📄 Wettekst
22 DECEMBER 2010. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten, van het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS1800-mobilofonienetten en van het
koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
20/01/2001
numac
2001014004
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie
sluiten tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Algemeen Vastgesteld moet worden dat UMTS of 3G-diensten in het algemeen in België, - in tegenstelling tot andere Europese landen,- geen hoge vlucht nemen. Zodoende blijven gebruikers verstoken van goedkope en kwaliteitsvolle aanbiedingen van mobiel internet en andere mobiele breedbandtoepassingen. Onderhavig besluit beoogt de toegang tot de markt voor een vierde 3G-operator te vereenvoudigen. Er kan immers aangenomen worden dat een of meer nieuwe operatoren voor meer mededinging op de Belgische 3G-markt zou zorgen, hetgeen zou moeten resulteren in een aantrekkelijker en gevarieerder aanbod en lagere prijzen voor de gebruikers.
Tegelijk wil dit besluit de mobiele operatoren die nu reeds 2G- en 3G-diensten verstrekken een voldoende zekerheid in de tijd bieden en wordt hen een verlenging van hun huidige vergunningen mogelijk gemaakt.
Onderhavige maatregelen doen geen afbreuk aan de omzetting van de Richtlijnen 2009/136 en 2009/140 of bemoeilijken de omzetting ervan niet.
Artikelgewijze bespreking Artikel 1, alsook artikel 6, geven het Instituut de mogelijkheid om de vergunningen van de 2G-operatoren te verlengen tot 2021. Zodoende krijgen deze operatoren zekerheid over de looptijd van hun vergunning, wat in een commerciële en snel evoluerende omgeving alsook voor hun activiteiten die regelmatige investeringen vereisen, een belangrijk pluspunt is.
Het feit dat de einddatum van de 2G-vergunningen samenvalt met de einddatum van de eerste 20 jaar van de 3G-vergunningen zal de overheid op dat moment toelaten het wetgevend kader aan te passen aan de toekomstige marktomstandigheden en een technologie- en dienstonafhankelijk kader te creëren.
Artikel 18 bevat het mechanisme dat een of meer nieuwe 3G-operatoren in staat moet stellen om op redelijke wijze voldoende spectrum te verwerven in de 2 GHz-band. De artikelen 2, 7 en 35 bevatten het mechanisme dat het mogelijk maakt dat een van de nieuwe 3G-operatoren spectrum verwerft in de banden 900 en 1800 MHz. Deze bepalingen voorzien immers dat voor een nieuwe 3G-operator een gereserveerde band wordt voorzien in de 2 GHz-band. Wanneer de vierde 3G-operator deze band krijgt toegewezen kan hij ervoor opteren om eveneens in de 900 MHz- alsook in de 1800 MHz-banden spectrum te verwerven.
Het is aangewezen dat de nieuwe 3G-operator zo snel mogelijk toegang te bieden tot de 900 MHz-band. De omstandigheden voor propagatie in de 900 MHz-band zijn veel gunstiger dan in de 2.1 GHz-band. Voor een identieke dekking zijn dus veel meer sites nodig in de 2.1 GHz-banden dan in de 900 MHz-band. Door de toegang tot de 900 MHz-band voor de nieuwe 3G-operator zou deze een veel snellere dekking moeten kunnen hebben, vooral in de landelijke gebieden. Een nieuwe 3G-operator krijgt een voorkooprecht op 4,8 MHz duplex spectrum op 900 MHz band, gekoppeld aan 10 MHz duplex in de 1800 MHz band. Het Instituut meent dat dit de competitie en de ontplooiing van het netwerk van de nieuwe 3G-operator ten goede zal komen, teneinde een level playing field te creëren.
De reeds vergunde operatoren moeten enerzijds, in voorkomend geval, een hoeveelheid spectrum inleveren teneinde de vierde 3G-operator toe te laten in de 900 MHz- en 1800 MHz-banden. Daar staat tegenover dat op hun verzoek hun vergunningen voor een lange periode worden verlengd en dat hen de mogelijkheid wordt geboden om bijkomend spectrum te verwerven op de 2 GHz-band.
Deze regeling is redelijk en proportioneel : De wijzigingen aangebracht door onderdeel 1°, d) van artikel 2 laten de mogelijkheid open voor het Instituut om de coördinatieakkoorden met de buurlanden te wijzigen. Het schrappen van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten door artikel 5 van het ontwerp is daarvan het logische gevolg.
Er moet ook vastgesteld worden dat onderhavig besluit geenszins afwijkt van de bestaande Richtlijn 87/372/EEG van de Raad van 25 juni 1987 inzake de voor een gecoördineerde invoering van openbare paneuropese digitale cellulaire mobiele communicatie te land in de Gemeenschap beschikbaar te stellen frequentiebanden.
Onderhavig wijzigingsbesluit kan bezwaarlijk in strijd geacht worden met het doel van de richtlijn.
De artikelen 2, 5°, 7 en 20 voeren bepalingen in die het Instituut de mogelijkheid bieden om de verdeling van de toegewezen kanalen te wijzigen om het gebruik van het spectrum te optimaliseren. Het is echter duidelijk dat de operatoren over een redelijke termijn moeten beschikken om deze wijzigingen aan te brengen.
Het toekennen van deze bevoegdheid is in overeenstemming met artikel 13 van de
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet betreffende de elektronische communicatie
sluiten alsook met de artikelen 8.1 en 8.2.d, van de Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn), zoals gewijzigd door de Richtlijn 2009/140/EG (verder genoemd : de Kaderrichtlijn) De artikelen 3 en 8 betreffen de betaling van de enige heffing voor de 900 MHz- en de 1800 MHz-band.
De artikelen 4 en 9 staan het de operatoren toe om geen rechten meer te betalen voor het beschikbaar stellen van de frequenties voor de kanalen die buiten dienst worden gesteld.
Wat betreft artikel 5 wordt het opheffen van de artikelen 20 tot 31 gerechtvaardigd door het verouderde karakter van de betreffende toekenningsprocedure.
Er is geen reden meer om deze nog te handhaven.
Artikel 7 voorziet in analoge regelingen t.a.v. de DCS-operator zoals deze vermeld in artikel 2, 1°, c), van onderhavig besluit.
Wat artikel 10 betreft, is de opheffing van de artikelen 25 tot 35 gerechtvaardigd gelet op de verouderde aard van de toewijzingsprocedure in kwestie. Er is geen reden meer om deze te behouden.
Artikel 12 bepaalt de dekkingsvereisten waaraan de nieuwe 3G-operatoren moeten voldoen. Opgemerkt moet worden dat expliciet bepaald wordt dat de dekkingsvereisten gelden ongeacht de banden waarin het netwerk wordt opgezet, d.w.z. dat de nieuwe 3G-operatoren, voor het geheel van hun netwerk aan de onderhavige netwerkvereisten moeten voldoen. Indien zij hun netwerk eveneens ontplooien in de 900 MHz- en de 1800 MHz-band, zijn ze aldus niet onderworpen aan de dekkingsvereisten die vermeld zijn in respectievelijk het eerder vernoemde koninklijk besluit van 7 maart 1995 en het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS1800-mobilofonienetten.
Zoals vermeld op pp. 99-100 van de studie « Future Regulation of Wireless Access in the 790MHz-3400MHz Spectrum Bands » van Analysys Mason Hogan & Hartson van 11 februari 2010 (1) wordt in de meeste Europese lidstaten voor dekkingsverplichtingen geopteerd die gelijk zijn aan die aan eerdere operatoren werden opgelegd.
De dekkingsvereisten moeten meerdere doelstellingen beogen met name de aanmoediging van efficiënte investeringen, de totstandkoming van een duurzame mededinging die op infrastructuur steunt, de niet-discriminatie ten opzichte van de eerste 3G-vergunningen die werden toegewezen en het optimaal gebruik van het radio-elektrisch spectrum. Om deze doelstellingen te verzoenen, werd er besloten de dekkingsvoorwaarden te behouden voor de houder van de vierde vergunning onder dezelfde voorwaarden als degenen die gelden voor de eerste in 2001 toegewezen 3G-vergunningen.
Teneinde deze verplichting te compenseren en de komst van een nieuwe operator op de markt te bevorderen, die per definitie geen 2G-netwerk heeft waarop hij kan steunen, gaan deze verplichtingen gepaard met de mogelijkheid om over een nationale roamingdienst te beschikken bij een 3G-operator die ook over 2G-frequenties beschikt.
De verplichting opgelegd door artikel 13 is analoog aan de verplichting die ter zake voor de bestaande operatoren bestond.
Inzake artikel 14 kunnen de volgende opmerkingen worden gemaakt : overeenkomstig artikel 5.1 van de Kaderrichtlijn dienen de regulatoren passende toegang en interconnectie alsook operabiliteit van diensten te bevorderen en te waarborgen.
De regulatoren moeten dat doen op een wijze die bevorderlijk is voor efficiëntie en duurzame concurrentie, efficiënte investeringen, innovatie en die de gebruikers het grootste voordeel biedt.
Artikel 5.3 voegt daaraan toe dat wat betreft de in artikel 5.1 genoemde toegang en interconnectie, de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de regulatoren de bevoegdheid hebben om, indien gerechtvaardigd, op eigen initiatief in te grijpen ter waarborging van de beleidsdoelstellingen van artikel 8 van de Kaderrichtlijn en, in concreto, meer bepaald van artikel 8.2 van de Kaderrichtlijn.
Artikel 8.2 van de Kaderrichtlijn bepaalt dat de nationale regelgevende instanties middels evenredige maatregelen de mededinging moeten bevorderen zodat de gebruikers optimaal kunnen profiteren wat betreft de keuze, prijs en kwaliteit, dat zij er zorg voor dragen dat er geen verstoring of beperking van de mededinging is, en zij bevorderen een efficiënt gebruik en beheer van het radiospectrum.
De voorgestelde aanpassingen beogen het Instituut een duidelijk kader te bieden waarbinnen het in voorkomend geval nationale roaming kan opleggen. Het Instituut wordt binnen dit wettelijke kader de nodige ruimte gelaten om rekening te houden met de concrete omstandigheden, om de nadere regels van de nationale roaming vast te leggen alsook de rechten en plichten van de partijen te bepalen.
De GSM telecommunicatiediensten bevatten onder meer de spraak- en SMS diensten, de GPRS diensten of de toegang tot de nooddiensten.
Nationale roaming is een belangrijk instrument voor een nieuwkomer op de mobiele markt om snel een klantenbasis uit te bouwen en de concurrentie aan te gaan terwijl het eigen netwerk nog wordt uitgerold. In dat kader heeft de Europese Commissie trouwens nationale roaming en andere vormen van delen van netwerken aangemoedigd : in de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - De invoering van mobiele communicatie van de derde generatie (3G) in de Europese Unie : Stand van zaken en de weg vooruit (COM/2001/0141) wordt daaromtrent gesteld : « ( ... )De Commissie is ( ... ) voornemens om zo spoedig mogelijk, binnen het bestek van de geldende wetgeving [16], een dialoog met de lidstaten, de exploitanten en de producenten van uitrusting op gang te brengen, teneinde concrete mogelijkheden te onderzoeken om de introductie van 3G-netwerken en -diensten te vergemakkelijken. De te behandelen onderwerpen zijn onder andere : ( ... ) - voorwaarden waaraan moet worden voldaan om gedeeld gebruik van netwerkinfrastructuur mogelijk te maken; de Commissie staat daar, gezien de potentiële economische voordelen, in principe positief tegenover op voorwaarde dat de mededingingsregels en de bepalingen van andere relevante Gemeenschapswetgeving in acht worden genomen. » Artikel 5 van de Toegangsrichtlijn laat een uitzonderingsregime toe, meer bepaald een regeling die afwijkt van het regime van de markt-analyses. In eerste instantie dienen daarom de gewone commerciële procedures doorgang te vinden en blijft het in de voorgestelde regeling noodzakelijk dat de operatoren vooreerst commerciële onderhandelingen voeren. Pas wanneer blijkt dat deze commerciële onderhan-delingen niet tot een overeenkomst leiden binnen de redelijke termijn van zes maanden, kan het Instituut overgaan tot het opleggen van een overeenkomst van nationale roaming.
Elke operator die de verklaring van nationale roaming in bijlage 2 van het
koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
20/01/2001
numac
2001014004
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie
sluiten heeft ondertekend, moet de daaruit voortvloeiende verplichtingen uiteraard nog steeds nakomen.
Bovendien is het belangrijk om aan te duiden dat het in voorkomend geval opleggen van nationale roaming slechts een tijdelijke maatregel is die tot doel heeft de marktintrede van de betreffende operator te vergemakkelijken doordat de nationale roaming hem de mogelijkheid biedt om snel een basisklantenbestand uit te bouwen terwijl hij zijn eigen netwerk uitbouwt met het oog op de dekking van een groot deel van de bevolking. Om de operator die nationale roaming bekomt aan te moedigen om zijn eigen netwerk uit te rollen, wordt zijn recht op nationale roaming trouwens niet alleen beperkt in de tijd maar ook afhankelijk van het naleven, middels zijn eigen netwerk, van de dekkingsverplichtingen. Zodoende wordt vermeden dat een operator louter aan de hand van nationale roaming, de concurrentie aangaat.
Dit zou immers een scheeftrekking van de mededinging inhouden t.a.v. de andere operatoren die wel hun eigen netwerk hebben moeten uitbouwen. Ten slotte moet het in voorkomend geval opleggen van nationale roaming beschouwd worden als een maatregel die door het vergemakkelijken van de marktintrede van een of meer mobielnetwerk-operatoren de mededinging op basis van eigen netwerken aanmoedigt hetgeen de technologische ontwikkeling en de verbetering van de kwaliteit ten goede moet komen.
Artikel 15 voorziet dat de vergunning van een nieuwe 3G-operator afloopt in 2021, tezamen met de andere 3G-vergunningen. Zodoende is de looptijd van de vergunning van de nieuwe 3G-operator korter dan deze van de oorpronkelijke 3G-operatoren, maar dat wordt verantwoord door dat het gelijktijdig aflopen van de 3G-vergunningen een herschikking van de betreffende frequentiebanden mogelijk maakt zodat het frequentiegebruik geoptimaliseerd kan worden in functie van de technologische evoluties.
Artikel 15, 1°, is verantwoord aangezien de beperking tot één vergunning niet consistent is met artikel 19 van onderhavig besluit.
Artikel 16 voorziet in een opdeling van lot C, dat nog niet werd toegekend, in drie blokken van ongeveer 5 MHz duplex (één van de drie blokken bedraagt 4.8 MHz). Deze blokken worden in eerste instantie voorbehouden voor elk nieuwe 3G-operator. Krachtens artikel 17 wordt een nieuwe 3G-operator de kans gegeven om (1) de drie blokken te verwerven, (2) twee aaneensluitende blokken te verwerven of (3) één blok te verwerven. Naderhand krijgen alle mogelijke geïnteresseerden (inclusief bestaande 3G-operatoren) de kans om de niet-geveilde blokken te verwerven.
Op die manier wordt het mogelijk enerzijds voor een nieuwe 3G operator om het aantal blokken te verwerven dat overeenstemt met zijn noden als nieuwe operator op de markt en anderzijds, rekening houdend met de maximale hoeveelheid spectrum per relevante groep zoals bepaald in artikel 19, de drie bestaande operatoren de kans te bieden om de andere blokken te verwerven overeenkomstig artikel 18.
Bovendien kan opgemerkt worden dat wanneer de nieuwe 3G-operator het volledige lot C verwerft, de band vergelijkbaar is met de loten die de drie bestaande operatoren hebben verworven in 2001.
Artikel 17 regelt het gebruik door de 3G-operator van de 900 MHz- en 1800 MHz-banden.
Artikel 18 regelt een veilingprocedure die eerst voorbehouden is voor kandidaten die nog geen 3G-vergunning hebben, teneinde de komst op de markt van een vierde speler alsook de ontwikkeling van de concurrentie te bevorderen. Om de kandidaten soepelheid te bieden, voorziet de procedure in eerste instantie in een veiling voor een aangrenzend blok van 14,8 MHz duplex en pas daarna in de veiling van kleinere blokken.
Indien ondanks deze soepelheid niet-toegewezen frequenties zouden overblijven na deze eerste procedure, zou het BIPT een andere veilingprocedure kunnen organiseren die deze keer open voor alle actoren zou zijn.
Dankzij artikel 19 kan worden voorkomen dat één enkele operator het gehele beschikbare spectrum inneemt.
De wijzigingen aan de artikelen 23, 24, 26 tot 29, 33, 34 en 36 worden als volgt verantwoord : Tot nog toe bepaalde het voornoemde
koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
20/01/2001
numac
2001014004
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie
sluiten dat de Koning aan de minister de bevoegdheid delegeerde om de vergunningen toe te kennen.
De delegatie door de Koning aan de minister is niet meer in overeenstemming met het huidige reglementaire kader. Immers, overeenkomstig artikel 13 van de
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet betreffende de elektronische communicatie
sluiten betreffende de elektronische communicatie is het Instituut bevoegd voor het spectrumbeheer : « Artikel 13.Het Instituut is belast met : 1°het beheer van het radiofrequentiespectrum; 2° het onderzoek van de aanvragen voor het gebruik van het radiofrequentiespectrum, behoudens de aanvragen bestemd voor radio- en televisieomroep;3° de coördinatie van de radiofrequenties zowel op nationaal als op internationaal vlak;4° de controle op het gebruik van de radiofrequenties. Voor de toewijzing en de coördinatie van radiofrequenties houdt het Instituut rekening met onder meer de betreffende internationale, regionale of bijzondere overeenkomsten alsook met de Europese bepalingen inzake de harmonisatie van radiofrequenties. » Het feit dat een wetgevende bepaling voorrang heeft op een bepaling van een (bovendien vroeger) uitvoeringsbesluit kan niet worden betwist. Daarom is het de taak van het Instituut om alle besluiten te nemen met betrekking tot de toekenning van de vergunningen.
Welnu, deze artikelen worden verantwoord door de bevoegdheid van het Instituut om de vergunningen toe te kennen.
Wat betreft de artikelen 30 en 31 kan gesteld worden dat de opgeheven artikelen 47 en 49 enerzijds betrekking hebben op de praktische regels van de procedure die al naargelang de praktische omstandigheden door het BIPT vastgelegd kunnen worden. Anderzijds wordt door de opheffing van deze artikelen geen minimaal bedrag per bod meer opgelegd teneinde de veiling aantrekkelijk te maken voor kleinere operatoren.
Wat artikel 33 betreft, is het niet aan het Instituut om uit geassocieerde bieders de entiteit te kiezen die zal deelnemen aan de toewijzingsprocedure. Indien de geassocieerde bieders niet tot een relevante beslissing ter zake komen, worden deze uitgesloten van de toewijzingsprocedure.
Artikel 35 bepaalt eveneens dat een vierde 3G-operator de mogelijkheid heeft om op grond van zijn vergunning voor 2 GHz-banden ook spectrum toegekend te krijgen op 900 MHz en op 1800 MHz.
Het advies 47.980/4 van de Raad van State werd gevolgd. Inzake de opmerking van de Raad van State over het ter consultatie voorleggen van onderhavig besluit, kan het volgende worden gesteld : er zijn over dit ontwerp consultaties georganiseerd geworden op 18 november 2009 en op 24 december 2009. De aangebrachte wijzigingen gebeurden naar aanleiding van de antwoorden op deze consultaties. De betrokken partijen hebben hun standpunt kenbaar kunnen maken en bij de opstellen van het ontwerp werd daarmee rekening gehouden. Daarmee is aan de betreffende voorwaarde van artikel 14.1 van de Machtigingsrichtlijn voldaan. Uit het genoemde artikel 14.1 blijkt immers niet dat ieder ontwerp na wijziging n.a.v. een consultatie, opnieuw ter consultatie zou moeten worden voorgelegd.
Dit zijn, Sire, de voornaamste bepalingen van het besluit dat aan Uwe Majesteit ter goedkeuring wordt voorgelegd.
Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen, V. VAN QUICKENBORNE _______ Nota (1) Gepubliceerd op de website van het BIPT : http://www.bipt.be/ nl/425/DocAndContentsListPub/Mededelingen/DocAnd ContentsListPub.aspx?_themeID=84
ADVIES 45.621/4 VAN 7 JANUARI 2009 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 9 december 2008 door de Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten, van het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS1800-mobilofonienetten en van het
koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
20/01/2001
numac
2001014004
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie
sluiten tot vaststelling van het bestek en de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie", heeft het volgende advies gegeven : Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de
wet van 2 april 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/04/2003
pub.
14/05/2003
numac
2003000376
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van sommige aspecten van de wetgeving met betrekking tot de inrichting en de werkwijze van de afdeling wetgeving van de Raad van State
sluiten, beperkt de afdeling wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
Gedeeltelijke onontvankelijkheid van de adviesaanvraag Artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten bepaalt het volgende : « De vergunning die krachtens dit bestek wordt verleend [(1)], is geldig gedurende een periode van vijftien jaar, te rekenen vanaf de datum waarop die vergunning is uitgereikt.
Na het verstrijken van die eerste periode kan de vergunning stilzwijgend worden verlengd voor opeenvolgende termijnen van vijf jaar.
De Minister en de operator mogen afzien van de stilzwijgende verlenging, op grond van een opzegging van twee jaar betekend met een ter post aangetekende brief. De beslissing de vergunning niet te verlengen houdt met name rekening met de voorwaarden waaronder de operator voldaan heeft aan de voorwaarden van zijn vergunning en van het bestek, alsook met de algemene ontwikkeling van de sector van de mobiele diensten. » Artikel 1, 1°, van het ontworpen besluit wil die bepaling zo wijzigen dat het eerste lid ervan voortaan het volgende bepaalt : « De vergunning die krachtens dit bestek wordt verleend, is geldig gedurende een periode van vijftien jaar, te rekenen vanaf de datum waarop die vergunning is uitgereikt, [behoudens de vergunningen van de GSM 1-operator en de GSM2-operator die geldig blijven tot 2 juli 2013 op voorwaarde dat deze operatoren : a) binnen de vier weken na de inwerkingtreding van onderhavige bepaling schriftelijk hun uitdrukkelijke toestemming bevestigen aan het Instituut om hun vergunning te laten verlengen tot 2 juli 2013, en b) ten laatste zes maanden voor het aflopen van de initiële vergunningstermijn van 15 jaar het in artikel 15, § 1bis van dit besluit bedoelde concessierecht betalen.De betreffende betaling gebeurt door de GSM1-operator ten laatste op 2 januari 2011, voor de GSM2- operator ten laatste op 27 mei 2010.] » Het koninklijk besluit van 7 maart 1995, dat men hier wil wijzigen, definieert weliswaar niet rechtstreeks en uitdrukkelijk de begrippen "GSM1-operator" en "GSM2-operator", maar definieert wel het begrip "GSM1" als "eerste GSM-net op 900 Mhz in België geëxploiteerd door BELGACOM of haar dochteronderneming onder de handelsnaam PROXIMUS", en het begrip "GSM2" als "tweede GSM-net op 900 MHz in België geëxploiteerd door de tweede operator".
Daarnaast definieert het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten, dat men ook van zins is te wijzigen via het ontworpen besluit, de begrippen "GSM1-operator" en "GSM2-operator", en dit respectievelijk als volgt : de "naamloze vennootschap BELGACOM MOBILE welke het eerste GSM-net op 900 MHz in België exploiteert onder de handelsnaam PROXIMUS" en de "naamloze vennootschap MOBISTAR welke het tweede GSM-net op 900 MHz in België exploiteert".
Uit wat voorafgaat volgt dat de wijziging die artikel 1, 1°, van het ontworpen besluit wil aanbrengen in artikel 3, § 2, eerste lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 7 maart 1995 er eigenlijk toe strekt de looptijd te verlengen van twee specifieke vergunningen, waarvan de ene aan PROXIMUS is toegekend en de andere aan MOBISTAR, vergunningen waarvan de ene volgens de steller van het ontwerp overeenkomstig de van kracht zijnde regels op 1 juli 2011 zou verstrijken en de andere op 26 november 2010 (2).
Die "verlenging" geschiedt luidens de ontworpen regeling enkel na instemming van de twee betrokken operatoren, en tegen betaling door elk van hen van een welbepaald recht, waarvan het bedrag specifiek wordt bepaald door de wijziging die artikel 3 van het ontworpen besluit beoogt aan te brengen in artikel 15 van het voornoemde koninklijk besluit van 7 maart 1995, door daaraan een paragraaf 1bis toe te voegen. Die nieuwe paragraaf 1bis zal alleen van toepassing zijn in het kader van de verlenging van de twee betreffende vergunningen tot 2 juli 2013.
Daaruit volgt dat de wijzigingen die artikel 1, 1°, en artikel 3 van het ontworpen besluit beogen aan te brengen in de artikelen 3, § 2, en 15 van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 ertoe strekken het verdere verloop van twee specifieke individuele situaties te regelen, die van de vergunningen toegekend aan twee bij naam genoemde operatoren, namelijk PROXIMUS en MOBISTAR, bij individuele beslissingen die volgens het verslag aan de Koning respectievelijk dateren van 2 juli 1996 en 27 november 1995.
Zulke bepalingen brengen geen algemene en abstracte rechtsregels tot stand. Ze zijn dus niet van reglementaire aard in de zin van artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
De adviesaanvraag is dan ook onontvankelijk voor zover ze betrekking heeft op artikel 1, 1°, en artikel 3 van het ontworpen besluit. Die bepalingen worden dan ook niet onderzocht in het onderhavige advies.
Onderzoek van het ontwerp (behalve de artikelen 1, 1°, en 3 van het ontwerp) Aanhef 1. Bij elk van de adviezen die over het ontworpen besluit zijn gevraagd en die in het vijfde tot zevende lid van de aanhef worden opgegeven, moet de datum worden vermeld.2. De akkoordbevinding van 5 december 2008 is die van de Staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de Eerste Minister, die onder meer bevoegd is voor begroting.In het zevende lid van de aanhef moeten de woorden "minister van Begroting" dus worden vervangen door de woorden "Staatssecretaris voor Begroting". 3. De gegevens die in het achtste lid van de aanhef van het ontworpen besluit worden aangevoerd, horen niet thuis in een lid van de aanhef dat begint met de woorden "gelet op".Ze kunnen eventueel in de aanhef worden opgenomen in de vorm van een overweging, aangezien het advies van de afdeling wetgeving niet is gevraagd binnen de termijn van vijf werkdagen, overeenkomstig artikel 1, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 4. Het negende lid moet als volgt worden gesteld : « Gelet op advies 45.621/4 van de Raad van State, gegeven op 7 januari 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; » (3).
Dispositief Artikel 2 1. Volgens de inlichtingen die de gemachtigde van de minister heeft meegedeeld, heeft de wijziging die artikel 2, 1°, b), van het ontworpen besluit wil aanbrengen in artikel 7, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten tot doel vooruit te lopen op een op Europees niveau geplande wijziging van Richtlijn 87/372/EEG van de Raad van 25 juni 1987 inzake de voor een gecoördineerde invoering van openbare pan-Europese digitale cellulaire mobiele communicatie te land in de Gemeenschap beschikbaar te stellen frequentiebanden (4), aangezien bepaalde frequentiebanden krachtens artikel 1, lid 1, van die richtlijn uitsluitend voor een openbare pan-Europese cellulaire digitale mobiele communicatiedienst beschikbaar worden gesteld. Het ontworpen besluit mag niet vooruitlopen op een eventuele, latere wijziging van een Europese richtlijn en aldus geen nieuwe regels bepalen die indruisen tegen de thans geldende bepalingen van de richtlijn waarvan een wijziging wordt gepland.
Artikel 2, 1°, b), van het ontwerp moet dus vervallen. 2. Gelet op de wijziging die wordt aangebracht in artikel 7, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 door artikel 2, d), van het ontwerp, moet ook worden voorzien in een bepaling waarbij bijlage I van het genoemde besluit wordt opgeheven. De kamer was samengesteld uit : De heren : Ph. Hanse, kamervoorzitter;
P. Liénardy en J. Jaumotte, staatsraden;
Mevr. C. Gigot, griffier.
Het verslag werd uitgebracht door Mevr. A. Vagman, auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. Liénardy.
De griffier, C. Gigot.
De voorzitter, Ph. Hanse. _______ Nota's (1) Namelijk, volgens artikel 2, § 1, van hetzelfde besluit, de vergunning die "het opzetten en exploiteren van een GSM-mobilofoonnet in België (dekt) dat werkt op basis van de Europese norm voor digitale openbare radioverbinding, GSM, in de 900 MHz-band".(2) Die data kunnen worden afgeleid uit de informatie verschaft in het verslag aan de Koning.(3) Zie Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, 2008, aanbeveling nr.36.1 en formulier F 3-5-2 www.raadvst-consetat.be/?page=technique_legislative&lang=nl (07/01/2009). (4) Zie document COM(2008) 762 final, 2008/0214(COD), Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council "amending Council Directive 87/372/EEC on the frequency bands to be reserved for the coordinated introduction of public pan-European cellular digital land-based mobile communications in the Community", ingediend door de Commissie. ADVIES 47.080/2/V VAN 17 AUGUSTUS 2009 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling Wetgeving, tweede vakantiekamer, op 24 juli 2009 door de Ministre voor Ondernemen en Vereenvoudigen verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten, van het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS1800-mobilofonienetten en van het
koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
20/01/2001
numac
2001014004
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie
sluiten tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie", heeft het volgende advies gegeven : Ontvankelijkheid van het ontwerpbesluit 1. De afdeling Wetgeving van de Raad van State is verzocht om binnen dertig dagen een advies uit te brengen over een ontwerpbesluit dat haar reeds is voorgelegd en waarover op 7 januari 2009 advies 45.621/4 is uitgebracht.
Wanneer de afdeling Wetgeving een advies heeft gegeven, heeft ze in principe de bevoegdheid opgebruikt die ze krachtens de wet heeft en het komt haar derhalve niet toe om zich opnieuw uit te spreken over reeds onderzochte bepalingen, ongeacht of ze herzien zijn teneinde rekening te houden met de opmerkingen die in het eerste advies gemaakt zijn, dan wel ongewijzigd blijven.
Dat geldt niet wanneer overwogen wordt in de tekst volledig nieuwe bepalingen in te voegen waarvan de inhoud losstaat van de opmerkingen of voorstellen die door de afdeling Wetgeving in het eerste advies zijn gemaakt of gedaan : in zo'n geval moet de afdeling Wetgeving weer worden geraadpleegd omtrent de nieuwe bepalingen.
Dat geldt ook niet wanneer na het eerste advies nieuwe juridische gegevens opduiken die kunnen rechtvaardigen dat de tekst door de afdeling Wetgeving wederom wordt onderzocht : in zo'n geval moeten de bepalingen van de tekst waarvoor die nieuwe gegevens consequenties hebben, aan de afdeling Wetgeving worden voorgelegd.
Artikel 2, 1°, a) en d), en 2°, en artikel 12 van het ontworpen besluit worden bijgevolg niet onderzocht. 2. De afdeling Wetgeving van de Raad van State wordt verzocht binnen een termijn van dertig dagen advies te verstrekken. Uit artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State volgt dat de afdeling Wetgeving zich in zulk een geval kan bepalen tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de regeling die haar is voorgelegd, van de rechtsgrond van die regeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan.
Wat die punten betreft, geeft de voorliggende tekst aanleiding tot de volgende opmerkingen.
Voorafgaande vormvereisten 1. De akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begroting dagtekent van 5 december 2008.Het gaat dus om een instemming met de versie van het ontworpen besluit waarover het voornoemde advies 45.621/4 is uitgebracht. Gezien de wijzigingen die sedertdien zijn aangebracht, behoort het ontworpen besluit opnieuw ter goedkeuring aan de Staatssecretaris voor Begroting te worden voorgelegd (1). 2. Het dossier dat voor advies aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State is overgezonden, bevatte geen advies van het BIPT.Er moet voor gezorgd worden dat naar behoren aan dat vormvereiste wordt voldaan.
Bijzondere opmerkingen Aanhef 1. Er is geen grond om in het eerste lid artikel 13 van de
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet betreffende de elektronische communicatie
sluiten betreffende de elektronische communicatie te vermelden.Dat artikel levert immers geen rechtsgrond op voor het ontworpen besluit.
Er moet daarentegen wel gepreciseerd worden dat artikel 30, § 2, van deze wet de rechtsgrond oplevert. 2. In het tweede tot het vierde lid behoort de vermelding van de wijzigingen die in de besluiten zijn aangebracht, te worden weggelaten (2). 3. Het lid dat betrekking heeft op het advies van de Raad van State moet luiden als volgt : « Gelet op advies 47.080/2/V van de Raad van State, gegeven op 17 augustus 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; » (3).
Dispositief Artikel 2 Wat onderdeel 3° betreft, moet de steller van het ontwerp in staat zijn te wettigen waarom de ontworpen bepaling voorschrijft dat een GSM-operator op 900 MHz, die een DCS-1800 netwerk aanlegt en exploiteert, niet gebonden is door sommige verplichtingen vastgelegd in het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800 mobilofonienetten.
Artikel 4 Aangezien de artikelen 20 tot 31, die men van zins is op te heffen, allemaal in hetzelfde hoofdstuk staan, is het beter te schrijven : « Hoofdstuk 2, dat de artikelen 20 tot 31 bevat, en bijlage 1 van hetzelfde besluit worden opgeheven. » Een soortgelijke opmerking geldt voor artikel 8.
Artikel 5 In de Franse versie moet in de inleidende zin het woord "GSM" vervangen worden door de woorden "DCS 1800".
Artikel 6 In de ontworpen paragraaf 2bis, tweede lid, van het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
sluiten, moeten de eerste en de tweede zin van plaats worden verwisseld. De gemachtigde van de minister is ermee eens.
Artikel 11 Het ontworpen artikel 18, § 2, tweede lid, van het
koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
20/01/2001
numac
2001014004
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie
sluiten tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie bepaalt het volgende : « De vergunning loopt af op 15 maart 2021 ».
Het is de afdeling Wetgeving dan ook niet duidelijk waarom in onderdeel 1° voorzien wordt in een wijziging van artikel 18, § 2, eerste lid, zodat daarin gepreciseerd wordt dat de vergunning maximaal voor 20 jaar geldt. Zodra immers de vervaldatum van de vergunning wordt opgegeven, namelijk 15 maart 2021, heeft het geen zin te preciseren dat deze maximaal 20 jaar geldig is.
Artikel 11, 1°, van het ontworpen besluit moet derhalve vervallen.
Artikel 13 In het tweede lid van de ontworpen paragraaf 2ter behoort gepreciseerd te worden wat verstaan moet worden onder "Elke belangstellende partij".
Dat is des te meer nodig daar er in het vierde lid van hetzelfde ontworpen artikel 22, § 2ter en in ontworpen artikel 22, § 4quater (artikel 14 van het ontwerp) sprake is van de "betrokken partijen" en die twee begrippen niet met elkaar lijken overeen te stemmen.
Slotopmerking De Nederlandse en de Franse tekst behoeven herziening.
De kamer was samengesteld uit : De heren : R. Andersen, eerste voorzitter van de Raad van State;
P. Lewalle en P. Vandernoot, staatsraden;
Mevr. C. Gigot, griffier.
Het verslag werd uitgebracht door Mevr. L. Vancrayebeck, auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. Vandernoot.
De griffier, De eerste voorzitter, C. Gigot. R. Andersen. _______ Nota's (1) Dat is geschied voor het advies van de inspecteur van Financiën. (2) Zie Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, 2008, tab "Wetgevingstechniek", aanbevelingen 29 en 30, www.raadvst-consetat.be (17/08/2009). (3) Ibidem, aanbeveling nr.36.1 en formule F 3-5-2.
ADVIES 47.980/4 EN 47.981/4 VAN 7 APRIL 2010 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling Wetgeving, vierde kamer, op 15 maart 2010 door de Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over : 1° een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten, van het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS 1800-mobilofonienetten en van het
koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
20/01/2001
numac
2001014004
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie
sluiten tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie" (47.980/4); 2° een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende radiotoegang in de frequentieband 2500-2690 MHz" (47.981/4), heeft het volgende advies gegeven : Aangezien de adviesaanvraag is ingediend op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de
wet van 2 april 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/04/2003
pub.
14/05/2003
numac
2003000376
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van sommige aspecten van de wetgeving met betrekking tot de inrichting en de werkwijze van de afdeling wetgeving van de Raad van State
sluiten, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten, haar onderzoek tot de rechtsgrond van de ontwerpen, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat deze drie punten betreft, geven de ontwerpen aanleiding tot de volgende opmerkingen.
I. Gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van de adviesaanvraag betreffende het ontwerpbesluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM- mobilofoonnetten, van het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS1800-mobilofonienetten en van het
koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
18/01/2001
pub.
20/01/2001
numac
2001014004
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie
sluiten tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie" (hierna genoemd "ontwerp 47.980/4") (1). 1. De afdeling Wetgeving van de Raad van State is verzocht om binnen dertig dagen een advies uit te brengen over een ontwerpbesluit dat haar een eerste maal is voorgelegd en waarover op 7 januari 2009 advies 45.621/4 is uitgebracht en dat haar een tweede maal is voorgelegd en waarover op 24 juli 2009 advies 47.080/4 is gegeven.
Wanneer de afdeling Wetgeving een advies heeft gegeven, heeft ze in principe de bevoegdheid opgebruikt die ze krachtens de wet heeft en het komt haar derhalve niet toe om zich opnieuw uit te spreken over reeds onderzochte bepalingen, ongeacht of ze herzien zijn teneinde rekening te houden met de opmerkingen die in het eerste advies gemaakt zijn, dan wel ongewijzigd blijven.
Dat geldt niet wanneer overwogen wordt in de tekst volledig nieuwe bepalingen in te voegen waarvan de inhoud losstaat van de opmerkingen of voorstellen die door de afdeling Wetgeving in het eerste advies zijn gemaakt of gedaan : in zo'n geval moet de afdeling Wetgeving weer worden geraadpleegd omtrent de nieuwe bepalingen.
Dat geldt ook niet wanneer na het eerste advies nieuwe juridische gegevens opduiken die kunnen rechtvaardigen dat de tekst door de afdeling Wetgeving wederom wordt onderzocht : in zo'n geval moeten de bepalingen van de tekst waarvoor die nieuwe gegevens consequenties hebben, aan de afdeling Wetgeving worden voorgelegd.
Artikel 2, 1°, a), b) en d), 2° en 3°, artikel 5, artikel 7, 1°, artikel 10, artikel 15, artikel 16, artikel 22, 2° en 3°, artikel 23, artikel 24, artikel 26, artikel 27, artikel 28, artikel 29, artikel 31 en artikel 34 van het ontworpen besluit worden bijgevolg niet onderzocht. 2. De afdeling Wetgeving heeft in haar voormelde advies 45.621/4 besloten dat de adviesaanvraag gedeeltelijk onontvankelijk was om de volgende redenen : « Artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten bepaalt het volgende : « De vergunning die krachtens dit bestek wordt verleend (2), is geldig gedurende een periode van vijftien jaar, te rekenen vanaf de datum waarop die vergunning is uitgereikt.
Na het verstrijken van die eerste periode kan de vergunning stilzwijgend worden verlengd voor opeenvolgende termijnen van vijf jaar.
De Minister en de operator mogen afzien van de stilzwijgende verlenging, op grond van een opzegging van twee jaar betekend met een ter post aangetekende brief. De beslissing de vergunning niet te verlengen houdt met name rekening met de voorwaarden waaronder de operator voldaan heeft aan de voorwaarden van zijn vergunning en van het bestek, alsook met de algemene ontwikkeling van de sector van de mobiele diensten. » Artikel 1, 1°, van het ontworpen besluit wil die bepaling zo wijzigen dat het eerste lid ervan voortaan het volgende bepaalt : « De vergunning die krachtens dit bestek wordt verleend, is geldig gedurende een periode van vijftien jaar, te rekenen vanaf de datum waarop die vergunning is uitgereikt, [behoudens de vergunningen van de GSM 1-operator en.../... de GSM2-operator die geldig blijven tot 2 juli 2013 op voorwaarde dat deze operatoren : a) binnen de vier weken na de inwerkingtreding van onderhavige bepaling schriftelijk hun uitdrukkelijke toestemming bevestigen aan het Instituut om hun vergunning te laten verlengen tot 2 juli 2013, en b) ten laatste zes maanden voor het aflopen van de initiële vergunningstermijn van 15 jaar het in artikel 15, § 1bis van dit besluit bedoelde concessierecht betalen.De betreffende betaling gebeurt door de GSM1-operator ten laatste op 2 januari 2011, voor de GSM2-operator ten laatste op 27 mei 2010.] » Het koninklijk besluit van 7 maart 1995, dat men hier wil wijzigen, definieert weliswaar niet rechtstreeks en uitdrukkelijk de begrippen « GSM1-operator » en « GSM2-operator », maar definieert wel het begrip « GSM1 » als « eerste GSM-net op 900 Mhz in België geëxploiteerd door BELGACOM of haar dochteronderneming onder de handelsnaam PROXIMUS », en het begrip « GSM2 » als "tweede GSM-net op 900 MHz in België geëxploiteerd door de tweede operator ».
Daarnaast definieert het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten, dat men ook van zins is te wijzigen via het ontworpen besluit, de begrippen « GSM1-operator » en « GSM2-operator », en dit respectievelijk als volgt : de « naamloze vennootschap BELGACOM MOBILE welke het eerste GSM-net op 900 MHz in België exploiteert onder de handelsnaam PROXIMUS » en de « naamloze vennootschap MOBISTAR welke het tweede GSM-net op 900 MHz in België exploiteert ».
Uit wat voorafgaat volgt dat de wijziging die artikel 1, 1°, van het ontworpen besluit wil aanbrengen in artikel 3, § 2, eerste lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 7 maart 1995 er eigenlijk toe strekt de looptijd te verlengen van twee specifieke vergunningen, waarvan de ene aan PROXIMUS is toegekend en de andere aan MOBISTAR, vergunningen waarvan de ene volgens de steller van het ontwerp overeenkomstig de van kracht zijnde regels op 1 juli 2011 zou verstrijken en de andere op 26 november 2010 (3). [...] Daaruit volgt dat de wijzigingen die artikel 1, 1°, en artikel 3 van het ontworpen besluit beogen aan te brengen in de artikelen 3, § 2, en 15 van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 ertoe strekken het verdere verloop van twee specifieke individuele situaties te regelen, die van de vergunningen toegekend aan twee bij naam genoemde operatoren, namelijk PROXIMUS en MOBISTAR, bij individuele beslissingen die volgens het verslag aan de Koning respectievelijk dateren van 2 juli 1996 en 27 november 1995.
Zulke bepalingen brengen geen algemene en abstracte rechtsregels tot stand. Ze zijn dus niet van reglementaire aard in de zin van artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
De adviesaanvraag is dan ook onontvankelijk voor zover ze betrekking heeft op artikel 1, 1°, en artikel 3 van het ontworpen besluit. Die bepalingen worden dan ook niet onderzocht in het onderhavige advies ».
Om de redenen die reeds zijn aangevoerd in advies 45.621/4 is de adviesaanvraag onontvankelijk in zoverre ze betrekking heeft op artikel 2, 1°, c), van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 7, § 1, vierde lid, 1°, 2° en 3°, tweede streepje, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995) en op artikel 2, 4°, van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 7, § 5, zesde en zevende lid, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995), in zoverre deze bepalingen de GSM1- en GSM2-operatoren als adressaten hebben.
Deze bepalingen worden dan ook niet verder onderzocht. 3. In diezelfde gedachtegang zij erop gewezen dat, wat de artikelen 7, 2° en 4°, van het ontworpen besluit [betreft], die toepassing moeten vinden op "de DCS 1800-operator", er maar één adressaat van deze bepaling is, hij kan worden geïdentificeerd en zelfs geïdentificeerd is (4). Om dezelfde redenen als in punt 2, is de adviesaanvraag onontvankelijk in zoverre ze betrekking heeft op artikel 2, 2°, van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 7, § 2bis, eerste lid, en tweede lid, eerste streepje, van het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
sluiten) en op artikel 7, 4°, van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 7, § 8, eerste en tweede lid, eerste streepje, van het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
sluiten), in zoverre deze bepalingen de "DCS 1800-operator" als adressaat hebben.
In dat opzicht worden deze bepalingen dan ook niet onderzocht. 4. Wat ten slotte de bepalingen betreft die betrekking hebben op de stilzwijgende verlenging van de vergunningen zoals bepaald in artikel 1 van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995), alsmede in artikel 6 van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 3, § 2, van het
koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014244
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten
type
koninklijk besluit
prom.
24/10/1997
pub.
05/12/1997
numac
1997014245
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
sluiten), is de bevinding dat de bepalingen, zoals ze zijn gesteld en vooral daar ze de einddatum 15 maart 2021 vermelden, bedoeld zijn om uitsluitend te worden toegepast op de thans aangewezen operatoren, meer bepaald op de eventuele stilzwijgende verlenging tot 15 maart 2021 van de vergunning waarvan zij houder zijn.
Zulks geldt evenzo voor de bepalingen betreffende de "heffing" die moet worden betaald voor deze verlengingen, zoals vermeld in artikel 3 en artikel 8 van ontwerp 47.980/4 (5).
Om de in punt 2 vermelde redenen zijn deze bepalingen bijgevolg evenmin van reglementaire aard in de zin van artikel 3 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
De adviesaanvraag is dus niet-ontvankelijk in zoverre ze betrekking heeft op deze bepalingen, die bijgevolg niet worden onderzocht. 5. In de aanhef van ontwerp 47.980/4 wordt bij wijze van rechtsgrond artikel 51 vermeld van de
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet betreffende de elektronische communicatie
sluiten betreffende de elektronische communicatie (hierna genoemd de "
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet betreffende de elektronische communicatie
sluiten").
Dat artikel bevat geen machtiging aan de Koning.
In feite blijkt uit het aan de Raad van State bezorgde dossier dat de steller van het ontwerp in de aanhef van het ontworpen besluit wel verwijst naar dat artikel, doch in een welbepaalde context, de lege ferenda.
Immers, uit de aan de Raad van State toegezonden stukken blijkt dat in dezelfde context als die van de vaststelling van de hier onderzochte ontwerpbesluiten, besloten is om artikel 51 van de
wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/06/2005
pub.
20/06/2005
numac
2005011238
bron
federale overheidsdienst economie, k.m. …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.