Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

Decreet houdende oprichting van een autonome hogeschool

Kort samengevat

Dit decreet regelt de oprichting en werking van een autonome hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap, met een focus op hoger onderwijs en beroepsopleidingen, met name in de verpleegkunde en lerarenopleiding.

Wat het regelt

  • De oprichting en het toepassingsgebied van de autonome hogeschool.
  • De definities van diverse termen die binnen het decreet gebruikt worden, zoals opleidingsactiviteiten, basisopleiding en studiepunt.
  • De inhoud en organisatie van de studies, inclusief de opdracht van de hogeschool en de departementen.
  • De verschillende opleidingsvormen die de hogeschool kan aanbieden.

Wie het aanbelangt

  • De autonome hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap.
  • Studenten en personeelsleden van deze hogeschool.

Kernpunten

  • De hogeschool heeft als hoofdzakelijke opdracht het aanbieden van hoger onderwijs en, indien van toepassing, onderzoek.
  • De hogeschool organiseert opleidingen in de departementen "sanitaire en verpleegkundige wetenschappen" en "opleidingswetenschappen".
  • Opleidingen kunnen worden georganiseerd als onderwijs met volledig leerplan, beperkt leerplan, vlottend uurrooster, modulair onderwijs, contactonderwijs of onderwijs op afstand.
  • De basisopleidingen in de afdeling "verpleegkunde" leiden tot het brevet in verpleegkundige verzorging of het diploma van bachelor in de verpleegkunde, en de basisopleidingen in de afdeling "lerarenopleiding" leiden tot het diploma van kleuteronderwijzer of lager onderwijzer.
Wettekst
Wettekst

MINISTERIE VAN DE DUITSTALIGE GEMEENSCHAP 27 JUNI 2005. - Decreet houdende oprichting van een autonome hogeschool (1) Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, be

de voorwaarde bepaald onder § 1, 1°, zijn eveneens de studenten die enerzijds houders zijn van het brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs, afdeling "verpleging", of van een ermee gelijkgesteld studiegetuigschrift en anderzijds een beroepservaring van ten minste vijf jaar tellen, toegelaten tot een bijzondere vorm van de basisopleiding verstrekt in de afdeling "verpleegkunde". Onder beroepservaring verstaat men de effectieve beroepservaring als verpleger in het kader van een tewerkstelling met ten minste halftijdse prestaties. § 4 - Tot het eerste studiejaar van de opleiding verstrekt met het oog op het behalen van het brevet in verpleegkundige verzorging zijn alle studenten toegelaten die houders zijn van één der volgende studiekwalficaties of attesten en die het inschrijvingsgeld bepaald in artikel 3.

  1. hebben betaald : 1° getuigschrift van hoger secundair onderwijs;2° studiegetuigschrift van het zesde jaar van het secundair beroepsonderwijs met volledig leerplan;3° bewijs waaruit blijkt dat hij geslaagd is voor het voorbereidend examen bepaald in hoofdstuk IV van het besluit van de Regering van 13 juni 1997 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het brevet in verpleegkundige verzorging wordt toegekend;4° bewijs waaruit blijkt dat hij geslaagd is voor het voorbereidend examen bepaald in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 17 augustus 1957 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder het diploma van vroedvrouw, verpleger of verpleegster wordt toegekend;5° attest over de gelijkwaardigheid met één der bovenvermelde studiegetuigschriften of bewijzen;6° desgevallend het brevet van kinderverzorgster, verkregen vóór 30 juni 1987 of het attest over het welslagen van het 6e jaar beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan, verkregen vóór 30 juni
  2. De student is houder van een getuigschrift van goed zedelijk gedrag uitgereikt sinds minder dan drie maanden. Tot het tweede studiejaar van de opleiding verstrekt met het oog op het behalen van het brevet in verpleegkundige verzorging zijn alle studenten toegelaten die houders zijn van een attest over het welslagen van het eerste studiejaar dat leidt tot het verkrijgen van het brevet van verpleger of van verpleger - richting geestelijke gezondheid en psychiatrie -, van het diploma van gegradueerde verpleger, of van het brevet van verpleegassistent of van verpleegassistent - richting geestelijke gezondheid en psychiatrie, of het attest over de gelijkwaardigheid met één van de bovenvermelde attesten en het inschrijvingsgeld bepaald in artikel 3.
  3. hebben betaald. Tot het derde studiejaar van de opleiding verstrekt met het oog op het behalen van het brevet in verpleegkundige verzorging zijn alle studenten toegelaten die houders zijn van een attest over het welslagen van het tweede studiejaar dat leidt tot het verkrijgen van het brevet van verpleger of van verpleger - richting geestelijke gezondheid en psychiatrie -, van het diploma van gegradueerde verpleger, of van het brevet van verpleegassistent of van verpleegassistent - richting geestelijke gezondheid en psychiatrie, of het attest over de gelijkwaardigheid met één van de bovenvermelde attesten en het inschrijvingsgeld bepaald in artikel 3.
  4. hebben betaald. Artikel 3.
  5. - Toelating tot de aanvullende opleiding Tot een aanvullende opleiding zijn de studenten toegelaten die aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° zij zijn houders van een studiegetuigschrift dat overeenkomstig de in artikel 2.
  6. vermelde en door de Regering goedgekeurde aanvraag toegang verleent tot deze opleiding en voldoen aan alle andere in de goedgekeurde aanvraag bepaalde toelatingsvoorwaarden; 2° zij hebben het in artikel 3.
  7. bepaald inschrijvingsgeld betaald. Artikel 3.
  8. - Toelating tot een opleidingsproject Tot een opleidingsproject zijn de studenten toegelaten die aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° zij zijn houders van een studiegetuigschrift dat overeenkomstig de in artikel 2.
  9. vermelde en door de Regering goedgekeurde aanvraag toegang verleent tot deze opleiding en voldoen aan alle andere in de goedgekeurde aanvraag bepaalde toelatingsvoorwaarden; 2° zij hebben het in artikel 3.
  10. bepaald inschrijvingsgeld betaald. Artikel 3.
  11. - Toelating tot de voortgezette opleiding De hogeschool legt de toelatingsvoorwaarden vast voor elke voortgezette opleiding die ze organiseert. Artikel 3.
  12. - Toelating tot het voorbereidend jaar Zijn toegelaten tot het voorbereidend jaar de kandidaten die ten minste 17 jaar oud zijn of deze leeftijd ten laatste op 31 december van het jaar zullen bereiken dat het jaar voorafgaat waarin de overeenstemmende examens georganiseerd worden vóór de examencommissies van de Duitstalige Gemeenschap voor de uitreiking van getuigschriften buiten schoolverband. ONDERTITEL
  13. - Inschrijving van een leerling of student Artikel 3.
  14. - Maximale overschrijding van de nominale duur van de gevolgde studies in het kader van de basisopleiding § 1 - De inschrijving van een student in een basisopleiding georganiseerd in het hoger onderwijs van het korte type wordt geweigerd als deze inschrijving tot gevolg heeft dat de duur van de studies meer dan het dubbel van de overeenkomstig artikel 3.
  15. gedefinieerde nominale duur van de betrokken opleiding bedraagt. § 2 - In afwijking van § 1 kan de Regering op basis van een door de student met redenen omklede aanvraag en van een gunstig advies van de hogeschool deze student ertoe machtigen zich in een studiejaar of een deel ervan in te schrijven, zelfs als de student daardoor het dubbel van de normale duur van de gevolgde studies overschrijdt. In afwachting van een beslissing neemt de student deel aan alle opleidingsactiviteiten. Zo niet wordt hij later niet meer als regelmatig ingeschreven student beschouwd. Artikel 3.
  16. - Inschrijvingsgeld voor de basisopleidingen en bijkomend inschrijvingsgeld § 1 - Elke student die een basisopleiding in het hoger onderwijs van het korte type wil bezoeken moet jaarlijks een inschrijvingsgeld betalen. Het inschrijvingsgeld beloopt euro
  17. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de betaling van het inschrijvingsgeld. § 2 - De hogeschool kan een bijkomend inschrijvingsgeld vragen waarvan het bedrag euro 370 niet mag overschrijden. Artikel 3.
  18. - Inschrijvingsgeld voor de aanvullende opleiding en bijkomend inschrijvingsgeld § 1 - Elke student die een aanvullende opleiding wil bezoeken, moet jaarlijks een inschrijvingsgeld betalen. Het inschrijvingsgeld beloopt euro
  19. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de betaling van het inschrijvingsgeld. § 2 - De hogeschool kan een bijkomend inschrijvingsgeld vragen waarvan het bedrag euro 370 niet mag overschrijden. Artikel 3.
  20. - Inschrijvingsgeld voor de opleidingsprojecten en bijkomend inschrijvingsgeld § 1 - Elke student die aan een opleidingsproject wenst deel te nemen, moet een inschrijvingsgeld betalen. De hogeschool bepaalt het bedrag van dit inschrijvingsgeld in de aanvraag die ze de Regering ter goedkeuring van het betrokken opleidingsproject voorlegt overeenkomstig artikel 2.
  21. § 2 - De hogeschool kan een bijkomend inschrijvingsgeld vragen waarvan het bedrag euro 370 niet mag overschrijden. Artikel 3.
  22. - Beheersing van de onderwijstaal bij de inschrijving Bij de inschrijving in een basisopleiding georganiseerd in het hoger onderwijs van het korte type bewijzen de studenten van de afdeling "verpleegkunde" de voldoende en de studenten van de afdeling "lerarenopleiding" de grondige kennis van de Duitse taal. Als bewijzen gelden degene die vermeld zijn in artikel 26 van het decreet van 19 april 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/04/2004 pub. 09/11/2004 numac 2004033080 bron ministerie van de duitstalige gemeenschap Decreet betreffende de taaloverdracht en gebruik van de talen in het onderwijs sluiten betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs. Indien een student over geen der in het eerste lid bedoelde attesten beschikt, dan heeft de hogeschool de plicht, vóór de inschrijving te onderzoeken of de student al dan niet de voldoende resp. grondige kennis van de Duitse taal heeft. Qua inhoud en competenties vervult dit examen de criteria vermeld in artikel 37 resp. 38 van het decreet van 19 april 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/04/2004 pub. 09/11/2004 numac 2004033080 bron ministerie van de duitstalige gemeenschap Decreet betreffende de taaloverdracht en gebruik van de talen in het onderwijs sluiten betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs. In afwijking van de voorwaarde bepaald in het eerste lid kunnen studenten ingeschreven worden die de voldoende resp. grondige kennis van de Duitse taal niet kunnen bewijzen, voor zover ze de cursussen in het kader van een ruilprogramma met een andere hogeschool of universiteit wensen te bezoeken op basis van een dienovereenkomstige overeenkomst tussen de inrichtingen. In gerechtvaardigde gevallen kan de Regering verdere afwijkingen van de in het eerste lid vastgelegde voorwaarden toekennen. Artikel 3.
  23. - Regelmatig ingeschreven leerlingen en studenten De regelmatig ingeschreven leerling resp. student is een leerling resp. student die aan de toelatingsvoorwaarden voldoet en zich op tijd heeft ingeschreven overeenkomstig de procedure bepaald in het schoolreglement. De regelmatig ingeschreven leerling resp. student neemt deel aan alle opleidingsactiviteiten behalve de activiteiten waarvoor hij een vrijstelling heeft verkregen. Elke afwezigheid wordt derhalve met redenen omkleed. Over de aanneembaarheid van de rechtvaardiging beslist het departementshoofd nadat het de leerling en, voor zover de leerling minderjarig is, de persoon belast met zijn opvoeding of de student heeft gehoord. Een leerling of student die meer dan 60 halve dagen ongerechtvaardigde afwezigheid telt, wordt niet meer als regelmatig ingeschreven leerling resp. student beschouwd. De leerling of student die tijdens de stage meer dan 20 halve dagen ongerechtvaardigde afwezigheid telt, niet meer als regelmatig ingeschreven leerling resp. student beschouwd. Artikel 3.
  24. - Vrije leerlingen en studenten Elke niet regelmatig ingeschreven leerling of student kan door de hogeschool als vrije leerling of student toegelaten worden. Voor elk afgelegd examen wordt een deelnemingsattest uitgereikt aan de vrije leerling of student. De vrije leerling of student betaalt een inschrijvingsgeld en een bijkomend inschrijvingsgeld naar rato van de omvang der opleidingsactiviteiten waaraan hij deelneemt. ONDERTITEL
  25. - School-, studie- en examenreglement Artikel 3.
  26. - Princiep Het school-, studie- en examenreglement wordt de leerling resp. student bij de inschrijving overhandigd. Artikel 3.
  27. - Inhoud van het studiereglement Voor elke aangeboden opleiding omvat het studiereglement ten minste de volgende gegevens : 1° de doeleinden en de inhoud van elke opleiding, het opleidingsprogramma en de verdeling van de opleiding in studiejaren en -cyclussen;2° de modaliteiten waaronder een onderwijsvrijstelling of een studieduurverkorting desgevallend mogelijk is;3° het aantal punten die verbonden is aan elke studiecyclus;4° de organisatie van de opleiding als contactonderwijs of onderwijs op afstand met volledig leerplan of, desgevallend, met beperkt leerplan, met vlottend uurrooster of als modulair onderwijs; 5° de procedure m.b.t. de overdracht van examencijfers; 6° de voorwaarden waaronder studenten opleidingsactiviteiten kunnen volgen en examens kunnen afleggen in andere Belgische of buitenlandse inrichtingen van het hoger onderwijs. Artikel 3.
  28. - Inhoud van het examenreglement In het examenreglement worden ten minste de volgende gegevens vermeld : 1° de procedure inzake vastlegging van de aard examens voor elke studiecyclus;2° het wegingscoëfficiënt van elk examen;3° de periodes waarin de examens afgelegd worden;4° de procedure inzake openbaarheid van de mondelinge en schriftelijke examens;5° de samenstelling en de werkwijze van de examencommissies;6° de procedure inzake beraadslaging en bekendmaking van de resultaten;7° de beroepsmogelijkheden tegen een beslissing van de examencommissie;de betrokken procedure voorziet in het verhoor van de student, waarbij hij zich kan laten bijstaan door een verdediger naar keuze. Artikel 3.
  29. - Inhoud van het schoolreglement Het schoolreglement bevat inzonderheid bepalingen over : 1° de inschrijvingsmodaliteiten, met inbegrip van de inschrijvingstermijn;2° de rechten en plichten van de leerling of student, inzonderheid wat het regelmatig schoolbezoek en de modaliteiten van de afwezigheidscontrole aangaat;3° de openingsuren van de school;4° de organisatie van het school- of academiejaar, met inbegrip van de verlof- en vakantieregeling;5° de orde- en disciplinaire maatregelen en de desbetreffende procedure. ONDERTITEL
  30. - Opleidingsprogramma en studieomvang Artikel 3.
  31. - Opleidingsprogramma van de basisopleiding Het programma van de basisopleiding bestaat uit een coherent geheel van opleidingsactiviteiten die ertoe dienen om de competenties te verwerven die in de artikelen 2.
  32. en 2.
  33. vermeld zijn en die degene moet bezitten die een opleiding eindigt. Bij de vastlegging van de opleidingsprogramma's houdt de hogeschool rekening met de door of krachtens een wet, een decreet of een Europese richtlijn vigerende voorwaarden die de toegang tot bepaalde ambten of beroepen regelen of bepalingen over de opleiding. Artikel 3.
  34. - Opleidingsprogramma van de aanvullende opleiding Het programma van de aanvullende opleiding bestaat uit een coherent geheel van opleidingsactiviteiten die ertoe dienen om gedefinieerde competenties te verwerven die degene moet bezitten die een aanvullende opleiding eindigt. Bij de vastlegging van de opleidingsprogramma's houdt de hogeschool rekening met de door of krachtens een wet, een decreet of een Europese richtlijn vigerende voorwaarden die de toegang tot bepaalde ambten of beroepen regelen of bepalingen over de opleiding. Artikel 3.
  35. - Opleidingsprogramma van het voorbereidend jaar Het studieprogramma van het voorbereidend jaar bestaat uit een coherent geheel van opleidingsactiviteiten die ertoe dienen om de leerling op de examens voor te bereiden die hij na het voorbereidend jaar vóór de examencommissies van de Duitstalige Gemeenschap voor de uitreiking van getuigschriften buiten schoolverband zal afleggen. Artikel 3.
  36. - Studieomvang van de basisopleiding De studieomvang van elk studiejaar en elke onderverdeling van het opleidingsprogramma wordt door de hogeschool in studiepunten uitgedrukt. De studieomvang van elk studiejaar omvat ten minste 1440 lestijden in totaal, als opleidingsactiviteiten, eigen werk, voorbereiding van een eindwerk en van het portfolio en stemt overeen met 60 studiepunten. De gehele omvang van de basisopleiding bachelor stemt overeen met 180 studiepunten. Artikel 3.
  37. - Studieomvang van de aanvullende opleiding In de aanvraag die ze de Regering voorlegt met het oog op de goedkeuring van een aanvullende opleiding legt de hogeschool de studieomvang van de aanvullende opleiding vast die ze in studiepunten uitdrukt, waarbij het ten minste om 40 studiepunten moet gaan. Artikel 3.
  38. - Studieomvang van de opleidingsprojecten In de aanvraag die ze de Regering voorlegt met het oog op de goedkeuring van een opleidingsproject legt de hogeschool de studieomvang van het opleidingsproject vast die ze in studiepunten uitdrukt. Artikel 3.
  39. - Studieomvang van het voorbereidend jaar De studieomvang van het voorbereidend jaar omvat ten minste 1280 lestijden van 50 minuten. Artikel 3.
  40. - Duur van de basisopleiding De nominale duur van de basisopleiding beloopt drie studiejaren. Onverminderd de bepalingen vermeld in artikel 3.
  41. wordt niemand tot het eindexamen van de basisopleiding toegelaten, als hij niet ten minste drie academiejaren heeft besteed aan zijn studies. Artikel 3.
  42. - Duur van de aanvullende opleiding In de aanvraag die ze de Regering voorlegt met het oog op de goedkeuring van een aanvullende opleiding legt de hogeschool de duur van de aanvullende opleiding vast die in geen enkel geval vijf studiejaren mag overschrijden. Artikel 3.
  43. - Duur van de opleidingsprojecten In de aanvraag die ze de Regering voorlegt met het oog op de goedkeuring van een opleidingsproject legt de hogeschool de duur van het project vast die in geen enkel geval vier studiejaren mag overschrijden. Artikel 3.
  44. - Duur van de voortgezette opleidingen De hogeschool legt de duur van de voortgezette opleidingen vast. Artikel 3.
  45. - Duur van het voorbereidend jaar Het voorbereidend jaar dekt een schooljaar. ONDERTITEL
  46. - Onderwijsvrijstelling of studieduurverkorting Artikel 3.
  47. - Princiep § 1 - De hogeschool kan een onderwijsvrijstelling of een studieduurverkorting toekennen aan personen die houders zijn van een studiegetuigschrift van het hoger onderwijs of ten minste voor een studiejaar in een andere opleiding van het hoger onderwijs geslaagd zijn. § 2 - De persoon die een onderwijsvrijstelling of een studieduurverkorting wenst te genieten, dient op het tijdstip van de inschrijving een schriftelijk verzoek in. Een onderwijsvrijstelling is slechts mogelijk voor vakken die hetzelfde of een vergelijkbaar onderricht als inhoud hebben en waarin de persoon reeds een examen heeft afgelegd waarvoor zij ten minste 60% van de punten heeft behaald. De hogeschool kan de persoon die een vrijstelling heeft verkregen bovendien toelaten opleidingsactiviteiten van het studiejaar volgend op hetgeen waarin zij ingeschreven is te bezoeken en de dienovereenkomstige examens af te leggen. De studieduurverkorting mag ten hoogste éénderde van de gehele duur van de gevolgde studie uitmaken, resp. ten hoogste tweederden als een persoon die houder is van het diploma van kleuteronderwijzer het diploma van lager onderwijzer wil behalen of omgekeerd. ONDERTITEL
  48. - Organisatie van het school- en van het academiejaar Artikel 3.
  49. - Duur van het school- en van het academiejaar De Regering bepaalt het begin en het einde van het academiejaar, waarbij het jaar tussen 1 en 15 september begint en ten laatste op de eerste vrijdag van de maand juli eindigt. De Regering bepaalt het begin en het einde van het schooljaar, waarbij het jaar ten vroegste op de laatste maandag van de maand augustus begint en ten laatste op de eerste vrijdag van de maand juli eindigt. De school is tussen 180 en 184 schooldagen open. Wat het voorbereidend jaar betreft, wordt die aantal dagen met het aantal dagen verminderd die noodzakelijk zijn om aan de zittijden vóór de examencommissies van de Duitstalige Gemeenschap voor de uitreiking van getuigschriften buiten schoolverband te kunnen deelnemen. Artikel 3.
  50. - Schoolvrije dagen § 1 - Aan volgende dagen worden de lessen geschorst : 1° op de zaterdagen en zondagen;2° op 1 november;3° op 11 november;4° op 15 november;5° op 24, 25 en 26 december;6° op 1 januari;7° op Paasmaandag;8° op 1 mei;9° op Hemelvaartsdag;10° op Pinksterenmaandag. De Regering kan bijkomende schoolvrije dagen toekennen. De lestijden die wegens een bijkomende schoolvrije dag uitvallen worden ingehaald. De kerst- en paasvakanties duren telkens twee weken. Het ontspanningsverlof op Allerheiligen en het ontspanningsverlof in de tweede helft van het school- resp. academiejaar duren telkens een week. De Regering legt de begin- en einddatums van de vakanties en verloven, met uitzondering van het ontspanningsverlof in de tweede helft van het academiejaar waarvan de begin- en einddatums door de hogeschool bij het begin van het betrokken academiejaar vastgelegd worden. Wat de brevetopleiding en het voorbereidend jaar betreft, legt de Regering bijkomende onderwijsvrije dagen vast met inachtneming van het aantal openingsdagen vermeld in artikel 3.31., lid
  51. § 2 - In afwijking van § 1 kunnen stages op onderwijsvrije dagen plaatsvinden. §

§ 1

kunnen, wat het hoger onderwijs betreft, opleidingsactiviteiten in het kader van een aanvullende opleiding of van een opleidingsproject alsmede voortgezette opleidingen ook op zaterdagen plaatsvinden. In het kader van de basisopleiding vinden de opleidingsactiviteiten slechts wegens bijzondere omstandigheden op zaterdagen plaats. ONDERTITEL

  1. - Organisatie van de examens en bekrachtiging van de studies Artikel 3.
  2. - Basisopleiding en aanvullende opleiding § 1 - In de loop van elk school- of academiejaar organiseert de hogeschool voor alle basis- en aanvullende opleidingen telkens twee zittijden per studiejaar. Zij stelt voor alle basis- en aanvullende opleidingen telkens een examencommissie per studiejaar samen. In afwijking van het eerste lid kan de hogeschool bijkomende examenzittijden voor studenten organiseren die het onderwijs in het kader van een ruilprogramma met een andere hogeschool of universiteit volgen op basis van een dienovereenkomstige overeenkomst tussen de inrichtingen. § 2 - De examencommissie van een bepaald studiejaar mag geen student laten slagen die niet alle examens heeft afgelegd waarin het opleidingsprogramma van dit studiejaar voorziet behalve degene waarvoor hij een vrijstelling heeft verkregen. De student die tot het volgende studiejaar toegelaten wordt, moet bovendien ten minste 50% van de voor elk examen en 60% van de voor het geheel der vakken toegekende punten hebben behaald. Indien de student niet aan deze bepalingen voldoet, kan de examencommissie beslissen dat hij toch tot het hogere studiejaar wordt toegelaten. Tijdens een academiejaar mag geen student meer dan twee keer één en hetzelfde examen afleggen. §

§ 2

kan de Regering voor de brevetopleiding "verpleging" bijkomende en afwijkende modaliteiten en voorwaarden vastleggen, waarbij in geen enkel geval minder dan 50% van de voor het geheel der vakken toegekende punten mag worden behaald. De Regering legt de nadere regels voor de organisatie van de examens vast. Artikel 3.

  1. - Overdracht van examencijfers en voorwaardelijke overgang binnen een opleiding § 1 - Wat het hoger onderwijs van het korte type en de brevetopleiding "verpleging" betreft, kan de student - na een volledige eerste zittijd - van elk examen waarvoor hij ten minste 60% van de punten heeft behaald, voor de tweede zittijd worden vrijgesteld door de examencommissie. § 2 - De examencommissie kan de student die voor het studiejaar niet geslaagd is, toelaten de examencijfers van de examens waarvoor hij ten minste 60% van de punten heeft behaald, naar het volgende academiejaar over te dragen. De student verkrijgt een onderwijs- en examenvrijstelling. Bovendien kan de examencommissie de student toelaten opleidingsactiviteiten van het studiejaar volgend op hetgeen waarin hij is ingeschreven te bezoeken en de dienovereenkomstige examens af te leggen. De leden 1 en 2 zijn van toepassing op de brevetopleiding "verpleging". § 3 - In uitzonderlijke gevallen die te wijten zijn aan omstandigheden die in geen onmiddellijke samenhang staan met de opleidingsactiviteiten en door de examencommissie worden vastgelegd, kan de examencommissie de student die niet geslaagd is voor de examens van de tweede zittijd van een studiejaar een voorwaardelijke overgang toekennen en hem toelaten zich in het volgende studiejaar in te schrijven. Wordt het verzoek goedgekeurd, dan legt de student vóór 1 februari van het volgende academiejaar de examens af die hem door de examencommissie worden opgelegd en die betrekking hebben tot het leerstof van het voorafgaande studiejaar. Voor de betrokken student wordt de tweede zittijd verlengd totdat hij deze examens heeft afgelegd en over hem beraadslaagd wordt. Om te slagen moet de student ten minste 50 % in elk examen en ten minste 60% van de voor deze examens toegekende punten behalen. Indien de student binnen de vastgelegde termijnen niet al de examens aflegt of er niet voor slaagt, dan wordt hij weer als regelmatig ingeschreven student van het voorafgaande studiejaar beschouwd. Indien hij voor die examens slaagt, dan blijft hij beschouwd als regelmatig ingeschreven student van het studiejaar waarin hij is ingeschreven. § 4 - De Regering van de Duitstalige Gemeenschap legt alle nadere regels vast voor de overdracht van de examencijfers, de deelneming aan bepaalde opleidingsactiviteiten van het volgende studiejaar en de voorwaardelijke overgang. Artikel 3.
  2. - Certificatie van de basisopleiding De regelmatig ingeschreven leerling resp. student die met uitzondering van de toegekende examenvrijstelling geslaagd is voor de examens van het laatste studiejaar wordt het overeenstemmende in artikel 2.
  3. vermelde einddiploma van de basisopleiding uitgereikt. Op het einde van een studiejaar wordt de student die erom verzoekt een attest door de hogeschool uitgereikt met vermelding van de verzamelde studiepunten en de dienovereenkomstige inhouden. Artikel 3.
  4. - Certificatie van de aanvullende opleiding De regelmatig ingeschreven student die met uitzondering van de toegekende examenvrijstellingen geslaagd is voor de examens van de aanvullende opleiding wordt een studiegetuigschrift uitgereikt. Op het einde van een studiejaar wordt de student die erom verzoekt een attest door de hogeschool uitgereikt met vermelding van de verzamelde studiepunten en de dienovereenkomstige inhouden. ONDERTITEL
  5. - Diploma's Artikel 3.
  6. - Opstellen van de diploma's De Regering van de Duitstalige Gemeenschap bepaalt de modellen van de diploma's en de voorschriften voor het opstellen ervan. Voor de diploma's die in het hoger onderwijs in het kader van een basis- of aanvullende opleiding behaald zijn, reikt de hogeschool een diplomasupplement gratis uit om de academische en professionele erkenning van de verworven kwalificatie op internationaal vlak te vergemakkelijken. Het diplomasupplement wordt overeenkomstig het model bepaald door de Regering in het Duits, het Engels en het Frans opgesteld. Artikel 3.
  7. - Controle § 1 - De Regering controleert of de diploma's met inachtneming van de wettelijke en reglementaire bepalingen uitgereikt werden. § 2 - De uitgereikte diploma's en dienovereenkomstige diplomasupplementen worden pas rechtsgeldig als ze na controle voorzien zijn van het daarvoor door de Regering van de Duitstalige Gemeenschap bepaald stempel. De hogeschool bewaart een afschrift van het diploma voorzien van het stempel. §

§ 2

wordt het diploma van de basisopleiding in verpleegkunde en het brevet door de Regering ondertekend en desgevallend in het dienovereenkomstige register ingeschreven krachtens de bepalingen vastgelegd door de federale Minister bevoegd inzake Gezondheid. Het diploma van de aanvullende opleiding in verpleegkunde wordt door de Regering ondertekend. Artikel 3.39. - Verlies van een diploma Bij verlies van een diploma verkrijgt de leerling of student een attest uitgereikt door de Regering en waarmee bekrachtigd wordt dat de leerling of student het diploma heeft verkregen. Dit attest heeft dezelfde waarde als het diploma. ONDERTITEL 9. - Tuchtmaatregelen Artikel 3.40. - Algemeenheden § 1 - De tijdelijke verwijdering uit de opleidingsmaatregelen en de uitsluiting uit de hogeschool zijn de enige tuchtmaatregelen. Ze worden slechts in buitengewone gevallen uitgesproken en moeten met de verweten fouten overeenkomen. § 2 - Tuchtmaatregelen worden door de directeur na overleg met het bevoegde departementshoofd uitgesproken. Artikel 3.41. - Tijdelijke verwijdering Bij tijdelijke verwijdering wordt de student uit alle opleidingsactiviteiten uitgesloten. In de loop van een academiejaar kan een student tijdens ten hoogste tijdens 10 schooldagen uit alle opleidingsactiviteiten tijdelijk uitgesloten worden. Artikel 3.42. - Procedure bij tijdelijke verwijdering en bij uitsluiting Bij een tijdelijke verwijdering voor drie schooldagen of minder moet de student gehoord worden. Een tijdelijke verwijdering voor meer dan drie schooldagen of een uitsluiting kan slechts volgens een procedure gebeuren die de volgende princiepen in acht neemt : 1° het inwinnen van een voorafgaand advies van het departementshoofd dat vooraf contact neemt met de betrokken docent;2° de student mag het tuchtdossier inzien;3° de student wordt gehoord, desgevallend in aanwezigheid van zijn raadsman;4° de genomen beslissing wordt schriftelijk met redenen omkleed en de student per aangetekende brief betekend. TITEL IV. - KWALITEITSCONTROLE Artikel 4.1. - Modaliteiten van de kwaliteitscontrole De hogeschool is onderworpen aan interne en externe kwaliteitscontroles : 1° de hogeschool bewaakt voortdurend en verantwoordelijk de kwaliteit van haar opleidings- en onderzoeksactiviteiten, door een eigene bedrijfscultuur van de evaluatie te ontwikkelen, o.a. in het kader van het management; 2° de hogeschool impliceert studenten en externe deskundigen van de beroepswereld in het proces van de interne en externe kwaliteitscontrole; 3° in aansluiting aan de op het Europees vlak vigerende vereisten evalueert de hogeschool ten minste om de vijf jaar de kwaliteit van de activiteiten m.b.t. de opleiding, het onderzoek en de voortgezette opleiding, zo veel mogelijk in samenwerking met andere Belgische en buitenlandse hogescholen, universiteiten en derde instellingen. Zij onderzoekt de mate waarin de hogeschoolstructuur, de methodes en de resultaten van de activiteiten m.b.t. de opleiding, het onderzoek en de voortgezette opleiding met de doeleinden van het opleidingsproject overeenstemmen, neemt contact met de werkgevers van de afgestudeerden en formuleert voorstellen wat de toekomstige ontwikkeling van de hogeschool betreft. De resultaten en voorstellen van deze evaluatie worden in een verslag vastgesteld en bekendgemaakt; 4° de hogeschool houdt rekening met de resultaten van de evaluatie in het kader van haar opleidingsbeleid. Artikel 4.2. - Bewaking van de kwaliteitscontrole De Regering bewaakt de kwaliteit van de hogeschool. Te dien einde 1° onderzoekt ze regelmatig de werking van de door de hogeschool uitgevoerde interne en externe kwaliteitscontrole;2° zorgt ze ervoor dat de hogeschool de resultaten van de kwaliteitsevaluatie in het kader van haar opleidingsbeleid omzet;3° informeert de hogeschool in haar jaarlijks verslag over haar kwaliteitscontrole en de door haar genomen maatregelen met het oog op de omzetting van de in het kader van de interne en externe evaluatie geboekte resultaten en geformuleerde voorstellen;4° kan ze, onverminderd de ideologische, wetenschappelijke, pedagogische en artistieke vrijheid, in door haar bepaalde studiecyclussen of opleidingsgebieden regelmatig een onderzoek laten uitvoeren om de kwaliteit van de opleidingsactiviteiten te vergelijken.Daarvoor richt de Regering een commissie van onafhankelijke deskundigen op die haar onderzoeksresultaten in een verslag vaststelt dat wordt bekendgemaakt. Indien de Regering van mening is dat de resultaten van de kwaliteitscontrole uitgevoerd door deze externe commissie laten blijken dat de kwaliteit van de activiteiten van de hogeschool m.b.t. de opleiding, het onderzoek en de voortgezette opleiding onvoldoende is, dan legt de raad van bestuur van de hogeschool binnen zes maanden na ontvangst van het advies aan de Regering een plan voor met maatregelen die de hogeschool moet nemen om de vastgestelde tekortkomingen te bestrijden. Daarna informeert de raad van bestuur van de hogeschool de Regering jaarlijks, in een gedetailleerd verslag, over de uitvoering van dit plan en over de effecten van de genomen maatregelen. Na verloop van een vierjarige termijn voert de externe commissie opnieuw een externe evaluatie uit over de kwaliteit van de verschillende activiteiten m.b.t. de opleiding, het onderzoek en de voortgezette opleiding. De resultaten worden in een verslag vastgesteld en bekendgemaakt. Komt de commissie tot de conclusie dat de kwaliteit verder onvoldoende is, dan kan de Regering de teruggave van werkingsmiddelen vorderen overeenkomstig artikel 7.10, § 2. TITEL V. - STATUUT VAN DE HOGESCHOOL ONDERTITEL 1. - Algemeenheden Artikel 5.1. - Toepassingsgebied Voorliggend titel is van toepassing op alle personeelscategorieën van de hogeschool, met uitzondering van het onderhoudspersoneel waarop uitsluitend ondertitel 15 van voorliggend titel toepasselijk is. De bepalingen van dit titel die specifiek de docenten resp. leraren godsdienst betreffen, zijn op deze personeelsleden slechts toepasselijk in het kader van de uitoefening van hun ambt als docent resp. leraar godsdienst. Artikel 5.2. - Bekwaamheidsbewijzen Voor de toepassing van voorliggend decreet zijn de bekwaamheidsbewijzen in het hoger onderwijs van het korte type degenen die als vereiste bekwaamheidsbewijzen vermeld zijn in het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurspersoneel en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch onderwijs, kunstonderwijs en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen. Voor de bekwaamheidsbewijzen in het voorbereidend jaar en in het aanvullend secundair beroepsonderwijs, afdeling "verpleging", gaat het naast de bekwaamheidsbewijzen bedoeld in vorig lid eveneens om degenen die als vereiste of voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen vermeld zijn in het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde inrichtingen voor secundair technisch en beroepsonderwijs met volledig leerplan en voor sociale promotie. Artikel 5.3. - Ambten bij de hogeschool De ambten bij de hogeschool zijn degenen die vermeld zijn in artikel 6D en E en in artikel 7 a, 3bis en 4bis, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel bij de inrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaal onderwijs van de Staat, en van de ambten der leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen en degenen die vermeld zijn in de artikelen 8.7. en 8.8. ONDERTITEL 2. - Plichten en onverenigbaarheden Hoofdstuk 1. - Plichten Artikel 5.4. - Behartiging der belangen De personeelsleden behartigen in de uitoefening van hun ambt de belangen van de hogeschool. Artikel 5.5. - Vervulling van de opgelegde verplichtingen In de uitoefening van hun ambt vervullen de personeelsleden persoonlijk en nauwgezet de verplichtingen, hun opgelegd door de wetten, decreten, besluiten en reglementen en door de aanstellings- of benoemingsakte. Artikel 5.6. - Correct gedrag De personeelsleden zijn ertoe gehouden zich zowel in hun dienstbetrekkingen als in de omgang met het publiek, het personeel, de leerlingen en de studenten met de meest volstrekte correctheid te gedragen. Ze helpen elkaar in de mate dat het belang van de hogeschool zulks vereist; zij vermijden alles wat afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun ambt. Artikel 5.7. - Propagandaverbod De personeelsleden mogen de leerlingen en studenten noch voor politieke, noch voor godsdienstige, filosofische, ideologische of commerciële propaganda gebruiken; ze mogen hen ook niet aan zulke propaganda blootstellen. Artikel 5.8. - Vereiste prestaties Binnen de perken vastgelegd door de wettelijke en reglementaire bepalingen en de verplichtingen voortvloeiend uit de aanstellings- of benoemingsakte, verstrekken de personeelsleden de prestaties die noodzakelijk zijn voor de goede gang van de hogeschool. Zij zijn ertoe verplicht regelmatig aan voortgezette opleidingen deel te nemen. Zij mogen de uitoefening van hun ambt niet onderbreken zonder voorafgaande machtiging van de inrichtende macht of van de vertegenwoordiger ervan. Artikel 5.9. - Verbod om feiten met een vertrouwelijk karakter te onthullen De personeelsleden mogen de feiten niet onthullen die een vertrouwelijk karakter hebben en waarvan zij op grond van hun ambt kennis hebben gekregen. Artikel 5.10 - Verbod om geschenken en voordelen te eisen of aan te nemen De personeelsleden mogen noch rechtstreeks noch via een tussenpersoon, omwille van hun ambt, giften, geschenken, beloningen of enig ander voordeel vragen, eisen of aannemen, zelfs als het buiten hun ambt geschiedt, indien de personeelsleden erdoor kunnen worden beïnvloed in de uitoefening van hun ambt overeenkomstig de voorliggende bepalingen. Hoofdstuk 2. - Onverenigbaarheden Artikel 5.11. - Onverenigbare bezigheden Elke bezigheid die afbreuk zou kunnen doen aan het vervullen van de ambtsplichten of strijdig zou zijn met de waardigheid van het ambt is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid van de hogeschool. Artikel 5.12. - Afdanking ter gevolge van een onverenigbaarheid en beroepsmogelijkheid De inrichtende macht die vaststelt dat een lid van zijn personeel doorlopend een bezigheid uitoefent die volgens artikel 5.11. met zijn ambt in de hogeschool onverenigbaar is, betekent het aan het personeelslid alsmede de gevolgen ervan per aangetekende brief na hem gehoord te hebben. De aangetekende brief vermeldt de in het derde lid bedoelde beroepsmogelijkheid; die aangetekende brief heeft uitwerking op de derde werkdag na de verzendingsdatum. Behalve in geval van zware schuld kan zich het personeelslid tegen een afdanking beveiligen door te bewijzen dat het de bezigheid niet meer uitoefent die hem wordt verweten. Behoudens toepassing van het voorafgaande lid heeft de kennisgeving tot gevolg dat het personeelslid rechtstreeks afgedankt wordt, behalve indien het binnen 10 dagen een beroep per aangetekende brief bij de raad van beroep aantekent. Het beroep is opschortend. Binnen 30 dagen na ontvangst van het advies dat de raad van beroep binnen 45 dagen uitbrengt, beslist de inrichtende macht of zij het personeelslid al dan niet afdankt. De afdanking wordt per aangetekende brief betekend. De aangetekende brief heeft uitwerking op de derde werkdag na de verzendingsdatum. ONDERTITEL 3. - Toegang tot de ambten Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen Artikel 5.13. - Princiep Met uitzondering van het ambt als departementshoofd en van het ambt als directeur die in de vorm van een mandaat toegekend worden, kunnen alle ambten door tijdelijk aangestelde of vastbenoemde personeelsleden uitgeoefend worden. Artikel 5.14. - Eedaflegging Bij de eerste indiensttreding legt het personeelslid een eed af in de termen vastgesteld in artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/07/1831 pub. 26/07/2012 numac 2012000423 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet « betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie ». - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie. De Regering wijst de overheid aan waarvóór de eed wordt afgelegd. Hoofdstuk 2. - Tijdelijke aanstelling en tijdelijk personeel Afdeling 1 - Algemeenheden Artikel 5.15. - Voorwaarden m.b.t. de aanstellingen § 1 - Niemand mag door de inrichtende macht in een ambt bij de hogeschool tijdelijk aangesteld worden, wanneer hij op het ogenblik van de aanstelling niet aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° burger van de Europese Unie zijn;een afwijking kan worden toegestaan door de Regering; 2° een gedrag hebben dat aan de vereisten van het ambt beantwoordt;3° de politieke en burgerlijke rechten genieten;4° aan de dienstplichtwetten hebben voldaan; 5° houder zijn van een bekwaamheidsbewijs vermeld in artikel 5.2. en overeenstemmend met het te bekleden ambt of tijdens drie opeenvolgende jaren de in artikel 5.18. bepaalde afwijking verkregen hebben voor het toe te wijzen ambt, waarbij elke afwijking een minimale duur van 15 weken beloopt, en dit telkens vóór 11 mei; 6° bij de indiensttreding een geneeskundige verklaring afgeven die van minder dan zes maanden gedagtekend is en waaruit blijkt dat de kandidaat in zulke gezondheidstoestand verkeert dat hij die van de leerlingen resp.studenten en van de andere personeelsleden niet in gevaar kan brengen; 7° aan de wets- en reglementsbepalingen betreffende de taalregeling voldoen;8° de kandidatuur in de vorm en binnen de termijn ingediend hebben die bepaald zijn in de oproep tot de kandidaten. De docenten resp. leraren godsdienst worden door de inrichtende macht tijdelijk aangesteld op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat. Ze worden eveneens door de inrichtende macht van hun ambt als docent resp. leraar godsdienst ontlast op voordracht of met de toestemming van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat. § 2 - De inrichtende macht mag een tijdelijk personeelslid slechts aanstellen indien de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie in acht wordt genomen. § 3 - De bepalingen van voorliggend artikel zijn niet van toepassing op de gastdocenten die voor een bepaalde termijn en tegen betaling van een ereloon aangesteld worden. Artikel 5.16. - Opstellen van een aanstellingsakte Voor elke aanstelling in een ambt dient de inrichtende macht een aanstellingsakte op te stellen waarvan een afschrift aan het personeelslid wordt overhandigd. Deze aanstellingsakte vermeldt ten minste : 1° de identiteit van de inrichtende macht;2° de identiteit van het personeelslid;3° het uit te oefenen ambt, alsmede de kenmerken en de omvang van de opdracht;4° of de betrekking al dan niet vacant is en, als zij niet vacant is, de naam van de titularis van de betrekking en, in voorkomend geval, de naam van het personeelslid dat de titularis tijdelijk vervangt;5° de datum van indiensttreding. Wordt er binnen de 15 dagen na de indiensttreding geen aanstellingsakte overeenkomstig de leden 1 en 2 opgesteld, dan wordt het personeelslid geacht slechts onder de bij dit decreet vastgelegde voorwaarden in het ambt, voor de opdracht of in de betrekking aangesteld te zijn dat/die het werkelijk uitoefent. Afdeling 2. - Voorrangsregeling Artikel 5.17. - Regel Voor een aanstelling als tijdelijk personeelslid in een vacante betrekking van een ambt of in een niet-vacante betrekking van een ambt waarvan de titularis of het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt voor een aanvankelijk ononderbroken periode van ten minste vijftien weken moet worden vervangen, heeft het personeelslid voorrang dat 1° zijn kandidatuur heeft ingediend;2° in de loop van de laatste vijf school- of academiejaren ten minste 360 dagen dienstanciënniteit bij deze inrichtende macht kan doen gelden in het bedoelde ambt, als hoofdambt uitgeoefend, waarbij deze dagen gespreid zijn over ten minste twee school- of academiejaren;3° het grootste aantal volledige eenheden van 360 dagen dienstanciënniteit kan doen gelden in het bedoelde ambt, als hoofdambt uitgeoefend; 4° houder is van een bekwaamheidsbewijs vermeld in artikel 5.2. en overeenstemmend met het te bekleden ambt of tijdens drie opeenvolgende jaren de in artikel 5.18. bepaalde afwijking verkregen hebben voor het toe te wijzen ambt, waarbij elke afwijking een minimale duur van 15 weken beloopt, en dit telkens vóór 11 mei; 5° ten minste de vermelding « goed » heeft gekregen voor de laatste van de in artikel 5.22. bedoelde beoordelingsstaten van de laatste twee school- of academiejaren waar het personeelslid vóór 11 mei telkens voor een ononderbroken periode van ten minste 15 weken in dienstactiviteit was; bij gebrek aan een beoordelingsstaat voor deze periode, dan geldt deze voorwaarde als vervuld. Voor een personeelslid dat dienstdagen in een ander ambt heeft gepresteerd waarvoor het houder is van het bekwaamheidsbewijs dat vermeld is in artikel 5.2., worden deze dienstdagen bij de in lid 1, 2°, vermelde dagen gevoegd die in aanmerking komen om de voorrang te verlenen. Artikel 5.18. - Afwijkende bepaling Indien geen kandidaat aan de in artikel 5.15., § 1, lid 1, 5°, vermelde voorwaarde voldoet, dan kan de inrichtende macht in afwijking van artikel 5.15. een kandidaat tijdelijk aanstellen die zijn kandidatuur heeft ingediend op grond van de in artikel 5.15., § 1, lid 1, 8°, vermelde oproep tot de kandidaten en die niet houder is van het bekwaamheidsbewijs bepaald voor het toe te wijzen ambt. Werd de kandidaat in de loop van één jaar een keer of meerdere keren op basis van vorig lid aangesteld, dan kan de inrichtende macht hem in afwijking van artikel 5.15. slechts opnieuw aanstellen voor een deel van het jaar of voor het hele jaar volgend op het jaar van de bovenvermelde aanstelling, als ten minste de vermelding "goed" als eindconclusie staat op de laatste beoordelingsstaat. Werd een kandidaat tijdens ten minste twee jaar in afwijking van artikel 5.15. aangesteld, dan kan de inrichtende macht hem daarna in afwijking van bovenvermeld artikel slechts opnieuw aanstellen, als ten minste de vermelding "goed" als eindconclusie staat op de twee laatste beoordelingsstaten. Indien meerdere kandidaten hun kandidatuur indienen met toepassing van de voorafgaande leden, moeten hun bekwaamheidsbewijzen en verdiensten vóór de aanstelling worden vergeleken. Elke aanstelling op basis van de voorafgaande leden 1, 2 of 3, geldt voor een bepaalde termijn die echter ten laatste op 30 juni van het jaar eindigt waarin de aanstelling heeft plaatsgevonden. Artikel 5.19. - Kandidatuur en verlies van de voorrang § 1 - De kandidaten die voor het volgende academiejaar van hun recht gebruik wensen te maken, moeten vóór 1 juni hun kandidatuur per aangetekende brief of per brief met ontvangstbewijs bij de inrichtende macht indienen. Deze brief vermeldt o.a. de ambten waartoe de kandidatuur betrekking heeft. De kandidaat kan toereikende diensten bewijzen door de in artikel 5.29. bedoelde attesten bij te voegen. Gaat een om een kandidatuur voor het ambt als docent resp. leraar godsdienst, dan laat de inrichtende macht een afschrift ervan aan de bevoegde instantie van de betrokken eredienst ter informatie toekomen. § 2 - De kandidaat die de betrekking niet aanvaardt die hem overeenkomstig de voorrangsregels aangeboden wordt, mag tijdens het lopende academiejaar zijn voorrang voor deze betrekking niet meer doen gelden, voor zover de betrekking door dezelfde persoon bekleed blijft. Artikel 5.20. - Berekening van de dienstanciënniteit i.v.m. de voorrangsregeling De dienstanciënniteit bedoeld in artikel 5.17. wordt op 30 april van het jaar van de aanvraag berekend, zoals bepaald in artikel 5.38., § 1, lid 1, 2°, en §§ 2 tot 4, waarbij slechts de diensten gepresteerd met toepassing van artikel 5.18 in aanmerking worden genomen voor de drie opeenvolgende jaren waarin het personeelslid de afwijkingen overeenkomstig artikel 5.18. heeft verkregen. Wordt er met toepassing van de artikelen 5.24., 5.25. en 5.26. door afdanking of ontslagneming een einde gemaakt aan een aanstelling, dan worden de tot deze aanstelling behorende dienstdagen gepresteerd bij de inrichtende macht niet in aanmerking genomen om de in lid 1 bedoelde dienstanciënniteit te berekenen, tenzij deze inrichtende macht het afgedankte personeelslid weer aanstelt of met toepassing van artikel 5.24., § 3, lid 4, de afdanking na advies van de raad van beroep niet bekrachtigt. Artikel 5.21. - Openbaarmaking van vacante betrekkingen en informatie over de rangschikking Binnen 15 dagen na ingang van een vacature of na de dag waarop in een niet vacante betrekking voor een minimale periode van 15 weken moet worden voorzien, deelt de inrichtende macht aan de Dienst voor arbeidsbemiddeling van de Duitstalige Gemeenschap de te begeven betrekkingen mede, voor zover deze niet aan de kandidaten zoals bedoeld in artikel 5.17. kunnen worden toegewezen. Zij maakt eveneens een oproep tot de kandidaten bekend in de hogeschool en in de kranten. Op gewoon verzoek van de kandidaten informeert hen de inrichtende macht over de klassering van de personeelsleden die met toepassing van artikel 5.17. zijn aangesteld en wier klassering op basis van de in artikel 5.29. bedoelde dienstattesten gebeurde. Afdeling 3. - Beoordelingsstaat Artikel 5.22. - Beoordelingsstaat en beroepsmogelijkheid § 1 - Een tijdelijk personeelslid wordt door de directeur, nadat deze met het betrokken departementshoofd contact heeft genomen, ten minste om de twee school- of academiejaren beoordeeld waarin hij telkens voor elke ononderbroken periode van ten minste 15 weken vóór 11 mei in dienstactiviteit was en werkelijke diensten heeft gepresteerd. Een beoordeling wordt ten laatste op 10 mei van het lopende school- of academiejaar uitgevoerd. Het in het eerste lid vermelde personeelslid kan zo'n beoordeling schriftelijk bij de directeur aanvragen. In afwijking van lid 1 wordt een beoordeling jaarlijks uitgevoerd voor de personeelsleden vermeld in artikel 5.18. § 2 - De beoordeling geschiedt via een met redenen omklede beoordelingsstaat die o.a. gegevens omvat over het uitgeoefende ambt en de duur van de geleverde dienstprestaties, alsmede over de bekwaamheden, de prestaties en de mate waarin het personeelslid zich voor de opleidingsinrichting inzet. Op de beoordelingsstaat kan de vermelding « zeer goed », « goed », « voldoende » of « onvoldoende » als eindconclusie staan. De beoordeling van de docenten resp. leraren godsdienst door de directeur betreft niet de vakdidactische bekwaamheden noch de inhoud zelf van de cursussen; deze worden uitsluitend door de bevoegde instantie van de betrokken eredienst beoordeeld. De inrichtende macht is verplicht, ten laatste vanaf het vierde academiejaar na de inwerkingtreding van voorliggend decreet jaarlijks een evaluatie van de docenten door de leerlingen te laten uitvoeren, behalve als de inrichtende macht om gegronde redenen niet in staat is deze uit te voeren. Deze redenen worden vooraf aan de Regering medegedeeld. De evaluatie van de docenten door de studenten wordt in aanmerking genomen bij de beoordeling van de docenten. § 3 - De directeur resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst overhandigt het personeelslid de beoordelingsstaat in tweevoud. Het personeelslid ondertekent beide exemplaren en behoudt er één van. § 4 - Staat op de beoordelingsstaat de vermelding « onvoldoende » of "voldoende" als eindconclusie, dan kan deze door het personeelslid onder voorbehoud worden ondertekend dat binnen 10 dagen na het afgeven ervan beroep kan aantekenen vóór de raad van beroep. Binnen 45 dagen na de dag van ontvangst van het door het personeelslid aangetekend beroep stuurt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan de inrichtende macht. Binnen 10 dagen na ontvangst van het advies overhandigt de inrichtende macht zijn definitieve beslissing aan het personeelslid. In voorkomend geval vermeldt ze de redenen waarom zij het advies niet volgt. Het beroep is opschortend. Afdeling 4. - Beëindiging van de tijdelijke aanstelling Artikel 5.23. - Beëindiging van rechtswege Een tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege voor het geheel of een deel van de opdracht : 1° bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt;2° op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een ander personeelslid :

  1. a)door toepassing van de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie;
  2. b)door vaste benoeming;3° op het ogenblik dat de betrekking bekleed door het tijdelijk personeelslid, om redenen die onafhankelijk zijn van de inrichtende macht, voor het geheel of voor een gedeelte ervan niet meer kan worden gesubsidieerd;4° uiterlijk op de laatste dag van het lopende school- of academiejaar, behalve wat het administratief personeel, de mediathecaris en de assistent-mediathecaris betreft, wier aanstelling op 31 augustus eindigt. Artikel 5.24. - Voortijdige afdanking en beroepsmogelijkheid § 1 - Een tijdelijk aangesteld personeelslid kan met inachtneming van een opzeggingstermijn van 30 dagen door de inrichtende macht voortijdig ontslagen worden. De afdanking moet met redenen omkleed worden. § 2 - De directeur overhandigt het personeelslid het schriftelijk vastgesteld voorstel tot afdanking in tweevoud. Het personeelslid dateert het voorstel, ondertekent het om te bekrachtigen dat het het voorstel ter kennis heeft genomen en geeft op dezelfde dag een exemplaar terug aan de directeur. Is het personeelslid het niet eens met het voorstel tot afdanking, dan vermeldt het er « ben er niet mee eens » op. Op dezelfde dag laat de directeur dit voorstel aan de inrichtende macht toekomen die binnen 10 dagen het voorstel verwerpt of de afdanking aan het personeelslid per aangetekende brief betekent. Die aangetekende brief heeft uitwerking op de derde werkdag na de verzendingsdatum. In geval van afdanking wordt de Regering onmiddellijk op de hoogte ervan gebracht. § 3 - Het personeelslid aan wie de afdanking betekend is en wie met toepassing van artikel 5.17. tijdelijk aangesteld is, mag binnen tien dagen na de betekening een beroep bij de inrichtende macht aantekenen. De inrichtende macht zendt het beroep onmiddellijk aan de bevoegde raad van beroep met een verzoek om een met redenen omkleed advies. Het beroep is niet opschortend. Binnen 45 dagen na de datum waarop de raad van beroep het beroep heeft ontvangen, betekent hij de inrichtende macht zijn met redenen omkleed advies. Binnen 15 dagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep deelt de inrichtende macht haar beslissing per aangetekende brief aan het personeelslid mede. De inrichtende macht vermeldt in voorkomend geval de redenen waarom zij het advies niet volgt. Ziet de inrichtende macht ervan af de afdanking te bekrachtigen, dan geldt het personeelslid met terugwerkende kracht tot de dag van de afdanking als opnieuw in dienst opgenomen. § 4 - Indien het een docent godsdienst betreft, dient de inrichtende macht steeds het advies van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst in te winnen, indien die instantie bestaat. Artikel 5.25. - Afdanking zonder opzegging wegens zware schuld § 1 - De inrichtende macht kan elk tijdelijk personeelslid, zonder opzegging, wegens zware schuld afdanken. Onder zware schuld wordt elke tekortkoming verstaan die de professionele samenwerking tussen het personeelslid en de inrichtende macht onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. § 2 - Binnen een termijn van drie werkdagen na de dag waarop de inrichtende macht kennis heeft gekregen van feiten die een zware schuld kunnen uitmaken, roept ze het personeelslid per aangetekende brief op voor een verhoor dat ten vroegste vijf en ten laatste tien dagen na het opsturen van de oproepingsbrief moet plaatshebben. De oproepingsbrief vermeldt de feiten die het personeelslid als zware schuld ten last gelegd worden. Tijdens het verhoor mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een afgevaardigde van een representatieve vakorganisatie, door een advocaat of door een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de hogeschool die in dienstactiviteit, in terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat of op rust gesteld zijn. Indien de inrichtende macht na het verhoor van oordeel is dat voldoende feiten op de zware schuld wijzen, kan ze binnen de drie dagen na dit verhoor beslissen een einde te maken aan de aanstelling. Op straffe van nietigheid wordt de beslissing aan het personeelslid betekend, hetzij door een gerechtsdeurwaarderexploot, hetzij per aangetekende brief, welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum ervan. De beslissing vermeldt de redenen die de inrichtende macht als zware schuld beschouwt. § 3 - In de volgende gevallen kan het personeelslid tijdens de periode bepaald in de § 2 zonder opzegging uit zijn ambt verwijderd worden : 1° bij zware schuld met ontdekking op heterdaad;2° wanneer de ten last gestelde feiten zo ernstig zijn dat zijn aanwezigheid in de onderwijsinrichting in het belang van de dienst of van het onderwijs niet wenselijk is. Het gaat om een administratieve maatregel. Tijdens de duur van de maatregel bevindt zich het personeelslid in dienstactiviteit. Artikel 5.26. - Voortijdige ontslagneming van het personeelslid Een tijdelijk aangesteld personeelslid kan eenzijdig de aanstelling opzeggen met inachtneming van een opzeggingstermijn van 30 dagen. Artikel 5.27. - Modaliteiten m.b.t. de eenzijdige opzegging Onder voorbehoud van de afdanking wegens zware schuld, zoals bepaald in artikel 5.25., moet de akte waarmee één van de partijen eenzijdig een einde aan de dienst maakt - op straffe van nietigheid - de duur van de opzeggingstermijn vermelden en aan de andere partij betekend worden, hetzij door een gerechtsdeurwaarderexploot, hetzij per aangetekende brief, welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum. Artikel 5.28. - Beëindiging in onderlinge overeenstemming In onderlinge overeenstemming kan voortijdig een einde gemaakt worden aan de dienst; de opzeggingstermijn bedoeld in de artikelen 5.24., § 1, en 5.26. dient in dat geval niet in acht te worden genomen. De onderlinge overeenstemming, de niet-inachtneming van de opzeggingstermijn en de datum waarop het personeelslid zijn toestemming heeft gegeven, worden schriftelijk vastgesteld. Artikel 5.29. - Dienstattest Op het einde van elke activiteitsperiode levert de inrichtende macht het tijdelijk personeelslid een attest af met vermelding, voor elk uitgeoefend ambt, van de gepresteerde diensten, de begin- en einddatum ervan, de aard van het ambt en de omvang van de opdracht. Hoofdstuk 3. - Vaste benoeming Artikel 5.30. - Princiep De inrichtende macht benoemt een personeelslid definitief in een vacante betrekking van een wervingsambt, behalve als ze door de vigerende bepalingen inzake reaffectatie of wedertewerkstelling verplicht is in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld werd. Artikel 5.31. - Voorwaarden m.b.t. de benoeming Niemand mag vastbenoemd worden, indien hij op het ogenblik van de benoeming niet aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° burger van de Europese Unie zijn;een afwijking kan worden toegestaan door de Regering; 2° een gedrag hebben dat aan de vereisten van het ambt beantwoordt;3° de politieke en burgerlijke rechten genieten;4° aan de dienstplichtwetten hebben voldaan; 5° houder zijn van één der in artikel 5.2. bepaalde bekwaamheidsbewijzen dat hem zonder duurbeperking toegang verleent tot de uitoefening van het ambt als vastbenoemd personeelslid, of tijdens drie opeenvolgende jaren de in artikel 5.18. bepaalde afwijking verkregen hebben voor het toe te wijzen ambt, waarbij elke afwijking een minimale duur van 15 weken beloopt, en dit telkens vóór 11 mei; 6° aan de wets- en reglementsbepalingen betreffende de taalregeling voldoen;7° de lichamelijke geschiktheid bezitten die vastgesteld werd voor de tot de stage in het gemeenschapsonderwijs toegelaten personeelsleden;8° een nuttige beroepservaring van ten minste 6 jaar in het hoger onderwijs tellen.Deze beroepservaring wordt tot 3 jaar teruggebracht voor personeelsleden die ten minste 3 jaar als tijdelijk of definitief benoemd of aangesteld personeelslid in een ambt met volledige prestaties in het basis- of secundair onderwijs werkzaam waren. Of, indien het om leden van het administratief personeel gaat, ten minste 360 dagen dienstanciënniteit tellen waarvan 240 dagen in meer dan één school- of academiejaar in het betrokken ambt werden gepresteerd; 9° ten minste de vermelding « goed » hebben gekregen op de laatste beoordelingsstaat bedoeld in artikel 5.22.; bij gebrek aan een beoordelingsstaat wordt de voorliggende voorwaarde geacht vervuld te zijn; 10° het ambt als hoofdambt uitoefenen;11° zijn kandidatuur in de vorm en binnen de termijn hebben ingediend die in de oproep tot de kandidaten vastgelegd zijn. De docenten resp. leraren godsdienst worden vastbenoemd door de inrichtende macht van de onderwijsinrichting op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat. Ze worden eveneens op voordracht of met de toestemming van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat, van hun ambt als docent godsdienst door de inrichtende macht ontlast. Artikel 5.32. - Oproep tot de kandidaten § 1 - Elk jaar in de tweede helft van de maand februari doet de inrichtende macht een oproep tot de kandidaten voor een uurroosteraanvulling en voor een vaste benoeming. Deze oproep wordt aan de Regering ter informatie betekend. § 2 - De oproep bevat een lijst met de vacante betrekkingen die op basis van de toestand op 1 februari vóór de oproep tot de kandidaten vastgelegd werden en waarvoor vaste benoemingen op 1 oktober van het volgende schooljaar heel waarschijnlijk zullen kunnen plaatsvinden. De oproep omvat gegevens over de te begeven betrekkingen alsmede de vereiste voorwaarden vanwege de kandidaten en vermeldt dan de vorm en de termijn waarin de kandidatuur moet worden ingediend. De oproep wordt door aanplakking in de hogeschool alsmede in elke andere aangepaste vorm ter kennis van alle personeelsleden gebracht. De lijst is ook op verzoek bij de Regering en bij de inrichtende macht verkrijgbaar. Ten laatste op 10 februari verkrijgt de Regering een afschrift van de lijst vermeld in lid 1. § 3 - Gaat het om het ambt van docent of leraar godsdienst, dan laat de inrichtende macht aan de bevoegde instantie van de betrokken eredienst een afschrift van de oproep ter informatie toekomen. Artikel 5.33. - Ogenblik en omvang van de benoemingen De vaste benoemingen geschieden op 1 oktober in de betrekkingen die in artikel 5.32., § 2, lid 1, vermeld zijn en die op dit ogenblik nog vacant zijn. Een vaste benoeming in een betrekking van een ambt kan voor lestijden plaatsvinden, waarbij het minimum aantal 4 bedraagt. Artikel 5.34. - Voorrangsregeling § 1 - Indien één of meerdere personeelsleden in een ambt met onvolledige prestaties vastbenoemd worden, moet hen de inrichtende macht de voorrang geven om hun uurrooster aan te vullen. De verplichting tot vaste benoeming geldt slechts voor de personeelsleden die hun kandidatuur binnen één maand na de bekendmaking van de in artikel 5.32. vermelde oproep tot de kandidaten ingediend hebben. § 2 - Onverminderd § 1 heeft het personeelslid voorrang dat het grootste aantal volledige eenheden van 360 dagen in het betrokken ambt telt. Artikel 5.35. - Benoeming in een ander ambt Het personeelslid dat in een ambt vastbenoemd is, echter in een vacante betrekking van een ander ambt wenst benoemd te worden en dat ten minste 360 dagen dienstanciënniteit telt en houder is van een in artikel 5.2. vastgelegd bekwaamheidsbewijs, moet bij de inrichtende macht zijn kandidatuur schriftelijk indienen onder dezelfde voorwaarden als de kandidaten voor een vaste benoeming. De vaste benoeming in het andere ambt geschiedt op 1 oktober van het volgende school- of academiejaar. Artikel 5.36. - Beperking m.b.t. de benoemingen in geval van cumulatie Meerdere benoemingen in verschillende ambten in de hogeschool of in de hogeschool en bij andere inrichtende machten worden slechts toegelaten als deze ambten te zamen niet meer dan een hoofdambt met volledige prestaties uitmaken. Artikel 5.37. - Kandidatuur voor meerdere ambten De persoon die zich in verschillende ambten kandidaat stelt voor een vaste benoeming dient voor elk ambt een afzonderlijke kandidatuur in. Artikel 5.38. - Berekening van de dienstanciënniteit § 1 - Voor de berekening van de dienstanciënniteit 1° worden enkel in aanmerking genomen de tot 30 april van het jaar van de aanvraag bezoldigde diensten die als hoofdambt gepresteerd zijn, voor zover de kandidaat houder is van de dienovereenkomstige bekwaamheidsbewijzen bedoeld in artikel 5.2. of tijdens drie opeenvolgende jaren de in artikel 5.18. bepaalde afwijking verkregen heeft voor het toe te wijzen ambt, waarbij elke afwijking een minimale duur van 15 weken beloopt; 2° bestaat het aantal dagen gepresteerd als tijdelijk personeelslid of als gesubsidieerd contractueel personeelslid in een ambt met volledige prestaties uit al de gepresteerde dagen vanaf het begin tot het einde van de ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van het ontspanningsverlof alsook de kerst- en paasvakantie, het bevallingsverlof, het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij of de overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen toegekende uitzonderlijke verloven, indien ze in deze periode vallen.Dit aantal dagen wordt met 1,2 vermenigvuldigd, behalve voor het administratief personeel. De dagen gepresteerd als vastbenoemd personeelslid in een ambt met volledige prestaties worden opgeteld van het begin tot het einde van een ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van de zomervakantie. § 2 - De diensten die gepresteerd werden in een ambt met onvolledige prestaties en ten minste de helft van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige prestaties omvatten, worden in aanmerking genomen zoals diensten gepresteerd in een ambt met volledige prestaties. Het aantal dagen verworven in een ambt met onvolledige prestaties dat niet de helft van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige prestaties omvat, wordt gehalveerd. § 3 - Het aantal dagen verworven in twee of meer gelijktijdig uitgeoefende ambten met volledige of onvolledige prestaties mag nooit het aantal dagen overschrijden dat in een gedurende dezelfde periode uitgeoefend ambt met volledige prestaties verworven is. § 4 - De periode waarvoor een personeelslid een beoordelingsstaat of een evaluatieverslag heeft gekregen waarop de vermelding « onvoldoende » als eindconclusie staat, wordt niet in aanmerking genomen. ONDERTITEL 4. - Evaluatieverslag en persoonlijk dossier Artikel 5.39. - Tijdstip van de evaluatie Elk personeelslid benoemd in vastverband wordt ten minste om de drie jaar waarin het in dienstactiviteit is en werkelijke diensten presteert, door de directeur geëvalueerd nadat deze contact heeft genomen met het betrokken departementshoofd. Het personeelslid mag ook elk jaar schriftelijk om zo'n evaluatie vragen. Een evaluatie vindt ten laatste op 30 april van het lopende school- of academiejaar plaats. Indien het een docent of leraar godsdienst betreft, dan kan de bevoegde instantie van de betrokken eredienst een afzonderlijk verslag opstellen. Artikel 5.40. - Verslag De evaluatie geschiedt via een met redenen omkleed evaluatieverslag dat o.a. gegevens omvat over het uitgeoefende ambt en de duur van de geleverde dienstprestaties alsook over de bekwaamheden, de prestaties en de mate waarin het personeelslid zich voor de hogeschool inzet. Op het verslag staat de vermelding « zeer goed », « goed », « voldoende » of « onvoldoende » als eindconclusie. Voor de evaluatie van een docent of leraar godsdienst door de directeur betreft niet hun vakdidactische bekwaamheden noch de inhoud zelf van de cursussen; deze worden uitsluitend door de bevoegde instantie van de betrokken eredienst geëvalueerd. De inrichtende macht is verplicht, ten laatste vanaf het vierde academiejaar na de inwerkingtreding van voorliggend decreet jaarlijks een evaluatie van de docenten door de leerlingen te laten uitvoeren, behalve als de inrichtende macht om gegronde redenen niet in staat is deze uit te voeren. Deze redenen worden aan de Regering medegedeeld. De evaluatie van de docenten door de studenten wordt in aanmerking genomen bij de evaluatie van de docenten. Artikel 5.41. - Beroepsmogelijkheid § 1 - De directeur of de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst overhandigt het personeelslid het verslag in tweevoud. Het personeelslid ondertekent beide exemplaren en behoudt er één van. § 2 - Het personeelslid kan het verslag onder voorbehoud ondertekenen en binnen 10 dagen na de afgifte ervan een beroep vóór de raad van beroep aantekenen. Binnen een termijn van 45 dagen te rekenen vanaf de dag waarop hij het beroep heeft ontvangen, zendt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan de inrichtende macht. Binnen de 10 dagen na ontvangst van het advies overhandigt de inrichtende macht resp. de vertegenwoordiger van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst haar/zijn definitieve beslissing aan het personeelslid. Ze/Hij vermeldt in voorkomend geval de redenen waarom ze/hij het advies niet volgt. Het beroep is opschortend. § 3 - Staat op het verslag de vermelding « onvoldoende » als eindconclusie, dan wordt het personeelslid in het daaropvolgende schooljaar opnieuw geëvalueerd. Artikel 5.42. - Persoonlijk dossier § 1 - Voor elk vastbenoemd personeelslid wordt een persoonlijk dossier samengesteld, dat de aanstellingsakte, de vaste benoeming, de dienstattesten, de beoordelingsstaten en de evaluatieverslagen, alsmede de desgevallend opgelegde tuchtmaatregelen omvat. De Regering kan de vorm van het persoonlijk dossier vastleggen. § 2 - Elk personeelslid heeft het recht van zijn persoonlijk dossier te allen tijde inzage te nemen. ONDERTITEL 5. - Administratieve standen Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen Artikel 5.43. - Opsomming Het personeelslid bevindt zich in één van de volgende administratieve standen : 1° dienstactiviteit;2° non-activiteit;3° terbeschikkingstelling. Hoofdstuk 2. - Dienstactiviteit Artikel 5.44. - Princiep Het personeelslid bevindt zich altijd in dienstactiviteit behoudens een uitdrukkelijke bepaling die het in een andere administratieve stand plaatst. Artikel 5.45. - Recht op wedde en verlof § 1 - Behoudens andersluidende bepalingen heeft een personeelslid in dienstactiviteit recht op een wedde en op de desbetreffende periodieke verhogingen. § 2 - Een personeelslid heeft recht op verlof onder dezelfde voorwaarden als in het gemeenschapsonderwijs. § 3 - De duur van het jaarlijks verlof van de mediathecaris en van de assistent-mediathecaris wordt vastgelegd als volgt : 1° tot de volledige leeftijd van 44 jaar : 26 dagen;2° van 45 jaar tot de volledige leeftijd van 49 jaar : 27 dagen;3° vanaf 50 jaar : 28 dagen;4° vanaf het jaar waarin de leeftijd van 60 jaar bereikt wordt, word één dag bijkomend vakantieverlof per jaar over de 60ste verjaardag toegekend. Als jaar wordt de periode tussen 1 september en 31 augustus van het daarop volgend jaar beschouwd. Beslissend bij de in het eerste lid bepaalde berekening van het aantal verlofdagen is de leeftijd die men binnen deze periode bereikt. Wordt een personeelslid niet aangesteld voor de hele in lid 2 bedoelde periode, dan wordt het jaarlijks vakantieverlof dienovereenkomstig verminderd. Wordt door de vermindering geen rond getal bereikt, dan wordt het aantal op een hele eenheid naar boven afgerond. Het tijdstip waarop het jaarlijks vakantieverlof wordt genomen, wordt in overleg met de directeur vastgelegd. Het kan verdeeld worden, moet echter ten minste 10 opeenvolgende arbeidsdagen duren. De mediathecaris en de assistent-mediathecaris hebben geen recht op de ontspanningsverloven. Hoofdstuk 3. - Non-activiteit Artikel 5.46. - Opsomming Een personeelslid bevindt zich in non-activiteit in geval van 1° schorsing bij tuchtmaatregel;2° op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel;3° veroorloofde langdurige afwezigheid om familiale redenen. Hoofdstuk 4. - Terbeschikkingstelling Artikel 5.47. - Opsomming Een vastbenoemd personeelslid kan 1° wegens ontstentenis van betrekking;2° wegens bijzondere opdracht;3° wegens ziekte of gebrekkigheid;4° om persoonlijke redenen;5° wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaan;6° wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst ter beschikking gesteld worden. Artikel 5.48. - Modaliteiten m.b.t. de terbeschikkingstelling § 1 - Met uitzondering van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en van de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst gebeurt de terbeschikkingstelling onder dezelfde voorwaarden als in het gemeenschapsonderwijs. Dit geldt eveneens voor de toekenning van een wachtgeld. De inrichtende macht moet elke terbeschikkingstelling waarvoor in het gemeenschapsonderwijs een beslissing van de Regering of van haar afgevaardigde nodig is om verder een wachtgeld te genieten, aan de Regering ter goedkeuring voorleggen. § 2 - Geen personeelslid mag ter beschikking gesteld worden of in disponibiliteit blijven na afloop van de maand waar het de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt en 30 pensioenaanspraakverlenende dienstjaren telt. De terbeschikkingstelling wegens bijzondere opdracht is een uitzondering. Artikel 5.49. - Modaliteiten m.b.t. de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de terugroeping in dienstactiviteit, de reaffectatie en de wedertewerkstelling § 1 - Bij ontstentenis van betrekking in een bepaald ambt wordt het personeelslid met de laagste dienstanciënniteit in het betrokken ambt ter beschikking gesteld. De dienstanciënniteit wordt berekend overeenkomstig artikel 5.38., waarbij de diensten die bij de "pedagogische hogeschool van de Duitstalige Gemeenschap", de "pedagogische hogeschool Pater Damiaan" of de "verplegingsschool" in het betrokken ambt gepresteerd werden, eveneens in aanmerking worden genomen. Bij gelijke dienstanciënniteit wordt het jongste personeelslid ter beschikking gesteld. § 2 - Het personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking wordt gesteld, verkrijgt een wachtgeld berekend op basis van de bepalingen die in het gemeenschapsonderwijs van toepassing zijn. § 3 - Elk ter beschikking gesteld personeelslid blijft ter beschikking van de inrichtende macht. Dienstprestaties die met de opdracht van het personeelslid in het kader van het bekleden ambt verenigbaar zijn, kunnen aan het personeelslid opgelegd worden. De in artikel 5.73. vermelde wekelijkse arbeidsduur tijdens welke deze dienstprestaties moeten worden geleverd, wordt naar rato van het wachtgeld verminderd. Wordt door de vermindering geen rond getal bereikt, dan wordt het aantal op een hele eenheid naar boven afgerond. § 4 - De inrichtende macht doet te allen tijde, met voorrang en vóór elke tijdelijke aanstelling, een beroep op deze dienstprestaties. Het personeelslid wordt in dienstactiviteit teruggeroepen in het ambt waarin het vastbenoemd personeelslid of waarvoor het houder is van het vereiste resp. voor voldoend geachte bekwaamheidsbewijs van groep A. Tijdens deze terugroeping in dienstactiviteit verkrijgt het personeelslid de wedde overeenkomstig de weddeschaal die van toepassing was vóór zijn terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking. § 5 - Een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking wordt gesteld, kan om een reaffectatie of wedertewerkstelling in het gemeenschapsonderwijs of in het gesubsidieerd vrij onderwijs verzoeken. Het verklaart schriftelijk dat het eens is met het opvoedkundig project van de betrokken inrichtende macht. De betrokken inrichtende macht beslist of zij dit verzoek opvolgt. Bij weigering van het verzoek moet de inrichtende macht haar beslissing met redenen omkleden. Het personeelslid wordt ofwel gereaffecteerd in het ambt waarin het vastbenoemd is ofwel wedertewerkgesteld in het ambt waarvoor het houder is van het vereiste resp. voor voldoend geachte bekwaamheidsbewijs. De reaffectatie resp. wedertewerkstelling gebeurt krachtens de regels die van toepassing zijn in het gemeenschapsonderwijs of in het gesubsidieerd vrij confessioneel onderwijs, waarbij de personeelsleden voorrang hebben die bij de betrokken inrichtende macht ter beschikking zijn gesteld. Het personeelslid is ertoe verplicht binnen de door de inrichtende macht vastgelegde termijn in zijn ambt aan te treden. Het personeelslid verkrijgt de wedde overeenkomstig de weddeschaal die van toepassing was vóór zijn terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking. Artikel 5.50. - Modaliteiten m.b.t. de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst § 1 - De inrichtende macht betekent het personeelslid een voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst per aangetekende brief. Deze aangetekende brief heeft uitwerking op de derde werkdag na de verzendingsdatum. Binnen een termijn van 20 dagen na de betekening van het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst kan het personeelslid ertegen een beroep indienen bij de bevoegde raad van beroep. Het beroep is opschortend. Binnen een termijn van 90 dagen na de ontvangst van het beroep van het personeelslid zendt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan het personeelslid en aan de inrichtende macht. Ten laatste 30 dagen na de ontvangst van het advies van de raad van beroep deelt de inrichtende macht haar beslissing aan het personeelslid mede, hetzij door een gerechtsdeurwaarderexploot, hetzij per aangetekende brief, welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum. De inrichtende macht vermeldt desgevallend waarom het advies niet gevolgd wordt. Indien het een docent of leraar godsdienst betreft, dan kan de terbeschikkingstelling uitsluitend in onderlinge overeenstemming met de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat, worden uitgevoerd. De terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst wordt door de inrichtende macht ter goedkeuring van de Regering voorgelegd. § 2 - Het personeelslid dat wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst ter beschikking wordt gesteld, verkrijgt een wachtgeld berekend op basis van de bepalingen die van toepassing zijn in het gemeenschapsonderwijs. ONDERTITEL 6. - Definitieve ambtsneerlegging Artikel 5.51. - Beëindiging van rechtswege van een aanstelling of benoeming Onverminderd artikel 5.23. eindigt een tijdelijke aanstelling of vaste benoeming van rechtswege zonder opzegging wanneer de personeelsleden niet meer voldoen aan één van de volgende voorwaarden : 1°
  3. a)burger van de Europese Unie zijn, behalve afwijking toegestaan door de Regering;
  4. b)de politieke en burgerlijke rechten genieten;
  5. c)aan de dienstplichtwetten voldoen;2° na een veroorloofde afwezigheid, zonder geldige reden hun dienst niet hervatten en gedurende een ononderbroken periode van meer dan 10 dagen afwezig blijven;3° zonder geldige reden hun betrekking verlaten en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;4° zich in de gevallen bevinden waarin de toepassing van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;5° wegens een overeenkomstig de wet of het reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen;6° na hun terugroeping in dienstactiviteit zonder geldige reden weigeren de door de inrichtende macht toegewezen betrekking te bekleden;7° wegens het bereiken van de leeftijdsgrens op pensioen gesteld zijn;8° onregelmatig tijdelijk aangesteld of vastbenoemd zijn geweest, indien de onregelmatigheid :
  6. a)ofwel binnen 60 dagen na de aanstelling resp.benoeming is vastgesteld;
  7. b)ofwel door een bedrieglijke handeling vanwege het personeelslid veroorzaakt is;
  8. c)ofwel zo zwaar is dat de aanstelling resp.de benoeming als niet bestaand moet worden geacht. De inrichtende macht verwittigt het personeelslid van de ambtsneerlegging hetzij door een gerechtsdeurwaarderexploot, hetzij per aangetekende brief. Zij vermeldt er de reden van. In het onder lid 1, 8°, bedoelde geval behoudt het personeelslid de verworven rechten verbonden aan zijn voorafgaande stand, voor zover de inrichtende macht erin toestemt. Artikel 5.52. - Beëindiging van een vaste benoeming Een vaste benoeming neemt ook een einde : 1° bij vrijwillig ontslag van het personeelslid;2° bij afdanking wegens zware schuld;3° wanneer de vermelding « onvoldoende » binnen twee opeenvolgende jaren telkens op de beoordelingsstaten als eindconclusie staat;4° indien het een docent godsdienst betreft, wanneer de bevoegde instantie van de betrokken eredienst twee opeenvolgende jaren een verslag uitreikt waarop de vermelding « onvoldoende »als eindconclusie staat. Bij vrijwillig ontslag mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten als het door de inrichtende macht daartoe gemachtigd is of na inachtneming van een opzeggingstermijn van 30 dagen. De opzegging wordt aan de inrichtende macht per aangetekende brief betekend, welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum. Op straffe van nietigheid moet de aangetekende brief de duur van de opzegging alsmede de datum waarop ze begint, vermelden. Wanneer de beëindiging van de vaste benoeming de toepassing met zich brengt van artikel 10 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, stort de Duitstalige Gemeenschap het in dat artikel bepaald bedrag aan de Rijksdienst voor sociale Zekerheid. ONDERTITEL 7. - Tuchtregeling Hoofdstuk 1. - Tuchtmaatregelen Artikel 5.53. - Opsomming Indien de vastbenoemde personeelsleden hun plichten niet nakomen, kunnen zij één van de volgende tuchtstraffen oplopen : 1° de terechtwijzing;2° de blaam;3° de inhouding van wedde;4° de schorsing bij tuchtmaatregel;5° de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel;6° de afdanking wegens zware schuld. Indien het een docent of leraar godsdienst betreft, kan de tuchtstraf slechts op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien die instantie bestaat, of met haar toestemming op voordracht van de inrichtende macht opgelegd worden. Artikel 5.54. - Procedure § 1 - De straffen worden door de inrichtende macht uitgesproken. De directeur betekent aan het personeelslid, na hem gehoord te hebben, het voorstel tot tuchtstraf per aangetekende brief, welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum. Bij de in artikel 5.53., 1° en 2°, vermelde tuchtstraffen worden het verhoor en het voorstel, in afwijking van lid 1, door het betrokken departementshoofd gevoerd resp. geformuleerd, behalve indien de departementshoofden zelf betrokken zijn. Indien de maatregel de directeur betreft, dan stelt de voorzitter van de raad van beheer de straf voor. Binnen twintig dagen na de betekening kan het personeelslid, vóór de bevoegde raad van beroep, een beroep aantekenen tegen het voorstel tot tuchtstraf. Het beroep is opschortend. § 2 - Binnen negentig dagen na de datum van ontvangst van het door het personeelslid aangetekend beroep stuurt de raad van beroep een met redenen omkleed advies aan het personeelslid en aan de inrichtende macht. § 3 - Indien het een docent of leraar godsdienst betreft, is steeds het advies van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst vereist, indien die instantie bestaat. § 4 - Ten laatste 30 dagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep deelt de inrichtende macht het personeelslid haar beslissing mede ofwel bij een gerechtsdeurwaarderexploot ofwel bij een aangetekende brief welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzendingsdatum. Zij vermeldt in voorkomend geval de redenen waarom zij het advies niet volgt. § 5 - De in de §§ 1 tot 4 vermelde procedure kan op een vastbenoemd personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld is en bij een andere inrichtende macht gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, ook gelijktijdig door beide inrichtende machten toegepast worden. Om de in het eerste lid vermelde gemeenschappelijke toepassing mogelijk te maken, informeert de inrichtende macht waarbij het personeelslid gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is schriftelijk de inrichtende macht waarbij het vastbenoemd is over de opzet om een tuchtprocedure in te stellen. De tuchtstraf kan door beide inrichtende machten of door één inrichtende macht opgelegd worden; in dit laatste geval heeft de tuchtstraf slechts tegenover deze inrichtende macht uitwerking. Artikel 5.55. - Modaliteiten m.b.t. de inhouding van wedde Een inhouding van wedde wordt opgelegd voor ten minste één maand en ten hoogste drie maanden en mag niet meer dan één vijfde van het brutobedrag van de laatste activiteitswedde of van het laatste wachtgeld bedragen. Artikel 5.56. - Modaliteiten m.b.t. de schorsing De schorsing bij tuchtmaatregel wordt uitgesproken voor ten hoogste één jaar. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet de helft van het brutobedrag van zijn laatste activiteitswedde of wachtgeld. Artikel 5.57. - Modaliteiten m.b.t. de op non-activiteitstelling De op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel mag niet minder dan één jaar en niet meer dan 5 jaar duren. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet de eerste twee jaar een wachtgeld dat gelijk is aan de helft van zijn activiteitswedde. Zonder dat dit bedrag mag worden overschreden, wordt het wachtgeld vervolgens vastgesteld op het bedrag van het pensioen dat de betrokkene zou bekomen als hij voortijdig op pensioen was gesteld. Na de helft van de duur van zijn straf mag het personeelslid erom vragen, opnieuw in het onderwijs te worden opgenomen. Artikel 5.58. - Minimumbedrag in geval van inhouding van wedde of toekenning van een wachtgeld De inhouding van wedde of de toekenning van een wachtgeld mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid minder bedraagt dan de werkloosheidsuitkering waarop het recht zou hebben in het stelsel van de maatschappelijke zekerheid voor werknemers. Artikel 5.59. - Opschorting van de tuchtprocedure Een strafprocedure schorst de tuchtprocedure op die tot dezelfde feiten betrekking heeft. De inrichtende macht beslist over de toepassing van een tuchtstraf, welk het resultaat van de strafprocedure ook mag zijn. Hoofdstuk 2. - Doorhaling van een tuchtstraf Artikel 5.60. - Doorhaling De doorhaling van een tuchtstraf geschiedt van ambtswege na een termijn waarvan de duur is vastgelegd op : 1° één jaar voor de terechtwijzing en de blaam;2° drie jaar voor de inhouding van wedde;3° vijf jaar voor de schorsing bij tuchtmaatregel;4° zeven jaar voor de op non-activiteitstelling bij tuchtmaatregel. De termijn loopt vanaf de dag waarop de tuchtstraf is uitgesproken. De tuchtstraf wordt van het dossier van het personeelslid geschrapt. ONDERTITEL 8. - Raad van beroep Artikel 5.61. - Oprichting Voor de hogeschool wordt een raad van beroep opgericht, belast met de beroepen bedoeld in de artikelen 5.12., 5.22., 5.24., 5.41., 5.50., 5.54., 5.88., en 5.102. Artikel 5.62. - Samenstelling § 1 - De raad van beroep is samengesteld uit 1° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende macht en van de representatieve vakorganisaties.Voor elke categorie zijn er evenveel plaatsvervangers als werkende leden; 2° een voorzitter en twee plaatsvervangende voorzitters;3° een secretaris en een adjunct-secretaris. De werkende leden en de plaatsvervangers van de raad van beroep worden door de Regering aangewezen op voordracht van de inrichtende macht en van de met toepassing van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten representatieve vakorganisaties. De Regering wijst de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters aan onder de magistraten in dienstactiviteit. § 2 - Het aantal leden van de raad van beroep en de duur van hun mandaat worden door de Regering bepaald. De raad telt ten minste drie werkende leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en drie werkende leden die de personeelsleden vertegenwoordigen. Artikel 5.63. - Huishoudelijk reglement De raad van beroep maakt zijn huishoudelijk reglement op, dat hij ter goedkeuring aan de Regering voorlegt. Artikel 5.64. - Wraking en ontlasting van leden Zodra een zaak voorgelegd is aan de raad van beroep, deelt de voorzitter aan het personeelslid en aan de inrichtende macht de lijst mee van de werkende leden en plaatsvervangers. Binnen 10 dagen na ontvangst van die lijst kan zowel het personeelslid als de inrichtende macht de wraking van ten hoogste drie leden aanvragen. Zij mogen evenwel niet tegelijkertijd een werkend lid en zijn plaatsvervanger wraken. Een lid mag om ontlasting verzoeken als het van oordeel is dat het ter zake morele belangen heeft of als het vreest dat zijn onpartijdigheid in twijfel kan worden getrokken. De voorzitter beslist of er al dan niet aan de aanvraag gevolg wordt gegeven. Hij kan ook een lid om dezelfde redenen ontlasten. De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de werkende leden en de plaatsvervangers mogen geen zitting hebben in een zaak die betrekking heeft op hun echtgenoot of een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad. Artikel 5.65. - Procedure Binnen 20 dagen na ontvangst van het beroep worden de partijen door de voorzitter opgeroepen. Het personeelslid en de inrichtende macht worden door de raad van beroep gehoord. Het personeelslid kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een afgevaardigde van een erkende vakorganisatie, door een advocaat of door een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de hogeschool die in dienstactiviteit, in terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat of op rust gesteld zijn. De inrichtende macht kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of door een verdediger naar keuze. De raad van beroep kan een aanvullend onderzoek bevelen en getuigen horen. Het niet-verschijnen van het personeelslid resp. zijn vertegenwoordiger of van de inrichtende macht resp. de vertegenwoordiger ervan belet in geen geval de raad van beroep uitspraak te doen. Artikel 5.66. - Aanwezigheids- en stemmenquorum De raad van beroep mag slechts geldig beraadslagen, indien ten minste twee leden die de inrichtende macht vertegenwoordigen en twee leden die de personeelsleden vertegenwoordigen, aanwezig zijn. Er moeten evenveel vertegenwoordigers van de inrichtende macht als vertegenwoordigers van het personeel aan de stemming deelnemen. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van één of meer bij loting aangewezen leden. Als het in vorig lid bedoelde aanwezigheidsquorum niet bereikt wordt, roept de voorzitter binnen vijftien dagen een nieuwe vergadering bijeen. Op die vergadering kan beslist worden, ongeacht het aantal aanwezige leden van elke groep. De vertegenwoordigers van de inrichtende macht en van de personeelsleden zijn stemgerechtigd. Het met redenen omkleed advies wordt uitgebracht na geheime stemming, bij gewone meerderheid van de stemmen. Bij staking van stemmen is die van de voorzitter beslissend. Artikel 5.67. - Mededeling van het advies Het met redenen omkleed advies van de raad van beroep wordt binnen 5 dagen na de vergadering waarop de raad zijn advies heeft uitgebracht per aangetekende brief aan de partijen medegedeeld. Artikel 5.68. - Werkingskosten en vergoedingen De werkingskosten van de raad van beroep vallen ten laste van de Gemeenschap. De Regering bepaalt het presentiegeld waarop de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters alsook de reiskostenvergoeding waarop de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters en de leden aanspraak hebben. ONDERTITEL 9. - Preventieve schorsing Artikel 5.69. - Toepassing en procedure § 1 - De preventieve schorsing is een administratieve maatregel zonder disciplinair karakter. Zij heeft de verwijdering van het personeelslid uit zijn ambt tot gevolg. In de volgende gevallen kan een personeelslid preventief geschorst worden als het belang van de dienst of van de opleidingsactiviteiten dat vereist : 1° bij strafrechtelijke vervolgingen;2° bij tuchtprocedure;3° vanaf het ogenblik waar de aangetekende brief uitwerking heeft waarmee de inrichtende macht het personeelslid daarvan verwittigt dat een onverenigbaarheid vastgesteld is;4° vanaf het ogenblik waar de aangetekende brief uitwerking heeft waarmee de inrichtende macht aan het personeelslid het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst betekent. § 2 - Vóór elke maatregel houdende preventieve schorsing wordt het personeelslid door de inrichtende macht voor een verhoor opgeroepen. De oproeping alsmede de motivering van de preventieve schorsing worden aan het personeelslid betekend ofwel per aangetekende brief welke uitwerking heeft op de derde werkdag na de verzending ervan ofwel per brief met ontvangstbewijs welke uitwerking heeft op de datum vermeld op het ontvangstbewijs. Het verhoor vindt ten vroegste plaats op de tweede werkdag na de dag waarop de oproeping uitwerking heeft. Tijdens het verhoor mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een afgevaardigde van een vakorganisatie, door een advocaat of door een verdediger gekozen onder de personeelsleden van de hogeschool die in actieve dienst, in terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat of op rust gesteld zijn. Binnen de drie werkdagen na de dag waarop het verhoor gepland is, deelt de inrichtende macht haar beslissing per aangetekende brief aan het personeelslid mede, zelfs als het personeelslid of zijn vertegenwoordiger bij het verhoor niet verschenen is; de aangetekende brief heeft uitwerking op de derde werkdag na de verzending ervan. §

§ 2

, lid 1, kan een personeelslid in de volgende gevallen onmiddellijk uit zijn ambt verwijderd worden : 1° bij zware schuld met ontdekking op heterdaad;2° wanneer de ten last van het personeelslid gestelde feiten zo ernstig zijn dat zijn aanwezigheid i

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.