Koninklijk besluit betreffende radiotoegang in de frequentieband 2500-2690 MHz
Kort samengevat
Dit Koninklijk besluit regelt de toegang tot en het gebruik van de frequentieband 2500-2690 MHz voor terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten aanbieden, met als doel harmonisatie en efficiënt gebruik. Het geeft marktdeelnemers veel vrijheid in de keuze van toepassingen en netwerkontwikkeling.
Wat het reguleert
- De radiotoegang in de frequentiebanden 2500 tot 2690 MHz.
- De harmonisatie van voorwaarden voor de beschikbaarheid en het doelmatig gebruik van deze frequentieband.
- De toewijzing van gebruiksrechten voor deze frequentieband.
- De technische verplichtingen en jaarlijkse rechten voor radiotoegangsoperatoren.
Wie het aanbelangt
- Operatoren die elektronischecommunicatiediensten willen aanbieden in de 2500-2690 MHz frequentieband.
- Marktdeelnemers die gebruiksrechten voor deze frequentieband willen verwerven.
Kernpunten
- De gebruiksrechten worden toegekend voor een periode van 15 jaar, verlengbaar met telkens 5 jaar.
- De frequentieband 2500-2690 MHz wordt onderverdeeld in 2 x 70 MHz voor FDD-toepassingen en 45 MHz voor TDD-toepassingen.
- Een FDD-operator kan maximaal 2 maal 20 MHz bekomen, terwijl een TDD-operator maximaal 45 MHz kan verwerven.
- Het jaarlijkse recht voor de beschikbaarstelling van frequenties bedraagt 26.000 euro per MHz.
Wettekst
LAG AAN DE KONING Sire, Algemeen Onderhavig besluit regelt de radiotoegang in de frequentiebanden 2500 tot 2690 MHz. Beschikking 2008/477/EG van de Commissie van 13 juni 2008 betreffende de harmoniser
§ 1
/1, eerste lid, en binnen vijftien dagen na de aanvang van de verlengingsperiode vermeld in § 1/2, eerste lid. In afwijking van vorig lid heeft de operator de mogelijkheid om de betaling als volgt uit te voeren : a) binnen 15 dagen na de aanvang
§ 1
/1, eerste lid, en binnen 15 dagen na de aanvang van de verlengingsperiode vermeld in § 1/2, eerste lid, betaalt de operator pro rata het aantal resterende maanden van het kalenderjaar;
- b)bovendien betaalt de operator ten laatste op 15 december het volledige gedeelte van enige heffing voor het komende jaar.Indien in het komende jaar de vergunning afloopt, betaalt de operator pro rata het aantal maanden tot het aflopen van de gebruiksrechten;
- c)de wettelijke rentevoet, berekend overeenkomstig artikel 2, § 1, van de wet van 5 mei 1865Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/05/1865 pub. 06/09/2011 numac 2011000565 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de lening tegen intrest sluiten betreffende de lening tegen interest, is, afhankelijk van het geval, van toepassing vanaf de zestiende dag die volgt op het begin van de geldigheidsperiode bedoeld in § 1/1, eerste lid, of vanaf de zestiende dag die volgt op het begin van de periode van verlenging bedoeld in § 1/2, eerste lid;
- d)gelijktijdig met de betaling van de enige heffing, betaalt de operator de interest op het nog verschuldigde bedrag. De operator brengt het Instituut binnen twee werkdagen, al naargelang na de aanvang
§ 1
/1, eerste lid, en de aanvang van de verlengingsperiode vermeld in § 1/2, eerste lid, op de hoogte van zijn keuze. De enige heffing wordt in geen geval terugbetaald, noch geheel, noch gedeeltelijk. § 1/
- Indien een operator de enige heffing voor de respectievelijke frequentiebanden zoals bepaald onder §§ 1/1 1°, 2° of 3°, geheel of gedeeltelijk niet voldoet, worden alle gebruiksrechten voor de respectievelijke frequentiebanden ingetrokken. §
- De Koning, na advies van het Instituut, bepaalt het bedrag en de nadere regels inzake de in §§ 1 bedoelde heffingen behoudens voor wat bepaald wordt in §§ 1/1, 1/2 en 1/
- [...] Art. 39.§
- Niemand mag in het Rijk noch aan boord van een zeeschip, een binnenschip, een luchtvaartuig of enige andere drager onderworpen aan het Belgisch recht, een zend- en/of ontvangtoestel voor radiocommunicatie houden, of een station of een niet-openbaar netwerk voor radiocommunicatie aanleggen en doen werken zonder schriftelijke vergunning van het Instituut. Die vergunning is persoonlijk en kan worden ingetrokken. §
- De Koning bepaalt, na advies van het Instituut, de algemene regels inzake toekenning, schorsing en intrekking van de in § 1 bedoelde vergunningen. Hij kan bepalen in welke gevallen die vergunningen niet vereist zijn. §
- De Koning, op voorstel van het Instituut bepaalt de verplichtingen van de houders van een vergunning en de voorwaarden waaraan de toegelaten stations en netten voor radiocommunicatie moeten voldoen. §
- De in § 1 bedoelde vergunningen zijn niet vereist voor de stations voor radiocommunicatie die voor militaire doeleinden of met het oog op de openbare veiligheid aangelegd en gebruikt worden door de diensten die onder de minister van Landsverdediging ressorteren, door de Noord Atlantische Verdragsorganisatie en door de Geallieerde Strijdkrachten. [...] Art. 51.§
- Indien tijdens onderhandelingen met betrekking tot toegang er geen overeenstemming kan worden bereikt tussen de partijen, kan het Instituut, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van één van de partijen, na ze gehoord te hebben, ingrijpen ter bevordering van een passende toegang overeenkomstig het bepaalde in deze titel en ter waarborging van de basisdoelstellingen bepaald in de artikelen 6 tot
- §
- Onverminderd de maatregelen van artikel 55, § 3, kan het Instituut steeds en op eigen initiatief aan operatoren die de toegang tot de eindgebruikers controleren, verplichtingen opleggen voor zover noodzakelijk om eind-tot-eindverbindingen te verzekeren. Het Instituut kan daarbij de voorwaarden inzake de te verstrekken toegang opleggen, die het passend acht, hetgeen in gevallen waarin zulks gerechtvaardigd is voor de operatoren ook de verplichting inhoudt om te zorgen voor interconnectie van hun netwerken waar dat nog niet gebeurd is of te waarborgen dat de personen bedoeld in artikel 115, alsook de openbare besturen, politiediensten en de internationale instellingen bereikbaar zijn of blijven". De ontwerpteksten worden onder meer onderzocht in het licht van de hierboven aangehaalde bepalingen. II. B. Gemeenschappelijke algemene opmerkingen II. B.
- Voorafgaande opmerkingen
- a)Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn), (hierna "toegangsrichtlijn" genoemd),
- b)Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Machtigingsrichtlijn), (hierna "machtigingsrichtlijn" genoemd),
- c)Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn), (hierna "kaderrichtlijn" genoemd),
- d)Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn), (hierna "universeledienstrichtlijn" genoemd),
- e)Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie), (hierna "privacyrichtlijn" genoemd). Deze verschillende richtlijnen zijn, wat de federale overheid betreft, omgezet bij de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten en de talrijke koninklijke of ministeriële besluiten gebaseerd op deze wet. De Europese regelgeving is onlangs grondig gewijzigd bij de Richtlijnen 2009/136/EG
- a)existent au 25 mai 2011.
- b)restent valables au moins jusqu'au 25 mai 2016. Les droits d'utilisation accordés aux opérateurs 4G restent valables pour une durée de 15 ans (article 3, projet d'AR). Si les droits d'utilisation pour les opérateurs 4G sont attribués avant le 25/5/2011, ils relèvent du champ d'application de l'article 9bis de la Directive cadre. Si toutefois ils sont attribués après le 25 mai 2011, l'article 9bis de la Directive cadre n'est plus applicable à ces droits d'utilisation. Ce n'est toutefois pas la formulation de l'article 3 du projet d'AR qui en est la cause mais bien l'application limitée de l'article 9bis de la Directive cadre qui ne porte que sur les droits accordés avant le 25 mai 2011 ». De hierboven omschreven problemen hadden voorkomen kunnen worden of hadden op zijn minst grotendeels opgelost kunnen worden indien de wetgever had meegewerkt aan de omzetting van de Richtlijnen 2009/136/EG en 2009/140/EG, en de uitvoerende macht daarna pas enerzijds de wijzigingen had onderzocht die moeten worden aangebracht in de koninklijke besluiten van 1995, 1997 en 2001, en anderzijds haar ontwerp van regelgeving "4G" had uitgewerkt. Gelet evenwel op de hier gevolgde werkwijze, waarbij deze volgorde niet wordt aangehouden, en ook op het feit dat de ontwerptekst onderzocht moet worden in het licht van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten zoals ze thans van kracht is, zal men zich, wat betreft de verenigbaarheid van de onderzochte ontwerpen met de Richtlijnen 2009/136/EG en 2009/140/EG, in dit advies beperken tot enkele specifieke opmerkingen verderop in het advies. 2. De twee ontwerpbesluiten voorgelegd aan de afdeling Wetgeving zijn uit technisch oogpunt uitermate complex. De regelingen die ze beogen te wijzigen of in te voeren moeten deugdelijk verantwoord kunnen worden, zowel wat betreft de verschillende behandeling die ze meebrengen voor de onderscheiden actoren die erbij betrokken zijn of kunnen zijn, als wat betreft de voorwaarden waaraan het optreden van de Koning onderworpen is, niet alleen in het licht van de artikelen 18 en volgende van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten, maar ook van de ter zake relevante Europese richtlijnen. In zoverre de afdeling Wetgeving van de Raad van State onvoldoende is ingelicht over de feitelijke situaties waarop de ontwerpbesluiten betrekking hebben, alsook over de wetenschappelijke en technische gegevens waarmee rekening moet worden gehouden, kan ze de gegevens in het verslag aan de Koning die door de gemachtigde van de minister zijn aangehaald of, meer in het algemeen, de gegevens aangehaald in de overige stukken van het dossier dat aan de Raad van State is bezorgd, bijvoorbeeld het advies van het BIPT, niet in al hun aspecten en nuances beoordelen. Onder dit voorbehoud worden de volgende gemeenschappelijke, algemene of bijzondere, en specifieke opmerkingen gemaakt. II. B. 2. Verschillende behandeling 1. Uit een vergelijking van de ontwerpbesluiten blijkt dat de regeling ingevoerd bij ontwerp 47.981/4 op tal van punten zal verschillen van de koninklijke besluiten van 1995, 1997 en 2001, die worden gewijzigd bij ontwerp 47.980/4. Wat de verschillende behandeling betreft, kunnen de volgende twee tekenende voorbeelden worden gegeven : 1° Artikel 10 van ontwerp 47.981/4 legt niet stricto sensu een verplichting tot dekking op, terwijl artikel 5 van het koninklijk besluit van 7 maart 1995, artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014245 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014244 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten sluiten en artikel 3 van het koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 15/02/2001 numac 2001000040 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van twee koninklijke besluiten tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 20/01/2001 numac 2001014004 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 15/02/2001 numac 2001000042 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 15/02/2001 numac 2001000039 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het ministerieel besluit van 19 juli 2000 tot verlening van afwijkingen voor het seizoen 2000-2001 van de in artikel 36, 7°, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren opgenomen verbodsbepalingen sluiten wel een zodanige verplichting opleggen. 2° De toewijzing bij opbod, voorgeschreven bij ontwerp 47.981/4, verschilt in verscheidene opzichten van de procedure ingevoerd bij het koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 15/02/2001 numac 2001000040 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van twee koninklijke besluiten tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 20/01/2001 numac 2001014004 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 15/02/2001 numac 2001000042 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 15/02/2001 numac 2001000039 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het ministerieel besluit van 19 juli 2000 tot verlening van afwijkingen voor het seizoen 2000-2001 van de in artikel 36, 7°, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren opgenomen verbodsbepalingen sluiten, inzonderheid in zoverre ontwerp 47.981/4 voorziet in een eerste ronde, die niet vergelijkbaar is met wat de artikelen 50 tot 52 van het koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 15/02/2001 numac 2001000040 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van twee koninklijke besluiten tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 20/01/2001 numac 2001014004 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 15/02/2001 numac 2001000042 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 15/02/2001 numac 2001000039 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het ministerieel besluit van 19 juli 2000 tot verlening van afwijkingen voor het seizoen 2000-2001 van de in artikel 36, 7°, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren opgenomen verbodsbepalingen sluiten bepalen. 2. Aangezien elk van de voornoemde koninklijke besluiten de toekenning van rechten op het gebruik van radiofrequenties regelt, moet de steller van de ontwerpen de objectieve, rechtens aanvaardbare, feitelijk juiste, precieze, afdoende en pertinente motieven kunnen opgeven die de verschillen tussen de onderscheiden ingevoerde regelingen kunnen rechtvaardigen uit het oogpunt van het door de onderzochte ontwerpen beoogde doel. In dit verband stelt het verslag aan de Koning bij ontwerp 47.981/4 het volgende : « Beschikking 2008/477/EG van de Commissie van 13 juni 2008 betreffende de harmonisering van de 2500-2690 MHz-frequentieband voor terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen in de Gemeenschap heeft tot doel de voorwaarden te harmoniseren voor de beschikbaarheid en het doelmatig gebruik van de 2500-2690 MHz-band voor terrestrische systemen die in de Gemeenschap elektronische-communicatiediensten kunnen verschaffen. Deze beschikking verplicht de lidstaten ertoe de 2500- 2690 MHz- band voor de terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen, aan te wijzen en vervolgens beschikbaar te stellen, in overeenstemming met de parameters die zijn vastgelegd in de bijlage bij de beschikking. Dit moet gebeurd zijn binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de beschikking. Teneinde toe te laten dat technologische vernieuwingen op een efficiënte en commerciële manier ontwikkeld kunnen worden, biedt onderhavig besluit een ruime mate van handelingsvrijheid aan de markdeelnemers : zij kunnen immers zelf beslissen voor welke toepassingen zij de betreffende gebruiksrechten verwerven alsook waar zij hun netwerk ontwikkelen en hun diensten aan het publiek aanbieden. Artikel 8.1 van de Kaderrichtlijn bepaalt immers : « De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties bij de uitvoering van de in deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen omschreven regelgevende taken, met name die welke erop gericht zijn daadwerkelijke concurrentie te waarborgen, zoveel mogelijk rekening houden met het streven dat de regelgeving technologisch neutraal moet zijn. » Uit een raadpleging die het BIPT in maart 2007 organiseerde i.v.m. de 2,6 GHz-band is gebleken dat een (kleine) meerderheid van de respondenten de idee van technologieneutraliteit steunde. Zij wensten in deze band de WiMAX-technologie aan te bieden, terwijl de tegenstanders van die idee deze band voorbehouden wilden zien voor de IMT-2000-technologieën. Het valt evenwel te verwachten dat dit dispuut vanzelf zal verdwijnen nu WiMAX sinds mei 2007 opgenomen is in de IMT-2000-familie. Hierbij kan trouwens opgemerkt worden dat de argumenten van de tegenstanders van technologieneutraliteit niet per se onredelijk zijn : 1° één technologie biedt schaalvoordelen, is in het belang van een pan-Europese harmonisatie en vereenvoudigt roaming;2° de nieuwe technologieën moeten zich nog helemaal bewijzen;3° het gebruik van verschillende technologieën maakt de frequentiecoördinatie met het buitenland complexer;4° indien op naast mekaar liggende banden verschillende technologieën worden gebruikt, maakt dit de compatibiliteitsproblemen ingewikkelder. Deze argumenten zijn correct maar daar staat tegenover dat België een zeer ongunstige indruk zou nalaten indien bv. een nieuwe technologie een succes zou blijken te zijn en deze technologie in België niet zou zijn toegelaten. Bovendien is niet uit te sluiten dat de overheid een technologie aanduidt die naderhand niet succesvol blijkt te zijn. Hoe dan ook zal het opleggen van één technologie innovatieve technieken stremmen. Tenslotte is er de groeiende consensus onder de Europese regulatoren en regelgevers dat de technologiekeuze aan de markt overgelaten kan worden. In die optiek wordt er dan van uitgegaan dat er op termijn een de facto harmonisatie zal groeien. Bij de consultaties die het BIPT gehouden heeft inzake de banden 1785-1805 MHz, 2,6 GHz en 3,4-3,6 GHz, werd er door de drie mobiele operatoren steeds de nadruk op gelegd dat aan de nieuwkomers dezelfde voorwaarden moeten opgelegd worden inzake intrederecht, jaarlijks recht en dekkingsverplichtingen als die die opgelegd werden in het kader van de GSM, DCS1800 en UMTS-vergunningen. Zoniet zou er volgens deze operatoren sprake zijn van discriminatie. Het verbod op discriminatie houdt in dat de overheid haar burgers op voet van gelijkheid moet behandelen, in de mate waarin zij in gelijke omstandigheden verkeren. Personen die zich in andere omstandigheden bevinden, mogen dus ook anders worden behandeld. Verschil in behandeling kan daarentegen onder de volgende voorwaarden : 1° er is voor het verschil in behandeling een objectieve en verifieerbare reden voorhanden;2° het verschil in behandeling heeft een aanvaardbaar doel;3° het verschil in behandeling is proportioneel en gaat niet verder dan nodig. In concreto : de GSM- en DCS1800-frequenties werden toegekend in 1995 en 1997. De drie mobiele operatoren betaalden elk een intrederecht van ongeveer 9 miljard BEF. Zij verbonden zich ertoe om binnen een bepaalde tijdspanne hun GSM-resp. DCS1800-diensten over het ganse grondgebied aan te bieden. De UMTS-frequenties werden toegekend in 2001. De drie mobiele operatoren betaalden elk ongeveer 150 miljoen euro, zijnde het minimumbedrag bij de veiling, te wijten aan het feit dat er minder gegadigden waren dan kavels. Zij verbonden zich tot bepaalde dekkingsverplichtingen die inmiddels, op vraag van deze operatoren werden afgezwakt. De marktsituatie is inmiddels danig gewijzigd : de twee dominante mobiele operatoren hebben een solide klantenbestand weten op te bouwen en de markt van mobiele toepassingen is door hen ingenomen. Bovendien hebben de bestaande mobiele spelers reeds veel frequenties in verschillende banden ter beschikking. Een nieuwkomer op deze markt begint dus in een minder gunstige positie. Bovendien ligt tegenwoordig de problematiek van de plaatsing van antennes nog gevoeliger dan vijf of tien jaar geleden. Een nieuwkomer op de markt zal hoe dan ook antennes moeten plaatsen en dus daartoe vergunningen bekomen en/of contracten afsluiten. Met lokale overheden én privé-personen die steeds argwanender staan tegenover antennesites, is dit aanzienlijk moeilijker dan destijds. Behalve deze gewijzigde maatschappelijke omstandigheden, kunnen nog een aantal verschillen genoteerd worden : 1° Het is niet uitgesloten dat de nieuwkomers een andere markt zullen viseren : niet zozeer de markt van het grote publiek, eerder de professionele markt.2° De frequenties die zij kunnen verwerven verschillen van de GSM-DCS1800- en UMTS-frequenties : het gaat om hogere frequenties, hetgeen een ongunstig effect heeft op de propagatie. Gelet op voorgaande lijkt het duidelijk dat de omstandigheden dermate zijn gewijzigd t.o.v. tien jaar geleden dat het opleggen van dezelfde voorwaarden als voor GSM, DCS1800 of UMTS niet meer verantwoord kan worden louter door verwijzing naar de reglementering die op die diensten betrekking heeft. Uit de raadpleging van het BIPT van 24 december 2009 i.v.m. de 2,6 GHz-band is gebleken dat het kanaalindelingsplan van de CEPT, rekening houdende met de huidige marktomstandigheden, de beste optie is. Onderhavige maatregelen doen geen afbreuk aan de omzetting van de Richtlijnen 2009/136 en 2009/140 of bemoeilijken de omzetting ervan niet ». Het zou nuttig zijn deze toelichtingen van algemene aard aan te vullen met een preciezere en meer specifieke verantwoording, die wordt opgenomen in het verslag aan de Koning. Het verslag aan de Koning bij ontwerp 47.981/4 bevat weliswaar enkele specifieke verantwoordingen, maar ook deze zouden beter worden aangevuld zodat ze zich niet eenvoudigweg beperken tot het opgeven van de redenen waarom de voorgenomen maatregel in absolute zin al dan niet gewettigd is, maar duidelijk de motieven aangeven die rechtvaardigen dat een zodanige maatregel specifiek getroffen wordt voor de in het ontwerp bedoelde gebruiksrechten voor frequenties, terwijl de koninklijke besluiten die ontwerp 47.980/4 beoogt te wijzigen een verschillende regeling voorschrijven. In dit verband kan bij wijze van voorbeeld worden gewezen op de toelichting die de artikelsgewijze bespreking van het verslag aan de Koning verstrekt omtrent artikel 10 van ontwerp 47.981/4, en die als volgt luidt : « Op te merken valt dat onderhavig besluit de operator geen dekkingsverplichtingen oplegt maar wel de verplichting om de gebruikers en het Instituut afdoende en precieze informatie over de daadwerkelijke dekking te bezorgen. Uit de praktijk blijkt dat immers dekkingsverplichtingen moeilijk afdwingbaar zijn. Bovendien kan de vraag gesteld worden in hoeverre voor de betreffende banden strikte dekkingsverplichtingen verenigbaar zijn met het principe van technologieneutraliteit en met het principe van vrije mededinging. Het is evident dat de informatieverplichting door de betreffende operatoren ernstig moet worden genomen en dienovereenkomstig door het Instituut zal worden gecontroleerd ». Deze uitleg dient te worden aangevuld met de redenen waarom geen dekkingsverplichtingen worden opgelegd door ontwerp 47.981/4, terwijl ze wel worden opgelegd in de besluiten waarvan de wijziging wordt beoogd, inzonderheid door artikel 12 van ontwerp 47.980/4. De omstandigheid dat de procedure voorgesteld in ontwerp 47.981/4 geen eerste fase van toewijzing bij opbod bevat die lijkt op die welke de artikelen 50 tot 52 van het koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 15/02/2001 numac 2001000040 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van twee koninklijke besluiten tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 20/01/2001 numac 2001014004 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 15/02/2001 numac 2001000042 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 15/02/2001 numac 2001000039 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit tot vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het ministerieel besluit van 19 juli 2000 tot verlening van afwijkingen voor het seizoen 2000-2001 van de in artikel 36, 7°, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren opgenomen verbodsbepalingen sluiten voorschrijven, wordt harerzijds volgens het advies dat het BIPT heeft verstrekt omtrent ontwerp 47.981/4 verantwoord door het feit dat de frequentieblokken toegewezen krachtens het besluit van 18 januari 2001 identiek zijn, terwijl de blokken toegewezen krachtens ontwerp 47.981/4 niet gelijk zijn. Niet alleen verdient het aanbeveling dat deze verantwoording opgenomen wordt in het verslag aan de Koning, maar bovendien moet de steller van het ontwerp kunnen verantwoorden waarom in het ene geval de frequentieblokken gelijk zijn, en niet in het andere geval. De conclusie is dan ook dat de steller van het ontwerp beter de redenen dient aan te geven die de hierboven omschreven verschillen in behandeling verantwoorden en ze dient op te nemen in het verslag aan de Koning. II. C. Gemeenschappelijke bijzondere opmerkingen Aanhef 1. In het eerste lid van de aanhef van elk van de ontwerpbesluiten moet de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten worden vermeld, gevolgd door de opgaaf van alle artikelen van deze wet waaraan de ontwerpbesluiten hun rechtsgrond ontlenen, waarbij voor elk van deze artikelen de nog van kracht zijnde wijzigingen worden vermeld die erin zijn aangebracht
- Er zij op gewezen dat, van de bepalingen van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten waarnaar verwezen moet worden in de aanhef van het ontwerpbesluit, artikel 13 van deze wet niet vermeld dient te worden, daar het geen rechtsgrond verleent aan de ontwerpbesluiten. Er dient daarentegen te worden verwezen naar artikel 20, § 1, van dezelfde wet, dat rechtsgrond verleent aan sommige bepalingen van de onderzochte ontwerpen.
- De data van de vereiste adviezen en akkoordbevindingen moeten worden vermeld. III. Opmerkingen specifiek over ontwerp 47.980/4 III. A. Voorafgaande vormvereisten Artikel 14 van de machtigingsrichtlijn bepaalde oorspronkelijk : « De lidstaten zien erop toe dat de rechten, voorwaarden en procedures die van toepassing zijn bij algemene machtigingen en gebruiksrechten of rechten om faciliteiten te installeren, slechts in objectief gerechtvaardigde gevallen en op proportionele wijze kunnen worden gewijzigd. Het voornemen om dergelijke wijzigingen aan te brengen, zal op passende wijze worden bekendgemaakt en de belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, zullen over een adequate termijn kunnen beschikken om hun standpunt met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen kenbaar te maken; deze termijn bedraagt behoudens uitzonderlijke gevallen ten minste vier weken ». Deze bepaling is vervangen bij Richtlijn 2009/140/EG, die in werking is getreden op 19 december
- Thans luidt ze als volgt : « Lidstaten zorgen ervoor dat de rechten, voorwaarden en procedures inzake algemene machtigingen en gebruiksrechten of rechten om faciliteiten te installeren alleen kunnen worden gewijzigd in objectief met redenen omklede gevallen en op evenredige wijze, in voorkomend geval rekening houdend met de specifieke voorwaarden die van toepassing zijn op de overdraagbare gebruiksrechten voor radiofrequenties. Het voornemen om dergelijke wijzigingen aan te brengen, zal op passende wijze worden bekendgemaakt en de belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, zullen over een adequate termijn kunnen beschikken om hun standpunt met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen kenbaar te maken; deze termijn bedraagt behoudens uitzonderlijke gevallen ten minste vier weken ». In het licht van artikel 14 van de machtigingsrichtlijn dienen omtrent de bepalingen van ontwerp 47.980/4 de volgende twee opmerkingen te worden gemaakt : 1° Enerzijds beogen de onderzochte bepalingen koninklijke besluiten te wijzigen die ertoe strekken rechten, voorwaarden en procedures te regelen met betrekking tot de toewijzing van gebruiksrechten voor bepaalde frequenties. De steller van het ontwerp moet dus kunnen aantonen dat deze wijzigingen betrekking hebben op objectief met redenen omklede gevallen en op evenredige wijze zijn geconcipieerd, in voorkomend geval rekening houdend met de specifieke voorwaarden die van toepassing zijn op de overdraagbare gebruiksrechten voor radiofrequenties. Het aan de Raad van State bezorgde dossier, inzonderheid het verslag aan de Koning en het advies van het BIPT omtrent de ontwerptekst, draagt weliswaar bij tot een beter begrip van de motieven die de hier voorgestelde wijzigingen kunnen verantwoorden. Doordat de steller van het ontwerp moet kunnen aantonen dat de voorgestelde wijzigingen voldoen aan de voornoemde voorwaarden, moet de ontwerptekst echter worden herzien in het licht van deze voorwaarden en verdient het aanbeveling het verslag aan de Koning aan te vullen of de redactie ervan te herzien, zodat beter tot uiting komt dat de voorgestelde wijzigingen in overeenstemming zijn met de voorwaarden gesteld in artikel 14 van de machtigingsrichtlijn. 2° Anderzijds rijst de vraag of omtrent de ontwerptekst de raadpleging is gehouden die wordt voorgeschreven bij artikel 14 van de machtigingsrichtlijn. Volgens de inlichtingen verstrekt door de gemachtigde van de minister is omtrent de tekst die aanleiding heeft gegeven tot ontwerp 47.980/4 meermaals een raadpleging gehouden in de loop van de laatste twee jaren, laatstelijk van 24 december 2009 tot 21 januari
- Na afloop van deze raadpleging zijn de personen gehoord die op de raadpleging hadden geantwoord, waarna de tekst is aangepast. In verband met de bepalingen van ontwerp 47.980/4 waarvoor de adviesaanvraag ontvankelijk is
- Tijdens het verloop van de procedure tot beperking van het aantal gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, zorgt het Instituut ervoor dat : 1° alle belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, zich in een openbare raadpleging overeenkomstig artikel 139 kunnen uitspreken over de voorgenomen beperking; [...] ». Volgens de inlichtingen die de gemachtigde van de minister heeft verschaft, zijn krachtens die bepalingen verscheidene openbare raadplegingen gehouden over de tekst die ontwerp 47.981/4 is geworden. De laatste raadpleging heeft plaatsgevonden van 24 december 2009 tot 21 januari
- Daarop zijn de personen die op de raadpleging geantwoord hebben gehoord en vervolgens is de tekst gewijzigd. In dat verband moet erop worden gewezen dat de ontworpen tekst verschilt van het ontwerpbesluit waarover tussen 24 december 2009 en 21 januari 2010 een openbare raadpleging heeft plaatsgevonden
- Het huidige ontwerp bevat een beperking van 40 MHz voor een FDD-operator, terwijl een TDD-operator maximaal 45 MHz kan verwerven. Het Instituut stelt vast dat er een verschillende maximale spectrumhoeveelheid toegekend wordt aan FDD- en TDD-operatoren.
- Artikel 8.1, tweede lid, van de Kaderrichtlijn stelt dat de lidstaten zoveel mogelijk rekening moeten houden met de wenselijkheid van voorschriften die technologisch neutraal zijn. Dit impliceert dat er gestreefd moet worden naar een gelijke behandeling van FDD en TDD en dat een verschil in behandeling tussen beide technologieën terdege gerechtvaardigd moet worden en proportioneel moet zijn aan het beoogde doel.
- Het Instituut meent dat het verschil in behandeling gerechtvaardigd en proportioneel is.Men kan inderdaad redelijkerwijze aannemen dat de operatoren die zullen meebieden voor het FDD-spectrum operatoren zijn die reeds over 900MHz-, 1800MHz- en/of 2100MHz-spectrum beschikken (2G-en 3G-operatoren) : deze operatoren gebruiken immers uitsluitend FDD-technologie. Een TDD-operator zal dus met vrij grote waarschijnlijkheid een operator zijn die nog geen bestaande 2G-of 3G-operator is. De grotere hoeveelheid TDD-spectrum kan dan gerechtvaardigd worden aangezien de betreffende TDD-operator niet beschikt over spectrum in een lagere band ». Uit dat advies van het BIPT blijkt dus een verschil in behandeling tussen de FDD-operatoren en de TDD-operatoren dat, eveneens volgens het BIPT, evenwel gerechtvaardigd zou zijn. Zoals in de gemeenschappelijke algemene opmerking II.B.1 hierboven al is opgemerkt, kan de afdeling Wetgeving van de Raad van State de gegevens aangehaald in het advies van het BIPT niet in al hun aspecten en nuances beoordelen, in zoverre ze onvoldoende ingelicht is over de feitelijke situaties waarop de ontwerptekst betrekking heeft, alsook over de wetenschappelijke en technische gegevens waarmee rekening moet worden gehouden. Er moet evenwel op worden gewezen dat het advies van het BIPT wijst op een verschil in behandeling dat daarenboven niet uiteengezet of gerechtvaardigd wordt in het dossier dat aan de afdeling Wetgeving is bezorgd, inzonderheid niet in het verslag aan de Koning. De steller van het ontwerp moet het ontworpen dispositief herzien in het licht van de beschouwingen in het advies van het BIPT. Als er een redelijke verantwoording is voor het verschil in behandeling dat door het BIPT wordt aangegeven, kan dat verschil in de ontworpen tekst gehandhaafd worden en moet het verslag aan de Koning dienovereenkomstig worden aangevuld. IV. C. Bijzondere opmerkingen Aanhef Het lid over het advies van de afdeling Wetgeving moet als volgt gesteld worden : « Gelet op advies 47.981/4 van de Raad van State, gegeven op 7 april 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;"
- Artikel 3 van het ontwerp moet worden bekeken uit het oogpunt van de volgende bepalingen en beginselen.1° Uit artikel 6, lid 1, en uit deel B, 4, van de bijlage van de machtigingsrichtlijn blijkt dat de lidstaten slechts het volgende kunnen bepalen wat de duur van de gebruiksrechten voor radiofrequenties betreft : "Maximumduur [van die rechten] overeenkomstig artikel 5 [van dezelfde richtlijn], onder voorbehoud van wijzigingen van het nationale frequentieplan". Bovendien bepaalde het oorspronkelijke artikel 5, lid 2, tweede alinea, in fine, van deze richtlijn : « Wanneer lidstaten gebruiksrechten verlenen voor een bepaalde termijn, moet de duur zijn aangepast aan de betrokken dienst ». Dat artikel 5 is vervangen bij Richtlijn 2009/140/EG, zodat lid 2, vierde alinea, voortaan als volgt luidt : « Wanneer lidstaten gebruiksrechten verlenen voor een bepaalde termijn, moet de duur zijn aangepast aan de betrokken dienst, gelet op het nagestreefde doel, naar behoren rekening houdend met het feit dat een passende periode voor de afschrijving van investeringen nodig is ». Richtlijn 2009/140/EG is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 18 december
- Ze is in werking getreden op 19 december 2009, overeenkomstig artikel 6 ervan, dat bepaalt dat deze richtlijn in werking treedt op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad. Die richtlijn moet, overeenkomstig artikel 5, lid 1, ervan, uiterlijk 25 mei 2011 omgezet zijn. 2° De artikelen 5 en 6, lid 1, alsook deel B, 4, van de bijlage van de machtigingsrichtlijn, in de versie van die bepalingen vóór ze bij Richtlijn 2009/140/EG zijn gewijzigd, zijn inzonderheid omgezet bij artikel 18 van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten. Zo blijkt uit artikel 18, § 1, 4°, van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten dat de voorwaarden voor het verkrijgen en uitoefenen van gebruiksrechten voor frequenties die door de Koning worden vastgesteld, alleen verband mogen houden met "de maximumduur onder voorbehoud van wijzigingen van het nationale frequentieplan". Voorts bepaalt artikel 18, § 2, van die wet het volgende : "Wanneer het Instituut gebruiksrechten voor radiofrequenties verleent voor een bepaalde termijn is de duur aangepast aan de betrokken dienst"
- Artikel 3 van ontwerp 47.981/4 moet aan al die bepalingen en beginselen getoetst worden. In dat verband gaat de aandacht meer in het bijzonder naar paragraaf 1 van dat artikel
- Die paragraaf luidt als volgt : « Art. 3.§
- De gebruiksrechten zijn vijftien jaar geldig vanaf de datum van betekening ervan. Na afloop van die eerste periode kan het Instituut de gebruiksrechten voor telkens vijf jaar verlengen. Indien het Instituut de gebruiksrechten niet verlengt, neemt het daartoe een gemotiveerde beslissing, uiterlijk twee jaar voor het verstrijken van de periode, na de betrokken operator te hebben gehoord ». 2.
- Uit die bepaling blijkt dat het ontworpen besluit de duur van de gebruiksrechten in kwestie zonder voorbehoud bepaalt en de duur van een eventuele verlenging van die rechten ook onvoorwaardelijk vastlegt. Voorts voorziet het ontworpen besluit niet in de mogelijkheid dat de operator afstand doet van de hem toegekende rechten voordat de in de voorliggende bepaling gestelde termijn verstreken is. Het aldus ingevoerde mechanisme kan afbreuk doen aan de voornoemde wetsbepalingen van Europees en intern recht, want ze bieden de lidstaten alleen de mogelijkheid om de maximumduur van de gebruiksrechten vast te leggen. De gemachtigde van de minister is het ermee eens dat, om dat te verhelpen, het woord "maximaal" zou moeten worden toegevoegd in het artikel 3, § 1, van het ontwerp, vóór de woorden "vijftien jaar" en vóór de woorden "vijf jaar". Voorts zou ook de tweede zin van artikel 3, § 1, tweede lid, moeten worden herzien wat de termijn betreft waarbinnen het BIPT de eventuele beslissing om de gebruiksrechten niet te verlengen, moet nemen. 2.
- Uit het gezichtspunt van dezelfde bepalingen en beginselen moet de steller van het ontwerp bovendien de geplande maximale duur kunnen rechtvaardigen, meer bepaald de omstandigheid dat die beperking is "aangepast aan de betrokken dienst". Om alle kritiek in het licht van Richtlijn 2009/140/EG
- Voor het overige wordt verwezen naar de voorafgaande gemeenschappelijke algemene opmerking II.B.1, punt 1, hierboven.
- Aangezien de wet van 29 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/07/1991 pub. 18/12/2007 numac 2007001008 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. - Duitse vertaling sluiten betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen in het onderhavige geval van toepassing is, is er geen reden om te bepalen bepaald dat het BIPT een "gemotiveerde" beslissing moet nemen.
- De voorliggende bepaling moet in het licht van de voorgaande opmerkingen worden herzien. Artikel 7
- Artikel 7 van het ontwerp heeft betrekking op het bedrag van en op een aantal nadere regels omtrent het jaarlijkse "recht" dat de radiotoegangsoperator moet betalen voor de beschikbaarstelling en de coördinatie van de frequenties. Die bepaling heeft tot doel uitvoering te geven aan artikel 30, §§ 1 en 2, van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten, dat een ruime bevoegdheid terzake verleent aan de Koning. Gelet op wat voorafgaat, moet men in verband met de paragrafen 1 en 2 van de voorliggende bepaling twee zaken voor ogen houden : 1° wat het interne recht betreft, behoort er nogmaals op gewezen te worden dat, zoals de afdeling Wetgeving reeds heeft opgemerkt, een retributie zich laat definiëren als een geldelijke vergoeding van een dienst die de overheid presteert ten voordele van de heffingplichtige, individueel beschouwd.Bovendien moet er een redelijke verhouding bestaan tussen, enerzijds, de waarde van de bewezen dienst en, anderzijds, de gevorderde retributie; bij gemis van een zodanige verhouding verliest de retributie haar vergoedend karakter en wordt ze van fiscale aard