← België

Koninklijk besluit betreffende radiotoegang in de frequentieband 700 MHz

In het kort

Dit besluit regelt de voorwaarden voor het verkrijgen en uitoefenen van gebruiksrechten voor de 700 MHz-frequentieband (694-790 MHz) door mobiele operatoren. Het doel is om draadloze breedbanddiensten te bevorderen en de digitale kloof te dichten.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
28 NOVEMBER 2021. - Koninklijk besluit betreffende radiotoegang in de frequentieband 700 MHz VERSLAG AAN DE KONING Sire, Algemeen Dit besluit bepaalt de voorwaarden voor het verkrijgen en uitoefenen van de gebruiksrechten die worden toegekend aan de mobiele operatoren in de frequentieband 694-790 MHz, de zogenaamde `700 MHz-band'. Net zoals de 800 MHz-band, maakt deze frequentieband deel uit van het zogenoemde digitale dividend. Door de overgang van analoge televisie naar digitale televisie kan een veel groter aantal tv-programma's gepland worden in hetzelfde spectrum. Zo wordt, voor een aanbod dat identiek blijft, een aanzienlijke band vrijgemaakt; deze vormt een "dividend". De 700 MHz-band maakt deel uit van de 470-862 MHz-band die in 2006 werd ingepland voor digitale televisie door een regionale planningsconferentie van de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU). Naar aanleiding van de besluiten van de wereldradioconferenties van 2012 en 2015 werd de 700 MHz-band in Europa aangeduid als toekomstige band voor de verstrekking van draadloze elektronische-breedbandcommunicatiediensten. De strategische planning en de harmonisering van het spectrumgebruik op het niveau van de Unie zouden de interne markt van draadloze elektronische-communicatiediensten en -apparatuur moeten versterken alsook de andere beleidslijnen van de Unie waarvoor spectrum moet worden gebruikt, door nieuwe opportuniteiten te creëren op het vlak van innovatie en werkgelegenheid en door tegelijk bij te dragen tot het economisch herstel en de sociale integratie in de hele Unie, met inachtneming van de belangrijke sociale, culturele en economische waarde van het spectrum. Dit besluit draagt bij tot het verwezenlijken van het doel van 1200 MHz aan radiofrequenties voor draadloze breedband, wat een van de voornaamste doelstellingen is van Besluit nr. 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid (PPSR). In haar strategie voor de digitale eengemaakte markt, benadrukt de Commissie het belang van de 700 MHz-band om de verstrekking van breedbanddiensten in landelijke gebieden te garanderen. Op het niveau van de Europese Unie dienen de volgende twee besluiten te worden geciteerd: - uitvoeringsbesluit (EU) 2016/687 van de Commissie van 28 april 2016 betreffende de harmonisering van de frequentieband 694-790 MHz voor terrestrische systemen die draadlozebreedbanddiensten voor elektronische communicatie kunnen verschaffen en voor flexibel nationaal gebruik in de Unie; - besluit 899/2017/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende het gebruik van de 470-790 MHz-band in de Unie. Krachtens het eerste artikel van besluit 899/2017/EU moeten de lidstaten, uiterlijk op 30 juni 2020, het gebruik van de 700 MHz-band door terrestrische systemen die draadlozebreedbanddiensten voor elektronische communicatie kunnen verschaffen toestaan in geharmoniseerde technische voorwaarden zoals vastgelegd in besluit 2016/687/EU. Het in dit besluit beoogde spectrum zal gebruikt worden voor de openbare mobiele netwerken. Voor deze netwerken moet de technische kwaliteit van de communicatie of van de dienst absoluut gegarandeerd zijn. Daartoe moet gezorgd worden voor een hoog beveiligingsniveau tegen schadelijke storingen. Het enige gepaste vergunningsstelsel bestaat dus in de toekenning van individuele gebruiksrechten voor het radiospectrum. Er dient te worden opgemerkt dat geen enkele lidstaat van de Europese Unie een stelsel van algemene vergunningen heeft ingevoerd voor dit spectrum. Het BIPT heeft ook een beroep gedaan op een externe consultant om, onder andere, de kwestie van de 700 MHz-band te bekijken. Deze studie werd verwezenlijkt door Analysys Mason en heeft geleid tot het verslag "Study regarding the value of spectrum for mobile public systems" van 31 december 2015. Het verslag van Analysys Mason omvat aanbevelingen over de mechanismen voor toewijzing, de gebruiksvoorwaarden en de spectrumwaarde, voor de verschillende frequentiebanden gebruikt voor de openbare mobiele diensten. Dit verslag werd gepubliceerd op de website van het BIPT. De toewijzing van de gebruiksrechten aan de operatoren kan op verschillende manieren gebeuren. De voornaamste toewijzingsmechanismen zijn de veiling, de vergelijkende inschrijving, het principe "first come, first served" of een hybride systeem (doorgaans een vergelijkende inschrijving gevolgd door een veiling). Bijna alle toewijzingen van nieuw spectrum in Europa verlopen via een veilingmechanisme. Een veiling heeft immers tal van voordelen: transparant en eenvoudig, eerlijk, bevordert de concurrentie en het efficiënte gebruik van het spectrum. Een veiling is dus het mechanisme dat werd gekozen voor de toewijzing van de gebruiksrechten voor de 700 MHz-band. Er dient te worden opgemerkt dat het BIPT kan beslissen om deze toewijzingsprocedure tegelijk te organiseren met andere procedures voor toewijzing waarvan de toekenningsvoorwaarden zijn vastgelegd in andere koninklijke besluiten. Uitgezonderd de procedure waarin het koninklijk besluit van 28 november 2021 betreffende radiotoegang in de frequentiebanden 900 MHz, 1800 MHz en 2 GHz (zie artikel 15) voorziet, blijven de procedures autonoom, staan de activiteitsregels voor de ene procedure los van de activiteitsregels voor de andere procedures en kan het aantal rondes natuurlijk verschillen van de ene tot de andere procedure. De voornaamste doelstellingen nagestreefd door dit besluit zijn de volgende: - het spectrum toewijzen aan de meest efficiënte gebruikers; - de ontwikkeling van draadloze breedbandnetwerken aanmoedigen en de digitale kloof in België verder dichten; - erop toezien dat het hele spectrum wordt toegewezen in het kader van de gunningsprocedure (vermijden dat er niet-toegewezen spectrum overblijft); - een zo efficiënt mogelijk gebruik van het spectrum waarborgen; - de concurrentie op de Belgische elektronische-communicatiemarkt maximaliseren; - toezien op eerlijke inkomsten voor de overheden, aangezien het een kostbaar en schaars openbaar goed betreft; - spectrum toewijzen op basis van een objectieve, transparante, evenredige en niet-discriminerende procedure; - de complexiteit en de kosten in verband met de toewijzingsprocedure beperken. De voornaamste doelstellingen nagestreefd door hoofdstuk 9 zijn doelstellingen van algemeen belang door het radiospectrum voor doeleinden van openbare orde, openbare veiligheid en defensie te organiseren en te gebruiken en de noodzakelijke voorwaarden op te leggen ten behoeve van een basisnetwerk voor breedbandcommunicatie voor de hulp- en veiligheidsdiensten. Ten behoeve van de radiocommunicatie voor openbare veiligheid en beveiliging, civiele bescherming en rampenbestrijding (PPDR) wordt volgens de bepalingen van dit hoofdstuk voorzien in: - nationale PPDR-roaming die elke 700 MHz-operator via ASTRID aan de hulp- en veiligheidsdiensten moet bieden; - bijzondere PPDR-maatregelen waarover de hulp- en veiligheidsdiensten via ASTRID kunnen beschikken en die tegen vergoeding kunnen opgelegd worden aan een 700 MHz-operator die nationale roaming moet aanbieden; - betaald spraak-, sms- en dataverbruik die een 700 MHz-operator aan de hulp- en veiligheidsdiensten via ASTRID kan aanrekenen. Er werd rekening gehouden met het advies van de Raad van State. Wat betreft de verwijzing naar het advies van het BIPT in de aanhef wordt enkel het meest recente advies vermeld aangezien dat in feite de vorige vervangt. Op 26 mei 2021 gaf het Overlegcomité nog niet zijn akkoord over de ontwerptekst. Artikelsgewijze bespreking Artikel 1 Dit artikel definieert een aantal termen die voorkomen in het besluit. De definities van "controle met betrekking tot een persoon" en "relevante groep" zijn dezelfde als deze gebruikt voor het koninklijk besluit van 18 januari 2001 tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie (hierna "het 3G-koninklijk besluit"), het koninklijk besluit van 22 december 2010Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/12/2010 pub. 25/01/2011 numac 2011011016 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende radiotoegang in de frequentieband 2500-2690 MHz sluiten betreffende radiotoegang in de frequentieband 2500-2690 MHz (hierna "het 2,6 GHz-koninklijk besluit") en het koninklijk besluit van 6 juni 2013Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 06/06/2013 pub. 17/06/2013 numac 2013011295 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende radiotoegang in de frequentieband 790-862 MHz sluiten betreffende radiotoegang in de frequentieband 790-862 MHz (hierna "het 800 MHz-koninklijk besluit"). Er wordt een onderscheid gemaakt tussen PPDR-roaming en bijzondere PPDR-maatregelen. PPDR-roaming vereist enkel de implementatie van gestandaardiseerde systemen door de openbare mobiele operator. De implementatie van de bijzondere PPDR-maatregelen daarentegen zal bijzondere eisen invullen op het vlak van radiodekking, robuustheid, veiligheid, beschikbaarheid en eventueel andere noodzakelijke elementen voor radiocommunicatie voor openbare veiligheid en beveiliging, civiele bescherming en rampenbestrijding. Gezien de hogere kost die hieraan verbonden is wordt verwacht dat er niet met alle openbare mobiele operatoren een akkoord afgesloten zal worden voor deze bijzondere PPDR-maatregelen. De overige definities behoeven geen commentaar. Artikel 2 De betreffende frequenties kunnen slechts verworven worden door operatoren die een kennisgeving hebben gedaan in de zin van artikel 9 van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten betreffende de elektronische communicatie (hierna " wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten"). Artikel 3 De gebruiksrechten worden toegekend voor een periode van twintig jaar, telkens verlengbaar met vijf jaar. De initieel aan de 2G-operatoren toegewezen gebruiksrechten (krachtens het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofonienetten, hierna "het GSM-koninklijk besluit", en krachtens het koninklijk besluit van 24 oktober 1997 betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten, hierna "het DCS-koninklijk besluit") en de gebruiksrechten toegewezen voor de 2,6 GHz-band (krachtens het 2,6 GHz-koninklijk besluit) waren geldig voor een periode van 15 jaar. De gebruiksrechten toegekend aan de 3G-operatoren (krachtens het 3G-koninklijk besluit) en de gebruiksrechten toegekend voor de 800 MHz-band (krachtens het 800 MHz-koninklijk besluit) waren daarentegen toegekend voor een periode van 20 jaar. In de overige Europese landen ligt de geldigheidsduur van de gebruiksrechten doorgaans ook tussen 15 en 20 jaar. De operatoren zijn voorstander van langere geldigheidstermijnen om de voorspelbaarheid van de ontwikkeling van hun activiteiten op lange termijn te vergroten. Dit besluit voorziet in een initiële periode van 20 jaar, telkens verlengbaar met periodes van 5 jaar. Een duur van 20 jaar volstaat inderdaad om een goed rendement te garanderen voor de operatoren. Artikel 4 Paragraaf 1 bepaalt de onderverdeling in blokken van de 700 MHz-band. De 700 MHz-band, met een totale capaciteit van 30 MHz duplex, is onderverdeeld in zes blokken van 5 MHz duplex. De 700 MHz-band zal a priori worden gebruikt door de LTE-technologie. De LTE-kanalen hebben een bandbreedte van 1,4 MHz, 3 MHz, 5 MHz, 10 MHz, 15 MHz of 20 MHz. De kanaalbreedtes van 1,4 MHz of van 3 MHz kunnen geen erg hoge snelheden bieden en worden doorgaans weinig of niet gebruikt. De onderverdeling in blokken van 5 MHz is dus helemaal gepast. Men kan immers het volgende gebruiken: - een blok voor een kanaalbreedte van 5 MHz; - twee blokken voor een kanaalbreedte van 10 MHz. Paragraaf 2 bepaalt welke subfrequentieband wordt gebruikt voor het uitzenden door de basisstations en welke subfrequentieband wordt gebruikt voor het uitzenden door de eindtoestellen. Paragraaf 3 bepaalt de maximale spectrumhoeveelheid ("spectrum cap") die een relevante groep kan innemen zonder de concurrentie tussen de verschillende operatoren in het gedrang te brengen. De keuze van een "spectrum cap" voor de 700 MHz-band is in hoofdzaak een compromis tussen het aantal mogelijke concurrerende infrastructuren die gebruik maken van de 700 MHz-band en het prestatieniveau dat kan worden gehaald voor elk van deze infrastructuren. De bepalingen van paragraaf 4 stellen het BIPT in staat om de verdeling van de toegewezen kanalen te wijzigen om het spectrumgebruik te optimaliseren. Het is echter duidelijk dat de operatoren over een redelijke termijn moeten beschikken om deze wijzigingen aan te brengen. De toekenning van deze bevoegdheid is conform artikel 13 van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten alsook de artikelen 3.1 en 3.2.c), van Richtlijn 2018/1972/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (hierna "Europees wetboek voor elektronische communicatie"). De aan het BIPT verleende machtiging moet ten uitvoer gebracht worden om het doeltreffende, efficiënte en gecoördineerde gebruik van radiospectrum te bevorderen. Artikel 5 De gebruiksrechten omvatten het gebruik van de eindtoestellen (mobiele telefoons, smartphones, ...) die aangesloten zijn op het netwerk van een 700 MHz-operator (zie artikel 3 § 2). Wanneer een consument een eindtoestel koopt, is hij evenwel doorgaans niet aangesloten op een netwerk. Artikel 5 staat het houden van een eindtoestel toe, zelfs als dit niet aangesloten is op een netwerk. Artikel 6 Krachtens artikel 13, 3°, van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten is het BIPT verantwoordelijk voor de internationale coördinatie van de frequenties. Hiertoe sluit het BIPT grensoverschrijdende coördinatieovereenkomsten. Artikel 7 De openbare mobiele operatoren zijn onderworpen aan verscheidene types van heffingen. De openbare mobiele operatoren zijn ertoe gehouden om in het begin van de geldigheidsperiode van de gebruiksrechten een enige heffing te betalen, in overeenstemming met artikel 30 van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten. De openbare mobiele operatoren zijn eveneens verplicht om jaarlijkse rechten te betalen. Het bedrag van de jaarlijkse rechten wordt vastgelegd in de koninklijke besluiten ter uitvoering van de artikelen 18 en 30 van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten. De jaarlijkse rechten hebben, onder andere, net zoals de enige heffing, tot doel om een optimale uitbating van de radiofrequenties te garanderen. Considerans 100 van het Europees wetboek voor elektronische communicatie bepaalt dat de heffingen voor de gebruiksrechten voor frequenties mogen samengesteld zijn uit een enig bedrag en een periodiek bedrag. Tot op heden bestonden er twee soorten van jaarlijkse rechten: - de jaarlijkse rechten voor het beheer van de gebruiksrechten, met als enige doel de activiteiten van het BIPT die verband houden met het beheer van de gebruiksrechten te financieren; - de jaarlijkse rechten voor de terbeschikkingstelling van de frequenties, met het oog op het financieren van de activiteiten van het BIPT en om een optimale uitbating van de radiofrequenties te garanderen. De jaarlijkse rechten voor de terbeschikkingstelling van de frequenties waren verschuldigd voor alle gebruiksrechten, terwijl de jaarlijkse rechten voor beheer van de gebruiksrechten enkel voor bepaalde gebruiksrechten verschuldigd waren. Een enkel type van jaarlijkse rechten werd behouden, met het oog op het financieren van de activiteiten van het BIPT en om een optimale uitbating van de radiofrequenties te garanderen. Het jaarlijkse recht bedraagt 91.200 euro per MHz. Dat bedrag is gelijk aan het bedrag van de jaarlijkse rechten voor de terbeschikkingstelling van de frequenties voor de 800 MHz-band (krachtens het 800 MHz-koninklijk besluit). Er dient te worden opgemerkt dat Analysys Mason rekening heeft gehouden met het bedrag van de jaarlijkse rechten om de waarde van het spectrum voor de verschillende frequentiebanden te berekenen. Het bedrag van de enige heffingen (artikel 30, § 1/1, van de WEC) werd vastgelegd op basis van het voormelde verslag van Analysys Mason. Het bedrag van de jaarlijkse rechten is onafhankelijk van het aantal basisstations voor radiocommunicatie die de frequenties in kwestie exploiteren. Los van het aantal basisstations, worden de radiofrequenties daadwerkelijk ter beschikking gesteld en kunnen ze niet langer gebruikt worden door een andere gebruiker. Een verband leggen tussen de rechten en de basisstations zou operatoren ertoe kunnen leiden hun netwerk niet uit te rollen en de frequenties te hamsteren zonder ze te gebruiken, wat vermeden moet worden. Dit soort van bepaling bestaat reeds en is van toepassing op alle bestaande gebruiksrechten betreffende de radiotoegang. Tot op heden waren de jaarlijkse rechten voor de terbeschikkingstelling van de frequenties enkel verschuldigd voor de frequenties die in gebruik werden genomen. Dit soort van bepaling bevordert het hamsteren van spectrum en leidt tot een niet-optimale uitbating van de radiofrequenties. Om dezelfde redenen bepaalt dit koninklijk besluit dus dat de jaarlijkse rechten verschuldigd zijn van zodra de geldigheidsduur van de gebruiksrechten is begonnen. Want zodra de gebruiksrechten zijn toegekend worden de radiofrequenties in verband met deze rechten daadwerkelijk ter beschikking gesteld van de betrokken operator. Deze mag ze gebruiken en ze mogen niet langer door derden gebruikt worden. Om de financiële impact voor de operatoren te beperken gedurende de eerste jaren die financieel het zwaarst zijn in termen van investeringen die ze moeten maken om nieuwe frequenties uit te rollen, worden de jaarlijkse rechten van de nieuwe frequenties verlaagd met 50% gedurende de 3 eerste jaren van de vergunning. Dat systeem wordt reeds in Portugal en Hongarije toegepast. Artikel 8 De UHF-omroepband (470-862 MHz) is gedurende tientallen jaren gebruikt voor analoge uitgestraalde televisie. Gelet op de technologische ontwikkelingen is analoge televisie via de ether vervangen door digitale televisie via de ether of terrestrische digitale televisie (DVB-T). In 2006 heeft de ITU een plan opgesteld voor terrestrische digitale tv in de UHF-band, voor Europa en Afrika. Verschillende besluiten, zowel op Europees niveau als op niveau van de ITU, hebben geleid tot de identificatie van de 700 MHz-band voor draadloze breedbanddiensten. Omdat de frequentieband 700 MHz geïdentificeerd is voor draadloze breedbanddiensten kan die niet meer worden gebruikt voor terrestrische digitale televisie. Een beperkt aantal zenders voor terrestrische digitale televisie maakt gebruik van kanalen van de 700 MHz-band. Deze zenders zullen van kanaal moeten veranderen voordat draadloze breedbandnetwerken worden uitgerold. Artikel 8 voorziet in een vergoedingsmechanisme voor de betrokken omroepnetwerkoperatoren. Er dient te worden opgemerkt dat deze vergoedingskosten zullen worden aangerekend op het bedrag van de enige heffing. Artikel 9 Artikel 9 legt een aantal algemene regels vast inzake de controle. Artikel 10 Artikel 10 bepaalt dat de operatoren het publiek moeten informeren over de gerealiseerde dekking. Artikel 11 Artikel 18, § 1, 1°, van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten bepaalt dat de voorwaarden voor het verkrijgen en hanteren van radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden ook betrekking kunnen hebben op "(...) de dekkingsvereisten en kwaliteitseisen". Artikel 18 van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten is de omzetting van deel B van de bijlage bij Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten. Deel B van de bijlage van Richtlijn 2002/20/EG werd sindsdien vervangen door deel D van bijlage I van het Europees wetboek voor elektronische communicatie, waarvan punt 1 voortaan als volgt luidt: "1. Verplichting een dienst aan te bieden (...), met inbegrip van, in voorkomend geval, de vereisten inzake dekking en kwaliteit van dienstverlening." Net zoals de 800 MHz-band biedt de 700 MHz-band de optimale oplossing voor de dekking van grote gebieden door draadloze breedbanddiensten. Dekkingsverplichtingen die verbonden zijn aan de gebruiksrechten voor de 700 MHz-band kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van een doelstelling voor de dekking van heel België voor de datatransmissiediensten via mobiele breedband. Artikel 3 van het besluit 899/2017/EU bepaalt dat de lidstaten rekening houden met de noodzaak om de snelheids- en kwaliteitsdoelstellingen van artikel 6, lid 1, van Besluit nr. 243/2012/EU te halen. Voor de 800 MHz-band werd een snelheid van 3 Mbit/s opgelegd (krachtens het 800 MHz-koninklijk besluit) omdat die hoger ligt dan wat de werkelijke 3G-netwerken kunnen verwezenlijken. Toch blijft het een voorzichtige doelstelling, rekening houdend met de aankondigingen van de operatoren en de fabrikanten. Het maximale te bereiken dekkingsniveau bedraagt 99,8% van de bevolking. De verplichte snelheid van de vergunningen hangt af van de spectrumhoeveelheid verworven in de 700 MHz-band: - 6 Mbit/s indien de operator 10 MHz duplex bezit; - 5 Mbit/s indien de operator minder dan 10 MHz duplex bezit. De opgelegde minimale snelheid bedraagt 6 Mbit/s indien de operator 10 MHz duplex bezit op 700 MHz en gebruiksrechten heeft in de 800 MHz-band. Er wordt immers uitgegaan van het feit dat de vergunningshouders de gebruiksrechten voor de frequentieband op 800 MHz ook kunnen inzetten voor het voldoen van deze verplichting. De drie bestaande mobiele operatoren beschikken allemaal over frequenties in de 800 MHz-, 900 MHz-, 1800 MHz-, 2 GHz- en 2,6 GHz-banden. Deze operatoren beschikken allemaal over een 3G-netwerk dat de 900 MHz- en 2 GHz-banden gebruikt, en over een 4G-netwerk dat de 800 MHz- en 1800 MHz-banden gebruikt. De drie bestaande mobiele operatoren hebben dus elk een voordeel in termen van dekking van het grondgebied. De dekkingsverplichtingen zijn immers reeds deels vervuld. Bijgevolg is het uitrolschema minder snel voor de operatoren die geen bestaande mobiele operatoren zijn. Het uitrolschema voor de dekkingsverplichtingen is als volgt voor de bestaande mobiele operatoren: - 70% van de bevolking na 1 jaar; - 99,5% van de bevolking na 2 jaar; - 99,8% van de bevolking na 6 jaar. Het uitrolschema voor de dekkingsverplichtingen is als volgt voor de nieuwkomers: - 30% van de bevolking na 3 jaar; - 70% van de bevolking na 6 jaar; - 99,8% van de bevolking na 8 jaar. Paragraaf 4 en 5 verduidelijken het concept `dekking'. Er dient te worden opgemerkt dat de praktische methodes en exacte procedures voor metingen, bedoeld in paragraaf 5, buitengewoon technisch zijn en geen uitoefening veronderstellen van een daadwerkelijke beoordelingsbevoegdheid waarbij opportuniteitskeuzes moeten gemaakt worden. Er zijn dus geen bezwaren om de zorg voor het vastleggen van die activiteitsregels aan het BIPT toe te vertrouwen. Gezien de techniciteit van deze regels is het BIPT inderdaad het best geplaatst om dit te doen. Wanneer bepaalde geografische gebieden reeds worden gedekt door een operator met de minimumsnelheid dankzij andere frequentiebanden dan de 700 MHz-band, dan wint men er niets bij om de operator te verplichten om ook die geografische gebieden te dekken met de 700 MHz-band. Op grond van paragraaf 6 kan worden geoordeeld dat de dekkingsverplichtingen in verband met de 700 MHz-band worden vervuld via alle frequentiebanden waarvoor de operator over gebruiksrechten beschikt. Artikel 12 In het kader van de veiling van de nieuwe mobiele licenties wordt een verplichting voorzien voor de dekking van de spoorwegen. Het betreft een dekking buiten langsheen een aantal belangrijke spoorlijnen. Het aanbieden van een goede internetverbinding in de treinen zal helpen om de aantrekkelijkheid van de trein als vervoersmiddel te verhogen. Het door Infrabel uitgerolde GSM-R-netwerk wordt gebruikt in de treinen die rijden op de Belgische spoorlijnen. Indien aan een operator maatregelen worden opgelegd ter bescherming van het GSM-R-netwerk, wordt het moeilijker voor die operator om de spoorlijnen te dekken en dus de dekkingsverplichting voor de spoorwegen na te komen. Net als voor de verplichtingen inzake dekking van de bevolking (artikel 11), hebben de drie bestaande mobiele operatoren dus elk een voordeel in termen van dekking van het grondgebied. De dekkingsverplichtingen zijn immers reeds deels vervuld. Bijgevolg is de opgelegde termijn minder snel voor de operatoren die geen bestaande mobiele operatoren zijn. Er dient te worden opgemerkt dat de praktische methodes en exacte procedures voor metingen, bedoeld in paragraaf 6, buitengewoon technisch zijn en geen uitoefening veronderstellen van een daadwerkelijke beoordelingsbevoegdheid waarbij opportuniteitskeuzes moeten gemaakt worden. Er zijn dus geen bezwaren om de zorg voor het vastleggen van die activiteitsregels aan het BIPT toe te vertrouwen. Gezien de techniciteit van deze regels is het BIPT inderdaad het best geplaatst om dit te doen. Artikel 13 Een verplichting om nationale roaming aan te bieden aan een nieuwkomer op de markt heeft als doel de structurele nadelen te beperken waarmee deze nieuwkomer geconfronteerd wordt ten opzichte van bestaande operatoren omdat hij niet over een eigen netwerk beschikt voor mobiele radiocommunicatie. Nationale roaming heeft dus tot doel om tijdens een overgangsperiode toegang te verlenen tot een uitgebreid netwerk aan operatoren die nog geen eigen netwerk hebben kunnen ontwikkelen. Om te vermijden dat een overeenkomst van nationale roaming niet kan worden afgesloten in het kader van commerciële onderhandelingen, kan het nodig zijn, nadat er een impasse vastgesteld werd in de commerciële onderhandelingen, om nationale roaming op te leggen gedurende een overgangsperiode. De operator die recht heeft op nationale roaming kiest met welke operator die nationale roaming moet aanbieden, hij wenst te onderhandelen over die nationale roaming. Het is aannemelijk dat Voyacom (2,6 GHz-operator) ook, al zij het in mindere mate, geconfronteerd wordt met structurele nadelen ten opzichte van de bestaande mobiele operatoren (Proximus, Orange Belgium en Telenet Group). De bestaande mobiele operatoren beschikken namelijk al over frequenties en netwerken in de 900 MHz-band (optimale band voor dekking met GSM/EDGE en UMTS/HSPA) en in de 800 MHz-band (beste band voor LTE-dekking). De bepalingen met betrekking tot nationale roaming vormen een evenwichtig systeem dat de concurrentie bevordert. Daarenboven zal de beperkte winstgevendheid van het retail-minustarief dat operatoren die recht hebben op nationale roaming betalen, hen er ook toe aanzetten om een eigen netwerk uit te bouwen. Artikel 13 geeft uitvoering aan de bepalingen van artikel 51, § 2, tweede lid, van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten. Het BIPT kan de bestaande mobiele operatoren (Proximus, Orange Belgium en Telenet Group), die ook 700 MHz-operator zijn, verplichten om nationale roaming aan te bieden aan de 700 MHz-operatoren die geen bestaande mobiele operator zijn. De begrippen 'operator die recht heeft op nationale roaming' en 'operator die nationale roaming moet aanbieden' worden gedefinieerd in artikel 1. Teneinde te vermijden dat bestaande mobiele operatoren zich aan deze verplichting zouden onttrekken via een structurering van het vehikel dat de exploitatie van de gebruiksrechten zal garanderen, wordt deze verplichting uitgebreid tot de controlegroep waartoe de bestaande mobiele operator behoort, met inbegrip van consortia. Artikel 13 bepaalt ook dat het recht op nationale roaming niet geldt in die geografische gebieden waar de 700 MHz-operator die recht heeft op nationale roaming al een eigen netwerk heeft uitgebouwd. De verplichting tot nationale roaming heeft betrekking op alle elektronische-communicatiediensten die worden aangeboden met alle frequenties onder 3 GHz waarvoor de operator over gebruiksrechten beschikt krachtens artikel 18 van de wet. Dit omvat de 2G-, 3G-, 4G- en 5G-diensten. Het overgangskarakter van de nationale roaming blijkt eveneens uit de bepaling dat iedere tussenkomst van het BIPT inzake nationale roaming afloopt acht jaar na het begin van de geldigheid van de gebruiksrechten van de operator die recht heeft op nationale roaming. Op die manier kan nationale roaming nooit een structureel alternatief vormen voor het uitbouwen van een eigen netwerk; alle 700 MHz-operatoren moeten dus verplicht een eigen netwerk uitbouwen. Na acht jaar moet de dekkingsgraad van de operator die recht heeft op nationale roaming minstens 99,8% bedragen. Artikel 14 De organisatie van de kritieke communicatie van de Belgische hulp- en veiligheidsdiensten is een taak van openbare dienst die als niet-economische dienst van algemeen belang bij wet van 8 juni 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/06/1998 pub. 13/06/1998 numac 1998000389 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten sluiten betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten werd opgedragen aan de hiervoor speciaal opgerichte NV van publiek recht, A.S.T.R.I.D. (hierna "ASTRID"). Momenteel wordt deze communicatie verzekerd door middel van een speciaal hiervoor tot stand gebracht elektronisch netwerk dat volgens de TETRA-norm in de frequentieband 380-400 MHz opereert. Op lange termijn zullen de noden van de hulp- en veiligheidsdiensten inzake kritieke toepassingen voor spraak-, gegevens- en video-verkeer evolueren naar mobiele breedband-communicatie voor "Mission Critical communicatie", hetgeen het opzetten van nieuwe breedbandnetwerken vereist. Deze taak van openbare dienst houdt in dat de door ASTRID aan zijn gebruikers aangeboden communicatiemogelijkheden verstrekt dienen te worden in een omgeving, met een zo ruim mogelijke dekking, robuustheid, veiligheid en beschikbaarheid van het spraak-, gegevens- en video-verkeer. Besluit nr. 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid (PPSR) schrijft voor dat de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, tracht er voor te zorgen dat voldoende spectrum beschikbaar wordt gesteld voor de ontwikkeling van veiligheidsdiensten en het vrije verkeer van daaraan gerelateerde apparatuur, alsmede voor de ontwikkeling van innoverende interoperabele oplossingen voor openbare veiligheid en beveiliging, civiele bescherming en rampenbestrijding (PPDR). Het CEPT ECC rapport 218 onderzoekt drie verschillende implementatiemodellen voor deze netwerkinfrastructuur. Het implementatiemodel met een hybride netwerkinfrastructuur combineert de voordelen van een volledig eigen specifieke netwerkinfrastructuur met deze van een commercieel model en vermijdt de respectievelijke nadelen. Het door ASTRID, in uitvoering van de hem wettelijk opgedragen taak van openbare dienst, te ontwikkelen, beheren en exploiteren netwerk voor breedbandcommunicatie voor de hulp- en veiligheidsdiensten kan dus de vorm aannemen van een hybride netwerk. Op Europees niveau is een totaal van 8 MHz duplex, grenzend aan de 30 MHz duplex waarover dit besluit gaat, geïdentificeerd voor oplossingen voor openbare veiligheid en beveiliging, civiele bescherming en rampenbestrijding (PPDR). Deze frequenties zullen ASTRID in staat stellen om zijn eigen specifiek radiotoegangsnetwerk uit te rollen ter aanvulling of als alternatief voor het radiotoegangsnetwerk van één of meerdere openbare mobiele operatoren. Er moet echter worden opgemerkt dat de toewijzing van die frequenties door het BIPT, aan ASTRID niet het voorwerp van dit besluit uitmaakt. Het is niet de bedoeling dat ASTRID met eigen basisstations een volledig netwerk uitbouwt dat het volledige land zal dekken. ASTRID kan voor de radiodekking en capaciteit van zijn breedbandnetwerk, het radiotoegangsnetwerk van één of meer openbare mobiele operatoren gebruiken, op voorwaarde dat hun netwerk voldoet aan de noodzakelijke specifieke voorwaarden inzake radiodekking, robuustheid, veiligheid, beschikbaarheid en noodzakelijke andere elementen voor PPDR-communicatie. Het 3GPP (3rd Generation Partnership Project) heeft specifieke functies ontwikkeld ter ondersteuning van radiocommunicatie voor openbare veiligheid en beveiliging, civiele bescherming en rampenbestrijding (PPDR): - MCPTT (Mission Critical Push to Talk); - MCVideo (Mission Critical Video); - MCData (Mission Critical Data). Daarnaast heeft 3GPP een reeks mechanismes ontwikkeld ter ondersteuning van prioriteit en pre-emptie van communicaties en gegevensuitwisseling: - QCIs (QoS Class Identifiers); - ARP (Allocation and Retention Priority); - ACB (Access Class Barring). Het via ASTRID beschikken over nationale PPDR-roaming, bijzondere PPDR-maategelen en spraak-, sms- en dataverbruik is voor de hulp- en veiligheidsdiensten een absolute voorwaarde voor hun kritieke PPDR-communicatie, die de zorg voor openbare orde en veiligheid garandeert en het algemeen belang dient. Het opleggen van nationale PPDR-roaming en bijzondere PPDR-maatregelen is van een andere aard dan gewone nationale roaming, welke in een louter economische context op grond van artikel 51, § 2 WEC wordt opgelegd, en vereist dienvolgens een andere rechtsgrond. Artikel 106, § 1 WEC voorziet dat de Koning, na advies van het Instituut, de lijst van de operatoren die met de civiele verdediging meewerken, alsook de voorwaarden en nadere regels van deze medewerking vastlegt. Art. 106, § 4 voorziet bovendien dat één of meer operatoren door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Instituut, kunnen worden belast met andere opdrachten die bedoeld zijn om het algemene belang te dienen. Om te beantwoorden aan de opmerkingen geformuleerd in het advies nr. 69.769/4 van 4 oktober 2021 van de Raad van State, Afdeling Wetgeving werd de oorspronkelijk voorziene regeling waarbij de vereiste specifieke verplichtingen inzake kritieke PPDR-communicatie aan de 700 MHz-operatoren worden opgelegd, derwijze aangepast dat deze niet afhankelijk is van enig initiatief van ASTRID, noch van enige voorafgaandelijke overeenkomst, doch volgt het opleggen van vermelde specifieke verplichtingen uit de bewoordingen van dit besluit. Ten behoeve van het algemeen belang inzake de organisatie van de radiocommunicatie voor PPDR moeten alle 700 MHz-operatoren binnen de twee jaar na het verkrijgen van gebruiksrechten overeenkomstig dit besluit de hulp- en veiligheidsdiensten via ASTRID nationale PPDR-roaming aanbieden en, behoudens andersluidend besluit hierover van de minister van Telecommunicatie en de minister van Binnenlandse Zaken, minstens de in het artikel opgesomde in 3GPP gestandaardiseerde mechanismes en diensten voor Mission Critical Services (MCPTT, MCData, MCVideo) en voor prioriteit en pre-emptie ondersteunen en ter beschikking stellen aan de gebruikers van ASTRID. De nationale PPDR-roaming moet door de 700 MHz-operatoren worden verleend op alle frequenties waarvoor de operator krachtens artikel 18 van de wet over gebruiksrechten beschikt indien op deze frequenties bestaande en toekomstige technologieën worden gebruikt die de 3GPP gestandaardiseerde mechanismes en diensten zoals vermeld in § 1, 1° tot en met 4° ondersteunen. Met 3GPP technologieën worden de oplossingen voor de opeenvolgende generaties bedoeld zoals, maar niet beperkt tot: GSM, HSCD, GPRS, EDGE, HSPA, LTE. Het is niet de bedoeling dat ASTRID de concurrentie aangaat met de openbare mobiele operatoren. In tegenstelling tot nationale roaming voor een nieuwkomer (artikel 13) is er dus geen reden om: - een minimale uitrol van een eigen netwerk van ASTRID op te leggen; - de geografische omvang van de bijzondere PPDR-roaming te beperken; - de duur van de bijzondere PPDR-roaming te beperken. Om ervoor te zorgen dat voldaan wordt aan de bijzondere eisen inzake radiodekking, robuustheid, veiligheid, beschikbaarheid en eventueel andere noodzakelijke elementen voor radiocommunicatie voor openbare veiligheid en beveiliging, civiele bescherming en rampenbestrijding kunnen de minister van Telecommunicatie en de minister van Binnenlandse Zaken één of meerdere openbare mobiele operatoren verplichten aan ASTRID de bijzondere PPDR-maatregelen aan te bieden die minimaal nodig zijn om de hulp- en veiligheidsdiensten te ondersteunen. De bijzondere PPDR-maatregelen kunnen door de 700 MHz-operatoren worden verleend op alle frequenties waarvoor zij krachtens artikel 18 van de wet over gebruiksrechten beschikken en op alle bestaande en toekomstige 3GPP technologieën die zij voor hun netwerk of dienstverlening gebruiken en waarvoor deze mechanismes en diensten gestandaardiseerd zijn. Op advies van het Instituut nemen de ministers een beslissing omtrent het opleggen van de verplichting aan een operator tot het aanbieden van bijzondere PPDR-maatregelen aan de hulp- en veiligheidsdiensten via ASTRID. De aard zelf van de zorg voor PPDR-communicatie ten behoeve van de Belgische hulp- en veiligheidsdiensten maakt deze betrokkenheid en beslissing van zowel de Minister van Telecommunicatie als de Minister van Binnenlandse Zaken noodzakelijk. De natuur van de diensten die opgelegd moeten worden doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van het Instituut om marktverstorende elementen te vermijden gezien het Instituut een advies geeft inzake het opleggen van bijzondere PPDR-maatregelen en het Instituut via besluit zelf de prijszetting hiervan bepaalt die de kosten weerspiegelt samen met een redelijke winstmarge. Het ondersteunen en ter beschikking stellen van nationale PPDR-roaming aan de hulp- en veiligheidsdiensten via ASTRID betreft enkel het implementeren van gestandaardiseerde mechanismes en diensten en wordt als algemene plicht aan alle 700 MHz-operatoren opgelegd, maar de implementatie van bijzondere PPDR-maatregelen inzake radiodekking, robuustheid, veiligheid en functionaliteiten voor radiocommunicatie voor openbare veiligheid en beveiliging, en rampenbestrijding (PPDR) kan leiden tot substantiële extra kosten voor een openbare mobiele operator. Daarnaast is ook een vergoeding verschuldigd aan de openbare mobiele operatoren voor het spraak-, sms- en dataverbruik van de hulp- en veiligheidsdiensten via ASTRID. Het Instituut bepaalt via besluit de prijs die een openbare mobiele operator mag aanrekenen aan ASTRID voor het aanbieden van bijzondere PPDR-maatregelen en/of voor het spraak-, sms- en dataverbruik ten behoeve van de hulp- en veiligheidsdiensten via ASTRID. Het Instituut maakt hiervoor gebruik van de `cost plus'-methode op basis van de bewezen specifieke kosten van de openbare mobiele operator te vermeerderen met een redelijke winstmarge voor de operator. Artikel 15 Gezien de grote substitueerbaarheid tussen de 700 MHz- en 900 MHz-banden, wordt bepaald dat het BIPT kan beslissen om de procedure voor de 900 MHz-, 1800 MHz- en 2100 MHz-banden (koninklijk besluit van 28 november 2021 betreffende radiotoegang in de frequentiebanden 900 MHz, 1800 MHz en 2 GHz) samen te voegen met de procedure voor de 700 MHz-band (dit besluit) tot één enkele toekenningsprocedure. In geval van hergroepering kan een partij kandidaat blijven voor de twee procedures of voor één van de twee procedures. Maar de regels in verband met de activiteit van de kandidaten zijn in elk geval dezelfde voor de 4 frequentiebanden. Artikel 16 Dit artikel behoeft geen commentaar. Artikel 17 Hierin wordt bepaald dat het verboden is voor een kandidaat om wijzigingen aan te brengen aan de elementen die in zijn kandidatuur werden meegedeeld. Paragraaf 3 legt een informatieverplichting op ingeval zich een wijziging voordoet met betrekking tot bepaalde verklaringen van de kandidaat. Het spreekt voor zich dat het moet gaan om wijzigingen als gevolg van feiten of gebeurtenissen waarop de kandidaat geen invloed kan uitoefenen. Het bewust of door nalatigheid in de hand werken van wijzigingen kan leiden tot de uitsluiting van de kandidaat. De artikelen 18 en 19 Deze artikelen behoeven geen commentaar. Artikel 20 Deze bepaling heeft tot doel te vermijden dat niet-ernstige kandidaten een kandidatuur indienen. De vermelde interestvoet, met name de interestvoet van de depositofaciliteit, is deze vermeld door de Nationale Bank van België conform de besluiten en richtlijnen van de Europese Centrale Bank. Deze interestvoet kan negatief zijn. Artikel 21 Het is niet aan het BIPT om uit een relevante groep die entiteit te kiezen die zal deelnemen aan de procedure voor toekenning. Indien de relevante groep zelf niet tot een duidelijke beslissing ter zake komt, wordt ze uitgesloten van de procedure voor toekenning. De artikelen 22 en 23 Deze artikelen behoeven geen commentaar. Artikelen 24 tot 46 Deze artikelen regelen het praktische verloop van de toewijzingsprocedure. Er moet worden opgemerkt dat de kosten van consultants die de overheid zullen bijstaan bij de voorbereiding en het verloop van de veiling zullen worden aangerekend op het bedrag van de enige heffing (artikel 47, § 3). Het koninklijk besluit van 28 november 2021 betreffende radiotoegang in de banden 900 MHz, 1800 MHz en 2 GHz bepaalt dat een eerste veiling die voorbehouden is voor de nieuwkomers op de markt georganiseerd wordt om de portfolio van frequenties samengesteld uit spectrum in de banden van 700 MHz, 900 MHz, 1800 MHz en 2 GHz toe te wijzen. Indien het BIPT de toewijzingsprocedure voor de 700 MHz-band combineert met de toewijzingsprocedure waarvan de verleningsvoorwaarden worden vastgesteld in het voormelde koninklijk besluit, is het mogelijk dat een frequentieblok waarvan sprake in artikel 4, § 1, aan een nieuwkomer wordt verleend tussen de oproep tot het indienen van kandidaturen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en het eerste deel van de toewijzingsprocedure. De toewijzingsprocedure bestaat uit twee delen. Het eerste deel (artikelen 31 tot 41) is een veiling van het type SMRA1 met generieke percelen. De percelen zijn generiek om te vermijden dat operatoren niet-aaneengrenzende blokken krijgen toegewezen, wat zou leiden tot een inefficiënt gebruik van het spectrum. De vaakst gebruikte veilingformaten zijn de SMRA en de CCA2. Een SMRA vergemakkelijkt de prijsbepaling, is eenvoudiger en transparanter dan een CCA, en geeft meer flexibiliteit aan de inschrijvers. Bovendien heeft het BIPT reeds ervaring met dit soort van veiling. Alle spectrumveilingen in België waren immers van het type SMRA. Tijdens de veilingprocedure kunnen de inschrijvers verscheidene biedingen doen tijdens elke ronde voor individuele percelen. Tijdens opeenvolgende ronden kunnen ze hun vraag wijzigen, met inachtneming van bepaalde activiteitenregels. De regels inzake activiteit beperken de biedingen die een kandidaat tijdens een gegeven ronde mag uitbrengen volgens de biedingen die in de voorgaande rondes zijn uitgebracht, met als doel het strategische gedrag van de kandidaten in te perken. De activiteitsregels zijn buitengewoon technisch en veronderstellen geen uitoefening van een daadwerkelijke beoordelingsbevoegdheid waarbij opportuniteitskeuzes moeten gemaakt worden. Er zijn dus geen bezwaren om de zorg voor het vastleggen van die activiteitsregels aan het BIPT toe te vertrouwen. Gezien de techniciteit van deze regels is het inderdaad het best geplaatst om dit te doen. Het eerste deel van de procedure lijkt op de procedure voor de 2,6 GHz-band (krachtens het 2,6 GHz-koninklijk besluit) en de procedure voor de 800 MHz-band (krachtens het 800 MHz-koninklijk besluit). Het tweede deel (artikelen 42 tot 46) heeft als doel de positie van de blokken in de band te bepalen. Tijdens procedures voor de 2,6 GHz-band en de 800 MHz-band deden de kandidaten biedingen op specifieke blokken. In het geval van dit besluit doen de kandidaten biedingen op generieke blokken. Zodra het eerste deel (de veiling) afgelopen is, dient dus de positie van de blokken in de band te worden bepaald. Het tweede deel van de procedure bestaat in een bijkomende ronde opdat de kandidaten bijkomende biedingen kunnen indienen voor hun voorkeursplaatsen. Indien de betrokken operatoren tot een akkoord komen over de positie van de blokken in de band, is er geen bijkomende ronde nodig. Artikel 26 verbiedt de kandidaten handelingen te stellen die de procedure kunnen manipuleren. Artikel 27 verbiedt in het bijzonder afspraken tussen kandidaten of met derden die de procedure zouden kunnen beïnvloeden. Artikel 28 beschrijft de inbreuken die automatisch leiden tot uitsluiting van de procedure. Het gaat om inbreuken die de gelijkheid van de kandidaten in het gedrang brengen. Naar analogie met het tuchtrecht kan worden gesteld dat sancties weliswaar duidelijk moeten bepaald zijn ("nulla poena sine lege"), maar dat zulks niet geldt voor inbreuken die in casu niet op voorhand definieerbaar zijn ("L'absence de codification des manquements ou fautes professionnelles peut s'expliquer par la spécificité d'une matière touchant à la fois à la pratique évolutive..." DU JARDIN, J., "Le contrôle de légalité exercé par la Cour de Cassation sur la justice disciplinaire au sein des ordres professionnels", J.T., 2000, 627-628). Artikelen 31 tot 33 bevatten de mechanismen voor nieuwe prijsstijgingen en de definitie van de aanbiedingen in het kader van de veilingprocedure. De overige artikelen behoeven geen commentaar. Artikel 47 De niet-terugbetaling van de waarborg aan de kandidaten die volkomen non-actief zijn gebleven tijdens de veiling (paragraaf 5) is bedoeld om te vermijden dat partijen zich kandidaat stellen enkel en alleen om het verloop van de gunningsprocedure te verstoren. De overige paragrafen behoeven geen commentaar. Artikel 48 Dit artikel behoeft geen commentaar. Artikel 49 Dit artikel behoeft geen commentaar. Dit zijn, Sire, de voornaamste bepalingen van het besluit dat aan Uwe Majesteit ter goedkeuring wordt voorgelegd. Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Telecommunicatie, P. DE SUTTER _______ Nota's (1) Simultaneous Multiple Round Ascending Auction.(2) Combinatorial Clock Auction. Raad van State afdeling Wetgeving Advies 69.769/4 van 4 oktober 2021 over een ontwerp van koninklijk besluit `betreffende radiotoegang in de frequentieband 700 MHz' Op 1 juli 2021 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vice-eersteminister en Minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven, Telecommunicatie en Post verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `betreffende radiotoegang in de frequentieband 700 MHz'. Het ontwerp is door de vierde kamer onderzocht op 4 oktober 2021. De kamer was samengesteld uit Martine BAGUET, kamervoorzitter, Luc CAMBIER en Bernard BLERO, staatsraden, Marianne DONY, assessor, en Anne-Catherine VAN GEERSDAELE, griffier. Het verslag is uitgebracht door Anne VAGMAN, eerste auditeur-afdelingshoofd. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Martine BAGUET. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 4 oktober 2021. Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten `op de Raad van State', gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten. Wat die drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen. VOORAFGAANDE OPMERKING Het ontwerpbesluit voorgelegd aan de afdeling Wetgeving is uit technisch oogpunt uitermate complex. De regeling die het beoogt te wijzigen of in te voeren moet deugdelijk verantwoord kunnen worden, zowel wat betreft de verschillende behandeling die ze in voorkomend geval meebrengt voor de verschillende actoren op wie ze betrekking heeft of kan hebben, als wat betreft de voorwaarden waaraan het optreden van de Koning verbonden is, zowel in het licht van de artikelen 18 en volgende van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten `betreffende de elektronische communicatie', als in het licht van het ter zake relevante Europese kader. In zoverre de afdeling Wetgeving van de Raad van State geen specifieke kennis heeft van de feitelijke situaties waarop het ontwerpbesluit betrekking heeft, noch specifieke expertise betreffende de wetenschappelijke, technische en economische aspecten waarmee rekening moet worden gehouden, kan noch moet ze alle aspecten en nuances beoordelen van de gegevens aangevoerd in het verslag aan de Koning of, meer in het algemeen, in de overige stukken van het dossier dat haar is bezorgd. Onder dit voorbehoud worden de volgende opmerkingen gemaakt. VOORAFGAANDE VORMVEREISTEN Uit het dossier dat aan de afdeling Wetgeving is overgezonden, blijkt dat de analyse van de impact van het ontwerp, die uitgevoerd is krachtens de artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/12/2013 pub. 31/12/2013 numac 2013021138 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging sluiten `houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging', plaatsgevonden heeft op 2 februari 2018. Zoals de afdeling Wetgeving reeds heeft opgemerkt, vormt de vervulling van een voorafgaand vormvereiste op een datum die het moment van de adiëring van de afdeling Wetgeving lang voorafgaat, op zich geen bezwaar. Dat kan echter wel een probleem opleveren wanneer tussen het tijdstip waarop het vormvereiste is vervuld en dat waarop de afdeling Wetgeving wordt geadieerd, en a fortiori dat waarop de ontworpen tekst wordt vastgesteld, de juridische of feitelijke omstandigheden veranderd zijn of wanneer de kans bestaat dat die juridische of feitelijke omstandigheden in die tussentijd veranderen. Dat is in casu het geval. Enerzijds rijst de vraag of in een sector waarin de technologie uiterst snel evolueert, de opmerkingen die zijn gemaakt ter gelegenheid van een openbare raadpleging die drie jaar voor de adiëring van de afdeling Wetgeving heeft plaatsgevonden, nog altijd gelden, en of de ontworpen tekst geen aanleiding zou geven tot andere opmerkingen dan die welke drie jaar geleden zijn geformuleerd. Anderzijds heeft het wettelijke kader tussen het tijdstip waarop de openbare raadpleging heeft plaatsgevonden en het tijdstip waarop de afdeling Wetgeving is geadieerd, aanzienlijke wijzigingen ondergaan. Zo bijvoorbeeld werd het volledige Europese rechtskader inzake elektronische communicatie, zoals vastgelegd in de richtlijnen, vervangen door richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 `tot vaststelling van het Europees Wetboek voor elektronische communicatie' (hierna "het Wetboek"), waarbij de richtlijnen 2002/19/EG1 2002/20/EG2 2002/21/EG3 en 2002/22/EG4 met ingang van 21 december 2020 werden ingetrokken, en dienden de lidstaten het Wetboek, krachtens de artikelen 124 en 125 ervan, uiterlijk op 21 december 2020 in intern recht om te zetten. Zoals hieronder in algemene opmerking 1 wordt uiteengezet, zijn de wijzigingen van het Europese regelgevingskader echter lang niet zonder gevolgen, inzonderheid wat de rechten voor het gebruik van het radiospectrum betreft. Gelet op die context dient een nieuwe impactanalyse te worden uitgevoerd. ALGEMENE OPMERKINGEN JURIDISCH KADER EN RECHTSGROND 1. Het ontworpen besluit valt binnen een algemener kader tot regeling van de procedures en voorwaarden voor het verlenen van de vergunningen voor het radiospectrum overeenkomstig de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten. In dat verband werden aan de afdeling Wetgeving tegelijkertijd vijf aanvragen om advies over ontwerpen van koninklijk besluit voorgelegd. Het gaat om de volgende ontwerpen: - ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 januari 2001 tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie en het koninklijk besluit van 22 december 2010Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/12/2010 pub. 25/01/2011 numac 2011011016 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende radiotoegang in de frequentieband 2500-2690 MHz sluiten betreffende de radiotoegang in de frequentieband 2500-2690 MHz' (waarover de afdeling Wetgeving vandaag advies 69.766/4 heeft uitgebracht); - ontwerp van koninklijk besluit `betreffende radiotoegang in de 1427-1517 MHz' (waarover de afdeling Wetgeving vandaag advies 69.767/4 heeft uitgebracht); - ontwerp van koninklijk besluit `betreffende radiotoegang in de 3400-3800 MHz-band' (waarover de afdeling Wetgeving vandaag advies 69.768/4 heeft uitgebracht); - ontwerp van koninklijk besluit `betreffende radiotoegang in de frequentieband 700 MHz' (waarover de afdeling Wetgeving vandaag dit advies heeft uitgebracht); - ontwerp van koninklijk besluit `betreffende radiotoegang in de frequentiebanden 900 MHz, 1800 MHz en 2 GHz'(waarover de afdeling Wetgeving vandaag advies 69.770 heeft uitgebracht). Voor al die frequentiebanden geldt dat de toekenning van de gebruiksrechten niet bepaald wordt in het kader van de voorwaarden van een "algemene machtiging", met andere woorden, zoals dat begrip is gedefinieerd in artikel 2, 22), van het Wetboek, een "regelgeving door [de autoriteit] waarbij rechten worden verleend voor het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of -diensten en specifieke sectorgebonden verplichtingen worden vastgesteld die kunnen gelden voor alle of voor specifieke soorten elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (...)", maar volgens een systeem waarin die rechten worden verleend na aanvraag- en veilingprocedures die leiden tot de afgifte van individuele vergunningen aan de operatoren. Alle ontworpen besluiten zouden steunen op de geldende bepalingen van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/07/2016 numac 2016000435 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de elektronische communicatie type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten, meer in het bijzonder en naargelang van het geval op de artikelen 13, 13/1, 18, 20, 29, 30 en 51. Die wet strekt tot omzetting van de richtlijnen 2002/19/EG, 2002/20/EG, 2002/21/EG, 2002/22/EG en 2002/58/EG,5 die tot voor kort het Europese rechtskader voor elektronische communicatie vormden. In dat verband dient meer in het bijzonder rekening te worden gehouden met richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Machtigingsrichtlijn) waarvan artikel 5, lid 1, dat betrekking had op de gebruiksrechten voor radiofrequenties en nummers, als volgt luidde: "Waar mogelijk, in het bijzonder indien het gevaar van schadelijke interferentie te verwaarlozen is, onderwerpen de lidstaten het gebruik van radiofrequenties niet aan het verlenen van individuele gebruiksrechten, maar nemen …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.