📄 Wettekst
13 JULI 2023. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het
besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 24 augustus 2017Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
31/07/2007
numac
2007000663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de civiele veiligheid
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
11/04/2008
numac
2007023069
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Overheid, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest inzake de uitvoering van sommige bepalingen van het Protocol van Kyoto, afgesloten te Brussel, op 19 februari 2007
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
20/09/2007
numac
2007011398
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet houdende de instemming met het samenwerkingsakkoord van 9 februari 2007 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations
sluiten0 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp
VERSLAG AAN DE REGERING Dit ontwerpbesluit wijzigt het administratief- en bezoldigingsstatuut van het operationeel personeel van de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp (hierna "het operationele statuut").
De eerste doelstelling van deze wijziging van het operatonele statuut is uitvoering te geven aan een actueel diversiteitsbeleid. Daartoe is de voorgestelde wijziging van het statuut gebaseerd op de aanbevelingen van een audit over dit onderwerp, alsmede op de adviezen van UNIA [adviesnr. 305 van 31 maart 2022] en het IGVM [adviesnr. 2022-A/004].
In het kader van een globale denkoefening over het moederschap zijn de komende statuutwijzigingen vooral gericht op uitbreiding van de voorwaarden voor toekenning van de premie voor operationaliteit tijdens de zwangerschap en na de bevalling (artikel 351).
Daarnaast worden andere maatregelen voorgesteld om discriminatie in verband met zwangerschap op te heffen of de periode van moederschap te vergemakkelijken: - Afschaffing van artikel 191 § 3: sinds de
wet van 12 juni 2020Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/06/2020
pub.
18/06/2020
numac
2020202682
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
Wet tot wijziging van de periodes die plaatsvinden tijdens de voorbevallingsrust en in aanmerking kunnen worden genomen voor de verlenging van de nabevallingsrust
type
wet
prom.
12/06/2020
pub.
03/10/2022
numac
2022041763
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van de periodes die plaatsvinden tijdens de voorbevallingsrust en in aanmerking kunnen worden genomen voor de verlenging van de nabevallingsrust. - Duitse vertaling van uittreksels
sluiten worden alle werkonbekwaamheid of volledige werkverwijdering gelijkgesteld met periodes van arbeid. Concreet: indien deze twee types van afwezigheid voorkomen tussen de 6de en 2 de week vóór de bevalling, zullen ze het recht op moederschapsverlof niet meer verminderen [art 91]; - Verduidelijking van het artikel 198 § 3 m.b.t. de borstvoedingspauze voor operationele werkregelingen (art 93); - Artikel 225/2: Ziekteverlof dat wordt toegekend om medische redenen die rechtstreeks verband houden met de zwangerschap, wordt niet in mindering gebracht op het ziekteverlofkapitaal [art 95].
Tot slot moet worden vermeld dat het verlof na de bevalling van de echtgenote of van de samenwonende partner van het personeelslid op het ogenblik van de gebeurtenis wordt aangepast tot vijftien dagen vanaf 1 januari 2021 en tot twintig dagen vanaf 1 januari 2023), naar analogie met wat de
wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
03/07/2008
numac
2008000527
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
type
wet
prom.
03/07/1978
pub.
12/03/2009
numac
2009000158
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
sluiten betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt ten aanzien van gecontracteerde werknemers (art. 30 § 2).
Om de DBDMH meer inclusief te maken, is de tuchtprocedure opnieuw ontworpen om maximale onpartijdigheid te waarborgen.
Wat het statuut zijn de belangrijkste wijzigingen de volgende: - wijziging van de gezagsdragers die over de straf moeten beslissen: o voorstel van straf: officier-dienstchef; o definitieve sanctie: disciplinaire commissie; - wijziging van bepaalde termijnen om het vervolgde personeelslid in de gelegenheid te stellen een nota met opmerkingen in te dienen naar aanleiding van het door de tuchtoverheid opgestelde tuchtverslag.
Naast de procedurekwesties, zijn ook de straffen en de administratieve gevolgen daarvan herzien of verduidelijkt.
De tweede doelstelling van deze wijziging van het statuut van het operationele personeel van de DBDMH is de verbetering van talrijke procedures (stage, bevordering, mutatie, reaffectatie, disciplinair...) in verband met de in de praktijk vastgestelde moeilijkheden.
De derde doelstelling van deze wijziging is het statuut aan te passen aan het
koninklijk besluit van 19 april 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/04/2014
pub.
01/10/2014
numac
2014000409
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones
sluiten betreffende het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones (hierna "federaal statuut") dat van toepassing is hetzij krachtens de algemene beginselen bepaald in artikel 306 van dat statuut, hetzij op basis van het
samenwerkingsakkoord van 27 maart 2017Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
31/07/2007
numac
2007000663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de civiele veiligheid
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
11/04/2008
numac
2007023069
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Overheid, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest inzake de uitvoering van sommige bepalingen van het Protocol van Kyoto, afgesloten te Brussel, op 19 februari 2007
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
20/09/2007
numac
2007011398
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet houdende de instemming met het samenwerkingsakkoord van 9 februari 2007 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations
sluiten2 tot uitvoering van artikel 306 § 2, van het
koninklijk besluit van 19 april 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/04/2014
pub.
01/10/2014
numac
2014000409
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones
sluiten betreffende het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones, met name wat de aanwervingsprocedure betreft (artikelen 13, 14, 18).
Een belangrijke verandering die indirect verband houdt met het federaal statuut zal ook worden belicht. Een niveauverandering is voorzien voor de graden van sergeant, sergeant-majoor en adjudant, historisch gezien van C- naar B-niveau. Het C-niveau beantwoordt niet langer aan het soort taken, noch aan de voorwaarden om op dit niveau te worden aangeworven. De federale regelgeving vereist namelijk een diploma niveau B om als sergeant te worden aangeworven (artikel 37/1, 6° van het federaal statuut).Daarom worden in het statuut alle bepalingen die deze graden aan niveau C koppelen, gewijzigd in niveau B. Wat de bezoldiging betreft, geniet het operationeel personeel in de door de wijziging getroffen graden reeds hogere schalen dan het administratief personeel op niveau B. Deze niveauverandering brengt dus geen wijziging van de schalen met zich mee.
De vierde en laatste doelstelling van deze wijziging is het corrigeren van typfouten en het in overeenstemming brengen van de Franse en de Nederlandse versie van de tekst.
Meer bepaald vragen de volgende wijzigingen om aanvullende opmerkingen. ? Art. 1 gewijzigd door artikel 3 De wijziging in 14° van paragraaf 1 (vervanging van de woorden "operationele" en "van het hoger kader" door "personeelsleden van niveau A") houdt in dat enkel personeelsleden van niveau A van die dienst beslissingen mogen nemen en ondertekenen, maar mag niet impliceren dat die dienst uitsluitend uit personeelsleden van niveau A bestaat. ? Art. 7/1 toegevoegd door artikel 9 Er wordt een bepaling ingevoegd die duidelijk maakt wie bevoegd is om functiebeschrijvingen goed te keuren. De bevoegde autoriteit is de directeur-generaal naar het voorbeeld van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 betreffende het administratief en geldelijk statuut van de personeelsleden van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (hierna " algemeen statuut"), zodat voor de operationele en administratieve personeelsleden dezelfde procedure geldt. ? Art. 7/2 toegevoegd door artikel 10 Het statuut bepaalt nu duidelijk dat de raad van bestuur de keuze van de procedure voor het vervullen van een vacature moet goedkeuren. Dit zal de procedure harmoniseren en zorgen voor samenhang bij de uitvoering van het personeelsplan. ? Art 8 gewijzigd door artikel 11 De wijziging van het vijfde lid strekt ertoe te verduidelijken dat de bevoegdheden die aan de administratieve coördinator kunnen worden gedelegeerd, uitsluitend administratieve bevoegdheden zijn als bedoeld in artikel 6bis van de ordonnantie houdende organisatie van de DBDMH, en geen operationele bevoegdheden.
Voorts wordt verduidelijkt dat de delegatie van bevoegdheden hetzij aan de adjunct-directeur-generaal, hetzij aan de administratieve coördinator kan geschieden, en niet cumulatief zoals de vorige formulering deed vermoeden.
De wijziging van het zesde lid maakt het mogelijk de officier-tweede in bevel gelijk te stellen met de zonecommandant, zoals bepaald in de federale regelgeving. Deze verduidelijking leidt niet tot een wijziging vanuit beheersoogpunt (
besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 24 augustus 2017Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
31/07/2007
numac
2007000663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de civiele veiligheid
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
11/04/2008
numac
2007023069
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Overheid, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest inzake de uitvoering van sommige bepalingen van het Protocol van Kyoto, afgesloten te Brussel, op 19 februari 2007
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
20/09/2007
numac
2007011398
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet houdende de instemming met het samenwerkingsakkoord van 9 februari 2007 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations
sluiten0 tot vaststelling, in de Dienst Brandweer en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de delegaties van bevoegdheden en ondertekeningsvolmachten aan de directeur-generaal en aan de adjunct-directeur-generaal, de modaliteiten van het advies van de administratieve coördinator in de materies die onder zijn bevoegdheid vallen en houdende diverse bepalingen (Verordening van 4 maart 1999 tot vaststelling van de regels voor de werking van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, artikel 3) wanneer dit reglement voorziet in de vervanging van functies. Anderzijds maakt deze verduidelijking het mogelijk dat de officier-tweede in bevel kan profiteren van de bepalingen voor de zonecommandant (met name wat betreft opleiding of gelijkwaardigheid) in de federale regelgeving, die geen rekening houdt met de in Brussel opgelegde dubbele leiding.
Artikel 17 § 6 van de
wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
31/07/2007
numac
2007000663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de civiele veiligheid
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
11/04/2008
numac
2007023069
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Overheid, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest inzake de uitvoering van sommige bepalingen van het Protocol van Kyoto, afgesloten te Brussel, op 19 februari 2007
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
20/09/2007
numac
2007011398
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet houdende de instemming met het samenwerkingsakkoord van 9 februari 2007 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations
sluiten betreffende de civiele veiligheid bepaalt dat "De term "zonecommandant" wordt begrepen als een verwijzing naar het bevoegde orgaan van de brandweerdienst en de dringende medische hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest overeenkomstig de Brusselse gewestelijke reglementering (...)".
De federale overheid verwijst daarom naar het Gewest om de bevoegde autoriteit aan te duiden - met betrekking tot de specifieke organisatie van de DBDMH - om de functies van zonecommandant uit te oefenen.
Gezien de verwisseling van de functies (operationeel en administratief) tussen directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal - uniek bij de DBDMH - is het gerechtvaardigd om de commandant tweede in bevel gelijk te stellen met de zonecommandant voor de toepassing van de federale regelgevingen bij de DBDMH. ? Art. 16 gewijzigd door artikel 17 Door te toetsen of de kandidaat aan de functiebeschrijving voldoet, voorkomt de functioneel bevoegde minister directe en indirecte discriminatie. Het advies van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen nr. 2019-A/003 kan hiervoor als basis dienen. Bij de toetsing van de conformiteit van de kandidaat voor de DBDMH zorgt de minister er functioneel voor dat er objectieve toetsen worden afgenomen, bijvoorbeeld over de kennis van de DBDMH als zodanig, de Brusselse instellingen of de regionale topografie. ? Art. 17 gewijzigd door artikel 18 Het spreekt vanzelf dat indien de functioneel bevoegde minister niet bepaalt hoeveel geslaagden tot de reserve worden toegelaten, alle geslaagden tot de reserve worden toegelaten. ? Art. 20 vervangen door artikel 20 Tussen het slagen voor de fysieke tests bij aanwerving en de toelating tot de stage kan enkele jaren liggen. Deze bepaling biedt derhalve de mogelijkheid om vóór het begin van de stage een fysieke test te organiseren om ervoor te zorgen dat de geslaagde kandidaten in voldoende goede fysieke conditie zijn om aan de stage te beginnen. Het is niet de bedoeling succesvolle laureaten uit te sluiten; daarom komen de fysieke tests overeen met die welke zij reeds hebben moeten afleggen om het federaal geschiktheidsattest te verkrijgen. Bovendien voorziet de wijziging, om te zware gevolgen in geval van fysieke problemen te voorkomen, nu in een tweede kans in geval van falen van de proeven door de laureaten toe te staan opnieuw tot de reserve toe te treden in plaats van uit het statuut van stagiair te worden verwijderd, zodat hij een kans behoudt om nadien tot de DBDMH toe te treden. In geval van een nieuwe of ongerechtvaardigde afwezigheid wordt de laureaat evenwel uitgesloten van de reserve. ? Art. 21 gewijzigd door artikel 21 Artikel 21 is om diverse redenen gewijzigd. Ten eerste wordt duidelijk gesteld dat de interne opleiding deel uitmaakt van de aanwervingsstage.
Vervolgens bepaalt het tweede lid van paragraaf 1 dat de termijn van drie jaar ingaat vanaf het begin van de opleiding voor een van de in lid 1 bedoelde brevetten. Indien een stagiair reeds houder is van een badge DGH of van het brevet B01 op het ogenblik van zijn aanwerving, wordt zijn opleiding aangepast en kan het beginpunt van de drie jaar anders worden geteld.
Tevens wordt er een derde lid ingevoerd om de lacune weg te werken die er was wanneer stagiairs reeds in het bezit waren van het brevet bedoeld in artikel 39, derde lid van het federaal statuut (B01 of OFF1). In dit geval was de einddatum van hun stage moeilijk vast te pinnen. Om hier duidelijkheid over te verschaffen werd er gekozen om in te voegen dat de stage van deze stagiairs eindigt één jaar na de datum waarop dit brevet uitgereikt wordt aan de stagiairs van dezelfde lichting die het brevet bedoeld in artikel 39, derde lid van het federaal statuut, nog dienden te behalen en die geslaagd zijn bij de eerste examensessie.
Tot slot heeft de wijziging van de derde paragraaf tot doel te verduidelijken hoe periodes die een verlenging van de stage tot gevolg hebben, worden meegeteld.
Ter herinnering, bepaalde soorten verlof, die als rechten worden beschouwd, leiden niet tot een verlenging van de stage en vertragen de benoeming van de stagiair dus niet. Deze bepaling heeft dus tot doel te voorkomen dat rechten een negatieve invloed zouden hebben op de loopbaan van het personeelslid.
Er moet echter een evenwicht worden gevonden, aangezien de aanwervingsstage bij de DBDMH een aantal brevetten omvat die moeten worden behaald en examens waarvoor men moet slagen. Als gevolg hiervan kunnen lange verlofperiodes het goede verloop van de stage aanzienlijk bemoeilijken en de kans op slagen voor de stage in gevaar brengen als de duur van de stage niet wordt verlengd. De stagiair zou veel minder tijd hebben om zich voor te bereiden.
Om deze reden werd, ondanks de aanbeveling van het IGVM, beslist om het zwangerschaps- en moederschapsverlof niet op te nemen in de verloven die de stage niet schorsen. Het staat vast dat deze verloven tot gevolg hebben dat de stageperiode wordt verlengd. Door de stage niet op te schorten, lopen de betrokken vrouwen echter het risico in een zeer gecompliceerde situatie terecht te komen om alle nodige examens voor benoeming af te leggen. Overigens heeft de verlenging van de stage geen gevolgen voor de administratieve of geldelijke loopbaan, aangezien de stageperiodes worden gelijkgesteld met de anciënniteit in de aanwervingsgraad vanaf het ogenblik van benoeming.
In antwoord op de opmerking van de Raad van State over omstandigheidsverlof, moet erop worden gewezen dat de duur van dit verlof niet van dien aard is dat de slaagkansen van de stagiairs die hier van zouden genieten, in het gedrang komen. Daarom werd beslist staande te houden dat dit omstandigheidsverlof de opleidingsperiode niet opschort, met uitzondering van het verlof naar aanleiding van de bevalling van de echtgenote of van de co-ouder voor kinderen waarvan de afstamming te hunnen aanzien is vastgesteld of van de samenwonende partner van de ambtenaar op het ogenblik van de gebeurtenis, aangezien dit omstandigheidsverlof sinds 2023 een duur van 20 dagen telt, dewelke toch aanzienlijk meer is dan de andere omstandigheidsverloven (die maximum tien dagen tellen).
Om dezelfde redenen gelden deze opmerkingen over de opschorting van de stage ook voor de bevorderingsstage (artikel 66) en de mobiliteitsstage (artikel 128). ? Art. 22 gewijzigd door artikel 22 Het statuut voorzag reeds dat de theoretische en praktische opleiding uiteengezet wordt in het stagereglement, maar dit reglement bevat belangrijke details van de opleidingen, cruciale gedragsregels en afspraken die nageleefd moeten worden door de stagiair. Om dit stagereglement daadkrachtig te laten zijn is een validatie door de directieraad aangewezen en werd de eerste paragraaf in die zin aangevuld.
De tweede paragraaf werd uitgebreid met een detaillering over de kosten voor het behalen van het rijbewijs C of C1. Het risico bestond immers dat de kosten buitensporige proporties zouden aannemen en om discussies te vermijden werd er duidelijkheid verschaft over het aantal examenkansen (i.e. twee) per examenonderdeel die ten laste worden genomen, met extra verduidelijking welke vorm van praktisch rijexamen, zijnde met vrije begeleider, wordt beoogd. ? Art. 23 vervangen door artikel 23 De verantwoordelijke van een stagiair tijdens de opleiding is de stagemeester. In praktijk zien we dat de stagemeester nood heeft aan bijstand en om hieraan tegemoet te komen werd de verantwoordelijke voor de rekruten in het leven geroepen. Ook het diensthoofd van de dienst Instructie heeft een belangrijke ondersteunende functie tijdens de opleiding van de stagiair. Gelet op de reeds hoge werklast van de officier-dienstchef werd er dan ook voor gekozen om zijn betrokkenheid tijdens de opleiding op te heffen.
De verantwoordelijke voor de rekruten staat in voor de dagelijkse opvolging en beheer van de rekruten en is de directe leidinggevende van de rekruten tijdens de volledige duur van de basisopleiding. Het diensthoofd van de dienst Instructie biedt (administratieve) ondersteuning aan de stagemeester en is eveneens een mogelijk aanspreekpunt voor de stagiair.
Om verwarring omtrent de termen `stagiair' en `rekruut' weg te werken werd er een verduidelijkend lid toegevoegd aan art. 23 omtrent de term `rekruut': tijdens de stageperiode is men steeds stagiair, maar tijdens de basisopleiding wordt de stagiair `rekruut' genoemd. ? Art. 25 vervangen door artikel 24 Ten gevolge van de wijziging die doorgevoerd werd in artikel 23, worden de rollen van de stagemeester, de verantwoordelijke van de rekruten en het diensthoofd van de dienst Instructie uiteengezet en verduidelijkt in artikel 25 §§ 1-3.
Om de poel van mogelijke stagemeesters groter te maken en de hoge werklast van de officiers tegemoet te komen, werd de vereiste rang om de functie van stagemeester te bekleden verlaagd naar korporaal, maar met behoud van 6 jaar dienstanciënniteit als aanstellingsvoorwaarde.
Tot slot wordt er in paragraaf 5 van dit artikel ook expliciet verwezen naar het stagereglement, zodat er geen discussie kan zijn over het feit dat de statutaire bepalingen samen gelezen dienen te worden met het stagereglement. ? Art. 26 gewijzigd door artikel 25 In de praktijk werd vastgesteld dat het individueel functiegesprek een enorme werklast met zich meebracht voor de stagemeesters, gelet op het feit dat de stagiairs in grote getale starten op dezelfde datum.
Daarenboven heeft de praktijk uitgewezen dat de stagemeester tijdens het functiegesprek telkens opnieuw dezelfde informatie dient mee te delen aan de stagiair en dat er een beperkte input kwam van stagiairs tijdens deze individuele gesprekken. Om deze reden is het pragmatischer om de te behalen doelstellingen en evaluatie-elementen in een klassikale informatiesessie aan bod te laten komen, met daarbij nog altijd de mogelijkheid om een individueel functiegesprek te hebben, indien de stagiair dit zou wensen. In dergelijk geval dient de stagiair dergelijk gesprek louter aan te vragen. ? Art. 27 gewijzigd door artikel 26 Gelet op het feit dat een stagiair verschillende lessen dient te volgen en praktijkervaring opdoet in verschillende diensten en compagnieën, staat hij niet steeds rechtstreeks onder het gezag van de stagemeester tijdens zijn stage. De stagiair zal aldus beoordeeld worden door lesgevers en hiërarchische meerderen die hij doorheen de stage tegenkomt en op basis van de informatie die deze lesgevers en hiërarchische meerderen aanleveren aan de stagemeester, kan de stagemeester overgaan tot opmaak van stageverslagen, die vervolgens gehanteerd worden tijdens het evaluatiegesprek dat plaatsvindt tussen de stagiair en de verantwoordelijke van de rekruten. Indien het stageverslag de vermelding `te verbeteren' of `onvoldoende' bevat of indien de stagiair dit wenst, zal de stagemeester ook aanwezig zijn bij het evaluatiegesprek om objectiviteit te garanderen. Om deze redenen werd de eerste paragraaf van artikel 27 gewijzigd.
Ook paragraaf 2 kreeg nog een belangrijke toevoeging, zijnde een concrete termijn voor de stagiair om zijn opmerkingen mee te delen na het ontvangen van een stageverslag. Voorheen leek artikel 27, § 2 te suggereren dat de stagiair onmiddellijk zijn opmerkingen diende te geven, maar de stagiair dient de kans te krijgen een onderbouwde repliek te geven op de inhoud van een stageverslag en vandaar is de toevoeging van de termijn van zeven dagen opportuun. ? Art. 28 gewijzigd door artikel 27 In de praktijk werd reeds de meer logische werkwijze gehanteerd dat de stagiair eerst gehoord werd door de stagemeester alvorens het eindverslag van de stage werd opgemaakt. Om deze reden werd het eerste lid van artikel 28 aangepast.
Daarnaast werd er ook een nieuw tweede lid ingevoegd om de betrokkenheid van de verantwoordelijke van de rekruten tijdens het gesprek op het einde van stage te waarborgen, indien dit gewenst is door de stagiair. ? Art. 30 gewijzigd door artikel 28 Gelet op het feit dat de stagecommissie belangrijke beslissingen neemt in het kader van de beroepsloopbaan van een persoon, is het aangewezen dat er een huishoudelijk reglement wordt opgemaakt om de werking van de stagecommissie en de procedure op een degelijke wijze te regelen.
Ook hier is het van belang dat de Directieraad zijn goedkeuring geeft omtrent dit huishoudelijk reglement, zodat de stagecommissie kan terugvallen op een goedgekeurd kader voor de behandeling van de procedures. Om deze redenen werd lid 2 toegevoegd aan artikel 30.
Tevens werd er een nieuw zesde lid ingevoegd om de onafhankelijk en onpartijdigheid binnen de stagecommissie te garanderen: geen enkel lid van de commissie mag een persoon zijn tegen wie een klacht werd ingediend door de stagiair.
In dit nieuwe lid worden klachten bij de volgende interne en externe instanties beoogd (indicatieve lijst): - de politie; - het parket; - de onderzoeksrechter; - de rechtbank; - de externe dienst voor preventie en bescherming op het werken; - de interne klachtendienst van de DBDMH; - de operationeel HRM-dienst (via een informatierapport); - een ombudsdienst.
De klacht moet ingediend zijn vóór het indienen van het beroep en moet in onderzoek zijn of erkend zijn als ontvankelijk en gegrond door een rechterlijke beslissing, door een tuchtrechtelijke beslissing of in een verslag van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk.
Er werd voor gekozen om een lid van de commissie te kunnen wraken indien er vóór het indienen van het beroep een klacht tegen desbetreffend lid werd ingediend, omdat we willen vermijden dat klachten ingediend zouden worden terwijl de beroepsprocedure loopt en de stagecommissie opnieuw zou moeten veranderen van samenstelling, waardoor de beroepsprocedure opnieuw zou moeten worden overgedaan. Er dient vermeden te worden dat klachten worden gebruikt om het goede en vlotte verloop van een beroepsprocedure te verhinderen. ? Art. 33 vervangen door artikel 30 Het artikel werd onderverdeeld in paragrafen en de eerste paragraaf voorziet dat de stagemeester, de verantwoordelijke voor de rekruten en het diensthoofd van de dienst Instructie gehoord worden. In de praktijk merkte de stagecommissie immers op dat het enkel horen van de stagemeester te beperkend was. Gelet op het feit dat stagemeester door de wijziging van artikel 23 bij de opvolging van de stage eveneens wordt bijgestaan door de verantwoordelijke voor de rekruten en het diensthoofd van de dienst Instructie, is het van belang om ook deze personen te horen in het kader van een procedure voor de stagecommissie. Daarnaast is het horen van deze personen niet langer optioneel, aangezien deze personen een belangrijke rol spelen tijdens de stage en hun relaas cruciaal is voor de beoordeling van het dossier.
Er werd tevens een tweede paragraaf toegevoegd om de stagecommissie de mogelijkheid te bieden ook nog andere personen te horen die zijn relevant achten voor het begrijpen van het dossier. Zoals reeds hierboven toegelicht bij artikel 27 zijn er tal van lesgevers en hiërarchische meerderen die het pad van de stagiair kruisen doorheen de stage en die ook nuttige informatie kunnen geven. Evenals zouden medestagiairs of andere getuigen nuttige informatie kunnen bieden. Het horen van personen op basis van deze tweede paragraaf is evenwel optioneel, aangezien de stagecommissie hieromtrent nog enige beoordelingsvrijheid dient te behouden.
Tot slot is er nog de toevoeging van een derde paragraaf om de stagecommissie de mogelijkheid te bieden een administratieve ondersteuning te verzoeken. In de praktijk werd immers vastgesteld dat sommige dossiers wat meer juridische ondersteuning kunnen gebruiken of dat de opmaak van notulen beter wordt uitbesteed aan een administratief personeelslid. De concrete regels omtrent de administratieve ondersteuning worden neergeschreven in het huishoudelijk reglement van de stagecommissie. ? Art. 35 gewijzigd door artikel 32 Het stagedossier is een cruciaal document in de beoordeling van de stage en dient dus eveneens een beoordelingselement te zijn indien over een beroep wordt beslist door de directieraad. Om deze reden werd het stagedossier toegevoegd in het eerste lid van artikel 35.
Ook om discussies over termijnen te vermijden werd er in het eerste lid verduidelijkt dat de termijn van twee maanden begint te lopen vanaf de datum van het advies van de stagecommissie en niet vanaf de ontvangst.
Tevens is uit de praktijk gebleken dat een lid van de stagecommissie evenzeer lid kan zijn van de Directieraad en ten gevolge hiervan kan er een vermoeden van partijdigheid of belangenvermenging opduiken.
Dergelijk vermoeden wordt weggewerkt door de toevoeging van het nieuwe tweede lid van artikel 35: een lid van de Directieraad dat ook deel uitmaakte van de stagecommissie neemt niet deel aan het voorstel.
Tot slot werd er in het laatste lid van artikel 35 toegevoegd dat de stagiair in het bezit zal worden gesteld van de beslissing van de benoemende overheid, het voorstel van de Directieraad en het advies van de stagecommissie, teneinde zo transparant mogelijk te zijn naar de stagiair toe. ? Art. 37/1 toegevoegd door artikel 33 Dat de hoedanigheid van stagiair behouden blijft tot de datum waarop een definitieve beslissing over de benoeming of ontslag wordt genomen stond voorheen in artikel 21, § 3, derde lid. Echter is het adequater om de hoedanigheid van de stagiair in huidig artikel 37/1 te regelen. ? Art. 38 gewijzigd door artikel 34 Er werd een nieuw tweede lid ingevoegd bij artikel 38 om een oplossing te bieden voor het probleem dat een stage niet voortijdig beëindigd kon worden terwijl een stagiair alle examenkansen van zijn theoretische en praktische opleiding reeds, zonder succes, had benut.
Om uit deze impasse te geraken werd in het tweede lid voorzien dat een stagiair voor het einde van de stage een voorstel tot afdanking kan krijgen indien alle examenkansen werden benut, maar de stagiair niet geslaagd is.
De term "kan betekenen" is bewust gekozen om de operationeel HRM-dienst een discretionaire bevoegdheid te geven, zodat er toch rekening kan worden gehouden met onvoorziene omstandigheden of de bijzonderheden van een bepaald geval. Uit ervaring hebben we al geconstateerd dat een stagiair zich wel degelijk kan herpakken, zelfs na twee tussentijdse stageverslagen met een evaluatie "onvoldoende".
Een laatste kans bieden moet een optie blijven van de operationeel HRM-dienst. ? Art. 39 gewijzigd door artikel 35 In het vierde lid werd een concrete termijn toegevoegd voor het opmaken van het verslag na afloop van de hoorzitting. Voorheen moest de benoemende overheid al beslissen binnen vijf werkdagen na de hoorzitting en diende de stagemeester tussen de hoorzitting en de definitieve beslissing een verslag op te maken, zonder vermelding van een duidelijke termijn. Door de wijzigingen in het vierde lid en het laatste lid van artikel 39 is er nu een duidelijke en haalbare tijdlijn: de stagemeester maakt, in overleg met de operationeel HRM-dienst een verslag op binnen 5 werkdagen na de hoorzitting.
Vervolgens gaat de benoemende overheid over tot het nemen van een definitieve beslissing, binnen vijf werkdagen na de opmaak van het verslag. ? Art 47 gewijzigd door artikel 41 Deze wijziging beoogt het volgende te verduidelijken: - De vacature wordt alleen ter kennis gebracht van personeelsleden die op de uiterste datum voor de indiening van sollicitaties aan de voorwaarden voor bevordering kunnen voldoen, uiteraard met uitzondering van het slagen voor het bevorderingsexamen; - De oproep hoeft niet langer te vermelden of de procedure een reserve toestaat, deze mogelijkheid tot het creëren van een reserve wordt aan het einde van de bevorderingsprocedure benut afhankelijk van de behoeften van de dienst. Bevorderingsprocedures kunnen enige tijd in beslag nemen, afhankelijk van het aantal kandidaten; gedurende deze tijd kunnen de operationele vereisten veranderen. Het is daarom zinvoller om aan het einde van de procedure een beslissing te nemen over de vorming van de reserve. Indien er een bevorderingsreserve wordt samengesteld, is de directieraad niet verplicht om deze te activeren. Hij kan de bevorderingsreserve beëindigen en een nieuwe bevorderingsprocedure starten; - Verkorting van de termijn voor de ondertekening van de dienstnota tot 4 dagen (overeenkomend met het roulement van vier dagen wachtdienst). Deze verkorting van de termijn heeft geen gevolgen omdat in geval van afwezigheid een aangetekende brief naar de betrokken personeelsleden wordt gestuurd; - Zorgen voor meer flexibiliteit bij het indienen van kandidaturen; - De vaststelling van de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen te vergemakkelijken. ? Art 51 gewijzigd door artikel 42 De bevordering tot de graad van sergeant vormt een belangrijke stap in de loopbaan van een brandweerman omdat hij overgaat van het basiskader, dat bedoeld is om interventies uit te voeren, naar het middenkader, dat als hoofdtaak heeft toezicht te houden op de basistroep en hun dagelijkse werking evenals grotere operaties te leiden. Als gevolg daarvan, moeten personeelsleden meer administratieve functies en managementfuncties uitvoeren, terwijl ze toch een sterke operationele basis behouden. Dit zijn functies waarbij ervaring bijzonder belangrijk is. De voorwaarden met betrekking tot anciënniteit, zijn overgenomen uit het statuut van 27 juni 2002. De verantwoordelijkheden van een sergeant zijn echter ontwikkeld als gevolg van de hervorming van de civiele veiligheid. Het leek daarom gepast om van kandidaten meer ervaring te eisen om geschikt te zijn voor de functie van sergeant.
De wijzigingen in de anciënniteitsvereisten voor de graden van adjudant, majoor en kolonel volgen dezelfde logica.
De overgrote meerderheid van de personeelsleden die tot deze verschillende graden worden bevorderd, voldoet al aan de nu vereiste anciënniteitsvoorwaarden. ? Art. 58 gewijzigd door artikel 46 Met deze wijziging wordt beoogd te verduidelijken wanneer aan de voorwaarden voor bevordering moet zijn voldaan om aan het bevorderingsexamen te kunnen deelnemen.
Ook wordt duidelijk gemaakt dat elke kandidaat na elke proef alleen zijn eigen resultaten ontvangt, met de mogelijkheid om feedback te krijgen.
De jurisprudentie van de Raad van State (arrest nr. 218.834 van 5 april 2012) preciseert dat de administratie haar beslissing weliswaar formeel moet motiveren, maar niet motief per motief moet motiveren.
Wanneer een minimumaantal punten vereist is om voor een examen te slagen, vormt de vermelding van de ontoereikendheid van de behaalde punten een toereikende en voldoende formele motivering.
Anderzijds moet de kandidaat, alvorens beroep in te stellen, voldoende aanvullende informatie over zijn prestaties kunnen verkrijgen om de redenen voor zijn resultaat te begrijpen. Maar deze toelichtingen mogen als zodanig niet in het dispositief van de beslissing voorkomen.
Het verzoek om feedback moet binnen 10 dagen na de kennisgeving van de resultaten worden gedaan via het in het reglement van orde genoemde communicatiekanaal of de kennisgeving van het resultaat. Deze termijn van 10 dagen wordt gerechtvaardigd door de operationele behoeften. Bij bevorderingsprocedures binnen de DBDMH kan namelijk een zeer groot aantal kandidaten betrokken zijn (soms wel honderden). Daarom is het van belang te eisen dat de feedback binnen een bepaalde termijn wordt aangevraagd, zodat de voor de organisatie van deze proeven beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk kunnen worden ingezet. ? Art. 63 gewijzigd door artikel 50 De wijziging van dit artikel schrapt het recht om de raad van bestuur aan het einde van de bevorderingsprocedure te wraken. De personeelsleden kunnen de jury nu feedback en opmerkingen geven, wat een nuttige manier is om het besluit van de jury te zijner tijd te wijzigen. Een beroep bij de raad van bestuur aan het einde van de procedure maakt daarentegen geen herplaatsing in het - op het moment van het beroep afgeronde - bevorderingswedstrijd mogelijk. Gezien het gebrek aan beoordelingsbevoegdheid van de raad van bestuur bij de toepassing van de criteria voor de vaststelling van het bevorderingsvoorstel, lijkt een beroep bovendien geen geschikt middel. ? Art. 79/1 ingevoegd door artikel 56 Er wordt een hoofdstuk over vrijwillige degradatie ingevoerd om te voorzien in de procedure voor de behandeling van een dergelijk verzoek. Bevorderingen van operationeel personeel kunnen leiden tot veranderingen in het werktempo of het soort taken die niet geschikt zijn voor het bevorderde personeel. Daarom willen personeelsleden soms terugkeren naar hun oude graad. Deze procedure van vrijwillige degradatie kan uiteraard geen middel zijn om het personeel onder druk te zetten om een tuchtprocedure te omzeilen. ? Art. 80 gewijzigd door artikel 57 Om redenen waarop de personeelsleden geen invloed hebben, kunnen de voorwaarden voor bevordering soms niet door de personeelsleden worden vervuld. Dit onvermogen om personeel tot bepaalde graden te bevorderen wanneer er plaatsen in het personeelsplan voorzien zijn, leidt tot organisatorische problemen. Om in deze behoeften te voorzien, is aanstelling in hogere functies met een afwijking van de aanstellingsvoorwaarden de beste optie. ? Art. 99 gewijzigd door artikel 65 Indien de kamer van beroep besluit een ander beoordelingscijfer toe te kennen, moet zij een van de in het statuut voor operationele personeelsleden genoemde beoordelingscijfers toekennen, en niet een van de in het algemeen statuut genoemde cijfers. De reden voor de verschillen in de evaluatiecijfers is de noodzaak om de evaluatiecijfers waarin het federale statuut voorziet te gebruiken om mobiliteit tussen personeelsleden van de DBDMH en de zones en omgekeerd mogelijk te maken. ? Art. 101 vervangen door artikel 66 De toevoeging van de verduidelijking betreffende de verandering van activiteit is bedoeld om situaties te verhelpen waarin het personeelslid niet langer kan deelnemen aan de operationele wachtdiensten, hetzij omdat hij of zij zichzelf in gevaar zou brengen, hetzij wegens fysieke of psychologische ongeschiktheid. Voorbeelden zijn situaties waarin het personeelslid verslaafd is aan alcohol of drugs, een psychische stoornis heeft, niet helder is, enz. ? Art. 108 vervangen door artikel 70 In het tweede lid, 3° van artikel 108 wordt `de HRM-verantwoordelijke' vervangen door `een lid van HRM', aangezien er zich problemen kunnen voordoen met betrekking tot taalrol en om de werklast van de HRM-verantwoordelijke te verlichten.
Er wordt eveneens een nieuw derde lid ingevoegd om te verzekeren dat de arbeidsarts en de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk worden gehoord wanneer het een wedertewerkstelling om medische onbekwaamheid betreft. Hun input is van cruciaal belang.
Daarnaast wordt ook de mogelijkheid ingevoerd om de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk te horen wanneer een wedertewerkstelling wegens operationele ongeschiktheid wordt voorgelegd aan de wedertewerkstellingscommissie, aangezien ook hier zijn input nuttig kan zijn. ? Art. 109 vervangen door artikel 71 In de praktijk werd er opgemerkt dat er geen concreet startpunt is voor de termijn waarbinnen beslist moet worden over de wedertewerkstelling door de Directieraad wanneer men geconfronteerd werd met een medische of operationele ongeschiktheid. Door de wijziging in paragraaf 1, eerste lid, werd deze lacune weggewerkt.
Daarnaast werd er opgemerkt dat een wedertewerkstelling soms onsuccesvol verliep, maar dat er geen mogelijkheid was om de persoon in kwestie eerst te laten proeven van de nieuwe tewerkstelling en werkplaats. Tevens was er geen mogelijkheid om de wedertewerkstelling te evalueren. Om hieraan tegemoet te komen werd de mogelijkheid tot het presteren van proefperiodes ingevoerd. De wedertewerkstellingscommissie kan aanbevelen dat dergelijke proefperiode wordt doorlopen met evaluatie nadien. Een proefperiode van maximaal drie maanden kan ook maximaal tweemaal worden aanbevolen en opgelegd.
Teneinde de slaagkansen van de wedertewerkstelling te bevorderen kan de directieraad beslissen dat er redelijke aanpassingen dienen te gebeuren aan de werkpost. Dit werd toegevoegd door invoeging van een nieuw derde lid.
Het vierde lid werd uitgebreid met de mogelijkheid om de wedertewerkstelling te beëindigen wanneer het personeelslid negatief beoordeeld werd tijdens de proefperiodes.
Tevens wordt op het einde van paragraaf 1 verduidelijkt wat er gebeurt indien de wedertewerkstelling niet kan plaatsvinden. In dergelijk geval wordt het personeelslid in disponibiliteit gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst.
De tweede paragraaf van artikel 109 werd eveneens gewijzigd om een duidelijk verschil aan te brengen tussen de definitieve wedertewerkstellingsbeslissing, die genomen wordt door de directieraad volgend op het advies van de wedertewerkstellingscommissie, en de tussentijdse beslissing die genomen kan worden door de officier-dienstchef wanneer hij geconfronteerd wordt met een medische of operationele ongeschiktheid, maar wanneer er een tijdelijke functie voorhanden is die toegewezen kan worden aan het personeelslid in afwachting van de advies van de wedertewerkstellingscommissie en de definitieve beslissing van de directieraad. ? Art. 109/1 toegevoegd door artikel 72 Artikel 109/1 wordt ingevoerd om de lacune weg te werken die voordien bestond over de hoedanigheid van een personeelslid die medisch of operationeel ongeschikt werd verklaard, maar ondertussen geen andere functie kan bekleden. Om hieromtrent duidelijkheid te verschaffen werd ingevoerd dat deze persoon in kwestie compensatie-uren zal opnemen en bij gebrek aan dergelijke uren zal hij dienstvrijstelling genieten tot er een wedertewerkstellingsbeslissing is. Dit kan zowel de tussentijdse beslissing van de officier-dienstchef als de definitieve beslissing van de Directieraad zijn. ? Art. 110 gewijzigd door artikel 73 Teneinde het personeelslid in staat te stellen de nieuwe functie zo goed mogelijk uit te oefenen, kan de directieraad opleggen dat het personeelslid een bijscholing volgt. Deze bijscholing is nuttiger dan het louter slagen voor een competentieproef en ook de mogelijkheid om een proefperiode te doorlopen maakt de competentieproef overbodig. Om deze reden werd de competentieproef derhalve geschrapt uit artikel 110. ? Art. 110/1 toegevoegd door artikel 74 Het wedertewerkgesteld personeelslid blijft onderworpen aan het operationele statuut en is daarom nog steeds onderworpen aan opleidingsverplichtingen. Echter, de opleidingsverplichtingen sluiten niet altijd volledig aan bij de nieuwe functie die een wedertewerkgesteld personeelslid vervult. Om derhalve hieromtrent toch enige flexibiliteit aan de dag te kunnen leggen voorziet artikel 110/1 nu dat de directieraad eveneens de opleidingsverplichtingen kan bepalen bij een wedertewerkstellingsbeslissing. ? Art. 111 gewijzigd door artikel 75 In artikel 111 werden er twee leden geschrapt: - Het tweede lid werd geschrapt omdat het beter geplaatst wordt bij de bezoldigingsregeling, zijnde in het nieuwe artikel 339/1; - Het vierde lid werd geschrapt omdat dit een vorm van terugzetting in graad is, terwijl het personeelslid niet gestraft dient te worden omwille van een wedertewerkstelling. ? Art. 117 vervangen door artikel 77 De creatie van de proefperiode in artikel 109, tweede lid, heeft ook gevolgen voor artikel 117, omdat het definitieve karakter van een wedertewerkstellingsbeslissing na vrijwillig verzoek geen afbreuk doet aan de mogelijkheid om één of meerdere proefperiodes uit te voeren. ? Art. 164 gewijzigd door artikel 83 Met deze wijziging wordt beoogd de rechten van het personeel in geval van dienstvrijstelling te verduidelijken. De premie voor operationele en onregelmatige prestaties wordt alleen uitgekeerd bij daadwerkelijke operationele prestaties, tenzij anders is bepaald, zoals in het geval van een borstvoedingspauze. Aangezien het geen premie is die aan het brandweerstatuut is verbonden, geeft de vrijstelling van dienst dus geen recht op deze premie. ? Art. 165 § 3, tweede lid, gewijzigd bij artikel 84 Artikel 84 betreft de integratie van de rechtspraak van de Raad van State.
Het herhaalt immers de verplichting van de administratie om uit te zoeken waarom het personeelslid niet aanwezig is. Zie met name het arrest nr. 217.770 van 7 februari 2012.
Wanneer een personeelslid meer dan tien dagen onregelmatig afwezig is, moet de autoriteit nagaan of het personeelslid afwezig is om redenen die hem er ook van weerhouden hebben de hiertoe aangewezen autoriteit in te lichten over de redenen van zijn afwezigheid. Voor zover zij niet heeft gewacht op de verduidelijkingen van het betrokken personeelslid, hem heeft bezocht en hem zelfs een maatschappelijk werker heeft toegestuurd om hem te helpen uit de moeilijkheden te komen waarvan zij wilde weten of deze niet de oorzaak waren van het ontbreken van een regelmatige rechtvaardiging van de afwezigheden, en voor zover belanghebbende de redenen heeft uiteengezet waarom hij voor de betrokken periode van afwezigheid geen regelmatige medisch attest heeft overgelegd, heeft de autoriteit met kennis van zaken geoordeeld.
De administratie heeft echter een ruime beoordelingsmarge met betrekking tot de gevolgen die aan een afwezigheid van meer dan tien dagen kunnen worden gegeven.
Wanneer de autoriteit beslist over een ontslag van ambtswege wegens een onregelmatige afwezigheid van meer dan tien dagen, stelt zij geen daad van juridische aard en spreekt zij zich zelfs niet uit inzake geschillen. Ze is niet verplicht om op alle argumenten van het personeelslid in te gaan, maar enkel om de redenen voor haar beslissing uiteen te zetten. De overweging volgens dewelke deze laatste zijn niet-naleving van de afwezigheidsprocedure niet geldig heeft gerechtvaardigd, volstaat op zich, vanaf het moment dat hij heeft erkend geen enkele poging te hebben ondernomen om zijn afwezigheid medisch te laten dekken, behalve door zijn psychiater bij zijn terugkeer, en dit zelfs zonder naar voren te brengen dat een andere arts had geweigerd om zijn onvermogen om zijn functies uit te oefenen te bewijzen, en waar noch het late medisch attest van de neuropsychiater, noch het verweerschrift van de vakbondspleiter, die zich beroept op een theoretische definitie van het PTSS-syndroom, de onmogelijkheid voor het personeelslid om zijn verplichtingen na te komen naar voren bracht.
Indien er ten slotte geen beroep kan worden aangetekend bij de gewestelijke kamer van beroep tegen de beslissing van het ontslag van ambtswege op grond van artikel 256, is diezelfde kamer bevoegd om zich uit te spreken over de werkelijkheid van de afwezigheden, zoals bevestigd door de Raad van State in zijn arrest nr 230684 van 27 maart 2015: Ook al voorziet het statuut niet in de mogelijkheid van aanhangigmaking bij de kamer van beroep in het kader van de procedure inzake het ontslag van ambtswege wegens werkverlating, aangezien de werkelijkheid van een dergelijke verlating impliceert dat het bewijs moet worden geleverd van de afwezigheid van het personeelslid gedurende tien dagen, kan de tegenpartij zich niet wettelijk uitspreken over het ontslag van ambtswege, terwijl de kamer van beroep zich, zij het in de vorm van een advies, moet uitspreken over de werkelijkheid van de aan de eiser verweten afwezigheden. Door ervoor te kiezen de procedure niet te schorsen in afwachting van het advies in kwestie, heeft de tegenpartij het risico genomen dat haar beoordeling met betrekking tot de werkelijkheid van de afwezigheden van de eiser in twijfel zou worden getrokken door de beroepsinstantie die zij zelf heeft ingesteld.
Het ontwerp van artikel neemt de verplichting over van de administratie om uit te zoeken waarom het personeelslid niet aanwezig is, maar behoudt de beoordelingsmarge om de door het personeelslid aangevoerde redenen van afwezigheid te beoordelen. Aan de andere kant moet de administratie de werkelijkheid van de verlengde afwezigheid rechtvaardigen en heeft het personeelslid m.b.t. de werkelijkheid van deze afwezigheid het recht om in beroep te gaan bij de gewestelijke kamer van beroep. ? Art 182 gewijzigd door artikel 88 De verlofdagen wegens omstandigheden worden in overeenstemming gebracht met Richtlijn 2019/1158 betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers. De formulering is er ook op gericht verlof toe te kennen ongeacht de burgerlijke staat of de gezinssituatie van de werknemer. ? Art 191 gewijzigd door artikel 90 De wijziging heeft tot doel het statuut in overeenstemming te brengen met de
wet van 12 juni 2020Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/06/2020
pub.
18/06/2020
numac
2020202682
bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
Wet tot wijziging van de periodes die plaatsvinden tijdens de voorbevallingsrust en in aanmerking kunnen worden genomen voor de verlenging van de nabevallingsrust
type
wet
prom.
12/06/2020
pub.
03/10/2022
numac
2022041763
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot wijziging van de periodes die plaatsvinden tijdens de voorbevallingsrust en in aanmerking kunnen worden genomen voor de verlenging van de nabevallingsrust. - Duitse vertaling van uittreksels
sluiten, die de periodes van prenatale rust die in aanmerking kunnen worden genomen voor de verlenging van de postnatale rust wijzigt.
Voortaan worden periodes van afwezigheid wegens arbeidsongeschiktheid en volledige werkverwijdering die plaatsvinden vanaf de zesde week tot en met de tweede week vóór de bevalling, gelijkgesteld met periodes van arbeid en verminderen zij niet langer het recht op zwangerschapsverlof. ? Art. 195 gewijzigd door artikel 91 Deze bepaling strekt tot een correcte omzetting van richtlijn 92/85 en van de mogelijkheden tot organisatie van de arbeidstijd zoals bepaald in de
wet van 19 april 2014Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/04/2014
pub.
23/07/2014
numac
2014000570
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot vaststelling van bepaalde aspecten van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp en tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid
type
wet
prom.
19/04/2014
pub.
30/10/2014
numac
2014000783
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot vaststelling van bepaalde aspecten van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp en tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid. - Duitse vertaling
sluiten tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de dienst brandbestrijding en medische spoedhulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en tot wijziging van de
wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
31/07/2007
numac
2007000663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de civiele veiligheid
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
11/04/2008
numac
2007023069
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Overheid, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest inzake de uitvoering van sommige bepalingen van het Protocol van Kyoto, afgesloten te Brussel, op 19 februari 2007
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
20/09/2007
numac
2007011398
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet houdende de instemming met het samenwerkingsakkoord van 9 februari 2007 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations
sluiten betreffende de civiele veiligheid (art. 14).
Paragraaf 2 van deze bepaling handelt over de termijn die de werkneemster dient te hanteren voor het informeren van de werkgever.
Dit betreft louter het informeren over de zwangerschap. Er wordt eveneens aan herinnerd dat dit ten gunste van zwangere werkneemsters moet worden uitgelegd, aangezien deze bepalingen zijn vastgesteld om hen bepaalde rechten te kunnen laten genieten. Hieruit volgt dat het niet onmiddellijk informeren van de werkgever over de zwangerschap niet wordt beschouwd als wangedrag. De werknemers wordt echter verzocht de DBDMH zo spoedig mogelijk op de hoogte te brengen, zodat passende veiligheidsmaatregelen kunnen worden genomen.
Paragraaf 3 van deze bepaling handelt over de mogelijkheid voor de werkneemster om een verzoek in te dienen teneinde niet te moeten werken tussen twintig uur en zes uur. De periodes gedurende dewelke deze aangepaste arbeidsregeling mogelijk is, zijn overgenomen uit artikel 14, eerste lid van de
wet van 19 april 2014Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
19/04/2014
pub.
23/07/2014
numac
2014000570
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot vaststelling van bepaalde aspecten van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp en tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid
type
wet
prom.
19/04/2014
pub.
30/10/2014
numac
2014000783
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot vaststelling van bepaalde aspecten van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp en tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid. - Duitse vertaling
sluiten tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de dienst brandbestrijding en medische spoedhulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en tot wijziging van de
wet van 15 mei 2007Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
31/07/2007
numac
2007000663
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de civiele veiligheid
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
11/04/2008
numac
2007023069
bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
Wet houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Overheid, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest inzake de uitvoering van sommige bepalingen van het Protocol van Kyoto, afgesloten te Brussel, op 19 februari 2007
type
wet
prom.
15/05/2007
pub.
20/09/2007
numac
2007011398
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet houdende de instemming met het samenwerkingsakkoord van 9 februari 2007 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations
sluiten betreffende de civiele veiligheid.
Deze bepaling wordt ook ten uitvoer gelegd door het arbeidsreglement, waarin de regelingen inzake arbeidstijd en arbeidsomstandigheden worden gespecificeerd om vrouwelijk operationeel personeel in staat te stellen zo lang mogelijk in een operationele dienst te blijven met waarborging van de gezondheid en de veiligheid van de werkneemster.
De procedure voor het veranderen van post is gebaseerd op de wedertewerkstellingsprocedure (zelfde commissie en beslissingsautoriteiten), met dien verstande dat de termijnen worden aangepast om ze nuttig te maken voor de situatie van de zwangere werkneemster en dat de interne dienst voor preventie en bescherming moet worden geraadpleegd.
De taak van de wedertewerkstellingscommissie is om de functiebeschrijving te valideren op basis van het advies van de arbeidsgeneeskunde, die als enige in staat is om de medische capaciteiten van de zwangere vrouw te bepalen. Informeel is er al een gesprek vooraf om ervoor te zorgen dat de zwangere vrouw vanaf het begin van het proces betrokken wordt bij haar tijdelijke taken en niet pas aan het einde van de keten via een verhoor van de wedertewerkstellingscommissie. Er wordt momenteel aan een bijlage bij het arbeidsreglement gewerkt om dit proces te formaliseren. Om de procedure niet onnodig te verzwaren, werd daarom besloten alleen te voorzien in de mogelijkheid van een verhoor en niet in een verplicht verhoor. ? Art. 259 gewijzigd door artikel 102 Het opleidingsplan kan voorzien in voorwaarden voor toelating tot de opleiding voor dienstvereisten. Voor sommige opleidingen zijn er immers te veel personeelsleden die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden van het
koninklijk besluit van 18 november 2015Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
18/11/2015
pub.
07/12/2015
numac
2015000715
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten en tot wijziging van diverse koninklijke besluiten
sluiten betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten in vergelijking met de capaciteiten van de dienst Instructie en de brandweerschool.
De criteria voor toelating tot de opleidingen mogen uiteraard niet in strijd zijn met die van het koninklijk besluit en moeten objectief en noodzakelijk zijn om aan de behoeften van …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.