← België

Decreet betreffende het onderwijs XI

Kort samengevat

Dit decreet wijzigt de rechtspositie van personeelsleden in het gemeenschapsonderwijs en verduidelijkt wie onder deze regeling valt en wat hun verantwoordelijkheden zijn. Het past bestaande definities aan en introduceert nieuwe begrippen binnen het onderwijslandschap.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
18 MEI 1999. - Decreet betreffende het onderwijs XI (1) Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid. HOOFDSTUK II. - Decreet rechtspositie personeelsledengemeenschapsonderwijs Art. 2.In artikel 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs wordt het woord "Gemeenschapsonderwijs" vervangen door het woord "gemeenschapsonderwijs". Art. 3.In artikel 2 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreten van 14 juli 1998 en 1 december 1998, wordt § 1 vervangen door wat volgt : « § 1. Dit decreet is van toepassing op de volgende personeelscategorieën : het bestuurs- en onderwijzend personeel met inbegrip van de godsdienstleerkrachten; het opvoedend hulppersoneel; het paramedisch en sociaal personeel; het psychologisch, orthopedagogisch en medisch personeel; het technisch personeel; het administratief personeel; het ondersteunend personeel; het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst; het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel; die in het gemeenschapsonderwijs worden tewerkgesteld bij de scholengroep of in de volgende instellingen : de scholen van het basisonderwijs en de instellingen van het secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs, in welke vorm ook; de autonome internaten en tehuizen; de semi-internaten en de opvangcentra; de pedagogische begeleidingsdienst; de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel, verder aangeduid als CLB; de centra voor volwassenenonderwijs; het vormingscentrum. ». Art. 4.§ 1. Artikel 3 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 1 december 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 01/12/1998 pub. 10/04/1999 numac 1999035335 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding sluiten, wordt gewijzigd als volgt : 1° 3° wordt vervangen door wat volgt : « 3° de instelling : de scholen van het basisonderwijs en de instellingen voor secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de autonome internaten en tehuizen, de semi-internaten, de opvangcentra, de pedagogische begeleidingsdienst en de CLB's.Het internaat toegevoegd aan een onderwijsinstelling, maakt deel uit van die instelling.; 2° 4° wordt vervangen door wat volgt : « 4° het schooljaar : de periode van 1 september tot 31 augustus van het daaropvolgend jaar voor het kleuter-, lager en secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en voor de CLB's"; 3° 13° wordt vervangen door wat volgt : « 13° de mutatie : de benoeming en affectatie aan een andere scholengroep of een instelling van een andere scholengroep in een betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is;". § 2. In artikel 3 van hetzelfde decreet worden een 18° tot en met een 29° ingevoegd, die luiden als volgt : « 18° het Gemeenschapsonderwijs : het Gemeenschapsonderwijs zoals bepaald in artikel 3 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035933 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035973 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het onderwijs IX sluiten betreffende het gemeenschapsonderwijs;19° gemeenschapsonderwijs : het gemeenschapsonderwijs zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035933 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035973 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het onderwijs IX sluiten betreffende het gemeenschapsonderwijs;20° Raad van het Gemeenschapsonderwijs : de Raad van het Gemeenschapsonderwijs zoals bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035933 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035973 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het onderwijs IX sluiten betreffende het gemeenschapsonderwijs;21° afgevaardigd bestuurder : de afgevaardigd bestuurder van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs zoals bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035933 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035973 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het onderwijs IX sluiten betreffende het gemeenschapsonderwijs;22° scholengroep : de scholengroep zoals bedoeld in artikel 5, § 6, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035933 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035973 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het onderwijs IX sluiten betreffende het gemeenschapsonderwijs;23° raad van bestuur : de raad van bestuur van een scholengroep zoals bedoeld in artikel 5, § 5, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035933 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035973 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het onderwijs IX sluiten betreffende het gemeenschapsonderwijs;24° directeur : de directeur van een school of een centrum voor leerlingenbegeleiding zoals bedoeld in artikel 5, § 2, en artikel 16 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035933 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035973 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het onderwijs IX sluiten betreffende het gemeenschapsonderwijs;25° algemeen directeur : de algemeen directeur zoals bedoeld in artikel 5, § 3, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035933 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035973 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het onderwijs IX sluiten betreffende het gemeenschapsonderwijs;26° college van directeurs : het college van directeurs zoals bedoeld in artikel 5, § 3, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035933 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035973 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het onderwijs IX sluiten betreffende het gemeenschapsonderwijs;27° instellingshoofd : het hoofd van een instelling zoals bedoeld in artikel 2, § 1.Voor de pedagogische begeleidingsdienst wijst de afgevaardigd bestuurder een personeelslid van de pedagogische begeleidingsdienst als instellingshoofd aan; 28° scholengemeenschap : de scholengemeenschap zoals bedoeld in artikel 2, 28°, van het decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035933 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035973 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het onderwijs IX sluiten houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;29° vormingscentrum : de permanente ondersteuningscel voor de gefinancierde centra voor leerlingenbegeleiding, zoals bedoeld in artikel 89 van het decreet van 1 december 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 01/12/1998 pub. 10/04/1999 numac 1999035335 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding sluiten betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding.». Art. 5.In artikel 4 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreten van 28 april 1993, 21 december 1994 en 1 december 1998, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 wordt het woord "Gemeenschapsonderwijs" vervangen door "gemeenschapsonderwijs"; 2° in § 1, g) wordt het woord "dienstactiviteit" vervangen door "dienstanciënniteit;". Art. 6.Artikel 6 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 6.De personeelsleden moeten het belang behartigen van het gemeenschapsonderwijs en van de instelling waarin zij tewerkgesteld zijn. Zij behartigen daarenboven het belang van de leerlingen, de cursisten en de consultanten. ». Art. 7.In artikel 9 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 1 december 1993, wordt in de eerste zin het woord "Gemeenschapsonderwijs" vervangen door "gemeenschapsonderwijs". Art. 8.In hetzelfde decreet wordt het opschrift van hoofdstuk III vervangen door wat volgt : "Hoofdstuk III. Wervingsambten". Art. 9.Artikel 14 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 14.Het personeelslid ondertekent bij de eerste indiensttreding het pedagogisch project, de gehechtheids- en de neutraliteitsverklaring van het gemeenschapsonderwijs. ». Art. 10.Artikel 17 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreten van 14 juli 1998 en 2 maart 1999, wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 17.§ 1. Om als tijdelijk personeelslid te kunnen worden aangesteld moet het personeelslid op het ogenblik van de aanstelling voldoen aan volgende voorwaarden : 1° onderdaan van een lidstaat van de Europese Gemeenschap zijn, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° houder zijn van een bekwaamheidsbewijs zoals bedoeld in artikel 3, 6°;4° voldoen aan de bepalingen van de taalwetten terzake;5° van onberispelijk gedrag zijn, zoals dat blijkt door een attest van goed zedelijk gedrag dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven;6° voldoen aan de dienstplichtwetten;7° zich kandidaat hebben gesteld op een wijze bepaald door de het college van directeurs. § 2. Bij de indiensttreding moet het personeelslid een medisch attest voorleggen, dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven en waaruit blijkt dat hij in een zodanige gezondheidstoestand verkeert, dat hij geen ziekten of gebreken heeft die hem voor de vervulling van de betrekking ongeschikt maken. § 3. Niemand kan als tijdelijk personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. § 4. Bij gebrek aan kandidaten kan de directeur of raad van bestuur al naar gelang het geval afwijken van de in § 1, 7°, genoemde verplichting. § 5. De werving van de godsdienstleerkrachten behoort tot de bevoegdheid van de directeur, op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst. De artikelen 17, § 1, 7°, 19 en 21 zijn niet van toepassing op de godsdienstleerkrachten. De werving van de leermeesters niet-confessionele zedenleer en de leraars secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer behoort tot de bevoegdheid van de directeur, in consensus met de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer. § 6. Een tijdelijke aanstelling van een personeelslid dat houder is van een "ander bekwaamheidsbewijs" is in duur beperkt tot het lopende schooljaar. ». Art. 11.Aan artikel 18, § 1, 1°, van hetzelfde decreet worden de volgende woorden toegevoegd : "en de scholengroep waartoe de instelling behoort;". Art. 12.Artikel 19 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 19.§ 1. De kandidaten voor een tijdelijke aanstelling moeten zich bij de scholengroep kandidaat stellen vóór 15 mei. § 2. De kandidatuur geldt voor de duur van het schooljaar waarvoor zij werd ingediend. § 3. Laatstejaarsstudenten kunnen zich kandidaat stellen en voor een aanstelling in aanmerking komen als zij uiterlijk op 15 oktober schriftelijk aan de scholengroep laten weten dat zij aan de aanstellingsvoorwaarden voldoen. ». Art. 13.Artikel 20 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 20.§ 1. De tijdelijke aanstelling gebeurt door de directeur. § 2. In afwijking van de bepaling van § 1 gebeurt de tijdelijke aanstelling in een autonoom internaat of bij de scholengroep door de raad van bestuur, op voorstel van het betrokken instellingshoofd. § 3. In afwijking van de bepaling van § 1 gebeurt de tijdelijke aanstelling in het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst door de afgevaardigd bestuurder, op voorstel van het betrokken instellingshoofd. ». Art. 14.In artikel 21 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreten van 9 april 1992, 21 december 1994 en 9 april 1995, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, 1°, worden de woorden "bij het lokale bestuursorgaan" vervangen door "in eerste orde bij de school en in tweede orde bij de scholengroep";2° in § 1, 2°, a), worden de woorden "bij het lokale bestuursorgaan" vervangen door "in de scholengroep";3° in § 5 worden tussen de woorden "sociale promotie" en de woorden "die dienstanciënniteit" de woorden "en het deeltijds kunstonderwijs" ingevoegd;4° § 9 wordt geschrapt. Art. 15.Artikel 21bis van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 2 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 02/03/1999 pub. 26/05/1999 numac 1999035546 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2 type decreet prom. 02/03/1999 pub. 21/08/1999 numac 1999035844 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs type decreet prom. 02/03/1999 pub. 07/12/2000 numac 2000021524 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 9 december 1997 tussen de federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waals Gewest en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de wijze van omslag van de kosten van de gewestelijke ontvangers en de wijze van de inhouding van de bijdrage in die kosten door de besturen sluiten, wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 21bis.§ 1. In afwijking van artikel 21 geldt dit artikel voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het onderwijs voor sociale promotie. § 2. Een tijdelijke aanstelling kan gebeuren in een vacante en/of niet vacante betrekking voor een bepaalde of voor een doorlopende duur. De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur is een recht onder de voorwaarden van dit artikel. § 3. Vastbenoemde personeelsleden die in instellingen van een scholengemeenschap een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt hebben, komen prioritair en in de hieronder vermelde volgorde in aanmerking voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur : 1° in instellingen van dezelfde scholengemeenschap;2° in instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep;3° in instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. Vastbenoemde personeelsleden die in instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren, een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt hebben, komen prioritair en in de hieronder vermelde volgorde in aanmerking voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, voor zover van toepassing : 1° in instellingen van dezelfde scholengroep, die niet tot een scholengemeenschap behoren;2° in instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren. § 4. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur indien het : 1° gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen : zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover deze binnen de aanstellingsperiode vallen;2° als laatste evaluatie geen beoordeling of evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" heeft verkregen.Indien het personeelslid niet werd beoordeeld of geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn; 3° niet werd ontslagen. Indien een personeelslid de anciënniteit heeft verworven in instellingen die behoren tot een scholengemeenschap, dan geldt het recht in de volgende volgorde voor de betrekkingen : 1° in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net;2° in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep;3° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren.Indien een personeelslid de anciënniteit heeft verworven in instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren, dan geldt het recht in de volgende volgorde voor de betrekkingen : 1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren. Dit recht geldt niet voor de personeelsleden bedoeld in hoofdstuk Vbis voor wat betreft het volume van hun vast benoemde opdracht, waarvoor zij een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. Het personeelslid dat een beroep wenst te doen op het recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur moet, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgend schooljaar, vóór 15 mei bij de raad van bestuur, kandideren met een ter post aangetekende brief. De kandidatuurstelling geldt voor de betrekkingen zoals hiervoor bepaald. In afwijking van deze bepaling wordt voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in het schooljaar 1999-2000 de datum van de kandidatuurstelling bepaald door de centrale raad. § 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor het ambt waarin de in § 4 bedoelde anciënniteit is verworven, en voor het ambt van leraar voor de vakken of specialiteiten waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs bezit. Is de in § 4 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt of voor leraren in een vak of specialiteit waarvoor het personeelslid een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht ook voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit. § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in alle instellingen van de scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer het vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in instellingen van deze scholengroep. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in alle instellingen van de scholengemeenschap, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer het vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in instellingen van deze scholengemeenschap. § 7. Het personeelslid dat in toepassing van artikel 61, 6° werd afgedankt, heeft op basis van prestaties geleverd voor de afdanking geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. § 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, op voorwaarde dat hij nog niet is aangesteld voor een voltijdse betrekking of geen voltijdse betrekking heeft waarvan hij titularis is. § 9. Wanneer de lokale raad, en vanaf 1 januari 2000 de directeur over verscheidene vacatures beschikt, moet hij bij voorrang betrekkingen die definitief vacant zijn, toewijzen aan personeelsleden met een recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. § 10. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor een tijdelijke aanstelling ter vervanging van een personeelslid met loopbaanonderbreking, behalve indien het personeelslid voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan de vervanger van een loopbaanonderbreker. § 11. Personeelsleden met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die op het ogenblik van hun aanstelling hun betrekking niet effectief kunnen opnemen door ziekte, een arbeidsongeval, moederschapsrust, borstvoedingsverlof of ouderschapsverlof, hebben het recht na hun afwezigheid deze betrekking effectief op te nemen. § 12. Behoudens andersluidende overeenkomst met de directeur en op straffe van verlies van zijn recht op de aangeboden betrekking, moet het personeelslid dat zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur doet gelden, die betrekking in haar geheel aanvaarden, zoals ze wordt aangeboden. Die bepaling is niet van toepassing op de personeelsleden die binnen de scholengemeenschap, res-pectievelijk de scholengroep, een niet-voltijdse betrekking uitoefenen en deze opdracht willen uitbreiden. De toepassing van deze paragraaf mag niet leiden tot onverantwoorde pedagogische opsplitsing van de te begeven opdracht. § 13. Indien een personeelslid met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de aanstelling van een ander personeelslid betwist, geeft de directeur inzage van de administratieve documenten van het personeelslid waarvan hij de aanstelling betwist. § 14. De lokale raad, en vanaf 1 januari 2000 de directeur, moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur conform dit decreet steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid. Artikel 22, artikel 23, § 1, e, en § 2, artikel 24 en artikel 26 gelden niet voor de personeelsleden aangesteld voor doorlopende duur. § 15. De anciënniteit bedoeld in § 4 wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit, in afwijking van artikel 4, berekend op basis van prestaties : in instellingen die vanaf 1 september 1999 behoren tot dezelfde scholengemeenschap, ongeacht het net; in instellingen die vanaf 1 april 1999 behoren tot dezelfde scholengroep. Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 4, § 1, a, het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. § 16. In afwijking van artikel 4, § 2, dient voor de vaststelling voor de voorrang in het onderwijs voor sociale promotie die dienstanciënniteit niet in hoofdambt verworven te zijn. ». Art. 16.Artikel 21ter van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 21ter.§ 1. In afwijking van artikel 21 geldt dit artikel voor de CLB's. § 2. Een tijdelijke aanstelling kan gebeuren in een vacante en/of niet vacante betrekking voor een bepaalde of voor een doorlopende duur. De tijdelijke aanstelling is een recht onder de voorwaarden van dit artikel. § 3. De directeur en voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder stelt het tijdelijk personeelslid aan. § 4. De bij een CLB vastbenoemde personeelsleden die een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt uitoefenen, komen bij hetzelfde CLB prioritair in aanmerking voor een tijdelijke aanstelling op personeelsleden die nog geen vaste benoeming hebben. § 5. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur indien het : 1° gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen : zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voor zover deze binnen de aanstellingsperiode vallen;2° als laatste evaluatie geen beoordeling of evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" heeft verkregen. Indien het personeelslid niet werd beoordeeld of geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn.; 3° niet werd ontslagen. Dat recht geldt voor de betrekkingen bij het CLB waar de anciënniteit werd verworven. Het personeelslid dat een beroep wenst te doen op het recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, moet, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgend schooljaar, vóór 15 mei bij de raad van bestuur kandideren met een ter post aangetekende brief. § 6. In afwijking van § 5 verliest het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur bij een CLB, wanneer het vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd bij dit CLB. § 7. In afwijking van § 5 verliest het personeelslid het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, wanneer het personeelslid, in toepassing van artikel 61, 6°, werd ontslagen. § 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, op voorwaarde dat hij bij dit CLB nog niet is aangesteld voor een voltijdse betrekking of geen voltijdse betrekking heeft waarvan hij titularis is. § 9. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor het ambt waarin de in § 5 bedoelde anciënniteit is verworven, en voor het ambt waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs bezit. § 10. Wanneer er bij een CLB verscheidene vacatures zijn, moeten de betrekkingen die definitief vacant zijn bij voorrang worden toegewezen aan personeelsleden met een recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. § 11. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor een tijdelijke aanstelling ter vervanging van een personeelslid met loopbaanonderbreking, behalve indien het personeelslid voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan de vervanger van een loopbaanonderbreker. § 12. Personeelsleden met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die op het ogenblik van hun aanstelling hun betrekking niet effectief kunnen opnemen door ziekte, een arbeidsongeval, moederschapsrust, borstvoedingsverlof of ouderschapsverlof, hebben het recht na hun afwezigheid deze betrekking effectief op te nemen. § 13. Behoudens andersluidende overeenkomst met de directeur en voor het vormingscentrum met de afgevaardigd bestuurder en op straffe van verlies van zijn recht op de aangeboden betrekking, moet het personeelslid dat zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur doet gelden, die betrekking in haar geheel aanvaarden, zoals ze wordt aangeboden. Die bepaling is niet van toepassing op de personeelsleden die bij het CLB een niet-voltijdse betrekking uitoefenen en deze opdracht willen uitbreiden. § 14. Indien een personeelslid met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de aanstelling van een ander personeelslid betwist, geeft de directeur en voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder inzage van de in § 5 bedoelde documenten van het personeelslid waarvan hij de aanstelling betwist. § 15. De directeur en voor het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur conform dit decreet steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid. Artikel 22, artikel 23, § 1, e, en § 2, artikel 24 en artikel 26 gelden niet voor personeelsleden aangesteld voor doorlopende duur. § 16. De anciënniteit bedoeld in § 5 wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit, in afwijking van artikel 4, berekend op basis van prestaties in een PMS-centrum of CLB van het Gemeenschapsonderwijs. Ook prestaties geleverd vóór 1 september 2000 komen voor de berekening van deze anciënniteit in aanmerking. ». Art. 17.Artikel 22 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 22.§ 1. Het tijdelijk aangesteld personeelslid moet tijdens elke ononderbroken aanstelling met een minimale duur van acht weken en tenminste éénmaal per schooljaar en vóór 30 april beoordeeld worden. De na 30 april aangestelde personeelsleden moeten gedurende deze aanstellingsperiode niet beoordeeld worden. Daartoe maakt het instellingshoofd uiterlijk op het einde van iedere activiteitsperiode over het tijdelijk aangesteld personeelslid een gemotiveerd beoordelingsverslag op dat eventueel eindigt met de vermelding "onvoldoende". In dit verslag worden de periode en het ambt vermeld waarop de beoordeling betrekking heeft. Elke vermelding "onvoldoende" wordt schriftelijk geformuleerd, met redenen omkleed en aan het betrokken personeelslid medegedeeld. § 2. Het tijdelijk personeelslid dat de vermelding "onvoldoende" heeft bekomen, kan hiertegen binnen zeven kalenderdagen na kennisneming gemotiveerd bezwaar aantekenen bij het instellingshoofd van de instelling waar het de vermelding heeft gekregen. Het instellingshoofd zendt het beoordelingsverslag samen met het bezwaar binnen zeven kalenderdagen na de ontvangst van het bezwaar aan de raad van bestuur. Binnen de zeven kalenderdagen na die verzending wijst het college van directeurs iemand aan om een onderzoek ter plaatse in te stellen. Daarvoor kan een beroep worden gedaan op de centrale diensten van het Gemeenschapsonderwijs, met inbegrip van de pedagogische begeleidingsdienst. Het betrokken personeelslid wordt gehoord, tenminste behoorlijk opgeroepen. Het onderzoek wordt binnen dertig kalenderdagen na de verzending zoals hierboven bedoeld, afgesloten met een beoordelingsverslag. Als dit beoordelingsverslag niet wordt besloten met de conclusie "onvoldoende", vervangt het de beoordeling die door het instellingshoofd werd gegeven. § 3. De godsdienstleerkrachten en de leermeesters en leraars niet-confessionele zedenleer worden beoordeeld door de directeur. Bij die beoordeling mag geen rekening worden gehouden met vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten, die uitsluitend de zaak zijn van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of levensbeschouwing. § 4. Onverminderd het bepaalde in § 2 kan het personeelslid dat in dienst werd genomen met toepassing van de voorrangsregeling bepaald in artikel 21, § 1, 1° en 2°, of dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 21bis tijdelijk werd aangesteld voor een doorlopende duur, langs de hiërarchische weg opkomen tegen de beoordeling bedoeld in § 2, laatste lid. De procedureregels bedoeld in artikel 69 inzake tuchtregeling zijn van overeenkomstige toepassing. Het beroep is opschortend. Indien wordt ingegaan op het beroep vervalt de beoordeling "onvoldoende" en wordt zij uit het dossier verwijderd. ». Art. 18.Artikel 23 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreten van 19 april 1995, 14 juli 1998, 1 december 1998 en 2 maart 1999, wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 23.§ 1. Een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg voor het geheel of een deel van de opdracht : a) bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;b) op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk aangesteld personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een ander personeelslid : door toepassing van de reglementering op de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling; door een nieuwe affectatie of mutatie; door vaste benoeming; door toepassing van artikel 55duodecies in samenhang met 55quaterdecies; door toepassing van artikel 53; c) op het ogenblik dat het tijdelijk personeelslid vast wordt benoemd in deze betrekking;d) de eerste dag van de maand volgend op de ontvangst door het personeelslid van het bericht van de Sociaal-Medische Rijksdienst waarbij het tijdelijk aangesteld personeelslid definitief ontoelaatbaar wordt verklaard;e) uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan, onverminderd de toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling.Deze bepaling is eveneens van toepassing ten aanzien van de personeelsleden die werden aangeworven overeenkomstig de voorheen bestaande rechtspositieregeling; f) bij de inruststelling wegens het bereiken van de leeftijdsgrens;g) bij toepassing van artikel 24;h) door afschaffing van de betrekking;i) voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 17;j) voor de personeelsleden die werden aangesteld met miskenning van de in de artikel 21 en voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en voor het onderwijs voor sociale promotie artikel 21bis en voor de CLB's artikel 21ter bedoelde voorrangsregels, alsook met miskenning van de voorrangsregels zoals bedoeld in de artikelen 90 en 90bis;k) op het ogenblik dat wordt vastgesteld dat de betrekking buiten de reglementaire normen werd opgericht. § 2. Het niet opnieuw aanstellen bij het begin van het nieuwe schooljaar moet worden gemotiveerd, als het personeelslid in de scholengroep, in de instelling, of door de lokale raad waaronder de instelling heeft geressorteerd, al eenmaal werd aangeworven met toepassing van artikel 21, § 1, 1°. ». Art. 19.Artikel 24 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreten van 14 juli 1998 en 2 maart 1999, wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 24.§ 1. Elk tijdelijk aangesteld personeelslid kan, zonder opzegging, om dringende redenen worden ontslagen. Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende redenen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan het instellingshoofd. Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven bij een ter post aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. Het ontslag om dringende redenen wordt gegeven : door de directeur; door de raad van bestuur voor het personeelslid aangesteld bij de scholengroep of, op voorstel van het betrokken instellingshoofd door de raad van bestuur voor het personeelslid aangesteld in een autonoom internaat; door de afgevaardigd bestuurder voor het personeelslid aangesteld in het vormingscentrum of de pedagogische begeleidingsdienst. Tegen het ontslag om dringende redenen is beroep mogelijk overeenkomstig artikel 69. Het beroep is niet opschortend. § 2. De dienstperiode voorafgaand aan het ontslag om dringende redenen wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de in artikel 21, §1, bedoelde dienstanciënniteit. Het betrokken personeelslid verliest bovendien elk prioriteitsrecht op tijdelijke aanstelling in de instelling, in de instellingen die ressorteerden onder dezelfde lokale raad, en in de scholengroep waar hem het ontslag om dringende redenen gegeven werd. ». Art. 20.Artikel 26 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 26.§ 1. Met inachtneming van een opzeggingstermijn van vijftien kalenderdagen kan de aanstelling van het tijdelijk aangesteld personeelslid worden beëindigd indien hem in het in artikel 22 bedoelde gemotiveerde beoordelingsverslag de vermelding"onvoldoende" werd toegekend. De beëindiging van de aanstelling gebeurt : door de directeur; door de raad van bestuur voor het personeelslid aangesteld bij de scholengroep of, op voorstel van het betrokken instellingshoofd door de raad van bestuur voor het personeelslid aangesteld in een autonoom internaat; door de afgevaardigd bestuurder voor het personeelslid aangesteld in het vormingscentrum of de pedagogische begeleidingsdienst. § 2. Bij ontslag in toepassing van § 1 wordt de dienstperiode waarvoor aan het personeelslid de beoordeling "onvoldoende" werd toegekend, niet in aanmerking genomen voor de berekening van de in artikel 21, § 1, en artikel 21bis, § 4, bedoelde dienstanciënniteit. Dit personeelslid verliest bovendien elk prioriteitsrecht op tijdelijke aanstelling in de instelling, in de instellingen die ressorteerden onder dezelfde lokale raad, in de respectieve scholengroepen van die instellingen, en, voor het secundair onderwijs, ook in de scholengemeenschappen waar de beoordeling "onvoldoende" werd toegekend. § 3. Voor het ontslag gebaseerd op de beoordeling van een godsdienstleerkracht of een leermeester of leraar niet-confessionele zedenleer, conform artikel 22, § 3, is het advies nodig van de bevoegde inspecteur-adviseur levensbeschouwelijke vakken. Brengt die een ongunstig advies uit, dan kan het ontslag maar worden gegeven met een tweederde meerderheid binnen de raad van bestuur. Ontslag op basis van vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten kan maar worden gegeven op voorstel van het hoofd van de erkende instantie van de erkende godsdienst, respectievelijk de voorzitter van de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap. § 4. De in dit artikel bedoelde adviezen worden verstrekt binnen een termijn van veertien kalenderdagen. ». Art. 21.Artikel 28 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreten van 15 december 1993 en 21 december 1994, wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 28.§ 1. De raad van bestuur maakt jaarlijks de lijst op van de betrekkingen die hij vacant verklaart. Hij raadpleegt daartoe de betrokken instellingshoofden. § 2. Voor de opstelling van deze lijst wordt rekening gehouden met : 1° het bestaan van een vacante betrekking in de instelling op 15 april voorafgaand aan de oproep;betrekkingen die tussen 15 april en 1 september vacant worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis kunnen eveneens vacant worden verklaard; 2° de stabiliteit van de betrekking na 1 september volgend op de oproep, rekening houdend met de geldende rationalisatie- en omkaderingsnormen. § 3. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen wordt elk jaar vóór 15 mei openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend. § 4. De Vlaamse regering kan voor de categorieën van personeelsleden die ze aanwijst, de vaste benoeming afhankelijk maken van een onderwijsopdracht waarvan zij het minimum bepaalt. Bij de vaststelling van deze categorieën zal de Vlaamse regering zich inzonderheid laten leiden door de situatie op de arbeidsmarkt, door het aantal wegens ontstentenis van betrekking in deze categorie ter beschikking gestelde vast benoemde personeelsleden en de specifieke kenmerken van sommige ambten, vakken en specialiteiten. ». Art. 22.Artikel 28bis van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 2 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 02/03/1999 pub. 26/05/1999 numac 1999035546 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2 type decreet prom. 02/03/1999 pub. 21/08/1999 numac 1999035844 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs type decreet prom. 02/03/1999 pub. 07/12/2000 numac 2000021524 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 9 december 1997 tussen de federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waals Gewest en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de wijze van omslag van de kosten van de gewestelijke ontvangers en de wijze van de inhouding van de bijdrage in die kosten door de besturen sluiten, wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 28bis.§ 1. In afwijking van artikel 28, §§ 1 tot en met 3 geldt dit artikel voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het onderwijs voor sociale promotie. § 2. De raad van bestuur maakt jaarlijks de lijst op van de betrekkingen die hij vacant verklaart. Hij raadpleegt daartoe de betrokken instellingshoofden en het bestuur van de scholengemeenschap over : 1° het bestaan van een vacante betrekking in de betrokken instelling(en) op 15 april voorafgaand aan de oproep;betrekkingen die tussen 15 april en 1 september vacant worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis kunnen eveneens vacant worden verklaard; 2° de stabiliteit van de betrekking na 1 september volgend op de oproep, rekening houdend met de geldende rationalisatie- en omkaderingsnormen. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen wordt elk jaar vóór 15 mei openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend. ». Art. 23.Artikel 28ter wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 28ter.§ 1. In afwijking van artikel 28, §§ 1 tot en met 5 geldt dit artikel voor de CLB's. § 2. De raad van bestuur maakt jaarlijks de lijst op van de betrekkingen die hij vacant verklaart. Hij raadpleegt daartoe de betrokken directeur over : 1° het bestaan van een vacante betrekking in de betrokken CLB's op 15 april voorafgaand aan de oproep;betrekkingen die tussen 15 april en 1 september vacant worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis kunnen eveneens vacant worden verklaard; 2° de stabiliteit van de betrekking na 1 september volgend op de oproep, rekening houdend met de geldende rationalisatie- en omkaderingsnormen. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen wordt elk jaar vóór 15 mei openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend. ». Art. 24.Artikel 30 van hetzelfde decreet wordt opgeheven. Art. 25.Artikel 31 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 21 december 1999, wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 31.§ 1. Een personeelslid kan binnen dezelfde scholengroep op zijn verzoek een nieuwe affectatie krijgen in een vacante betrekking van het ambt waarin het vast benoemd is, voor zover die betrekking, krachtens de reglementering ter zake, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld. Dit verzoek is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds uit één instelling met een tweede en derde en eventueel vierde graad van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité. Een personeelslid kan, op zijn verzoek, worden gemuteerd in een vacant verklaarde betrekking, voorzover die betrekking, krachtens de reglementering ter zake, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld. De betrekking kan bij wijze van affectatie of mutatie worden toegewezen aan het personeelslid dat in die betrekking werd gereaffecteerd. § 2. Voor de affectatie of mutatie van een godsdienstleerkracht is de instemming vereist van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst. ». Art. 26.Artikel 32 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 32.De raad van bestuur bepaalt de wijze waarop de aanvragen tot affectatie of mutatie worden ingediend. ». Art. 27.Artikel 33 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 33.De nieuwe affectatie of mutatie wordt toegekend door de raad van bestuur. Vooraf wordt het betrokken instellingshoofd geraadpleegd. ». Art. 28.Artikel 34 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 34.§ 1. Het personeelslid verliest bij een nieuwe affectatie of mutatie zijn vroegere affectatie binnen de perken van de nieuwe opdracht. Het personeelslid dat wordt gemuteerd, moet in de scholengroep die het verlaat, ontslag nemen voor de opdracht waarvoor het wordt gemuteerd. De overgang van de ene naar de andere scholengroep moet zonder onderbreking gebeuren. § 2. Vastbenoemde personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra kunnen overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling muteren naar het gemeenschapsonderwijs. De diensten die vóór deze mutatie gepresteerd werden in hetzelfde ambt worden gelijkgesteld met diensten gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs. ». Art. 29.In hetzelfde decreet wordt een artikel 34bis ingevoegd, dat luidt als volgt : « Artikel 34bis.§ 1. Een personeelslid dat vast benoemd is in een ambt van de categorie van het opvoedend hulppersoneel, wordt in het kader van mutatie en affectatie beschouwd als zijnde benoemd in het ambt van opvoeder. § 2. Een personeelslid dat vast benoemd is in een ambt van de categorie van het administratief personeel, wordt in het kader van mutatie en affectatie beschouwd als zijnde benoemd in het ambt van administratief medewerker. ». Art. 30.In artikel 35 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 21 december 1994, worden in 2° tussen de woorden "indien de betrekking niet reeds door" en "mutatie" de woorden "een nieuwe affectatie of" ingevoegd. Art. 31.In artikel 36 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreten van 21 december 1994 en 8 juli 1996, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, 1°, worden de woorden "het lokale bestuur of bij ontstentenis hiervan de centrale raad" vervangen door de woorden "de raad van bestuur";2° § 2 wordt vervangen door wat volgt : « § 2.Voor de berekening van de in § 1, bedoelde dienstanciënniteit wordt voor het meesters-, vak- en dienstpersoneel rekening gehouden met de diensten gepresteerd onder het contractuele stelsel. Er moet bij voorrang worden geput uit de contractuelen in dienst bij een instelling of een scholengroep. Voor deze contractuelen is evenwel een dienstanciënniteit van 1.400 dagen vereist. De anciënniteit wordt berekend overeenkomstig artikel 4. ». Art. 32.In artikel 36bis van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 2 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 02/03/1999 pub. 26/05/1999 numac 1999035546 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2 type decreet prom. 02/03/1999 pub. 21/08/1999 numac 1999035844 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs type decreet prom. 02/03/1999 pub. 07/12/2000 numac 2000021524 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 9 december 1997 tussen de federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waals Gewest en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de wijze van omslag van de kosten van de gewestelijke ontvangers en de wijze van de inhouding van de bijdrage in die kosten door de besturen sluiten, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 2, 1°, worden de woorden "het lokale bestuursorgaan of bij ontstentenis hiervan de centrale raad" vervangen door de woorden "de raad van bestuur";2° in § 2, 4° wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt : "Deze bepaling is evenmin van toepassing op de personeelsleden bedoeld in hoofdstuk IVbis voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor zij een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen.Laatstbedoelde personeelsleden dienen, voor zover zij het ambt van leraar uitoefenen, 360 dagen dienstanciënniteit verworven te hebben in het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking. »; 3° in § 2, 5° worden tussen de woorden "geen" en "evaluatie" de woorden "of beoordeling" ingevoegd.; 4° § 3 wordt vervangen door wat volgt : « § 3.Voor de berekening van de in § 1 bedoelde dienstanciënniteit wordt voor het meesters-, vak- en dienstpersoneel rekening gehouden met de diensten gepresteerd onder het contractuele stelsel. Voor benoemingen moet de raad van bestuur bij voorrang putten uit de contractuelen in dienst bij een instelling of een scholengroep. Voor deze contractuelen is evenwel een dienstanciënniteit van 1.400 dagen vereist. De anciënniteit wordt berekend overeenkomstig artikel 4. ». Art. 33.In artikel 36ter van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 2 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 02/03/1999 pub. 26/05/1999 numac 1999035546 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2 type decreet prom. 02/03/1999 pub. 21/08/1999 numac 1999035844 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs type decreet prom. 02/03/1999 pub. 07/12/2000 numac 2000021524 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de goedkeuring van het samenwerkingsakkoord van 9 december 1997 tussen de federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waals Gewest en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de wijze van omslag van de kosten van de gewestelijke ontvangers en de wijze van de inhouding van de bijdrage in die kosten door de besturen sluiten, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 2, 1° en 2°, worden de woorden "instellingen van dezelfde lokale raad" vervangen door de woorden "de scholengroep";2° in § 3 worden de woorden "een instelling van dezelfde lokale raad" vervangen door de woorden "de scholengroep";3° in dit artikel wordt een § 4 ingevoegd, die luidt als volgt : « § 4.Indien een personeelslid vast benoemd is in instellingen die behoren tot een scholengemeenschap, dan geldt de voorrang in de volgende volgorde voor de betrekkingen : 1° in instellingen van dezelfde scholengemeenschap, ongeacht het net;2° in instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep;3° in instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. Indien een personeelslid vastbenoemd is in instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren, dan geldt de voorrang in de volgende volgorde voor de betrekkingen : 1° in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren;2° in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren.». Art. 34.In artikel 36quinquies van hetzelfde decreet worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° In § 2 worden het woord "bestuur" vervangen door het woord "CLB";2° in § 3 worden de woorden "een instelling van hetzelfde bestuur" vervangen door de woorden "hetzelfde CLB". Art. 35.Artikel 37 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreten van 14 juli 1998, 1 december 1998 en 2 maart 1999, wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 37.§ 1. De vaste benoeming gebeurt door de raad van bestuur op voorstel van het instellingshoofd, en voor het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst door de afgevaardigd bestuurder. Een godsdienstleerkracht wordt benoemd op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, na advies van de directeur. Een leermeester niet-confessionele zedenleer of leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer wordt benoemd op voordracht van de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap, zoals bedoeld in het decreet betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken van 1 december 1993, na advies van de directeur. § 2. Bij ontstentenis van andere kandidaten wordt het personeelslid dat een vacant verklaarde betrekking waarneemt en de in artikel 36, voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het onderwijs voor sociale promotie de in artikel 36bis, en voor de CLB's de in artikel 36quater, gestelde voorwaarden vervult, behoudens gemotiveerde afwijzing, vast benoemd. § 3. Elke vaste benoeming wordt toegekend op 1 januari na de vacantverklaring, voor zover de betrekking op dezelfde datum nog vacant is. ». Art. 36.Artikel 37bis van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreten van 1 december 1998 en 2 maart 1999, wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 37bis.§ 1. Dit artikel geldt enkel voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het onderwijs voor sociale promotie en voor de CLB's. § 2. Een personeelslid dat kandidaat is voor vaste benoeming en aan de benoemingsvoorwaarden voldoet en dat door die benoeming ten minste een halftijdse opdracht als vastbenoemde krijgt, heeft voorrang op een personeelslid dat niet in die voorwaarden verkeert. ». Art. 37.Artikel 39 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 39.§ 1. De raad van bestuur wijst de instelling aan waar het vast benoemd personeelslid zijn betrekking opneemt. Die affectatie vermeldt de omvang van de opdracht. § 2. Met ingang van 1 september 2000 krijgen de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel, evenals het ondersteunend personeel ter uitvoering van de rekenplichtigheid zoals bepaald in artikel 96, 4°, van het decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035933 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035973 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het onderwijs IX sluiten houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs een definitieve affectatie bij de scholengroep. ». Art. 38.In hetzelfde decreet wordt een artikel 39bis ingevoegd dat luidt als volgt : « Artikel 39bis.§ 1. Zonder afbreuk te doen aan het principe dat een personeelslid wordt geaffecteerd aan een instelling die onder de raad van bestuur ressorteert, kunnen de leden van het opvoedend hulppersoneel, het administratief personeel en het ondersteunend personeel van de instellingen die de scholengroep vormen, voor de vervulling van opdrachten in hun instelling voor andere instellingen van de scholengroep of voor de totaliteit van de scholengroep worden ingezet. § 2. In afwijking van § 1 kunnen de leden van het ondersteunend personeel, het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel niet worden ingezet voor de vervulling van opdrachten voor andere instellingen van de scholengroep of voor de totaliteit van de scholengroep, indien het gaat om personeelsleden waarvan de betrekkingen zijn opgericht of worden in stand gehouden op basis van punten, gegenereerd door leerlingen van de tweede en de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, zoals bepaald in artikel 96, 1° tot en met 3°, van het decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035933 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs type decreet prom. 14/07/1998 pub. 29/08/1998 numac 1998035973 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het onderwijs IX sluiten houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. ». Art. 39.Artikel 40 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 8 juli 1996, wordt geschrapt. Art. 40.Artikel 40bis van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreten van 1 december 1998 en 2 maart 1999, wordt vervangen door wat volgt : « Artikel 40bis.§ 1. Onverminderd de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie geldt de draagwijdte van de vaste benoeming binnen dezelfde categorie en binnen eenzelfde soort ambt : 1° voor het ambt en het volume van de betrekking waarvoor het personeelslid vast benoemd is, en voor de leraren voor alle vakken en specialiteiten van dat ambt waarvoor betrokkene het vereiste of het hiermee gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs bezit;2° voor het ambt en het volume van de betrekking waarvoor het personeelslid vast benoemd is, en voor de leraren, het vak of de specialiteit waarin betrokkene zijn opdracht uitoefent op het ogenblik van de vaste benoeming, indien het personeelslid vast benoemd is met een voldoende geacht of het hiermee gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs. Deze bepaling geldt ook voor de vaste benoemingen die werden toegekend overeenkomstig de reglementering die van toepassing was vóór de inwerktreding van dit decreet. § 2. Voor de toepassing van dit artikel worden als vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen beschouwd, zowel de door organieke bepalingen als door overgangsbepalingen erkende bekwaamheidsbewijzen. § 3. Voor de toepassing van dit artikel dient onder soort ambt te worden begrepen : het wervings-, selectie- of bevorderingsambt. § 4. De Vlaamse regering bepaalt de regels volgens welke de vaste benoeming wordt meegedeeld aan het departement onderwijs opdat zij zou uitwerking hebben ten aanzien van de overheid. ». Art. 41.In artikel 40ter van …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.