← België

Decreet houdende oprichting van een autonome hogeschool

Kort samengevat

Dit decreet regelt de oprichting en werking van een autonome hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap, met een focus op hoger onderwijs en beroepsopleidingen, met name in de verpleegkunde en lerarenopleiding.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
MINISTERIE VAN DE DUITSTALIGE GEMEENSCHAP 27 JUNI 2005. - Decreet houdende oprichting van een autonome hogeschool (1) Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN EN DEFINITIES Artikel 1.1. - Toepassingsgebied Voorliggend decreet is toepasselijk op de autonome hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap, hierna « hogeschool » genoemd. Artikel 1.2. - Hoedanigheden In voorliggend decreet gelden de hoedanigheden voor beide geslachten. Artikel 1.3. - Definities Voor de toepassing van voorliggend decreet dient te worden verstaan onder : 1° opleidingsactiviteiten : de algemene benaming voor theoretische vakken, oefenzittingen, practica, laboratoria, didactische activiteiten, de aan de leerling of student individueel opgelegde werken en de stages;2° opleidingsproject : aanvullend opleidingsprogramma dat door de hogeschool wordt aangeboden en op het einde waarvan de hogeschool een attest uitreikt;3° aanvullend secundair beroepsonderwijs : overeenkomstig het koninklijk besluit van 29 juni 1984 betreffende de organisatie van het secundair onderwijs als type II gedefinieerd beroepssecundair onderwijs dat ten minste op een afgesloten zesde jaar van het in hetzelfde koninklijk besluit als type I gedefinieerd secundair onderwijs opbouwt;4° basisopleiding : opleiding aansluitend bij het secundair onderwijs, georganiseerd op het niveau van het aanvullend secundair beroepsonderwijs afdeling "verpleging" of van het hoger onderwijs van het korte type en bekrachtigd met een studiegetuigschrift;5° onderwijs op afstand : onderwijs dat bijna uitsluitend met behulp van media wordt verstrekt, waardoor de student niet aan een bepaalde plaats van onderwijsverstrekking is gebonden;6° hoger onderwijs van het korte type : onderwijs georganiseerd op het niveau van het hoger onderwijs en bestaande uit één cyclus dat het geheel van de opleidingsactiviteiten verdeeld op ten minste 3 jaar omvat; 7° competenties : bekwaamheid om efficiënt te handelen i.v.m. een reeks verwante situaties. De beheersing van deze situaties impliceert enerzijds de noodzakelijke kennis en anderzijds de vaardigheid deze kennis met het oog op het erkennen en het oplossen van werkelijke problemen te bezinnen en op het goede moment in concrete handelingen om te zetten; 8° contactonderwijs : onderwijs dat gegeven wordt in een rechtstreeks contact tussen de onderwijsverstrekker en de leerling of student, waardoor de leerling of student aan een bepaalde plaats van onderwijsverstrekking is gebonden;9° vacante betrekking : een betrekking opgericht door de inrichtende macht en die niet wordt toegewezen aan een met toepassing van voorliggend decreet vastbenoemd personeelslid en die in aanmerking wordt genomen voor een financiering door de Gemeenschap;10° portfolio : verzameling van reflecties op studie-ervaringen, van onderwijsmateriaal, van geanalyseerde notities over video-opnames, klasboek en onderricht, van berichten over de samenwerking met deskundigen enz.Het is altijd het resultaat van een lange benadering waarbij theorie en praktijk in verband met een bepaalde beroepsbekwaamheid worden geconfronteerd; 11° Parlement : het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap;12° Regering : de Regering van de Duitstalige Gemeenschap;13° inrichtende macht : rechtspersoon die in rechte verantwoordelijk is voor de oprichting, de organisatie en het bestuur van de hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap;14° titularis : personeelslid benoemd of aangewezen in een vacante betrekking;het personeelslid dat een titularis tijdelijk vervangt wordt niet als titularis van deze betrekking beschouwd; 15° bijkomend inschrijvingsgeld : geld vereist van de hogeschool en betaald door de studenten voor de aanschaffing en het gebruik van leermateriaal, voor het gebruik van de gebouwen, inrichtingen en uitrustingen alsmede voor de deelneming aan bepaalde activiteiten;16° studiegetuigschrift : de door de wet of een reglement voorgeschreven getuigschriften uitgereikt op het einde van een studiejaar of van een basis- of aanvullende opleiding;17° studiepunt : de eenheid waarin de omvang van de opleidingsactiviteiten van een bepaalde opleiding en de tijdsinvestering van de student wordt uitgedrukt overeenkomstig de op Europees vlak uniform vastgelegde norm (ETCS/European credit transfer system);18° voorbereidend jaar : jaar voor de voorbereiding op de examens afgelegd vóór de examencommissies van de Duitstalige Gemeenschap voor de uitreiking van getuigschriften buiten schoolverband.De examens zijn enerzijds het toelatingsexamen tot het aanvullend secundair beroepsonderwijs, afdeling "verpleging", en anderzijds de examens met het oog op het verkrijgen van het getuigschrift hoger secundair onderwijs; 19° voortgezette opleiding : specifieke opleidingsmaatregel die door de hogeschool wordt aangeboden en op het einde waarvan de hogeschool een attest uitreikt;20° aanvullende opleiding : opleiding verstrekt na de basisopleidingen in het hoger of universitair onderwijs en bekrachtigd met een studiegetuigschrift. TITEL II. - INHOUD EN ORGANISATIE VAN DE STUDIES ONDERTITEL 1. - Opdracht van de hogeschool Artikel 2.1. - Actieterrein en opdracht van de hogeschool In het algemeen belang dekt de activiteit van de hogeschool de opleiding van hoger onderwijs en, desgevallend, het onderzoek, o.a. in het kader van de samenwerking met de universiteiten en hogescholen in België en in het buitenland. Bovendien is ze werkzaam op het vlak van de secundaire en post-secundaire opleiding, afdeling "verpleging". De opleiding van hoger onderwijs is de hoofdzakelijke opdracht van de hogeschool. Door het aanleren en studeren bereidt de hogeschool voor op beroepsactiviteiten die de toepassing van wetenschappelijke kennis en methodes vereisen. Zij voert eveneens onderzoeks- en ontwikkelingsopdrachten en - zich ervan bewust dat ze t.o.v. de maatschappij verantwoordelijk is - bestudeert de gevolgen die de verbreiding en het gebruik van haar onderzoeksresultaten kunnen hebben. De hogeschool is van nut voor de voortgezette opleiding en neemt deel aan manifestaties terzake. Zij bevordert de voortgezette opleiding van haar personeel. Een onontbeerlijke basis voor elk opleidingswerk is de erkenning en inachtneming van de menselijke rechten, zoals gedefinieerd in de Universele verklaring van de Rechten van de Mens, uitgesproken bij de algemene verzameling van de Verenigde Naties van 10 december 1948, resp. in het Europees Verdrag over de Bescherming van de Mensenrechten en de Fundamentele Vrijheden van 4 november 1950. De hogeschool houdt rekening met de bijzondere behoeften van gehandicapte leerlingen en studenten. In haar actieterrein bevordert de hogeschool in het bijzonder de beheersing van de moedertaal en van de vreemde talen, de gezondheid, de sportbeoefening, de cultuur en de ontwikkeling van een milieubewustmaking. Bij het gebruik van haar lichamelijke goederen past ze de princiepen van de duurzame ontwikkeling toe. De hogeschool bevordert de uitwisseling met Belgische en buitenlandse universiteiten en hogescholen alsmede de internationale, inzonderheid de Europese samenwerking op het vlak van het hoger onderwijs. Zij zet de richtlijnen van het Bolognaproces om. Zij doet zich moeite om de studentenmobiliteit, vooral binnen Europa, te verbeteren, inzonderheid door maatregelen te bevorderen die de wederzijdse erkenning van studies en examenresultaten vergemakkelijken. ONDERTITEL 2. - Afdelingen en organisatie van de studies Artikel 2.2. - Departementen De hogeschool organiseert opleidingen in de volgende departementen : 1° sanitaire en verpleegkundige wetenschappen;2° opleidingswetenschappen. Artikel 2.3. - Organisatie van de studies § 1 - In princiep organiseert de hogeschool haar opleidingen als onderwijs met volledig leerplan. De student of leerling die het onderwijs met volledig leerplan bezoekt schrift zich elk school- resp. academiejaar in voor alle opleidingsactiviteiten van een volledig studiejaar resp. schooljaar, met uitzondering van alle opleidingsactiviteiten waarvoor hij eventueel een vrijstelling heeft gevraagd en verkregen. § 2 - De hogeschool heeft de mogelijkheid om haar opleidingen eveneens als onderwijs met beperkt leerplan, als onderwijs met vlottend uurrooster of als modulair onderwijs te organiseren. Zij legt de modaliteiten in het studiereglement vast. § 3 - De hogeschool kan haar opleidingen als contactonderwijs of als onderwijs op afstand organiseren. ONDERTITEL 3. - Opleidingsvormen Hoofdstuk 1. - Algemeenheden Artikel 2.4. - Opleidingsaanbod De door de hogeschool aangeboden opleidingen worden als volgt onderverdeeld : 1° basisopleidingen;2° aanvullende opleidingen;3° opleidingsprojecten;4° voortgezette opleidingen;5° voorbereidend jaar. Hoofdstuk 2. - Basisopleiding Artikel 2.5. - Algemeenheden De basisopleiding streeft naar de toe-eigening van competenties die zich baseren op wetenschappelijke kennis. De basisopleiding draagt in haar geheel tot de persoonlijkheidsontwikkeling van de mens bij en is inzonderheid gericht op de praktische toepassing van de wetenschappen, het autonoom denken alsmede op de ontwikkeling van de creativiteit en van de beroepsbekwaamheid. Artikel 2.6. - Departementen en afdelingen van de basisopleiding De hogeschool organiseert basisopleidingen in volgende departementen : 1° sanitaire en verpleegkundige wetenschappen;2° opleidingswetenschappen. De afdeling "verpleegkunde" behoort tot het departement "sanitaire en verpleegkundige wetenschappen". De basisopleiding in de afdeling "verpleegkunde" wordt met het brevet in verpleegkundige verzorging of met het diploma van bachelor in de verpleegkunde bekrachtigd. De basisopleiding in de afdeling "lerarenopleiding" wordt met het diploma van kleuteronderwijzer of lager onderwijzer bekrachtigd. De afdeling "lerarenopleiding" behoort tot het departement "opleidingswetenschappen". De basisopleiding in de afdeling "lerarenopleiding" wordt met het diploma van bachelor bekrachtigd. De personen die de overeenstemmende opleiding met succes hebben gevolgd zijn bovendien ertoe gemachtigd de beroepstitel "kleuteronderwijzer" resp. "lager onderwijzer" te dragen. Artikel 2.7. - Competenties in de afdeling "verpleegkunde" § 1 - De opleiding richt zich naar het profiel van de verpleger, zoals bepaald overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen. Het competent verpleegkundig handelen baseert op de kennis in natuurwetenschappen, in biomedische, menselijke en sociale wetenschappen, met name de verpleegkundige wetenschappen, op ethische princiepen van het beroep en op de persoonlijke ontwikkeling van de verpleger. De behendigheid en de ervaring zijn eveneens belangrijk. De basisopleiding tot verpleger wordt zodanig georganiseerd dat zij de leerling resp. student het mogelijk maakt volgende competenties te ontwikkelen : 1° op een professionele en verantwoordelijke wijze zorgen verstrekken die tot het behoud, de verbetering of het herstel van de gezondheid bijdragen alsmede handicap- of stervensbegeleiding verlenen;2° met de cliënteel - het kan om alleenstaanden met hun gezinsleden, om families of om groepen gaan - een professionele betrekking onderhouden met het oog op het zorgproject;3° de klant begeleiden in het beheren van zijn gezondheidsproblemen alsmede primaire, secundaire, tertiaire en quaternaire preventie ontwikkelen en gezondheidsrisico's eventueel voorkomen;4° het gezondheidspotentieel van het individu en van de collectiviteit bevorderen;5° reflecterend handelen en zijn beroepspraktijk beoordelen om zijn handelingen aan te passen en te conceptualiseren;6° de zorgverlening binnen het interdisciplinair team met het oog op het welzijn van de klant coördineren en als integraal voortdurend proces opvatten;7° samenwerken bij de ontwikkeling van nieuwe zorgprogramma's en bij de deelneming aan projecten inzake verpleegkundig en interdisciplinair onderzoek;8° stagiairs en collega's bij de uitvoering van de vastgelegde opdrachten en functies begeleiden en instrueren;9° een autonome rol binnen het interdisciplinair team spelen en programma's op het vlak van de gezondheidspromotie, van de preventie alsmede van de basisverzorging en de therapeutische zorgen ontwikkelen, coördineren en toepassen;10° tot het gezondheidsbeleid en -systeem bijdragen;11° de kwaliteit van de zorgverlening bewaken en bevorderen in het arbeidsveld;12° een actieve rol spelen bij de verdere ontwikkeling van het beroep en de eigen beroepsidentiteit vestigen. § 2 - De onderwijsactiviteiten die noodzakelijk zijn voor het verwerven van deze competenties steunen, in het kader van de bachelorstudie, op de volgende opleidingsgebieden : 1. verpleegkundige wetenschappen (425 lestijden) 1.1. plichtenleer, beroepsgeschiedenis, juridische aspecten van het beroep, beroepsoriëntatie en ethiek 1.2. theorieën en concepten inzake verpleegkundige zorgen 1.3. princiepen van de gezondheidszorg 1.4. princiepen van de verpleegkundige zorgen 1.5. princiepen van de verpleegkundige zorgen in de specialiteiten 1.6. communicatie en gespreksvoering m.b.t. de gezondheidszorg en de verpleegkundige zorgen 1.7. verpleegkundig onderzoek 1.8. psychologie in de gezondheidszorg en in de verpleegkunde 1.9. sociologie in de gezondheidszorg en in de verpleegkunde 1.10. invloed van godsdienst, levensbeschouwing en cultuur op de gezondheidszorg en de verpleegkunde 2. medische en biologische basiswetenschappen (390 lestijden) 2.1. anatomie, fysiologie 2.2. embryologie, erfelijkheid, verloskunde 2.3. biologie, biochemie en microbiologie 2.4. radiologie en onderzoeksmethodes 2.5. hygiëne, algemene hygiëne, beroepshygiëne 2.6. voedings- en dieetleer 2.7. farmacologie 2.8. algemene pathologie 2.9. bijzondere pathologie 3. sociale en menswetenschappen (240 lestijden) 3.1. filosofie en godsdienstkunde 3.2. algemene psychologie 3.3. algemene sociologie 3.4. antropologie 3.5. princiepen der onderwijsmethodiek 3.6. burgerlijk en sociaal recht 3.7. princiepen van het beheer en economie van de gezondheid 3.8. informatie- en communicatietechnologie 4. beroepsgerichte integratie van theorie en praktijk (1515 lestijden) 4.1. labo-onderzoeken met het oog op de reflectie over de verbinding theorie/praktijk 4.2. klinisch onderwijs in de verschillende specialiteiten van de gezondheid en van de verpleegkunde 4.3. wetenschappelijk onderzoeksgedrag en wetenschappelijke methodes, initiatie tot het onderzoek, de methodes, de basiskennis en de reflectie, eindwerk, portfolio 5. behoeftengerichte uitbreiding (200 lestijden) Lestijden naargelang de keuze van het departement, verdeeld over de opleidingsgebieden vermeld onder 1.tot 4. De vermelde lestijden zijn louter informatief gegeven. Artikel 2.8. - Competenties in de afdeling "lerarenopleiding" § 1 - De basisopleidingen tot kleuteronderwijzer en tot lager onderwijzer worden zodanig georganiseerd dat zij de student het mogelijk maken volgende competenties te ontwikkelen : 1° in het kader van de beroepsactiviteit duidelijk en correct in de onderwijstaal communiceren, zowel mondeling als schriftelijk; 2° in zijn beroepsactiviteit het spiritueel erfgoed alsmede de kritiek en de interpretatie van feiten en culturele goederen integreren en openheid t.o.v. de culturele en taaldiversiteit bevorderen; 3° naar de kinderen luisteren, zij observeren en als persoon beschouwen, door aan hun globale opleidingsbehoeften alsmede aan hun socio-culturele behoeften bewust en in partnerschap te beantwoorden, om op die wijze hun zoek naar identiteit, hun zelfstandigheid en hun zin voor verantwoordelijkheid te bevorderen; 4° de basiskennis verworven in het kader van de respectievelijke vakdisciplines, met inbegrip van de historische aspecten, van de aspecten m.b.t. de wetenschappelijke theorie en van de aspecten i.v.m. de gezondheidspromotie, steeds uitbreiden en verdiepen; 5° het ontwikkelings- en leerproces als actieve ervarings- en kennisverwerving beschouwen, waarbij de leer- en onderwijsactiviteiten duidelijke beslissingen qua doeleinden, wetensgebieden, leer- en onderwijsmethodes, evaluatie en certificatie vereisen, met inachtneming van de wettelijke verplichtingen;6° de eigen activiteit in enge samenwerking met de gezinnen, de schoolautoriteiten, de opleidingsinstellingen en culturele inrichtingen alsmede de delegaties van de Gemeenschap uitoefenen, met inachtneming van de wettelijke voorschriften;7° als persoon en in onderlinge overeenstemming met het lerarenteam aan de verwezenlijking van de opdrachten werken die dienen tot de ontplooiing en de evaluatie van de ontwikkelingsdoelen en competenties die moeten worden bereikt, met inachtneming van de individualiteit van de kinderen;8° de informatie- en communicatietechnologie gebruiken en deze integreren in de voorbereiding en begeleiding van de leer- en onderwijsactiviteiten, in het onderrichten alsmede in de eigen verdere beroepsontwikkeling;9° de beroepsidentiteit ontwikkelen en met complexiteit, onzekerheid, conflicten en nederlagen professioneel aanpakken alsmede de groependynamiek en de werkwijze van de organisaties begrijpen;10° individueel en in team over de beroepsevolutie nadenken, inzicht krijgen in de dynamiek van een verdere ontwikkeling en de ethische uitdagingen van het beroep schatten. § 2 - De opleidingsactiviteiten die noodzakelijk zijn voor het verwerven van deze competenties steunen op de volgende opleidingsgebieden : 1. verwerving van de basiskennis van het beroep (ten minste 495 lestijden) : 1.1. Duits als onderwijstaal 1.2. Frans 1.3. geschiedenis van de pedagogiek 1.4. interculturele pedagogiek 1.5. initiatie tot de "bevorderingspedagogiek" 1.6. pedagogische sociologie en geschiedenis van de school als institutie 1.7. plichtenleer en onderwijswetgeving 1.8. algemene psychologie 1.9. ontwikkelingspsychologie 1.10. leertheorie 1.11. filosofie en godsdienstkunde 1.12. informatie- en communicatietechnologie 2. wetenschappelijk onderzoeksgedrag en wetenschappelijke methodes (ten minste 90 lestijden) 2.1. initiatie tot het wetenschappelijk werk 2.2. basiskennis en reflectie m.b.t. de methodes 2.3. eindwerk 2.4. portfolio 3. disciplinaire/interdisciplinaire en didactische opleiding (ten minste 990 lestijden) 3.1. disciplinaire en interdisciplinaire basiskennis, met inbegrip van de epistemologische aspecten m.b.t. de activiteiten, vakken en vakgebieden vermeld in de artikelen 16 en 17 van het decreet van 26 april 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/04/1999 pub. 06/10/1999 numac 1999033086 bron ministerie van de duitstalige gemeenschap Decreet betreffende het gewoon basisonderwijs sluiten betreffende het gewoon basisonderwijs en m.b.t. de ontwikkelingsdoeleinden en sleutelbevoegdheden vermeld voor de kleuterafdeling en het lager onderwijs in het decreet van 16 november 2002 houdende vastlegging van de ontwikkelingsdoeleinden voor de kleuterafdeling en van de sleutelbevoegdheden voor het lager onderwijs en de eerste graad van het secundair onderwijs met uitzondering van het beroepssecundair onderwijs, alsmede tot wijziging van het decreet van 31 augustus 1998Relevante gevonden documenten type decreet prom. 31/08/1998 pub. 24/11/1998 numac 1998033100 bron ministerie van de duitstalige gemeenschap Decreet betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs sluiten betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs 3.2. vakdidactiek van de bovenvermelde leerstoffen, met inbegrip van de metacognitie van het gebruik van de media en van de informatie- en communicatietechnologie 3.3. algemene didactiek 4. beroepsidentiteit (ten minste 195 lestijden) 4.1. huidendaagse pedagogie 4.2. vergelijkende opleidingswetenschappen 4.3. sociale communicatie 4.4. filosofische antropologie 4.5. leerfilosofie 4.6. evaluatie 5. pedagogische bevoegdheden - reflectie over de verbinding theorie/praktijk (ten minste 600 lestijden) 5.1. labo-onderzoeken met het oog op de reflectie over de verbinding theorie/praktijk 5.2. stages in de scholen 6. opties 6.1. artistieke vorming (specialisatiecursus) 6.2. muzische vorming (specialisatiecursus) 6.3. sport (specialisatiecursus) 6.4. bevorderingspedagogiek 6.5. mediapedagogiek 6.6. katholieke godsdienst en vakdidactiek 6.7. niet-confessionele zedenleer en vakdidactiek 6.8. Frans (bijkomende cursus) en vakdidactiek 6.9. Engels De student is ertoe verplicht, binnen het aanbod 150 lestijden te volgen. Hoofdstuk 3. - Aanvullende opleiding Artikel 2.9. - Algemeenheden Met de toestemming van de Regering kan de hogeschool aanvullende opleidingen organiseren. Met het oog op de goedkeuring van de aanvullende opleiding dient de hogeschool een aanvraag bij de Regering in met volgende gegevens : 1° de toelatingsvoorwaarden, o.a. de bepaling van de vereiste studiegetuigschriften, waarbij de student ten minste houder moet zijn van een diploma van hoger onderwijs voor een aanvullende opleiding in het departement "opvoedingswetenschappen" resp. van een brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs, afdeling "verpleging" of van een diploma van hoger onderwijs in de verpleegkunde voor een aanvullende opleiding in het departement "sanitaire en verpleegkundige wetenschappen"; 2° het opleidingsprogramma, met inbegrip van de te verwerven competenties;3° de nut van de opleiding voor de arbeidsmarkt;4° de studieomvang;5° de duur, welke in geen geval vijf studiejaren mag overschrijden;6° de organisatie van de examens en de bekrachtiging van de studies;7° de vorm van het studiegetuigschrift verleend op het einde van de aanvullende opleiding; 8° de voor de verwezenlijking nodige financiële middelen, met inbegrip van het lestijdenpakket, waarbij de door de Duitstalige Gemeenschap ter beschikking gestelde middelen het bedrag van euro 100.000 niet mogen overschrijden. Hoofdstuk 4. - Opleidingsprojecten Artikel 2.10. - Algemeenheden Met de toestemming van de Regering kan de hogeschool opleidingsprojecten organiseren. Met het oog op de goedkeuring van een opleidingsproject dient de hogeschool een aanvraag bij de Regering in met volgende gegevens : 1° de toelatingsvoorwaarden, o.a. de bepaling van de vereiste studiegetuigschriften; 2° de inschrijvingstermijnen;3° het bedrag van het inschrijvingsgeld;4° het opleidingsprogramma;5° de nut van de opleiding voor de arbeidsmarkt;6° de studieomvang;7° de duur, welke in geen geval vier studiejaren mag overschrijden; 8° de voor de verwezenlijking van het project nodige financiële middelen, met inbegrip van het lestijdenpakket, waarbij de door de Duitstalige Gemeenschap ter beschikking gestelde middelen het bedrag van euro 25.000 niet mogen overschrijden. Op het einde van een opleidingsproject reikt de hogeschool een attest uit. Hoofdstuk 5. - Voortgezette opleiding Artikel 2.11. - Algemeenheden De hogeschool kan voortgezette opleidingen organiseren. Zij bepaalt de inhoud, de omvang en de duur van deze voortgezette opleidingen binnen de perken van de financiële middelen die haar overeenkomstig artikel 7.2., § 3, ter beschikking worden gesteld. Daarvoor neemt de hogeschool contact met de andere inrichtingen die in de Duitstalige Gemeenschap voortgezette opleidingen organiseren om een dubbelaanbod uit te sluiten en informeert de Regering van het resultaat van deze contacten. Hoofdstuk 6. - Voorbereidend jaar Artikel 2.12. - Algemeenheden De hogeschool organiseert een voorbereidend jaar dat voorbereidt op het toelatingsexamen tot het aanvullend secundair beroepsonderwijs, afdeling "verpleging", alsmede op de examens afgelegd met het oog op het behalen van het getuigschrift van hoger secundair onderwijs buiten schoolverband. TITEL III. - ORGANISATIE VAN DE STUDIES ONDERTITEL 1. - Toelatingsvoorwaarden Artikel 3.1. - Toelating tot de basisopleiding - lerarenopleiding Tot de basisopleiding verstrekt in de afdeling "lerarenopleiding" wordt de student toegelaten die aan volgende voorwaarden voldoet : 1° hij is houder van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs of van een diploma van hoger onderwijs of van een studiegetuigschrift dat door of krachtens een wet, een decreet, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst gelijkgesteld is; 2° hij heeft het inschrijvingsgeld bepaald in artikel 3.8. betaald. Ten laatste in de loop van het tweede academiejaar na de inwerkingtreding van voorliggend decreet legt de Regering ter goedkeuring van het Parlement de essentiële elementen van een bekwaamheids- en toelatingstest voor, uitgewerkt door de hogeschool in overleg met de Regering. Artikel 3.2. - Toelating tot de basisopleiding verpleegkunde en tot het brevet § 1 - Tot de basisopleiding verstrekt in de afdeling "verpleegkunde" wordt de student toegelaten die aan volgende voorwaarden voldoet : 1° hij is houder van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs of van een diploma van hoger onderwijs of van een studiegetuigschrift dat door of krachtens een wet, een decreet, een Europese richtlijn of een internationale overeenkomst gelijkgesteld is; 2° hij heeft het inschrijvingsgeld bepaald in artikel 3.8. betaald; 3° hij beschikt over de vereiste lichamelijke geschiktheid om aan de opleidingsactiviteiten deel te nemen, inzonderheid wat het klinisch onderwijs betreft. § 2 - In afwijking van de voorwaarde bepaald onder § 1, 1°, zijn de houders van het brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs, afdeling "verpleging", toegelaten tot de opleiding van het hoger verpleegkundig onderwijs van het korte type. § 3 - In afwijking van de voorwaarde bepaald onder § 1, 1°, zijn eveneens de studenten die enerzijds houders zijn van het brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs, afdeling "verpleging", of van een ermee gelijkgesteld studiegetuigschrift en anderzijds een beroepservaring van ten minste vijf jaar tellen, toegelaten tot een bijzondere vorm van de basisopleiding verstrekt in de afdeling "verpleegkunde". Onder beroepservaring verstaat men de effectieve beroepservaring als verpleger in het kader van een tewerkstelling met ten minste halftijdse prestaties. § 4 - Tot het eerste studiejaar van de opleiding verstrekt met het oog op het behalen van het brevet in verpleegkundige verzorging zijn alle studenten toegelaten die houders zijn van één der volgende studiekwalficaties of attesten en die het inschrijvingsgeld bepaald in artikel 3.8. hebben betaald : 1° getuigschrift van hoger secundair onderwijs;2° studiegetuigschrift van het zesde jaar van het secundair beroepsonderwijs met volledig leerplan;3° bewijs waaruit blijkt dat hij geslaagd is voor het voorbereidend examen bepaald in hoofdstuk IV van het besluit van de Regering van 13 juni 1997 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het brevet in verpleegkundige verzorging wordt toegekend;4° bewijs waaruit blijkt dat hij geslaagd is voor het voorbereidend examen bepaald in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 17 augustus 1957 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder het diploma van vroedvrouw, verpleger of verpleegster wordt toegekend;5° attest over de gelijkwaardigheid met één der bovenvermelde studiegetuigschriften of bewijzen;6° desgevallend het brevet van kinderverzorgster, verkregen vóór 30 juni 1987 of het attest over het welslagen van het 6e jaar beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan, verkregen vóór 30 juni 1985. De student is houder van een getuigschrift van goed zedelijk gedrag uitgereikt sinds minder dan drie maanden. Tot het tweede studiejaar van de opleiding verstrekt met het oog op het behalen van het brevet in verpleegkundige verzorging zijn alle studenten toegelaten die houders zijn van een attest over het welslagen van het eerste studiejaar dat leidt tot het verkrijgen van het brevet van verpleger of van verpleger - richting geestelijke gezondheid en psychiatrie -, van het diploma van gegradueerde verpleger, of van het brevet van verpleegassistent of van verpleegassistent - richting geestelijke gezondheid en psychiatrie, of het attest over de gelijkwaardigheid met één van de bovenvermelde attesten en het inschrijvingsgeld bepaald in artikel 3.8. hebben betaald. Tot het derde studiejaar van de opleiding verstrekt met het oog op het behalen van het brevet in verpleegkundige verzorging zijn alle studenten toegelaten die houders zijn van een attest over het welslagen van het tweede studiejaar dat leidt tot het verkrijgen van het brevet van verpleger of van verpleger - richting geestelijke gezondheid en psychiatrie -, van het diploma van gegradueerde verpleger, of van het brevet van verpleegassistent of van verpleegassistent - richting geestelijke gezondheid en psychiatrie, of het attest over de gelijkwaardigheid met één van de bovenvermelde attesten en het inschrijvingsgeld bepaald in artikel 3.8. hebben betaald. Artikel 3.3. - Toelating tot de aanvullende opleiding Tot een aanvullende opleiding zijn de studenten toegelaten die aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° zij zijn houders van een studiegetuigschrift dat overeenkomstig de in artikel 2.9. vermelde en door de Regering goedgekeurde aanvraag toegang verleent tot deze opleiding en voldoen aan alle andere in de goedgekeurde aanvraag bepaalde toelatingsvoorwaarden; 2° zij hebben het in artikel 3.9. bepaald inschrijvingsgeld betaald. Artikel 3.4. - Toelating tot een opleidingsproject Tot een opleidingsproject zijn de studenten toegelaten die aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° zij zijn houders van een studiegetuigschrift dat overeenkomstig de in artikel 2.10. vermelde en door de Regering goedgekeurde aanvraag toegang verleent tot deze opleiding en voldoen aan alle andere in de goedgekeurde aanvraag bepaalde toelatingsvoorwaarden; 2° zij hebben het in artikel 3.10. bepaald inschrijvingsgeld betaald. Artikel 3.5. - Toelating tot de voortgezette opleiding De hogeschool legt de toelatingsvoorwaarden vast voor elke voortgezette opleiding die ze organiseert. Artikel 3.6. - Toelating tot het voorbereidend jaar Zijn toegelaten tot het voorbereidend jaar de kandidaten die ten minste 17 jaar oud zijn of deze leeftijd ten laatste op 31 december van het jaar zullen bereiken dat het jaar voorafgaat waarin de overeenstemmende examens georganiseerd worden vóór de examencommissies van de Duitstalige Gemeenschap voor de uitreiking van getuigschriften buiten schoolverband. ONDERTITEL 2. - Inschrijving van een leerling of student Artikel 3.7. - Maximale overschrijding van de nominale duur van de gevolgde studies in het kader van de basisopleiding § 1 - De inschrijving van een student in een basisopleiding georganiseerd in het hoger onderwijs van het korte type wordt geweigerd als deze inschrijving tot gevolg heeft dat de duur van de studies meer dan het dubbel van de overeenkomstig artikel 3.25. gedefinieerde nominale duur van de betrokken opleiding bedraagt. § 2 - In afwijking van § 1 kan de Regering op basis van een door de student met redenen omklede aanvraag en van een gunstig advies van de hogeschool deze student ertoe machtigen zich in een studiejaar of een deel ervan in te schrijven, zelfs als de student daardoor het dubbel van de normale duur van de gevolgde studies overschrijdt. In afwachting van een beslissing neemt de student deel aan alle opleidingsactiviteiten. Zo niet wordt hij later niet meer als regelmatig ingeschreven student beschouwd. Artikel 3.8. - Inschrijvingsgeld voor de basisopleidingen en bijkomend inschrijvingsgeld § 1 - Elke student die een basisopleiding in het hoger onderwijs van het korte type wil bezoeken moet jaarlijks een inschrijvingsgeld betalen. Het inschrijvingsgeld beloopt euro 100. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de betaling van het inschrijvingsgeld. § 2 - De hogeschool kan een bijkomend inschrijvingsgeld vragen waarvan het bedrag euro 370 niet mag overschrijden. Artikel 3.9. - Inschrijvingsgeld voor de aanvullende opleiding en bijkomend inschrijvingsgeld § 1 - Elke student die een aanvullende opleiding wil bezoeken, moet jaarlijks een inschrijvingsgeld betalen. Het inschrijvingsgeld beloopt euro 100. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de betaling van het inschrijvingsgeld. § 2 - De hogeschool kan een bijkomend inschrijvingsgeld vragen waarvan het bedrag euro 370 niet mag overschrijden. Artikel 3.10. - Inschrijvingsgeld voor de opleidingsprojecten en bijkomend inschrijvingsgeld § 1 - Elke student die aan een opleidingsproject wenst deel te nemen, moet een inschrijvingsgeld betalen. De hogeschool bepaalt het bedrag van dit inschrijvingsgeld in de aanvraag die ze de Regering ter goedkeuring van het betrokken opleidingsproject voorlegt overeenkomstig artikel 2.10. § 2 - De hogeschool kan een bijkomend inschrijvingsgeld vragen waarvan het bedrag euro 370 niet mag overschrijden. Artikel 3.11. - Beheersing van de onderwijstaal bij de inschrijving Bij de inschrijving in een basisopleiding georganiseerd in het hoger onderwijs van het korte type bewijzen de studenten van de afdeling "verpleegkunde" de voldoende en de studenten van de afdeling "lerarenopleiding" de grondige kennis van de Duitse taal. Als bewijzen gelden degene die vermeld zijn in artikel 26 van het decreet van 19 april 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/04/2004 pub. 09/11/2004 numac 2004033080 bron ministerie van de duitstalige gemeenschap Decreet betreffende de taaloverdracht en gebruik van de talen in het onderwijs sluiten betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs. Indien een student over geen der in het eerste lid bedoelde attesten beschikt, dan heeft de hogeschool de plicht, vóór de inschrijving te onderzoeken of de student al dan niet de voldoende resp. grondige kennis van de Duitse taal heeft. Qua inhoud en competenties vervult dit examen de criteria vermeld in artikel 37 resp. 38 van het decreet van 19 april 2004Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/04/2004 pub. 09/11/2004 numac 2004033080 bron ministerie van de duitstalige gemeenschap Decreet betreffende de taaloverdracht en gebruik van de talen in het onderwijs sluiten betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs. In afwijking van de voorwaarde bepaald in het eerste lid kunnen studenten ingeschreven worden die de voldoende resp. grondige kennis van de Duitse taal niet kunnen bewijzen, voor zover ze de cursussen in het kader van een ruilprogramma met een andere hogeschool of universiteit wensen te bezoeken op basis van een dienovereenkomstige overeenkomst tussen de inrichtingen. In gerechtvaardigde gevallen kan de Regering verdere afwijkingen van de in het eerste lid vastgelegde voorwaarden toekennen. Artikel 3.12. - Regelmatig ingeschreven leerlingen en studenten De regelmatig ingeschreven leerling resp. student is een leerling resp. student die aan de toelatingsvoorwaarden voldoet en zich op tijd heeft ingeschreven overeenkomstig de procedure bepaald in het schoolreglement. De regelmatig ingeschreven leerling resp. student neemt deel aan alle opleidingsactiviteiten behalve de activiteiten waarvoor hij een vrijstelling heeft verkregen. Elke afwezigheid wordt derhalve met redenen omkleed. Over de aanneembaarheid van de rechtvaardiging beslist het departementshoofd nadat het de leerling en, voor zover de leerling minderjarig is, de persoon belast met zijn opvoeding of de student heeft gehoord. Een leerling of student die meer dan 60 halve dagen ongerechtvaardigde afwezigheid telt, wordt niet meer als regelmatig ingeschreven leerling resp. student beschouwd. De leerling of student die tijdens de stage meer dan 20 halve dagen ongerechtvaardigde afwezigheid telt, niet meer als regelmatig ingeschreven leerling resp. student beschouwd. Artikel 3.13. - Vrije leerlingen en studenten Elke niet regelmatig ingeschreven leerling of student kan door de hogeschool als vrije leerling of student toegelaten worden. Voor elk afgelegd examen wordt een deelnemingsattest uitgereikt aan de vrije leerling of student. De vrije leerling of student betaalt een inschrijvingsgeld en een bijkomend inschrijvingsgeld naar rato van de omvang der opleidingsactiviteiten waaraan hij deelneemt. ONDERTITEL 3. - School-, studie- en examenreglement Artikel 3.14. - Princiep Het school-, studie- en examenreglement wordt de leerling resp. student bij de inschrijving overhandigd. Artikel 3.15. - Inhoud van het studiereglement Voor elke aangeboden opleiding omvat het studiereglement ten minste de volgende gegevens : 1° de doeleinden en de inhoud van elke opleiding, het opleidingsprogramma en de verdeling van de opleiding in studiejaren en -cyclussen;2° de modaliteiten waaronder een onderwijsvrijstelling of een studieduurverkorting desgevallend mogelijk is;3° het aantal punten die verbonden is aan elke studiecyclus;4° de organisatie van de opleiding als contactonderwijs of onderwijs op afstand met volledig leerplan of, desgevallend, met beperkt leerplan, met vlottend uurrooster of als modulair onderwijs; 5° de procedure m.b.t. de overdracht van examencijfers; 6° de voorwaarden waaronder studenten opleidingsactiviteiten kunnen volgen en examens kunnen afleggen in andere Belgische of buitenlandse inrichtingen van het hoger onderwijs. Artikel 3.16. - Inhoud van het examenreglement In het examenreglement worden ten minste de volgende gegevens vermeld : 1° de procedure inzake vastlegging van de aard examens voor elke studiecyclus;2° het wegingscoëfficiënt van elk examen;3° de periodes waarin de examens afgelegd worden;4° de procedure inzake openbaarheid van de mondelinge en schriftelijke examens;5° de samenstelling en de werkwijze van de examencommissies;6° de procedure inzake beraadslaging en bekendmaking van de resultaten;7° de beroepsmogelijkheden tegen een beslissing van de examencommissie;de betrokken procedure voorziet in het verhoor van de student, waarbij hij zich kan laten bijstaan door een verdediger naar keuze. Artikel 3.17. - Inhoud van het schoolreglement Het schoolreglement bevat inzonderheid bepalingen over : 1° de inschrijvingsmodaliteiten, met inbegrip van de inschrijvingstermijn;2° de rechten en plichten van de leerling of student, inzonderheid wat het regelmatig schoolbezoek en de modaliteiten van de afwezigheidscontrole aangaat;3° de openingsuren van de school;4° de organisatie van het school- of academiejaar, met inbegrip van de verlof- en vakantieregeling;5° de orde- en disciplinaire maatregelen en de desbetreffende procedure. ONDERTITEL 4. - Opleidingsprogramma en studieomvang Artikel 3.18. - Opleidingsprogramma van de basisopleiding Het programma van de basisopleiding bestaat uit een coherent geheel van opleidingsactiviteiten die ertoe dienen om de competenties te verwerven die in de artikelen 2.7. en 2.8. vermeld zijn en die degene moet bezitten die een opleiding eindigt. Bij de vastlegging van de opleidingsprogramma's houdt de hogeschool rekening met de door of krachtens een wet, een decreet of een Europese richtlijn vigerende voorwaarden die de toegang tot bepaalde ambten of beroepen regelen of bepalingen over de opleiding. Artikel 3.19. - Opleidingsprogramma van de aanvullende opleiding Het programma van de aanvullende opleiding bestaat uit een coherent geheel van opleidingsactiviteiten die ertoe dienen om gedefinieerde competenties te verwerven die degene moet bezitten die een aanvullende opleiding eindigt. Bij de vastlegging van de opleidingsprogramma's houdt de hogeschool rekening met de door of krachtens een wet, een decreet of een Europese richtlijn vigerende voorwaarden die de toegang tot bepaalde ambten of beroepen regelen of bepalingen over de opleiding. Artikel 3.20. - Opleidingsprogramma van het voorbereidend jaar Het studieprogramma van het voorbereidend jaar bestaat uit een coherent geheel van opleidingsactiviteiten die ertoe dienen om de leerling op de examens voor te bereiden die hij na het voorbereidend jaar vóór de examencommissies van de Duitstalige Gemeenschap voor de uitreiking van getuigschriften buiten schoolverband zal afleggen. Artikel 3.21. - Studieomvang van de basisopleiding De studieomvang van elk studiejaar en elke onderverdeling van het opleidingsprogramma wordt door de hogeschool in studiepunten uitgedrukt. De studieomvang van elk studiejaar omvat ten minste 1440 lestijden in totaal, als opleidingsactiviteiten, eigen werk, voorbereiding van een eindwerk en van het portfolio en stemt overeen met 60 studiepunten. De gehele omvang van de basisopleiding bachelor stemt overeen met 180 studiepunten. Artikel 3.22. - Studieomvang van de aanvullende opleiding In de aanvraag die ze de Regering voorlegt met het oog op de goedkeuring van een aanvullende opleiding legt de hogeschool de studieomvang van de aanvullende opleiding vast die ze in studiepunten uitdrukt, waarbij het ten minste om 40 studiepunten moet gaan. Artikel 3.23. - Studieomvang van de opleidingsprojecten In de aanvraag die ze de Regering voorlegt met het oog op de goedkeuring van een opleidingsproject legt de hogeschool de studieomvang van het opleidingsproject vast die ze in studiepunten uitdrukt. Artikel 3.24. - Studieomvang van het voorbereidend jaar De studieomvang van het voorbereidend jaar omvat ten minste 1280 lestijden van 50 minuten. Artikel 3.25. - Duur van de basisopleiding De nominale duur van de basisopleiding beloopt drie studiejaren. Onverminderd de bepalingen vermeld in artikel 3.30. wordt niemand tot het eindexamen van de basisopleiding toegelaten, als hij niet ten minste drie academiejaren heeft besteed aan zijn studies. Artikel 3.26. - Duur van de aanvullende opleiding In de aanvraag die ze de Regering voorlegt met het oog op de goedkeuring van een aanvullende opleiding legt de hogeschool de duur van de aanvullende opleiding vast die in geen enkel geval vijf studiejaren mag overschrijden. Artikel 3.27. - Duur van de opleidingsprojecten In de aanvraag die ze de Regering voorlegt met het oog op de goedkeuring van een opleidingsproject legt de hogeschool de duur van het project vast die in geen enkel geval vier studiejaren mag overschrijden. Artikel 3.28. - Duur van de voortgezette opleidingen De hogeschool legt de duur van de voortgezette opleidingen vast. Artikel 3.29. - Duur van het voorbereidend jaar Het voorbereidend jaar dekt een schooljaar. ONDERTITEL 5. - Onderwijsvrijstelling of studieduurverkorting Artikel 3.30. - Princiep § 1 - De hogeschool kan een onderwijsvrijstelling of een studieduurverkorting toekennen aan personen die houders zijn van een studiegetuigschrift van het hoger onderwijs of ten minste voor een studiejaar in een andere opleiding van het hoger onderwijs geslaagd zijn. § 2 - De persoon die een onderwijsvrijstelling of een studieduurverkorting wenst te genieten, dient op het tijdstip van de inschrijving een schriftelijk verzoek in. Een onderwijsvrijstelling is slechts mogelijk voor vakken die hetzelfde of een vergelijkbaar onderricht als inhoud hebben en waarin de persoon reeds een examen heeft afgelegd waarvoor zij ten minste 60% van de punten heeft behaald. De hogeschool kan de persoon die een vrijstelling heeft verkregen bovendien toelaten opleidingsactiviteiten van het studiejaar volgend op hetgeen waarin zij ingeschreven is te bezoeken en de dienovereenkomstige examens af te leggen. De studieduurverkorting mag ten hoogste éénderde van de gehele duur van de gevolgde studie uitmaken, resp. ten hoogste tweederden als een persoon die houder is van het diploma van kleuteronderwijzer het diploma van lager onderwijzer wil behalen of omgekeerd. ONDERTITEL 6. - Organisatie van het school- en van het academiejaar Artikel 3.31. - Duur van het school- en van het academiejaar De Regering bepaalt het begin en het einde van het academiejaar, waarbij het jaar tussen 1 en 15 september begint en ten laatste op de eerste vrijdag van de maand juli eindigt. De Regering bepaalt het begin en het einde van het schooljaar, waarbij het jaar ten vroegste op de laatste maandag van de maand augustus begint en ten laatste op de eerste vrijdag van de maand juli eindigt. De school is tussen 180 en 184 schooldagen open. Wat het voorbereidend jaar betreft, wordt die aantal dagen met het aantal dagen verminderd die noodzakelijk zijn om aan de zittijden vóór de examencommissies van de Duitstalige Gemeenschap voor de uitreiking van getuigschriften buiten schoolverband te kunnen deelnemen. Artikel 3.32. - Schoolvrije dagen § 1 - Aan volgende dagen worden de lessen geschorst : 1° op de zaterdagen en zondagen;2° op 1 november;3° op 11 november;4° op 15 november;5° op 24, 25 en 26 december;6° op 1 januari;7° op Paasmaandag;8° op 1 mei;9° op Hemelvaartsdag;10° op Pinksterenmaandag. De Regering kan bijkomende schoolvrije dagen toekennen. De lestijden die wegens een bijkomende schoolvrije dag uitvallen worden ingehaald. De kerst- en paasvakanties duren telkens twee weken. Het ontspanningsverlof op Allerheiligen en het ontspanningsverlof in de tweede helft van het school- resp. academiejaar duren telkens een week. De Regering legt de begin- en einddatums van de vakanties en verloven, met uitzondering van het ontspanningsverlof in de tweede helft van het academiejaar waarvan de begin- en einddatums door de hogeschool bij het begin van het betrokken academiejaar vastgelegd worden. Wat de brevetopleiding en het voorbereidend jaar betreft, legt de Regering bijkomende onderwijsvrije dagen vast met inachtneming van het aantal openingsdagen vermeld in artikel 3.31., lid 2. § 2 - In afwijking van § 1 kunnen stages op onderwijsvrije dagen plaatsvinden. § 3 - In afwijking van § 1 kunnen, wat het hoger onderwijs betreft, opleidingsactiviteiten in het kader van een aanvullende opleiding of van een opleidingsproject alsmede voortgezette opleidingen ook op zaterdagen plaatsvinden. In het kader van de basisopleiding vinden de opleidingsactiviteiten slechts wegens bijzondere omstandigheden op zaterdagen plaats. ONDERTITEL 7. - Organisatie van de examens en bekrachtiging van de studies Artikel 3.33. - Basisopleiding en aanvullende opleiding § 1 - In de loop van elk school- of academiejaar organiseert de hogeschool voor alle basis- en aanvullende opleidingen telkens twee zittijden per studiejaar. Zij stelt voor alle basis- en aanvullende opleidingen telkens een examencommissie per studiejaar samen. In afwijking van het eerste lid kan de hogeschool bijkomende examenzittijden voor studenten organiseren die het onderwijs in het kader van een ruilprogramma met een andere hogeschool of universiteit volgen op basis van een dienovereenkomstige overeenkomst tussen de inrichtingen. § 2 - De examencommissie van een bepaald studiejaar mag geen student laten slagen die niet alle examens heeft afgelegd waarin het opleidingsprogramma van dit studiejaar voorziet behalve degene waarvoor hij een vrijstelling heeft verkregen. De student die tot het volgende studiejaar toegelaten wordt, moet bovendien ten minste 50% van de voor elk examen en 60% van de voor het geheel der vakken toegekende punten hebben behaald. Indien de student niet aan deze bepalingen voldoet, kan de examencommissie beslissen dat hij toch tot het hogere studiejaar wordt toegelaten. Tijdens een academiejaar mag geen student meer dan twee keer één en hetzelfde examen afleggen. § 3 - In afwijking van § 2 kan de Regering voor de brevetopleiding "verpleging" bijkomende en afwijkende modaliteiten en voorwaarden vastleggen, waarbij in geen enkel geval minder dan 50% van de voor het geheel der vakken toegekende punten mag worden behaald. De Regering legt de nadere regels voor de organisatie van de examens vast. Artikel 3.34. - Overdracht van examencijfers en voorwaardelijke overgang binnen een opleiding § 1 - Wat het hoger onderwijs van het korte type en de brevetopleiding "verpleging" betreft, kan de student - na een volledige eerste zittijd - van elk examen waarvoor hij ten minste 60% van de punten heeft behaald, voor de tweede zittijd worden vrijgesteld door de examencommissie. § 2 - De examencommissie kan de student die voor het studiejaar niet geslaagd is, toelaten de examencijfers van de examens waarvoor hij ten minste 60% van de punten heeft behaald, naar het volgende academiejaar over te dragen. De student verkrijgt een onderwijs- en examenvrijstelling. Bovendien kan de examencommissie de student toelaten opleidingsactiviteiten van het studiejaar volgend op hetgeen waarin hij is ingeschreven te bezoeken en de dienovereenkomstige examens af te leggen. De leden 1 en 2 zijn van toepassing op de brevetopleiding "verpleging". § 3 - In uitzonderlijke gevallen die te wijten zijn aan omstandigheden die in geen onmiddellijke samenhang staan met de opleidingsactiviteiten en door de examencommissie worden vastgelegd, kan de examencommissie de student die niet geslaagd is voor de examens van de tweede zittijd van een studiejaar een voorwaardelijke overgang toekennen en hem toelaten zich in het volgende studiejaar in te schrijven. Wordt het verzoek goedgekeurd, dan legt de student vóór 1 februari van het volgende academiejaar de examens af die hem door de examencommissie worden opgelegd en die betrekking hebben tot het leerstof van het voorafgaande studiejaar. Voor de betrokken student wordt de tweede zittijd verlengd totdat hij deze examens heeft afgelegd en over hem beraadslaagd wordt. Om te slagen moet de student ten minste 50 % in elk examen en ten minste 60% van de voor deze examens toegekende punten behalen. Indien de student binnen de vastgelegde termijnen niet al de examens aflegt of er niet voor slaagt, dan wordt hij weer als regelmatig ingeschreven student van het voorafgaande studiejaar beschouwd. Indien hij voor die examens slaagt, dan blijft hij beschouwd als regelmatig ingeschreven student van het studiejaar waarin hij is ingeschreven. § 4 - De Regering van de Duitstalige Gemeenschap legt alle nadere regels vast voor de overdracht van de examencijfers, de deelneming aan bepaalde opleidingsactiviteiten van het volgende studiejaar en de voorwaardelijke overgang. Artikel 3.35. - Certificatie van de basisopleiding De regelmatig ingeschreven leerling resp. student die met uitzondering van de toegekende examenvrijstelling geslaagd is voor de examens van het laatste studiejaar wordt het overeenstemmende in artikel 2.6. vermelde einddiploma van de basisopleiding uitgereikt. Op het einde van een studiejaar wordt de student die erom verzoekt een attest door de hogeschool uitgereikt met vermelding van de verzamelde studiepunten en de dienovereenkomstige inhouden. Artikel 3.36. - Certificatie van de aanvullende opleiding De regelmatig ingeschreven student die met uitzondering van de toegekende examenvrijstellingen geslaagd is voor de examens van de aanvullende opleiding wordt een studiegetuigschrift uitgereikt. Op het einde van een studiejaar wordt de student die erom verzoekt een attest door de hogeschool uitgereikt met vermelding van de verzamelde studiepunten en de dienovereenkomstige inhouden. ONDERTITEL 8. - Diploma's Artikel 3.37. - Opstellen van de diploma's De Regering van de Duitstalige Gemeenschap bepaalt de modellen van de diploma's en de voorschriften voor het opstellen ervan. Voor de diploma's die in het hoger onderwijs in het kader van een basis- of aanvullende opleiding behaald zijn, reikt de hogeschool een diplomasupplement gratis uit om de academische en professionele erkenning van de verworven kwalificatie op internationaal vlak te vergemakkelijken. Het diplomasupplement wordt overeenkomstig het model bepaald door de Regering in het Duits, het Engels en het Frans opgesteld. Artikel 3.38. - Controle § 1 - De Regering controleert of de diploma's met inachtneming van de wettelijke en reglementaire bepalingen uitgereikt werden. § 2 - De uitgereikte diploma's en dienovereenkomstige diplomasupplementen worden pas rechtsgeldig als ze na controle voorzien zijn van het daarvoor door de Regering van de Duitstalige Gemeenschap bepaald stempel. De hogeschool bewaart een afschrift van het diploma voorzien van het stempel. § 3 - In afwijking van § 2 wordt het diploma van de basisopleiding in verpleegkunde en het brevet door de Regering ondertekend en desgevallend in het dienovereenkomstige register ingeschreven krachtens de bepalingen vastgelegd door de federale Minister bevoegd inzake Gezondheid. Het diploma van de aanvullende opleiding in verpleegkunde wordt door de Regering ondertekend. Artikel 3.39. - Verlies van een diploma Bij verlies van een diploma verkrijgt de leerling of student een attest uitgereikt door de Regering en waarmee bekrachtigd wordt dat de leerling of student het diploma heeft verkregen. Dit attest heeft dezelfde waarde als het diploma. ONDERTITEL 9. - Tuchtmaatregelen Artikel 3.40. - Algemeenheden § 1 - De tijdelijke verwijdering uit de opleidingsmaatregelen en de uitsluiting uit de hogeschool zijn de enige tuchtmaatregelen. Ze worden slechts in buitengewone gevallen uitgesproken en moeten met de verweten fouten overeenkomen. § 2 - Tuchtmaatregelen worden door de directeur na overleg met het bevoegde departementshoofd uitgesproken. Artikel 3.41. - Tijdelijke verwijdering Bij tijdelijke verwijdering wordt de student uit alle opleidingsactiviteiten uitgesloten. In de loop van een academiejaar kan een student tijdens ten hoogste tijdens 10 schooldagen uit alle opleidingsactiviteiten tijdelijk uitgesloten worden. Artikel 3.42. - Procedure bij tijdelijke verwijdering en bij uitsluiting Bij een tijdelijke verwijdering voor drie schooldagen of minder moet de student gehoord worden. Een tijdelijke verwijdering voor meer dan drie schooldagen of een uitsluiting kan slechts volgens een procedure gebeuren die de volgende princiepen in acht neemt : 1° het inwinnen van een voorafgaand advies van het departementshoofd dat vooraf contact neemt met de betrokken docent;2° de student mag het tuchtdossier inzien;3° de student wordt gehoord, desgevallend in aanwezigheid van zijn raadsman;4° de genomen beslissing wordt schriftelijk met redenen omkleed en de student per aangetekende brief betekend. TITEL IV. - KWALITEITSCONTROLE Artikel 4.1. - Modaliteiten van de kwaliteitscontrole De hogeschool is onderworpen aan interne en externe kwaliteitscontroles : 1° de hogeschool bewaakt voortdurend en verantwoordelijk de kwaliteit van haar opleidings- en onderzoeksactiviteiten, door een eigene bedrijfscultuur van de evaluatie te ontwikkelen, o.a. in het kader van het management; 2° de hogeschool impliceert studenten en externe deskundigen van de beroepswereld in het proces van de interne en externe kwaliteitscontrole; 3° in aansluiting aan de op het Europees vlak vigerende vereisten evalueert de hogeschool ten minste om de vijf jaar de kwaliteit van de activiteiten m.b.t. de opleiding, het onderzoek en de voortgezette opleiding, zo veel mogelijk in samenwerking met andere Belgische en buitenlandse hogescholen, universiteiten en derde instellingen. Zij onderzoekt de mate waarin de hogeschoolstructuur, de methodes en de resultaten van de activiteiten m.b.t. de opleiding, het onderzoek en de voortgezette opleiding met de doeleinden van het opleidingsproject overeenstemmen, neemt contact met de werkgevers van de afgestudeerden en formuleert voorstellen wat de toekomstige ontwikkeling van de hogeschool betreft. De resultaten en voorstellen van deze evaluatie worden in een verslag vastgesteld en bekendgemaakt; 4° de hogeschool houdt rekening met de resultaten van de evaluatie in het kader van haar opleidingsbeleid. Artikel 4.2. - Bewaking van de kwaliteitscontrole De Regering bewaakt de kwaliteit van de hogeschool. Te dien einde 1° onderzoekt ze regelmatig de werking van de door de hogeschool uitgevoerde interne en externe kwaliteitscontrole;2° zorgt ze ervoor dat de hogeschool de resultaten van de kwaliteitsevaluatie in het kader van haar opleidingsbeleid omzet;3° informeert de hogeschool in haar jaarlijks verslag over haar kwaliteitscontrole en de door haar genomen maatregelen met het oog op de omzetting van de in het kader van de interne en externe evaluatie geboekte resultaten en geformuleerde voorstellen;4° kan ze, onverminderd de ideologische, wetenschappelijke, pedagogische en artistieke vrijheid, in door haar bepaalde studiecyclussen of opleidingsgebieden regelmatig een onderzoek laten uitvoeren om de kwaliteit van de opleidingsactiviteiten te vergelijken.Daarvoor richt de Regering een commissie van onafhankelijke deskundigen op die haar onderzoeksresultaten in een verslag vaststelt dat wordt bekendgemaakt. Indien de Regering van mening is dat de resultaten van de kwaliteitscontrole uitgevoerd door deze externe commissie laten blijken dat de kwaliteit van de activiteiten van de hogeschool m.b.t. de opleiding, het onderzoek en de voortgezette opleiding onvoldoende is, dan legt de raad van bestuur van de hogeschool binnen zes maanden na ontvangst van het advies aan de Regering een plan voor met maatregelen die de hogeschool moet nemen om de vastgestelde tekortkomingen te bestrijden. Daarna informeert de raad van bestuur van de hogeschool de Regering jaarlijks, in een gedetailleerd verslag, over de uitvoering van dit plan en over de effecten van de genomen maatregelen. Na verloop van een vierjarige termijn voert de externe commissie opnieuw een externe evaluatie uit over de kwaliteit van de verschillende activiteiten m.b.t. de opleiding, het onderzoek en de voortgezette opleiding. De resultaten worden in een verslag vastgesteld en bekendgemaakt. Komt de commissie tot de conclusie dat de kwaliteit verder onvoldoende is, dan kan de Regering de teruggave van werkingsmiddelen vorderen overeenkomstig artikel 7.10, § 2. TITEL V. - STATUUT VAN DE HOGESCHOOL ONDERTITEL 1. - Algemeenheden Artikel 5.1. - Toepassingsgebied Voorliggend titel is van toepassing op alle personeelscategorieën van de hogeschool, met uitzondering van het onderhoudspersoneel waarop uitsluitend ondertitel 15 van voorliggend titel toepasselijk is. De bepalingen van dit titel die specifiek de docenten resp. leraren godsdienst betreffen, zijn op deze personeelsleden slechts toepasselijk in het kader van de uitoefening van hun ambt als docent resp. leraar godsdienst. Artikel 5.2. - Bekwaamheidsbewijzen Voor de toepassing van voorliggend decreet zijn de bekwaamheidsbewijzen in het hoger onderwijs van het korte type degenen die als vereiste bekwaamheidsbewijzen vermeld zijn in het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurspersoneel en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch onderwijs, kunstonderwijs en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen. Voor de bekwaamheidsbewijzen in het voorbereidend jaar en in het aanvullend secundair beroepsonderwijs, afdeling "verpleging", gaat het naast de bekwaamheidsbewijzen bedoeld in vorig lid eveneens om degenen die als vereiste of voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen vermeld zijn in het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde inrichtingen voor secundair technisch en beroepsonderwijs met volledig leerplan en voor sociale promotie. Artikel 5.3. - Ambten bij de hogeschool De ambten bij de hogeschool zijn degenen die vermeld zijn in artikel 6D en E en in artikel 7 a, 3bis en 4bis, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel bij de inrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaal onderwijs van de Staat, en van de ambten der leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen en degenen die vermeld zijn in de artikelen 8.7. en …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.