📄 Wettekst
20 JULI 2005. - Wet houdende diverse bepalingen (1)
ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Algemene bepaling Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
TITEL II. - Justitie HOOFDSTUK I. - Wijziging van de
wet van 14 juni 2004Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/06/1998
pub.
13/06/1998
numac
1998000389
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten
sluiten1 betreffende de onvatbaarheid voor beslag en de onoverdraagbaarheid van de bedragen waarvan sprake is in de artikelen 1409, 1409 bis en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek wanneer die bedragen op een zichtrekening gecrediteerd zijn Art. 2.Artikel 5 van de
wet van 14 juni 2004Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/06/1998
pub.
13/06/1998
numac
1998000389
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten
sluiten1 betreffende de onvatbaarheid voor beslag en de onoverdraagbaarheid van de bedragen waarvan sprake is in de artikelen 1409, 1409bis en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek wanneer die bedragen op een zichtrekening gecrediteerd zijn, wordt vervangen als volgt : « Met uitzondering van dit artikel, treedt deze wet in werking op een door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op 1 januari 2007. » Art. 3.Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2005. HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de programmawet (I) van 24 december 2002 Art. 4.Artikel 474 van de programmawet (I) van 24 december 2002, vernietigd bij arrest nr. 106/2004 van het Arbitragehof van 16 juni 2004, wordt vervangen als volgt : « Art. 474.De bekendmaking in het Belgisch Staatsblad door het Bestuur van het Belgisch Staatsblad gebeurt in vier exemplaren die op papier gedrukt worden.
Eén exemplaar wordt gedeponeerd in uitvoering van de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/06/1998
pub.
13/06/1998
numac
1998000389
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten
sluiten7 tot instelling van het wettelijk depot bij de Koninklijke Bibliotheek van België, één exemplaar wordt in bewaring gegeven bij de Minister van Justitie als bewaarder van 's Lands zegel, één exemplaar wordt toegezonden aan het Algemeen Rijksarchief en één exemplaar ligt ter inzage bij het Bestuur van het Belgisch Staatsblad.
Eén exemplaar wordt bewaard op microfilm.
In geval van betwisting omtrent de juistheid van een vermelding in het Belgisch Staatsblad mag het exemplaar dat in bewaring wordt gegeven bij de Minister van Justitie als bewaarder van 's Lands zegel in geen geval worden onttrokken aan die bewaring. Ingeval op verzoek van een rechtscollege een deel van het Belgisch Staatsblad moet worden overgelegd, wordt een door de Minister van Justitie voor eensluidend verklaard afschrift van de relevante passage(s) afgegeven. » Art. 5.Artikel 475 van dezelfde wet, vernietigd bij arrest nr. 106/2004 van het Arbitragehof van 16 juni 2004, wordt vervangen als volgt : « Art. 475.- Elke andere terbeschikkingstelling van het publiek gebeurt via de internetsite van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad.
De op deze internetsite ter beschikking gestelde publicaties zijn de exacte reproducties in elektronisch formaat van de in artikel 474 vermelde exemplaren op papier. » Art. 6.In dezelfde wet wordt een artikel 475bis ingevoegd, luidende : « Art. 475bis.- Iedere burger kan bij de diensten van het Belgisch Staatsblad, door middel van een gratis telefonische hulpdienst, een afschrift van de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte akten en documenten verkrijgen tegen kostprijs. Deze dienst is eveneens belast met het leveren van een hulpdienst aan de burgers bij het zoeken naar documenten. » Art. 7.In dezelfde wet wordt een artikel 475ter ingevoegd, luidende : « Art. 475ter.- Bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad worden andere begeleidende maatregelen genomen met het oog op een zo ruim mogelijke verspreiding van en toegang tot de in het Belgisch Staatsblad opgenomen informatie. » Art. 8.Dit hoofdstuk treedt in werking op 31 juli 2005. HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de
wet van 24 april 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/03/1971
pub.
28/10/1998
numac
1998000346
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Arbeidswet - Duitse vertaling
sluiten5 tot hervorming van de adoptie Art. 9.In artikel 24 van de
wet van 24 april 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/03/1971
pub.
28/10/1998
numac
1998000346
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Arbeidswet - Duitse vertaling
sluiten5 tot hervorming van de adoptie, gewijzigd bij de wet van 16 juli 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1) in § 2 wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd : « Hetzelfde geldt in geval van erkenning van een vreemde beslissing inzake adoptie die vóór de inwerkingtreding van deze wet is uitgesproken maar na de inwerkingtreding ervan definitief is geworden. »; 2) het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende : « § 3.In geval van erkenning van een vreemde beslissing inzake de totstandkoming van een adoptie die de interlandelijke overbrenging van een kind onderstelt, welke niet definitief is geworden vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet, kunnen de bepalingen van het vroegere recht dat de erkenning beheerst, worden toegepast indien de adoptant of de adoptanten de volgende bewijzen overleggen : 1° zij hebben stappen ondernomen met het oog op een adoptie zonder een beroep te hebben gedaan op de diensten erkend door de bevoegde gemeenschap en zonder de omkadering van deze laatste te hebben genoten;2° zij hebben vóór de inwerkingtreding van deze wet bij de bevoegde overheid van de Staat van herkomst van het kind een procedure ingesteld die tot adoptie moet leiden;3° het kind, bij naam aangewezen door de bevoegde overheid van de Staat van herkomst van het kind, werd hen voorgesteld vóór de inwerkingtreding van deze wet. Het voorgaande lid kan evenwel geen toepassing vinden indien de adoptant of de adoptanten niet voor 1 december 2005 de federale centrale autoriteit inlichten dat dit kind hen vóór de inwerkingtreding van deze wet door de bevoegde overheid van de Staat van herkomst werd voorgesteld.
De federale centrale autoriteit registreert de vreemde beslissing inzake adoptie overeenkomstig artikel 367-2 van het Burgerlijk Wetboek nadat zij het overlegde bewijsmateriaal geldig heeft verklaard. » Art. 10.Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2005.
TITEL III. - Binnenlandse Zaken HOOFDSTUK I. - Wijziging van de
programmawet van 27 december 2004Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/12/1998
pub.
11/02/1999
numac
1998022861
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid
type
wet
prom.
21/12/1998
pub.
03/09/2009
numac
2009000546
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten8 Art. 11.Artikel 486 van de
programmawet van 27 december 2004Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/12/1998
pub.
11/02/1999
numac
1998022861
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid
type
wet
prom.
21/12/1998
pub.
03/09/2009
numac
2009000546
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten8, wordt aangevuld met het volgende lid : « Artikel 482 treedt in werking met ingang van 30 april 2002 wat het begrotingsfonds 17-1 betreft en op de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt wat de begrotingsfondsen 17-2 en 17-3 betreft. » HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de
wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/12/1998
pub.
11/02/1999
numac
1998022861
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid
type
wet
prom.
21/12/1998
pub.
03/09/2009
numac
2009000546
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten3 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle Art. 12.Artikel 31, eerste lid, van de
wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
21/12/1998
pub.
11/02/1999
numac
1998022861
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid
type
wet
prom.
21/12/1998
pub.
03/09/2009
numac
2009000546
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten3 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, wordt vervangen als volgt : « De opbrengst van de retributies zoals bedoeld in artikel 12, § 1, 1°, alsook de opbrengst van de administratieve geldboetes zoals bedoeld in de artikelen 53 tot 64, zijn bestemd voor het Agentschap. » Art. 13.Hoofdstuk VII van dezelfde wet, bestaande uit de artikelen 49, 49bis en 50, wordt door de volgende bepalingen vervangen : « HOOFDSTUK VII. - Sancties Afdeling I. - Algemene bepaling
Art. 49.- De inbreuken op de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten kunnen het voorwerp uitmaken van strafsancties of administratieve sancties. Afdeling II. - Strafsancties
Art. 50.- De inbreuken op de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten worden gestraft met een geldboete van 1.000 euro tot 1.000.000 euro en met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar of met één van deze straffen alleen.
Worden met dezelfde straffen gestraft, zij die de in artikel 9 bedoelde personen bij de uitoefening van hun opdracht belemmeren of die hun medewerking weigeren te verlenen. Art. 51.- Indien de in artikel 50 bedoelde inbreuken worden gepleegd in oorlogstijd, worden ze gestraft met een geldboete van 2.000 euro tot 2.000.000 euro en met opsluiting van vijf tot tien jaar, of met één van deze straffen alleen. Art. 52.- Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn toepasselijk op de bij deze wet of haar uitvoeringsbesluiten omschreven inbreuken. Afdeling III. - Administratieve boetes
Onderafdeling I. - Administratieve procedure Art. 53.- § 1. Bij het vaststellen van inbreuken op deze wet of haar uitvoeringsbesluiten kan de overtreder bestraft worden met een administratieve geldboete van 500 euro tot 100.000 euro per inbreuk. § 2. Bovendien komen de expertisekosten verbonden aan de in § 1 bedoelde inbreuken ten laste van de overtreder. § 3. De natuurlijke of rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboetes en de kosten waartoe hun organen, bestuurders, leidende en uitvoerende personeelsleden, aangestelden en lasthebbers worden veroordeeld. Art. 54.- De bij artikel 49 bestrafte feiten worden door een officier van gerechtelijke politie in een proces-verbaal vastgesteld.
Het origineel van het proces-verbaal wordt aan de procureur des Konings verstuurd.
Een afschrift van het proces-verbaal wordt tegelijkertijd verstuurd aan de in artikel 56 aangeduide persoon. Art. 55.- De procureur des Konings beschikt over een termijn van zes maanden, te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal, om de in artikel 56 bedoelde persoon erover in te lichten dat er een strafrechtelijke vervolging is ingeleid.
De in artikel 56 bedoelde persoon kan op basis van artikel 53 geen administratieve geldboete opleggen vóór de termijn van zes maanden verstreken is, behalve indien de procureur des Konings daarvóór meedeelt dat hij het feit geen verder gevolg geeft.
In het geval de procureur des Konings verzuimt binnen de gestelde termijn van zijn beslissing kennis te geven of van strafvervolging afziet, kan de in artikel 56 bedoelde persoon beslissen de administratieve procedure in te zetten. Art. 56.- De administratieve geldboete wordt door de door de Koning aangeduide persoon opgelegd.
De Koning bepaalt de procedureregels, met inbegrip van de uitoefening van de rechten van de verdediging. Art. 57.- § 1. De beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete wordt gemotiveerd. Het bedrag van de administratieve geldboete en de bepalingen van artikel 58, derde lid, worden eveneens vermeld. § 2. De administratieve geldboete staat in verhouding tot de ernst van de feiten die eraan ten grondslag liggen, en tot een eventuele herhaling. § 3. De persoon bedoeld in artikel 56 kan, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, een administratieve geldboete onder de in artikel 53 vermelde minimumbedragen opleggen zonder dat de geldboete evenwel lager mag zijn dan 80 % van het minimum van het in voornoemde artikel bepaald bedrag. § 4. De samenloop van meerdere inbreuken kan aanleiding geven tot een enkele administratieve geldboete die in verhouding staat tot de ernst van het geheel van de feiten. Art. 58.- De beslissing wordt bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis gebracht aan de overtreder en aan de natuurlijke of rechtspersoon die burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de betaling van de administratieve geldboete.
De beslissing wordt eveneens ter kennis gebracht aan de procureur des Konings.
Een verzoek tot betaling van de geldboete, binnen de termijn en volgens de modaliteiten die door de Koning gesteld werden, wordt eraan toegevoegd. Art. 59.- De overtreder of de natuurlijke of rechtspersoon die burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de betaling van de administratieve geldboete, die de beslissing van de in artikel 56 bedoelde persoon betwist, kan op straffe van verval binnen een termijn van één maand te rekenen van de kennisgeving van de beslissing bij verzoekschrift beroep instellen bij de bevoegde rechtbank.
In geval van beroep tegen de beslissing van de door de Koning aangeduide persoon kan de bevoegde rechtbank, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, het bedrag van een opgelegde administratieve geldboete verminderen tot een bedrag lager dan het in artikel 53 vermelde minimumbedrag, zonder dat de geldboete evenwel lager mag zijn dan 80 % van het minimum van het in voormeld artikel bepaalde bedrag.
Dit beroep schorst de uitvoering van de beslissing. Art. 60.- Als de overtreder of de burgerlijk aansprakelijke persoon in gebreke blijft de administratieve geldboete te betalen binnen de vastgestelde termijn en als de in artikel 59 bepaalde beroepsmogelijkheid uitgeput is, is de beslissing om een administratieve geldboete op te leggen rechtstreeks uitvoerbaar en kan de in artikel 56 bedoelde persoon een dwangbevel uitvaardigen overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Koning. Art. 61.- De in artikel 56 bedoelde persoon kan geen administratieve geldboete opleggen als de termijn van één jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de feiten vastgesteld worden, verstreken is.
De betaling overeenkomstig de administratieve procedure dooft eveneens de mogelijkheid om een strafrechtelijke vervolging in te zetten voor de bedoelde feiten.
Onderafdeling II. - Administratieve vereenvoudigde procedure Art. 62.- § 1. Bij de vaststelling van één of meerdere door de Koning bepaalde inbreuken kan, indien het feit geen schade aan derden heeft veroorzaakt en met instemming van de overtreder, een administratieve geldboete van een bedrag van 125 euro tot 500 euro per inbreuk geïnd worden overeenkomstig de vereenvoudigde procedure.
De betaling van de administratieve geldboete binnen de door de Koning vooropgestelde termijn impliceert de instemming van de overtreder met de toepassing van de vereenvoudigde procedure.
Het bedrag van de geldboete voor elke inbreuk die door de Koning bepaald wordt, en de inningsmodaliteiten worden door de Koning vastgelegd.
De vereenvoudigde procedure kan door de officieren van gerechtelijke politie die deel uitmaken van het Agentschap, voorgesteld worden. § 2. De natuurlijke of rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboetes die aan hun organen, bestuurders, leidende en uitvoerende personeelsleden, ondergeschikten en lasthebbers worden voorgesteld en dit overeenkomstig de vereenvoudigde procedure. Art. 63.- De betaling overeenkomstig de vereenvoudigde procedure ontneemt de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen aan de overtreder voor de bedoelde feiten overeenkomstig de administratieve procedure zoals bepaald in de artikelen 53 tot 61. Art. 64.- De betaling overeenkomstig de vereenvoudigde procedure dooft eveneens de mogelijkheid om een strafrechtelijke vervolging in te zetten voor de bedoelde feiten. ». Art. 14.De artikelen 51, 52, 52bis, 53 en 54 van dezelfde wet worden respectievelijk de artikelen 65, 66, 67, 68 en 69. Art. 15.Dit hoofdstuk treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum. HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming Art. 16.Artikel 10 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, gewijzigd bij de wet van 15 januari 1999, wordt vervangen als volgt : « Art. 10.- § 1. De gemeenten van iedere provincie worden voor de algemene organisatie van brandweerdiensten in gewestelijke groepen ingedeeld. De gouverneur bepaalt de samenstelling van die groepen en wijst in iedere groep de gemeente aan die er het centrum van vormt, na raadpleging van de belanghebbende gemeenteraden.
Die gemeente is er wegens haar aanwijzing toe gehouden over een brandweerdienst met het nodige personeel en materiaal te beschikken.
Een gewestelijke groep kan worden gevormd uit gemeenten van verschillende provincies. De betrokken gouverneurs bepalen in gemeen overleg de samenstelling van de groep en wijzen de gemeente aan die er het centrum van vormt; wordt geen overeenstemming bereikt, dan neemt de minister, tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoren, de beslissing op verzoek van een van die gouverneurs.
De overige gemeenten van de gewestelijke groep zijn ertoe gehouden hetzij een brandweerdienst, die over het nodige personeel en materieel beschikt, te behouden of op te richten hetzij beroep te doen op de brandweerdienst van de gemeente die het centrum van die groep vormt mits betaling van een forfaitaire en jaarlijkse bijdrage.
De maatregelen welke dienen getroffen te worden voor het optreden van de brandweerdienst van laatstgenoemde gemeente worden bepaald in een algemeen reglement vastgesteld door de minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoren. Zij mogen aangevuld worden door de gouverneur indien de plaatselijke omstandigheden zulks vergen, en op verzoek van de belanghebbende gemeenteraden.
De bij de inwerkingtreding van deze wet lopende overeenkomsten houden op uitwerking te hebben op een door de Koning vastgestelde datum. § 2. In afwijking van artikel 256 van de nieuwe gemeentewet, de forfaitaire en jaarlijkse bijdrage verschuldigd door de gemeenten wordt door de gouverneur, na raadpleging van de belanghebbende gemeenteraden vastgesteld als volgt : 1° De kosten van de brandweerdiensten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra worden, per provincie, en per categorieën X, Y en Z, omgeslagen over de gemeenten die deel uitmaken van een gewestelijke groep en bediend worden door de brandweerdienst van de gemeente-groepscentrum.2° De jaarlijkse bijdrage verschuldigd door de gemeenten wordt vastgesteld op de grondslag van : a) het jongste kadastraal gebouwd en ongebouwd inkomen van elke gemeente;b) het bevolkingscijfer van elke gemeente;c) de in aanmerking komende kosten van de brandweerdiensten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van de provincie;die kosten worden vastgesteld op grond van de tijdens het vorige jaar door die diensten gedragen werkelijke kosten, met inbegrip van de kosten voor intresten en aflossingen van leningen.
Op het kadastraal inkomen en op het bevolkingscijfer van de gemeenten waar een vooruitgeschoven post gevestigd is, kan door de gouverneur een coëfficiënt groter dan 1 toegepast worden.
Mogen niet meegerekend worden bij het vaststellen van de in aanmerking komende kosten : a) de tegemoetkomingen door het Rijk verleend voor de aankoop van materieel en de uitvoering van werken, zomede eventueel de installatie- en werkingskosten van de centra van het eenvormig oproepstelstel, welke voor de Staat ten laste genomen worden;b) de financiële lasten betreffende de pensioenen van het personeel van de brandweerdiensten met uitzondering van het aandeel van de werkgever in de bijdrage aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten of het overeenstemmend percentage wanneer de gemeente-gewestelijk groepscentrum zelf haar pensioenkas beheert;c) de uitgaven welke uiteraard uitsluitend ten laste komen van de gewestelijke groepcentrumgemeente.3° Het beroepspersoneel van de brandweerdiensten van de categorieën Y en Z, dat meegerekend mag worden voor het bepalen van de in aanmerking komende kosten van de brandweerdiensten van de gemeenten-gewestelijke groepcentra mag niet meer dan 10 % uitgaan boven het minimum beroepspersoneel zoals door de Koning vastgesteld. De gouverneur kan echter, wegens regionale of lokale omstandigheden, één of meer van die gemeenten machtigen de kosten in verband met het beroepspersoneel boven de in het eerste lid gestelde norm, geheel of gedeeltelijk in rekening te brengen.
De Koning legt de normen vast, die de gouverneur moet toepassen voor het bepalen van deze kosten. 4° De in aanmerking komende kosten van de gemeente-gewestelijk groepscentrum van categorie Z, zoals zij voortvloeien uit de punten 2° en 3°, worden verhoogd met een forfaitaire som welke niet boven de 25 % van de kosten mag uitgaan en bestemd is tot dekking van de eventuele interventies ter versterking van de centra X en Y. De gouverneur stelt de forfaitaire som vast.
De Koning legt de normen vast, die de gouverneur moet toepassen voor het bepalen van deze forfaitaire som. 5° De in aanmerking komende kosten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van de categorieën X en Y, zoals zij voortvloeien uit de punten 2° en 3°, worden verminderd met een bedrag gelijk aan het totaal van de forfaitaire sommen vastgesteld bij toepassing van het punt 4°. De gouverneur slaat dat bedrag om over al de gemeenten-groepscentra van categorieën X en Y. § 3. In afwijking van artikel 256 van de nieuwe gemeentewet, neemt de gemeente-centrum van een gewestelijke groep deel in een aandeel van de in aanmerking komende kosten van de brandweerdiensten, vastgesteld door de gouverneur rekening houdend met de lokale en regionale omstandigheden.
De gouverneur geeft aan elke gemeente kennis van het aandeel dat te haren laste komt, en verzoekt haar binnen zestig dagen advies uit te brengen. Het gunstig advies of de ontstentenis van advies vanwege de gemeenteraad geldt als akkoord met de opneming van de verschuldigde som van een rekening welke bij een financiële instelling op naam van de gemeente is geopend. Bij ongunstig advies van de gemeenteraad, beschikt de gouverneur en brengt hij zijn beslissingen ter kennis van de gemeenteraad. Wanneer, binnen veertig dagen na de notificatie, de gemeenteraad weigert of verzuimt deze laatste beslissing op te volgen, wordt de opneming verricht overeenkomstig artikel 11, derde lid.
De Koning legt de normen vast, die de gouverneur moet toepassen voor het bepalen van het aandeel. § 4. 1° De gemeente die over geen brandweerdienst beschikt, betaalt jaarlijks een door de gouverneur vastgestelde bijdrage welke berekend wordt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld In deze formule is : C = de jaarlijkse bijdrage van de betrokken gemeente;
F = de in aanmerking komende kosten van al de gemeenten-gewestelijk groepscentrum van de categorie waartoe de gemeente behoort, verhoogd of verlaagd overeenkomstig de punten 4° en 5° van § 2, en na aftrek van de aandelen gedragen door de gemeenten-gewestelijke groepscentra van bedoelde categorie; r = het jongste kadastraal inkomen van de betrokken gemeente, zoals bepaald in § 2, 2°, eerste lid, a ;
R = het totaal van de « r » van de gemeenten, die geen gemeenten-gewestelijk groepcentrum zijn en bediend worden door de brandweerdiensten van de bedoelde categorie; p = het bevolkingscijfer van de betrokken gemeente volgens de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte jongste officiële opgave van 's Rijks bevolkingscijfer;
P = het totaal van de « p » van de gemeenten die geen gewestelijk groepscentrum zijn en bediend worden door de brandweerdiensten van de bedoelde categorie. 2° De in § 4 vastgestelde bijdrage wordt betaald in kwartaaltranches berekend op basis van de definitieve bijdrage welke voor het vorige jaar werd betaald. Bij het einde van elk kwartaal geeft de gouverneur aan elke betrokken gemeente kennis van het voorlopig bedrag van de bijdrage betreffende die periode. De gemeente beschikt over een termijn van een maand om te betalen. Bij niet-betaling binnen die termijn wordt het bedrag opgenomen overeenkomstig artikel 11, derde lid. 3° In de loop van het volgend jaar geeft de gouverneur aan elke gemeente kennis van het aandeel of van het definitief bedrag van de bijdrage dat te haren laste komt, en verzoekt haar binnen zestig dagen advies uit te brengen. Het verschil tussen de voorlopige bijdrage bedoeld in punt 2° en de definitieve bijdrage wordt, volgens het geval, aan de gemeente-gewestelijk groepscentrum betaald of door deze terugbetaald.
Het gunstig advies of de ontstentenis van advies vanwege de gemeenteraad omtrent de bijdrage geldt als akkoord met de opneming van het volgens het geval, nog verschuldigde of terug te betalen bijdragegedeelte van een rekening welke bij een financiële instelling op naam van de gemeente is geopend.
Bij ongunstig advies van de gemeenteraad, beschikt de gouverneur en brengt hij zijn beslissingen ter kennis van de gemeenteraad. Wanneer, binnen veertig dagen na de notificatie, de gemeenteraad weigert of verzuimt deze laatste beslissing op te volgen, wordt de opneming verricht overeenkomstig artikel 11, derde lid. § 5. Voor elke opneming worden de door de gouverneur genomen beslissingen in toepassing van § 2, 3°, tweede lid, 4°, en van § 3, ter goedkeuring voorgelegd aan de minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoort. Bij gebrek aan afkeuring binnen de veertig dagen na de ontvangst van de beslissing door de minister, wordt de beslissing van rechtswege uitvoerbaar. Art. 17.Artikel 16 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1977, behalve betreffende de geschillenprocedures die aangevat werden vóór de inwerkingtreding van deze wet en met uitzondering van § 2, 3°, derde lid, 4°, derde lid, § 3, derde lid, en § 5 die in werking treden op 1 januari 2006.
TITEL IV. - Ambtenarenzaken en Grootstedenbeleid HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken Art. 18.In artikel 43 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, gewijzigd bij de wetten van 19 oktober 1998 en 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 2, eerste lid, worden de woorden « met uitzondering van degenen die in de klasse A3 geïntegreerd zijn op de basis van een graad van rang 10, » ingevoegd tussen de woorden « of met klasse A3, A4 of A5, » en de woorden « worden verdeeld »;2° in § 3, eerste lid, worden de woorden « onder voorbehoud van de toepassing van § 2, eerste lid, » ingevoegd tussen de woorden « en de klassen A3, A4 en A5, » en de woorden « worden de betrekkingen »;3° in § 3, tweede lid, worden de woorden « , onder voorbehoud van de toepassing van § 2, eerste lid » ingevoegd na de woorden « en de klassen A3, A4 en A5 »;4° in § 3, zesde lid, worden de woorden « onder voorbehoud van de toepassing van § 2, eerste lid, » ingevoegd tussen de woorden « en van de klassen A3, A4 en A5, » en de woorden « afwijken ten behoeve van de centrale diensten ». Art. 19.In artikel 43ter, § 8, tweede lid, van dezelfde wetten, ingevoegd bij de
wet van 12 juni 2002Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/03/1971
pub.
28/10/1998
numac
1998000346
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Arbeidswet - Duitse vertaling
sluiten2 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, worden de woorden « met uitzondering van degenen die in de klasse A3 geïntegreerd zijn op de basis van een graad van rang 10, » ingevoegd tussen de woorden « die in de klassen A3, A4 en A5 benoemd zijn, » en de woorden « gelijkgesteld met betrekkingen die aan de managementfunctie gelijkwaardig zijn. ». Art. 20.De artikelen 18 en 19 hebben uitwerking met ingang van 10 januari 2005. HOOFDSTUK II. - Gemeentelijke administratieve sancties Art. 21.In artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet, ingevoegd bij de
wet van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/05/1999
pub.
19/06/1999
numac
1999022532
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet houdende diverse bepalingen « Volksgezondheid »
sluiten en gewijzigd bij de wetten van 26 juni 2000, 7 mei 2004 en 17 juni 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 2, derde lid, wordt vervangen als volgt : « In afwijking van § 1 kan de gemeenteraad in zijn reglementen en verordeningen voorzien in de administratieve sanctie als bedoeld in het tweede lid, 1°, voor een strafbaar feit genoemd in boek II, titel X van het Strafwetboek en in de artikelen 327 tot 330, 398, 448, 461, 463, 526, 537, 545, 559, 1°, 561, 1°, en 563, 2° en 3°, van het Strafwetboek.»; 2° in § 2, zevende lid, worden tussen de woorden « op het tijdstip van de feiten » en de woorden « kunnen gestraft worden » de woorden « , zelfs wanneer deze persoon op het ogenblik van de beoordeling van de feiten meerderjarig is geworden, » ingevoegd;3° § 6, tweede lid, 1°, wordt als volgt aangevuld : « In geval van een meergemeenten-politiezone, kunnen deze gemeenteambtenaren vaststellingen verrichten op het grondgebied van alle gemeenten die deel uitmaken van deze politiezone, nadat daartoe voorafgaandelijk een overeenkomst werd gesloten tussen de betrokken gemeenten.»; 4° § 7 wordt vervangen als volgt : « § 7.1° Indien de feiten zowel een inbreuk vormen op de artikelen 327 tot 330, 398, 448, 461, 463, 526, 537, 545, 559, 1°, 561, 1°, of 563, 2° en 3° van het Strafwetboek, als gesanctioneerd worden met een administratieve sanctie, wordt het origineel van de vaststelling uiterlijk binnen de maand na de vaststelling toegestuurd aan de procureur des Konings. Bij gebreke hieraan kan er geen enkele administratieve sanctie worden opgelegd.
De politieambtenaar of hulpagent vermeldt op het proces-verbaal uitdrukkelijk de datum waarop het werd toegestuurd of ter hand gesteld aan de procureur des Konings. Er wordt tezelfdertijd een afschrift opgestuurd aan de ambtenaar; 2° indien de inbreuk enkel met een administratieve sanctie bestraft kan worden, wordt het origineel van de vaststelling uiterlijk binnen de maand na de vaststelling aan de ambtenaar toegestuurd.Bij gebreke hieraan kan er geen enkele administratieve sanctie worden opgelegd; 3° van de vaststellingen lastens minderjarigen voor feiten die enkel kunnen worden bestraft met een administratieve sanctie, wordt door de politiediensten of gemeenteambtenaren steeds een afschrift overgemaakt aan de procureur des Konings;4° indien de vaststelling wordt opgesteld door een ambtenaar van een vervoersmaatschappij, wordt zij door deze toegestuurd aan de ambtenaar bevoegd voor het grondgebied van de gemeente waar de feiten zich hebben voorgedaan.»; 5° § 8, tweede lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « door de artikelen 526, 537 en 545 van het Strafwetboek » worden vervangen door de woorden « door de artikelen 526, 537, 545, 559, 1°, 561, 1° en 563, 2° en 3° van het Strafwetboek »;2° de woorden « één maand » worden vervangen door de woorden « twee maanden »;6° er wordt een § 8bis ingevoegd, luidende : « § 8bis.Indien buiten de gevallen van samenloop vermeld in § 7, een feit zowel een strafrechtelijke als een administratiefrechtelijke inbreuk vormt, dient te worden gehandeld volgens de procedures die gelden voor inbreuken bedoeld in de artikelen van boek II, titel X van het Strafwetboek en de artikelen 526, 537 en 545 van het Strafwetboek. »; 7° § 9bis wordt aangevuld met het volgende lid : « In afwijking van § 9, wordt het in § 9, eerste lid, bedoelde aangetekend schrijven aan de minderjarige en aan zijn vader en moeder, zijn voogden of de personen die het gezag over hem uitoefenen, gestuurd.Deze partijen hebben dezelfde rechten als de overtreders zelf. »; 8° § 10, tweede en derde lid, worden vervangen als volgt : « Deze beslissing wordt bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht aan de overtreder en in het geval van een minderjarige overtreder, aan de minderjarige, evenals aan zijn vader en moeder, zijn voogden of de personen die het gezag over hem uitoefenen. De vader en de moeder, de voogden of de personen die het gezag over de minderjarige uitoefenen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor het betalen van de geldboete.
De beslissing bedoeld in het tweede lid dient binnen een termijn van zes maanden ter kennis te worden gebracht aan de betrokkenen. Deze termijn gaat in op de dag van de ontvangst van het afschrift van het proces-verbaal of van de ontvangst van de vaststelling door de personen zoals bedoeld in § 6, tweede lid.
De ambtenaar kan geen administratieve geldboete meer opleggen na het verstrijken van deze termijn. Hij kan een afschrift van het proces-verbaal of van de vaststellingen van de personen bedoeld in § 6, tweede lid, en een afschrift van zijn beslissing overzenden aan elke belanghebbende partij die voorafgaandelijk hiertoe een schriftelijk en gemotiveerd verzoek richt aan hem. »; 9° § 12, eerste tot derde lid, worden vervangen als volgt : « De gemeente, in geval van beslissing tot het niet-opleggen van een administratieve geldboete genomen door een aangewezen provincieambtenaar, of de overtreder kan binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing bij verzoekschrift een beroep instellen bij de politierechtbank volgens de burgerlijke procedure. Indien de beslissing evenwel betrekking heeft op minderjarigen die de volle leeftijd van zestien jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten, wordt hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift bij de jeugdrechtbank. In dit geval kan het hoger beroep ook worden ingesteld door de vader en de moeder, zijn voogden of de personen die het gezag over hem uitoefenen. De jeugdrechtbank blijft bevoegd indien de overtreder meerderjarig is op het moment dat de rechtbank zich uitspreekt.
De politierechtbank of de jeugdrechtbank doet, in het kader van een openbaar debat met uiteenzetting door alle partijen, uitspraak over het beroep dat werd ingesteld tegen de administratieve sancties als bedoeld in § 2, tweede lid, 1°. Zij oordeelt over de wettigheid en de proportionaliteit van de opgelegde geldboete. »; 10° § 12, vijfde lid, wordt aangevuld als volgt : « In dit geval is artikel 60 van de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/06/1998
pub.
13/06/1998
numac
1998000389
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten
sluiten7 betreffende de jeugdbescherming van toepassing.»; 11° § 12, zesde lid, wordt vervangen als volgt : « Geen hoger beroep staat open tegen de beslissing van de politierechtbank of van de jeugdrechtbank. Wanneer echter de jeugdrechtbank beslist om de administratieve sanctie te vervangen door een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding bedoeld in artikel 37 van de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/06/1998
pub.
13/06/1998
numac
1998000389
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten
sluiten7 betreffende de jeugdbescherming, staat er wel hoger beroep open. In dit geval wordt er gehandeld volgens de procedures van de
wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/06/1998
pub.
13/06/1998
numac
1998000389
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten
sluiten7 betreffende de jeugdbescherming die gelden voor de als misdrijf omschreven feiten. » Art. 22.De artikelen 559, 1°, 561, 1°, 562, 563, 2° en 3°, 564, 565 en 566 opgenomen in boek II, titel X van het Strafwetboek en opgeheven bij de
wet van 17 juni 2004Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/06/1998
pub.
13/06/1998
numac
1998000389
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten
sluiten0 evenals het opschrift van boek II, titel X van het Strafwetboek worden hersteld zoals ze waren opgesteld voor hun opheffing.
TITEL V. - Landsverdediging HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader Art. 23.Artikel 15 van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, gewijzigd bij de wetten van 20 mei 1994 en 27 maart 2003, wordt opgeheven. Art. 24.In artikel 20, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de
wet van 22 maart 2001Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/03/2001
pub.
07/04/2001
numac
2001007087
bron
ministerie van landsverdediging
Wet tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de statuten van het militair personeel
sluiten, vervallen de woorden « de examens die moeten worden afgelegd, ». Art. 25.In dezelfde wet wordt een artikel 20bis ingevoegd, luidende : « Art. 20bis.- Tijdens de volledige vorming moet de kandidaat : 1° de vereiste professionele en karakteriële hoedanigheden evenals de vereiste fysieke hoedanigheden op het vlak van de fysieke conditie bezitten;2° de vereiste fysieke hoedanigheden op medisch gebied bezitten;3° de morele hoedanigheden bezitten die voor de personeelscategorie waarvoor hij gevormd wordt, onontbeerlijk zijn. Indien een gedeelte van de vormingscyclus in een in artikel 20, tweede lid, bedoelde instelling wordt gevolgd, wordt voor dit gedeelte rekening gehouden met het regime van die instelling wat betreft het verlenen van een vrijstelling of uitstel, de professionele beoordeling, de organisatie en de werking van de deliberatiecommissie en wat betreft de door deze commissie te nemen maatregelen. De beoordeling van de karakteriële hoedanigheden en van de fysieke hoedanigheden op het vlak van de fysieke conditie kan tot bepaalde periodes van de vorming beperkt worden. » Art. 26.In dezelfde wet wordt een artikel 20ter ingevoegd, luidende : « Art. 20ter.- § 1. Tijdens een periode van opleiding of van schoolvorming berust de beoordeling van de professionele hoedanigheden op de voor de elementen van deze vormingsperiode behaalde resultaten.
Tijdens een stage- of evaluatieperiode bestaat de beoordeling van de professionele hoedanigheden erin na te gaan in welke mate de kandidaat in staat is om de taken die hem, naargelang het geval, als officier, onderofficier of vrijwilliger zouden worden toegewezen, zelfstandig uit te voeren. Deze beoordeling wordt uitgedrukt in één van de volgende meldingen : « onvoldoende », « voldoende », « goed » of « zeer goed ». § 2. De professionele hoedanigheden van elke kandidaat worden, in voorkomend geval, ten minste beoordeeld : 1° tijdens de academische vorming, op het einde van elk vormingsjaar en op het einde van de academische vorming;2° tijdens de periode van opleiding, één keer per vormingsjaar en op het einde van de periode van opleiding;3° tijdens de periode van stage, één keer per vormingsjaar en op het einde van de stageperiode;4° tijdens de periode van evaluatie, één keer per vormingsjaar en op het einde van de evaluatieperiode. De Koning kan bijkomende professionele beoordelingsmomenten bepalen in functie van de specifieke vormingscyclus van de kandidaat.
Indien de beoordelingsmomenten samenvallen, wordt één enkele beoordeling gemaakt. » Art. 27.In dezelfde wet wordt een artikel 20quater ingevoegd, luidende : « Art. 20quater.- § 1. Tijdens een periode van opleiding of een periode van schoolvorming bezit de kandidaat de vereiste professionele hoedanigheden indien hij, bij elke beoordeling bedoeld in artikel 20ter, § 2, tegelijk aan de volgende criteria tot slagen voldoet : 1° zich niet onthouden hebben van deelname aan alle examens, tenzij mits geldige reden;2° ten minste het minimum globaal cijfer om te slagen, behaald hebben;3° voor elk uitsluitend element, ten minste het minimum cijfer om te slagen behaald hebben. § 2. Iedere beoordeling uitgebracht over een kandidaat tijdens een periode van opleiding of van schoolvorming bedoeld in artikel 20ter, § 2, waarvoor de kandidaat niet aan de criteria tot slagen heeft voldaan, of tijdens dewelke hij, zonder geldige reden, niet aan een examen of test heeft deelgenomen, wordt aan de bevoegde deliberatiecommissie voorgelegd.
De kandidaat-officier die bij geen van beide pogingen geslaagd is voor het examen over de wezenlijke kennis van de tweede landstaal, voorzien in artikel 3 van de
wet van 30 juli 1938Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
30/07/1938
pub.
24/10/2001
numac
2001000545
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet betreffende het gebruik der talen bij het leger Duitse vertaling
sluiten betreffende het gebruik der talen bij het leger, zet zijn vorming verder met zijn oorspronkelijke promotie. § 3. Inzake de beoordeling van de professionele hoedanigheden beslist de deliberatiecommissie, dat de kandidaat, naargelang het geval en onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van artikel 20bis, tweede lid : 1° de vereiste professionele hoedanigheden bezit en, in voorkomend geval, de vorming mag verderzetten;2° een herexamen mag afleggen, zijn masterproef opnieuw mag indienen en voorstellen, of opnieuw mag indienen of voorstellen;3° uitzonderlijk de vorming mag herbeginnen en aangehecht mag worden aan de volgende promotie;4° de vereiste professionele hoedanigheden niet meer bezit en definitief mislukt is.» Art. 28.In dezelfde wet wordt een artikel 20quinquies ingevoegd, luidende : « Art. 20quinquies.- § 1. Tijdens een stageperiode of een evaluatieperiode bezit de kandidaat de vereiste professionele hoedanigheden indien hij ten minste de vermelding « voldoende » bekomt bij de jaarlijkse beoordeling en bij de beoordeling op het einde van de stageperiode en de evaluatieperiode. § 2. Iedere beoordeling bedoeld in § 1 waarbij de kandidaat niet ten minste de vermelding « voldoende » heeft bekomen wordt aan de bevoegde evaluatiecommissie voorgelegd.
De evaluatiecommissie beslist dat de kandidaat hetzij : 1° de vereiste professionele hoedanigheden bezit waarbij hem voor de betrokken beoordeling de vermelding « voldoende » wordt toegekend en, in voorkomend geval, de vorming mag verderzetten;2° de vereiste professionele hoedanigheden niet meer bezit en definitief mislukt is.» Art. 29.In dezelfde wet wordt een artikel 20sexies ingevoegd, luidende : « Art. 20sexies.- § 1. De beoordeling van de karakteriële hoedanigheden is de beoordeling van de attitude van de kandidaat als militair volgens bepaalde criteria, op basis van waarneembare gedragingen. De lijst van de criteria en de lijst van de overeenkomstige waarneembare gedragingen worden bepaald door de Koning.
De weging en het al dan niet uitsluitend karakter van de criteria, de waardeschaal van de waarneembare gedragingen en de te behalen cijfers om te slagen worden door de Koning bepaald in functie van de personeelscategorie waarvoor de kandidaat wordt gevormd en, in voorkomend geval, van zijn specifieke vormingscyclus, evenals van het moment van de beoordeling.
De lijst en de waardeschaal van de waarneembare gedragingen worden evenwel tot 31 december 2006 door de Minister van Landsverdediging bepaald. § 2. De karakteriële hoedanigheden van de kandidaat worden, in voorkomend geval, ten minste beoordeeld : 1° op het einde van de periode van schoolvorming of van opleiding en éénmaal per vormingsjaar;2° op het einde van de stageperiode;3° op het einde van de evaluatieperiode. De Koning kan bijkomende karakteriële beoordelingsmomenten bepalen in functie van de specifieke vormingscyclus van de kandidaat. » Art. 30.In dezelfde wet wordt een artikel 20septies ingevoegd, luidende : « Art. 20septies.- § 1. Om de vereiste karakteriële hoedanigheden te bezitten, moet de kandidaat, bij elke beoordeling bedoeld in artikel 20sexies, § 2, aan de volgende criteria tot slagen voldoen : 1° ten minste het minimum globaal cijfer om te slagen, behaald hebben;2° voor elk uitsluitend criterium, ten minste het minimum cijfer om te slagen behaald hebben. § 2. Iedere beoordeling bedoeld in § 1 waarbij de kandidaat niet aan de criteria tot slagen voldaan heeft, wordt voorgelegd, naargelang het geval : 1° aan een deliberatiecommissie, indien het een beoordeling betreft uitgebracht tijdens een periode van schoolvorming of een periode van opleiding;2° aan een evaluatiecommissie, indien het een beoordeling betreft uitgebracht tijdens de stage- of evaluatieperiode. Indien de deliberatie- of evaluatiecommissie de ongunstige beoordeling bevestigt, wordt de kandidaat als definitief mislukt beschouwd.
In het tegenovergestelde geval wordt de kandidaat geacht de vereiste karakteriële hoedanigheden te hebben. » Art. 31.In dezelfde wet wordt een artikel 20octies ingevoegd, luidende : « Art. 20octies.- § 1. De beoordeling van de fysieke hoedanigheden op het vlak van de fysieke conditie berust op de resultaten behaald op proeven van fysieke conditie.
De proeven van fysieke conditie omvatten de basisproeven van fysieke conditie en, voor bepaalde specifieke vormingscycli, bijkomende proeven van fysieke conditie. § 2. De fysieke hoedanigheden op het vlak van de fysieke conditie worden ten minste op het einde van elk vormingsjaar beoordeeld.
De kandidaat beschikt over twee pogingen om te slagen.
Tijdens het eerste vormingsjaar kunnen de proeven van fysieke conditie ten vroegste de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van de inlijving afgelegd worden. § 3. De Koning bepaalt : 1° de aard en het al dan niet uitsluitend karakter van de proeven;2° het minimum globaal cijfer te behalen om te slagen;3° bijkomende beoordelingsmomenten, in functie van de specifieke vormingscyclus van de kandidaat.» Art. 32.In dezelfde wet wordt een artikel 20novies ingevoegd, luidende : « Art. 20novies.- § 1. Om de vereiste fysieke hoedanigheden te bezitten, moet de kandidaat, bij elke beoordeling bedoeld in artikel 20octies, aan de volgende criteria tot slagen voldoen : 1° ten minste het minimum globaal cijfer om te slagen, behaald hebben;2° voor elke uitsluitende proef, ten minste het minimum cijfer om te slagen behaald hebben. § 2. Iedere beoordeling bedoeld in § 1 waarbij de kandidaat niet aan de criteria tot slagen voldaan heeft, wordt voorgelegd, naargelang het geval : 1° aan een deliberatiecommissie, indien het een beoordeling betreft uitgebracht tijdens een periode van schoolvorming of een periode van opleiding;2° aan een evaluatiecommissie, indien het een beoordeling betreft uitgebracht tijdens de stage- of evaluatieperiode. Deze commissie kan, naargelang het geval : 1° beslissen om de kandidaat gelijk te stellen met hen die geslaagd zijn, in welk geval hij geacht wordt de vereiste hoedanigheden inzake fysieke conditie te bezitten;2° beslissen dat de kandidaat definitief mislukt is omdat hij de vereiste hoedanigheden inzake fysieke conditie niet bezit;3° beslissen om bijkomend uitstel toe te kennen aan de kandidaat die het vraagt voor het afleggen van de basisproeven van fysieke conditie, in de gevallen die de Koning bepaalt;4° beslissen om een verlenging van de vormingsperiode toe te staan zodat hij de laatste proeven van fysieke conditie op een latere vastgestelde datum kan afleggen.» Art. 33.In dezelfde wet wordt een artikel 20decies ingevoegd, luidende : « Art. 20decies.- De kandidaat kan een gemotiveerd beroep aantekenen bij de beroepscommissie, naargelang het geval, tegen de beslissing van de deliberatiecommissie of van de evaluatiecommissie.
De beroepscommissie kan de beslissing van de deliberatie- of evaluatiecommissie bevestigen of, een nieuwe beslissing nemen.
De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de deliberatie-, evaluatie- en beroepscommissies. » Art. 34.In dezelfde wet wordt een artikel 20undecies ingevoegd, luidende : « Art. 20undecies.- Bezit de vereiste fysieke hoedanigheden op medisch gebied de kandidaat die voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 90, § 1, eerste lid, van de wet van 20 mei 1994 inzake de rechtstoestanden van het militair personeel, die overeenstemmen met zijn specifieke vormingscyclus. » Art. 35.In dezelfde wet wordt een artikel 20duodecies ingevoegd, luidende : « Art. 20duodecies.- Bezit de in artikel 20bis, eerste lid, 3°, bedoelde morele hoedanigheden de kandidaat : 1° die niet is veroordeeld wegens één van de in de hoofdstukken V en VI van titel VII en in de hoofdstukken I en II van titel IX van het Strafwetboek bedoelde strafbare feiten;2° die niet is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden of meer wegens een ander strafbaar feit dan bedoeld in 1° met uitzondering van bepaalde, door de Koning bepaalde strafbare feiten van het Strafwetboek en van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer gecoördineerd op 16 maart 1968. De Koning kan, in functie van de personeelscategorie waarvoor de kandidaat gevormd wordt, bijkomende strafbare feiten bepalen die aanleiding geven tot het verlies van de morele hoedanigheden. » HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wet van 16 maart 1994 betreffende het statuut en de bezoldiging van het onderwijzend burgerpersoneel van de Koninklijke Militaire School Art. 36.Artikel 1, § 2, vijfde lid, van de wet van 16 maart 1994 betreffende het statuut en de bezoldiging van het onderwijzend personeel van de Koninklijke Militaire School, vervangen bij de wet van 27 maart 2003, wordt aangevuld als volgt : « Op voorstel van de academische raad van de Koninklijke Militaire School kunnen zij, indien zij voldoen aan de diplomavoorwaarden, door de Commandant van de Koninklijke Militaire School bijkomend belast worden met een deeltijdse onderwijsopdracht, naargelang het geval, als docent of militaire docent. Het totaal van het aantal lesuren van een dergelijke bijkomende deeltijdse onderwijsopdracht mag evenwel niet hoger zijn dan honderd vijftig lesuren per academiejaar. » Art. 37.In artikel 4 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden « De weddeschalen » vervangen door de woorden « De weddenschalen, de toelagen en de vergoedingen »;2° tussen het vijfde en het zesde lid wordt het volgende lid ingevoegd : « De repetitoren en de militaire repetitoren die belast worden met een bijkomende deeltijdse onderwijsopdracht, ontvangen een toelage.» HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen Art. 38.Artikel 10bis, § 3, eerste lid, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, ingevoegd bij de wet van 27 maart 2003, wordt aangevuld als volgt : « 6° naar aanleiding van een verandering van de woon- of verblijfplaats ten gevolge van de overbrenging van de gewone plaats van het werk of van een, door de Koning bepaalde, omstandigheid. » HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de wet van 20 mei 1994 inzake de rechtstoestanden van het militair personeel Art. 39.In hoofdstuk II van de wet van 20 mei 1994 betreffende de rechtstoestanden van het militair personeel wordt een afdeling 4 ingevoegd, luidende : « Afdeling 4. - Professionele heroriëntering van de militairen Art. 99bis.- § 1. De militair van het actief kader in werkelijke dienst die niet in mobiliteit of in beziging is en die geen functie bekleedt waarvan de bezoldiging niet wordt gedragen door de begroting van Landsverdediging, kan zich kandidaat stellen om bij een partnerwerkgever van de privé-sector professioneel geheroriënteerd te worden.
Onder partnerwerkgever wordt verstaan elke werkgever in de zin van de
wet van 5 december 1968Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/06/1998
pub.
13/06/1998
numac
1998000389
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten
sluiten9 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, onderworpen aan de Belgische sociale zekerheid en in regel met de bijdragen voor de sociale zekerheid en bestaanszekerheid die, ofwel rechtstreeks ofwel onrechtstreeks door tussenkomst van zijn representatieve werkgevers- of beroepsorganisatie, een partnerschapsakkoord met het ministerie van Landsverdediging afgesloten heeft.
De werkgever die voldoet aan de bepalingen ter zake voorzien in het
koninklijk besluit van 8 januari 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
13/05/1999
pub.
19/06/1999
numac
1999022532
bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
Wet houdende diverse bepalingen « Volksgezondheid »
sluiten8 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken wordt beschouwd in regel te zijn met de bijdragen voor de sociale zekerheid en bestaanszekerheid.
De Koning bepaalt de ogenblikken waarop bewezen moet worden dat de voorwaarden om partnerwerkgever te zijn vervuld zijn. De Koning kan bijkomende voorwaarden voor de ondertekening van het partnerschapsakkoord bepalen. § 2. Om professioneel geheroriënteerd te worden moet de militair : 1° deel uitmaken van de door de Koning bepaalde doelgroep;2° naargelang het geval, ten minste vijf jaar werkelijke dienst volbracht hebben als militair korte termijn of ten minste het door de Koning bepaalde aantal jaren werkelijke dienst in een andere hoedanigheid van militair;3° zich niet bevinden in een rendementsperiode, bedoeld in artikel 3 van de
wet van 16 maart 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
16/03/2000
pub.
06/04/2000
numac
2000007081
bron
ministerie van landsverdediging
Wet betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming van bepaalde kandidaat-militairen, de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden
sluiten betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming van bepaalde kandidaat-militairen, de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden. De militair die dient onder het regime van dienstneming en wederdienstneming moet evenwel de periode van professionele heroriëntering kunnen beëindigen zonder een nieuwe wederdienstneming aan te gaan.
De Koning bepaalt de modaliteiten om een aanvraag tot professionele heroriëntering in te dienen. § 3. Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van dit artikel en naargelang de personeelscategorie waartoe zij behoren, blijven alle wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het statuut van de beroepsofficieren, de beroepsonderofficieren of beroepsvrijwilligers van toepassing op de professioneel geheroriënteerde militairen. § 4. Het proces van professionele heroriëntering bevat : 1° een selectiefase gedurende dewelke de militair, na zijn kandidatuur gesteld te hebben en door de minister van Landsverdediging aanvaard te zijn, aan de door de betrokken partnerwerkgever georganiseerde selectie deelneemt;2° eventueel, een door deze werkgever georganiseerde opleidingsfase waarvan de concrete duur in de geïndividualiseerde bijlage bij het partnerschapsakkoord bepaald wordt;3° eventueel, een door deze werkgever georganiseerde stagefase waarvan de concrete duur in de geïndividualiseerde bijlage bij het partnerschapsakkoord bepaald wordt. De gecumuleerde duur van de opleidings- en stagefasen mag één jaar niet overschrijden.
Bij het slagen in de stage of bij ontstentenis ervan bij het slagen in de opleiding, wordt tussen de werkgever en de militair een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur getekend.
Bij ontstentenis van een stage en een opleiding, wordt zodra de selectie gunstig is, tussen de werkgever en de geselecteerde militair een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur getekend.
Na het slagen van de stage, of bij ontstentenis ervan van de opleiding, worden, naargelang het geval, het ontslag van de militair of de verbreking van zijn dienstneming of wederdienstneming en de arbeidsovereenkomst van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van het slagen. Op die datum verliest de militair de hoedanigheid van militair van het actief kader.
Bij ontstentenis van een opleidings- en stagefase, worden evenwel, naargelang het geval, het ontslag of de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming en de arbeidsovereenkomst van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van de gunstige selectie van de militair. § 5. De militair geniet gedurende het proces van professionele heroriëntering van dezelfde geldelijke voordelen als de militair in normale dienst.
Als de militair prestaties verricht in de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek of in de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap, wordt een einde gemaakt aan deze arbeidsregeling wanneer hij aan een opleidings- of stagefase begint.
De Koning kan een vertrekpremie voorzien waarvan Hij het bedrag en de uitbetalingsmodaliteiten bepaalt.
In geval van eventuele heropneming, moet de vertrekpremie terugbetaald worden.
De militair korte termijn van wie de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming in het kader van de professionele heroriëntering plaatsvindt, kan geen aanspraak maken op de vertrekpremie of de dienstontheffing bedoeld in artikel 26 van de wet van 20 mei 1994 houdende statuut van de militairen korte termijn. De militair korte termijn kan niet heropgenomen worden. § 6. Het partnerschapsakkoord bevat ten minste : 1° de procedure en de criteria voor de selectie;2° de regels betreffende de tenlasteneming van de onkosten van de eventue …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.