Besluit van de Waalse Regering betreffende steun aan de landbouw
Kort samengevat
Dit besluit van de Waalse Regering regelt de steun aan de landbouw in Wallonië, waarbij het zich baseert op diverse Europese en nationale wetgevingen. Het doel is om een kader te scheppen voor de ondersteuning van landbouwactiviteiten en plattelandsontwikkeling.
Wat het regelt
- Gemeenschappelijke voorschriften voor rechtstreekse steunverlening aan landbouwers.
- Steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO).
- Handelsnormen voor pluimveevlees, eieren en de biologische productiemethode.
- Bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen.
Wie het aanbelangt
- Landbouwers die in aanmerking komen voor rechtstreekse steun.
- Kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken en afzetten.
Kernpunten
- Het besluit is gebaseerd op diverse Europese Verordeningen, waaronder die betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid en plattelandsontwikkeling.
- Het omvat bepalingen voor de toepassing van controleprocedures en randvoorwaarden in het kader van steunmaatregelen.
- Er wordt rekening gehouden met staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen in de landbouwsector.
- Het besluit verwijst naar wetgevingen betreffende de bescherming van dieren in de landbouw, zoals kalveren, varkens, legkippen en loopvogels.
Wettekst
24 MEI 2007. - Besluit van de Waalse Regering betreffende steun aan de landbouw De Waalse Regering, Gelet op Verordening (EG) nr. 1538/91 van de Commissie van 5 juni 1991 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1906/90 van de Raad tot vaststelling van handelsnormen voor vlees van pluimvee; Gelet op Verordening (EG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen; Gelet op Verordening (EG) nr. 2295/2003 van de Commissie van 23 september 2003 houdende bepalingen voor de toepassing van Verordening (EEG) nr. 1907/90 van de Raad betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren; Gelet op Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers; Gelet op Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers; Gelet op Verordening (EG) nr.1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO); Gelet op Verordening (EG) nr. 509/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake gegarandeerde traditionele specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen; Gelet op verordening (EEG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen; Gelet op Verordening (EG) nr. 1975/2006 van de Commissie van 7 december 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling; Gelet op Verordening (EG) nr. 1898/2006 van de Commissie van 14 december 2006 houdende vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen; Gelet op Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO); Gelet op Verordening (EG) nr.1857/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken en afzetten en de wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001; Gelet op de communautaire richtsnoeren van 27 december 2006 voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector 2007-2013 (2006/C 319/01); Gelet op de beslissingen van de Commissie van 27 juni 1977 en 29 juli 1983 tot wijziging van de grenzen van de probleemgebieden in de zin van Richtlijn 75/268/EEG van de Raad van 28 april 1975 (België); Gelet op de wet van 15 februari 1961 houdende oprichting van een Landbouwinvesteringsfonds, gewijzigd bij de wetten van 29 juni 1971, 15 maart 1976, 3 augustus 1981 en 15 februari 1990; Gelet op de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw-, en zeevisserijproducten; Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 8 augustus 1988, 5 mei 1993, 16 juli 1993, 13 juli 2003 en 12 augustus 2003; Gelet op het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 29 februari 1988 betreffende de beroepsopleiding van de personen die in de landbouw werkzaam zijn; Gelet op het decreet van de Waalse Gewestraad van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw; Gelet op het programmadecreet van 23 februari 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten9 betreffende de prioritaire acties voor de toekomst van Wallonië; Gelet op het decreet van 15 februari 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 betreffende de identificatie van de meewerkende echtgenoten in de landbouw; Gelet op het koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 juli 1952, 8 maart 1968 en 15 februari 1974; Gelet op het besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap van 27 mei 1993 betreffende de beroepsopleiding en de bijscholing van de personen die in de landbouw werkzaam zijn en op de latere wijzigingen ervan; Gelet op het koninklijk besluit van 23 januari 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 23/01/1998 pub. 03/04/1998 numac 1998016031 bron ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit betreffende de bescherming van kalveren in kalverhouderijen sluiten betreffende de bescherming van kalveren in kalverhouderijen; Gelet op het koninklijk besluit van 1 maart 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 01/03/2000 pub. 06/05/2000 numac 2000016099 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu en ministerie van middenstand en landbouw Koninklijk besluit inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren sluiten betreffende de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 28 februari 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2 ter uitvoering van het decreet van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 3 juni 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 houdende definitieve erkenning van de betalende Waalse instelling voor de door het EOGFL, afdeling Garantie, medegefinancierde uitgaven; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 3 maart 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 betreffende Boek II van het van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt; Gelet op het koninklijk besluit van 4 maart 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 04/03/2005 pub. 13/05/2005 numac 2005022274 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit inzake het welzijn van loopvogels gehouden voor landbouwdoeleinden sluiten betreffende het welzijn van loopvogels gehouden voor landbouwdoeleinden; Gelet op het koninklijk besluit van 15 januari 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 15/01/2003 pub. 02/04/2003 numac 2002013486 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 28 februari 2001, gesloten in het Paritair Subcomité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten, betreffende de vaststelling van de baremieke anciënniteit type koninklijk besluit prom. 15/01/2003 pub. 02/04/2003 numac 2002013485 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 28 februari 2001, gesloten in het Paritair Subcomité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten, betreffende de toeslagen voor onregelmatige prestaties type koninklijk besluit prom. 15/01/2003 pub. 05/03/2003 numac 2003022083 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit betreffende de toekenning van een subsidie aan transfusiecentra voor het jaar 2003 type koninklijk besluit prom. 15/01/2003 pub. 27/03/2003 numac 2002013487 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 september 2001, gesloten in het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw, betreffende het gewaarborgd minimumloon en de euro in de sector van de metaalbouw van Brabant type koninklijk besluit prom. 15/01/2003 pub. 02/04/2003 numac 2002013484 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 januari 2002, gesloten in het Paritair Comité voor de schoonmaak- en ontsmettingsondernemingen, betreffende de verlenging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 20 mei 1997 betreffende het sectoraal halftijds brugpensioen vanaf de leeftijd van 55 jaar met het oog op de bevordering van de tewerkstelling, in uitvoering van het protocol van collectieve arbeidsovereenkomst van 29 april 1997 betreffende de creatie van een tewerkstellingsakkoord in uitvoering van hoofdstuk IV van titel III van de wet van 26 juli 1996 type koninklijk besluit prom. 15/01/2003 pub. 11/02/2003 numac 2003022105 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen sluiten betreffende de bescherming van varkens in varkenshouderijen; Gelet op het gewijzigde besluit van de Waalse Regering van 9 september 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten4 betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten, op de besluiten van de Waalse Regering van 26 januari 2006, 21 december 2006 en 1 maart 2007; Gelet op het koninklijk besluit van 17 oktober 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 17/10/2005 pub. 20/10/2005 numac 2005022877 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Koninklijk besluit tot vaststelling van de minimumnormen voor de bescherming van legkippen sluiten tot vaststelling van de minimumnormen voor de bescherming van legkippen; Gelet op het koninklijk besluit van 22 december 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/12/2005 pub. 30/12/2005 numac 2005023112 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit betreffende levensmiddelenhygiëne sluiten betreffende levensmiddelenhygiëne; Gelet op het koninklijk besluit van 22 december 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/12/2005 pub. 30/12/2005 numac 2005023112 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Koninklijk besluit betreffende levensmiddelenhygiëne sluiten betreffende levensmiddelenhygiëne van dierlijke oorsprong; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten6 tot invoering van de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 22 juni 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten7 tot vastlegging van de richtsnoeren voor de randvoorwaarden bedoeld in artikel 27 van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten6 tot invoering van de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; Gelet op het ministerieel besluit van 7 juli 2006Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 07/07/2006 pub. 13/10/2006 numac 2006203315 bron ministerie van het waalse gewest Ministerieel besluit houdende toepassing van de randvoorwaarden voorzien bij artikel 27 van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2006 tot invoering van de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en betreffende de criteria en bedragen van boetes in geval van bepaalde onregelmatigheden vastgesteld op het gebied van voornoemde regelingen sluiten houdende toepassing van de randvoorwaarden voorzien bij artikel 27 van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten6 tot invoering van de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en betreffende de criteria en bedragen van boetes in geval van bepaalde onregelmatigheden vastgesteld op het gebied van voornoemde regelingen; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 9 september 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten4 betreffende de toepassing van de heffing in de sector melk en zuivelproducten, gewijzigd bij de besluiten van de Waalse Regering van 26 januari 2006, 21 december 2006 en 1 maart 2007; 2007; Gelet op de samenwerkingsovereenkomst van 18 juni 2003 tussen de federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitoefening van de geregionaliseerde bevoegdheden op het vlak van landbouw en visserij; Gelet op het samenwerkingsakkoord van 30 maart 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8 tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitoefening van de geregionaliseerde bevoegdheden op het vlak van landbouw en visserij; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 21 maart 2007; Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 24 juli 2007; Gelet op het overleg tussen de gewestregeringen en de federale overheid d.d. 10 mei 2007; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1980, 16 juni 1989 en 4 juli 1989; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 25 april 2007, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Gelet op Richtlijn 75/268/EEG van de Raad van 28 april 1975 betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden; Gelet op Richtlijn 75/269/EEG van de Raad van 28 april 1975 betreffende de communautaire lijst van agrarische probleemgebieden in de zin van Richtlijn 75/268/EEG (België); Gelet op Richtlijn 80/666/EEG van de Raad van 24 juni 1980 tot wijziging van Richtlijn 75/268/EEG betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden; Overwegende dat de huidige steunregeling voor investeringen en installatie in de landbouw en de compenserende vergoedingen in de probleemgebieden moet worden aangepast, rekening houdend met de structurele wijzigingen van de bedrijven en hun lasten; Overwegende dat maatregelen moeten worden genomen om de Waalse beleidskeuzes uit te voeren om in te spelen op de landbouwevolutie; Op de voordracht van de Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, Besluit : TITEL I. - Algemeen HOOFDSTUK I. - Algemene begripsomschrijvingen Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° landbouwactiviteit : land- of tuinbouwproducten produceren, fokken of telen tot en met het oogsten, het melken, het fokken en het houden van dieren voor landbouwdoeleinden of de grond in goede landbouw- en milieuconditie houden.Evenals de verwerking en/of de verhandeling van de daaruit voortspruitende producten die onder bijlage I bij het Verdrag vallen; 2° bestuur : de Afdeling Steun aan de Landbouw van het Directoraat-generaal Landbouw van het Ministerie van het Waalse Gewest;3° landbouwer : de natuurlijke of rechtspersoon of de groepering van natuurlijke of van rechtspersonen of van beide die een landbouwactiviteit al dan niet als hoofdberoep uitoefent in een bedrijf dat hij zelfstandig, voor eigen baat en voor eigen rekening beheert.Een landbouwer wordt geïdentificeerd aan de hand van zijn "producentnummer"; 4° landbouwvereniging : vereniging die gericht is op de bevordering van informatie en vulgarisatie ten einde in haar omgeving te zorgen voor de technische, economische en sociale vooruitgang van de landbouwbedrijven en voor het welzijn van de landelijke bevolking;5° activiteit als bijberoep : beroepsactiviteit van een rechtspersoon of, in voorkomend geval, van een afgevaardigd-bestuurder of beheerder of vennoot-beheerder van een rechtspersoon, die van zijn landbouw-, toeristische, pedagogische, ambachtelijke activiteiten, uitgeoefend op het betrokken bedrijf, of nog van zijn bosbouwactiviteiten of activiteiten inzake onderhoud van de natuurlijke omgeving met het voordeel van overheidssteun, een jaarlijks totaal belastbaar netto-inkomen vergaart dat hoger is dan 35 % van het belastbare nettobedrag van zijn jaarlijkse globale inkomen uit de beroepsactiviteit als geheel zoals bedoeld in punt 28°, evenwel zonder dat die persoon uit zijn landbouwactiviteit uitgeoefend op het landbouwbedrijf een totaal jaarlijks belastbaar netto-inkomen haalt dat lager is dan 25 % van zijn globaal jaarinkomen uit het geheel van zijn beroepsactiviteiten.Daarnaast moet hij minder dan 65 % van één volwaardige arbeidskracht (1 800 gewerkte uren per jaar) spenderen aan een beroepsactiviteit buiten zijn bedrijf; 6° activiteit als hoofdberoep : beroepsactiviteit van een rechtspersoon of, in voorkomend geval, van een afgevaardigd-bestuurder of beheerder of vennoot-beheerder van een rechtspersoon, die van zijn landbouw-, toeristische, pedagogische, ambachtelijke activiteiten, uitgeoefend op het betrokken bedrijf, of nog van zijn bosbouwactiviteiten of activiteiten inzake onderhoud van de natuurlijke omgeving met het voordeel van overheidssteun, een jaarlijks totaal belastbaar netto-inkomen vergaart dat hoger is dan 50 % van het belastbare nettobedrag van zijn globale jaarinkomen uit de beroepsactiviteit als geheel zoals bedoeld in punt 28°, evenwel zonder dat die persoon uit zijn landbouwactiviteit uitgeoefend op het landbouwbedrijf een totaal jaarlijks belastbaar netto-inkomen haalt dat lager is dan 35 % van zijn globaal jaarinkomen uit het geheel van zijn beroepsactiviteiten.Daarnaast moet hij minder dan 50 % van één volwaardige arbeidskracht (1 800 gewerkte uren per jaar) spenderen aan een beroepsactiviteit buiten zijn bedrijf; 7° vereniging van melkproducenten : vereniging van twee tot hoogstens vijf producenten zoals omschreven in artikel 5 van Verordening (EG) 1788/2003 en in artikel 1, 6°, a, van het besluit van de Waalse Regering van 9 september 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten4 betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten, opgericht bij authentieke akte voor een onbepaalde duur die niet minder mag bedragen dan drie periodes, met het oog op leveringen en/of rechtstreekse verkopen met de referentiehoeveelheden van de vennoten die er houder van blijven zoals bepaald in artikel 1, 6, c, van voornoemd besluit van de Waalse Regering van 9 september 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten4.Het doel van de vereniging van melkproducenten is uitsluitend het zelfstandig beheer van de melkproductiemiddelen van de vennoten en zowel de productie als de verhandeling van de referentiehoeveelheden vanaf één enkele melkproductie-eenheid van één der vennoten; 8° adviseur : persoon bij wie de landbouwer terecht kan, die in het bezit is van de vaardigheden en de minimumervaring bepaald in bijlage VI en die het landbouwbedrijfshoofd kiest uit de structuren erkend door het bestuur volgens de criteria bepaald in bijlage VI, om hem van advies te voorzien bij verwezenlijking van zijn ontwikkelings- of investeringsplan en/of de uitvoering en evaluatie ervan;9° oppervlakteaangifte en steunaanvraag (afgekort oppervlakteaangifte) : het door het bestuur opgemaakte formulier, dat het volgende omvat : de steunaanvragen in het kader van de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening en van sommige maatregelen voor plattelandsontwikkeling, de beheers- en controlegegevens betreffende die regelingen en maatregelen en andere communautaire of nationale regelingen alsook de elementen vereist voor de identificatie van alle landbouwpercelen van het bedrijf, hun oppervlakte, plaatsbepaling en gebruik (gewas en bestemming); 10° praktische ervaring : de beroepservaring in de landbouw als landbouwbedrijfshoofd, helper of landbouwarbeider, aangetoond aan de hand van de aansluitingsperidoes in die hoedanigheid bij een maatschappelijke verzekeringskas of aan de hand van elk ander document op grond waarvan het statuut van de aanvrager t.o.v. van deze regelgeving kan worden vastgelegd; 11° bedrijf : het geheel van de productie-eenheden gelegen op het nationaal grondgebied en zelfstandig beheerd door eenzelfde landbouwer ongeacht de speculaties.Enkel de in het Waalse Gewest gelegen productie-eenheden kunnen in aanmerking komen voor de steun bepaald in dit besluit; 12° landbouwbedrijfshoofd : de natuurlijke persoon of, voor een rechtspersoon, elke afgevaardigd bestuurder, beheerder of vennoot-beheerder van de rechtspersoon die zich in een bedrijf aan de landbouwactiviteit wijdt en die die activiteit al dan niet als hoofdberoep uitoefent.Het landbouwbedrijfshoofd moet zijn briefwisselingsadres in het Waalse Gewest hebben en zijn productie-eenheid of -eenheden dient of dienen in het Waalse Gewest gelegen te zijn; 13° landbouwbedrijfshoofd-rechtspersoon : de rechtspersoon waarvan de statuten als hoofddoel opgeven : de landbouwactiviteit en de verhandeling van producten die hoofdzakelijk van dat bedrijf afkomstig zijn.Die rechtspersoon dient daarnaast aan volgende voorwaarden te voldoen :
- a)indien het gaat om een landbouwvennootschap bedoeld bij de wet van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/05/1999 pub. 15/05/1999 numac 1999000386 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot wijziging van artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van artikel 57ter van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van de artikelen 2, § 5, 5, § 2 en 11bis van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door openbare centra voor maatschappelijk welzijn type wet prom. 07/05/1999 pub. 29/06/1999 numac 1999009706 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van sommige bepalingen van het Strafwetboek, van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964 type wet prom. 07/05/1999 pub. 20/05/1999 numac 1999021236 bron diensten van de eerste minister Bijzondere wet tot wijziging van artikel 32 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, betreffende de voorkoming en de regeling van belangenconflicten type wet prom. 07/05/1999 pub. 30/09/1999 numac 1999003362 bron ministerie van financien Wet houdende aanpassing van de Rijksmiddelenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom. 07/05/1999 pub. 19/06/1999 numac 1999012448 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek naar aanleiding van de wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid sluiten houdende het Wetboek van vennootschappen, Boek I, titel I, artikel 2, § 3, moeten de venno(o)t(en)-beheerder(
- s)een beroepsactiviteit als hoofdberoep uitoefenen die betrekking heeft op het betrokken bedrijf, overeenkomstig punt 6°;
- b)indien het gaat om één van de andere vennootschapsvormen bedoeld bij de wet van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/05/1999 pub. 15/05/1999 numac 1999000386 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot wijziging van artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van artikel 57ter van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van de artikelen 2, § 5, 5, § 2 en 11bis van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door openbare centra voor maatschappelijk welzijn type wet prom. 07/05/1999 pub. 29/06/1999 numac 1999009706 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van sommige bepalingen van het Strafwetboek, van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964 type wet prom. 07/05/1999 pub. 20/05/1999 numac 1999021236 bron diensten van de eerste minister Bijzondere wet tot wijziging van artikel 32 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, betreffende de voorkoming en de regeling van belangenconflicten type wet prom. 07/05/1999 pub. 30/09/1999 numac 1999003362 bron ministerie van financien Wet houdende aanpassing van de Rijksmiddelenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom. 07/05/1999 pub. 19/06/1999 numac 1999012448 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek naar aanleiding van de wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid sluiten houdende het Wetboek van vennootschappen, Boek I, titel I, artikel 2, § 2 : - wordt de vennootschap opgericht voor een minimum duur van twintig jaar; - zijn de aandelen of deelbewijzen op naam; - behoren de aandelen of deelbewijzen voor minstens 51 % aan de bestuurders of beheerders toe; - worden de afgevaardigd-bestuurders of beheerders aangewezen onder de vennoten; - zijn alle afgevaardigd bestuurders of beheerders van de vennootschap of, bij afwezigheid, alle bestuurders, natuurlijke personen die het betrokken bedrijf beheren en er een activiteit als hoofdberoep uitoefenen overeenkomstig punt 6°; - vloeit minstens de helft van de omzet van de rechtspersoon voort uit diens landbouwactiviteit; 14° bedrijf in een probleemgebied : bedrijf waarvan minstens 40 % van de gebruikte landbouwoppervlakte in een probleemgebied gelegen is;15° ELFPO : Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling;16° productieketen met gedifferentieerde kwaliteit : operator of groep operatoren in de productie, de verwerking en de verdeling die een productdossier naleven dat leidt tot een product met gedifferentieerde kwaliteit; 17°overheidsgarantie : geweststeun in de vorm van een garantie van het Waalse Gewest die gekoppeld kan worden aan de terugbetaling in kapitaal, interesten en accessoria voor leningen die toegekend worden aan de onder de punten 7°, 12°, 13°, 19°, 20°, 29° en 30° bedoelde natuurlijke en rechtspersonen, met het oog op de onder punt 19° bedoelde verrichtingen, op voorwaarde dat ze toegekend worden door een daartoe erkende openbare of privékredietinstelling. De overheidsgarantie vult de door de kredietaanvrager gestelde zekerheden aan en mag niet meer dan 75° % van het nog verschuldigde saldo van het toegestane krediet dekken. De betaling van de rentesubsidie wordt opgeschort zodra een beroep wordt gedaan op de garantie; 18° zelfstandig beheer : het beheer van een bedrijf waarbij elke verwarring met één of meerdere andere landbouwers op het gebied van het beheer, de uitoefening van de landbouwactiviteit, de productiemiddelen of hun gebruik uitgesloten wordt;19° voedergroepering : feitelijke vereniging waarvan de overeenkomst voorziet in de hoofdelijke aansprakelijkheid van de leden. De groepering moet voornamelijk voederproductie als doel hebben, alsook de ordening en de uitrusting van gezamenlijk uitgebate weilanden, en moeten bovendien voldoen aan de volgende voorwaarden :
- a)bestaan uit minstens drie leden-landbouwers die elk minstens 40 % van de in probleemgebieden gebruikte oppervlakte in bedrijf hebben.De gebruikte oppervlakte van de groepering moet minstens 3 ha per lid bedragen;
- b)een activiteitsduur van minstens zes jaar waarborgen;
- c)de leden moeten de materiaalaankoop medefinancieren naar evenredigheid van de voedergewasoppervlakte die deel uitmaakt van hun bedrijf en met het verworven materiaal verwerkt moet worden;
- d)een beheersboekhouding voeren;20° groepering van melkproducenten : de groepering van twee melkproducenten die op zelfstandige wijze voor eigen baat en rekening één enkel bedrijf beheert die uitsluitend voortvloeit uit het samenbrengen van beide bedrijven van de leden ervan, namelijk het geheel van de productie-eenheden die elk van de leden van de groepering voorafgaandelijk aan de oprichting van bedoelde groepering van melkproducenten beheerden.die groepering verkoopt rechtstreeks melk of andere zuivelproducten of levert melk aan een koper en voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 1°, 6.b., van het besluit van de Waalse Regering van 9 september 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten4 betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten; 21° investering : verrichtingen die gericht zijn op de aankoop, bouw, vestiging, vergroting, vernieuwing of verbetering, ten gunste van de natuurlijke of rechtspersonen die de hieronder omschreven steun genieten, van duurzame goederen zoals grond, gebouwen, uitrustingen, installaties, machines, gereedschap, materiaal en aanplantingen in de tuinbouwteelt;22° vervangingsinvestering : een investering die eenvoudigweg een machine of een bestaand gebouw, of onderdelen ervan, vervangt door een nieuwe machine of een nieuw gebouw, zonder de productiecapacititeit te verhogen met minstens 25 % of zonder de aard van de productie of de aangewende technologie fundamenteel te veranderen.De volledige afbraak van een minstens dertig jaar oud landbouwgebouw en de vervanging ervan door een modern gebouw of nog de ingrijpende renovatie van een bedrijfsgebouw worden niet beschouwd als vervangingsinvesteringen. De renovatie wordt als ingrijpend beschouwd indien de kostprijs minstens 50 % van de waarde van het nieuwe gebouw vertegenwoordigt; 23° Minister : de Minister bevoegd voor Landbouw;24° ontwikkelingsplan : plan dat voorgesteld wordt wanneer iemand zich voor het eerst als landbouwbedrijfshoofd in hoofdberoep vestigt en dat betrekking heeft op de oprichting en/of de gehele dan wel gedeeltelijke overname van een bedrijf, en eventueel een investeringsplan dat de bedrijfsoprichting dan wel -overname aanvult. In dat plan dient met name een beginsituatie van het bedrijf te worden besproken, evenals ijkpunten en specifieke doelstellingen die bepaald worden met het oog op de verwezenlijking van zijn activiteiten. Er wordt eveneens een omstandige omschrijving opgenomen van de investeringen, de opleidingen, de advisering of elke andere noodzakelijke actie voor de totstandkoming van de activiteiten van het bedrijf. De minimumstructuur en -inhoud ervan worden nader bepaald in bijlage IV; 25° investeringsplan : document dat vertrekkend vanuit de kenmerken van het bedrijf doelstellingen vastlegt en de lijst opmaakt van de investeringen die doorgevoerd moeten worden over een periode van drie jaar om die doelstellingen te bereiken en de uitbating duurzamer te maken.De minimumstructuur en -inhoud ervan worden nader bepaald in bijlage I; 26° product van gedifferentieerde kwaliteit : product dat zich van standaardproducten onderscheid doordat de productiewijze gedifferentieerd is (o.a. verbetering van de traceerbaarheid van het product, verbetering van het dierenwelzijn, verbetering van het leefmilieu, gegarandeerde traditionele specificiteit o.a.) en/of doordat het eindproduct een kwalitatieve meerwaarde oplevert (meer bepaald de verbetering van de smaakkwaliteit) en/of doordat er een erkende geografisch identificatie aanwezig is (beschermde oorsprongbenaming, beschermde geografische aanduiding). Aan die definitie voldoen : - de geregistreerde producten in de zin van Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen; - de geregistreerde producten in de zin van Verordening (EG) nr. 509/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de specificiteitscertificering voor landbouwproducten en levensmiddelen; - de producten uit de biolandbouw in de zin van Verordening (EG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen; - de producten die voldoen aan de minimumvereisten voor de "eieren van hennen met vrije uitloop" of de "scharreleieren" in de zin van Verordening (EG) nr. 2295/2003 van de Commissie van 23 december 2003 houdende bepalingen voor de toepassing van Verordening (EEG) nr. 1907/90 van de Raad betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren; - de producten die voldoen aan de minimumvereisten voor de houderijsystemen "scharrel... - binnengehouden", "scharrel met uitloop", "boerenscharrel/hoeve met uitloop" of "boerenscharrel/hoeve met vrije uitloop" in de zin van Verordening (EEG) nr. 1538/91 van de Commissie van 5 juni 1991 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1906/90 van de Raad tot vaststelling van handelsnormen voor vlees van pluimvee; - de andere producten, verkregen overeenkomstig een productdossier dat voldoet aan de minimumvereisten bepaald door de Waalse Regering; 27° probleemgebieden : de probleemgebieden zijn :
- a)de volgende landbouwgebieden, in hun geheel beschouwd : de Hoge Ardennen, de Famenne, de Venen, de Ardennen, de Jurassische regio;
- b)het gedeelte van het Luikse weidegebied dat bestaat uit : - - de fusiegemeenten Aywaille, Ferrières, Jalhay, Lierneux, Spa, Sprimont, Stavelot, Stoumont, Theux, Trois-Ponts, Vielsalm; - de volgende grondgebieden : * het grondgebied van de gemeente Verviers dat vóór 1 januari 1977 de gemeenten Polleur en Theux toebehoorde; * het grondgebied van de gemeente Esneux dat vóór 1 januari 1977 de gemeente Dolembreux toebehoorde; * het grondgebied dat ten zuiden van de Vesder en van de gemeenten Baelen, Eupen en Raeren gelegen is; * voor de gemeente Comblain-au-Pont, het gedeelte van de gemeente dat tussen de Ourthe en de Amel gelegen is en het landbouwgebied van het gewestplan dat de deelgemeente Poulseur toebehoort; * voor de gemeente Esneux, de landbouwgebieden van het gewestplan Luik op de rechteroever van de Ourthe, die de deelgemeenten Esneux en Tilff toebehoren; * voor de gemeente Chaudfontaine, de landbouwgebieden van het gewestplan Luik die de deelgemeenten Beaufays en Chaudfontaine toebehoren; * voor de gemeente Trooz, de landbouwgebieden van het ontwerp van het gewestrplan Luik die de deelgemeenten Trooz, Forêt, Nessonvaux en Fraipont toebehoren; * voor de gemeente Olne, het landbouwgebied van het ontwerp van het gewestplan Luik bezuiden een lijn die van het westen naar het oosten gevormd wordt door de beek Saint-Hadelin, vervolgens de weg naar Olne via de "six chemins", en vanaf Olne de weg naar het punt waar de gemeenten Xhendelesse en Soiron elkaar raken; * voor de gemeente Pepinster, de landbouwgebieden van het gewestplan Verviers die de deelgemeenten Soiron, Wegnez en Pepinster toebehoren; * voor de gemeente Verviers, de landbouwgebieden van het gewestplan Verviers die de deelgemeenten Lambermont, Ensival, Heusy, Stembert en Petit-Rechain toebehoren; * voor de gemeente Dison, de landbouwgebieden van het gewestplan Verviers die de deelgemeenten Dison en Andrimont toebehoren; * voor de gemeente Limbourg, de landbouwgebieden van het gewestplan Verviers die de deelgemeenten Limbourg, Goé en Bilstain bezuiden de weg naar Villers toebehoren; * voor de gemeente Baelen, de landbouwgebieden van het gewestplan Verviers bevattende het gedeelte van de deelgemeenten Baelen en Membach bezuiden de weg Eupen-Limbourg en benoorden daarvan, het landbouwgebied dat afgebakend is door de weg die de wijk "Au Calvaire" met Baelen (Houtem, Les Forges en Medal) verbindt; 28° globaal jaarinkomen uit de beroepsactiviteit : het brutobelastbaar inkomen uit het geheel van de beroepsactiviteiten en de vervangingsinkomens van een landbouwbedrijfshoofd.Dat inkomen omvat meer bepaald : - de inkomsten uit activiteiten als werknemer in loonverband (arbeidsovereenkomst); - de inkomsten uit een activiteit uit een andere pensioenregeling opgericht krachtens een wet, een provinciereglement of door de nationale maatschappij der Belgische spoorwegen; - de inkomsten uit prestaties in het dag- of avondonderwijs; - de inkomsten als zelfstandige uit : * de netto-winsten van landbouw-, industrie- of handelsondernemingen; voor een landbouwbedrijfshoofd stemt de "totale netto-winst" overeen met rubriek C van het berekeningsblad landbouwer als bijlage bij de aangifte personenbelasting of bij de belasting der niet-inwoners; * bezoldigingen van bestuurders van in België gelegen kapitaal- en personenvennootschappen; * inkomsten als actieve vennoot van in België gelegen personenvennootschappen; - de inkomsten als zelfstandig helper; - de pensioeninkomsten; - de vervangingsinkomsten zoals de sociale uitkeringen (werkloosheid of Z.I.V.-vergoedingen, de vergoedingen wegens een arbeidsongeval, wegens een ongeval van of naar het werk of wegens een beroepsziekte, de inkomsten wegens arbeidsonderbreking); 29° coöperatieve verwerkings- en afzetvennootschap : de coöperatieve vennootschap die opgericht is overeenkomstig de wet van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/05/1999 pub. 15/05/1999 numac 1999000386 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot wijziging van artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van artikel 57ter van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van de artikelen 2, § 5, 5, § 2 en 11bis van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door openbare centra voor maatschappelijk welzijn type wet prom. 07/05/1999 pub. 29/06/1999 numac 1999009706 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van sommige bepalingen van het Strafwetboek, van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964 type wet prom. 07/05/1999 pub. 20/05/1999 numac 1999021236 bron diensten van de eerste minister Bijzondere wet tot wijziging van artikel 32 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, betreffende de voorkoming en de regeling van belangenconflicten type wet prom. 07/05/1999 pub. 30/09/1999 numac 1999003362 bron ministerie van financien Wet houdende aanpassing van de Rijksmiddelenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom. 07/05/1999 pub. 19/06/1999 numac 1999012448 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek naar aanleiding van de wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid sluiten houdende het Wetboek van vennootschappen, boek I, titel I, artikel 2, § 2, vierde streepje en die aan de volgende vereisten voldoet :
- a)haar doel moet voornamelijk gericht zijn op landbouw, tuinbouw of veeteelt en op de verbetering en rationalisatie van de behandeling, de verwerking of de afzet van landbouwproducten;
- b)de meerderheid der vennoten, met een minimum van drie, moeten landbouwers zijn;
- c)de statuten moeten bepalen dat elke vennoot op de algemene vergaderingen over minstens één stem beschikt en dat het aantal stemmen waarover een vennoot beschikt, beperkt wordt tot hoogstens één vijfde van de stemmen die aan de vertegenwoordigde deelbewijzen gekoppeld zijn;
- d)het jaarlijkse dividend mag niet hoger zijn dan het percentage dat door de Nationale raad voor de coöperatie vastgesteld is;30° coöperatieve vereniging voor het gebruik van landbouwmateriaal (CVGL) : de coöperatieve vereniging die opgericht is overeenkomstig de wet van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/05/1999 pub. 15/05/1999 numac 1999000386 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot wijziging van artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van artikel 57ter van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van de artikelen 2, § 5, 5, § 2 en 11bis van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door openbare centra voor maatschappelijk welzijn type wet prom. 07/05/1999 pub. 29/06/1999 numac 1999009706 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van sommige bepalingen van het Strafwetboek, van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964 type wet prom. 07/05/1999 pub. 20/05/1999 numac 1999021236 bron diensten van de eerste minister Bijzondere wet tot wijziging van artikel 32 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, betreffende de voorkoming en de regeling van belangenconflicten type wet prom. 07/05/1999 pub. 30/09/1999 numac 1999003362 bron ministerie van financien Wet houdende aanpassing van de Rijksmiddelenbegroting van het begrotingsjaar 1999 type wet prom. 07/05/1999 pub. 19/06/1999 numac 1999012448 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek naar aanleiding van de wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid sluiten houdende het Wetboek van vennootschappen, boek I, titel I, artikel 2, § 2, vierde streepje, en waarvan het maatschappelijk doel binnen het bedrijf van haar leden, hoofdzakelijk gericht moet zijn op het gemeenschappelijk gebruik van landbouwmateriaal dat noodzakelijk is voor landbouwactiviteit van haar leden.De meerderheid der leden van de CVGL, met een minimum van drie, moeten landbouwers zijn. De CVGL moet daarnaast voldoen aan de voorwaarden c en d, vernoemd in bovenstaand punt 29°; 31° voederoppervlakte : landbouwgrond, aangegeven in de oppervlakteaangifte onder de hoofdbestemmingscode "P" of "I", voor zover de teeltcode, bepaald in de toelichtingsnota 2, 3, 4, 5, 6, 7 als begincijfer heeft of overeenstemt met één van de volgende codes : 82, 83, 84, 85, 851, 852 of 86, en voor zover er geen energiegewassen, noten, pitvruchten, zetmeelaardappelen of zaad geteelt worden;32° referentiepercentage : percentage dat om de drie maanden door het bestuur bekend wordt gemaakt als berekeningsgrondslag voor de toekenning van de tegemoetkoming in de vorm van een rentetoelage voor de leningen die aangegaan worden door een steungerechtigde die in aanmerking komt voor steun in de vorm van een rentetoelage.Dat cijfer wordt berekend door 1 % toe te voegen aan de gemiddelde waarde van de OLO-rentevoet op tien jaar in de drie maanden voor de bekendmakingsdatum; 33° grootvee-eenheid (GVE) : het aantal grootvee-eenheden wordt berekend door het aantal runderen, paarden, varkens, pluimvee, ooien of geiten te vermenigvuldigen met de volgende coëfficiënten : - stieren, koeien en andere runderen van meer dan twee jaar, - paarden ouder dan zes maanden 1,0 GVE - runderen tussen de zes maanden en twee jaar 0,6 GVE - runderen van minder dan zes maanden 0,4 GVE - schapen- en geiten 0,15 GVE - fokvaarzen van meer dan 50 kg 0,5 GVE - andere varkensachtigen 0,3 GVE - legkippen 0,014 GVE - ander pluimvee 0,003 GVE 34° productie-eenheid : het geheel van de functioneel samenhangende productiemiddelen die uitsluitend door de landbouwer zelf worden gebruikt, met inbegrip van de gebouwen, de opslaginfrastructuren, de gekweekte dieren en de voedervoorraden die nodig zijn om één of meerdere landbouwspeculaties uit te voeren;35° volwaardige arbeidskracht (VAK) : 1 800 arbeidsuren die jaarlijks gepresteerd worden;36° landelijke vrije zone : de zone die deel uitmaakt van die welke vastgesteld zijn overeenkomstig artikel 38 van het programmadecreet van 23 februari 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten9 betreffende de prioritaire acties voor de toekomst van Wallonië. HOOFDSTUK II. - Beroepskwalificatie en vakbekwaamheid Art. 2.Om voor investeringssteun in aanmerking te komen, getuigt het landbouwbedrijfshoofd van voldoende beroepskwalificatie als hij aan één van de volgende voorwaarden voldoet : beschikken over minstens één van de volgende diploma's hoger onderwijs : - hoger onderwijs, van het korte of lange type bij een landbouw-, tuinbouw- of een onder sector 1 vallende afdeling; - master bio-ingenieur of landbouwkundig ingenieur of van ingenieur voor de scheikunde en de landbouwindustrieën; ingenieur voor de scheikunde en de bionijverheden of van doctor in de diergeneeskunde; - houder zijn van een diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs, afdeling land- en tuinbouw; of twee jaar praktijkervaring aantonen na het diploma of het door een Staatsjury gehomologeerd of uitgereikt getuigschrift van het hoger secundair onderwijs en het kwalificatiegetuigschrift van het 6e jaar van het secundair onderwijs bij een landbouw-, tuinbouw- of onder sector 1 vallende afdeling; of vier jaar praktische ervaring aantonen na het halen van minstens één der diploma's of gehomologeerd getuigschrift van volgende onderwijsrichting : - hoger secundair; - hoger van het korte of het lange type; - universitair ander dan bovenvermelde diploma's of bekwaamheidsgetuigschriften die uitgereikt zijn na minstens 4 jaar secundair onderwijs bij een landbouw-, tuinbouw- of aanverwante afdeling; of getuigen van minstens zes jaar praktijkervaring, en houder zijn van een getuigschrift van postschoolse landbouwopleiding; of getuigen van minstens acht jaar praktijkervaring. Onverminderd de naleving van de verplichting tot praktijkervaring bepaald bij dit besluit, worden de gelijkwaardige diploma's of getuigschriften, erkend door een andere staat, lidstaat van de Europese Unie, aanvaard voor de toegang tot de eerste vestiging. Art. 3.De voldoende beroepskwalificatie van een landbouwbedrijfshoofd bij de eerste vestiging is aangetoond indien hij voldoet aan één van de hieronder vermelde voorwaarden : - in het bezit zijn van het diploma van het hoger landbouwonderwijs van het korte of lange type, het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs, land- of tuinbouwafdeling, of master bio-ingenieur of landbouwkundig ingenieur of van ingenieur voor de scheikunde en de landbouwindustrieën of ingenieur voor de scheikunde en de bionijverheden of van doctor in de diergeneeskunde, of een aan die diploma's of getuigschriften gelijkwaardige titel; - in het bezit zijn van het diploma of het door een Staatsjury gehomologeerd of uitgereikt getuigschrift van het hoger secundair onderwijs, en van het kwalificatiegetuigschrift van het 6de jaar van het secundair onderwijs bij een landbouw-, tuinbouw- of aanverwante afdeling; - een praktijkervaring hebben van minstens twee jaar en een postschoolse landbouwopleiding van het type B of in het bezit zijn van het door de Duitstalige Gemeenschap uitgereikte opleidingsgetuigschrift voor landbouwers met : - ofwel een diploma van het hoger onderwijs van het korte of het lange type; - ofwel van een diploma van het universitair onderwijs, ander dan bovenbedoeld; - ofwel titels die gelijkstaan met één van de bovenvermelde diploma's of getuigschriften; - een praktijkervaring hebben van minstens drie jaar en een postschoolse landbouwopleiding van het type B of in het bezit zijn van het door de Duitstalige Gemeenschap uitgereikte opleidingsgetuigschrift voor landbouwers met : - ofwel een ander diploma of een ander door een Staatsjury gehomologeerd of uitgereikt getuigschrift van het hoger secundair onderwijs dan de bovenvermelde diploma's of getuigschriften; - ofwel een bekwaamheidsgetuigschrift dat uitgereikt wordt na minstens 4 jaar secundair onderwijs bij een landbouw-, tuinbouw- of aanverwante afdeling; ofwel een titel, gelijkwaardig aan één van bovenbedoelde diploma's of getuigschriften; - minstens vier jaar praktijkervaring hebben met : - ofwel een getuigschrift van postschoolse landbouwopleiding van het type B; - ofwel een getuigschrift van een beroepsopleidingsrichting na een programma van minstens 150 uur; - - het door de Duitse Gemeenschap uitgereikte getuigschrift voor landbouwersopleiding. Daarnaast dienen alle landbouwbedrijfshoofden bij de eerste vestiging binnen de twaalf maanden voor de eerste vestiging of binnen de zes maanden erna een bijscholing gevolgd te hebben van minstens 30 en hoogstens 40 uur in de kennis van de communautaire, de federale en de gewestelijke landbouwregelgeving. Onverminderd de naleving van de verplichting tot praktijkervaring bepaald bij dit besluit, worden de gelijkwaardige diploma's of getuigschriften, erkend door een andere staat, lidstaat van de Europese Unie, aanvaard voor de toegang tot de eerste vestiging. Art. 4.Om in aanmerking te komen voor één van de steunregelingen die bedoeld worden in de hoofdstukken III en IV van dit besluit, moet het landbouwbedrijfshoofd een bedrijfseconomische boekhouding voeren onder toezicht van een door het bestuur erkende natuurlijke of rechtspersoon. Deze boekhouding omvat : - de opstelling van een jaarlijkse begin- en eindinventaris; - de systematische en regelmatige registratie van de verschillende goederen- en geldstromen betreffende het bedrijf in de loop van het boekjaar. Ze leidt tot de jaarlijkse opstelling van : - een omschrijving van de algemene bedrijfskenmerken, met name van de gebruikte productiefactoren; - een omstandige balans (activa en passiva) en een omstandige bedrijfsrekening (kosten en opbrengsten); - de nodige gegevens ter beoordeling van de doeltreffendheid van de bedrijfsvoering in haar geheel, alsmede ter beoordeling van de rendabiliteit van de belangrijkste bedrijfsonderdelen. De Minister bepaalt de voorstellingsvorm van die documenten. TITEL II. - Investeringssteun en vestigingssteun in de landbouwsector HOOFDSTUK III. - Investeringssteun in landbouwbedrijven : het investeringsplan Art. 5.§ 1. Voor investeringssteun in de landbouwbedrijven (ook "steun" genoemd) kan in aanmerking komen, het landbouwbedrijfshoofd, al dan niet in hoofdberoep, dat : - voldoet aan de omschrijving van artikel 1, 5° of 6°, tijdens de laatste drie kalenderjaren waarvoor hij beschikt over bewijsstukken, voorafgaandelijk aan het jaar waarin hij zijn steunaanvraag indient. De landbouwbedrijfshoofden die in aanmerking zijn gekomen voor steun bij de eerste vestiging tussen 2004 en 2006 zonder dat ze de vereiste bewijsstukken kunnen voorleggen, moeten enkel aantonen dat ze weldegelijk voldoen aan de begripsomschrijving van artikel 1.6° : - de voldoende beroepskwalificatie zoals bedoeld in artikel 2 kunnen verantwoorden; - aantonen dat het arbeidsinkomen in het bedrijf per VAK vóór investeringen niet hoger is dan 120 % van het referentie-inkomen bedoeld in artikel 19; - aantonen dat het arbeidsinkomen in het bedrijf per VAK vóór investeringen niet hoger is dan 75 % van het referentie-inkomen bedoeld in artikel 19. Bij ontstentenis dienen de investeringen waarvan sprake in het plan die drempel te kunnen bereiken na drie jaar; - minstens twintig jaar oud zijn op het ogenblik waarop de steunaanvraag aangenomen wordt; aantonen dat het bedrijf dat voor de investeringssteun in aanmerking komt, de normen zal naleven inzake de opslagcapaciteit van dierlijke mest, bepaald bij het ministerieel besluit van 1 april 2004Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 01/04/2004 pub. 09/09/2004 numac 2004027103 bron ministerie van het waalse gewest Ministerieel besluit betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest sluiten betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest. Bij ontstentenis, zich ertoe verbinden het in overeenstemming brengen van zijn opslagcapaciteit van dierlijke mest als eerste investering op te nemen in het investeringsplan waarvan sprake in § 2 en die investering voor elke andere te verrichten. § 2. Om voor steun in aanmerking te komen, dient de aanvrager voor zijn bedrijf een investeringsplan over drie jaar op te stellen, eveneens "plan" genoemd. Dat plan dient een volledig inzicht te verschaffen in de beginsituatie van het bedrijf, evenals in de specifieke doelstellingen die bepaald worden met het oog op de verwezenlijking van zijn activiteiten. Hij dient alle voorziene investeringen samen voor te stellen - ongeacht of ze voor steun in aanmerking komen -, hun samenhang te tonen met de doelstellingen van het bedrijf, hun economische, leefmilieu- en technische relevantie aan te tonen, evenals de lasten en opbrengsten die zij teweegbrengen ten opzichte van de gegevens van de bedrijfseconomische boekhouding bedoeld in artikel 4, of beschikbaar of nog uit te werken. Behalve in geval van overmacht en buitengewone omstandigheden vallend onder artikel 95 wordt geen enkele investering uitgevoerd of aangevat voor steun in aanmerking vóór het plan formeel door de Minister is goedgekeurd. § 3. Overeenkomstig het voorgeschrevene van bijlage I bepaalt de Minister de detailinhoud van het plan. Het investeringsplan over drie jaar wordt opgesteld door enkel het landbouwbedrijfshoofd of met de bijstand van een adviseur. In dat laatste geval moet de adviseur het plan dat bij het bestuur wordt ingediend, medeondertekenen. Overeenkomstig dit besluit dient de aanvrager in totaal en per investering de steunbedragen aan te geven waarop hij aanspraak maakt. § 4. Eénzelfde bedrijf mag niet tegelijk in meerdere investeringsplannen opgenomen worden. Evenmin mag éénzelfde landbouwbedrijfshoofd tegelijk in aanmerking komen voor een investeringsplan als natuurlijke persoon en voor een ander plan als afgevaardigd-bestuurder, zaakvoerder of vennoot-zaakvoerder van een rechtspersoon. § 5. De investering(
- en)waarvan sprake in het plan dienen de daarvoor geldende communautaire normen na te leven. § 6. De landbouwbedrijfshoofden-rechtspersonen die artikel 5, § 1, 6°, naleven en waarvan elke afgevaardigd-bestuurder, zaakvoerder of vennoot-zaakvoerder de voorwaarden bepaald in artikel 5, § 1, 1° tot 5°, naleeft of naleven, kunnen in aanmerking komen voor investeringssteun in de landbouwbedrijven. Art. 6.§ 1. Elk investeringsplan moet bij aangetekend schrijven door de aanvrager worden ingediend bij het bestuur en met inachtneming van de door het bestuur bepaalde voorstellingswijze. Er dient eveneens een elektronisch afschrift te worden ingediend. Aan de hand van een bericht van ontvangst, opgestuurd binnen de tien werkdagen, wordt aan de aanvrager kennis gegeven van het feit dat het dossier ontvankelijk is of, in voorkomend geval, dat er stukken ontbreken. § 2. Het Bestuur kan vragen dat een deel van het plan herzien wordt. Het kan van de aanvrager eisen dat hij zijn plan voorstelt of verdedigt. De aanvrager mag bijgestaan worden door zijn adviseur. Art. 7.§ 1. De Minister is bevoegd voor het volledig, gedeeltelijk of onder voorwaarden aanvaarden dan wel het weigeren van een investeringsplan over drie jaar. Er moet een beslissing aan de aanvrager worden medegedeeld in de zes maanden volgend op de kennisgeving van de ontvankelijkheid van de aanvraag waarvan sprake in artikel 6, § 1. Blijft in die termijn enige reactie uit, wordt het plan geldig geacht en dient de Minister kennis te geven van het aanvaarden ervan aan de aanvrager binnen de dertig dagen volgend op die vervaldag. § 2. De kennisgeving dat het investeringsplan over drie jaar door de Minister is aanvaard maakt gewag van de waarde en de aard van de gesteunde investeringen en, per investering, van het bedrag, de vorm van de steun, het tijdschema voor de uitvoering ervan, de opvolgingsindicatoren en de stukken die als investeringsbewijs voorgelegd dienen te worden. Elke individuele investering die steun geniet, kan voor de lening die betrekking heeft op de investering waarvan sprake in aanmerking komen voor de overheidsgarantie waarvan sprake in artikel 12, § 2. Het bestuur oordeelt geval per geval over wat juist door de garantie gedekt wordt bij ondertekening van de lening. Als de steun in de vorm van een rentetoelage wordt gegeven, worden de voorwaarden voor de rentetoelage voor de lening die bedoelde investering financiert, bepaald in een officieel stuk dat aan de bankinstelling moet worden overhandigd. Art. 8.Bij de verwezenlijking van het investeringsplan over drie jaar waarvan de aanvaarding door de Minister is medegedeeld, hierna "het goedgekeurde plan" genoemd : § 1. Enkel de investeringen opgenomen in het goedgekeurde plan en uitgevoerd na de datum van officiële goedkeuring door de Minister in de voorwaarden van dat plan of met inachtneming van aanpassingen die de Minister of, in voorkomend geval, het bestuur vooraf goedkeuren, komen voor steun in aanmerking. § 2. Voor de investeringen die een landbouwbedrijfshoofd uitvoert voor de leeftijd van 65 jaar overeenkomstig de voorwaarden van dat goedgekeurde plan, is de uitbetaling van de steun verzekerd op eenvoudige voorlegging aan het bestuur van het verantwoordingsstuk dat in het goedgekeurde plan is bepaald. er wordt geen enkele steun toegekend voor investeringen die worden doorgevoerd na de eerste dag van het 66e jaar. § 3. Bij de uitvoering van de investeringen waarvan sprake in het goedgekeurde plan wordt voor investeringen in materieel een afwijking van min of meer twee maanden tegenover de in het plan vastgelegde datum aanvaard. Er wordt een bijkomende termijn van twaalf maanden toegekend tegenover het tijdschema waarvan sprake in het plan voor investeringen in gebouwen. Daarnaast wordt een prijsschommeling aanvaard van min of meer 20 % tegenover de kostprijs van de investering bepaald in het goedgekeurde plan met inachtneming van het algemene maximumbedrag van de steun bepaald in artikel 18, § 1. Het steunbedrag wordt dienovereenkomstig aangepast. Het totaal van de steun die daadwerkelijk is toegekend tijdens de duur van het plan mag evenwel het totale steunbedrag dat de Minister bij aanvaarding van het plan heeft medegedeeld, niet overschrijden. Het landbouwbedrijfshoofd heeft de plicht om een aanpassing van het totale steunbedrag dat hem voorafgaandelijk wordt toegekend voor een investering waarbij het oorspronkelijk door de Minister medegedeelde steunbedrag overschreden wordt, aan de Minister aan te vragen. De aldus doorgevoerde aanpassingen mogen de voor het goedgekeurde plan vastgelegde doelstellingen en richtsnoeren niet onzeker maken. Bij niet-naleving van de toegestane afwijkingen komt de overwogen investering niet meer in aanmerking voor steun waarvan de Minister kennis heeft gegeven. § 4. Boven de toegestane afwijkingen dient voor elke aanpassing van het goedgekeurde plan met betrekking tot de waarde, de aard van de investering of het tijdschema voor de uitvoering ervan, een aanvraag bij het bestuur worden ingediend bij aangetekend schrijven. Voor zover de doorgevoerde aanpassingen de doelstellingen en de richtsnoeren, opgenomen in het plan, niet onzeker maken en niet leiden tot een overschrijding van het totale steunbedrag, medegedeeld door de Minister, beschikt het bestuur over 20 werkdagen om op de aanvraag in te gaan. Bij uitblijven van enige reactie of van enig verzoek tot het overmaken van verdere gegevens binnen die termijn wordt de aanpassing verantwoord geacht en beschikt het bestuur over tien werkdagen om er de aanvrager over in te lichten. Is er een aanpassing of zijn er aanpassingen waarbij het totale steunbedrag overschreden wordt dat de Minister bij aanvaarding van het plan heeft medegedeeld, wordt dat totaalbedrag door de Minister aangepast met inachtneming van het maximumbedrag bepaald in artikel 18, § 1. De aanpassingsaanvragen die enkel betrekking hebben op het afzien van één of meerdere investeringen waarvan sprake in het goedgekeurde plan kunnen te allen tijde worden ingediend. In alle andere gevallen kan een steungerechtigde slechts één keer in de maand volgend op de datum van mededeling van de aanvaarding van het investeringsplan over drie jaar aanvragen tot aanpassing indienen, en verder hoogstens drie keer vanaf de eerste dag van het tweede jaar volgend op de datum van mededeling van het goedgekeurde plan. Zij mogen enkel betrekking hebben op investeringen waarvan de voorziene uitvoeringsdatum niet overschreden wordt. De aanvragen tot aanpassing mogen de voor het goedgekeurde plan vastgelegde doelstellingen en richtsnoeren niet onzeker maken. Zij moeten de relevantie en de samenhang van het goedgekeurde plan kracht bijzetten, de structuur en de nauwkeurigheidsgraad bepaald in bijlage I naleven en ingediend worden met inachtneming van de voorstellingsvorm die het bestuur oplegt. De verhoging van de steun bedoeld bij artikel 15, § 3, wordt tenietgedaan indien een aanvraag tot aanpassing van een plan dat oorspronkelijk ingediend wordt met de bijstand van een adviseur, zonder diens bijstand wordt ingediend. Het verlies van de verhoging geldt met terugwerkende kracht voor de gehele duur van het plan en voor alle investeringen die in het plan voorzien zijn. § 5. Met instemming van het bestuur kan een goedgekeurd plan met drie jaar verlengd worden, maar met niet meer dan vijf jaar. § 6. Behalve in geval van overmacht vallend onder artikel 95, in gevallen van vereniging van landbouwbedrijven zoals bedoeld in artikel 21 of bij buitengewone kansen, erkend door de Minister, mag een investeringsplan niet onderbroken worden in de twee jaar volgend op de datum van mededeling ervan door de Minister. Een nieuw plan, ingediend door een landbouwer, alleen of in vereniging, binnen de twee maanden volgend op de toegelaten vroegtijdige onderbreking van het (
- de)goedgekeurde plan(nen) krijgt een voorrangsbehandeling. § 7. Het staat een steungerechtigde vrij een investering die in zijn goedgekeurde plan voorzien is, niet uit te voeren. Overeenkomstig artikel 8, § 4, dient hij er het bestuur over in te lichten en de helft van het steunbedrag waarvan hij vrijwillig afziet, wordt afgetrokken van het totale maximumsteunbedrag bepaald in artikel 18, § 1. Art. 9.§ 2. Een CVGL die samengesteld is overeenkomstig de vereisten van artikel 1, 30°, en waarvan de leden voldoen aan de vereisten van artikel 5, § 1, leden 2 tot en met 5, en van artikel 11, kan in aanmerking komen voor steun voor de investeringen in de CVGL en een investeringsplan over drie jaar indienen. § 2. Een CVGL kan, volgens de voorwaarden en afwijkingen bepaald in de artikelen 13 tot en met 18, in aanmerking komen voor steun voor investeringen : - in materiaal, hetzij i.v.m. bijzondere bedrijfsonderdelen, hetzij noodzakelijk voor het gezamenlijk vervoer, de gezamenlijke tractie, de gezamenlijke behandeling, de gezamenlijke oogst van de voortbrengselen van de leden; - in onroerende goederen, op voorwaarde dat het gaat om opslagplaatsen voor het materiaal van de CVGL die opgericht zijn op haar grond of op een grond waarvan ze het genot heeft voor een duur die minstens gelijk is aan die van de overheidsgarantie; - in de aanpassing van onroerende goederen, op voorwaarde dat het onroerende goederen betreft van de CVGL en die als onderdak dienen voor materiaal van de CVGL. § 3. Het gezamenlijke gebruik van het CVGL-materiaal door minstens drie landbouwers die lid zijn van de CVGL moet te allen tijde geverifieerd kunnen worden. § 4. Overeenkomstig het voorgeschrevene van bijlage II bepaalt de Minister de detailinhoud van het plan. Elk investeringsplan moet bij aangetekend schrijven door de CVGL worden ingediend bij het bestuur en met inachtneming van de door het bestuur bepaalde voorstellingswijze. Er dient eveneens een elektronisch afschrift te worden ingediend. Aan de hand van een bericht van ontvangst, opgestuurd binnen de tien werkdagen, wordt aan de aanvrager kennis gegeven van het feit dat het dossier ontvankelijk is of, in voorkomend geval, dat er stukken ontbreken. § 5. Een investeringsplan dat ingediend wordt door een CVGL binnen de zes maanden na oprichting ervan mag een deel oprichtings- en begeleidingssteun voor drie jaar omvatten vanaf de oprichting ervan met terugwerkende kracht betreffende dat deel op de datum van oprichting ervan. Voor de CVGL's opgericht in 2006 die die steun nog niet gekregen hebben, wordt de termijn van zes naar 18 maanden gebracht. De steun komt bovenop de investeringssteun bepaald bij dit besluit en op de wijze bepaald in hoofdstuk VI. § 6. Bij de indiening van de aanvraag tot uitbetaling van de voorziene steun toegekend door het plan moet de CVGL voor elke investering, naast het verantwoordingsstuk voorzien in zijn plan, het proces-verbaal van beslissing tot investering, medeondertekend door alle leden van de CVGL, indienen. § 7. Indien de CVGL in de loop van de uitvoering van het plan een lid verliest en zo § 1 niet in acht genomen wordt, dient de CVGL er het bestuur over in te lichten en beschikt het over zes maanden om een vervanger te vinden. Als na afloop van die termijn de vereisten van § 1 nog steeds niet nagekomen zijn, wordt het plan onderbroken, maar de steun die de leden reeds gekregen hebben, blijven verworven. Art. 10.§ 1. Een voedergroepering die samengesteld is overeenkomstig artikel 11 en dat door het bestuur is erkend, kan in aanmerking komen voor steun voor de investeringen in de groepering en een investeringsplan over drie jaar indienen. § 2. Overeenkomstig het voorgeschrevene van bijlage III bepaalt de Minister de detailinhoud van het plan. Om voor de steun in aanmerking te komen, moeten de voedergroeperingen een investeringsplan over drie jaar bij het bestuur indienen, bij aangetekend schrijven en in de voorstellingsvorm die laatstgenoemde heeft vastgelegd. Er dient eveneens een elektronisch afschrift te worden ingediend. De investeringen waarvoor de voedergroeperingen in aanmerking komen, worden nader bepaald in bijlage III. Aan de hand van een bericht van ontvangst, opgestuurd binnen de tien werkdagen, wordt aan de aanvrager kennis gegeven van het feit dat het dossier ontvankelijk is of, in voorkomend geval, dat er stukken ontbreken. § 3. Een investeringsplan dat ingediend wordt door een voedergroepering binnen de zes maanden na oprichting ervan mag een deel oprichtings- en begeleidingssteun voor drie jaar omvatten vanaf de oprichting ervan met terugwerkende kracht betreffende dat deel op de datum van oprichting ervan. Voor de CVGL's opgericht in 2006 die die steun nog niet gekregen hebben, wordt de termijn van zes naar achttien maanden gebracht. De opstartsteun voor de groepering komt bovenop de investeringssteun bepaald bij dit besluit en op de wijze bepaald in hoofdstuk VI. § 4. Bij de indiening van de aanvraag tot uitbetaling van de voorziene steun toegekend door het plan moet de voedergroepering voor elke investering, naast het verantwoordingsstuk waarvan sprake in zijn plan, het proces-verbaal van beslissing tot investering, medeondertekend door alle leden van de voedergroepering, indienen. De steun wordt rechtstreeks aan de leden betaald, in verhouding tot het aandeel dat zij nemen in de gesteunde financiering van het materiaal. § 5. Indien de CVGL in de loop van de uitvoering van het plan een lid verliest en zo § 1 niet in acht genomen wordt, dient de CVGL er het bestuur over in te lichten en beschikt het over zes maanden om een vervanger te vinden. Als na afloop van die termijn de vereisten van § 1 nog steeds niet nagekomen zijn, wordt het plan onderbroken, maar de steun die de leden reeds gekregen hebben, blijven verworven. Art. 11.Een landbouwer die tegelijk lid is van meerdere CVGL's of voedergroeperingen mag niet tegelijk deelnemen aan meer dan twee door laatstgenoemden voorgestelde plannen. Een CVGL die bestaat uit minstens twee derde vennoten die tegelijk deel uitmaken van een andere CVGL die reeds een investeringsplan heeft voorgesteld of die reeds voorheen vennoten zijn geweest in een andere cvgl komt niet in aanmerking voor steun. Art. 12.De steun voor landbouwers, CVGL's, voedergroeperingen of groeperingen van melkproducenten waarvan de investeringsplannen over drie jaar zijn goedgekeurd overeenkosmtig de maximale steunniveaus bepaald in de artikelen 13 en 15 zijn : - een financiële steun, volgens een verdeling aangegeven in het goedgekeurde plan, in de vorm van ofwel : 1. een rentetoelage die gelijk is aan het verschil tussen het referentiepercentage bepaald in artikel 1, 31°, die in werking is op het tijdstip van de ondertekening van de lening met de kredietinstelling en het minimumpercentage van 2 % ten laste van de steungerechtigde.Het percentage van de rentetoelage mag niet hoger zijn dan 5 % en de rentetoelage heeft betrekking op een maximumduur van zeven jaar voor de investeringen in materiaal en van maximum vijftien jaar voor de investeringen in gebouwen. Per investering mag de steun in geen geval de bedragen bepaald in de artikelen 13 en 15 overschrijden; 2. een tegemoetkoming in het kapitaal, in één schijf uitbetaald als het steunbedrag lager is dan euro 10.000, twee schijven als het ligt tussen euro 10.000 en 20.000 en drie schijven als het hoger is dan euro 20.000. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten wordt de tegemoetkoming in het kapitaal bij voorrang voorbehouden voor investeringen in materieel; 3. een combinatie van de steunmaatregelen die de rentetoelage en de kapitaalpremie zijn; - de overheidsgarantie die toegekend kan worden voor elke investering van het investeringsplan dat in aanmerking komt voor een steunmaatregel bepaald bij dit besluit en waarvoor er een lening aangevraagd wordt bij een openbare of privé-instelling die daartoe wordt erkend. Art. 13.Het maximumniveau van de steun toegekend voor elk bestanddeel van het investeringsplan over drie jaar vereist bij artikel 5, § 2, wordt als volgt bepaald : - een maximumsteun die gelijk is aan 10 % van de in aanmerking komende waarde van de investering wordt toegekend voor investeringen in : 1. de aankoop, de aanpassing, de vervanging die de drempels bepaald bij artikel 1, 22°, overschrijden, van nieuw of tweedehands materiaal op de wijze van artikel 91 voor de verderzetting of de ontwikkeling van een productie-, toeristische, pedagogische of ambachtelijke activiteit die reeds uitgeoefend werd in een bedrijf, een vereniging van bedrijven, een CVGL, een voedergroepering, een groepering van melkproducenten;2. de bouw of de aankoop van gebouwen met inachtneming van volgende voorwaarden : - voor de pluimvee- of varkenshouderijen, enkel in het geval van een productie met gedifferentieerde kwaliteit en voorzover de investeringen vallen onder klassen 2 of 3 ter zake van de milieuvergunning; - voor de investeringen in veehouderij- of melkproductiegebouwen, een grondgebondenheidscijfer vertonen zoals omschreven in artikel R.212, § 3, van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, wat betreft het duurzaam stikstofbeheer - lager dan of gelijk aan 1 tijdens het jaar van de aanvraag en die drempel niet te boven gaan tijdens de uitvoering van het goedgekeurde plan; - voor investeringen in gebouwen in de sector van de melkproductie die leiden tot overschrijding van de referentiehoeveelheid, behalve wanneer vooraf een extra referentiehoeveelheid is toegestaan of via overdracht is verkregen. In dat geval wordt de steun slechts verleend indien de investering niet tot gevolg heeft dat het aantal melkkoeien tot meer dan 50 per VAK en meer dan 200 per bedrijf, vereniging van melkproducenten of groepering van melkproducenten stijgt; - met uitsluiting van de gebouwen voor toeristische, pedagogische of ambachtelijke activiteiten in of buiten het bedrijf; 3. de verplaatsing van gebouwen van een bedrijf wegens het openbaar nut of indien de verhuurder de huur van het landbouwbedrijfshoofd opzegt en die opzeg bekrachtigd is door de vrederechter of verantwoord is wegens de leefmilieuvoorschriften met inachtneming van de voorwaarden van artikel 13, § 1, 2;4. de grondverbeteringswerken;5. de ingrijpende renovatie en het herstel van gebouwen die noodzakelijk zijn voor de voortzetting van de beroepsactiviteiten die in het bedrijf reeds ondernomen zijn door een CVGL of een voedergroepering met inachtneming van de sectorale voorwaarden bepaald in artikel 13, § 1, 2.Onder renovatie wordt verstaan de aanpassing van de bestaande gebouwen aan de huidige technische beheersnormen, met inachtneming van de stedenbouwkunige voorschriften. De renovatie wordt als ingrijpend beschouwd indien de kostprijs minstens 50 % van de waarde van een gelijkaardig nieuw gebouw vertegenwoordigt. Onder herstel wordt de vernieuwing zonder structurele wijziging van bestaande gebouwen beschouwd, met het oog op sanering na opgelopen schade. § 2. Een maximumsteun die gelijk is aan 25 % van de in aanmerking komende waarde van de investering wordt toegekend voor investeringen in : - materieel voor de diversificatie van de land- en/of tuinbouwproductie in het bedrijf, met inbegrip van de eerste verwerking en de verkoop op de hoeve. Onder diversificatie wordt het op de markt brengen verstaan, door het landbouwbedrijfshoofd, van een al dan niet verwerkt product dat voorheen niet verhandeld werd op het bedrijf of dat verhandeld zal worden, dankzij de investering, tegen een waarde die 20 % hoger is in de toegevoegde bruto-eenheidswaarde tegenover zijn equivalent voor de diversificatie; - materieel voor de verbetering van de leef- en werkomstandigheden van het landbouwbedrijfshoofd, opgenomen in een door de Minister bepaalde lijst; - specifiek materieel voor de productie van biobrandstoffen en/of hernieuwbare energie met producten of nevenproducten van de landbouwactiviteit van het bedrijf of de coöperatieve; - installaties voor de behandeling van dierlijke mest met de productie van biobrandstoffen en hernieuwbare energie; - de inrichting van gebouwen en/of de aanpassing van materieel om energiebesparingen door te voeren als aanvulling op andere overheidssteun die het Gewest reeds verstrekt en met inachtneming van de maximale steunbedragen bepaald door Verordening (EG) 1698/2005; - de verbouwing of de inrichting van gebouwen gelegen in de zetel van het bedrijf voor de ontwikkeling van toeristische, pedagogische of ambachtelijke activiteiten die voorheen niet uitgeoefend werden in het bedrijf. De aankoop en de bouw van gebouwen om dergelijke activiteiten in of buiten het bedrijf te ontwikkelen komen niet in aanmerking voor steun; - materieel dat specifiek bestemd is voor een toeristische, pedagogische of ambachtelijke activiteit die daadwerkelijk in het bedrijf uitgeoefend wordt; - nieuwe gebouwen of de verbouwing van bestaande gebouwen van het bedrijf specifiek bestemd voor een gedifferentieerde productie bij de opstart of de eerste uitbreiding. De producten dienen te voldoen aan de definitie van artikel 1, 26°; de investeringen moeten vallen onder de klassen 2 of 3 van de milieuvergunning en het landbouwbedrijfshoofd moet er zich toe verbinden die productie voor minstens zes jaar voort te zetten; - de specifieke kosten bij de aanpassing van bestaande gebouwen om te voldoen aan de wettelijke normen die de communautaire minimumnormen te boven gaan of om te voldoen aan de Europese minimumnormen op het gebied van milieubescherming, volksgezondheid, dierenwelzijn of veiligheid op het werk, binnen de 36 maanden na goedkeuring ervan op EG-niveau of tijdens de overgangsperiode bedoeld bij de verordening of indien de capaciteit niet verhoogd wordt; - aanpassing van bestaande gebouwen om te voldoen aan de Europese minimumnormen op het gebied van milieubescherming, volksgezondheid, dierenwelzijn of veiligheid op het werk door jonge landbouwbedrijfshoofden zoals omschreven in artikel 22 van Verordening (EG) 1698/2005, binnen de 36 maanden na hun vestiging indien de capaciteit niet verhoogd wordt; - de vermindering van de emissies van vervuilende landbouwgassen; - de installatie van systemen voor de filtrering van de ventilatielucht in de dierengebouwen, alsook hun ventilatiesystemen met gemengde lucht; - de investeringen die bijdragen tot de bescherming van de leefmilieukwaliteit en het dierenwelzijn, opgenomen in een lijst bepaald door de Minister; - de investeringen voor waarnemings- en waarschuwingssystemen in het kader van de geïntegreerde bestrijding. § 3. Bij wijze van overgangsmaatregel blijft de gewestelijke steun voor het in overeenstemming brengen van de opslagcapaciteiten voor dierlijke mest, bepaald bij het ministerieel besluit van 1 april 2004Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 01/04/2004 pub. 09/09/2004 numac 2004027103 bron ministerie van het waalse gewest Ministerieel besluit betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest sluiten betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest, in werking tot en met 31 december 2008. Art. 14.De aankoop van grond, eenjarige planten, plantages van eenjarige planten, bedrijfstoeslagrechten, quota's, dieren en de eenvoudige vervangingsverrichtingen komen niet in aanmerking voor investeringssteun, behalve uitzonderingen bepaald bij dit besluit. Hetzelfde geldt voor draineringswerken en werken of de aankoop van irrigatiematerieel, tenzij die investeringen een vermindering van het waterverbruik met minstens 25 % opleveren. Art. 15.De investeringssteunniveaus bepaald in artikel 13 worden verhoogd met : - vijf procentpunten als het investeringsplan ingediend wordt door een CVGL of een landbouwbedrijfshoofd dat sinds minder dan zes jaar gevestigd is en dat de leeftijd van veertig jaar niet bereikt op de datum van mededeling van de ontvankelijkheid van het plan. Indien degene die de verhoging geniet voor landbouwbedrijven die sinds minder dan zes jaar gevestigd zijn, lid is van een vereniging, wordt die verhoging in verhouding toegekend tot de deelname van de gerechtigde in de vereniging. Indien het landbouwbedrijfshoofd dat die verhoging geniet, afgevaardigd-bestuurder, zaakvoerder of vennoot-zaakvoerder is van een rechtspersoon, wordt die verhoging in verhouding toegekend tot de deelname van de gerechtigde in die rechtspersoon; - vijf percentpunten als het investeringsplan ingediend wordt door een landbouwer in een probleemgebied zoals omschreven in artikel 1, 27°; - 2,5 percentpunten als het investeringsplan en alle eventuele aanvragen tot aanpassing van dat plan ingediend worden door een landbouwbedrijfshoofd dat een beroep heeft gedaan op een erkend adviseur. Art. 16.Er mogen niet meer dan twee verhogingen, bepaald in artikel 15, toegevoegd worden aan de maximale steunniveaus die toegekend worden voor elk bestanddeel waarvan sprake in het investeringsplan over drie jaar volgens de niveaus bepaald in artikel 13. Art. 17.Om ontvankelijk te zijn, dient een investeringsplan minstens euro 15.000 aan investeringen over de gehele duur te voorzien en elke investering waarvan sprake in het plan moet op zich meer bedragen dan euro 5.000. De maximumwaarde die per investering waarvan sprake in het plan voor steun in aanmerking komt, bedraagt euro 100.000 voor de investeringen in materiaal en euro 250.000 voor de investeringen in gebouwen. Die maximumwaarden die voor steun in aanmerking komen worden verhoogd met 50 % indien het investeringsplan ingediend wordt door een CVGL, voor de specifieke investeringen in de tuinbouwsector of voor het eerste plan uitgevoerd door een vereniging van melkproducenten. Art. 18.Maximumbedrag van de toegekende steun, per goedgekeurd plan : § 1. Er wordt een maximumbedrag van euro 100.000 vastgelegd voor het opgetelde totaal van alle steunvormen die aan een landbouwer worden toegekend voor de verschillende, in aanmerking komende investeringen die zijn uitgevoerd over de gehele duur van het investeringsplan over drie jaar. § 2. De aanvrager dient erover te waken dat het totaal van de steunmaatregelen waarop hij aanspraak maakt wanneer hij zijn plan indient, de drempel bepaald in § 1 niet overschrijdt. § 3. Wordt het maximumbedrag bepaald in § 1 onverschreden vóór de analyse van de aanvraag en de eventuele weigering van sommige investeringen, worden alle aangevraagde steunmaatregelen verhoudingsgewijs verminderd om de drempel waarvan sprake in § 1 te bereiken. § 4. Behalve in de gevallen bepaald in artikel 8, § 6, wordt het in § 1 bepaalde maximumbedrag van het volgende plan bij vroegtijdige onderbrekiing van een plan verminderd met euro 2.800 per volledige maand tussen de datum van de onderbreking en het voorziene einde van het goedgekeurde investeringsplan. Art. 19.Het referentie-inkomen mag het gemiddelde bruto-loon van werknemers die niet in de landbouw actief zijn, niet overschrijden. Jaarlijks bepaalt de Minister het in overweging te nemen referentie-inkomen. Art. 20.De Minister bepaalt de gevallen en de mate waarin de steun geheel of gedeeltelijk kan worden verleend in de vorm van uitgestelde aflossingen van de lening zonder dat de toegelaten tegemoetkomingsmaxima overschreden worden. Art. 21.§ 1. Indien meerdere landbouwers hun bedrijven die niet het resultaat zijn van de verdeling van een bedrijf dat voorheen één geheel vormde, samenvoegen en elk lid van de vereniging voldoet aan de vereisten van artikel 5, § 1, van dit besluit, gelden artikel 8, § 6, en artikel 18, § 4, van dit besluit niet. De leden mogen de verwezenlijking van hun lopende investeringsplan onderbreken en de vereniging mag in eigen naam een nieuw investeringsplan over drie jaar indienen. De verenigde landbouwers moeten een verenigingsovereenkomst voorleggen dat mede-ondertekend is door allen, die zich daar hoofdelijk toe verbinden. De vereniging moet minstens even lang duren als de subsidie en niet minder lang dan zes jaar. § 2. Voor het eerste investeringsplan dat ingediend wordt door nieuwe bedrijvenverenigingen die de vereisten van § 1 naleven, wordt het maximumbedrag, afwijkend van artikel 18, § 1, vastgelegd op euro 75.000 per verenigingslid, met als maximumbedrag euro 250.000 voor de vereniging. Voor haar eerste plan kan een nieuwe vereniging een verhoging krijgen met 50 % van de maximumwaarden van de in artikel 17 bepaalde investeringen die voor steun in aanmerking komen. De vereniging dient een volledig investeringsplan voor te leggen met inachtneming van de structuur en de nauwkeurigheidsgraad bepaald in bijlage I. § 3. Voor een vereniging van melkproducenten mag de houder van de productie-eenheid vanaf welke de leveringen en/of de rechtstreekse verkopen van de vereniging van melkproducenten plaatsvinden de specifieke investeringen die nodig zijn voor de ontwikkeling van de productie- en verhandelingsactiviteiten van de vereniging, in zijn investeringsplan opnemen. Dat plan moet voldoen aan het voorgeschrevene van bijlage I en de procedure volgen voor dat soort plannen. In dat geval is artikel 21, § 1, niet van toepassing. § 4. Een groepering van melkproducenten mag een investeringsplan indienen dat noodzakelijk is voor de ontwikkeling van de activiteiten van de groepering. Dat plan dekt alle investeringen die de leden van de groepering voorzien hebben voor al hun producties. Dat plan moet voldoen aan het voorgeschrevene van bijlage III en de procedure volgen voor dat soort plannen. Bij de oprichting van de groepering worden de lopende individuele plannen van de leden die de nieuwe groepering vormen, tenietgedaan en artikel 21, § 1, is dan van toepassing. HOOFDSTUK IV. - Vestigingssteun aan jonge landbouwbedrijfshoofden : ontwikkelingsplan Art. 22.Voor de vestigingssteun voor de oprichting of de gehele overname van een landbouwbedrijf of voor een gedeeltelijke overname van een bedrijf in maximum twee fases die elk minstens 25 % dekken van de gehele waarde van de in aanmerking komende investeringen van de overname komt in aanmerking : 1. degene die zich voor het eerst vestigt in een bedrijf als landbouwbedrijfshoofd in hoofdberoep zoals omschreven in artikel 1, 6°, en landbouwer wordt;2. degene die een voldoende beroepskwalificatie kan aantonen zoals bedoeld in artikel 3 en minstens twintig jaar oud is - behalve gevallen van overmacht - en minder oud is dan hoogstens veertig jaar op de datum van de indiening van de steunaanvraag en reeds een stage doorlopen heeft die in overeenstemming is met de vereisten van het decreet van het Waalse Gewest van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw of met het besluit van de Duitstalige Gemeenschap van 27 mei 1993 betreffende de beroepsopleiding en de bijscholing van de personen die in de landbouw werkzaam zijn en de latere wijzigingen ervan;3. degene die de individuele steun aanvraagt voor de vestiging in een termijn die met minder dan drie maanden de datum overschrijdt van de officiële vestiging als landbouwer, landbouwbedrijfshoofd in hoofdberoep of degene die zich voor het eerste vestigt als landbouwer, landbouwbedrijfshoofd in hoofdberoep binnen de zes maanden na indiening van het ontwikkelingsplan bij het bestuur. De vestiging van een natuurlijke persoon als landbouwer wordt bevestigd als hij onder het sociaal statuut voor zelfstandige bedrijfshoofden valt en aan de hand van elk ander document op grond waarvan zijn statuut t.o.v. van deze regelgeving kan worden vastgelegd. Voor de rechtspersonen wordt nagekeken of die voorwaarde voor de afgevaardigd bestuurder of de zaakvoerder vervuld is. Daarnaast dient de rechtspersoon aan te tonen dat elke afgevaardigd-bestuurder of zaakvoerder op het ogenblik van de oprichting over een voldoende beroepskwalificatie beschikt voor de eerste vestiging. Die voorwaarde moet vervuld zijn op het ogenblik van de indiening van de aanvraag; 4. degene die een ontwikkelingsplan bij het bestuur indient.Dat plan omvat minstens een overname- of oprichtingsodssier met globale doelstellingen over zes jaar en omstandige doelstellingen over drie jaar, al dan niet aangevuld met een investeringsplan over drie jaar, zoals omschreven in hoofdstuk III van dit besluit. Het ontwikkelingsplan moet verplicht de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen en een tijdschema voor de uitvoering ervan vastleggen. Er dienen per plan opvolgingsindicatoren vastgelegd te worden voor de uitvoering van het ontwikkelingsplan. Overeenkomstig het voorgeschrevene van bijlage IV bepaalt de Minister de detailinhoud van het plan; 5. degene die een beroep doet op een adviseur om hem van raad te voorzien bij de opstelling van het ontwikkelingsplan.De adviseur moet het ontwikkelingsplan waarvan sprake in bovenvermeld punt 4 medeondertekenen; 6. degene die een adviseur aan zich bindt voor een minimumperiode van drie jaar en een boekhouding voert overeenkomstig de vereisten van artikel 4;7. degene die aantoont dat het bedrijf waar hij zich vestigt, de normen naleeft inzake de opslagcapaciteit van dierlijke mest, bepaald bij het ministerieel besluit van 1 april 2004Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 01/04/2004 pub. 09/09/2004 numac 2004027103 bron ministerie van het waalse gewest Ministerieel besluit betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest sluiten betreffende het in overeenstemming brengen van de opslaginfrastructuren voor dierlijke mest.Bij ontstentenis, degene die zich ertoe verbindt het in overeenstemming brengen van zijn opslagcapaciteit van dierlijke mest als eerste investering op te nemen in het investeringsplan en die investering voor elke andere te verrichten en in elk geval binnen de 36 maanden volgend op de datum van zijn vestiging; 8. degene die binnen een termijn van drie jaar minstens één VAK kan aantonen op het overgenomen gedeelte en een inkomen kan genereren dat minstens gelijk is aan de geregionaliseerde inkomensdrempel per VAK. Art. 23.§ 1. Ter afwijking van artikel 5, § 1, 1°, hoeft degene die zich voor het eerst vestigt in een bedrijf als landbouwbedrijfshoofd in hoofdberoep geen drie jaar activiteit in die hoedanigheid aantonen om een investeringsplan te mogen indienen. § 2. Ter afwijking van artikel 5, § 1, 2°, moet degene die zich voor het eerst vestigt in een bedrijf als landbouwbedrijfshoofd in hoofdberoep de voldoende beroepskwalificatie verwoord in artikel 3, en niet die bepaald in artikel 2, aantonen om een investeringsplan te mogen indienen. § 3. Ter afwijking van artikel 5, § 1, 4°, hoeft degene die zich voor het eerst vestigt in een bedrijf als landbouwbedrijfshoofd in hoofdberoep niet te beschikken over een bruto-inkomen vóór belastingen die hoger is dan 75 % van het referentie-inkomen bedoeld in artikel 19 om een investeringsplan te mogen indienen.. Artikel 22, § 8, blijft van toepassing. § 4. Ter afwijking van artikel 14 mag het ontwikkelingsplan per diersoort een investering omvatten ter (weder)aanvulling van het (
- de)veebestand(-
- en)van het overgenomen of opgerichte bedrijf. Die investering moet uitgevoerd worden binnen de twaalf maanden volgend op de datum van overname of oprichting. Art. 24.§ 1. Elk ontwikkelingsplan moet bij aangetekend schrijven door de aanvrager worden ingediend bij het bestuur en met inachtneming van de door het bestuur bepaalde voorstellingswijze. Er dient eveneens een elektronisch afschrift te worden ingediend. Aan de hand van een bericht van ontvangst, opgestuurd binnen de tien werkdagen, wordt aan de aanvrager kennis gegeven van het feit dat het dossier ontvankelijk is of, in voorkomend geval, dat er stukken ontbreken. § 2. Het ontwikkelingsplan wordt door een vertegenwoordiger van de bevoegde buitendienst van het bestuur voorgelegd aan een adviescomité. Het adviescomité bestaat uit een vertegenwoordiger van de Directie Landbouwstructuren van het bestuur, uit de vertegenwoordiger van de buitendienst die het plan indiende, uit een deskundige in de landbouweconomie, aangewezen door het bestuur, en uit een technisch expert in de overwogen technisch-economische oriëntatie, aangewezen door het bestuur. Het adviescomité mag de aanvrager erom verzoeken zijn ontwikkelingsplan met de bijstand van de adviseur uiteen te zetten en te verdedigen. § 3. Het adviescomité analyseert het ontwikkelingsplan. Het beoordeelt de waarde van de investeringen voor overname of oprichting, de relevantie van die overname of oprichting voor de aanvrager op technisch en economisch vlak en, in voorkomend geval, de relevantie en de samenhang van het het ter aanvulling voorziene investeringsplan. Het brengt tegenover de Minister en de inspecteur-generaal van het bestuur advies uit, op zowel kwalitatief als kwantitatief vlak, over de geldigheid van de doelstellingen voor de eerste vestiging en gaat na of het inkomen dankzij het ontwikkelingsplan binnen een termijn van drie jaar de geregionaliseerde inkomensdrempel van het overwogen jaar bereikt. Het adviescomité brengt een niet-dwingend, positief, negatief of voorwaardelijk gemotiveerd advies uit over de aanpassing van de voorwaarden van het plan, binnen de vier maanden volgend op de datum van mededeling bedoeld in artikel 24, § 1. § 4. Voor een geheel of gedeeltelijk negatief advies uit te brengen, dient het Comité de aanvrager er met motivering over in te lichten. Laatstgenoemde beschikt over één maand om desgewenst een herzien ontwikkelingsplan in te dienen. De termijnen voor de indiening van adviezen door het Comité en voor de mededeling van de beslissing door de Minister worden dan met twee maanden verlengd. § 5. De aanvrager kan kennis nemen van het gemotiveerde advies, verstrekt door het Adviescomité. Art. 25.§ 1. De Minister is bevoegd voor het volledig, gedeeltelijk of onder voorwaarden aanvaarden dan wel het weigeren van het investeringsplan over drie jaar. Er dient een beslissing te worden medegedeeld aan de aanvrager binnen de zes maanden volgend op de kennisgeving van de ontvankelijkheid van de aanvraag bepaald bij artikel 24, § 1. Blijft enige reactie uit binnen die termijn, dan wordt het plan geacht als in aanmerking te zijn genomen en de Minister moet er de aanvaarding van mededelen aan de aanvrager binnen de dertig dagen volgend op die vervaldatum. § 2. De kennisgeving dat het investeringsplan door de Minister is aanvaard maakt gewag van de waarde en de aard van de gesteunde investeringen en, per investering, van het bedrag, de vorm van de steun, het tijdschema voor de uitvoering ervan, de opvolgingsindicatoren en de stukken die als investeringsbewijs voorgelegd dienen te worden. Elke individuele investering die steun krijgt kan, wat betreft de lening voor de investering waarvan sprake, in aanmerking komen voor de overheidsgarantie zoals bepaald in artikel 12, § 2. Wat juist door de garantie gedekt wordt, wordt door het bestuur geval per geval beoordeeld wanneer de lening afgesloten wordt. Als de steun in de vorm van een rentetoelage wordt gegeven, worden de voorwaarden voor de rentetoelage voor de lening die bedoelde investering financiert, bepaald in een officieel stuk dat aan de bankinstelling moet worden overhandigd. § 3. Indien de steun in de vorm van een rentetoelage gegeven wordt, wordt het referentiepercentage dat in de voorwaarden opgenomen is, het referentiepercentage dat geldig is bij de daadwerkelijke ondertekening van de lening door de gerechtigde met de kredietinstelling. In voorkomend geval moet de duur van de steun worden aangepast om het maximumbedrag per investering bepaald in de artikelen 13 en 26 te handhaven. Art. 26.De maximale steunmaatregelen voorzien voor een ontwikkelingsplan zijn : Voor het deel overname of oprichting : § 1. Op de eerste schijf van euro 100.000 in aanmerking komende investeringen, een kapitaalsteun gelijk aan 45 % van de investering die gestort wordt op de wijze bepaald in artikel 12, § 1, 2°. § 2. Op de tweede schijf investeringen van euro 100.001 tot euro 175.000, een rentetoelage die gelijk is aan het verschil tussen het referentiepercentage bepaald in artikel 1, 31°, die in werking is op het tijdstip van de ondertekening van de lening met de kredietinstelling en het minimumpercentage van 1,00 % ten laste van de steungerechtigde. Het maximale steunbedrag in de vorm van een rentetoelage bedraagt euro 10.000. Het percentage van de rentetoelage mag niet hoger zijn dan 5 % en de rentetoelage heeft betrekking op een maximumduur van 15 jaar voor de investeringen in gebouwen en van maximum 7 jaar voor de andere investeringen. In voorkomend geval wordt de duur van de subsidie teruggebracht om het maximumbedrag van euro 10.000 na te leven. § 3. Op de derde schijf van euro 175.001 tot euro 300.000, een gewestelijke steun in de vorm van een rentetoelage die gelijk is aan het verschil tussen het referentiepercentage bepaald in artikel 1, 32°, die in werking is op het tijdstip van de ondertekening van de lening met de kredietinstelling en het minimumpercentage van 1,00 % ten laste van de landbouwer. Het maximale steunbedrag in de vorm van een rentetoelage bedraagt 25.000 euro . Het percentage van de rentetoelage mag niet hoger zijn dan 5 % en de rentetoelage heeft betrekking op een maximumduur van zeven jaar. In voorkomend geval wordt de duur van de subsidie teruggebracht om het maximumbedrag van euro 25.000 na te leven. § 4. De overheidsgarantie, tegen de voorwaarden van artikel 12, § 2, toegekend voor alle leningen voor investeringen die overeenkomstig dit besluit in aanmerking komen en voor een maximumduur van vijftien jaar. Voor het deel investeringen. Steunmaatregelen die gelijkwaardig zijn aan die bepaald in hoofdstuk III, artikelen 13 tot en met 18, mits naleving van de vereisten en drempels bepaald in dit hoofdstuk. In afwijking van artikel 12, § 1, wordt het minimumpercentage van de jongere bij een eerste vestiging die een ontwikkelingsplan heeft, evenwel teruggebracht tot 1 %. Art. 27.Het samengetelde totaalbedrag van de steun voor vestiging van jonge landbouwers bepaald in artikel 26, A), in één of twee fasen, mag niet hoger zijn dan euro 80.000. Art. 28.De installatie mag hoogstens in twee fasen verlopen. Het totaal van de steunbedragen bij de vestiging, toegekend bij beide fasen, mag het maximumbedrag van artikel 27 niet overschrijden. Indien één fase of fases uitgevoerd zijn tijdens een voorgaande programmering, kan het niet-toegekende saldo van het maximumbedrag bepaald in artikel 27 verkregen worden mits inachtneming van de vereisten van dit besluit. Art. 29.De Minister bepaalt de gevallen en de mate waarin de steun geheel of gedeeltelijk kan worden verleend in de vorm van uitgestelde aflossingen van de lening. Art. 30.De investeringen die in aanmerking worden genomen voor het deel overname of oprichting van het ontwikkelingsplan zijn respectievelijk : - de overname of de aankoop van materiaal; - de overname of de aankoop van levend vee en de eventuele wederaanvulling van vee tijdens het eerste jaar; - de overname (aankoop van gebouwen van het overgenomen bedrijf) of de bouw en de aankoop van gebouwen; - de overname of de aankoop van voorraden tot maximum 20.000 euro per bedrijf; - de vergoeding van navetten tot maximum 350 per ha; - de vergoeding van groeiende teelten tot maximum 750 euro per ha en de overname van tuinbouwteelten na verantwoording van de waarde; - de afkoop van deelbewijzen in een landbouwbedrijf als reeds bestaand rechtspersoon tegen de representatieve waarde van elk deelbewijs van de investeringen voor de overname, opgenomen in de punten 1 tot en met 6, bovenvermeld, onverminderd alle bepalingen van dit hoofdstuk. Die waarde wordt vastgesteld op grond van een expertise met omstandige inventaris door een bedrijfsrevisor, erkend door het Instituut der bedrijfsrevisoren; - de kosten voor het opstellen van het ontwikkelingsplan, adviseurskosten niet meegerekend. HOOFDSTUK V. - Begeleiding bij de voorbereiding en de uitvoering van de investerings- en de ontwikkelingsplannen Art. 31.Het advies voor de voorbereiding en/of de opvolging van de uitvoering van de plannen bedoeld in de hoofdstukken III en/of IV kan enkel door een adviseur gegeven worden. Art. 32.§ 1. Het bestuur erkent de adviseringsstructuren en de adviseurs volgens de criteria verwoord in bijlage VI. § 2. Een adviseur die tijdens éénzelfde jaar meer dan drie investerings- en/of ontwikkelingsplannen medeondertekent die geweigerd worden voor meer dan 50 % van de waarde van de per plan aangevraagde steunmaatregelen, verliest zijn erkenning. Bij meer dan tien plannen wordt de sanctiedrempel vastgelegd op 30 % van de ingediende plannen die geweigerd worden voor meer dan 50 % van de waarde van de per plan aangevraagde steunmaatregelen. § 3. Een adviseringsstructuur waarvan de erkenning jaarlijks tijdens twee opeenvolgende jaren ingetrokken wordt voor meer dan vijf adviseurs of, als de structuur minder dan 20 adviseurs telt, voor meer dan een kwart ervan, verliest zijn erkenning. § 4. Het bestuur moet de intrekking van de erkenning mededelen aan de adviseringsstructuur met een vooropzeg van twee maanden. Laatstgenoemde beschikt over één maand om een beroep bij de Minister in te dienen. Art. 33.Het landbouwbedrijfshoofd moet het advies van de adviseur niet volgen bij de uitwerking van zijn ontwikkelingsplan. Zijn de meningen uiteenlopend, moet de adviseur, die het ontwikkelingsplan mede moet ondertekenen, verplicht om in een bijlage bij het plan zijn alternatieve voorstel(len) te melden. Art. 34.Het landbouwbedrijfshoofd kan een beroep doen op verschillende adviseurs voor het opstellen en voor de uitvoering van het ontwikkelingsplan. Indien er een opeenvolging is van meerdere adviseurs bij de opstelling van een ontwikkeleingsplan, moeten de naam et de redenen voor hun vervanging opgegeven worden in het bij het bestuur ingediende plan. Art. 35.Er wordt aan elke landbouwer die erom verzoekt, een gewestelijke steun toegekend in de vorm van een dienstverleningscheque waarmee 80 % van de kosten voor de opstelling van een plan gedekt kan worden. Het maximumbedrag van de in aanmerking komende kosten wordt vastgelegd op euro 800 voor een investeringsplan en euro 1.200 voor een ontwikkelingsplan dat al dan niet een investeringsplan bevat. De helft van de dienstverleningscheque wordt uitbetaald bij de indiening van het plan bij het bestuur, het saldo bij aanvaarding ervan. Het saldo wordt niet uitbetaald als het plan wordt geweigerd. Er wordt geen specifieke steun verleend voor de begeleiding van de aanpassingen van een plan, maar als een dienstverleningscheque niet volledig gebruikt wordt, kan het saldo worden gebruikt om de kostprijs te dekken van de adviseur voor de ingediende aanpassingen. Art. 36.Er wordt aan elk landbouwbedrijfshoofd met een goedgekeurd plan die er bij de indiening van dat plan om verzoekt, een gewestelijke steun toegekend in de vorm van een dienstverleningscheque die 80 % dekt van de kostprijs die verbonden is aan de opvolging van de uitvoering van een plan. Het maximumbedrag van de in aanmerking komende kosten wordt vastgelegd op euro 900 voor een investeringsplan en euro 1.200 voor een ontwikkelingsplan dat al dan niet een investeringsplan bevat. Eén derde van de dienstverleningschaque wordt uitbetaald bij de indiening, bij het bestuur, van de jaarverslagen of van het slotverslag met betrekking tot de uitvoering van het door de adviseur opgestelde plan, op de door het bestuur bepaalde voorstellingswijze. Indien het verslag voor de uitvoering van het plan niet bij het bestuur is ingediend binnen de drie maanden volgend op het einde van het overwogen jaar of op het einde van het plan, wordt het saldo niet uitbetaald en verliest de adviseur zijn erkenning. HOOFDSTUK VI. - Gewestelijke steun voor de opstart van de groeperingen Art. 37.§ 1. Er wordt een gewestelijke opstartsteun verleend aan erkende groeperingen die minstens tot doel hebben : - onderlinge bijstand tussen bedrijven die steun, vallend onder dit besluit, kunnen krijgen; - de invoering van alternatieve landbouwmethoden; - een rationeler gemeenschappelijk gebruik van de landbouwproductiemiddelen; - een gezamenlijke exploitatie. Die opstartsteun moet de beheerskosten helpen dekken tijdens de eerste drie jaar na de oprichting van bovenvermelde groeperingen. § 2. De federaties van groeperingen kunnen in aanmerking komen voor gewestelijke opstartsteun onder dezelfde voorwaarden als die bepaald voor de groeperingen zelf. De toekenning van opstartsteun aan een federatie mag evenwel niet als gevolg hebben dat een groepering meer dan één keer de steun van § 1 krijgt. Art. 38.Om steun te kunnen genieten, moet de groepering of federatie minstens drie aangesloten landbouwers tellen. Ze mag niet vóór het zesde jaar ontbonden worden en moet opgericht zijn in één van de volgende vormen : 1. een coöperatieve verwerkings- en afzetvennootschap;2. een voedergroepering;3. een CVGL;4. een landbouwvereniging die voor de rechtspersoonlijkheid heeft gekozen;5. een landbouwvennootschap die gezamenlijke exploitatie als doel heeft. Art. 39.De groepering of federatie van groeperingen moet bewijzen dat de samenwerking sociaal of economisch verantwoord is. Art. 40.Op het ogenblik van de aanvraag legt de groepering of de federatie haar statuten voor, alsook een overzicht van de verwachte - en eventueel gerechtvaardigde - uitgaven en ontvangsten. Art. 41.De gewestelijke opstartsteun moet bijdragen tot het dekken van de beheerskosten. Onder beheerskosten wordt verstaan : de kosten die verbonden zijn aan verrichtingen die van nature geen toegevoegde waarde geven aan de bedrijven van de betrokken landbouwers, met inbegrip van de kosten die inherent zijn aan het beheer van de arbeidskrachten en van het materiaal dat door het maatschappelijke doel vereist wordt. De opstartsteun mag jaarlijks niet hoger zijn dan het totaalbedrag van de werkelijk gerechtvaardigde beheerskosten van het eerste activiteitsjaar; zij mag niet meer bedragen dan 50 % van het totale budget van de groepering of van de federatie van groeperingen. De door de leden van de groepering of van de federatie van groeperingen betaalde jaarlijkse bijdragen moeten gedurende ten minste 3 jaar minstens gelijk zijn aan 22.500 euro van de opstartsteun. Die steun wordt betaald tegen 50 % het eerste jaar en 25 % op het einde van beide daarna volgende jaren. HOOFDSTUK VII. - Steun aan de coöperatieve verwerkings- en afzetvennootschapen Art. 42.De coöperatieve verwerkings- en afzetvennootschapen kunnen specifieke steun genieten voor investeringen die gericht zijn op de verwezenlijking van hun maatschappelijke doel. Die steun heeft zowel betrekking op roerende als op onroerende goederen. Het collectieve gebruik moet elk ogenblik bewezen kunnen worden. Art. 43.§ 1. Om voor steun in aanmerking te komen, dient de coöperatieve een investeringsplan over drie jaar op te stellen, eveneens "plan" genoemd. Dat plan dient een volledig inzicht te verschaffen in de beginsituatie van de coöperatieve, evenals in de specifieke doelstellingen die bepaald worden met het oog op de verwezenlijking van zijn activiteiten. Het dient alle voorziene investeringen over drie jaar samen voor te stellen overeenkomstig de artikelen 48 tot en met 53, hun samenhang te tonen met de doelstellingen van de coöperatieve, hun economische en technische relevantie aantonen, evenals de lasten en opbrengsten die zij teweegbrengen. Het moet het bedrag van de steunmaatregelen, per investering en totaal, aangeven waarop de coöperatieve aanspraak kan maken. § 2. Overeenkomstig het voorgeschrevene van bijlage II bepaalt de Minister de detailinhoud van het plan. Elke steunaanvraag moet bij aangetekend schrijven worden ingediend bij het bestuur en met inachtneming van de door het bestuur bepaalde voorstellingswijze. § 3. Eénzelfde coöperatieve mag voor niet meer dan één investeringsplan tegelijk in aanmerking komen. § 4. De investering(
- en)waarvan sprake in het plan dient (-
- en)de daarvoor geldende communautaire normen na te leven. Art. 44.De wijze van voorstelling, ontvangst en beoordeling door het bestuur, van beslissing door de Minister en, eveneens, van aanpassing en uitvoering van het plan bepaald in de artikelen 6, 7 en 8, § 1, 3, 4, en 5, zijn van toepassing. Art. 45.Behalve in geval van wijziging van het maatschappelijke doel van de coöperatieve met het oog op de heroriëntering van de activiteiten of bij buitengewone omstandigheden, erkend door de Minister, mag een investeringsplan niet onderbroken worden in de twee jaar volgend op de datum van mededeling ervan door de Minister. Art. 46.Geen enkele investering die uitgevoerd of aangevat is voor de formele goedkeuring door de Minister, komt voor steun in aanmerking. Art. 47.Het staat een coöperatieve vrij een investering waarvan sprake in zijn goedgekeurde plan al dan niet uit te voeren; zij dient er het bestuur over in te lichten en het steunbedrag waarvan zij vrijwillig afziet, wordt afgetrokken van het totale maximumsteunbedrag bepaald in artikel 52. Art. 48.Een maximumsteun die gelijk is aan 14 % van de in aanmerking komende waarde van de investering wordt toegekend voor investeringen die minstens voldoen aan één van de volgende criteria :
- a)bijdragen tot de oriëntatie van de productie volgens de voorspelbare evolutie van de markten of nieuwe afzetmogelijkheden voor de landbouwproductie bevorderen, door een vlottere voortbrenging en afzet van nieuwe producten of kwaliteitsproducten, met inbegrip van de biologische landbouwproducten;
- b)bijdragen tot de verbetering of de rationalisatie van de afzetkanalen of van het verwerkingsproces van de landbouwproducten;
- c)bijdragen tot de verbetering van de kwaliteit, de presentatie en de verpakking van de producten of tot een beter gebruik van de nevenproducten, met name door afvalrecyclage;
- d)de aanwending van nieuwe technologieën voor milieubescherming bevorderen;
- e)bijdragen tot de verbetering van de kwaliteit en de sanitaire voorwaarden, en tot een betere controle erop. Voor de investeringen die voldoen aan de criteria van het Waalse programma voor plattelandsontwikkeling 2007-2013, wordt de steun op 20 % gebracht. Art. 49.De aankoop van grond, eenjarige planten, plantages van eenjarige planten, bedrijfstoeslagrechten, quota's, dieren, vervoer en materieel voor het administratieve beheer van de coöperatieve en de eenvoudige vervangingsverrichtingen komen niet in aanmerking voor investeringssteun, behalve uitzonderingen bepaald bij dit besluit. Hetzelfde geldt voor draineringswerken en werken of de aankoop van irrigatiematerieel, tenzij die investeringen een vermindering van het waterverbruik met minstens 25 % opleveren. Art. 50.Om ontvankelijk te zijn, dient een investeringsplan minstens euro 30.000 aan investeringen over de gehele duur te voorzien en elke investering waarvan sprake in het plan moet op zich meer bedragen dan euro 10.000. De maximumwaarde die per investering waarvan sprake in het plan voor steun in aanmerking komt, bedraagt euro 250.000. De maximumwaarde die per investering waarvan sprake in het plan voor steun in aanmerking komt, bedraagt euro 500.000. Art. 51.De maximumbedragen voor in aanmerking komende investeringen bepaald in artikel 50 worden verhoogd met 30 % voor investeringen in : - nieuwe technologieën voor milieubescherming bevorderen; - de inrichting van gebouwen en/of de aanpassing van materieel om energiebesparingen door te voeren als aanvulling op andere, reeds toegekende overheidssteun. Art. 52.Maximumbedrag van de toegekende steun, per goedgekeurd plan : § 1. Per investeringsplan over drie jaar wordt er een maximumbedrag vastgesteld op het samengevoegde totaal van alle steunmaatregelen toegekend aan de diverse investeringen die in het investeringsplan worden voorgesteld. Het niveau van dat maximumbedrag staat in verhouding tot het aantal stemmen in de algemene vergadering die in handen zijn van de landbouwers, de CVGL, de groeperingen of verenigingen die lid zijn van een verwerkings- of afzetcoöperatieve en actief zijn op het ogenblik waarop het investeringsplan wordt ingediend. Het wordt vastgesteld als volgt : - van 3 tot 9 stemmen : euro 200.000; - van 10 tot 30 stemmen : euro 200.000 plus een bijkomend bedrag van euro 5.000 per stem; - van 31 tot 56 stemmen : euro 300.000 plus een bijkomend bedrag van euro 2.000 per stem; - meer dan 56 stemmen : geen bijkomend bedrag. § 2. De aanvrager dient erover te waken dat het totaal van de steunmaatregelen waarop hij aanspraak maakt wanneer hij zijn plan indient, de drempel bepaald in § 1 niet overschrijdt. § 3. Wordt het maximumbedrag onverschreden vóór de analyse van de aanvraag en de eventuele weigering van sommige investeringen, worden alle aangevraagde steunmaatregelen verhoudingsgewijs verminderd om de drempel waarvan sprake in § 1 te bereiken. Art. 53.De steun voor de coöperatieven waarvan de investeringsplannen over drie jaar zijn goedgekeurd overeenkomstig de maximale steunniveaus bepaald in de artikelen 48 tot en met 52, volgens een verdeling die nader is bepaald in het goedgekeurde plan, in de vorm van ofwel : 1. een rentetoelage die gelijk is aan het verschil tussen het referentiepercentage bepaald in artikel 1, 32°, die in werking is op het tijdstip van de ondertekening van de lening met de kredietinstelling en het minimumpercentage van 3,0 % ten laste van de coöperatieve.Het percentage van de rentetoelage mag niet hoger zijn dan 5 % en de rentetoelage heeft betrekking op een maximumduur van zeven jaar voor de investeringen in materiaal en van maximum vijftien jaar voor de investeringen in gebouwen; 2. een tegemoetkoming in het kapitaal, in één schijf uitbetaald als het steunbedrag lager is dan euro 50.000, twee schijven als het lager is dan euro 100.000 en drie schijven als het hoger is dan euro 100.000. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten wordt de tegemoetkoming in het kapitaal bij voorrang voorbehouden voor investeringen in materieel; 3. een combinatie van de steunmaatregelen die de rentetoelage en de kapitaalpremie zijn. Art. 54.Er kan een overheidsgarantie worden verleend voor een periode gelijk aan zeven jaar voor de investeringen in materieel of uitrustingen die de tien jaar niet overschrijden wat de investeringen in gebouwen betreft. Die garantie die toegekend kan worden voor elke investering van het investeringsplan dat in aanmerking komt voor een steunmaatregel en waarvoor er een lening aangevraagd wordt bij een openbare of privé-instelling die daartoe wordt erkend. Art. 55.De investeringen in materieel, uitrustingen en/of onroerende goederen voor de verwerking van producten van de coöperatieve die verricht worden op een plaats gelegen in een landelijke vrije zone, komen in aanmerking voor de aanvullende steunmaatregelen bepaald in de artikelen 48 en 51, waarbij de globale steun gebracht wordt op 40 % van het bedrag dat voor investeringen in aanmerking komt. Die aanvulling wordt toegekend via de verdeelsleutel van de begrotingsmiddelen opgenomen in het Impulsfonds voor de ontwikkeling van de plattelandseconomie, zoals bepaald in artikel 42, § 4, van het programmadecreet van 23 februari 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale