Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten, van het

Kort samengevat

Dit besluit wijzigt bestaande koninklijke besluiten over mobiele telefoonnetwerken om de concurrentie op de Belgische 3G-markt te bevorderen en de toegang voor een vierde 3G-operator te vereenvoudigen. Het maakt ook de verlenging van vergunningen voor bestaande operatoren mogelijk.

Wat het reguleert

  • De voorwaarden voor het opzetten en exploiteren van GSM- en DCS1800-mobilofoonnetten.
  • De toekenning van vergunningen voor mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie (3G).
  • De toegang tot en het gebruik van frequentiespectrum voor mobiele operatoren.
  • De mogelijkheid tot nationale roaming voor nieuwe operatoren.

Wie het aanbelangt

  • Bestaande en nieuwe operatoren van mobiele telecommunicatienetwerken in België.
  • Gebruikers van mobiele internet- en breedbandtoepassingen.

Kernpunten

  • Vergunningen van 2G-operatoren kunnen worden verlengd tot 2021.
  • Een vierde 3G-operator krijgt vereenvoudigde toegang tot de markt en kan spectrum verwerven in de 2 GHz-, 900 MHz- en 1800 MHz-banden.
  • Nieuwe 3G-operatoren krijgen een voorkooprecht op 4,8 MHz duplex spectrum in de 900 MHz-band, gekoppeld aan 10 MHz duplex in de 1800 MHz-band.
  • Het Instituut kan nationale roaming opleggen als commerciële onderhandelingen tussen operatoren binnen zes maanden niet tot een overeenkomst leiden.
Wettekst
Wettekst

22 DECEMBER 2010. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten, van het koninklijk besluit van 24 okt

Artikel 2

1. Volgens de inlichtingen die de gemachtigde van de minister heeft meegedeeld, heeft de wijziging die artikel 2, 1°, b), van het ontworpen besluit wil aanbrengen in artikel 7, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten tot doel vooruit te lopen op een op Europees niveau geplande wijziging van Richtlijn 87/372/EEG van de Raad van 25 juni 1987 inzake de voor een gecoördineerde invoering van openbare pan-Europese digitale cellulaire mobiele communicatie te land in de Gemeenschap beschikbaar te stellen frequentiebanden

(4), aangezien bepaalde frequentiebanden krachtens artikel 1, lid 1, van die richtlijn uitsluitend voor een openbare pan-Europese cellulaire digitale mobiele communicatiedienst beschikbaar worden gesteld. Het ontworpen besluit mag niet vooruitlopen op een eventuele, latere wijziging van een Europese richtlijn en aldus geen nieuwe regels bepalen die indruisen tegen de thans geldende bepalingen van de richtlijn waarvan een wijziging wordt gepland. Artikel 2, 1°, b), van het ontwerp moet dus vervallen. 2. Gelet op de wijziging die wordt aangebracht in artikel 7, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 door artikel 2, d), van het ontwerp, moet ook worden voorzien in een bepaling waarbij bijlage I van het genoemde besluit wordt opgeheven. De kamer was samengesteld uit : De heren : Ph. Hanse, kamervoorzitter; P. Liénardy en J. Jaumotte, staatsraden; Mevr. C. Gigot, griffier. Het verslag werd uitgebracht door Mevr. A. Vagman, auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. Liénardy. De griffier, C. Gigot. De voorzitter, Ph. Hanse. _______ Nota's
(1)Namelijk, volgens artikel 2, § 1, van hetzelfde besluit, de vergunning die "het opzetten en exploiteren van een GSM-mobilofoonnet in België (dekt) dat werkt op basis van de Europese norm voor digitale openbare radioverbinding, GSM, in de 900 MHz-band".
(2)Die data kunnen worden afgeleid uit de informatie verschaft in het verslag aan de Koning.
(3)Zie Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, 2008, aanbeveling nr.36.1 en formulier F 3-5-2 www.raadvst-consetat.be/?page=technique_legislative&lang=nl (07/01/2009).
(4)Zie document COM
(2008)762 final, 2008/0214(COD), Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council "amending Council Directive 87/372/EEC on the frequency bands to be reserved for the coordinated introduction of public pan-European cellular digital land-based mobile communications in the Community", ingediend door de Commissie. ADVIES 47.080/2/V VAN 17 AUGUSTUS 2009 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling Wetgeving, tweede vakantiekamer, op 24 juli 2009 door de Ministre voor Ondernemen en Vereenvoudigen verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014244 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014245 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS1800-mobilofonienetten en van het koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 20/01/2001 numac 2001014004 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie sluiten tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie", heeft het volgende advies gegeven : Ontvankelijkheid van het ontwerpbesluit
  1. De afdeling Wetgeving van de Raad van State is verzocht om binnen dertig dagen een advies uit te brengen over een ontwerpbesluit dat haar reeds is voorgelegd en waarover op 7 januari 2009 advies 45.621/4 is uitgebracht. Wanneer de afdeling Wetgeving een advies heeft gegeven, heeft ze in principe de bevoegdheid opgebruikt die ze krachtens de wet heeft en het komt haar derhalve niet toe om zich opnieuw uit te spreken over reeds onderzochte bepalingen, ongeacht of ze herzien zijn teneinde rekening te houden met de opmerkingen die in het eerste advies gemaakt zijn, dan wel ongewijzigd blijven. Dat geldt niet wanneer overwogen wordt in de tekst volledig nieuwe bepalingen in te voegen waarvan de inhoud losstaat van de opmerkingen of voorstellen die door de afdeling Wetgeving in het eerste advies zijn gemaakt of gedaan : in zo'n geval moet de afdeling Wetgeving weer worden geraadpleegd omtrent de nieuwe bepalingen. Dat geldt ook niet wanneer na het eerste advies nieuwe juridische gegevens opduiken die kunnen rechtvaardigen dat de tekst door de afdeling Wetgeving wederom wordt onderzocht : in zo'n geval moeten de bepalingen van de tekst waarvoor die nieuwe gegevens consequenties hebben, aan de afdeling Wetgeving worden voorgelegd. Artikel 2, 1°, a) en d), en 2°, en artikel 12 van het ontworpen besluit worden bijgevolg niet onderzocht.
  2. De afdeling Wetgeving van de Raad van State wordt verzocht binnen een termijn van dertig dagen advies te verstrekken. Uit artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State volgt dat de afdeling Wetgeving zich in zulk een geval kan bepalen tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de regeling die haar is voorgelegd, van de rechtsgrond van die regeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan. Wat die punten betreft, geeft de voorliggende tekst aanleiding tot de volgende opmerkingen. Voorafgaande vormvereisten
  3. De akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begroting dagtekent van 5 december 2008.Het gaat dus om een instemming met de versie van het ontworpen besluit waarover het voornoemde advies 45.621/4 is uitgebracht. Gezien de wijzigingen die sedertdien zijn aangebracht, behoort het ontworpen besluit opnieuw ter goedkeuring aan de Staatssecretaris voor Begroting te worden voorgelegd
(1).
  1. Het dossier dat voor advies aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State is overgezonden, bevatte geen advies van het BIPT.Er moet voor gezorgd worden dat naar behoren aan dat vormvereiste wordt voldaan. Bijzondere opmerkingen Aanhef
  2. Er is geen grond om in het eerste lid artikel 13 van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten betreffende de elektronische communicatie te vermelden.Dat artikel levert immers geen rechtsgrond op voor het ontworpen besluit. Er moet daarentegen wel gepreciseerd worden dat artikel 30, § 2, van deze wet de rechtsgrond oplevert.
  3. In het tweede tot het vierde lid behoort de vermelding van de wijzigingen die in de besluiten zijn aangebracht, te worden weggelaten
(2). 3. Het lid dat betrekking heeft op het advies van de Raad van State moet luiden als volgt : « Gelet op advies 47.080/2/V van de Raad van State, gegeven op 17 augustus 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; »
(3).

Artikel 2

Wat onderdeel 3° betreft, moet de steller van het ontwerp in staat zijn te wettigen waarom de ontworpen bepaling voorschrijft dat een GSM-operator op 900 MHz, die een DCS-1800 netwerk aanlegt en exploiteert, niet gebonden is door sommige verplichtingen vastgelegd in het koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014244 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014245 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800 mobilofonienetten. Artikel 4 Aangezien de artikelen 20 tot 31, die men van zins is op te heffen, allemaal in hetzelfde hoofdstuk staan, is het beter te schrijven : « Hoofdstuk 2, dat de artikelen 20 tot 31 bevat, en bijlage 1 van hetzelfde besluit worden opgeheven. » Een soortgelijke opmerking geldt voor artikel 8. Artikel 5 In de Franse versie moet in de inleidende zin het woord "GSM" vervangen worden door de woorden "DCS 1800". Artikel 6 In de ontworpen paragraaf 2bis, tweede lid, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014244 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014245 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten sluiten, moeten de eerste en de tweede zin van plaats worden verwisseld. De gemachtigde van de minister is ermee eens. Artikel 11 Het ontworpen artikel 18, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 20/01/2001 numac 2001014004 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie sluiten tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie bepaalt het volgende : « De vergunning loopt af op 15 maart 2021 ». Het is de afdeling Wetgeving dan ook niet duidelijk waarom in onderdeel 1° voorzien wordt in een wijziging van artikel 18, § 2, eerste lid, zodat daarin gepreciseerd wordt dat de vergunning maximaal voor 20 jaar geldt. Zodra immers de vervaldatum van de vergunning wordt opgegeven, namelijk 15 maart 2021, heeft het geen zin te preciseren dat deze maximaal 20 jaar geldig is. Artikel 11, 1°, van het ontworpen besluit moet derhalve vervallen. Artikel 13 In het tweede lid van de ontworpen paragraaf 2ter behoort gepreciseerd te worden wat verstaan moet worden onder "Elke belangstellende partij". Dat is des te meer nodig daar er in het vierde lid van hetzelfde ontworpen artikel 22, § 2ter en in ontworpen artikel 22, § 4quater (artikel 14 van het ontwerp) sprake is van de "betrokken partijen" en die twee begrippen niet met elkaar lijken overeen te stemmen. Slotopmerking De Nederlandse en de Franse tekst behoeven herziening. De kamer was samengesteld uit : De heren : R. Andersen, eerste voorzitter van de Raad van State; P. Lewalle en P. Vandernoot, staatsraden; Mevr. C. Gigot, griffier. Het verslag werd uitgebracht door Mevr. L. Vancrayebeck, auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. Vandernoot. De griffier, De eerste voorzitter, C. Gigot. R. Andersen. _______ Nota's

(1)Dat is geschied voor het advies van de inspecteur van Financiën.
(2)Zie Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, 2008, tab "Wetgevingstechniek", aanbevelingen 29 en 30, www.raadvst-consetat.be (17/08/2009).
(3)Ibidem, aanbeveling nr.36.1 en formule F 3-5-2. ADVIES 47.980/4 EN 47.981/4 VAN 7 APRIL 2010 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling Wetgeving, vierde kamer, op 15 maart 2010 door de Minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over : 1° een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014244 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014245 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS 1800-mobilofonienetten en van het koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 20/01/2001 numac 2001014004 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie sluiten tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie" (47.980/4); 2° een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende radiotoegang in de frequentieband 2500-2690 MHz" (47.981/4), heeft het volgende advies gegeven : Aangezien de adviesaanvraag is ingediend op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 02/04/2003 pub. 14/05/2003 numac 2003000376 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot wijziging van sommige aspecten van de wetgeving met betrekking tot de inrichting en de werkwijze van de afdeling wetgeving van de Raad van State sluiten, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten, haar onderzoek tot de rechtsgrond van de ontwerpen, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten. Wat deze drie punten betreft, geven de ontwerpen aanleiding tot de volgende opmerkingen. I. Gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van de adviesaanvraag betreffende het ontwerpbesluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM- mobilofoonnetten, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014244 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014245 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS1800-mobilofonienetten en van het koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 20/01/2001 numac 2001014004 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie sluiten tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie" (hierna genoemd "ontwerp 47.980/4")
(1).
  1. De afdeling Wetgeving van de Raad van State is verzocht om binnen dertig dagen een advies uit te brengen over een ontwerpbesluit dat haar een eerste maal is voorgelegd en waarover op 7 januari 2009 advies 45.621/4 is uitgebracht en dat haar een tweede maal is voorgelegd en waarover op 24 juli 2009 advies 47.080/4 is gegeven. Wanneer de afdeling Wetgeving een advies heeft gegeven, heeft ze in principe de bevoegdheid opgebruikt die ze krachtens de wet heeft en het komt haar derhalve niet toe om zich opnieuw uit te spreken over reeds onderzochte bepalingen, ongeacht of ze herzien zijn teneinde rekening te houden met de opmerkingen die in het eerste advies gemaakt zijn, dan wel ongewijzigd blijven. Dat geldt niet wanneer overwogen wordt in de tekst volledig nieuwe bepalingen in te voegen waarvan de inhoud losstaat van de opmerkingen of voorstellen die door de afdeling Wetgeving in het eerste advies zijn gemaakt of gedaan : in zo'n geval moet de afdeling Wetgeving weer worden geraadpleegd omtrent de nieuwe bepalingen. Dat geldt ook niet wanneer na het eerste advies nieuwe juridische gegevens opduiken die kunnen rechtvaardigen dat de tekst door de afdeling Wetgeving wederom wordt onderzocht : in zo'n geval moeten de bepalingen van de tekst waarvoor die nieuwe gegevens consequenties hebben, aan de afdeling Wetgeving worden voorgelegd. Artikel 2, 1°, a), b) en d), 2° en 3°, artikel 5, artikel 7, 1°, artikel 10, artikel 15, artikel 16, artikel 22, 2° en 3°, artikel 23, artikel 24, artikel 26, artikel 27, artikel 28, artikel 29, artikel 31 en artikel 34 van het ontworpen besluit worden bijgevolg niet onderzocht.
  2. De afdeling Wetgeving heeft in haar voormelde advies 45.621/4 besloten dat de adviesaanvraag gedeeltelijk onontvankelijk was om de volgende redenen : « Artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten bepaalt het volgende : « De vergunning die krachtens dit bestek wordt verleend
(2), is geldig gedurende een periode van vijftien jaar, te rekenen vanaf de datum waarop die vergunning is uitgereikt. Na het verstrijken van die eerste periode kan de vergunning stilzwijgend worden verlengd voor opeenvolgende termijnen van vijf jaar. De Minister en de operator mogen afzien van de stilzwijgende verlenging, op grond van een opzegging van twee jaar betekend met een ter post aangetekende brief. De beslissing de vergunning niet te verlengen houdt met name rekening met de voorwaarden waaronder de operator voldaan heeft aan de voorwaarden van zijn vergunning en van het bestek, alsook met de algemene ontwikkeling van de sector van de mobiele diensten. » Artikel 1, 1°, van het ontworpen besluit wil die bepaling zo wijzigen dat het eerste lid ervan voortaan het volgende bepaalt : « De vergunning die krachtens dit bestek wordt verleend, is geldig gedurende een periode van vijftien jaar, te rekenen vanaf de datum waarop die vergunning is uitgereikt, [behoudens de vergunningen van de GSM 1-operator en.../... de GSM2-operator die geldig blijven tot 2 juli 2013 op voorwaarde dat deze operatoren :
  1. a)binnen de vier weken na de inwerkingtreding van onderhavige bepaling schriftelijk hun uitdrukkelijke toestemming bevestigen aan het Instituut om hun vergunning te laten verlengen tot 2 juli 2013, en
  2. b)ten laatste zes maanden voor het aflopen van de initiële vergunningstermijn van 15 jaar het in artikel 15, § 1bis van dit besluit bedoelde concessierecht betalen.De betreffende betaling gebeurt door de GSM1-operator ten laatste op 2 januari 2011, voor de GSM2-operator ten laatste op 27 mei 2010.] » Het koninklijk besluit van 7 maart 1995, dat men hier wil wijzigen, definieert weliswaar niet rechtstreeks en uitdrukkelijk de begrippen « GSM1-operator » en « GSM2-operator », maar definieert wel het begrip « GSM1 » als « eerste GSM-net op 900 Mhz in België geëxploiteerd door BELGACOM of haar dochteronderneming onder de handelsnaam PROXIMUS », en het begrip « GSM2 » als "tweede GSM-net op 900 MHz in België geëxploiteerd door de tweede operator ». Daarnaast definieert het koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014244 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014245 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten sluiten betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten, dat men ook van zins is te wijzigen via het ontworpen besluit, de begrippen « GSM1-operator » en « GSM2-operator », en dit respectievelijk als volgt : de « naamloze vennootschap BELGACOM MOBILE welke het eerste GSM-net op 900 MHz in België exploiteert onder de handelsnaam PROXIMUS » en de « naamloze vennootschap MOBISTAR welke het tweede GSM-net op 900 MHz in België exploiteert ». Uit wat voorafgaat volgt dat de wijziging die artikel 1, 1°, van het ontworpen besluit wil aanbrengen in artikel 3, § 2, eerste lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 7 maart 1995 er eigenlijk toe strekt de looptijd te verlengen van twee specifieke vergunningen, waarvan de ene aan PROXIMUS is toegekend en de andere aan MOBISTAR, vergunningen waarvan de ene volgens de steller van het ontwerp overeenkomstig de van kracht zijnde regels op 1 juli 2011 zou verstrijken en de andere op 26 november 2010
(3). [...] Daaruit volgt dat de wijzigingen die artikel 1, 1°, en artikel 3 van het ontworpen besluit beogen aan te brengen in de artikelen 3, § 2, en 15 van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 ertoe strekken het verdere verloop van twee specifieke individuele situaties te regelen, die van de vergunningen toegekend aan twee bij naam genoemde operatoren, namelijk PROXIMUS en MOBISTAR, bij individuele beslissingen die volgens het verslag aan de Koning respectievelijk dateren van 2 juli 1996 en 27 november
  1. Zulke bepalingen brengen geen algemene en abstracte rechtsregels tot stand. Ze zijn dus niet van reglementaire aard in de zin van artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De adviesaanvraag is dan ook onontvankelijk voor zover ze betrekking heeft op artikel 1, 1°, en artikel 3 van het ontworpen besluit. Die bepalingen worden dan ook niet onderzocht in het onderhavige advies ». Om de redenen die reeds zijn aangevoerd in advies 45.621/4 is de adviesaanvraag onontvankelijk in zoverre ze betrekking heeft op artikel 2, 1°, c), van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 7, § 1, vierde lid, 1°, 2° en 3°, tweede streepje, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995) en op artikel 2, 4°, van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 7, § 5, zesde en zevende lid, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995), in zoverre deze bepalingen de GSM1- en GSM2-operatoren als adressaten hebben. Deze bepalingen worden dan ook niet verder onderzocht.
  2. In diezelfde gedachtegang zij erop gewezen dat, wat de artikelen 7, 2° en 4°, van het ontworpen besluit [betreft], die toepassing moeten vinden op "de DCS 1800-operator", er maar één adressaat van deze bepaling is, hij kan worden geïdentificeerd en zelfs geïdentificeerd is
(4). Om dezelfde redenen als in punt 2, is de adviesaanvraag onontvankelijk in zoverre ze betrekking heeft op artikel 2, 2°, van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 7, § 2bis, eerste lid, en tweede lid, eerste streepje, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014244 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014245 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten sluiten) en op artikel 7, 4°, van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 7, § 8, eerste en tweede lid, eerste streepje, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014244 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014245 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten sluiten), in zoverre deze bepalingen de "DCS 1800-operator" als adressaat hebben. In dat opzicht worden deze bepalingen dan ook niet onderzocht. 4. Wat ten slotte de bepalingen betreft die betrekking hebben op de stilzwijgende verlenging van de vergunningen zoals bepaald in artikel 1 van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995), alsmede in artikel 6 van ontwerp 47.980/4 (ontworpen artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014244 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014245 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten sluiten), is de bevinding dat de bepalingen, zoals ze zijn gesteld en vooral daar ze de einddatum 15 maart 2021 vermelden, bedoeld zijn om uitsluitend te worden toegepast op de thans aangewezen operatoren, meer bepaald op de eventuele stilzwijgende verlenging tot 15 maart 2021 van de vergunning waarvan zij houder zijn. Zulks geldt evenzo voor de bepalingen betreffende de "heffing" die moet worden betaald voor deze verlengingen, zoals vermeld in artikel 3 en artikel 8 van ontwerp 47.980/4
(5). Om de in punt 2 vermelde redenen zijn deze bepalingen bijgevolg evenmin van reglementaire aard in de zin van artikel 3 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  1. De adviesaanvraag is dus niet-ontvankelijk in zoverre ze betrekking heeft op deze bepalingen, die bijgevolg niet worden onderzocht.
  2. In de aanhef van ontwerp 47.980/4 wordt bij wijze van rechtsgrond artikel 51 vermeld van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten betreffende de elektronische communicatie (hierna genoemd de " wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten"). Dat artikel bevat geen machtiging aan de Koning. In feite blijkt uit het aan de Raad van State bezorgde dossier dat de steller van het ontwerp in de aanhef van het ontworpen besluit wel verwijst naar dat artikel, doch in een welbepaalde context, de lege ferenda. Immers, uit de aan de Raad van State toegezonden stukken blijkt dat in dezelfde context als die van de vaststelling van de hier onderzochte ontwerpbesluiten, besloten is om artikel 51 van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten te wijzigen om dat artikel aan te vullen met een bepaling waarbij de Koning wordt gemachtigd verscheiden regels te geven en omstandigheden te bepalen waarin het BIPT verplichtingen zal kunnen opleggen inzake nationale roaming
(6). Aangezien de bepaling tot wijziging van voormeld artikel 51 nog niet is aangenomen door de wetgever
(7), komt de adviesaanvraag te vroeg wat de bepaling van ontwerp 47.980/4 betreft die beoogt te steunen op artikel 51 zoals het gewijzigd zou worden. De adviesaanvraag is dus onontvankelijk wat deze bepaling betreft, te weten artikel 14 van ontwerp 47.980/4
(8). I. Opmerkingen die gelden voor beide ontwerpbesluiten II. A. Memorering van de bij wijze van rechtsgrond aangevoerde bepalingen De ontworpen besluiten geven als rechtsgrond op de artikelen 18 en 30 van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten. Ontwerp 47.980/4 geeft als rechtsgrond ook artikel 51, van dezelfde wet op. Het ontwerp van koninklijk besluit "betreffende radiotoegang in de frequentieband 2500-2690 MHz" (hierna genoemd "ontwerp 47.981/4") geeft bovendien artikel 39, § 2, van dezelfde wet als rechtsgrond op. Bij de huidige stand van in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte teksten luiden de artikelen 18, 30, 39 en 51 van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten als volgt : « Art. 18.§ 1. De voorwaarden voor het verkrijgen en uitoefenen van gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, worden door de Koning vastgesteld bij een besluit, genomen na advies van het Instituut en vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en mogen enkel verband houden met : 1° de betreffende dienst, het netwerk of de technologie waarvoor de gebruiksrechten voor de radiofrequentie zijn verleend, in voorkomend geval met inbegrip van het exclusieve gebruik van een radiofrequentie voor de doorgifte van specifieke inhoud of specifieke diensten;2° het daadwerkelijk en efficiënt gebruik van radiofrequenties overeenkomstig de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen;3° de technische en operationele voorwaarden ter voorkoming van schadelijke storingen en ter beperking van blootstelling van het publiek aan elektromagnetische velden;4° de maximumduur onder voorbehoud van wijzigingen van het nationale frequentieplan;5° de overdracht op initiatief van de houder van de rechten en de daarvoor geldende voorwaarden;6° de gebruiksheffingen overeenkomstig artikel 30;7° de toezeggingen die de operator die het gebruiksrecht inzake de radiofrequenties heeft verkregen, in de loop van de selectieprocedure heeft gedaan;8° de verplichtingen uit hoofde van de relevante internationale overeenkomsten aangaande het gebruik van radiofrequenties. § 2. Wanneer het Instituut gebruiksrechten voor radiofrequenties verleent voor een bepaalde termijn is de duur aangepast aan de betrokken dienst. § 3. Indien een frequentie waarvoor een gebruiksrecht werd verkregen, niet binnen een redelijke termijn in dienst wordt genomen, kan het Instituut, na de betrokkene gehoord te hebben, het gebruiksrecht intrekken. § 4. Indien uit het advies van het Instituut blijkt dat het gevaar op schadelijke storingen verwaarloosbaar is en dat dit verenigbaar is met de vereisten van een daadwerkelijk en efficiënt beheer van het radiofrequentiespectrum, kan de Koning besluiten bepaalde van de in § 1 voorziene voorwaarden niet op te leggen. [...] Art. 30.§ 1. De in de artikelen 11 en 18 bedoelde gebruiksrechten kunnen aan heffingen onderworpen worden teneinde een optimaal gebruik van deze middelen te waarborgen. De heffingen worden door het Instituut geïnd. § 1/1. Ten behoeve van het in paragraaf 1 beschreven doel dienen operatoren aan wie het is toegestaan om over gebruiksrechten voor radiofrequenties te beschikken met het oog op de exploitatie van een netwerk en het aanbieden van mobiele elektronische-communicatiediensten aan het publiek, bij de aanvang van de geldigheidsduur van de gebruiksrechten onder andere een enige heffing te betalen. De enige heffing wordt bepaald bij het toekennen van de frequenties. De enige heffing bedraagt : 1° 51.644 euro per MHz en per maand voor de frequentiebanden 880-915 MHz en 925-960 MHz. Het verkrijgen van gebruiksrechten voor de frequentiebanden 880-915 MHz en 925-960 MHz houdt eveneens het verkrijgen van gebruiksrechten in voor de frequentiebanden 1710-1785 en 1805-1880 MHz : de hoeveelheid toegewezen spectrum in de banden 1710-1785 en 1805-1880 MHz is gelijk aan het dubbele van de hoeveelheid toegewezen spectrum in de banden 880-915 MHz en 925-960 MHz, afgerond op het hogere veelvoud van 5 MHz. In afwijking op het voorgaande, tot 26 november 2015 geldt de enige heffing voor de hoeveelheid spectrum dat op 1 januari 2010 is toegewezen in de banden 880-915 MHz en 925-960 MHz, eveneens voor de maximale hoeveelheid spectrum die kon worden toegekend op 1 januari 2010 in de banden 1710-1785 en 1805-1880 MHz; 2° 20.833 euro per MHz en per maand voor de frequentiebanden 1920-1980 MHz en 2110-2170 MHz, behoudens wanneer de totale hoeveelheid spectrum waarover een operator in deze frequentiebanden beschikt niet hoger is dan 2 x 5 MHz. In dat geval bedraagt de enige heffing 32.000 euro per MHz per maand; 3° 2.778 euro per MHz en per maand voor de frequentieband 2500-2690 MHz. Bij de toekenning door middel van een veiling van de frequenties geldt het in onderhavige paragraaf 1/1 beoogde minimumbedrag van de enige heffing als beginbod voor de kandidaten. § 1/2. Voor elke periode van verlenging van de vergunning zijn de operatoren een enige heffing verschuldigd. Het bedrag van de enige heffing stemt overeen met de enige heffing bedoeld in § 1/1, eerste lid. Bij de berekening van het bedrag wordt rekening gehouden met het deel van de gebruiksrechten dat de operator wil behouden bij de verlenging. Indien een operator van spectrum wil afstand doen, dan moet dit een aaneensluitend blok vormen. § 1/3. De betaling van de enige heffing gebeurt, al naargelang binnen vijftien dagen na de aanvang van de geldigheidsduur vermeld in § 1/1, eerste lid, en binnen vijftien dagen na de aanvang van de verlengingsperiode vermeld in § 1/2, eerste lid. In afwijking van vorig lid heeft de operator de mogelijkheid om de betaling als volgt uit te voeren :
  1. a)binnen 15 dagen na de aanvang van de geldigheidsduur vermeld in § 1/1, eerste lid, en binnen 15 dagen na de aanvang van de verlengingsperiode vermeld in § 1/2, eerste lid, betaalt de operator pro rata het aantal resterende maanden van het kalenderjaar;
  2. b)bovendien betaalt de operator ten laatste op 15 december het volledige gedeelte van enige heffing voor het komende jaar.Indien in het komende jaar de vergunning afloopt, betaalt de operator pro rata het aantal maanden tot het aflopen van de gebruiksrechten;
  3. c)de wettelijke rentevoet, berekend overeenkomstig artikel 2, § 1, van de wet van 5 mei 1865Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/05/1865 pub. 06/09/2011 numac 2011000565 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de lening tegen intrest sluiten betreffende de lening tegen interest, is, afhankelijk van het geval, van toepassing vanaf de zestiende dag die volgt op het begin van de geldigheidsperiode bedoeld in § 1/1, eerste lid, of vanaf de zestiende dag die volgt op het begin van de periode van verlenging bedoeld in § 1/2, eerste lid;
  4. d)gelijktijdig met de betaling van de enige heffing, betaalt de operator de interest op het nog verschuldigde bedrag. De operator brengt het Instituut binnen twee werkdagen, al naargelang na de aanvang van de geldigheidsduur vermeld in § 1/1, eerste lid, en de aanvang van de verlengingsperiode vermeld in § 1/2, eerste lid, op de hoogte van zijn keuze. De enige heffing wordt in geen geval terugbetaald, noch geheel, noch gedeeltelijk. § 1/4. Indien een operator de enige heffing voor de respectievelijke frequentiebanden zoals bepaald onder §§ 1/1 1°, 2° of 3°, geheel of gedeeltelijk niet voldoet, worden alle gebruiksrechten voor de respectievelijke frequentiebanden ingetrokken. § 2. De Koning, na advies van het Instituut, bepaalt het bedrag en de nadere regels inzake de in §§ 1 bedoelde heffingen behoudens voor wat bepaald wordt in §§ 1/1, 1/2 en 1/3. [...] Art. 39.§ 1. Niemand mag in het Rijk noch aan boord van een zeeschip, een binnenschip, een luchtvaartuig of enige andere drager onderworpen aan het Belgisch recht, een zend- en/of ontvangtoestel voor radiocommunicatie houden, of een station of een niet-openbaar netwerk voor radiocommunicatie aanleggen en doen werken zonder schriftelijke vergunning van het Instituut. Die vergunning is persoonlijk en kan worden ingetrokken. § 2. De Koning bepaalt, na advies van het Instituut, de algemene regels inzake toekenning, schorsing en intrekking van de in § 1 bedoelde vergunningen. Hij kan bepalen in welke gevallen die vergunningen niet vereist zijn. § 3. De Koning, op voorstel van het Instituut bepaalt de verplichtingen van de houders van een vergunning en de voorwaarden waaraan de toegelaten stations en netten voor radiocommunicatie moeten voldoen. § 4. De in § 1 bedoelde vergunningen zijn niet vereist voor de stations voor radiocommunicatie die voor militaire doeleinden of met het oog op de openbare veiligheid aangelegd en gebruikt worden door de diensten die onder de minister van Landsverdediging ressorteren, door de Noord Atlantische Verdragsorganisatie en door de Geallieerde Strijdkrachten. [...] Art. 51.§ 1. Indien tijdens onderhandelingen met betrekking tot toegang er geen overeenstemming kan worden bereikt tussen de partijen, kan het Instituut, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van één van de partijen, na ze gehoord te hebben, ingrijpen ter bevordering van een passende toegang overeenkomstig het bepaalde in deze titel en ter waarborging van de basisdoelstellingen bepaald in de artikelen 6 tot 8. § 2. Onverminderd de maatregelen van artikel 55, § 3, kan het Instituut steeds en op eigen initiatief aan operatoren die de toegang tot de eindgebruikers controleren, verplichtingen opleggen voor zover noodzakelijk om eind-tot-eindverbindingen te verzekeren. Het Instituut kan daarbij de voorwaarden inzake de te verstrekken toegang opleggen, die het passend acht, hetgeen in gevallen waarin zulks gerechtvaardigd is voor de operatoren ook de verplichting inhoudt om te zorgen voor interconnectie van hun netwerken waar dat nog niet gebeurd is of te waarborgen dat de personen bedoeld in artikel 115, alsook de openbare besturen, politiediensten en de internationale instellingen bereikbaar zijn of blijven ». De ontwerpteksten worden onder meer onderzocht in het licht van de hierboven aangehaalde bepalingen. II. B. Gemeenschappelijke algemene opmerkingen II. B. 1. Voorafgaande opmerkingen
(9)1. De voorliggende ontwerpen sluiten aan bij de Europese regelgeving vervat in tal van complexe richtlijnen, verordeningen, beslissingen en beschikkingen, inzonderheid :
  1. a)Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn), (hierna "toegangsrichtlijn" genoemd),
  2. b)Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Machtigingsrichtlijn), (hierna "machtigingsrichtlijn" genoemd),
  3. c)Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn), (hierna "kaderrichtlijn" genoemd),
  4. d)Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn), (hierna "universeledienstrichtlijn" genoemd),
  5. e)Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie), (hierna "privacyrichtlijn" genoemd). Deze verschillende richtlijnen zijn, wat de federale overheid betreft, omgezet bij de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten en de talrijke koninklijke of ministeriële besluiten gebaseerd op deze wet. De Europese regelgeving is onlangs grondig gewijzigd bij de Richtlijnen 2009/136/EG
(10)en 2009/140/EG
(11), die op 18 december 2009 bekendgemaakt zijn in het Publicatieblad van de Europese Unie en in werking zijn getreden op 19 december 2009, overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2009/136/EG en artikel 6 van Richtlijn 2009/140/EG, die bepalen dat ze in werking treden de dag volgend op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad. Deze richtlijnen hebben tal van bepalingen van de Europese regelgeving gewijzigd of vervangen, waaronder de bepalingen betreffende het spectrumbeheer en de toekenning van rechten op het gebruik van frequenties
(12). Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2009/136/EG en artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2009/140/EG moeten deze richtlijnen uiterlijk op 25 mei 2011 omgezet zijn. De verslagen aan de Koning met betrekking tot de voorliggende ontwerpbesluiten vermelden allebei : "Onderhavige maatregelen doen geen afbreuk aan de omzetting van de Richtlijnen 2009/136 en 2009/140 of bemoeilijken de omzetting ervan niet". In dit stadium heeft de federale wetgever de Richtlijnen 2009/136/EG en 2009/140/EG nog niet op een algemene en systematische wijze omgezet en de gemachtigde van de minister heeft bevestigd dat gewerkt werd aan de redactie van ontwerpen die deze richtlijnen moeten omzetten. De afdeling Wetgeving heeft echter meermaals erop gewezen dat, ook al is de termijn voor omzetting van een richtlijn nog niet verstreken en ook al zijn de lidstaten-adressaten niet verplicht om de passende maatregelen te nemen voordat die omzettingstermijn verstreken is, zulks niet wegneemt dat die lidstaten binnen de omzettingstermijn geen bepalingen mogen uitvaardigen die het bereiken van het met de richtlijn beoogde resultaat ernstig in gevaar kunnen brengen
(13). In dit stadium is het echter uiterst delicaat om systematisch te onderzoeken of de ontwerpbesluiten al dan niet bepalingen bevatten "die het bereiken van het met de betrokken richtlijnen beoogde resultaat ernstig in gevaar kunnen brengen". Twee elementen liggen daaraan hoofdzakelijk ten grondslag : - enerzijds ontlenen de ontwerpbesluiten hun grondslag naar intern recht aan de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten, die zelf nog niet is gewijzigd of waarvan nog niet systematisch is onderzocht welke wijzigingen erin moeten worden aangebracht met het oog op de omzetting van de Richtlijnen 2009/136/EG en 2009/140/EG; - anderzijds bevatten de voornoemde Europese wijzigingsrichtlijnen bepalingen die voorzien in overgangsregelingen; de omstandigheden waarin deze overgangsregelingen toepassing zullen vinden, zijn soms van die aard dat op dit ogenblik en gelet op de datum waarop de aanvragen om een advies omtrent de voorliggende ontwerpteksten zijn ingediend, onmogelijk kan worden bepaald of voor de situaties waarop deze ontwerpteksten in de toekomst toepasselijk zullen zijn, de overgangsregeling zal gelden dan wel de nieuwe, definitieve regeling voorgeschreven bij de Europeesrechtelijke bepalingen die voortvloeien uit de Richtlijnen 2009/136/EG en 2009/140/EG. Inzonderheid wat dit punt betreft, kan bij wijze van voorbeeld gewezen worden op de moeilijkheid die verband houdt met artikel 3 van ontwerp 47.981/4. Zo rijst de vraag of deze bepaling vanwege de erin gestelde maximumduur van de gebruiksrechten geen ernstig gevaar op kan leveren voor het bereiken van het resultaat voorgeschreven bij Richtlijn 2009/140/EG, inzonderheid bij het nieuwe artikel 9bis van de kaderrichtlijn, zoals het is ingevoegd bij Richtlijn 2009/140/EG, die voorziet in een overgangsregeling voor de gebruiksrechten verleend vóór 25 mei 2011, en bij het nieuwe artikel 9 van dezelfde kaderrichtlijn, dat de nieuwe definitieve regeling ter zake vaststelt. Toen de gemachtigde van de minister daaromtrent om uitleg is verzocht, heeft ze het volgende verklaard : « L'article 9bis.1 de la Directive « cadre » prévoit que : « Pendant une période de 5 ans commençant le 25 mai 2011, les Etats membres peuvent autoriser les titulaires de droits d'utilisation de radiofréquences qui ont été accordés avant cette date et qui resteront valides pour un durée de 5 ans au moins après ladite date à soumettre à l'autorité nationale compétente une demande de réexamen des restrictions à leurs droits (...). » Le champ d'application de cette disposition porte sur les droits d'utilisation/autorisations qui
  1. a)existent au 25 mei 2011.
  2. b)restent valables au moins jusqu'au 25 mai 2016. Les droits d'utilisation accordés aux opérateurs 4G restent valables pour une durée de 15 ans (article 3, projet d'AR). Si les droits d'utilisation pour les opérateurs 4G sont attribués avant le 25 mai 2011, ils relèvent du champ d'application de l'article 9bis de la Directive cadre. Si toutefois ils sont attribués après le 25 mai 2011, l'article 9bis de la Directive cadre n'est plus applicable à ces droits d'utilisation. Ce n'est toutefois pas la formulation de l'article 3 du projet d'AR qui en est la cause mais bien l'application limitée de l'article 9bis de la Directive cadre qui ne porte que sur les droits accordés avant le 25 mai 2011 ». De hierboven omschreven problemen hadden voorkomen kunnen worden of hadden op zijn minst grotendeels opgelost kunnen worden indien de wetgever had meegewerkt aan de omzetting van de Richtlijnen 2009/136/EG en 2009/140/EG, en de uitvoerende macht daarna pas enerzijds de wijzigingen had onderzocht die moeten worden aangebracht in de koninklijke besluiten van 1995, 1997 en 2001, en anderzijds haar ontwerp van regelgeving "4G" had uitgewerkt. Gelet evenwel op de hier gevolgde werkwijze, waarbij deze volgorde niet wordt aangehouden, en ook op het feit dat de ontwerptekst onderzocht moet worden in het licht van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten zoals ze thans van kracht is, zal men zich, wat betreft de verenigbaarheid van de onderzochte ontwerpen met de Richtlijnen 2009/136/EG en 2009/140/EG, in dit advies beperken tot enkele specifieke opmerkingen verderop in het advies. 2. De twee ontwerpbesluiten voorgelegd aan de afdeling Wetgeving zijn uit technisch oogpunt uitermate complex. De regelingen die ze beogen te wijzigen of in te voeren moeten deugdelijk verantwoord kunnen worden, zowel wat betreft de verschillende behandeling die ze meebrengen voor de onderscheiden actoren die erbij betrokken zijn of kunnen zijn, als wat betreft de voorwaarden waaraan het optreden van de Koning onderworpen is, niet alleen in het licht van de artikelen 18 en volgende van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten, maar ook van de ter zake relevante Europese richtlijnen. In zoverre de afdeling Wetgeving van de Raad van State onvoldoende is ingelicht over de feitelijke situaties waarop de ontwerpbesluiten betrekking hebben, alsook over de wetenschappelijke en technische gegevens waarmee rekening moet worden gehouden, kan ze de gegevens in het verslag aan de Koning die door de gemachtigde van de minister zijn aangehaald of, meer in het algemeen, de gegevens aangehaald in de overige stukken van het dossier dat aan de Raad van State is bezorgd, bijvoorbeeld het advies van het BIPT, niet in al hun aspecten en nuances beoordelen. Onder dit voorbehoud worden de volgende gemeenschappelijke, algemene of bijzondere, en specifieke opmerkingen gemaakt. II. B. 2. Verschillende behandeling 1. Uit een vergelijking van de ontwerpbesluiten blijkt dat de regeling ingevoerd bij ontwerp 47.981/4 op tal van punten zal verschillen van de koninklijke besluiten van 1995, 1997 en 2001, die worden gewijzigd bij ontwerp 47.980/4. Wat de verschillende behandeling betreft, kunnen de volgende twee tekenende voorbeelden worden gegeven : 1° Artikel 10 van ontwerp 47.981/4 legt niet stricto sensu een verplichting tot dekking op, terwijl artikel 5 van het koninklijk besluit van 7 maart 1995, artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014244 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten type koninklijk besluit prom. 24/10/1997 pub. 05/12/1997 numac 1997014245 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten sluiten en artikel 3 van het koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 20/01/2001 numac 2001014004 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie sluiten wel een zodanige verplichting opleggen. 2° De toewijzing bij opbod, voorgeschreven bij ontwerp 47.981/4, verschilt in verscheidene opzichten van de procedure ingevoerd bij het koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 20/01/2001 numac 2001014004 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie sluiten, inzonderheid in zoverre ontwerp 47.981/4 voorziet in een eerste ronde, die niet vergelijkbaar is met wat de artikelen 50 tot 52 van het koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 20/01/2001 numac 2001014004 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie sluiten bepalen. 2. Aangezien elk van de voornoemde koninklijke besluiten de toekenning van rechten op het gebruik van radiofrequenties regelt, moet de steller van de ontwerpen de objectieve, rechtens aanvaardbare, feitelijk juiste, precieze, afdoende en pertinente motieven kunnen opgeven die de verschillen tussen de onderscheiden ingevoerde regelingen kunnen rechtvaardigen uit het oogpunt van het door de onderzochte ontwerpen beoogde doel. In dit verband stelt het verslag aan de Koning bij ontwerp 47.981/4 het volgende : « Beschikking 2008/477/EG van de Commissie van 13 juni 2008 betreffende de harmonisering van de 2500-2690 MHz-frequentieband voor terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen in de Gemeenschap heeft tot doel de voorwaarden te harmoniseren voor de beschikbaarheid en het doelmatig gebruik van de 2500-2690 MHz-band voor terrestrische systemen die in de Gemeenschap elektronische-communicatiediensten kunnen verschaffen. Deze beschikking verplicht de lidstaten ertoe de 2500-2690 MHz- band voor de terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen, aan te wijzen en vervolgens beschikbaar te stellen, in overeenstemming met de parameters die zijn vastgelegd in de bijlage bij de beschikking. Dit moet gebeurd zijn binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de beschikking. Teneinde toe te laten dat technologische vernieuwingen op een efficiënte en commerciële manier ontwikkeld kunnen worden, biedt onderhavig besluit een ruime mate van handelingsvrijheid aan de markdeelnemers : zij kunnen immers zelf beslissen voor welke toepassingen zij de betreffende gebruiksrechten verwerven alsook waar zij hun netwerk ontwikkelen en hun diensten aan het publiek aanbieden. Artikel 8.1 van de Kaderrichtlijn bepaalt immers : « De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties bij de uitvoering van de in deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen omschreven regelgevende taken, met name die welke erop gericht zijn daadwerkelijke concurrentie te waarborgen, zoveel mogelijk rekening houden met het streven dat de regelgeving technologisch neutraal moet zijn. » Uit een raadpleging die het BIPT in maart 2007 organiseerde i.v.m. de 2,6 GHz-band is gebleken dat een (kleine) meerderheid van de respondenten de idee van technologieneutraliteit steunde. Zij wensten in deze band de WiMAX-technologie aan te bieden, terwijl de tegenstanders van die idee deze band voorbehouden wilden zien voor de IMT-2000-technologieën. Het valt evenwel te verwachten dat dit dispuut vanzelf zal verdwijnen nu WiMAX sinds mei 2007 opgenomen is in de IMT-2000-familie. Hierbij kan trouwens opgemerkt worden dat de argumenten van de tegenstanders van technologieneutraliteit niet per se onredelijk zijn : 1° één technologie biedt schaalvoordelen, is in het belang van een pan-Europese harmonisatie en vereenvoudigt roaming;2° de nieuwe technologieën moeten zich nog helemaal bewijzen;3° het gebruik van verschillende technologieën maakt de frequentiecoördinatie met het buitenland complexer;4° indien op naast mekaar liggende banden verschillende technologieën worden gebruikt, maakt dit de compatibiliteitsproblemen ingewikkelder. Deze argumenten zijn correct maar daar staat tegenover dat België een zeer ongunstige indruk zou nalaten indien bv. een nieuwe technologie een succes zou blijken te zijn en deze technologie in België niet zou zijn toegelaten. Bovendien is niet uit te sluiten dat de overheid een technologie aanduidt die naderhand niet succesvol blijkt te zijn. Hoe dan ook zal het opleggen van één technologie innovatieve technieken stremmen. Tenslotte is er de groeiende consensus onder de Europese regulatoren en regelgevers dat de technologiekeuze aan de markt overgelaten kan worden. In die optiek wordt er dan van uitgegaan dat er op termijn een de facto harmonisatie zal groeien. Bij de consultaties die het BIPT gehouden heeft inzake de banden 1785-1805 MHz, 2,6 GHz en 3,4-3,6 GHz, werd er door de drie mobiele operatoren steeds de nadruk op gelegd dat aan de nieuwkomers dezelfde voorwaarden moeten opgelegd worden inzake intrederecht, jaarlijks recht en dekkingsverplichtingen als die die opgelegd werden in het kader van de GSM, DCS1800 en UMTS-vergunningen. Zoniet zou er volgens deze operatoren sprake zijn van discriminatie. Het verbod op discriminatie houdt in dat de overheid haar burgers op voet van gelijkheid moet behandelen, in de mate waarin zij in gelijke omstandigheden verkeren. Personen die zich in andere omstandigheden bevinden, mogen dus ook anders worden behandeld. Verschil in behandeling kan daarentegen onder de volgende voorwaarden : 1° er is voor het verschil in behandeling een objectieve en verifieerbare reden voorhanden;2° het verschil in behandeling heeft een aanvaardbaar doel;3° het verschil in behandeling is proportioneel en gaat niet verder dan nodig. In concreto : de GSM- en DCS1800-frequenties werden toegekend in 1995 en 1997. De drie mobiele operatoren betaalden elk een intrederecht van ongeveer 9 mia BEF. Zij verbonden zich ertoe om binnen een bepaalde tijdspanne hun GSM-resp. DCS1800-diensten over het ganse grondgebied aan te bieden. De UMTS-frequenties werden toegekend in 2001. De drie mobiele operatoren betaalden elk ongeveer 150 miljoen euro, zijnde het minimumbedrag bij de veiling, te wijten aan het feit dat er minder gegadigden waren dan kavels. Zij verbonden zich tot bepaalde dekkingsverplichtingen die inmiddels, op vraag van deze operatoren werden afgezwakt. De marktsituatie is inmiddels danig gewijzigd : de twee dominante mobiele operatoren hebben een solide klantenbestand weten op te bouwen en de markt van mobiele toepassingen is door hen ingenomen. Bovendien hebben de bestaande mobiele spelers reeds veel frequenties in verschillende banden ter beschikking. Een nieuwkomer op deze markt begint dus in een minder gunstige positie. Bovendien ligt tegenwoordig de problematiek van de plaatsing van antennes nog gevoeliger dan vijf of tien jaar geleden. Een nieuwkomer op de markt zal hoe dan ook antennes moeten plaatsen en dus daartoe vergunningen bekomen en/of contracten afsluiten. Met lokale overheden én privé-personen die steeds argwanender staan tegenover antennesites, is dit aanzienlijk moeilijker dan destijds. Behalve deze gewijzigde maatschappelijke omstandigheden, kunnen nog een aantal verschillen genoteerd worden : 1° Het is niet uitgesloten dat de nieuwkomers een andere markt zullen viseren : niet zozeer de markt van het grote publiek, eerder de professionele markt.2° De frequenties die zij kunnen verwerven verschillen van de GSM-DCS1800- en UMTS-frequenties : het gaat om hogere frequenties, hetgeen een ongunstig effect heeft op de propagatie. Gelet op voorgaande lijkt het duidelijk dat de omstandigheden dermate zijn gewijzigd t.o.v. tien jaar geleden dat het opleggen van dezelfde voorwaarden als voor GSM, DCS1800 of UMTS niet meer verantwoord kan worden louter door verwijzing naar de reglementering die op die diensten betrekking heeft. Uit de raadpleging van het BIPT van 24 december 2009 i.v.m. de 2,6 GHz-band is gebleken dat het kanaalindelingsplan van de CEPT, rekening houdende met de huidige marktomstandigheden, de beste optie is. Onderhavige maatregelen doen geen afbreuk aan de omzetting van de RTichtlijnen 2009/136 en 2009/140 of bemoeilijken de omzetting ervan niet ». Het zou nuttig zijn deze toelichtingen van algemene aard aan te vullen met een preciezere en meer specifieke verantwoording, die wordt opgenomen in het verslag aan de Koning. Het verslag aan de Koning bij ontwerp 47.981/4 bevat weliswaar enkele specifieke verantwoordingen, maar ook deze zouden beter worden aangevuld zodat ze zich niet eenvoudigweg beperken tot het opgeven van de redenen waarom de voorgenomen maatregel in absolute zin al dan niet gewettigd is, maar duidelijk de motieven aangeven die rechtvaardigen dat een zodanige maatregel specifiek getroffen wordt voor de in het ontwerp bedoelde gebruiksrechten voor frequenties, terwijl de koninklijke besluiten die ontwerp 47.980/4 beoogt te wijzigen een verschillende regeling voorschrijven. In dit verband kan bij wijze van voorbeeld worden gewezen op de toelichting die de artikelsgewijze bespreking van het verslag aan de Koning verstrekt omtrent artikel 10 van ontwerp 47.981/4, en die als volgt luidt : « Op te merken valt dat onderhavig besluit de operator geen dekkingsverplichtingen oplegt maar wel de verplichting om de gebruikers en het Instituut afdoende en precieze informatie over de daadwerkelijke dekking te bezorgen. Uit de praktijk blijkt dat immers dekkingsverplichtingen moeilijk afdwingbaar zijn. Bovendien kan de vraag gesteld worden in hoeverre voor de betreffende banden strikte dekkingsverplichtingen verenigbaar zijn met het principe van technologieneutraliteit en met het principe van vrije mededinging. Het is evident dat de informatieverplichting door de betreffende operatoren ernstig moet worden genomen en dienovereenkomstig door het Instituut zal worden gecontroleerd ». Deze uitleg dient te worden aangevuld met de redenen waarom geen dekkingsverplichtingen worden opgelegd door ontwerp 47.981/4, terwijl ze wel worden opgelegd in de besluiten waarvan de wijziging wordt beoogd, inzonderheid door artikel 12 van ontwerp 47.980/4. De omstandigheid dat de procedure voorgesteld in ontwerp 47.981/4 geen eerste fase van toewijzing bij opbod bevat die lijkt op die welke de artikelen 50 tot 52 van het koninklijk besluit van 18 januari 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 18/01/2001 pub. 20/01/2001 numac 2001014004 bron ministerie van verkeer en infrastructuur Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie sluiten voorschrijven, wordt harerzijds volgens het advies dat het BIPT heeft verstrekt omtrent ontwerp 47.981/4 verantwoord door het feit dat de frequentieblokken toegewezen krachtens het besluit van 18 januari 2001 identiek zijn, terwijl de blokken toegewezen krachtens ontwerp 47.981/4 niet gelijk zijn. Niet alleen verdient het aanbeveling dat deze verantwoording opgenomen wordt in het verslag aan de Koning, maar bovendien moet de steller van het ontwerp kunnen verantwoorden waarom in het ene geval de frequentieblokken gelijk zijn, en niet in het andere geval. De conclusie is dan ook dat de steller van het ontwerp beter de redenen dient aan te geven die de hierboven omschreven verschillen in behandeling verantwoorden en ze dient op te nemen in het verslag aan de Koning. II. C. Gemeenschappelijke bijzondere opmerkingen Aanhef 1. In het eerste lid van de aanhef van elk van de ontwerpbesluiten moet de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten worden vermeld, gevolgd door de opgaaf van alle artikelen van deze wet waaraan de ontwerpbesluiten hun rechtsgrond ontlenen, waarbij voor elk van deze artikelen de nog van kracht zijnde wijzigingen worden vermeld die erin zijn aangebracht
(14).
  1. Er zij op gewezen dat, van de bepalingen van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten waarnaar verwezen moet worden in de aanhef van het ontwerpbesluit, artikel 13 van deze wet niet vermeld dient te worden, daar het geen rechtsgrond verleent aan de ontwerpbesluiten. Er dient daarentegen te worden verwezen naar artikel 20, § 1, van dezelfde wet, dat rechtsgrond verleent aan sommige bepalingen van de onderzochte ontwerpen.
  2. De data van de vereiste adviezen en akkoordbevindingen moeten worden vermeld. III. Opmerkingen specifiek over ontwerp 47.980/4 III. A. Voorafgaande vormvereisten Artikel 14 van de machtigingsrichtlijn bepaalde oorspronkelijk : « De lidstaten zien erop toe dat de rechten, voorwaarden en procedures die van toepassing zijn bij algemene machtigingen en gebruiksrechten of rechten om faciliteiten te installeren, slechts in objectief gerechtvaardigde gevallen en op proportionele wijze kunnen worden gewijzigd. Het voornemen om dergelijke wijzigingen aan te brengen, zal op passende wijze worden bekendgemaakt en de belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, zullen over een adequate termijn kunnen beschikken om hun standpunt met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen kenbaar te maken; deze termijn bedraagt behoudens uitzonderlijke gevallen ten minste vier weken ». Deze bepaling is vervangen bij Richtlijn 2009/140/EG, die in werking is getreden op 19 december
  3. Thans luidt ze als volgt : « Lidstaten zorgen ervoor dat de rechten, voorwaarden en procedures inzake algemene machtigingen en gebruiksrechten of rechten om faciliteiten te installeren alleen kunnen worden gewijzigd in objectief met redenen omklede gevallen en op evenredige wijze, in voorkomend geval rekening houdend met de specifieke voorwaarden die van toepassing zijn op de overdraagbare gebruiksrechten voor radiofrequenties. Het voornemen om dergelijke wijzigingen aan te brengen, zal op passende wijze worden bekendgemaakt en de belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, zullen over een adequate termijn kunnen beschikken om hun standpunt met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen kenbaar te maken; deze termijn bedraagt behoudens uitzonderlijke gevallen ten minste vier weken ». In het licht van artikel 14 van de machtigingsrichtlijn dienen omtrent de bepalingen van ontwerp 47.980/4 de volgende twee opmerkingen te worden gemaakt : 1° Enerzijds beogen de onderzochte bepalingen koninklijke besluiten te wijzigen die ertoe strekken rechten, voorwaarden en procedures te regelen met betrekking tot de toewijzing van gebruiksrechten voor bepaalde frequenties. De steller van het ontwerp moet dus kunnen aantonen dat deze wijzigingen betrekking hebben op objectief met redenen omklede gevallen en op evenredige wijze zijn geconcipieerd, in voorkomend geval rekening houdend met de specifieke voorwaarden die van toepassing zijn op de overdraagbare gebruiksrechten voor radiofrequenties. Het aan de Raad van State bezorgde dossier, inzonderheid het verslag aan de Koning en het advies van het BIPT omtrent de ontwerptekst, draagt weliswaar bij tot een beter begrip van de motieven die de hier voorgestelde wijzigingen kunnen verantwoorden. Doordat de steller van het ontwerp moet kunnen aantonen dat de voorgestelde wijzigingen voldoen aan de voornoemde voorwaarden, moet de ontwerptekst echter worden herzien in het licht van deze voorwaarden en verdient het aanbeveling het verslag aan de Koning aan te vullen of de redactie ervan te herzien, zodat beter tot uiting komt dat de voorgestelde wijzigingen in overeenstemming zijn met de voorwaarden gesteld in artikel 14 van de machtigingsrichtlijn. 2° Anderzijds rijst de vraag of omtrent de ontwerptekst de raadpleging is gehouden die wordt voorgeschreven bij artikel 14 van de machtigingsrichtlijn. Volgens de inlichtingen verstrekt door de gemachtigde van de minister is omtrent de tekst die aanleiding heeft gegeven tot ontwerp 47.980/4 meermaals een raadpleging gehouden in de loop van de laatste twee jaren, laatstelijk van 24 december 2009 tot 21 januari
  4. Na afloop van deze raadpleging zijn de personen gehoord die op de raadpleging hadden geantwoord, waarna de tekst is aangepast. In verband met de bepalingen van ontwerp 47.980/4 waarvoor de adviesaanvraag ontvankelijk is
(15), moet worden vastgesteld dat de ontwerptekst verschilt van het ontwerpbesluit waarover tussen 24 december 2009 en 21 januari 2010 een openbare raadpleging is gehouden, bepaaldelijk met betrekking tot een aantal punten die zich duidelijk niet als zuivere detailkwesties aandienen
(16). Daaruit volgt dat het ontwerp waarover alle betrokken partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, zijn geraadpleegd, gewijzigd is naar aanleiding van opmerkingen die sommige van die partijen hadden gemaakt en nadat ze bovendien waren gehoord. Volgens artikel 14 van de machtigingsrichtlijn, zoals het is vervangen bij Richtlijn 2009/140/EG, kan evenwel worden afgezien van het houden van een openbare raadpleging over ontwerpen die slechts geringe wijzigingen bevatten waarmee de houders van de gebruiksrechten hebben ingestemd. Volgens de toelichtingen verstrekt door de gemachtigde van de minister zijn de wijzigingen aangebracht in het ontwerp waarover een raadpleging is gehouden, vooral van technische aard, zetten deze de hoofdbestanddelen van het ontwerp niet op de helling en zijn ze het uitvloeisel van de opmerkingen van de operatoren die geantwoord hebben tijdens de openbare raadpleging. De steller van het ontwerp wordt erop gewezen dat indien hij niet precies en concreet kan aantonen dat de betrokken wijzigingen overeenstemmen met de uitleg verstrekt door de gemachtigde van de minister, het in dat geval verkieslijk is om, teneinde ieder risico van betwisting omtrent dit punt in de toekomst te voorkomen, een nieuwe openbare raadpleging te organiseren, zodat onder meer de gebruikers en consumenten hun opmerkingen omtrent de aangebrachte wijzigingen naar voren kunnen brengen. III. B. Algemene opmerking Algemeen beschouwd blijkt uit het aan de Raad van State bezorgde dossier dat de mogelijke toekomstige "nieuwe 3G-operator", wiens marktintrede in het vooruitzicht wordt gesteld en geregeld wordt in de ontwerptekst, in een andere situatie terechtkomt dan de reeds vergunde 3G-operatoren
(17). Deze verschillen in behandeling moeten redelijkerwijs kunnen worden verantwoord. In dit verband verdient het aanbeveling de toelichtingen opgenomen in de artikelsgewijze bespreking te onderbouwen, rekening houdend met de relevante Europeesrechtelijke bepalingen, inzonderheid artikel 8 van de kaderrichtlijn
(18). III. C. Bijzondere opmerkingen Aanhef 1. De koninklijke besluiten waarin wijzigingen zouden worden aangebracht, moeten worden vermeld in de aanhef, zonder dat de wijzigingen aangebracht in die besluiten worden opgesomd
(19). Het tweede tot het vierde lid van de aanhef moeten dienovereenkomstig worden herzien. 2. Het lid betreffende het advies van de afdeling Wetgeving moet als volgt worden gesteld : « Gelet op de adviezen 45.621/4, 47.080/4 en 47.980/4 van de Raad van State, respectievelijk gegeven op 7 januari 2009, 24 juli 2009 en 7 april 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; »
(20).

Artikel 2

In het ontworpen artikel 7, § 1, vierde lid, 3°, eerste streepje, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 wordt alleen een regel overgenomen die al voortvloeit uit artikel 30, § 1/1, van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten. Zoals de afdeling Wetgeving al vaak heeft opgemerkt, staat het niet aan de Koning om in een reglementair besluit een regel over te nemen die reeds is opgenomen in een bepaling van wetgevende aard. Een dergelijke werkwijze kan immers verwarring doen ontstaan omtrent de aard van de desbetreffende regel. Ze kan bovendien de indruk wekken dat het aan de Koning toekomt om die regel te wijzigen, terwijl die bevoegdheid uitsluitend aan de wetgever toebehoort. Het ontworpen artikel 7, § 1, vierde lid, 3°, eerste streepje, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 moet dus vervallen. III. C. Slotopmerking De bepalingen van het ontwerpbesluit moeten zo worden vernummerd dat het geen artikel "bis " meer bevat

(21). IV. Specifieke opmerkingen over ontwerp 47.981/4 IV. A. Voorafgaande vormvereisten Artikel 7, lid 1, van de machtigingsrichtlijn - voordat het bij Richtlijn 2009/140/EG werd gewijzigd - bepaalt : « Wanneer een lidstaat overweegt het aantal gebruiksrechten voor radiofrequenties te beperken, dient hij onder meer : [...] b) alle belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, de mogelijkheid te bieden om zich uit te spreken over elke eventuele beperking overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn);». Een afspiegeling van die bepaling is terug te vinden in artikel 20, § 2, van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten, dat bepaalt : « §
  1. Tijdens het verloop van de procedure tot beperking van het aantal gebruiksrechten voor radiofrequenties die geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor elektronische-communicatiediensten die aan het publiek worden aangeboden, zorgt het Instituut ervoor dat : 1° alle belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, zich in een openbare raadpleging overeenkomstig artikel 139 kunnen uitspreken over de voorgenomen beperking; [...] ». Volgens de inlichtingen die de gemachtigde van de minister heeft verschaft, zijn krachtens die bepalingen verscheidene openbare raadplegingen gehouden over de tekst die ontwerp 47.981/4 is geworden. De laatste raadpleging heeft plaatsgevonden van 24 december 2009 tot 21 januari
  2. Daarop zijn de personen die op de raadpleging geantwoord hebben gehoord en vervolgens is de tekst gewijzigd. In dat verband moet erop worden gewezen dat de ontworpen tekst verschilt van het ontwerpbesluit waarover tussen 24 december 2009 en 21 januari 2010 een openbare raadpleging heeft plaatsgevonden
(22). Bijgevolg rijst de vraag of, gelet op de bewoordingen zelf van artikel 7, lid 1, b), van de machtigingsrichtlijn, geen nieuwe openbare raadpleging zou moeten plaatsvinden over de gewijzigde versie van ontwerp 47.981/4, zodat inzonderheid de gebruikers en de consumenten hun opmerkingen over de aangebrachte wijzigingen kunnen meedelen. Volgens de uitleg van de gemachtigde van de minister daaromtrent zouden de aangebrachte wijzigingen echter vooral van technische aard en van gering belang zijn en zouden ze geen afbreuk doen aan de kern van het ontwerp; tot slot zouden ze inhaken op de opmerkingen van de operatoren die zich tijdens de openbare raadpleging over het ontwerp uitgesproken hebben. De steller van het ontwerp wordt erop gewezen dat, als hij niet nauwkeurig en concreet kan aantonen dat de wijzigingen in kwestie aan de uitleg van de gemachtigde van de minister beantwoorden, het beter zou zijn, om alle gevaar voor latere betwistingen daaromtrent te voorkomen, een nieuwe openbare raadpleging te organiseren zodat inzonderheid de gebruikers en de consumenten hun opmerkingen over de aangebrachte wijzigingen kunnen meedelen. IV. B. Algemene opmerking In het advies van het BIPT over ontwerp 47.981/4 staat inzonderheid het volgende : «
  1. Het huidige ontwerp bevat een beperking van 40 MHz voor een FDD-operator, terwijl een TDD-operator maximaal 45 MHz kan verwerven. Het Instituut stelt vast dat er een verschillende maximale spectrumhoeveelheid toegekend wordt aan FDD- en TDD-operatoren.
  2. Artikel 8.1, tweede lid, van de Kaderrichtlijn stelt dat de lidstaten zoveel mogelijk rekening moeten houden met de wenselijkheid van voorschriften die technologisch neutraal zijn. Dit impliceert dat er gestreefd moet worden naar een gelijke behandeling van FDD en TDD en dat een verschil in behandeling tussen beide technologieën terdege gerechtvaardigd moet worden en proportioneel moet zijn aan het beoogde doel.
  3. Het Instituut meent dat het verschil in behandeling gerechtvaardigd en proportioneel is.Men kan inderdaad redelijkerwijze aannemen dat de operatoren die zullen meebieden voor het FDD-spectrum operatoren zijn die reeds over 900MHz-, 1800MHz- en/of 2100MHz-spectrum beschikken (2G-en 3G-operatoren) : deze operatoren gebruiken immers uitsluitend FDD-technologie. Een TDD-operator zal dus met vrij grote waarschijnlijkheid een operator zijn die nog geen bestaande 2G-of 3G-operator is. De grotere hoeveelheid TDD-spectrum kan dan gerechtvaardigd worden aangezien de betreffende TDD-operator niet beschikt over spectrum in een lagere band ». Uit dat advies van het BIPT blijkt dus een verschil in behandeling tussen de FDD-operatoren en de TDD-operatoren dat, eveneens volgens het BIPT, evenwel gerechtvaardigd zou zijn. Zoals in de gemeenschappelijke algemene opmerking II.B.1 hierboven al is opgemerkt, kan de afdeling Wetgeving van de Raad van State de gegevens aangehaald in het advies van het BIPT niet in al hun aspecten en nuances beoordelen, in zoverre ze onvoldoende ingelicht is over de feitelijke situaties waarop de ontwerptekst betrekking heeft, alsook over de wetenschappelijke en technische gegevens waarmee rekening moet worden gehouden. Er moet evenwel op worden gewezen dat het advies van het BIPT wijst op een verschil in behandeling dat daarenboven niet uiteengezet of gerechtvaardigd wordt in het dossier dat aan de afdeling Wetgeving is bezorgd, inzonderheid niet in het verslag aan de Koning. De steller van het ontwerp moet het ontworpen

herzien in het licht van de beschouwingen in het advies van het BIPT. Als er een redelijke verantwoording is voor het verschil in behandeling dat door het BIPT wordt aangegeven, kan dat verschil in de ontworpen tekst gehandhaafd worden en moet het verslag aan de Koning dienovereenkomstig worden aangevuld. IV. C. Bijzondere opmerkingen Aanhef Het lid over het advies van de afdeling Wetgeving moet als volgt gesteld worden : « Gelet op advies 47.981/4 van de Raad van State, gegeven op 7 april 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; »

(23).

Artikel 3

  1. Artikel 3 van het ontwerp moet worden bekeken uit het oogpunt van de volgende bepalingen en beginselen.1° Uit artikel 6, lid 1, en uit deel B, 4, van de bijlage van de machtigingsrichtlijn blijkt dat de lidstaten slechts het volgende kunnen bepalen wat de duur van de gebruiksrechten voor radiofrequenties betreft : "Maximumduur [van die rechten] overeenkomstig artikel 5 [van dezelfde richtlijn], onder voorbehoud van wijzigingen van het nationale frequentieplan". Bovendien bepaalde het oorspronkelijke artikel 5, lid 2, tweede alinea, in fine, van deze richtlijn : « Wanneer lidstaten gebruiksrechten verlenen voor een bepaalde termijn, moet de duur zijn aangepast aan de betrokken dienst ». Dat artikel 5 is vervangen bij Richtlijn 2009/140/EG, zodat lid 2, vierde alinea, voortaan als volgt luidt : « Wanneer lidstaten gebruiksrechten verlenen voor een bepaalde termijn, moet de duur zijn aangepast aan de betrokken dienst, gelet op het nagestreefde doel, naar behoren rekening houdend met het feit dat een passende periode voor de afschrijving van investeringen nodig is ». Richtlijn 2009/140/EG is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 18 december
  2. Ze is in werking getreden op 19 december 2009, overeenkomstig artikel 6 ervan, dat bepaalt dat deze richtlijn in werking treedt op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad. Die richtlijn moet, overeenkomstig artikel 5, lid 1, ervan, uiterlijk 25 mei 2011 omgezet zijn. 2° De artikelen 5 en 6, lid 1, alsook deel B, 4, van de bijlage van de machtigingsrichtlijn, in de versie van die bepalingen vóór ze bij Richtlijn 2009/140/EG zijn gewijzigd, zijn inzonderheid omgezet bij artikel 18 van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten. Zo blijkt uit artikel 18, § 1, 4°, van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten dat de voorwaarden voor het verkrijgen en uitoefenen van gebruiksrechten voor frequenties die door de Koning worden vastgesteld, alleen verband mogen houden met "de maximumduur onder voorbehoud van wijzigingen van het nationale frequentieplan". Voorts bepaalt artikel 18, § 2, van die wet het volgende : "Wanneer het Instituut gebruiksrechten voor radiofrequenties verleent voor een bepaalde termijn is de duur aangepast aan de betrokken dienst"

(24).
  1. Artikel 3 van ontwerp 47.981/4 moet aan al die bepalingen en beginselen getoetst worden. In dat verband gaat de aandacht meer in het bijzonder naar paragraaf 1 van dat artikel
  2. Die paragraaf luidt als volgt : « Art. 3.§
  3. De gebruiksrechten zijn vijftien jaar geldig vanaf de datum van betekening ervan. Na afloop van die eerste periode kan het Instituut de gebruiksrechten voor telkens vijf jaar verlengen. Indien het Instituut de gebruiksrechten niet verlengt, neemt het daartoe een gemotiveerde beslissing, uiterlijk twee jaar voor het verstrijken van de periode, na de betrokken operator te hebben gehoord ». 2.
  4. Uit die bepaling blijkt dat het ontworpen besluit de duur van de gebruiksrechten in kwestie zonder voorbehoud bepaalt en de duur van een eventuele verlenging van die rechten ook onvoorwaardelijk vastlegt. Voorts voorziet het ontworpen besluit niet in de mogelijkheid dat de operator afstand doet van de hem toegekende rechten voordat de in de voorliggende bepaling gestelde termijn verstreken is. Het aldus ingevoerde mechanisme kan afbreuk doen aan de voornoemde wetsbepalingen van Europees en intern recht, want ze bieden de lidstaten alleen de mogelijkheid om de maximumduur van de gebruiksrechten vast te leggen. De gemachtigde van de minister is het ermee eens dat, om dat te verhelpen, het woord "maximaal" zou moeten worden toegevoegd in het artikel 3, § 1, van het ontwerp, vóór de woorden "vijftien jaar" en vóór de woorden "vijf jaar". Voorts zou ook de tweede zin van artikel 3, § 1, tweede lid, moeten worden herzien wat de termijn betreft waarbinnen het BIPT de eventuele beslissing om de gebruiksrechten niet te verlengen, moet nemen. 2.
  5. Uit het gezichtspunt van dezelfde bepalingen en beginselen moet de steller van het ontwerp bovendien de geplande maximale duur kunnen rechtvaardigen, meer bepaald de omstandigheid dat die beperking is "aangepast aan de betrokken dienst". Om alle kritiek in het licht van Richtlijn 2009/140/EG
(25)te voorkomen, moet de steller van het ontwerp er voorts op toezien dat in die verantwoording gelet wordt "op het nagestreefde doel, naar behoren rekening houdend met het feit dat een passende periode voor de afschrijving van investeringen nodig is ».
  1. Voor het overige wordt verwezen naar de voorafgaande gemeenschappelijke algemene opmerking II.B.1, punt 1, hierboven.
  2. Aangezien de wet van 29 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/07/1991 pub. 18/12/2007 numac 2007001008 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. - Duitse vertaling sluiten betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen in het onderhavige geval van toepassing is, is er geen reden om te bepalen bepaald dat het BIPT een "gemotiveerde" beslissing moet nemen.
  3. De voorliggende bepaling moet in het licht van de voorgaande opmerkingen worden herzien. Artikel 7
  4. Artikel 7 van het ontwerp heeft betrekking op het bedrag van en op een aantal nadere regels omtrent het jaarlijkse "recht" dat de radiotoegangsoperator moet betalen voor de beschikbaarstelling en de coördinatie van de frequenties. Die bepaling heeft tot doel uitvoering te geven aan artikel 30, §§ 1 en 2, van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten, dat een ruime bevoegdheid terzake verleent aan de Koning. Gelet op wat voorafgaat, moet men in verband met de paragrafen 1 en 2 van de voorliggende bepaling twee zaken voor ogen houden : 1° wat het interne recht betreft, behoort er nogmaals op gewezen te worden dat, zoals de afdeling Wetgeving reeds heeft opgemerkt, een retributie zich laat definiëren als een geldelijke vergoeding van een dienst die de overheid presteert ten voordele van de heffingplichtige, individueel beschouwd.Bovendien moet er een redelijke verhouding bestaan tussen, enerzijds, de waarde van de bewezen dienst en, anderzijds, de gevorderde retributie; bij gemis van een zodanige verhouding verliest de retributie haar vergoedend karakter en wordt ze van fiscale aard
(26). 2° Artikel 13 van de machtigingsrichtlijn, met als opschrift "Vergoedingen voor gebruiksrechten en rechten om faciliteiten te installeren", luidt als volgt : « De lidstaten kunnen de betrokken instantie toestaan de gebruiksrechten voor radiofrequenties of nummers of rechten om faciliteiten te installeren op, boven of onder openbare of particuliere eigendom, te onderwerpen aan vergoedingen die ten doel hebben een optimaal gebruik van deze middelen te waarborgen.De lidstaten zorgen ervoor dat deze vergoedingen objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend zijn en in verhouding staan tot het beoogde doel en zij houden rekening met de doelstellingen van artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) ». Aan die bevoegdheid die aan de lidstaten wordt opgedragen, zijn verscheidene voorwaarden verbonden. Enerzijds mag de vergoeding alleen worden voorgeschreven met het doel "een optimaal gebruik van deze middelen [in casu de radiofrequenties] te waarborgen". Anderzijds moeten de Lidstaten ervoor zorgen dat "deze vergoedingen objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend zijn en in verhouding staan tot het beoogde doel en rekening houden met de doelstellingen van artikel 8 van Richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn)". De afdeling Wetgeving wijst er bovendien op dat soortgelijke eisen inzake rechtvaardiging en proportionaliteit aan de Lidstaten worden opgelegd bij artikel 14 van de machtigingsrichtlijn
(27)wanneer er sprake is van wijziging van rechten, voorwaarden en procedures die van toepassing zijn op de gebruiksrechten. Gezien de hiervoren wederom aangehaalde vereisten, geeft het ontworpen

aanleiding tot de volgende opmerkingen : 1° Uit het oogpunt van het Europese recht moet de steller van het voorontwerp in staat zijn de precieze en concrete gegevens bij te brengen waarmee kan worden aangetoond dat daadwerkelijk aan de verschillende vereisten van artikel 13 van de machtigingsrichtlijn is voldaan, inzonderheid wat betreft de bedragen van de "rechten" waarin het ontworpen

voorziet.In dat verband moet de steller van het ontwerp kunnen aantonen dat hij die bedragen heeft vastgesteld op basis van een precieze en concrete analyse van de kosten van de dienst die bestaat in het ter beschikking stellen en coördineren van de frequenties. Bovendien moet in die verantwoording rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de beoogde "rechten" zullen komen boven op de "enige heffing" voorgeschreven in artikel 30, § 1/1, § 1/2, § 1/3 en § 1/4, van de wet van 13 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2005 pub. 20/06/2005 numac 2005011238 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet betreffende de elektronische communicatie sluiten en, ruimer nog, met het concessierecht dat betaald wordt na de toewijzing bij opbod voorgeschreven in de ontworpen tekst

(28). Uit het oogpunt van het interne recht, dient de steller van het ontwerp eveneens in staat te zijn aan te tonen dat het bedrag van 26.000 euro per toegekende MHz redelijkerwijs in verhouding staat tot de waarde van de dienst die bestaat in het ter beschikking stellen en het coördineren van de frequenties. 2° Gelet op het evenredigheidsbeginsel dat vo

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.