📄 Wettekst
22 DECEMBER 2010. - Koninklijk besluit betreffende radiotoegang in de frequentieband 2500-2690 MHz
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Algemeen Onderhavig besluit regelt de radiotoegang in de frequentiebanden 2500 tot 2690 MHz.
Beschikking 2008/477/EG van de Commissie van 13 juni 2008 betreffende de harmonisering van de 2500-2690 MHz-frequentieband voor terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen in de Gemeenschap heeft tot doel de voorwaarden te harmoniseren voor de beschikbaarheid en het doelmatig gebruik van de 2500-2690 MHz-band voor terrestrische systemen die in de Gemeenschap elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen.
Deze beschikking verplicht de lidstaten ertoe de 2500-2690 MHz-band voor de terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen, aan te wijzen en vervolgens beschikbaar te stellen, in overeenstemming met de parameters die zijn vastgelegd in de bijlage bij de beschikking. Dit moet gebeurd zijn binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de beschikking.
Teneinde toe te laten dat technologische vernieuwingen op een efficiënte en commerciële manier ontwikkeld kunnen worden, biedt onderhavig besluit een ruime mate van handelingsvrijheid aan de markdeelnemers : zij kunnen immers zelf beslissen voor welke toepassingen zij de betreffende gebruiksrechten verwerven, alsook waar zij hun netwerk ontwikkelen en hun diensten aan het publiek aanbieden.
Artikel 8.1 van de Kaderrichtlijn bepaalt immers : « De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties bij de uitvoering van de in deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen omschreven regelgevende taken, met name die welke erop gericht zijn daadwerkelijke concurrentie te waarborgen, zoveel mogelijk rekening houden met het streven dat de regelgeving technologisch neutraal moet zijn. » Uit een raadpleging die het BIPT in maart 2007 organiseerde i.v.m. de 2,6 GHz-band is gebleken dat een (kleine) meerderheid van de respondenten de idee van technologieneutraliteit steunde. Zij wensten in deze band de WiMAX-technologie aan te bieden, terwijl de tegenstanders van die idee deze band voorbehouden wilden zien voor de IMT-2000-technologieën. Het valt evenwel te verwachten dat dit dispuut vanzelf zal verdwijnen nu WiMAX sinds mei 2007 opgenomen is in de IMT-2000-familie.
Hierbij kan trouwens opgemerkt worden dat de argumenten van de tegenstanders van technologieneutraliteit niet per se onredelijk zijn : 1°één technologie biedt schaalvoordelen, is in het belang van een pan-Europese harmonisatie en vereenvoudigt roaming; 2° de nieuwe technologieën moeten zich nog helemaal bewijzen;3° het gebruik van verschillende technologieën maakt de frequentiecoördinatie met het buitenland complexer;4° indien op naast mekaar liggende banden verschillende technologieën worden gebruikt, maakt dit de compatibiliteitsproblemen ingewikkelder. Deze argumenten zijn correct maar daar staat tegenover dat België een zeer ongunstige indruk zou nalaten indien bv. een nieuwe technologie een succes zou blijken te zijn en deze technologie in België niet zou zijn toegelaten. Bovendien is niet uit te sluiten dat de overheid een technologie aanduidt die naderhand niet succesvol blijkt te zijn. Hoe dan ook zal het opleggen van één technologie innovatieve technieken stremmen. Tenslotte is er de groeiende consensus onder de Europese regulatoren en regelgevers dat de technologiekeuze aan de markt overgelaten kan worden. In die optiek wordt er dan van uitgegaan dat er op termijn een de facto harmonisatie zal groeien.
Bij de consultaties die het BIPT gehouden heeft inzake de banden 1785-1805 MHz, 2,6 GHz en 3,4-3,6 GHz, werd er door de drie mobiele operatoren steeds de nadruk op gelegd dat aan de nieuwkomers dezelfde voorwaarden moeten opgelegd worden inzake intrederecht, jaarlijks recht en dekkingsverplichtingen als die die opgelegd werden in het kader van de GSM, DCS1800 en UMTS-vergunningen. Zoniet zou er volgens deze operatoren sprake zijn van discriminatie.
Het verbod op discriminatie houdt in dat de overheid haar burgers op voet van gelijkheid moet behandelen, in de mate waarin zij in gelijke omstandigheden verkeren. Personen die zich in andere omstandigheden bevinden, mogen dus ook anders worden behandeld. Verschil in behandeling kan daarentegen onder de volgende voorwaarden : 1° er is voor het verschil in behandeling een objectieve en verifieerbare reden voorhanden;2° het verschil in behandeling heeft een aanvaardbaar doel;3° het verschil in behandeling is proportioneel en gaat niet verder dan nodig. In concreto : de GSM- en DCS1800-frequenties werden toegekend in 1995 en 1997. De drie mobiele operatoren betaalden elk een intrederecht van ongeveer 9 mia BEF. Zij verbonden zich ertoe om binnen een bepaalde tijdspanne hun GSM- resp. DCS1800-diensten over het ganse grondgebied aan te bieden.
De UMTS-frequenties werden toegekend in 2001. De drie mobiele operatoren betaalden elk ongeveer 150 miljoen euro, zijnde het minimumbedrag bij de veiling, te wijten aan het feit dat er minder gegadigden waren dan kavels. Zij verbonden zich tot bepaalde dekkingsverplichtingen die inmiddels, op vraag van deze operatoren werden afgezwakt.
Sinds 2001 is de marktsituatie danig gewijzigd : de bestaande mobiele operatoren hebben een solide klantenbestand weten op te bouwen en mobiele toepassingen ontwikkeld. Bovendien hebben de bestaande mobiele spelers reeds veel frequenties in verschillende banden ter beschikking. Een oproep tot kandidatuur wordt gepland voor de toewijzing van de overblijvende 15 MHz in de 2.1 GHz-band. Een nieuwkomer die 2.1 GHz-spectrum verwerft, krijgt de mogelijkheid om frequenties in de 900 MHz- en 1800 MHz-band te verwerven en zal bovendien nationale roaming kunnen krijgen. Een nieuwkomer op deze markt die 2.6GHz frequenties gebruikt begint dus in een minder gunstige positie.
Hiernaast kan men op een aantal bijzondere omstandigheden wijzen die gelden voor de toewijzing van 2.6 Ghz-vergunningen : 1° Het is niet uitgesloten dat de nieuwkomers in het kader van de 2.6 GHz-toewijzingsprocedure een andere markt zullen viseren : niet zozeer de markt van het grote publiek, eerder de professionele markt. 2° De frequenties die zij kunnen verwerven verschillen van de GSM-, DCS1800- en UMTS-frequenties : het gaat om hogere frequenties, hetgeen een ongunstig effect heeft op de propagatie. Gelet op voorgaande lijkt het duidelijk dat de bijzondere omstandigheden waarbinnen de toewijzing van de 2.6 GHz-frequenties tegenwoordig plaatsvindt dermate zijn dat een verschillende behandeling ten opzichte van de toewijzingsvoorwaarden voor de vergunningen voor GSM, DCS1800 of UMTS verantwoord en evenredig is.
Uit de raadpleging van het BIPT van 24 december 2009 i.v.m. de 2,6 GHz-band is gebleken dat het kanaalindelingsplan van de CEPT, rekening houdende met de huidige marktomstandigheden, de beste optie is.
Onderhavige maatregelen doen geen afbreuk aan de omzetting van de Richtlijnen 2009/136 en 2009/140 of bemoeilijken de omzetting ervan niet.
Artikelgewijze bespreking Artikel 1 Dit artikel behoeft geen commentaar Artikel 2 Dit artikel moet samen met artikel 11 van onderhavig besluit worden gelezen : de betreffende frequenties kunnen slechts bekomen worden door operatoren, dat wil zeggen door personen die een kennisgeving hebben gedaan in de zin van artikel 9 van de
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/07/2016
numac
2016000435
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de elektronische communicatie
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet betreffende de elektronische communicatie
sluiten betreffende de elektronischecommunicatie.
Artikel 3 De gebruiksrechten worden toegekend voor een periode van 15 jaar, verlengbaar met telkens 5 jaar. Zoals vermeld op p. 116 van de studie « Future Regulation of Wireless Access in the 790MHz-3400MHz Spectrum Bands » van Analysys Mason Hogan & Hartson van 11 februari 2010 (1) worden de gebruiksrechten in de Europese landen toegekend voor 15 of 20 jaar. De situatie in België is zodoende vergelijkbaar met de deze elders in Europa.
Artikel 4 Dit artikel bepaalt in §§ 1 tot 5 de onderverdeling van de band 2500-2690 MHz : enerzijds worden 2 x 70 MHz voorzien voor FDD- toepassingen, dat wil zeggen voor toepassingen waarbij de eintoestellen frequenties gebruiken die verschillen van de frequenties van de basisstations. Het overblijvende 5 MHz TDD-blok zal als scheidingsband worden gebruikt. Deze 2 x 70 MHz worden onderverdeeld in 4 blokken van 2 x 15 MHz en 2 blokken van 2 x 5 MHz. Anderzijds wordt één blok van 45 MHz voorzien voor TDD-toepassingen, dat wil zeggen toepassingen waarbij de eindtoestellen dezelfde frequenties gebruiken als de basisstations.
Het staat de operatoren vrij om te opteren voor de blokken van hun keuze. Essentieel voor het creëren van mededinging in de betreffende banden is evenwel dat § 6 bepaalt dat een FDD-operator maximaal 2 maal 20 MHz kan bekomen.
In de beschikbare technologieën van de vierde generatie (LTE en WIMAX) bestaan er een aantal versies van de te gebruiken blokken en bandbreedtes van de kanalen. Zo bestaan er voor de technologie LTE, ontwikkeld voor FDD toepassingen, versies met frequentiekanalen van 1.4, 3.5, 10, 15 of 20 MHz waarbij 20 MHz het maximumdebiet geeft.
Voor de WIMAX-technologie, ontwikkeld voor TDD, bestaan er toepassingen met kanalen van 3.5, 5, 7, 8.75 of 10MHz waarbij 10 MHz het maximumdebiet geeft.
De in onderhavig artikel voorgestelde blokindeling laat de kandidaten die belangstelling hebben voor FDD-spectrum de mogelijkheid om een blok van 5, 15 of 20 MHz duplex te bekomen. Voor de WIMAX-technologie wordt een blok van 45 MHz aangeboden.
Zodoende bevat onderhavig besluit een beperking van 40 MHz voor een FDD-operator, terwijl een TDD-operator maximaal 45 MHz kan verwerven en er bijgevolg een verschillende maximale spectrum-hoeveelheid toegekend wordt aan FDD- en TDD-operatoren.
Artikel 8.1, tweede lid, van de Kaderrichtlijn stelt dat de lidstaten zoveel mogelijk rekening moeten houden met de wenselijkheid van voorschriften die technologisch neutraal zijn. Dit impliceert dat er gestreefd moet worden naar een gelijke behandeling van FDD en TDD en dat een verschil in behandeling tussen beide technologieën terdege gerechtvaardigd moet worden en proportioneel moet zijn aan het beoogde doel.
Dit verschil in behandeling is gerechtvaardigd en proportioneel. Men kan inderdaad redelijkerwijze aannemen dat de kandidaten die zullen meebieden voor het FDD-spectrum operatoren zijn die reeds over 900MHz-, 1800MHz- en/of 2100MHz-spectrum beschikken (2G-en 3G-operatoren) : deze operatoren gebruiken immers uitsluitend FDD-technologie. Een TDD-operator zal dus met vrij grote waarschijnlijkheid een operator zijn die nog geen bestaande 2G-of 3G-operator is. De grotere hoeveelheid TDD-spectrum kan dan gerechtvaardigd worden aangezien de betreffende TDD-operator niet beschikt over spectrum in een lagere band.
Artikel 5 Gelet op het onderhavige besluit is de vergunningsverplichting overeenkomstig artikel 39, § 1, van de voormelde
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/07/2016
numac
2016000435
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de elektronische communicatie
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet betreffende de elektronische communicatie
sluiten overbodig.
Artikel 6 Artikel 6 betreft de technische verplichtingen die de radiotoegangsoperatoren dienen na te komen.
De in de bijlage bepaalde verplichtingen zijn conform de Beschikking 2008/477/EG van de Commissie van 13 juni 2008.
Artikel 7 Er kan gesteld worden dat de enige heffing en de jaarlijkse rechten voor een groot stuk hetzelfde doel nastreven, namelijk het bewerkstelligen van een optimale spectrumgebruik, al nemen ze elk een andere vorm aan.
De jaarlijkse rechten vertegenwoordigen enerzijds de jaarlijkse vergoeding voor het spectrumgebruik en anderzijds de administratieve kosten die het BIPT maakt voor het beheer en de controle van het spectrum, de coördinatie, het onderzoek en andere activiteiten van het Instituut dienaangaande.
De enige heffing is daarentegen een vergoeding die de operator betaalt voor het recht op frequentiegebruik : door de betaling van dit recht verwerft hij toegang tot de schaarse hulpbron en kan hij, door die betaling, geacht worden een efficiënt gebruik van het spectrum op het oog te hebben.
Het jaarlijkse recht voor de beschikbaarstelling van frequenties bedraagt 26.000 euro per MHz. Er wordt geen bijkomend jaarlijks recht voor het beheer van de vergunning aangerekend.
Dit is een afweging van de kosten voor de beschikbaarstelling van de verschillende frequentiebanden voor elektronische communicatie-diensten. Zo bedraagt de kost voor de beschikbaarstelling van frequenties 125.000 euro per MHz op 900MHz, 1800 MHz en 2100MHz verhoogd met het recht voor het beheer van de vergunning ten bedrage van 250.000 euro.
De niet-geïndexeerde kost voor de beschikbaarstelling van frequenties bedraagt 25.000 euro per MHz voor de frequentieband 3400-3600 MHz en ook hier is er geen bijkomend recht voor het beheer van de vergunning te betalen.
Frequenties die zich hoger in het spectrum bevinden hebben minder goede voortplantingseigenschappen (o.a. de propagatie-afstand neemt kwadratisch af) en dus daalt ook de economische waarde van deze frequenties; wat aanleiding geeft tot het invoeren van en proportioneel kleinere jaarlijkse vergoeding.
Het bedrag van het jaarlijks recht is onafhankelijk van het aantal basisstations voor radiocommunicatie die de frequentie(s) in kwestie exploiteren. De operator kan zelf zijn netwerkplanning op maat bepalen en zijn netwerk uitbouwen. Indien een operator echter verplicht zou worden te betalen per gebruikt basisstations voor radiocommunicatie zou dit hem niet aanmoedigen een netwerk uit te bouwen.
Ook in de bestaande koninklijke besluiten 2G en 3G betaalt een operator een jaarlijks recht pro rato het gebruikte spectrum en niet per basisstation voor radiocommunicatie en dit om dezelfde reden.
Artikel 8 legt een aantal algemene regels vast inzake de controle.
Artikel 9 regelt de schorsing of intrekking van de gebruiksrechten overeenkomstig artikel 18, § 3 van de
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/07/2016
numac
2016000435
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de elektronische communicatie
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet betreffende de elektronische communicatie
sluiten betreffende de elektronische communicatie, als sanctie voor een operator die zijn verplichtingen niet nakomt.
Hierbij wordt gepreciseerd dat de operator die in gebreke is gebleven en om die reden zijn frequenties wordt teruggenomen, hiervoor geen gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de reeds betaalde rechten of enige nadere vorm van schadeloosstelling zal bekomen : De redenen hiervoor zijn de volgende : a) vooraleer het Instituut overgaat tot een schorsing of intrekking van de frequenties zullen er tal van onderzoeken, controles etc.zijn uitgevoerd worden die verder gaan dan de courante controletaken van het Instituut; hiervoor wordt het Instituut niet specifiek vergoed; b) vaststellen dat de betreffende rechten in geval van intrekking of schorsing zouden worden terugbetaald, kan tot een situatie leiden waarbij een malafide operator gebruiksrechten krijgt toegewezen, dan de betreffende frequenties gedurende jaren bezet houdt zonder deze daadwerkelijk te gebruiken, en bij de intrekking van de frequenties de door hem betaalde rechten terugbetaald krijgt;zodoende kan een malafide operator jarenlang spectrum afschermen voor andere operatoren zonder daarbij een financieel risico te lopen. Dit kan leiden tot een ernstige verstoring van de mededinging in deze sector. Dat zou dan onverenigbaar zijn met de opdrachten van het Instituut, onder meer met artikel 6, 2°, van de
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/07/2016
numac
2016000435
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de elektronische communicatie
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet betreffende de elektronische communicatie
sluiten waarin wordt gesteld dat het Instituut er zorg voor moet dragen dat in de sector van de elektronische communicatie er zich geen verstoring of beperking van concurrentie voordoet; dit zou eveneens onverenigbaar zijn met artikel 9.7 van de Kaderrichtlijn zoals gewijzigd door de Richtlijn 2009/140 waarin de lidstaten wordt opgelegd het hamsteren van spectrum te voorkomen. c) het zou onaanvaardbaar zijn, mocht een operator zich kunnen beroepen op zijn eigen tekortkomingen om daaruit financiële compensatie te putten. Hierbij wordt een periode van 3 jaar als een redelijke termijn verondersteld Artikel 10 Op te merken valt dat onderhavig besluit de operator geen dekkingsverplichtingen oplegt maar wel de verplichting om de gebruikers en het Instituut afdoende en precieze informatie over de daadwerkelijke dekking te bezorgen.
Zoals vermeld op p. 116 van de eerdervernoemde studie van Analysys Mason Hogan & Hartson wordt in de meeste Europese lidstaten voor deze banden geen dekkingsverplichtingen in de zin van percentages van de bevolking of grondgebied opgelegd.
Het opleggen van dekkingsverplichtingen verantwoordt zich weliswaar in het kader van de vergunningen voor GSM, DCS-1800 en UMTS maar in het kader van de vergunningen voor de frequentiebanden 2500-2650 MHz is het niet nodig noch verantwoord.
Wat de vergunningen voor GSM en DCS-1800 betreft, gaat het om frequentiebanden onder de 2.6 GHz waarvan de kenmerken qua verspreiding het invoeren van dekkingsverplichtingen haalbarder maken op economisch vlak. Bovendien waren deze verplichtingen noodzakelijk, met name om het optimaal gebruik van de frequenties en de ontwikkeling van de concurrentie via de infrastructuur te boverderen.
De bestaande UMTS-operatoren beschikken tevens over frequenties in de 900 en 1800 MHz-banden en elke nieuwe 3G-operator zal de mogelijkheid krijgen om spectrum te verwerven in die banden. Bovendien werden dekkingsverplichtingen aan de spelers opgelegd in het kader van de toewijzing van de eerste 3G-vergunningen in 2001. Het is dan ook gerechtvaardigd omwille van de gelijke behandeling van de 3G-operatoren om elke nieuwe houder van een 3G-vergunning dergelijke verplichtingen op te leggen.
Wat de 2.6 GHz-band betreft, leek het niet relevant om dekkingsverplichtingen op te leggen. Ten eerste zijn alle spelers op gelijke voet, aangezien geen enkele vergunning tot nu toe werd toegewezen. Het probleem van de niet-discriminatie stelt zich dus niet, terwijl het zich stelt bij de toewijzing van de vierde 3G-vergunning. Daarenboven gelet op de specifieke kenmerken van de frequentiebanden 2500-2650 MHz die bijzonder hoog liggen en dus minder goede verspreidingsvoorwaarden hebben, is het opleggen van dekkingsverplichtingen aan de houders van 2.6GHz-vergunningen niet nodig omwille van de ontwikkeling van de markt noch verantwoord of evenredig..
Het verschil qua dekkingsverplichtingen in het kader van de vergunningen voor GSM, DCS-1800, UMTS en 2.6 Ghz wordt dank ook gerechtvaardigd door de verschillende objectieve situatie van de houders van deze vergunningen. In dat opzicht is het ook nuttiger dat het publiek, in de zin van de gebruikers en potentiële gebruikers, geïnformeerd wordt over de plaatsen waar de betrokken operator werkelijk een dekking en dus een dienst aanbiedt.
Er bestaat voor onderhavig artikel een afdoende wettelijke grondslag : op grond van artikel 18, § 1, 1° en 2°, van de
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/07/2016
numac
2016000435
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de elektronische communicatie
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet betreffende de elektronische communicatie
sluiten kunnen verplichtingen opgelegd worden die verband houden met de dienst of het netwerk en met het daadwerkelijk en efficiënt gebruik van radiofrequenties.
Artikel 18, § 1, 1° en 2°, laat het aan de Koning over om precies in te vullen wat begrepen moet worden onder « verband houden met de dienst of het netwerk » en met het « daadwerkelijk en efficiënt gebruik van radiofrequenties. » Op grond daarvan kan de Koning de dekkingsvereisten opleggen.
Art. 18 van de
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/07/2016
numac
2016000435
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de elektronische communicatie
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet betreffende de elektronische communicatie
sluiten is de omzetting van Bijlage B bij de Machtigingsrichtlijn. Onderdeel 1 is door de Richtlijn 2009/140 ietwat herschreven en luidt nu : « 1. Verplichting om een dienst aan te bieden (...) waarvoor de gebruiksrechten voor de frequentie zijn verleend, met inbegrip van in voorkomend geval de dekkingsvereisten en kwaliteitseisen. » Bijlage B preciseert wat de dekkingsvereisten zijn of hoe deze moeten worden gerealiseerd. Er bestaat dus geen verplichting om dekkingsvereisten uit te drukken in de vorm van dekkingspercentages die op een bepaald ogenblik moeten worden gerealiseerd.
Welke de dekkingsvereisten zijn, en hoe deze kunnen worden afgedwongen, wordt aan de lidstaten overgelaten.
Daaraan kan nog worden toegevoegd dat ook artikel 22.1 van de Universeledienstrichtlijn een wettelijke basis vormt voor de betreffende informatieplicht Artikel 10 van het ontwerp van koninklijk besluit bepaalt, in uitvoering van artikel 18, 1° en 2°, van de
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/07/2016
numac
2016000435
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de elektronische communicatie
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet betreffende de elektronische communicatie
sluiten en in overeenstemming met onderdeel 1 van Bijlage B van de nieuwe Machtigingsrichtlijn, de vereisten die inzake dekking aan de 4G-operatoren worden opgelegd. Het bepaalt in concreto dat de operatoren het publiek moeten informeren over de gerealiseerde dekking. Op die manier hebben de operatoren er alle belang bij om een zo optimaal mogelijke dekking te realiseren en kan er ook redelijkerwijze van uitgegaan worden dat dit zal gebeuren : de effectief gerealiseerde dekking zal immers door de informatieverplichting daarover mede het imago van de betreffende operatoren bepalen.
Tegelijk zal de aldus gerealiseerde dekking een daadwerkelijk en efficiënt gebruik van de radiofrequenties in de hand werken.
Het is evident dat de informatieverplichting door de betreffende operatoren ernstig moet worden genomen en dienovereenkomstig door het Instituut zal worden gecontroleerd.
Artikel 11 Dit artikel behoeft geen commentaar.
Artikel 12 Hierin wordt bepaald dat het verboden is voor een kandidaat om wijzigingen aan te brengen aan de elementen die in zijn kandidatuur werden meegedeeld. § 3 legt een informatieverplichting op ingeval zich een wijziging voordoet met betrekking tot bepaalde verklaringen van de kandidaat.
Het spreekt voor zich dat het moet gaan om wijzigingen als gevolg van feiten of gebeurtenissen waarop de kandidaat geen invloed kan uitoefenen. Het bewust of door nalatigheid in de hand werken van wijzigingen kan leiden tot de uitsluiting van de kandidaat.
Artikelen 13 en 14 Deze artikelen behoeven geen commentaar.
Artikel 15 Deze bepaling heeft tot doel te vermijden dat kandidaten die niet ernstig zijn een kandidatuur indienen.
Artikel 16 Het is niet aan het Instituut om uit een relevante groep die entiteit te kiezen die zal deelnemen aan de toewijzingsprocedure. Indien de relevante groep zelf niet tot een duidelijke beslissing terzake komt, wordt ze uitgesloten van de toewijzingsprocedure.
Artikelen 17 tot 19 Deze artikelen behoeven geen commentaar.
Artikelen 20 en 21 Artikel 20 verbiedt de kandidaten handelingen te stellen die de procedure kunnen manipuleren.
Artikel 21 verbiedt in het bijzonder afspraken tussen kandidaten of met derden die de procedure zouden kunnen beïnvloeden.
Artikelen 22 tot 33 Deze artikelen regelen het praktische verloop van de veilingprocedure en behoeven geen verdere commentaar, behalve voor wat betreft artikel 23 : in de procedure voor de toekenning van de 3G-vergunningen werd destijds geopteerd voor vier gelijke frequentieblokken. Artikel 51 van het
koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
15/02/2001
numac
2001000040
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van twee koninklijke besluiten tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
20/01/2001
numac
2001014004
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
15/02/2001
numac
2001000042
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
15/02/2001
numac
2001000039
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het ministerieel besluit van 19 juli 2000 tot verlening van afwijkingen voor het seizoen 2000-2001 van de in artikel 36, 7°, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren opgenomen verbodsbepalingen
sluiten voorziet in een eerste fase in het veilingproces om geassocieerde bieders te elimineren.
Doordat in artikel 4 van onderhavig besluit blokken van verschillende grootte worden bepaald, kan een eerste fase zoals in artikel 51 van het
koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
15/02/2001
numac
2001000040
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van twee koninklijke besluiten tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
20/01/2001
numac
2001014004
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
15/02/2001
numac
2001000042
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
15/02/2001
numac
2001000039
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het ministerieel besluit van 19 juli 2000 tot verlening van afwijkingen voor het seizoen 2000-2001 van de in artikel 36, 7°, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren opgenomen verbodsbepalingen
sluiten problematisch gevolgen hebben. Operatoren die in de eerste fase een blok verworven hebben, zijn immers gebonden door dit bod en kunnen in een tweede fase dan niet meer bieden voor een blok van een andere grootte. Om die reden voorziet onderhavig besluit niet in een eerste fase zoals in artikel 51 van het
koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
15/02/2001
numac
2001000040
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van twee koninklijke besluiten tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
20/01/2001
numac
2001014004
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
15/02/2001
numac
2001000042
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
15/02/2001
numac
2001000039
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het ministerieel besluit van 19 juli 2000 tot verlening van afwijkingen voor het seizoen 2000-2001 van de in artikel 36, 7°, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren opgenomen verbodsbepalingen
sluiten.
Hiernaast moet er worden opgemerkt dat de consultantkosten van de overheid zullen worden aangerekend op het bedrag van het enige concessierecht waarin artikel 32 van dit besluit voorziet.
Artikel 34 Dit artikel beschrijft de inbreuken die automatisch leiden tot uitsluiting van de procedure. Het gaat om inbreuken die de gelijkheid van de kandidaten in het gedrang brengen. Naar analogie met het tuchtrecht kan worden gesteld dat weliswaar sancties precies moeten bepaald zijn (nulla poena sine lege), maar dat zulks niet geldt voor de inbreuken, die in casu niet op voorhand definieerbaar zijn (" L'absence de codification des manquements ou fautes professionnelles peut s'expliquer par la spécificité d'une matière touchant à la fois à la pratique évolutive... " DU JARDIN, J., " Le contrôle de légalité exercé par la Cour de Cassation sur la justice disciplinaire au sein des ordres professionnels ", J.T., 2000, 627-628).
Artikelen 35 tot 37 Deze artikelen behoeven geen commentaar.
Dit zijn, Sire, de voornaamste bepalingen van het besluit dat aan Uwe Majesteit ter goedkeuring wordt voorgelegd.
Het advies 47.981/4 van de Raad van State werd gevolgd. Inzake de opmerking van de Raad van State over het ter consultatie voorleggen van onderhavig besluit, kan het volgende worden gesteld : er zijn over dit ontwerp consultaties georganiseerd geworden op 18 november 2009 en op 24 december 2009. De aangebrachte wijzigingen gebeurden naar aanleiding van de antwoorden op deze consultaties. De betrokken partijen hebben hun standpunt kenbaar kunnen maken en bij de opstellen van het ontwerp werd daarmee rekening gehouden. Daarmee is aan de betreffende voorwaarde van artikel 14.1 van de Machtigingsrichtlijn voldaan. Uit het genoemde artikel 14.1 blijkt immers niet dat ieder ontwerp na wijziging n.a.v. een consultatie, opnieuw ter consultatie zou moeten worden voorgelegd.
Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen, V. VAN QUICKENBORNE _______ Nota (1) Gepubliceerd op de website van het BIPT : http://www.bipt.be/nl/425/DocAndContentsListPub/ Mededelingen/DocAndContentsListPub.aspx?-themeID=84
ADVIES 47.980/4 EN 47.981/4 VAN 7 APRIL 2010 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling Wetgeving, vierde kamer, op 15 maart 2010 door de Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over : 1° een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten, van het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS 1800-mobilofonienetten en van het
koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
15/02/2001
numac
2001000040
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van twee koninklijke besluiten tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
20/01/2001
numac
2001014004
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
15/02/2001
numac
2001000042
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
15/02/2001
numac
2001000039
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het ministerieel besluit van 19 juli 2000 tot verlening van afwijkingen voor het seizoen 2000-2001 van de in artikel 36, 7°, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren opgenomen verbodsbepalingen
sluiten tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie" (47.980/4); 2° een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende radiotoegang in de frequentieband 2500-2690 MHz" (47.981/4), heeft het volgende advies gegeven : Aangezien de adviesaanvraag is ingediend op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de
wet van 2 april 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/04/2003
pub.
14/05/2003
numac
2003000376
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van sommige aspecten van de wetgeving met betrekking tot de inrichting en de werkwijze van de afdeling wetgeving van de Raad van State
sluiten, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten, haar onderzoek tot de rechtsgrond van de ontwerpen, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat deze drie punten betreft, geven de ontwerpen aanleiding tot de volgende opmerkingen.
I. Gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van de adviesaanvraag betreffende het ontwerpbesluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM- mobilofoonnetten, van het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS1800-mobilofonienetten en van het
koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
15/02/2001
numac
2001000040
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van twee koninklijke besluiten tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
20/01/2001
numac
2001014004
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
15/02/2001
numac
2001000042
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
15/02/2001
numac
2001000039
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het ministerieel besluit van 19 juli 2000 tot verlening van afwijkingen voor het seizoen 2000-2001 van de in artikel 36, 7°, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren opgenomen verbodsbepalingen
sluiten tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie" (hierna genoemd "ontwerp 47.980/4") (1). 1. De afdeling Wetgeving van de Raad van State is verzocht om binnen dertig dagen een advies uit te brengen over een ontwerpbesluit dat haar een eerste maal is voorgelegd en waarover op 7 januari 2009 advies 45.621/4 is uitgebracht en dat haar een tweede maal is voorgelegd en waarover op 24 juli 2009 advies 47.080/4 is gegeven.
Wanneer de afdeling Wetgeving een advies heeft gegeven, heeft ze in principe de bevoegdheid opgebruikt die ze krachtens de wet heeft en het komt haar derhalve niet toe om zich opnieuw uit te spreken over reeds onderzochte bepalingen, ongeacht of ze herzien zijn teneinde rekening te houden met de opmerkingen die in het eerste advies gemaakt zijn, dan wel ongewijzigd blijven.
Dat geldt niet wanneer overwogen wordt in de tekst volledig nieuwe bepalingen in te voegen waarvan de inhoud losstaat van de opmerkingen of voorstellen die door de afdeling Wetgeving in het eerste advies zijn gemaakt of gedaan : in zo'n geval moet de afdeling Wetgeving weer worden geraadpleegd omtrent de nieuwe bepalingen.
Dat geldt ook niet wanneer na het eerste advies nieuwe juridische gegevens opduiken die kunnen rechtvaardigen dat de tekst door de afdeling Wetgeving wederom wordt onderzocht : in zo'n geval moeten de bepalingen van de tekst waarvoor die nieuwe gegevens consequenties hebben, aan de afdeling Wetgeving worden voorgelegd.
Artikel 2, 1°, a), b) en d), 2° en 3°, artikel 5, artikel 7, 1°, artikel 10, artikel 15, artikel 16, artikel 22, 2° en 3°, artikel 23, artikel 24, artikel 26, artikel 27, artikel 28, artikel 29, artikel 31 en artikel 34 van het ontworpen besluit worden bijgevolg niet onderzocht. 2. De afdeling Wetgeving heeft in haar voormelde advies 45.621/4 besloten dat de adviesaanvraag gedeeltelijk onontvankelijk was om de volgende redenen : « Artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten bepaalt het volgende : « De vergunning die krachtens dit bestek wordt verleend (2), is geldig gedurende een periode van vijftien jaar, te rekenen vanaf de datum waarop die vergunning is uitgereikt.
Na het verstrijken van die eerste periode kan de vergunning stilzwijgend worden verlengd voor opeenvolgende termijnen van vijf jaar.
De Minister en de operator mogen afzien van de stilzwijgende verlenging, op grond van een opzegging van twee jaar betekend met een ter post aangetekende brief. De beslissing de vergunning niet te verlengen houdt met name rekening met de voorwaarden waaronder de operator voldaan heeft aan de voorwaarden van zijn vergunning en van het bestek, alsook met de algemene ontwikkeling van de sector van de mobiele diensten. » Artikel 1, 1°, van het ontworpen besluit wil die bepaling zo wijzigen dat het eerste lid ervan voortaan het volgende bepaalt : « De vergunning die krachtens dit bestek wordt verleend, is geldig gedurende een periode van vijftien jaar, te rekenen vanaf de datum waarop die vergunning is uitgereikt, [behoudens de vergunningen van de GSM 1-operator en.../... de GSM2-operator die geldig blijven tot 2 juli 2013 op voorwaarde dat deze operatoren : a) binnen de vier weken na de inwerkingtreding van onderhavige bepaling schriftelijk hun uitdrukkelijke toestemming bevestigen aan het Instituut om hun vergunning te laten verlengen tot 2 juli 2013, en b) ten laatste zes maanden voor het aflopen van de initiële vergunningstermijn van 15 jaar het in artikel 15, § 1bis van dit besluit bedoelde concessierecht betalen.De betreffende betaling gebeurt door de GSM1-operator ten laatste op 2 januari 2011, voor de GSM2-operator ten laatste op 27 mei 2010.] » Het koninklijk besluit van 7 maart 1995, dat men hier wil wijzigen, definieert weliswaar niet rechtstreeks en uitdrukkelijk de begrippen « GSM1-operator » en « GSM2-operator », maar definieert wel het begrip « GSM1 » als « eerste GSM-net op 900 Mhz in België geëxploiteerd door BELGACOM of haar dochteronderneming onder de handelsnaam PROXIMUS », en het begrip « GSM2 » als "tweede GSM-net op 900 MHz in België geëxploiteerd door de tweede operator ».
Daarnaast definieert het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten, dat men ook van zins is te wijzigen via het ontworpen besluit, de begrippen « GSM1-operator » en « GSM2-operator », en dit respectievelijk als volgt : de « naamloze vennootschap BELGACOM MOBILE welke het eerste GSM-net op 900 MHz in België exploiteert onder de handelsnaam PROXIMUS » en de « naamloze vennootschap MOBISTAR welke het tweede GSM-net op 900 MHz in België exploiteert ».
Uit wat voorafgaat volgt dat de wijziging die artikel 1, 1°, van het ontworpen besluit wil aanbrengen in artikel 3, § 2, eerste lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 7 maart 1995 er eigenlijk toe strekt de looptijd te verlengen van twee specifieke vergunningen, waarvan de ene aan PROXIMUS is toegekend en de andere aan MOBISTAR, vergunningen waarvan de ene volgens de steller van het ontwerp overeenkomstig de van kracht zijnde regels op 1 juli 2011 zou verstrijken en de andere op 26 november 2010 (3). [...] Daaruit volgt dat de wijzigingen die artikel 1, 1°, en artikel 3 van het ontworpen besluit beogen aan te brengen in de artikelen 3, § 2, en 15 van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 ertoe strekken het verdere verloop van twee specifieke individuele situaties te regelen, die van de vergunningen toegekend aan twee bij naam genoemde operatoren, namelijk PROXIMUS en MOBISTAR, bij individuele beslissingen die volgens het verslag aan de Koning respectievelijk dateren van 2 juli 1996 en 27 november 1995.
Zulke bepalingen brengen geen algemene en abstracte rechtsregels tot stand. Ze zijn dus niet van reglementaire aard in de zin van artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
De adviesaanvraag is dan ook onontvankelijk voor zover ze betrekking heeft op artikel 1, 1°, en artikel 3 van het ontworpen besluit. Die bepalingen worden dan ook niet onderzocht in het onderhavige advies ».
Om de redenen die reeds zijn aangevoerd in advies 45.621/4 is de adviesaanvraag onontvankelijk in zoverre ze betrekking heeft op artikel 2, 1°, c), van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 7, § 1, vierde lid, 1°, 2° en 3°, tweede streepje, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995) en op artikel 2, 4°, van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 7, § 5, zesde en zevende lid, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995), in zoverre deze bepalingen de GSM1- en GSM2-operatoren als adressaten hebben.
Deze bepalingen worden dan ook niet verder onderzocht. 3. In diezelfde gedachtegang zij erop gewezen dat, wat de artikelen 7, 2° en 4°, van het ontworpen besluit [betreft], die toepassing moeten vinden op "de DCS 1800-operator", er maar één adressaat van deze bepaling is, hij kan worden geïdentificeerd en zelfs geïdentificeerd is (4). Om dezelfde redenen als in punt 2, is de adviesaanvraag onontvankelijk in zoverre ze betrekking heeft op artikel 2, 2°, van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 7, § 2bis, eerste lid, en tweede lid, eerste streepje, van het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
sluiten) en op artikel 7, 4°, van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 7, § 8, eerste en tweede lid, eerste streepje, van het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
sluiten), in zoverre deze bepalingen de "DCS 1800-operator" als adressaat hebben.
In dat opzicht worden deze bepalingen dan ook niet onderzocht. 4. Wat ten slotte de bepalingen betreft die betrekking hebben op de stilzwijgende verlenging van de vergunningen zoals bepaald in artikel 1 van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995), alsmede in artikel 6 van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 3, § 2, van het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
sluiten), is de bevinding dat de bepalingen, zoals ze zijn gesteld en vooral daar ze de einddatum 15 maart 2021 vermelden, bedoeld zijn om uitsluitend te worden toegepast op de thans aangewezen operatoren, meer bepaald op de eventuele stilzwijgende verlenging tot 15 maart 2021 van de vergunning waarvan zij houder zijn.
Zulks geldt evenzo voor de bepalingen betreffende de "heffing" die moet worden betaald voor deze verlengingen, zoals vermeld in artikel 3 en artikel 8 van ontwerp 47.980/4 (5).
Om de in punt 2 vermelde redenen zijn deze bepalingen bijgevolg evenmin van reglementaire aard in de zin van artikel 3 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
De adviesaanvraag is dus niet-ontvankelijk in zoverre ze betrekking heeft op deze bepalingen, die bijgevolg niet worden onderzocht. 5. In de aanhef van ontwerp 47.980/4 wordt bij wijze van rechtsgrond artikel 51 vermeld van de
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/07/2016
numac
2016000435
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de elektronische communicatie
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet betreffende de elektronische communicatie
sluiten betreffende de elektronische communicatie (hierna genoemd de "
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/07/2016
numac
2016000435
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de elektronische communicatie
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet betreffende de elektronische communicatie
sluiten").
Dat artikel bevat geen machtiging aan de Koning.
In feite blijkt uit het aan de Raad van State bezorgde dossier dat de steller van het ontwerp in de aanhef van het ontworpen besluit wel verwijst naar dat artikel, doch in een welbepaalde context, de lege ferenda.
Immers, uit de aan de Raad van State toegezonden stukken blijkt dat in dezelfde context als die van de vaststelling van de hier onderzochte ontwerpbesluiten, besloten is om artikel 51 van de
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/07/2016
numac
2016000435
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de elektronische communicatie
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet betreffende de elektronische communicatie
sluiten te wijzigen om dat artikel aan te vullen met een bepaling waarbij de Koning wordt gemachtigd verscheiden regels te geven en omstandigheden te bepalen waarin het BIPT verplichtingen zal kunnen opleggen inzake nationale roaming (6).
Aangezien de bepaling tot wijziging van voormeld artikel 51 nog niet is aangenomen door de wetgever (7), komt de adviesaanvraag te vroeg wat de bepaling van ontwerp 47.980/4 betreft die beoogt te steunen op artikel 51 zoals het gewijzigd zou worden.
De adviesaanvraag is dus onontvankelijk wat deze bepaling betreft, te weten artikel 14 van ontwerp 47.980/4 (8).
I. Opmerkingen die gelden voor beide ontwerpbesluiten II. A. Memorering van de bij wijze van rechtsgrond aangevoerde bepalingen De ontworpen besluiten geven als rechtsgrond op de artikelen 18 en 30 van de
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/07/2016
numac
2016000435
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de elektronische communicatie
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet betreffende de elektronische communicatie
sluiten.
Ontwerp 47.980/4 geeft als rechtsgrond ook artikel 51, van dezelfde wet op.
Het ontwerp van koninklijk besluit "betreffende radiotoegang in de frequentieband 2500-2690 MHz" (hierna genoemd "ontwerp 47.981/4") geeft bovendien artikel 39, § 2, van dezelfde wet als rechtsgrond op.
Bij de huidige stand van in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte teksten luiden de artikelen 18, 30, 39 en 51 van de
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/07/2016
numac
2016000435
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de elektronische communicatie
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet betreffende de elektronische communicatie
sluiten als volgt : « Art. 18.§ 1. De voorwaarden voor het verkrijgen en uitoefenen van gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, worden door de Koning vastgesteld bij een besluit, genomen na advies van het Instituut en vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en mogen enkel verband houden met : 1° de betreffende dienst, het netwerk of de technologie waarvoor de gebruiksrechten voor de radiofrequentie zijn verleend, in voorkomend geval met inbegrip van het exclusieve gebruik van een radiofrequentie voor de doorgifte van specifieke inhoud of specifieke diensten;2° het daadwerkelijk en efficiënt gebruik van radiofrequenties overeenkomstig de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen;3° de technische en operationele voorwaarden ter voorkoming van schadelijke storingen en ter beperking van blootstelling van het publiek aan elektromagnetische velden;4° de maximumduur onder voorbehoud van wijzigingen van het nationale frequentieplan;5° de overdracht op initiatief van de houder van de rechten en de daarvoor geldende voorwaarden;6° de gebruiksheffingen overeenkomstig artikel 30;7° de toezeggingen die de operator die het gebruiksrecht inzake de radiofrequenties heeft verkregen, in de loop van de selectieprocedure heeft gedaan;8° de verplichtingen uit hoofde van de relevante internationale overeenkomsten aangaande het gebruik van radiofrequenties. § 2. Wanneer het Instituut gebruiksrechten voor radiofrequenties verleent voor een bepaalde termijn is de duur aangepast aan de betrokken dienst. § 3. Indien een frequentie waarvoor een gebruiksrecht werd verkregen, niet binnen een redelijke termijn in dienst wordt genomen, kan het Instituut, na de betrokkene gehoord te hebben, het gebruiksrecht intrekken. § 4. Indien uit het advies van het Instituut blijkt dat het gevaar op schadelijke storingen verwaarloosbaar is en dat dit verenigbaar is met de vereisten van een daadwerkelijk en efficiënt beheer van het radiofrequentiespectrum, kan de Koning besluiten bepaalde van de in § 1 voorziene voorwaarden niet op te leggen. [...] Art. 30.§ 1. De in de artikelen 11 en 18 bedoelde gebruiksrechten kunnen aan heffingen onderworpen worden teneinde een optimaal gebruik van deze middelen te waarborgen. De heffingen worden door het Instituut geïnd. § 1/1. Ten behoeve van het in paragraaf 1 beschreven doel dienen operatoren aan wie het is toegestaan om over gebruiksrechten voor radiofrequenties te beschikken met het oog op de exploitatie van een netwerk en het aanbieden van mobiele elektronische-communicatiediensten aan het publiek, bij de aanvang van de geldigheidsduur van de gebruiksrechten onder andere een enige heffing te betalen.
De enige heffing wordt bepaald bij het toekennen van de frequenties.
De enige heffing bedraagt : 1° 51.644 euro per MHz en per maand voor de frequentiebanden 880-915 MHz en 925-960 MHz.
Het verkrijgen van gebruiksrechten voor de frequentiebanden 880-915 MHz en 925-960 MHz houdt eveneens het verkrijgen van gebruiksrechten in voor de frequentiebanden 1710-1785 en 1805-1880 MHz : de hoeveelheid toegewezen spectrum in de banden 1710-1785 en 1805-1880 MHz is gelijk aan het dubbele van de hoeveelheid toegewezen spectrum in de banden 880-915 MHz en 925-960 MHz, afgerond op het hogere veelvoud van 5 MHz.
In afwijking op het voorgaande, tot 26 november 2015 geldt de enige heffing voor de hoeveelheid spectrum dat op 1 januari 2010 is toegewezen in de banden 880-915 MHz en 925-960 MHz, eveneens voor de maximale hoeveelheid spectrum die kon worden toegekend op 1 januari 2010 in de banden 1710-1785 en 1805-1880 MHz; 2° 20.833 euro per MHz en per maand voor de frequentiebanden 1920-1980 MHz en 2110-2170 MHz, behoudens wanneer de totale hoeveelheid spectrum waarover een operator in deze frequentiebanden beschikt niet hoger is dan 2 x 5 MHz. In dat geval bedraagt de enige heffing 32.000 euro per MHz per maand; 3° 2.778 euro per MHz en per maand voor de frequentieband 2500-2690 MHz.
Bij de toekenning door middel van een veiling van de frequenties geldt het in onderhavige paragraaf 1/1 beoogde minimumbedrag van de enige heffing als beginbod voor de kandidaten. § 1/2. Voor elke periode van verlenging van de vergunning zijn de operatoren een enige heffing verschuldigd.
Het bedrag van de enige heffing stemt overeen met de enige heffing bedoeld in § 1/1, eerste lid.
Bij de berekening van het bedrag wordt rekening gehouden met het deel van de gebruiksrechten dat de operator wil behouden bij de verlenging.
Indien een operator van spectrum wil afstand doen, dan moet dit een aaneensluitend blok vormen. § 1/3. De betaling van de enige heffing gebeurt, al naargelang binnen vijftien dagen na de aanvang van de geldigheidsduur vermeld in § 1/1, eerste lid, en binnen vijftien dagen na de aanvang van de verlengingsperiode vermeld in § 1/2, eerste lid.
In afwijking van vorig lid heeft de operator de mogelijkheid om de betaling als volgt uit te voeren : a) binnen 15 dagen na de aanvang van de geldigheidsduur vermeld in § 1/1, eerste lid, en binnen 15 dagen na de aanvang van de verlengingsperiode vermeld in § 1/2, eerste lid, betaalt de operator pro rata het aantal resterende maanden van het kalenderjaar;b) bovendien betaalt de operator ten laatste op 15 december het volledige gedeelte van enige heffing voor het komende jaar.Indien in het komende jaar de vergunning afloopt, betaalt de operator pro rata het aantal maanden tot het aflopen van de gebruiksrechten; c) de wettelijke rentevoet, berekend overeenkomstig artikel 2, § 1, van de
wet van 5 mei 1865Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
05/05/1865
pub.
06/09/2011
numac
2011000565
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de lening tegen intrest
sluiten betreffende de lening tegen interest, is, afhankelijk van het geval, van toepassing vanaf de zestiende dag die volgt op het begin van de geldigheidsperiode bedoeld in § 1/1, eerste lid, of vanaf de zestiende dag die volgt op het begin …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.