsgebied Art. 20.De bepalingen van Boek III zijn van toepassing : 1° op kinderen in moeilijkheden alsook op personen die moeilijkheden ondervinden bij de naleving van hun ouderplichten;2° op elk kind wiens gezondheid, veiligheid of opvoedingsvoorwaarden worden bedreigd door zijn gedrag, dat van zijn gezin of van zijn leefgenoten. Ze zijn ook van toepassing op natuurlijke en rechtspersonen die hun medewerking verlenen aan de uitvoering van individuele beslissingen die worden genomen door gemeenschaps- of gerechtelijke autoriteiten inzake hulpverlening en bescherming voor de in het eerste lid bedoelde kinderen. 4.2 Titel 2. - Rechten van kinderen, hun gezin en hun leefgenoten 4.2.1 Hoofdstuk 1. - Algemene beginselen Art. 21.De adviseur informeert het kind, zijn gezin en zijn leefgenoten over hun rechten en plichten, inzonderheid de in de artikelen 27, 29 en 36 bedoelde rechten.
Elk voorstel van de adviseur wordt met redenen omkleed.
In geen geval kan de adviseur de hulpverleningsmaatregel baseren op een gegeven of een inlichting dat/die niet ter kennis van het kind, zijn gezin en deze onder zijn leefgenoten die bij de maatregel wordt getroffen, werd gebracht.
Om zijn voorstellen en beslissingen te staven en te motiveren, neemt de adviseur de persoonlijkheid van het kind, zijn rijpheidsgraad en zijn leefomgeving alsook de beschikbaarheid van opvoedings- en behandelingsmiddelen en van alle andere beoogde hulpmiddelen in aanmerking.
De toestemming die wordt verleend of de beslissing die wordt genomen door de adviseur leidt tot het opstellen van een schriftelijke akte waarin het doel en de redenen van de toestemming of de beslissing en waarin de tekst van de artikelen 27 en 36 en de nadere regels voor de indiening van het bezwaar worden vermeld.
Die akte wordt meegedeeld aan het kind, aan de personen die het ouderlijk gezag over het kind uitoefenen, een aan de personen die het kind in rechte of in feite huisvesten, binnen tien werkdagen te rekenen vanaf de dag van het gesprek gedurende hetwelk de toestemming wordt verleend of de beslissing wordt meegedeeld.
Indien het kind door een advocaat wordt bijgestaan, wordt een afschrift van de akte aan deze overgezonden. Art. 22.De adviseur neemt geen maatregel of beslissing tot individuele hulpverlening, zonder de personen op wie de hulpverlening betrekking heeft vooraf te hebben opgeroepen en gehoord, behalve in geval van behoorlijk vastgestelde verhindering.
De betrokken personen hebben de mogelijkheid om een andere meerderjarige persoon naar hun keuze af te vaardigen indien ze door hun gezondheidstoestand verhinderd worden om te worden gehoord.
De door de adviseur gehoorde personen hebben het recht zich te laten bijstaan door de meerderjarige persoon van hun keuze en door een advocaat.
De adviseur roept de advocaat van het kind op ter voorbereiding van hun onderhoud met het kind.
In het belang van het kind kan een afzonderlijk onderhoud plaatsvinden met het kind of de personen die hem begeleiden.
De schriftelijke akte vermeldt en synthetiseert het verhoor van de in het eerste lid vermelde personen of vermeldt de redenen waarom het onmogelijk is om die te horen.
Het kind, zijn gezin en zijn leefgenoten nemen deel aan de beslissingen die het kind betreffen en aan de uitvoering ervan, behalve in geval van behoorlijk vastgestelde verhindering. Art. 23.Geen maatregel tot individuele hulpverlening kan door de adviseur worden genomen zonder de schriftelijke toestemming van : 1° het kind dat ten minste veertien jaar oud is;2° het kind dat ten minste twaalf jaar oud is, bijgestaan door een van ambtswege toegekende advocaat, in voorkomend geval, op aanvraag van de adviseur;3° personen die het ouderlijk gezag over het kind uitoefenen. De toestemming van de personen die het ouderlijk gezag over het kind uitoefenen is niet vereist indien het onmogelijk is om die te horen. Art. 24.De adviseur stelt voor elk kind dat een maatregel tot individuele hulpverlening geniet een project voor het kind vast met het oog op zijn lichamelijke, psychische, affectieve, intellectuele en sociale ontplooiing, dat hem begeleidt gedurende zijn gehele traject in het kader van de hulpverlening aan de jeugd of van de jeugdbescherming.
Het project voor het kind en de eventuele wijziging ervan worden door de in artikel 23 bedoelde personen schriftelijk goedgekeurd, onverminderd de in dit artikel bedoelde uitzondering.
Het project voor het kind wordt aan de jeugdrechtbank meegedeeld, als deze een zaak wordt voorgelegd op grond van artikel 37, artikel 51 of artikel 56, eerste lid, en, in voorkomend geval, aan de directeur.
Wanneer de adviseur een voorlopige maatregel overeenkomstig artikel 37, § 2, tweede lid uitvoert, maakt hij het project voor het kind alleen op indien hij de toestemming daartoe krijgt.
De Regering bepaalt de rubrieken die het project voor het kind inhoudt. Art. 25.De door de adviseur genomen maatregelen hebben prioritair tot doel de ontplooiing van het kind in zijn leefomgeving te bevorderen.
Als het echter in het belang van het kind vereist is hem daaruit te verwijderen, kan het kind door hulpverlening levensomstandigheden en ontwikkelingsvoorwaarden genieten die aan zijn behoeften en aan zijn leeftijd beantwoorden.
Wanneer de adviseur voorstelt het kind buiten zijn levensomgeving te huisvesten, vertrouwt hij hem in de volgende prioriteitsvolgorde toe : 1° aan een lid van zijn gezin of aan één van zijn leefgenoten;2° aan een pleegzorger die geen lid van zijn gezin of geen leefgenoot is;3° aan een geschikte inrichting met het oog op zijn opvoeding of zijn behandeling. De adviseur zorgt er eveneens voor, behalve als dit niet mogelijk is of als dit in strijd is met het belang van het kind, dat het kind niet van zijn broers en zussen gescheiden wordt. Art. 26.De duur van elke maatregel tot individuele hulpverlening die ter uitvoering van artikel 35 wordt genomen, wordt tot hoogstens één jaar beperkt te rekenen vanaf de dag van de ondertekening door de personen bedoeld in artikel 23 van de schriftelijke akte bedoeld in artikel 21, vijfde lid, of van de dag waarop deze wordt meegedeeld.
De maatregel kan ettelijke keren worden hernieuwd, voor een maximumduur van één jaar, en te allen tijde worden ingetrokken of gewijzigd door de adviseur, in het belang van het kind : 1° ofwel op verzoek van een lid van het gezin of van één van zijn leefgenoten;2° ofwel op verzoek van het kind dat minstens veertien jaar oud is;3° ofwel op verzoek van het kind dat minstens twaalf jaar oud is, bijgestaan door een advocaat, die, op verzoek van de adviseur, van ambtswege wordt toegekend;4° ofwel op verzoek van de dienst die wordt aangesteld om een kind ten laste te nemen;5° ofwel op initiatief van de adviseur. Art. 27.Te allen tijde kunnen het kind, zijn gezin en zijn leefgenoten die door de maatregel worden getroffen alsook hun advocaat kennis nemen van alle stukken van het dossier van de adviseur, volgens door de Regering nader te bepalen regels, met uitzondering van stukken die de vermelding "vertrouwelijk" dragen, aan de adviseur meegedeeld door de gerechtelijke overheden.
De adviseur kan echter de raadpleging of de mededeling van één of meer stukken van het dossier weigeren indien dit in het belang van het kind vereist is. In dit geval vermeldt de beslissing de mogelijkheid om het advies te vragen van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten en een beroep voor de Raad van State in te dienen, overeenkomstig het decreet van 22 december 1994 betreffende de openbaarheid van het bestuur.
Bij de mededeling van de stukken, geeft de adviseur of het daartoe aangestelde personeelslid van zijn dienst de nodige uitleg en commentaar aan de verzoeker en zorgt er inzonderheid voor aan het kind dat de stukken van zijn dossier raadpleegt een geschikte begeleiding te verlenen, rekening houdend met zijn rijpheidsgraad en de informatie vermeld in zijn dossier.
De in het eerste lid bedoelde personen kunnen kosteloos een afschrift van de door hen geraadpleegde stukken krijgen, volgens door de Regering nader bepaalde regels.
Elk afschrift van een stuk uit het dossier vermeldt dat het alleen met inachtneming van het eerste lid en het tweede lid kan worden meegedeeld en dat het in geen andere procedure dan deze die betrekking heeft op de hulpverleningsmaatregel voor het dossier waaruit het komt, kan worden gebruikt. Art. 28.Het kind, zijn gezin en zijn leefgenoten hebben het recht zich te laten begeleiden door de meerderjarige persoon van hun keuze en door een advocaat, als ze zich tot de bevoegde administratie, een erkende dienst of de algemeen afgevaardigde richten.
In het belang van het kind, kan een afzonderlijk onderhoud plaatsvinden met het kind of de personen die hem begeleiden. Art. 29.Het kind, zijn gezin en zijn leefgenoten hebben het recht zich tot de bevoegde administratie te richten bij niet-naleving van hun rechten, bij een brief die aan de leidend ambtenaar wordt gericht.
Die briefwisseling kan elektronisch geschieden. 4. 2.2 Hoofdstuk - 2. Rechten van kinderen ten aanzien van wie een maatregel tot huisvesting buiten hun leefomgeving wordt genomen Art. 30.§ 1. Het kind dat krachtens een hulpverleningsmaatregel buiten zijn leefomgeving wordt gehuisvest, heeft het recht met elke persoon van zijn keuze te communiceren. § 2. Elk kind dat krachtens een hulpverleningsmaatregel aan een erkende residentiële dienst wordt toevertrouwd, wordt, zodra het wordt opgenomen, in kennis gesteld van zijn recht op communiceren met een advocaat en met de algemeen afgevaardigde.
Daartoe verzoekt de verantwoordelijke voor de erkende residentiële dienst het minder dan twaalf jaar oude kind om reeds bij zijn aankomst een document te ondertekenen waarmee het verklaart van dat recht in kennis te zijn gesteld en geeft hij er hem een afschrift van. Hij moedigt de werkelijke uitoefening van dat recht aan. § 3. Elk kind dat krachtens een hulpverleningsmaatregel aan een residentiële dienst wordt toevertrouwd alsook de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen, krijgen een afschrift van het huishoudelijk reglement van de dienst, zodra het aankomt. Art. 31.De adviseur brengt minstens één keer per semester een bezoek aan elk kind dat krachtens een hulpverleningsmaatregel buiten zijn leefomgeving wordt gehuisvest en minstens één keer per trimester waanneer het minder dan drie jaar oud is.
Daartoe kan hij een persoon afvaardigen die hem een verslag meedeelt. Art. 32.Het kind dat krachtens een huisvestingsmaatregel buiten zijn leefomgeving wordt gehuisvest, krijgt zakgeld onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die door de Regering worden bepaald. Art. 33.Elke beslissing waarbij een kind van een erkende residentiële dienst naar een andere wordt overgedragen, wordt door de adviseur genomen, op grond van een omstandig verslag van de dienst.
Er wordt een afschrift van het verslag van de dienst aan de bevoegde administratie verzonden.
Behoudens om medische redenen of om veiligheidsredenen kan de overdracht van het kind alleen met de toestemming van de in artikel 23 bedoelde personen plaatsvinden, onverminderd de bij dit artikel bedoelde uitzondering.
Het kind wordt in kennis gesteld van de redenen voor zijn overdracht en van de kenmerken van zijn nieuwe opvangmilieu. 4.3 Titel 3. - Hulpverleningsmaatregelen 4.3.1 Hoofdstuk 1. - Hulpverleningsmaatregelen waarvoor de adviseur bevoegd is Art. 34.De territoriale bevoegdheid van de adviseur wordt bepaald door de verblijfplaats van de personen die het ouderlijk gezag over het kind uitoefenen of, als dit gezag door gescheiden personen gezamenlijk wordt uitgeoefend, door de verblijfplaats van de persoon bij wie het kind gewoon verblijft.
Bij gelijke huisvesting door de ouders, is de bevoegde adviseur die van de plaats waar het kind hoofdzakelijk wordt ingeschreven in het bevolkingsregister.
Wanneer de personen die het ouderlijk gezag ten aanzien van het kind uitoefenen geen verblijfplaats in België hebben of wanneer hun verblijfplaats onbekend of onzeker is, is de bevoegde adviseur die van de plaats waar het kind zich bevindt.
Bij verandering van verblijfplaats, zendt de adviseur zijn dossier over aan de adviseur van de afdeling of het arrondissement van de nieuwe verblijfplaats en blijft bevoegd totdat de nieuwe bevoegde adviseur ontvangst van dat dossier heeft gemeld. Art. 35.§ 1. De adviseur onderzoekt de aanvragen om hulpverlening betreffende het kind en de personen bedoeld in artikel 20, eerste lid. § 2. Met inachtneming van zijn bevoegdheid inzake aanvullende en vervangende hulpverlening : 1° verwijst de adviseur de betrokkenen naar elke particuliere of naar elke geschikte dienst, waaronder inzonderheid het bevoegde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een dienst voor geestelijke gezondheidszorg, een dienst voor hulpverlening aan gehandicapte personen, een team SOS Kinderen, een actiedienst in open milieu of een andere erkende dienst zonder opdracht;2° staat de adviseur de betrokkenen bij voor de vervulling van hun stappen met het oog op het verkrijgen van de aangevraagde hulpverlening. § 3. Wanneer de adviseur op de hoogte is van mishandeling, ontberingen of nalatigheid waarvan een kind het slachtoffer is of wanneer hij dit vermoedt, kan hij een team SOS Kinderen vragen om op te treden.
Het team SOS Kinderen brengt de adviseur op de hoogte van de evolutie van de toestand en brengt verslag uit. § 4. Wanneer de in artikel 23 bepaalde voorwaarden vervuld zijn, kan de adviseur, nadat hij heeft vastgesteld dat geen andere particulier of dienst op dat ogenblik een gepaste hulp kan verlenen, uitzonderlijk en voorlopig, zolang de in paragraaf 2 bepaalde stappen geen resultaat hebben opgeleverd, een al dan niet erkende dienst of een pleegzorger verzoeken om de gepaste hulp gedurende de nodige tijd te verlenen.
In dat geval beslist de adviseur, binnen de door de Regering vast te stellen perken, over de uitgaven die worden gedaan met het oog op de vervangende persoonlijke hulp die met toepassing van dit boek wordt verleend, en reikt de bewijsstukken uit aan al dan niet erkende diensten en aan pleegzorgers.
Hulp kan alleen worden verleend aan een begunstigde die meer dan achttien jaar oud is indien deze vóór de leeftijd van achttien jaar werd aangevraagd en kan alleen een begeleidingsmaatregel zijn. Die maatregel eindigt wanneer de begunstigde de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt. § 5. De adviseur brengt het openbaar ministerie op de hoogte van de toestanden bedoeld in de artikelen 37 en 51 of in de artikelen 8 en 9 van de ordonnantie van 29 april 2004. § 6. In geval van ontzetting uit het ouderlijk gezag, wordt de rechtstreekse hulpverlening van de Franse Gemeenschap aan de minderjarige wiens vader en moeder of één van hen uit het ouderlijk gezag ontzet zijn, afhankelijk gemaakt van de beslissing van de jeugdrechtbank hem aan de adviseur toe te vertrouwen overeenkomstig de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/04/1965
pub.
02/08/2010
numac
2010000404
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten of van een aanvraag om optreden van de vervangende voogd aan de adviseur. § 7. De adviseur coördineert de acties die worden ondernomen ten gunste van de personen waarvoor zijn optreden wordt aangevraagd, onder meer door de samenwerking aan te moedigen tussen de verschillende al dan niet erkende diensten, die zullen moeten optreden. § 8. Op verzoek van het kind, een lid van zijn gezin, één van zijn leefgenoten of de algemeen afgevaardigde, interpelleert de adviseur elke al dan niet erkende dienst die voor het kind zorgt, om hem inlichtingen te vragen over zijn optreden of zijn weigering van optreden ten gunste van dat kind. 4.3.2 Hoofdstuk 2. - Betwisting van de beslissingen van de adviseur Art. 36.De jeugdrechtbank neemt kennis van de betwistingen betreffende de toekenning, de weigering en de nadere regels voor de toepassing van een maatregel tot individuelle hulpverlening, die hem worden voorgelegd : 1° door een persoon die het ouderlijk gezag over het kind uitoefent;2° door een persoon die het kind in rechte of in feite huisvest;3° door een persoon die het recht heeft persoonlijk contact met het kind te onderhouden krachtens artikel 375 bis van het burgerlijk wetboek;4° door het kind dat minder dan veertien jaar oud is;5° door het kind dat minstens twaalf jaar oud is, bijgestaan door een advocaat die, in voorkomend geval, van ambtswege wordt aangesteld op aanvraag van de adviseur;6° ingeval de in 1°, 2° en 3° bedoelde personen, betreffende een kind dat minder dan twaalf jaar oud is, de zaak niet aan de rechtbank voorleggen : a) ofwel door het kind zelf;b) ofwel door een ad-hocvoogd die door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg wordt aangesteld op verzoek van elke betrokkene en, in voorkomend geval, door de procureur des Konings;c) ofwel door een ad-hocvoogd, aan te stellen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op verzoek van dezelfde personen, indien blijkt dat het minder dan twaalf jaar oude kind niet het voldoende onderscheidingsvermogen heeft om te oordelen over het vraagstuk waarop de betwisting betrekking heeft;in dit geval neemt de jeugdrechtbank geen beslissing voordat de ad-hocvoogd wordt aangesteld.
Bij de inleidende zitting, brengt de rechtbank de verzoeker op de hoogte van het feit dat deze kan vragen om het geschil door middel van de verzoening te regelen.
Op aanvraag van de verzoeker probeert de rechtbank de partijen te verzoenen.
De rechtbank onderneemt de verzoening binnen de veertien dagen na de inleidende zitting.
Indien de poging tot verzoening tot een afspraak leidt, neemt de rechtbank die afspraak in een proces-verbaal op dat door de betrokken partijen wordt ondertekend en waarvan de verzending de formule inhoudt die de afspraak uitvoerbaar verklaart.
Indien de poging tot verzoening faalt, beslecht de rechtbank de betwisting binnen de maand volgend op het proces-verbaal dat vaststelt dat geen verzoening werd bereikt.
Indien geen verzoening wordt aangevraagd, beslecht de rechtbank de betwisting binnen de maand volgend op de indiening ervan.
De beslissing van de rechtbank doet geen afbreuk aan de afsluiting en de uitvoering van een afspraak die afwijkt van de gerechtelijke beslissing, die later tussen de partijen wordt afgesloten. Die afspraak wordt aan de rechtbank meegedeeld. 4.3.3 Hoofdstuk 3. - Optreden van de jeugdrechtbank Art. 37.§ 1. Bij dringende noodzakelijkheid, wanneer een ernstig gevaar thans de lichamelijke en psychische integriteit van het kind rechtsreeks bedreigt, kan de jeugdrechtbank, zonder de toestemming van de bij artikel 23 bedoelde personen, voorlopig, voor een periode die niet langer dan dertig dagen mag zijn, de in artikel 51, eerste lid, 2° bedoelde maatregel nemen. Wanneer een zaak niet op initiatief van de adviseur bij de rechtbank aanhangig wordt gemaakt, vergewist het openbaar ministerie zich vooraf bij deze van het gebrek aan toestemming van de in artikel 23 bedoelde personen of van de onmogelijkheid om die toestemming te verkrijgen.
De beslissing van de rechtbank wordt onmiddellijk aan de directeur meegedeeld, om overeenkomstig artikel 53 te worden uitgevoerd.
De beslissing van de rechtbank bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van de voorlopige maatregel die van toepassing zijn totdat de directeur, in voorkomend geval, andere nadere uitvoeringsregels neemt of in samenspraak met de in artikel 23 bedoelde personen een andere maatregel neemt, overeenkomstig artikel 53, § 5. § 2. Het openbaar ministerie kan de zaak bij de rechtbank uitzonderlijk rechtsreeks aanhangig maken wanneer het aantoont dat de adviseur niet kon worden bereikt en dat het in het belang van het kind niet mogelijk is om de organisatie en de uitvoering van de vrijwillige hulpverlening af te wachten.
In de in het eerste lid bedoelde gevallen, wordt de beslissing van de rechtbank onmiddellijk meegedeeld aan de adviseur, die in dat geval de opdrachten uitoefent in verband met de uitvoering van een voorlopige maatregel bedoeld bij artikel 53, §§ 1, 2, 3, en 5, en probeert de toestemming van de in artikel 23 bedoelde personen te verkrijgen betreffende de maatregel(en) die door de rechtbank worden genomen of betreffende hun wijziging. § 3. Overeenkomstig artikel 53, § 5, derde lid, kan de voorlopige maatregel één keer worden verlengd met een periode van hoogstens vijfenveertig dagen. 5 Boek IV. Maatregelen tot bescherming van kinderen in gevaar 5. 1 Titel 1.- Toepassingsgebied Art. 38.De bepalingen van Boek IV zijn van toepassing op elk kind waarvan de gezondheid of de veiligheid wordt bedreigd of waarvan de opvoedingsvoorwaarden in het gedrang komen door zijn gedrag, dat van zijn gezin of van zijn leefgenoten, alsook op de personen die zodanig moeilijkheden ondervinden bij de uitvoering van hun ouderlijke verplichtingen dat ze hun kind ernstig in gevaar brengen.
Ze zijn eveneens van toepassing op de natuurlijke en rechtspersonen die hun medewerking verlenen aan de uitvoering van maatregelen die door de gemeenschaps- of gerechtelijke overheden worden genomen inzake bescherming van de kinderen bedoeld in het eerste lid. 5.2 Titel 2. - Rechten van kinderen, hun gezin en hun leefgenoten 5.2.1 Hoofdstuk 1. - Algemene beginselen Art. 39.De directeur informeert het kind, zijn gezin en zijn leefgenoten over hun rechten en plichten, inzonderheid de in de artikelen 44, 46 en 54 bedoelde rechten.
Elke beslissing van de directeur wordt met redenen omkleed.
De directeur kan geenszins zijn beslissing staven op een gegeven of een inlichting die niet ter kennis werd gebracht van het kind, zijn gezin en die van zijn leefgenoten op wie de maatregel betrekking heeft.
Om zijn voorstellen en beslissingen te staven en te motiveren, neemt de directeur de personaliteit van het kind, zijn rijpheidsgraad en zijn leefomgeving alsook de beschikbaarheid van de middelen inzake opvoeding en behandeling en van alle andere geplande hulpmiddelen in aanmerking.
Elke beslissing die door de directeur wordt genomen, geeft aanleiding tot het opstellen van een schriftelijke akte houdende vermelding van het doel en de redenen van de beslissing en waarbij de tekst van de artikelen 44 en 54 en de nadere regels voor de indiening van de betwisting wordt weergegeven.
Die akte wordt overgezonden aan het kind, de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen en aan de personen die het kind in rechte en in feite huisvesten, binnen de tien werkdagen te rekenen vanaf de dag van het onderhoud gedurende hetwelk de beslissing wordt overgezonden.
Een afschrift van de akte wordt aan de advocaat van het kind overgezonden. Art. 40.De directeur neemt geen beslissing tot individuele bescherming zonder de betrokken personen te hebben opgeroepen en gehoord, behalve als behoorlijk wordt vastgesteld dat dit onmogelijk is.
De directeur roept in ieder geval het kind, als dit minder dan twaalf jaar oud is, op, en hoort elk kind dat dit aanvraagt, ongeacht zijn leeftijd.
De directeur roept de advocaat van het kind op met het oog op een onderhoud met het kind.
In het belang van het kind, kan een afzonderlijk onderhoud plaatsvinden met het kind of de personen die hem begeleiden.
De betrokken personen kunnen een persoon van hun keuze afvaardigen indien hun gezondheidstoestand hen belet te worden gehoord.
De personen die door de directeur worden gehoord, hebben het recht zich te laten begeleiden door de meerderjarige persoon van hun keuze en door een advocaat.
De schriftelijke akte vermeldt het verhoor van de in het eerste lid vermelde personen en maakt er een kort verslag van op of vermeldt de redenen waarom het onmogelijk is om die te horen.
Het kind, zijn gezin en zijn leefgenoten worden betrokken bij de beslissingen die het kind aangaan en bij de uitvoering ervan, behalve als het behoorlijk wordt aangetoond dat niet mogelijk is. Art. 41.Indien een project voor het kind nog niet bestaat wanneer de toestand van een kind hem wordt voorgelegd en wanneer hij niet optreedt in het kader van de uitvoering van een voorlopige maatregel, maakt de directeur dat project op dat tot doel heeft zijn lichamelijke, geestelijke, affectieve, intellectuele en sociale ontwikkeling van het kind te waarborgen en dat hem begeleidt gedurende zijn traject in het kader van de hulpverlening aan de jeugd of de jeugdbescherming.
In overleg met het kind en de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen, maakt de directeur het project op of wijzigt hij dit.
Het project voor het kind, dat door de directeur kan worden gewijzigd, wordt aan de adviseur overgezonden, wanneer deze de toestand van het kind moet behandelen ingevolge de homologatie van de toestemming die door de directeur wordt verkregen, en aan de jeugdrechtbank, wanneer deze de zaak moet behandelen op grond van artikel 56, eerste lid. Art. 42.§ 1. De maatregelen en de beslissingen die door de jeugdrechtbank en door de directeur worden genomen streven er bij voorrang naar de ontplooiing van het kind in zijn leefomgeving aan te moedigen.
Als het in het belang van het kind echter vereist is dat het kind daaruit wordt verwijderd, waarborgt de bescherming die aan het kind wordt verleend in ieder geval de levens- en ontwikkelingsvoorwaarden die aan zijn behoeften en zijn leeftijd beantwoorden. § 2. In het kader van de uitvoering van de maatregel bedoeld in artikel 51, eerste lid, 2°, kan de directeur het kind toevertrouwen, in de volgende prioriteitsvolgorde : 1° aan een lid van zijn gezin of aan één van zijn leefgenoten;2° aan een pleegzorger die geen lid van zijn gezin of geen leefgenoot is;3° aan een geschikte inrichting met het oog op zijn opvoeding of zijn behandeling. § 3. Behalve als dit niet mogelijk is of als dit in strijd is met het belang van het kind, zorgen de rechtbank en de directeur ervoor dat het kind niet van zijn broers en zussen wordt gescheiden. Art. 43.§ 1. De duur van elke maatregel tot individuele bescherming die ter uitvoering van artikel 51 ten aanzien van een kind in gevaar wordt genomen, wordt tot hoogstens één jaar beperkt vanaf de dag waarop het eerste onderhoud bij de directeur plaatsvindt.
Op initiatief van de directeur, kan de maatregel ettelijke keren worden hernieuwd, voor een maximumduur van één jaar, en te allen tijde door de jeugdrechtbank worden ingetrokken of gewijzigd, in het belang van het kind.
Indien de maatregel wordt hernieuwd, wordt de periode van één jaar vanaf de dag van het vonnis berekend. § 2. Wanneer de directeur vraagt dat de rechtbank de beschermingsmaatregel hernieuwt, intrekt of wijzigt, zendt hij het openbaar ministerie een verslag over de huidige toestand van het kind, waarbij hij aantoont dat zijn vraag verantwoord is, alsook het project voor het kind.
Wanneer de directeur de hernieuwing van de maatregel aanvraagt, deelt hij zijn verslag uiterlijk twee maanden vóór de termijn van de maatregel mee. § 3. Als er een nieuw gegeven is, deelt de directeur een bijgewerkt verslag aan het openbaar ministerie mee. § 4. Als een aanvraag om hernieuwing, intrekking of wijziging van de beschermingsmaatregel bij de rechtbank aanhangig wordt gemaakt, deelt de directeur hem, op zijn aanvraag, de stukken in verband met de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde verslagen mee. Art. 44.Te allen tijde kunnen het kind, zijn gezin en de leefgenoten op wie de maatregel betrekking heeft, alsook hun advocaat, kennis nemen van alle stukken van het dossier van de directeur volgens door de Regering nader te bepalen regels, met uitzondering van de stukken met de vermelding "vertrouwelijk" die door de gerechtelijke overheid aan de directeur worden meegedeeld.
De directeur kan echter de raadpleging of de mededeling van één of meer stukken van het dossier weigeren, indien dit in het belang van het kind vereist is. In dit geval vermeldt de beslissing dat het mogelijk is om het advies van de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten aan te vragen en een beroep vóór de Raad van State in te dienen, overeenkomstig het decreet van 22 december 1994 betreffende de openbaarheid van het bestuur.
Bij de mededeling van de dossiers bezorgt de directeur of het daartoe aangestelde personeelslid van zijn dienst de nodige uitleg en commentaar aan de verzoeker en zorgt er inzonderheid voor het kind dat de stukken van zijn dossier raadpleegt een geschikte begeleiding te verlenen rekening houdend met zijn rijpheidsgraad en met de in zijn dossier vervatte informatie.
De in het eerste lid bedoelde personen kunnen een afschrift van de stukken die ze raadplegen, gratis bekomen, volgens door de Regering nader te bepalen regels.
In elk afschrift van een stuk van het dossier wordt vermeld dat het enkel met inachtneming van het eerste lid en het tweede lid kan worden meegedeeld en dat het in geen andere procedure kan worden gebruikt dan deze die betrekking heeft op de beschermingsmaatregel waarop het dossier waarvan het een uittreksel is, betrekking heeft. Art. 45.Het kind, zijn gezin en zijn leefgenoten hebben het recht zich te laten begeleiden door de meerderjarige persoon van zijn keuze en door een advocaat, wanneer ze zicht tot de bevoegde administratie, een erkende dienst of de algemeen afgevaardigde richten.
In het belang van het kind kan een afzonderlijk onderhoud plaatsvinden met het kind of de personen die hem begeleiden. Art. 46.Indien hun rechten niet in acht worden genomen, hebben het kind, zijn gezin en zijn leefgenoten het recht de zaak aan de bevoegde administratie voor te leggen bij een brief die aan de leidend ambtenaar wordt gericht. Die brief kan elektronisch zijn. 5.2.2 Hoofdstuk 2. - Rechten van kinderen ten aanzien van wie een maatregel wordt genomen voor een huisvesting buiten hun leefomgeving Art. 47.§ 1. Elk kind dat buiten zijn leefomgeving krachtens een beschermingsmaatregel wordt gehuisvest, heeft het recht met elke persoon van zijn keuze te communiceren, tenzij de jeugdrechtbank daarover anders beslist. § 2. Elk kind dat krachtens een beschermingsmaatregel aan een erkende residentiële dienst wordt toevertrouwd, wordt, zodra het ten laste wordt genomen, geïnformeerd over zijn recht te communiceren met zijn advocaat en met de algemeen afgevaardigde.
Daartoe verzoekt de verantwoordelijke voor de erkende residentiële dienst het kind dat minstens twaalf jaar oud is, reeds vanaf zijn opname, een document te ondertekenen waarmee hij verklaart over dat recht te zijn geïnformeerd en geeft hij hem een afschrift ervan. Hij moedigt de werkelijke uitoefening van dat recht aan. § 3. Elk kind dat krachtens een beschermingsmaatregel aan een erkende residentiële dienst wordt toevertrouwd en de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen, krijgen een afschrift van het huishoudelijk reglement van de dienst, zodra het kind wordt opgenomen. Art. 48.De directeur brengt minstens één keer per jaar een bezoek aan elk kind dat krachtens een beschermingsmaatregel buiten zijn leefomgeving wordt gehuisvest en minstens één keer per trimester, wanneer het minder dan drie jaar oud is.
Hij kan een persoon daartoe afvaardigen die bij hem verslag uitbrengt. Art. 49.Het kind dat krachtens een beschermingsmaatregel buiten zijn leefomgeving wordt gehuisvest, krijgt zakgeld onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die door de Regering vast te stellen zijn. Art. 50.Elke beslissing tot overdracht van een kind van een erkende residentiële dienst naar een andere wordt door de direc …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.