📄 Wettekst
MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN
28 DECEMBER 2001. - Ministerieel besluit tot uitvoering van sommige bepalingen van het
koninklijk besluit van 30 maart 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
30/03/2001
pub.
31/03/2001
numac
2001000327
bron
ministerie van binnenlandse zaken en ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten
type
koninklijk besluit
prom.
30/03/2001
pub.
26/03/2008
numac
2008000238
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
type
koninklijk besluit
prom.
30/03/2001
pub.
13/05/2008
numac
2008000428
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
type
koninklijk besluit
prom.
30/03/2001
pub.
18/01/2008
numac
2007001064
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. - Duitse vertaling
type
koninklijk besluit
prom.
30/03/2001
pub.
15/02/2008
numac
2008000096
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. - Duitse vertaling van deel XII en deel XIII
sluiten tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten
De Minister van Binnenlandse Zaken, Gelet op het
koninklijk besluit van 30 maart 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
30/03/2001
pub.
31/03/2001
numac
2001000327
bron
ministerie van binnenlandse zaken en ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten
type
koninklijk besluit
prom.
30/03/2001
pub.
26/03/2008
numac
2008000238
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
type
koninklijk besluit
prom.
30/03/2001
pub.
13/05/2008
numac
2008000428
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen
type
koninklijk besluit
prom.
30/03/2001
pub.
18/01/2008
numac
2007001064
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. - Duitse vertaling
type
koninklijk besluit
prom.
30/03/2001
pub.
15/02/2008
numac
2008000096
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. - Duitse vertaling van deel XII en deel XIII
sluiten tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, inzonderheid op de artikelen II.I.10, II.I.11, tweede lid, II.I.12, tweede lid, II.I.14, III.VII.9, IV.I.27, IV.I.39, eerste en tweede lid, IV.I.40, eerste lid, IV.I.49, tweede lid, IV.I.52, eerste lid, IV.I.53, tweede lid, IV.I.56, IV.I.57, IV.I.58, eerste lid, IV.I.59, IV.II.9, vijfde lid, IV.II.16, 5°, IV.II.44, V.II.4, tweede lid, V.II.5, V.II.6, derde lid, V.II.7, V.II.10, tweede en derde lid, V.II.11, V.II.20, V.III.7, tweede lid, V.III.9, tweede lid, V.III.11, derde lid, V.III.15, tweede en derde lid, V.III.16, V.III.25, VI.I.3, § 1, tweede lid, VI.I.4, § 1, tweede lid, VI.I.7, eerste lid, 1° en 3°, VI.I.10, § 2, eerste lid, VII.II.3, § 2, tweede lid, VII.II.11, tweede lid, VII.II.12, tweede lid, VII.II.13, VII.II.14, VII.II.17, VII.II.18, VII.II.19, VII.III.4, tweede lid, VII.III.16, derde lid, VII.III.45, tweede lid, VII.III.87, tweede lid, VII.IV.3, § 2, tweede lid, VII.IV.13, tweede lid, VII.IV.14, tweede lid, VII.IV.15, tweede lid, VII.IV.18, VIII.III.2, tweede lid, VIII.III.11, VIII.XIV.4, eerste lid, VIII.XV.6, eerste lid, VIII.XVI.2, eerste lid, VIII.XVIII.2, eerste lid, X.I.1, eerste lid, 2°, X.I.2, eerste en tweede lid, X.I.3, X.I.7, X.II.1, 1°, X.III.8, vijfde lid, XI.I.1, 5° en 8°, XI.I.2, XI.III.6, § 1, derde lid, XI.III.12, eerste lid, 2°, 5°, 6°, XI.III.31, § 2, XI.III.32, § 1, eerste en tweede lid, XI.III.44, § 2, XI.IV.2, eerste lid, XI.IV.3, XI.IV.5, § 1, 3°, XI.IV.13, 12°, eerste en tweede lid, XI.IV.14, XI.IV.20, tweede lid, XI.IV.22, XI.IV.25, § 1, eerste en tweede lid, XI.IV.26, XI.IV.27, XI.IV.33, § 1, tweede lid, XI.IV.35, § 2, tweede lid, XI.IV.37, XI.IV.39, § 3, eerste lid, XI.IV.42, XI.IV.44, § 1, tweede lid, XI.IV.45, 1°, XI.IV.46, XI.IV.47, § 3, XI.IV.48, XI.IV.51, XI.IV.52, eerste lid, XI.IV.56, eerste lid, XI.IV.57, tweede lid, XI.IV.62, XI.IV.63, § 1, tweede lid, XI.IV.69, XI.IV.71, § 2, tweede lid, XI.IV.72, XI.IV.73, XI.IV.75, XI.IV.77, § 1, tweede lid, XI.IV.94, § 1, derde lid, XI.IV.101, § 2, XI.IV.102, § 1, derde lid en § 2, tweede lid, XI.IV.103, § 2, tweede lid, XI.IV.109, XI.IV.118, § 1, tweede lid, XI.V.5, tweede lid, XII.II.1, derde lid en XII.II.11, XII.XI.24, 1°, b) en c), XII.XI.28, tweede lid, XII.XI.40, § 1, 3°, 4°, 6° en 7°, XII.XI.41, 5°, 6° en 7°, XII.XI.43, § 2, 16°, XII.XI.46 en XII.XI.55, 4°;
Gelet op de protocollen nr 27/2, 44/1 en 56 van respectievelijk 15 januari 2001, 3 mei 2001 en 10 december 2001 van het onderhandelingscomité voor de politiediensten;
Gelet op het advies van de Inspecteur-generaal van Financiën, gegeven op 17 april 2001;
Overwegende dat het advies van de Adviesraad van burgemeesters niet regelmatig binnen de voorgeschreven termijn gegeven is en dat geen verzoek om verlenging van de termijn gedaan is; dat er bijgevolg aan is voorbijgegaan;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 12 december 2001;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Ambtenarenzaken van 18 december 2001;
Gelet op het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de omstandigheid dat het aangewezen is zo snel mogelijk rechtszekerheid te scheppen over de geldelijke rechten van de betrokken personeelsleden; dat, zelfs indien die rechten vanaf 1 april 2001 zijn verworven, elke andere vertraging in de inwerkingtreding van dit besluit onaanvaardbaar zou zijn; dat, op een ander vlak, het van het allergrootste belang is de nadere rechtsregels met betrekking tot de selectie van het personeel te bepalen; dat thans de selecties plaatsgrijpen op basis van dit ontwerp, hetgeen geenszins de rechtszekerheid bevordert; dat het eveneens aangewezen is de regels betreffende de aanrekening van de dienstprestaties zo snel mogelijk vast te stellen; dat het vervolgens aangewezen is de nadere regels van de bevordering door overgang naar een hoger kader of niveau vast te stellen vermits dergelijke bevorderingen eerstdaags zullen plaatsgrijpen of inmiddels reeds zijn aangevat; dat ten slotte bepaalde overgangsbepalingen zo snel mogelijk zouden moeten worden bekendgemaakt zowel wat het waarborgen van de geldelijke rechten als de algemene organisatie van de diensten betreft;
Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 28 december 2001, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, Besluit : TITEL I. - Definities en toepassingsgebied HOOFDSTUK I. - Definities Artikel I.1. Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder : 1° "de wet" : de
wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/12/1998
pub.
05/01/1999
numac
1998021488
bron
diensten van de eerste minister
Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus
sluiten tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;2° "de minister" : de Minister van Binnenlandse Zaken;3° "een gekwalificeerd lid van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie" : een psycholoog, assistent in de psychologie of politieambtenaar met een opleiding of een ervaring in het domein van de selectie. Art. I.2. Dit besluit mag worden aangehaald als "uitvoeringsbesluit van het statuut van het personeel van de politiediensten" en afgekort als "UBPol".
HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied Art. I.3. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, is dit besluit van toepassing op de personeelsleden bedoeld in artikel I.I.1, 3°, RPPol.
Titel VI is van toepassing op de militairen bedoeld in artikel 4, § 2, van de
wet van 27 december 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
27/12/2000
pub.
06/01/2001
numac
2000001125
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten
sluiten houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten alsmede titel XI in de mate dat die titel uitvoering geeft aan de bepalingen van deel XI RPPol die op voormelde militairen van toepassing zijn.
TITEL II. - Algemene bepalingen betreffende het personeel HOOFDSTUK I. - Aanwijzing Art. II.1. De in artikel II.I.10 RPPol bedoelde dienst is de directie van het beleid, het beheer en de ontwikkeling van de algemene directie personeel van de federale politie.
HOOFDSTUK II. - De indienstneming van het personeel van het administratief en logistiek kader Art. II.2. De in artikel II.I.11, tweede lid, RPPol bedoelde dienst is de directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer van de federale politie.
HOOFDSTUK III. - Het persoonlijk dossier, het stagedossier en het mandaatdossier Afdeling 1. - Het persoonlijk dossier Onderafdeling 1. - De inhoud en de vorm van het persoonlijk dossier Art. II.3. Het persoonlijk dossier bestaat uit acht mappen met als opschrift : 1° Map I : Administratie;2° Map II : Opleidingen;3° Map III : Mobiliteit;4° Map IV : Loopbaan;5° Map V : Evaluaties - Tucht - Ordemaatregelen;6° Map VI : Gegevens met een medisch karakter;7° Map VII : Mandaten;8° Map VIII : Varia. Elke map bestaat uit ondermappen en/of stukken, zoals vastgesteld in bijlage 1.
Met uitzondering van de mappen I en VIII voor dewelke een inventaris voor het geheel van de map opgesteld wordt, worden inventarissen per ondermap opgesteld.
Op het dossier moet het woord « PRIVE » vermeld worden.
Art. II.4. De individuele fiche die deel uitmaakt van map I bevat ten minste de inhoud vastgesteld in bijlage 2.
Onderafdeling 2. - Het houden van het persoonlijk dossier Art. II.5. De overheid bedoeld in artikel VII.I.3, 4°, RPPol, die als eerste het personeelslid onder zijn bevoegdheid heeft als stagiair, legt het persoonlijk dossier aan.
De directeur van de betrokken school deelt de gegevens met betrekking tot de basisopleiding van het personeelslid van het operationeel kader mee aan die overheid binnen de twee maanden na het einde van de basisopleiding.
Art. II.6. Het persoonlijk dossier wordt bijgewerkt en bewaard, naar gelang van het geval, door de overheid bedoeld in artikel VII.I.3, 4°, RPPol, waarvan het betrokken personeelslid afhangt of, voor de commissaris-generaal en de inspecteur-generaal, door de minister of de door hem aangewezen dienst en voor de korpschefs van de lokale politie, naar gelang van het geval, door de burgemeester of de voorzitter van het politiecollege.
Art. II.7. Buiten het geval van detachering, volgt het persoonlijk dossier het personeelslid bij elke aanwijzing die een verandering van de bevoegde overheid bedoeld in artikel II.6 tot gevolg heeft.
In geval van definitieve ambtsontheffing of ambtsneerlegging bewaart de overheid bedoeld in artikel II.6 van de laatste plaats van aanwijzing, het dossier voor een periode van vijf jaar.
Na afloop van de in het tweede lid bedoelde termijn wordt het persoonlijk dossier van de personeelsleden voor opname in het archief bezorgd aan, naar gelang van het geval, de directeur-generaal van de algemene directie personeel van de federale politie, de gemeentesecretaris of de secretaris van de politieraad.
Art. II.8. De inventaris bedoeld in artikel II.3 bevat het Romeinse cijfer van de map waarop die betrekking heeft en de hoofdletter van de betrokken ondermap.
Alle stukken worden in chronologische volgorde genummerd, naar gelang van het geval, met een dubbele of driedubbele code : 1° een Romeins cijfer van I tot VIII dat de map bepaalt;2° in voorkomend geval, de hoofdletter die de ondermap bepaalt;3° een Arabisch cijfer dat het stuk bepaalt. Indien een document of een dossier dat zelf al is samengesteld uit genummerde stukken in een ondermap moet worden geklasseerd, wordt de driedubbele identificatie gevolgd door de vermelding : « Dit document/dossier is zelf reeds samengesteld uit de stukken genummerd van 1 tot... ».
Art. II.9. Elke verwijdering van stukken uit het persoonlijk dossier door één van de in artikel II.6 bedoelde overheden, op initiatief of ingevolge een schriftelijke vraag van het betrokken personeelslid, moet ter kennis van betrokkene worden gebracht. Een nieuwe inventaris wordt dan opgesteld.
Art. II.10. Het raadplegen van het persoonlijk dossier door het personeelslid of door de persoon aan wie het daartoe een volmacht heeft gegeven krachtens artikel II.I.13, derde lid, RPPol, vindt altijd plaats onder het toezicht van de in artikel II.6 bedoelde overheid waarvan het personeelslid afhangt of van de persoon daarvoor door die overheid aangewezen.
Afdeling 2. - Het stagedossier Art. II.11. Het stagedossier wordt opgemaakt en bijgewerkt door de stageleider.
Art. II.12. Op het einde van de stage, bezorgt de stageleider het stagedossier aan de overheid bedoeld in artikel II.6 waarvan het betrokken personeelslid afhangt, voor klassering in het persoonlijk dossier van deze laatste.
Afdeling 3. - Het mandaatdossier Art. II.13. De in artikel VII.III.33 RPPol bedoelde overheid die beslist een bij wege van mandaat te begeven ambt vacant te verklaren, stelt het mandaatdossier op.
Art. II.14. Op het einde van de toewijzingsprocedure van het mandaat bezorgt de in artikel II.13 bedoelde overheid het mandaatdossier aan de overheid bedoeld in artikel II.6 waarvan het betrokken personeelslid afhangt, voor klassering in het persoonlijk dossier van deze laatste.
HOOFDSTUK IV. - Het personeelsbulletin Art. II.15. De directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer van de federale politie verspreidt een personeelsbulletin dat alle beslissingen met betrekking tot het personeel betreft en inzonderheid de benoemingen, de bevorderingen, de detacheringen, de aanstellingen en de aanwijzingen bij mobiliteit bevat.
Dit bulletin wordt ten minste in één exemplaar per korps van de lokale politie en per dienst of eenheid van de federale politie verspreid.
De in het tweede lid bedoelde korpsen, diensten en eenheden staan in voor de verdere verspreiding van dit bulletin aan hun personeelsleden.
TITEL III. - De vertrouwensdienst HOOFDSTUK I. - De klacht bij de vertrouwensdienst Art. III.1. Onverminderd de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de bevoegde overheden teneinde een straf- of tuchtvervolging in te stellen of het probleem op te lossen door raad of bijstand te vragen aan de vertrouwensdienst, kan de persoon die meent het slachtoffer te zijn van ongewenst seksueel gedrag op het werk, hierna klager genoemd, mondeling of schriftelijk klacht indienen bij de vertrouwensdienst met het oog op een bemiddeling.
Art. III.2. De mondelinge klacht wordt door de vertrouwensdienst geregistreerd, die daartoe een register bijhoudt waarvan het model wordt vastgesteld in bijlage 3.
Art. III.3. De geschreven klacht of het stuk waarin de gegevens van de mondelinge klacht zijn hernomen, wordt toegevoegd aan het door de vertrouwensdienst samengestelde dossier betreffende de feiten van ongewenst seksueel gedrag die het voorwerp uitmaken van de klacht.
Art. III.4. Een anonieme klacht wordt niet in aanmerking genomen.
Art. III.5. De klager kan zich gedurende de hele bemiddelingsprocedure laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
HOOFDSTUK II. - De bemiddeling Afdeling 1. - Definitie en gemeenschappelijke bepalingen Art. III.6. Onder bemiddeling wordt verstaan elke vorm van informele of formele oplossing van het probleem waartoe de vertrouwensdienst, ingevolge het indienen van een klacht voor feiten van ongewenst seksueel gedrag, bijdraagt.
Art. III.7. De vertrouwensdienst licht de klager in over de verschillende wijzen waarop het probleem kan worden opgelost, bespreekt met de klager de opportuniteit van elk van die werkwijzen en neemt akte van de voorkeur van de klager betreffende de gekozen werkwijze.
De vertrouwensdienst vraagt aan de klager of zijn naam mag worden meegedeeld aan de vermeende dader.
De in het eerste en tweede lid bedoelde antwoorden van de klager worden opgenomen in het dossier.
Art. III.8. De vertrouwensdienst houdt, zoveel als mogelijk, rekening met de voorkeur van de klager betreffende de werkwijze om het probleem op te lossen.
De vertrouwensdienst is niet gehouden bij te dragen tot de informele oplossing van het probleem wanneer, naar het oordeel van de vertrouwensdienst, de vermeende feiten uiterst ernstig zijn of vroegere feiten van ongewenst seksueel gedrag van de vermeende dader of de klager reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een bemiddeling.
De vertrouwensdienst houdt in alle gevallen rekening met de wil van anonimiteit van de klager. Ingeval de voortzetting van de procedure hierdoor onmogelijk wordt, licht hij de klager hierover in.
Art. III.9. De vertrouwensdienst licht de vermeende dader in over de inhoud van de klacht, legt hem de rol van de vertrouwensdienst uit en nodigt hem uit voor een persoonlijk gesprek met de vertrouwenspersoon.
Art. III.10. De vermeende dader kan zich tijdens de hele procedure laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
Art. III.11. De vermeende dader kan de bemiddeling weigeren.
Art. III.12. Wanneer de vertrouwensdienst verdere informatie inwint, mag de identiteit van de klager en van de vermeende dader niet worden meegedeeld, tenzij de betrokken partij dit uitdrukkelijk toelaat.
Art. III.13. De klager en de vermeende dader kunnen op elk ogenblik, zonder plichtpleging en zonder voorwaarden, éénzijdig of in onderlinge overeenstemming, beslissen de bemiddeling te beëindigen.
De vertrouwensdienst registreert de beslissing bedoeld in het eerste lid en deelt die mee aan de partij die deze beslissing niet heeft genomen.
Afdeling 2. - De informele oplossing van het probleem Art. III.14. De informele oplossing van het probleem dat het voorwerp uitmaakt van de klacht bij de vertrouwensdienst, kan inzonderheid geschieden door middel van een overeenkomst tussen de klager en de vermeende dader betreffende de toekomstige omstandigheden van hun professionele samenwerking, met inachtneming van de principes vermeld in artikel III.VII.2 RPPol.
Art. III.15. In geval van overeenkomst tussen de klager en de vermeende dader, neemt de vertrouwensdienst hiervan akte en deelt hij de inhoud van deze overeenkomst mee aan de partijen.
De partijen kunnen, indien zij hun akkoord niet kunnen hechten aan de weergave van de inhoud van de overeenkomst zoals meegedeeld door de vertrouwensdienst, hun opmerkingen doen kennen binnen de vijf dagen na de ontvangst van de mededeling.
De partij die niet reageert, wordt geacht in te stemmen met de weergave van de inhoud van de overeenkomst.
Art. III.16. In het geval bedoeld in artikel III.15, tweede lid, voert de vertrouwensdienst de aanpassingen uit die hij nodig acht en deelt de gewijzigde weergave van de inhoud van de overeenkomst mee aan de partijen.
Indien de partijen hun akkoord niet kunnen hechten aan de gewijzigde weergave van de inhoud van de overeenkomst, kunnen zij dit binnen de vijf dagen na ontvangst van de overeenkomst aan de vertrouwensdienst meedelen.
De partij die niet reageert, wordt geacht akkoord te gaan met de gewijzigde weergave van de inhoud van de overeenkomst.
Art. III.17. In het geval bedoeld in artikel III.16, tweede lid, stelt de vertrouwensdienst het ontbreken van een overeenkomst tussen de partijen vast en deelt dit aan hen mee.
Afdeling 3. - De formele oplossing van het probleem Art. III.18. De vertrouwensdienst kan, onder andere in de gevallen bedoeld in de artikelen III.8, tweede lid, III.13 en III.17, de feiten ter kennis brengen van de hiërarchische overheid van de vermeende dader, met het doel om een andere oplossing dan die bedoeld in afdeling 2 te zoeken.
HOOFDSTUK III. - Het afsluiten van het dossier Art. III.19. De vertrouwensdienst bewaart het dossier zolang de vermeende dader de hoedanigheid behoudt van personeelslid van de geïntegreerde politie of in deze kan worden heropgenomen.
Art. III.20. Tenzij een uitdrukkelijke andersluidende bepaling de vertrouwensdienst hiertoe verplicht, kan de vertrouwensdienst weigeren om stukken uit het dossier geheel of gedeeltelijk mee te delen aan de benoemende overheid, de hiërarchische overheid of de tuchtoverheid. De weigering moet formeel worden gemotiveerd. Indien stukken worden meegedeeld, wordt dit tevens gemeld aan de klager en de vermeende dader.
Art. III.21. Onverminderd de bepalingen inzake tucht, mag er geen enkel stuk van het door de vertrouwensdienst samengestelde dossier in het persoonlijk dossier van de vermeende dader, noch in dat van de klager, worden opgenomen.
HOOFDSTUK IV. - Het jaarverslag Art. III.22. De vertrouwensdienst brengt jaarlijks verslag uit aan de korpschef of aan de commissaris-generaal, door middel van een algemeen activiteitenverslag dat algemene besluiten en voorstellen bevat.
Het jaarverslag maakt geen gewag van de identiteit van de in de concrete dossiers betrokken natuurlijke personen.
De in het eerste lid bedoelde besluiten en voorstellen worden meegedeeld aan de representatieve vakorganisaties.
TITEL IV. - De selectie en de opleiding HOOFDSTUK I. - De selectie Afdeling 1. - Toepassingsgebied Art. IV.1. Deze titel is met uitzondering van afdeling 7 enkel van toepassing op de personeelsleden van het operationeel kader.
Afdeling 2. - Organisatie en inhoud van de selectieproeven Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Art. IV.2. De selectieproeven voor de kandidaten hulpagent van politie en de kandidaten inspecteur van politie kunnen gedeconcentreerd worden georganiseerd.
Onverminderd het eerste lid, verlopen de selectieproeven steeds onder de verantwoordelijkheid en het toezicht van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie.
Art. IV.3. De selectieproeven voor de kandidaten hoofdinspecteur van politie en de kandidaten commissaris van politie evenals de andere selectieproeven die een vergelijkend examen uitmaken, worden steeds centraal georganiseerd.
Art. IV.4. De kandidaten, met uitzondering van diegenen bedoeld in artikel VII.5, voegen bij hun akte van kandidaatstelling, ingediend door middel van een type-formulier waarbij zij onder andere verzocht worden hun eventuele voorkeur uit te drukken voor het lokaal of het federaal niveau : 1° het bewijs van goed zedelijk gedrag bedoeld in artikel IV.I.6, tweede lid, RPPol; 2° een medisch attest dat toelaat deel te nemen aan de fysiek-medische geschiktheidsproef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 3°, RPPol; 3° de documenten waaruit blijkt dat zij, vóór de aanvang van de opleidingscyclus waarvoor zij zich inschrijven, het in artikel IV.I.4, 8°, RPPol, bedoelde diploma of studiegetuigschrift hebben behaald of kunnen behalen; 4° een uittreksel uit hun geboorteakte. Het in het eerste lid bedoelde type-formulier wordt op eenvoudig verzoek van de kandidaat kosteloos ter beschikking gesteld.
Onderafdeling 2. - De proef inzake de cognitieve vaardigheden Art. IV.5. De proef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°, RPPol, omvat de volgende subproeven : 1° de bepaling van het potentieel van de kandidaat tot het volgen van de basisopleiding.Zij meet de hierna volgende meest relevante factoren voor de voorspelling van de prestaties op de werkvloer en de resultaten tijdens en na afloop van de basisopleiding : a) het abstract redeneervermogen;b) het vermogen om informatie te verwerken;c) het vermogen om te redeneren met cijfers;2° de evaluatie van de kennis van de taal waarin de selectieproeven, waarvoor de kandidaat zich heeft ingeschreven, worden georganiseerd;3° het opstellen van een verslag dat de essentiële elementen herneemt van een voorheen aan de kandidaat vertoonde video. De subproeven grijpen derwijze plaats dat het niet mogelijk is aan de subproef bedoeld in het eerste lid, 3°, deel te nemen zonder de voor de subproeven bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, bepaalde minimumdrempel te hebben behaald.
De inhoud van de subproeven varieert naar gelang van het kader dat de kandidaat beoogt.
De directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie stelt de kandidaten schriftelijk in kennis van hun resultaten voor de in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°, RPPol, bedoelde proef alvorens de proef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2°, RPPol, af te leggen.
Onderafdeling 3. - De persoonlijkheidsproef Art. IV.6. De proef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2°, RPPol, omvat de volgende subproeven : 1° een biografische vragenlijst en een persoonlijkheidstest;2° een gedragsproef waarin de kandidaat wordt geconfronteerd met één of meerdere situaties eigen aan het kader waarvoor hij kandideert;3° een gestructureerd interview met een gekwalificeerd lid van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie.Het interview is gebaseerd op de criteria vervat in bijlage 4. De uniformiteit van het systeem wordt gewaarborgd door middel van een gestandardiseerd interviewprotocol.De belangrijkste bekwaamheden zoals bepaald in het selectieprofiel vormen de leidraad voor de vragen.
De inhoud van de subproeven varieert naar gelang van het kader dat de kandidaat beoogt.
Na afloop van de in artikel IV.I.15, eerste lid, 2°, RPPol, bedoelde proef brengt een gekwalificeerd lid van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie, aangewezen door de directeur van die directie, over elke kandidaat één van de volgende beoordelingen uit : 1° de kandidaat bezit de persoonlijkheidskenmerken die hem toelaten een ambt bij de politie uit te oefenen;2° de kandidaat bezit het potentieel om de persoonlijkheidskenmerken te ontwikkelen die hem toelaten een ambt bij de politie uit te oefenen;3° de kandidaat bezit momenteel niet de persoonlijkheidskenmerken die hem toelaten een ambt bij de politie uit te oefenen. Onderafdeling 4. - De fysiek-medische geschiktheidsproef A. - De proef Art. IV.7. De fysiek-medische geschiktheidsproef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 3°, RPPol, onderzoekt de volgende domeinen : 1° de algemene lichaamsbouw;2° het cardiovasculair stelsel;3° het pulmonaal stelsel;4° het maag- en darmstelsel;5° de besmettelijke ziekten en de verstoringen van het immuunsysteem;6° de aanwezigheid van tumoren;7° hormonale aandoeningen en aandoeningen van de stofwisseling;8° het uro-genitaal stelsel;9° het visueel stelsel;10° het neus-keel- en oorstelsel;11° het beender- en spierstelsel;12° het neuro-psychiatrisch stelsel;13° de huidaandoeningen;14° aandoeningen van het hemato-poïetisch stelsel en het lymfestelsel. Art. IV.8. Het fysiek-medisch onderzoek omvat : 1° het klinisch onderzoek, de urineanalyse, de bloedanalyse, het onderzoek van de ogen en het onderzoek van de tanden, die worden uitgevoerd door één of meerdere onderzoekende artsen;2° de radiologische onderzoeken die noodzakelijk worden geacht door de onderzoekende arts;3° de potentialiteitstest. Art. IV.9. Op basis van de anamnestische, klinische en technische gegevens evenals van een medische vragenlijst ingevuld door de kandidaat, verklaart een arts, aangewezen door de directeur van de medische dienst van de politiediensten, een kandidaat voor het politieambt op medisch vlak ofwel : 1° geschikt;2° ongeschikt;3° definitief ongeschikt. Voor de toepassing van het eerste lid moet worden verstaan onder : 1° « geschikt » : de kandidaat is geschikt voor een ambt in de politiediensten;2° « ongeschikt » : de kandidaat komt momenteel, om medische redenen, niet in aanmerking voor een ambt in de politiediensten.De afwijkingen aangetroffen tijdens de medische geschiktheidsproef zijn echter niet van die aard om de kandidaat op grond hiervan definitief uit te sluiten; 3° « definitief ongeschikt » : de kandidaat komt, om medische redenen, niet in aanmerking voor een ambt in de politiediensten. De arts aangewezen door de directeur van de medische dienst van de politiediensten, zendt, met inachtneming van het medisch geheim, binnen de drie werkdagen de in het eerste lid bedoelde beslissing aan de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie.
De ongeschikt of definitief ongeschikt verklaarde kandidaat wordt schriftelijk ingelicht door de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie binnen de tien dagen na de datum van de beslissing van de onderzoekende arts.
De ongeschikt of definitief ongeschikt verklaarde kandidaat kan respectievelijk tegen de in het eerste lid, 2° of 3°, bedoelde beslissing, een beroep instellen bij de in artikel IV.10 bedoelde medische geschiktheidscommissie. Van die beroepsmogelijkheid wordt melding gemaakt in de in het vierde lid bedoelde kennisgeving aan de kandidaat.
B. - De medische geschiktheidscommissie Art. IV.10. Bij de medische dienst van de politiediensten bestaat een medische geschiktheidscommissie. Zij is samengesteld uit : 1° de directeur van de medische dienst van de politiediensten of zijn vertegenwoordiger, met uitsluiting van de onderzoekende arts van de betrokken kandidaat, voorzitter;2° twee artsen van de medische dienst van de politiediensten, met uitsluiting van de onderzoekende arts van de betrokken kandidaat. Op verzoek van de kandidaat wordt zijn behandelende arts gehoord.
Art. IV.11. De medische geschiktheidscommissie is belast met de volgende opdrachten : 1° ingevolge het in artikel IV.9, vijfde lid, bedoelde beroep, beslissen of de kandidaat, in voorkomend geval : a) geschikt;b) ongeschikt;c) definitief ongeschikt is;2° de minister in kennis stellen van elk voorstel tot aanpassing van de fysiek-medische geschiktheidsproef ingevolge de evolutie van het politieambt alsmede van de medische wetenschap terzake. In voorkomend geval bepaalt zij welke bijkomende onderzoeken noodzakelijk zijn om de in het eerste lid, 1°, bedoelde beslissing te kunnen nemen.
Art. IV.12. De medische geschiktheidscommissie beslist binnen de dertig dagen na, naar gelang van het geval, het instellen van het beroep bedoeld in artikel IV.9, vijfde lid, of de kennisgeving van de resultaten van de bijkomende onderzoeken bedoeld in artikel IV.11, tweede lid, en zendt onverwijld de in artikel IV.11, eerste lid, 1°, bedoelde beslissing aan de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie.
Art. IV.13. De kandidaten die ongeschikt of definitief ongeschikt worden verklaard, ontvangen van de medische dienst van de politiediensten een attest van ongeschiktheid met vermelding van de reden van hun ongeschiktheid.
Afdeling 3. - Het onderzoek van de omgeving en de antecedenten Art. IV.14. Het onderzoek van de omgeving en de antecedenten bedoeld in artikel IV.I.15, tweede lid, RPPol, wordt uitgevoerd door het korps van de lokale politie van de woonplaats van de kandidaat.
Zodra de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie heeft geverifieerd of de kandidaat voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel IV.I.6, eerste en tweede lid, RPPol, licht zij het korps van de lokale politie van de woonplaats van de kandidaat hiervan in.
Art. IV.15. De korpschef van het korps van de lokale politie van de woonplaats van de kandidaat stelt, in het geval dat de kandidaat de voorwaarde bedoeld in artikel IV.I.4, 3°, RPPol, klaarblijkelijk niet vervult, onverwijld een gemotiveerd verslag op waarin hij de elementen weergeeft die aangeven dat betrokkene niet van onberispelijk gedrag is, zonder dat hiertoe een meer diepgaand onderzoek noodzakelijk is om dit vast te stellen.
De korpschef zendt het in het eerste lid bedoelde verslag vervolgens aan de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie die, op grond van artikel IV.I.18 RPPol, oordeelt of de kandidaat al dan niet beantwoordt aan de vereiste bedoeld in artikel IV.I.4, 3°, RPPol en, bij een negatieve beslissing, de selectieprocedure afsluit.
De kandidaat wordt schriftelijk in kennis gesteld van de in het tweede lid bedoelde beslissing.
Art. IV.16. In het geval dat artikel IV.15 niet van toepassing is, vraagt de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie, van zodra de kandidaat de minimumdrempel voor de proef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 3°, RPPol, heeft bereikt, aan het korps van de lokale politie van de woonplaats van de kandidaat om het onderzoek van de omgeving en de antecedenten aan te vatten. Bij uitzondering kan op verzoek van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie het onderzoek eerder worden gestart.
De directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie licht het korps van de lokale politie van de woonplaats van de kandidaat in van de termijn waarbinnen het in het eerste lid bedoelde onderzoek moet worden afgesloten.
Art. IV.17. Het korps van de lokale politie van de woonplaats van de kandidaat verzamelt over de kandidaat, vanaf de volle leeftijd van 16 jaar, de volgende gegevens via raadpleging van de gegevensbanken : 1° een chronologisch overzicht van de woonplaatsen volgens het rijksregister;2° de veroordelingen die blijken uit de informatiebulletins;3° de gerechtelijke antecedenten bij de parketten van de gerechtelijke arrondissementen van de woonplaats voor de tien laatste jaren met vermelding van de tenlasteleggingen en hun gevolgen;4° de antecedenten opgenomen in de onderscheiden bestanden van harde informatie waarover de politiediensten beschikken. Art. IV.18. In het onderzoek van de omgeving en de antecedenten wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van de raadpleging van het strafblad van de kandidaat. Een uittreksel wordt slechts bijgevoegd in geval van een niet blanco strafblad.
In afwijking van het eerste lid, worden de uitgewiste veroordelingen niet vermeld.
Art. IV.19. Indien onder de gegevens bedoeld in artikel IV.17 geen enkel element wordt gevonden dat toelaat te twijfelen aan de legitimiteit van de kandidaatstelling, wordt het onderzoek van de omgeving en de antecedenten afgesloten door de directeur van de directie van de recrutering en van de selectie van de federale politie.
Art. IV.20. Indien onder de gegevens bedoeld in artikel IV.17 elementen voorhanden zijn die toelaten te twijfelen aan de legitimiteit van de kandidaatstelling gaat het korps van de lokale politie van de woonplaats van de kandidaat, op vraag van de directeur van de directie van de recrutering en van de selectie van de federale politie, over tot een meer diepgaand onderzoek waarbij : 1° andere veroordelingen voor relevante feiten met betrekking tot het beoogde ambt, door de politierechtbank, de rechtbank van koophandel of de burgerlijke rechtbank kunnen worden opgezocht dan die bedoeld in artikel IV.17, 2°; 2° een gesprek met de kandidaat betreffende onder andere de omgeving waar hij zich ophoudt, kan plaatsvinden. Art. IV.21. Zodra het onderzoek van de omgeving en de antecedenten is afgesloten, stelt de korpschef van het korps van de lokale politie van de woonplaats van de kandidaat een verslag op dat een gemotiveerd advies bevat betreffende het onberispelijk gedrag van de kandidaat zoals bedoeld in artikel IV.I.4, 3°, RPPol.
De korpschef van het korps van de lokale politie van de woonplaats van de kandidaat, zendt vervolgens het gemotiveerd advies aan de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie.
Afdeling 4. - Het selectiegesprek met de selectiecommissie Onderafdeling 1. - De selectiecommissie Art. IV.22. De directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie plant de selectiecommissies en bepaalt de plaats waar en de data waarop zij zitting houden, in functie van, in voorkomend geval, de bepalingen van de beheerscontracten bedoeld in artikel IV.I.28 RPPol.
Art. IV.23. De selectiecommissie bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 4°, RPPol, hierna de selectiecommissie genoemd, is samengesteld uit : 1° een gekwalificeerd personeelslid van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie, die het voorzitterschap waarneemt;2° twee personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten, waarvan er één tot de federale politie en één tot een korps van de lokale politie behoort;3° een personeelslid van de directie van de opleiding van de federale politie of van een politieschool die over bijzondere bekwaamheden beschikt in het raam van de basisopleiding. Om geldig te kunnen beslissen moeten ten minste drie leden waaronder de voorzitter en één van de leden bedoeld in het eerste lid, 2°, aanwezig zijn.
De selectiecommissie beslist met gewone meerderheid van stemmen. In geval van staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
Art. IV.24. De directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie stelt een lijst op van personeelsleden op basis waarvan de onderscheiden commissies bedoeld in artikel IV.22 worden samengesteld.
In elke commissie wijst hij de voorzitter aan en de leden die er zitting houden evenals hun plaatsvervangers.
Elk lid ten aanzien van wie elementen voorhanden zijn die zijn respect voor de deontologie of zijn bekwaamheid om kandidaten te evalueren in twijfel trekken, wordt geschrapt van de lijst bedoeld in het eerste lid. In een dergelijk geval licht de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie het betrokken lid van de commissie schriftelijk in van zijn gemotiveerde beslissing.
Art. IV.25. Alvorens als lid van een selectiecommissie te kunnen worden aangewezen, moet het personeelslid een opleiding hebben gevolgd waarvan het programma wordt vastgesteld door de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie.
Onderafdeling 2. - Het selectiegesprek Art. IV.26. Aan de hand van het selectiegesprek bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 4°, RPPol, wordt de algemene geschiktheid van de kandidaat nagegaan op basis van een samenvatting van het geheel van de voorafgaande selectieproeven, opgesteld door een gekwalificeerd lid van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie, aangewezen door de directeur van die directie, evenals van elk ander element dat nuttig wordt geacht en verzameld tijdens het gesprek.
Art. IV.27. Na de in artikel IV.I.24 RPPol, bedoelde beslissing te hebben genomen, stelt de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie op grond van de in artikel IV.26 bedoelde verzamelde gegevens, een samenvattende fiche op die de te verbeteren punten en de voornaamste kwaliteiten van de kandidaat vermeldt.
De in het eerste lid bedoelde fiche wordt ter beschikking gesteld van de politiescholen wanneer de kandidaat voor de opleiding wordt opgeroepen.
Afdeling 5. - De minimumdrempels Art. IV.28. De kandidaten die zich minder dan één standaardafwijking onder het gemiddelde van de referentiepopulatie bevinden, bereiken de minimumdrempel voor de proef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°, RPPol.
Art. IV.29. Bereiken de minimumdrempel voor de proef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2°, RPPol, de kandidaten die de vermelding verkrijgen bedoeld in artikel IV.6, derde lid, 1° of 2°.
Art. IV.30. Bereiken de minimumdrempel voor de proef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 3°, RPPol, de kandidaten waarvoor de onderzoekende arts of, in voorkomend geval, de medische geschiktheidscommissie respectievelijk de in artikel IV.9, eerste lid, 1° of de in artikel IV.11, eerste lid, 1°, a) bedoelde beslissing neemt.
Afdeling 6. - Het vergelijkende examen Art. IV.31. De selectiecommissie stelt, op basis van de proeven bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2° en 4°, RPPol, twee lijsten op van respectievelijk de geschikt bevonden kandidaten en de ongeschikt bevonden kandidaten.
De geschikt bevonden kandidaten worden gerangschikt in functie van de resultaten die zij behalen op de proef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 1°, RPPol.
Afdeling 7. - De aangewezen directies Art. IV.32. De in de artikel IV.I.39, eerste en tweede lid, RPPol, bedoelde dienst is de directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer van de federale politie.
De in de artikelen IV.I.40, eerste lid, IV.I.49, eerste en tweede lid, IV.I.52, eerste lid, IV.I.53, tweede lid, IV.I.56, IV.I.57, IV.I.58, eerste lid, en IV.I.59 RPPol, bedoelde dienst, is de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie.
HOOFDSTUK II. - De opleiding Art. IV.33. De in de artikelen IV.II.9, vijfde lid, IV.II.16, 5°, en IV.II.45 RPPol, bedoelde dienst is de directie van de opleiding van de federale politie.
Art. IV.34. De in artikel IV.II.44 RPPol bedoelde overheid is de directeur-generaal van de algemene directie personeel van de federale politie.
TITEL V. - De stage van de personeelsleden van de politiediensten HOOFDSTUK I. - De algemene regels van de stage Art. V.1. Het verplichte deel van de opleidingsactiviteiten tijdens de stage omvat : 1° voor de leden van het operationeel kader en voor de leden van het administratief en logistiek kader van niveau A en B, ter integratie in het bredere politielandschap : a) wat de leden van de lokale politie betreft : - situering van het lokale politiekorps in het breder geheel van de structuur van de geïntegreerde politie; - beschrijving van de algemene directies en diensten van de federale politie en beschrijving van de overleg- en communicatiekanalen tussen de lokale politiekorpsen en die diensten; - beschrijving van de gedeconcentreerde federale diensten en van de overleg- en communicatiekanalen tussen de lokale politiekorpsen en die gedeconcentreerde federale diensten; - situering van de eigen dienst in het breder geheel van het lokale politiekorps : analyse van de specifieke taken van elke dienst van het lokale politiekorps en van de onderlinge verhoudingen tussen die diensten; - situering van zowel het lokale politiekorps als de eigen dienst ten opzichte van de gerechtelijke en bestuurlijke overheden, en beschrijving van de overleg- en communicatiekanalen tussen het lokale politiekorps en die overheden; - beschrijving van de al dan niet systematische overleg- en communicatiekanalen tussen de verschillende diensten van het lokale politiekorps en tussen de verschillende lokale politiekorpsen; - beschrijving van de specifieke doelstellingen en taken van de eigen dienst, rekening houdend met de functie van deze dienst binnen het lokale politiekorps; b) wat de leden van de federale politie betreft : - situering van de algemene directies en diensten van de federale politie in verhouding tot de lokale politiekorpsen binnen de structuur van de geïntegreerde politie; - beschrijving van de al dan niet systematische overleg- en communicatiekanalen tussen de lokale politiekorpsen en de algemene directies en diensten van de federale politie en tussen de algemene directies en diensten van de federale politie onderling; - beschrijving van de gedeconcentreerde federale diensten die zich situeren tussen de lokale politiekorpsen en de algemene directies en diensten van de federale politie en hun overleg- en communicatiekanalen; - situering van de eigen dienst in het breder geheel van de algemene directies en diensten van de federale politie : analyse van de specifieke taken van elke dienst van de federale politie en van de onderlinge verhoudingen tussen die diensten en directies; - situering van zowel de federale politie als de eigen dienst ten opzichte van de gerechtelijke en bestuurlijke overheden, en beschrijving van de overleg- en communicatiekanalen tussen de federale politie en die overheden; - beschrijving van de specifieke doelstellingen en taken van de eigen dienst, rekening houdend met de functie van deze dienst of algemene directie binnen de structuur van de federale politie; 2° ter integratie in de eigen functie : a) wat de leden van de lokale en federale politie betreft : - bespreking van de vereisten en doelstellingen verbonden aan de functie gedurende het volledige verloop van de stage en in overeenstemming met de doelstellingen en inhoud van de geplande stage-activiteiten, in voorkomend geval, op een gefaseerde wijze; - bespreking en gefaseerde opvolging van een evolutieplan, individueel of voor meerdere stagiairs gezamenlijk, met betrekking tot het kunnen omzetten en vervolmaken, voor wat de personeelsleden van het operationeel kader betreft, van de aangeleerde kennis en vaardigheden in de basisopleiding en, voor alle personeelsleden, van algemene vaardigheden inzake het persoonlijk functioneren in de dagelijkse politionele praktijk, inzonderheid inzake teamwerk en -geest, initiatief, communicatie, loyauteit en leervermogen; - toelichting bij de interne richtlijnen en die uitgaande van andere overheden, aan de hand van de informatieverstrekkingssystemen; - implementatie en correct gebruik van de gegevensbanken, voor de personeelsleden voor wie het gebruik van databanken tot hun taakomschrijving behoort; - implementatie en concretisering van de deontologische code bij het uitvoeren van de toegewezen taken; - beknopte herhaling vanuit de basisopleiding of, voor de leden van het administratief en logistiek kader, een uiteenzetting van het juridisch kader van de stage en van de rechtspositie van de stagiair; - beschrijving van de taak van de stageleider en de mentor die werden aangewezen voor verdere begeleiding van de stagiair; b) wat de leden van het operationeel kader van de lokale politie betreft : - met het oog op de correcte uitoefening van de hulp- en bijstandsfunctie bedoeld in artikel 46 van de wet op het politieambt, het verstrekken van alle nuttige informatie in verband met de gespecialiseerde diensten; - het verstrekken en toelichten van de lokale politieverordeningen en aanvullende verkeersreglementen.
Het opleidingsprogramma wordt uitgewerkt door de korpschef of de directeur-generaal van de algemene directie personeel van de federale politie, rekening houdend met de noden en de specificiteit van de dienst, en rekening houdend met de graad en de functie van de betrokken stagiair.
Art. V.2. De mentor stelt het verslag over de wijze van functioneren bedoeld in artikel V.II.11, eerste lid, RPPol, op binnen de tien dagen na het verstrijken van de geëvalueerde periode.
Art. V.3. De modellen van het verslag over de wijze van functioneren en van het samenvattend eindverslag worden respectievelijk vastgesteld in de bijlagen 5 en 6.
HOOFDSTUK II. - De toelating tot de stage Art. V.4. De directeur van de directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer van de federale politie laat de aspirant-hoofdinspecteur van politie, de aspirant-inspecteur van politie en de aspirant-hulpagent van politie toe tot de stage van het kader waarvoor hij in de basisopleiding is geslaagd.
Art. V.5. De benoemingsbeslissing bedoeld in artikel V.II.2 RPPol wordt bekendgemaakt in het in artikel II.15 bedoelde personeelsbulletin.
HOOFDSTUK III. - De geschiktheidscriteria voor de aanwijzing tot stageleider en tot mentor Art. V.6. De geschiktheidscriteria waaraan, naar gelang van het geval, de officier of het personeelslid van niveau A moet voldoen om als stageleider te worden aangewezen, zijn de volgende : 1° als laatste functioneringsevaluatie, geen evaluatie met eindvermelding « onvoldoende » hebben opgelopen;2° zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering of baremische loopbaan kan doen gelden;3° een anciënniteit bezitten in het officierskader of het niveau A van ten minste vijf jaar;4° een ervaring van ten minste één jaar hebben binnen het betrokken lokale politiekorps of de betrokken algemene directie van de federale politie die wordt berekend overeenkomstig de artikelen 5 tot 7 van het
koninklijk besluit van 20 november 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
20/11/2001
pub.
31/01/2002
numac
2001001108
bron
ministerie van binnenlandse zaken en ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels inzake de mobiliteit van het personeel van de politiediensten
sluiten tot vaststelling van de nadere regels inzake de mobiliteit van het personeel van de politiediensten. Art. V.7. De geschiktheidscriteria waaraan het personeelslid moet voldoen om als mentor te worden aangewezen, zijn de volgende : 1° als laatste functioneringsevaluatie, geen evaluatie met eindvermelding « onvoldoende » hebben opgelopen;2° zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering of baremische loopbaan kan doen gelden;3° een graadanciënniteit bezitten van ten minste vier jaar;4° een ervaring van ten minste twee jaar hebben binnen het betrokken lokale politiekorps of de betrokken algemene directie van de federale politie die wordt berekend overeenkomstig de artikelen 5 tot 7 van het
koninklijk besluit van 20 november 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
20/11/2001
pub.
31/01/2002
numac
2001001108
bron
ministerie van binnenlandse zaken en ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels inzake de mobiliteit van het personeel van de politiediensten
sluiten tot vaststelling van de nadere regels inzake de mobiliteit van het personeel van de politiediensten;5° houder zijn van het brevet van mentor. Art. V.8. De stageleider of de mentor die op ononderbroken wijze gedurende meer dan één maand afwezig is of die een verlof bekomt bedoeld in de artikelen VIII.IV.2, VIII.IV.3, VIII.XII.1, VIII.XIII.1, VIII.XIV.1, VIII.XV.1 en VIII.XVIII.1 RPPol, voor zover het bedoelde verlof 50 % of meer bedraagt van een voltijdse prestatie, wordt vervangen.
Art. V.9. Een mentor mag ten hoogste drie stagiairs tezelfdertijd begeleiden.
De korpschef of, naar gelang van het geval, de commissaris-generaal of de door hem aangewezen directeur-generaal, kan dit aantal, in overleg met de mentor, om organisatorische redenen verhogen.
TITEL VI. - De organisatie van de arbeidstijd van de personeelsleden van de politiediensten HOOFDSTUK I. - Definities Art. VI.1. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder : 1° « de dienstprestatie » : de prestatie opgelegd door of krachtens de wetten waarvoor het personeelslid met dienst is bevolen of waarom het personeelslid, ingevolge de bij de wet of de wet op het politieambt voorgeschreven verplichting, optreedt of gevolg geeft aan iedere vraag om tussenkomst, ongeacht de dag, de plaats of de omstandigheden, alsmede de andere in hoofdstuk III bedoelde prestaties; 2° « de gewone plaats van het werk » : de plaats bedoeld in artikel XI.IV.13, eerste lid, 12°, RPPol; 3° « de dienstverplaatsing » : de verplaatsing bedoeld in artikel XI.IV.13, eerste lid, 4°, RPPol; 4° « de gezondheidszorgen en geïnstitutionaliseerde begeleidingszorgen binnen een politiedienst met betrekking tot de professionele risico's » : alle zorgen met betrekking tot één der gevallen bedoeld in artikel VIII.X.6, § 1, eerste lid, 1° tot 3° en 5°, RPPol; 5° « het deeltijds tewerkgesteld personeel » : het personeel dat in dienst wordt genomen om onvolledige prestaties te verrichten of één van de verloven geniet bedoeld in artikel VIII.III.4, tweede lid, 3°, 4° of 5°, RPPol;6° « het voltijds tewerkgesteld personeel » : het niet-deeltijds personeel; 7° « nuttig geachte opleidingen » : opleidingen, andere dan die bedoeld in artikel I.I.1, 24° tot en met 27° RPPol die tot doel hebben in een ambt beter of efficiënter te renderen en die door de dienstchef als nuttig worden beoordeeld voor het uitgeoefende of het uit te oefenen ambt.
HOOFDSTUK II. - Referentieperiode Art. VI.2. De referentieperiode omvat twee opeenvolgende maanden. Zij vangt aan op de eerste dag van de maanden januari, maart, mei, juli, september en november van het kalenderjaar, telkenmale om 00.00 uur, en eindigt op de laatste dag van de beschouwde periode om 24.00 uur.
HOOFDSTUK III. - Aanrekening als dienstprestaties Afdeling 1. - Algemeen principe Art. VI.3. De duur van de dienstprestaties wordt berekend op grond van de definitieve inschrijvingen in het dienstschrijfboek.
Elke dienstprestatie wordt voor de berekening afzonderlijk beschouwd zonder af te ronden.
Afdeling 2. - Bepalingen eigen aan het voltijds tewerkgesteld personeel Art. VI.4. In afwijking van de bepalingen van deze afdeling die op de hierna opgesomde twee gevallen betrekking hebben, worden voor de aanrekening als uitgevoerde dienstprestaties in aanmerking genomen voor de duur vermeld in de arbeidsovereenkomst die de voltijdse prestaties van contractuele personeelsleden die hun dienstprestaties op ongelijke wijze vervullen in de week regelt voor die dag : 1° de verloven gedurende dewelke men geacht wordt zich in dienstactiviteit te bevinden;2° de werkdagen waarop het personeelslid met ziekteverlof is. Art. VI.5. Worden voor de aanrekening als dienstprestaties in aanmerking genomen voor de forfaitaire duur van 7 uur 36 minuten per werkdag : 1° de verloven gedurende dewelke men geacht wordt zich in dienstactiviteit te bevinden; 2° onverminderd de artikelen VI.6, 2° en VI.7 de werkdagen waarop het personeelslid met ziekteverlof of in disponibiliteit wegens ziekte is; 3° de tijd gedurende dewelke een aspirant een basisopleiding volgt. Eventuele prestaties verbonden met de opleiding die met een zaterdag, een zondag of een feestdag, samenvallen, worden niet in aanmerking genomen; 4° de werkdagen tijdens dewelke het personeelslid een vaste syndicale afgevaardigde is bedoeld in hoofdstuk III van het
koninklijk besluit van 8 februari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
08/02/2001
pub.
17/02/2001
numac
2001000120
bron
ministerie van binnenlandse zaken en ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten
sluiten tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten, met uitsluiting van alle andere dagen, waarvoor geen enkele prestatie als dienstprestatie in aanmerking wordt genomen; 5° de volledige werkdagen doorgebracht in het buitenland omwille van dienstredenen waarop de personeelsleden die een tijdelijke opdracht uitvoeren in de zin van artikel XI.IV.13, 4°, vijfde lid, RPPol, geen prestaties leveren, prestaties van minder dan 7 uur 36 minuten leveren of prestaties van public relations uitvoeren. Om vast te stellen of een volledige werkdag is doorgebracht op buitenlands grondgebied, wordt gebruik gemaakt van de tijdzone van het land waar de tijdelijke opdracht wordt uitgevoerd, vanaf het ogenblik waarop het personeelslid aankomt op dat grondgebied tot op het ogenblik dat het terugkeert naar de plaats waar de opdracht eindigt.
Art. VI.6. Worden voor de aanrekening als dienstprestaties in aanmerking genomen voor de forfaitaire duur van : 1° 3 uur 48 minuten per werkdag, de verloven gedurende dewelke men geacht wordt zich in dienstactiviteit te bevinden en die in halve dagen mogen opgenomen worden; 2° het desbetreffende gedeelte, het gedeelte van de dagen waarop het personeelslid met ziekteverlof is met toepassing van de artikelen VIII.X.12 tot en met VIII.X.16 RPPol.
Art. VI.7. Wordt voor de aanrekening als dienstprestaties in aanmerking genomen voor de werkelijke duur, het gedeelte van de dagen waarop het personeelslid bedoeld in artikel VI.6, 2°, werkt, zonder dat de aanrekening ervan samen met de in artikel VI.6, 2°, bedoelde aanrekening meer dan 38 uur per week mag bedragen.
Art. VI.8. Worden voor de aanrekening als dienstprestaties in aanmerking genomen voor de werkelijke duur beperkt tot 7 uur 36 minuten : 1° per werkdag, de tijd tijdens dewelke het personeelslid dat syndicaal afgevaardigde is bedoeld in hoofdstuk IV van titel V van het
koninklijk besluit van 8 februari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
08/02/2001
pub.
17/02/2001
numac
2001000120
bron
ministerie van binnenlandse zaken en ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten
sluiten tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten, in syndicaal voorbereidingsverlof of syndicaal verlof is, of een dienstvrijstelling geniet voor het uitoefenen van de uit zijn erkenning voortvloeiende prerogatieven, onverminderd de in artikel 57, vierde lid, van dat besluit bedoelde beperking en onverminderd artikel VI.9, 9°, 12° en 13°; 2° per werkdag, de tijd tijdens dewelke het personeelslid dat geen syndicaal afgevaardigde is, in syndicaal verlof is bedoeld in artikel 64 van het
koninklijk besluit van 8 februari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
08/02/2001
pub.
17/02/2001
numac
2001000120
bron
ministerie van binnenlandse zaken en ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten
sluiten tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten, onverminderd artikel VI.9, 9°, 12° en 13°; 3° per dag, de werkelijke opleidingstijd van de nuttig geachte opleidingen, gevolgd op aanvraag van het personeelslid, met inbegrip van de tijd besteed aan de hiertoe georganiseerde examens en toetsen evenals van de verplaatsingstijd; 4° per dag, de tijd besteed aan de in artikel VIII.IV.10, 1°, 4°, 5° en 6°, RPPol, bedoelde activiteiten waarvoor een dienstvrijstelling werd toegekend.
Art. VI.9. Worden voor de aanrekening als dienstprestaties in aanmerking genomen voor de werkelijke duur : 1° onverminderd artikel VI.I.8, tweede lid, RPPol, de desgevallend gecontingenteerde tijd besteed aan de prestatie opgelegd door of krachtens de wetten waarvoor het personeelslid met dienst is bevolen of waarbij het personeelslid, ingevolge de bij de wet of de wet op het politieambt voorgeschreven verplichting, optreedt of gevolg geeft aan iedere vraag om tussenkomst, ongeacht de dag, de plaats of de omstandigheden; 2° de tijd besteed aan de gezondheidszorgen en de geïnstitutionaliseerde begeleidingszorgen binnen een politiedienst met betrekking tot de professionele risico's, die het personeelslid zelf aangeeft;3° de werkelijke opleidingstijd van de nuttig geachte opleidingen, gevolgd op beslissing van de bevoegde overheid, met inbegrip van de tijd besteed aan de hiertoe georganiseerde examens en toetsen evenals van de verplaatsingstijd;4° de tijd besteed aan de raadplegingen in het raam van de
wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/08/1996
pub.
24/07/1997
numac
1996015142
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991
type
wet
prom.
04/08/ …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.