Wet houdende diverse bepalingen
Kort samengevat
Deze wet regelt diverse onderwerpen, waaronder de inwerkingtreding van eerdere wetten, de publicatie van het Belgisch Staatsblad, en wijzigingen in de adoptiewetgeving en de wetgeving betreffende nucleaire veiligheid.
Wat het regelt
- De inwerkingtreding van de wet van 14 juni 2004 betreffende de onvatbaarheid voor beslag van bepaalde bedragen.
- De publicatie en beschikbaarstelling van het Belgisch Staatsblad.
- Wijzigingen in de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie, specifiek met betrekking tot de erkenning van buitenlandse adoptiebeslissingen.
- Sancties voor inbreuken op de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming tegen ioniserende stralingen en het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle.
Wie het betreft
- Burgers die informatie uit het Belgisch Staatsblad willen raadplegen of afschriften willen verkrijgen.
- Adoptanten die een buitenlandse adoptiebeslissing willen laten erkennen.
- Natuurlijke of rechtspersonen die inbreuken plegen op de wetgeving inzake bescherming tegen ioniserende stralingen.
Kernpunten
- De wet van 14 juni 2004 treedt uiterlijk op 1 januari 2007 in werking, behalve artikel 5.
- Het Belgisch Staatsblad wordt in vier papieren exemplaren gepubliceerd en digitaal via de internetsite beschikbaar gesteld.
- Burgers kunnen via een gratis telefonische hulpdienst afschriften van akten uit het Belgisch Staatsblad verkrijgen tegen kostprijs.
- Inbreuken op de wetgeving inzake ioniserende stralingen kunnen leiden tot geldboetes van 1.000 euro tot 1.000.000 euro en/of gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar, of administratieve geldboetes van 500 euro tot 100.000 euro per inbreuk.
Wettekst
Wet houdende diverse bepalingen (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - A
artikel 78 van de Grondwet. TITEL II. - Justitie HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 14 juni 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/06/1998 pub. 13/06/1998 numac 1998000389 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten sluiten1 betreffende de onvatbaarheid voor beslag en de onoverdraagbaarheid van de bedragen waarvan sprake is
de artikelen 1409, 1409 bis en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek wanneer die bedragen op een zichtrekening gecrediteerd zijn Art. 2.Artikel 5 van de wet van 14 juni 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/06/1998 pub. 13/06/1998 numac 1998000389 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten sluiten1 betreffende de onvatbaarheid voor beslag en de onoverdraagbaarheid van de bedragen waarvan sprake is
de artikelen 1409, 1409bis en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek wanneer die bedragen op een zichtrekening gecrediteerd zijn, wordt vervangen als volgt : « Met uitzondering van dit artikel, treedt deze wet
werking op een door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op 1 januari 2007. » Art. 3.Dit hoofdstuk heeft uitwerking met
gang van 1 juli 2005. HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de programmawet (I) van 24 december 2002 Art. 4.Artikel 474 van de programmawet (I) van 24 december 2002, vernietigd bij arrest nr. 106/2004 van het Arbitragehof van 16 juni 2004, wordt vervangen als volgt : « Art. 474.De bekendmaking
het Belgisch Staatsblad door het Bestuur van het Belgisch Staatsblad gebeurt
vier exemplaren die op papier gedrukt worden. Eén exemplaar wordt gedeponeerd
uitvoering van de wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/06/1998 pub. 13/06/1998 numac 1998000389 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten sluiten7 tot
stelling van het wettelijk depot bij de Koninklijke Bibliotheek van België, één exemplaar wordt
bewaring gegeven bij de Minister van Justitie als bewaarder van 's Lands zegel, één exemplaar wordt toegezonden aan het Algemeen Rijksarchief en één exemplaar ligt ter
zage bij het Bestuur van het Belgisch Staatsblad. Eén exemplaar wordt bewaard op microfilm.
geval van betwisting omtrent de juistheid van een vermelding
het Belgisch Staatsblad mag het exemplaar dat
bewaring wordt gegeven bij de Minister van Justitie als bewaarder van 's Lands zegel
geen geval worden onttrokken aan die bewaring.
geval op verzoek van een rechtscollege een deel van het Belgisch Staatsblad moet worden overgelegd, wordt een door de Minister van Justitie voor eensluidend verklaard afschrift van de relevante passage(s) afgegeven. » Art. 5.Artikel 475 van dezelfde wet, vernietigd bij arrest nr. 106/2004 van het Arbitragehof van 16 juni 2004, wordt vervangen als volgt : « Art. 475.- Elke andere terbeschikkingstelling van het publiek gebeurt via de
ternetsite van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad. De op deze
ternetsite ter beschikking gestelde publicaties zijn de exacte reproducties
elektronisch formaat van de
artikel 474 vermelde exemplaren op papier. » Art. 6.
dezelfde wet wordt een artikel 475bis
gevoegd, luidende : « Art. 475bis.- Iedere burger kan bij de diensten van het Belgisch Staatsblad, door middel van een gratis telefonische hulpdienst, een afschrift van de
het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte akten en documenten verkrijgen tegen kostprijs. Deze dienst is eveneens belast met het leveren van een hulpdienst aan de burgers bij het zoeken naar documenten. » Art. 7.
dezelfde wet wordt een artikel 475ter
gevoegd, luidende : « Art. 475ter.- Bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg
de Ministerraad worden andere begeleidende maatregelen genomen met het oog op een zo ruim mogelijke verspreiding van en toegang tot de
het Belgisch Staatsblad opgenomen
formatie. » Art. 8.Dit hoofdstuk treedt
werking op 31 juli 2005. HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet van 24 april 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten5 tot hervorming van de adoptie Art. 9.
artikel 24 van de wet van 24 april 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten5 tot hervorming van de adoptie, gewijzigd bij de wet van 16 juli 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1)
§ 2
wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid
gevoegd : « Hetzelfde geldt
geval van erkenning van een vreemde beslissing
zake adoptie die vóór de
werkingtreding van deze wet is uitgesproken maar na de
werkingtreding ervan definitief is geworden. »; 2) het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende : « § 3.
geval van erkenning van een vreemde beslissing
zake de totstandkoming van een adoptie die de
terlandelijke overbrenging van een kind onderstelt, welke niet definitief is geworden vóór de datum van
werkingtreding van deze wet, kunnen de bepalingen van het vroegere recht dat de erkenning beheerst, worden toegepast
dien de adoptant of de adoptanten de volgende bewijzen overleggen : 1° zij hebben stappen ondernomen met het oog op een adoptie zonder een beroep te hebben gedaan op de diensten erkend door de bevoegde gemeenschap en zonder de omkadering van deze laatste te hebben genoten;2° zij hebben vóór de
werkingtreding van deze wet bij de bevoegde overheid van de Staat van herkomst van het kind een procedure
gesteld die tot adoptie moet leiden;3° het kind, bij naam aangewezen door de bevoegde overheid van de Staat van herkomst van het kind, werd hen voorgesteld vóór de
werkingtreding van deze wet. Het voorgaande lid kan evenwel geen toepassing vinden
dien de adoptant of de adoptanten niet voor 1 december 2005 de federale centrale autoriteit
lichten dat dit kind hen vóór de
werkingtreding van deze wet door de bevoegde overheid van de Staat van herkomst werd voorgesteld. De federale centrale autoriteit registreert de vreemde beslissing
zake adoptie overeenkomstig artikel 367-2 van het Burgerlijk Wetboek nadat zij het overlegde bewijsmateriaal geldig heeft verklaard. » Art. 10.Dit hoofdstuk treedt
werking op 1 september 2005. TITEL III. - Binnenlandse Zaken HOOFDSTUK I. - Wijziging van de programmawet van 27 december 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten8 Art. 11.Artikel 486 van de programmawet van 27 december 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten8, wordt aangevuld met het volgende lid : « Artikel 482 treedt
werking met
gang van 30 april 2002 wat het begrotingsfonds 17-1 betreft en op de dag waarop het
het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt wat de begrotingsfondsen 17-2 en 17-3 betreft. » HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten3 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle Art. 12.Artikel 31, eerste lid, van de wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten3 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, wordt vervangen als volgt : « De opbrengst van de retributies zoals bedoeld
artikel 12, § 1, 1°, alsook de opbrengst van de administratieve geldboetes zoals bedoeld
de artikelen 53 tot 64, zijn bestemd voor het Agentschap. » Art. 13.Hoofdstuk VII van dezelfde wet, bestaande uit de artikelen 49, 49bis en 50, wordt door de volgende bepalingen vervangen : « HOOFDSTUK VII. - Sancties Afdeling I. - Algemene bepaling Art. 49.- De
breuken op de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten kunnen het voorwerp uitmaken van strafsancties of administratieve sancties. Afdeling II. - Strafsancties Art. 50.- De
breuken op de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten worden gestraft met een geldboete van 1.000 euro tot 1.000.000 euro en met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar of met één van deze straffen alleen. Worden met dezelfde straffen gestraft, zij die de
artikel 9 bedoelde personen bij de uitoefening van hun opdracht belemmeren of die hun medewerking weigeren te verlenen. Art. 51.-
dien de
artikel 50 bedoelde
breuken worden gepleegd
oorlogstijd, worden ze gestraft met een geldboete van 2.000 euro tot 2.000.000 euro en met opsluiting van vijf tot tien jaar, of met één van deze straffen alleen. Art. 52.- Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met
begrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn toepasselijk op de bij deze wet of haar uitvoeringsbesluiten omschreven
breuken. Afdeling III. - Administratieve boetes Onderafdeling I. - Administratieve procedure Art. 53.- § 1. Bij het vaststellen van
breuken op deze wet of haar uitvoeringsbesluiten kan de overtreder bestraft worden met een administratieve geldboete van 500 euro tot 100.000 euro per
breuk. § 2. Bovendien komen de expertisekosten verbonden aan de
§ 1
bedoelde
breuken ten laste van de overtreder. § 3. De natuurlijke of rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboetes en de kosten waartoe hun organen, bestuurders, leidende en uitvoerende personeelsleden, aangestelden en lasthebbers worden veroordeeld. Art. 54.- De bij artikel 49 bestrafte feiten worden door een officier van gerechtelijke politie
een proces-verbaal vastgesteld. Het origineel van het proces-verbaal wordt aan de procureur des Konings verstuurd. Een afschrift van het proces-verbaal wordt tegelijkertijd verstuurd aan de
artikel 56 aangeduide persoon. Art. 55.- De procureur des Konings beschikt over een termijn van zes maanden, te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal, om de
artikel 56 bedoelde persoon erover
te lichten dat er een strafrechtelijke vervolging is
geleid. De
artikel 56 bedoelde persoon kan op basis van artikel 53 geen administratieve geldboete opleggen vóór de termijn van zes maanden verstreken is, behalve
dien de procureur des Konings daarvóór meedeelt dat hij het feit geen verder gevolg geeft.
het geval de procureur des Konings verzuimt binnen de gestelde termijn van zijn beslissing kennis te geven of van strafvervolging afziet, kan de
artikel 56 bedoelde persoon beslissen de administratieve procedure
te zetten. Art. 56.- De administratieve geldboete wordt door de door de Koning aangeduide persoon opgelegd. De Koning bepaalt de procedureregels, met
begrip van de uitoefening van de rechten van de verdediging. Art. 57.- §
- De beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete wordt gemotiveerd. Het bedrag van de administratieve geldboete en de bepalingen van artikel 58, derde lid, worden eveneens vermeld. §
- De administratieve geldboete staat
verhouding tot de ernst van de feiten die eraan ten grondslag liggen, en tot een eventuele herhaling. § 3. De persoon bedoeld
artikel 56 kan, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, een administratieve geldboete onder de
artikel 53 vermelde minimumbedragen opleggen zonder dat de geldboete evenwel lager mag zijn dan 80 % van het minimum van het
voornoemde artikel bepaald bedrag. § 4. De samenloop van meerdere
breuken kan aanleiding geven tot een enkele administratieve geldboete die
verhouding staat tot de ernst van het geheel van de feiten. Art. 58.- De beslissing wordt bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis gebracht aan de overtreder en aan de natuurlijke of rechtspersoon die burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de betaling van de administratieve geldboete. De beslissing wordt eveneens ter kennis gebracht aan de procureur des Konings. Een verzoek tot betaling van de geldboete, binnen de termijn en volgens de modaliteiten die door de Koning gesteld werden, wordt eraan toegevoegd. Art. 59.- De overtreder of de natuurlijke of rechtspersoon die burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de betaling van de administratieve geldboete, die de beslissing van de
artikel 56 bedoelde persoon betwist, kan op straffe van verval binnen een termijn van één maand te rekenen van de kennisgeving van de beslissing bij verzoekschrift beroep
stellen bij de bevoegde rechtbank.
geval van beroep tegen de beslissing van de door de Koning aangeduide persoon kan de bevoegde rechtbank, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, het bedrag van een opgelegde administratieve geldboete verminderen tot een bedrag lager dan het
artikel 53 vermelde minimumbedrag, zonder dat de geldboete evenwel lager mag zijn dan 80 % van het minimum van het
voormeld artikel bepaalde bedrag. Dit beroep schorst de uitvoering van de beslissing. Art. 60.- Als de overtreder of de burgerlijk aansprakelijke persoon
gebreke blijft de administratieve geldboete te betalen binnen de vastgestelde termijn en als de
artikel 59 bepaalde beroepsmogelijkheid uitgeput is, is de beslissing om een administratieve geldboete op te leggen rechtstreeks uitvoerbaar en kan de
artikel 56 bedoelde persoon een dwangbevel uitvaardigen overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Koning. Art. 61.- De
artikel 56 bedoelde persoon kan geen administratieve geldboete opleggen als de termijn van één jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de feiten vastgesteld worden, verstreken is. De betaling overeenkomstig de administratieve procedure dooft eveneens de mogelijkheid om een strafrechtelijke vervolging
te zetten voor de bedoelde feiten. Onderafdeling II. - Administratieve vereenvoudigde procedure Art. 62.- § 1. Bij de vaststelling van één of meerdere door de Koning bepaalde
breuken kan,
dien het feit geen schade aan derden heeft veroorzaakt en met
stemming van de overtreder, een administratieve geldboete van een bedrag van 125 euro tot 500 euro per
breuk geïnd worden overeenkomstig de vereenvoudigde procedure. De betaling van de administratieve geldboete binnen de door de Koning vooropgestelde termijn impliceert de
stemming van de overtreder met de toepassing van de vereenvoudigde procedure. Het bedrag van de geldboete voor elke
breuk die door de Koning bepaald wordt, en de
ningsmodaliteiten worden door de Koning vastgelegd. De vereenvoudigde procedure kan door de officieren van gerechtelijke politie die deel uitmaken van het Agentschap, voorgesteld worden. § 2. De natuurlijke of rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboetes die aan hun organen, bestuurders, leidende en uitvoerende personeelsleden, ondergeschikten en lasthebbers worden voorgesteld en dit overeenkomstig de vereenvoudigde procedure. Art. 63.- De betaling overeenkomstig de vereenvoudigde procedure ontneemt de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen aan de overtreder voor de bedoelde feiten overeenkomstig de administratieve procedure zoals bepaald
de artikelen 53 tot 61. Art. 64.- De betaling overeenkomstig de vereenvoudigde procedure dooft eveneens de mogelijkheid om een strafrechtelijke vervolging
te zetten voor de bedoelde feiten. ». Art. 14.De artikelen 51, 52, 52bis, 53 en 54 van dezelfde wet worden respectievelijk de artikelen 65, 66, 67, 68 en 69. Art. 15.Dit hoofdstuk treedt
werking op een door de Koning te bepalen datum. HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming Art. 16.Artikel 10 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, gewijzigd bij de wet van 15 januari 1999, wordt vervangen als volgt : « Art. 10.- § 1. De gemeenten van iedere provincie worden voor de algemene organisatie van brandweerdiensten
gewestelijke groepen
gedeeld. De gouverneur bepaalt de samenstelling van die groepen en wijst
iedere groep de gemeente aan die er het centrum van vormt, na raadpleging van de belanghebbende gemeenteraden. Die gemeente is er wegens haar aanwijzing toe gehouden over een brandweerdienst met het nodige personeel en materiaal te beschikken. Een gewestelijke groep kan worden gevormd uit gemeenten van verschillende provincies. De betrokken gouverneurs bepalen
gemeen overleg de samenstelling van de groep en wijzen de gemeente aan die er het centrum van vormt; wordt geen overeenstemming bereikt, dan neemt de minister, tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoren, de beslissing op verzoek van een van die gouverneurs. De overige gemeenten van de gewestelijke groep zijn ertoe gehouden hetzij een brandweerdienst, die over het nodige personeel en materieel beschikt, te behouden of op te richten hetzij beroep te doen op de brandweerdienst van de gemeente die het centrum van die groep vormt mits betaling van een forfaitaire en jaarlijkse bijdrage. De maatregelen welke dienen getroffen te worden voor het optreden van de brandweerdienst van laatstgenoemde gemeente worden bepaald
een algemeen reglement vastgesteld door de minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoren. Zij mogen aangevuld worden door de gouverneur
dien de plaatselijke omstandigheden zulks vergen, en op verzoek van de belanghebbende gemeenteraden. De bij de
werkingtreding van deze wet lopende overeenkomsten houden op uitwerking te hebben op een door de Koning vastgestelde datum. § 2.
afwijking van artikel 256 van de nieuwe gemeentewet, de forfaitaire en jaarlijkse bijdrage verschuldigd door de gemeenten wordt door de gouverneur, na raadpleging van de belanghebbende gemeenteraden vastgesteld als volgt : 1° De kosten van de brandweerdiensten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra worden, per provincie, en per categorieën X, Y en Z, omgeslagen over de gemeenten die deel uitmaken van een gewestelijke groep en bediend worden door de brandweerdienst van de gemeente-groepscentrum.2° De jaarlijkse bijdrage verschuldigd door de gemeenten wordt vastgesteld op de grondslag van : a) het jongste kadastraal gebouwd en ongebouwd
komen van elke gemeente;
- b)het bevolkingscijfer van elke gemeente;
- c)de
aanmerking komende kosten van de brandweerdiensten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van de provincie;die kosten worden vastgesteld op grond van de tijdens het vorige jaar door die diensten gedragen werkelijke kosten, met
begrip van de kosten voor
tresten en aflossingen van leningen. Op het kadastraal
komen en op het bevolkingscijfer van de gemeenten waar een vooruitgeschoven post gevestigd is, kan door de gouverneur een coëfficiënt groter dan 1 toegepast worden. Mogen niet meegerekend worden bij het vaststellen van de
aanmerking komende kosten : a) de tegemoetkomingen door het Rijk verleend voor de aankoop van materieel en de uitvoering van werken, zomede eventueel de
stallatie- en werkingskosten van de centra van het eenvormig oproepstelstel, welke voor de Staat ten laste genomen worden;b) de financiële lasten betreffende de pensioenen van het personeel van de brandweerdiensten met uitzondering van het aandeel van de werkgever
de bijdrage aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten of het overeenstemmend percentage wanneer de gemeente-gewestelijk groepscentrum zelf haar pensioenkas beheert;c) de uitgaven welke uiteraard uitsluitend ten laste komen van de gewestelijke groepcentrumgemeente.3° Het beroepspersoneel van de brandweerdiensten van de categorieën Y en Z, dat meegerekend mag worden voor het bepalen van de
aanmerking komende kosten van de brandweerdiensten van de gemeenten-gewestelijke groepcentra mag niet meer dan 10 % uitgaan boven het minimum beroepspersoneel zoals door de Koning vastgesteld. De gouverneur kan echter, wegens regionale of lokale omstandigheden, één of meer van die gemeenten machtigen de kosten
verband met het beroepspersoneel boven de
het eerste lid gestelde norm, geheel of gedeeltelijk
rekening te brengen. De Koning legt de normen vast, die de gouverneur moet toepassen voor het bepalen van deze kosten. 4° De
aanmerking komende kosten van de gemeente-gewestelijk groepscentrum van categorie Z, zoals zij voortvloeien uit de punten 2° en 3°, worden verhoogd met een forfaitaire som welke niet boven de 25 % van de kosten mag uitgaan en bestemd is tot dekking van de eventuele
terventies ter versterking van de centra X en Y. De gouverneur stelt de forfaitaire som vast. De Koning legt de normen vast, die de gouverneur moet toepassen voor het bepalen van deze forfaitaire som. 5° De
aanmerking komende kosten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van de categorieën X en Y, zoals zij voortvloeien uit de punten 2° en 3°, worden verminderd met een bedrag gelijk aan het totaal van de forfaitaire sommen vastgesteld bij toepassing van het punt 4°. De gouverneur slaat dat bedrag om over al de gemeenten-groepscentra van categorieën X en Y. § 3.
afwijking van artikel 256 van de nieuwe gemeentewet, neemt de gemeente-centrum van een gewestelijke groep deel
een aandeel van de
aanmerking komende kosten van de brandweerdiensten, vastgesteld door de gouverneur rekening houdend met de lokale en regionale omstandigheden. De gouverneur geeft aan elke gemeente kennis van het aandeel dat te haren laste komt, en verzoekt haar binnen zestig dagen advies uit te brengen. Het gunstig advies of de ontstentenis van advies vanwege de gemeenteraad geldt als akkoord met de opneming van de verschuldigde som van een rekening welke bij een financiële
stelling op naam van de gemeente is geopend. Bij ongunstig advies van de gemeenteraad, beschikt de gouverneur en brengt hij zijn beslissingen ter kennis van de gemeenteraad. Wanneer, binnen veertig dagen na de notificatie, de gemeenteraad weigert of verzuimt deze laatste beslissing op te volgen, wordt de opneming verricht overeenkomstig artikel 11, derde lid. De Koning legt de normen vast, die de gouverneur moet toepassen voor het bepalen van het aandeel. § 4. 1° De gemeente die over geen brandweerdienst beschikt, betaalt jaarlijks een door de gouverneur vastgestelde bijdrage welke berekend wordt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
deze formule is : C = de jaarlijkse bijdrage van de betrokken gemeente; F = de
aanmerking komende kosten van al de gemeenten-gewestelijk groepscentrum van de categorie waartoe de gemeente behoort, verhoogd of verlaagd overeenkomstig de punten 4° en 5° van § 2, en na aftrek van de aandelen gedragen door de gemeenten-gewestelijke groepscentra van bedoelde categorie; r = het jongste kadastraal
komen van de betrokken gemeente, zoals bepaald
§ 2
, 2°, eerste lid, a ; R = het totaal van de « r » van de gemeenten, die geen gemeenten-gewestelijk groepcentrum zijn en bediend worden door de brandweerdiensten van de bedoelde categorie; p = het bevolkingscijfer van de betrokken gemeente volgens de
het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte jongste officiële opgave van 's Rijks bevolkingscijfer; P = het totaal van de « p » van de gemeenten die geen gewestelijk groepscentrum zijn en bediend worden door de brandweerdiensten van de bedoelde categorie. 2° De
§ 4
vastgestelde bijdrage wordt betaald
kwartaaltranches berekend op basis van de definitieve bijdrage welke voor het vorige jaar werd betaald. Bij het einde van elk kwartaal geeft de gouverneur aan elke betrokken gemeente kennis van het voorlopig bedrag van de bijdrage betreffende die periode. De gemeente beschikt over een termijn van een maand om te betalen. Bij niet-betaling binnen die termijn wordt het bedrag opgenomen overeenkomstig artikel 11, derde lid. 3°
de loop van het volgend jaar geeft de gouverneur aan elke gemeente kennis van het aandeel of van het definitief bedrag van de bijdrage dat te haren laste komt, en verzoekt haar binnen zestig dagen advies uit te brengen. Het verschil tussen de voorlopige bijdrage bedoeld
punt 2° en de definitieve bijdrage wordt, volgens het geval, aan de gemeente-gewestelijk groepscentrum betaald of door deze terugbetaald. Het gunstig advies of de ontstentenis van advies vanwege de gemeenteraad omtrent de bijdrage geldt als akkoord met de opneming van het volgens het geval, nog verschuldigde of terug te betalen bijdragegedeelte van een rekening welke bij een financiële
stelling op naam van de gemeente is geopend. Bij ongunstig advies van de gemeenteraad, beschikt de gouverneur en brengt hij zijn beslissingen ter kennis van de gemeenteraad. Wanneer, binnen veertig dagen na de notificatie, de gemeenteraad weigert of verzuimt deze laatste beslissing op te volgen, wordt de opneming verricht overeenkomstig artikel 11, derde lid. § 5. Voor elke opneming worden de door de gouverneur genomen beslissingen
toepassing van § 2, 3°, tweede lid, 4°, en van § 3, ter goedkeuring voorgelegd aan de minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoort. Bij gebrek aan afkeuring binnen de veertig dagen na de ontvangst van de beslissing door de minister, wordt de beslissing van rechtswege uitvoerbaar. Art. 17.Artikel 16 heeft uitwerking met
gang van 1 januari 1977, behalve betreffende de geschillenprocedures die aangevat werden vóór de
werkingtreding van deze wet en met uitzondering van § 2, 3°, derde lid, 4°, derde lid, § 3, derde lid, en § 5 die
werking treden op 1 januari 2006. TITEL IV. - Ambtenarenzaken en Grootstedenbeleid HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van de wetten op het gebruik van de talen
bestuurszaken Art. 18.
artikel 43 van de wetten op het gebruik van de talen
bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, gewijzigd bij de wetten van 19 oktober 1998 en 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
§ 2
, eerste lid, worden de woorden « met uitzondering van degenen die
de klasse A3 geïntegreerd zijn op de basis van een graad van rang 10, »
gevoegd tussen de woorden « of met klasse A3, A4 of A5, » en de woorden « worden verdeeld »;2°
§ 3
, eerste lid, worden de woorden « onder voorbehoud van de toepassing van § 2, eerste lid, »
gevoegd tussen de woorden « en de klassen A3, A4 en A5, » en de woorden « worden de betrekkingen »;3°
§ 3
, tweede lid, worden de woorden « , onder voorbehoud van de toepassing van § 2, eerste lid »
gevoegd na de woorden « en de klassen A3, A4 en A5 »;4°
§ 3
, zesde lid, worden de woorden « onder voorbehoud van de toepassing van § 2, eerste lid, »
gevoegd tussen de woorden « en van de klassen A3, A4 en A5, » en de woorden « afwijken ten behoeve van de centrale diensten ». Art. 19.
artikel 43ter, § 8, tweede lid, van dezelfde wetten,
gevoegd bij de wet van 12 juni 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten2 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, worden de woorden « met uitzondering van degenen die
de klasse A3 geïntegreerd zijn op de basis van een graad van rang 10, »
gevoegd tussen de woorden « die
de klassen A3, A4 en A5 benoemd zijn, » en de woorden « gelijkgesteld met betrekkingen die aan de managementfunctie gelijkwaardig zijn. ». Art. 20.De artikelen 18 en 19 hebben uitwerking met
gang van 10 januari 2005. HOOFDSTUK II. - Gemeentelijke administratieve sancties Art. 21.
artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet,
gevoegd bij de wet van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 19/06/1999 numac 1999022532 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen « Volksgezondheid » sluiten en gewijzigd bij de wetten van 26 juni 2000, 7 mei 2004 en 17 juni 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 2, derde lid, wordt vervangen als volgt : «
afwijking van § 1 kan de gemeenteraad
zijn reglementen en verordeningen voorzien
de administratieve sanctie als bedoeld
het tweede lid, 1°, voor een strafbaar feit genoemd
boek II, titel X van het Strafwetboek en
de artikelen 327 tot 330, 398, 448, 461, 463, 526, 537, 545, 559, 1°, 561, 1°, en 563, 2° en 3°, van het Strafwetboek.»; 2°
§ 2
, zevende lid, worden tussen de woorden « op het tijdstip van de feiten » en de woorden « kunnen gestraft worden » de woorden « , zelfs wanneer deze persoon op het ogenblik van de beoordeling van de feiten meerderjarig is geworden, »
gevoegd;3° § 6, tweede lid, 1°, wordt als volgt aangevuld : «
geval van een meergemeenten-politiezone, kunnen deze gemeenteambtenaren vaststellingen verrichten op het grondgebied van alle gemeenten die deel uitmaken van deze politiezone, nadat daartoe voorafgaandelijk een overeenkomst werd gesloten tussen de betrokken gemeenten.»; 4° § 7 wordt vervangen als volgt : « § 7.1°
dien de feiten zowel een
breuk vormen op de artikelen 327 tot 330, 398, 448, 461, 463, 526, 537, 545, 559, 1°, 561, 1°, of 563, 2° en 3° van het Strafwetboek, als gesanctioneerd worden met een administratieve sanctie, wordt het origineel van de vaststelling uiterlijk binnen de maand na de vaststelling toegestuurd aan de procureur des Konings. Bij gebreke hieraan kan er geen enkele administratieve sanctie worden opgelegd. De politieambtenaar of hulpagent vermeldt op het proces-verbaal uitdrukkelijk de datum waarop het werd toegestuurd of ter hand gesteld aan de procureur des Konings. Er wordt tezelfdertijd een afschrift opgestuurd aan de ambtenaar; 2°
dien de
breuk enkel met een administratieve sanctie bestraft kan worden, wordt het origineel van de vaststelling uiterlijk binnen de maand na de vaststelling aan de ambtenaar toegestuurd.Bij gebreke hieraan kan er geen enkele administratieve sanctie worden opgelegd; 3° van de vaststellingen lastens minderjarigen voor feiten die enkel kunnen worden bestraft met een administratieve sanctie, wordt door de politiediensten of gemeenteambtenaren steeds een afschrift overgemaakt aan de procureur des Konings;4°
dien de vaststelling wordt opgesteld door een ambtenaar van een vervoersmaatschappij, wordt zij door deze toegestuurd aan de ambtenaar bevoegd voor het grondgebied van de gemeente waar de feiten zich hebben voorgedaan.»; 5° § 8, tweede lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « door de artikelen 526, 537 en 545 van het Strafwetboek » worden vervangen door de woorden « door de artikelen 526, 537, 545, 559, 1°, 561, 1° en 563, 2° en 3° van het Strafwetboek »;2° de woorden « één maand » worden vervangen door de woorden « twee maanden »;6° er wordt een § 8bis
gevoegd, luidende : « § 8bis.
dien buiten de gevallen van samenloop vermeld
§ 7
, een feit zowel een strafrechtelijke als een administratiefrechtelijke
breuk vormt, dient te worden gehandeld volgens de procedures die gelden voor
breuken bedoeld
de artikelen van boek II, titel X van het Strafwetboek en de artikelen 526, 537 en 545 van het Strafwetboek. »; 7° § 9bis wordt aangevuld met het volgende lid : «
afwijking van § 9, wordt het
§ 9
, eerste lid, bedoelde aangetekend schrijven aan de minderjarige en aan zijn vader en moeder, zijn voogden of de personen die het gezag over hem uitoefenen, gestuurd.Deze partijen hebben dezelfde rechten als de overtreders zelf. »; 8° § 10, tweede en derde lid, worden vervangen als volgt : « Deze beslissing wordt bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht aan de overtreder en
het geval van een minderjarige overtreder, aan de minderjarige, evenals aan zijn vader en moeder, zijn voogden of de personen die het gezag over hem uitoefenen. De vader en de moeder, de voogden of de personen die het gezag over de minderjarige uitoefenen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor het betalen van de geldboete. De beslissing bedoeld
het tweede lid dient binnen een termijn van zes maanden ter kennis te worden gebracht aan de betrokkenen. Deze termijn gaat
op de dag van de ontvangst van het afschrift van het proces-verbaal of van de ontvangst van de vaststelling door de personen zoals bedoeld
§ 6, tweede lid.
De ambtenaar kan geen administratieve geldboete meer opleggen na het verstrijken van deze termijn. Hij kan een afschrift van het proces-verbaal of van de vaststellingen van de personen bedoeld
§ 6
, tweede lid, en een afschrift van zijn beslissing overzenden aan elke belanghebbende partij die voorafgaandelijk hiertoe een schriftelijk en gemotiveerd verzoek richt aan hem. »; 9° § 12, eerste tot derde lid, worden vervangen als volgt : « De gemeente,
geval van beslissing tot het niet-opleggen van een administratieve geldboete genomen door een aangewezen provincieambtenaar, of de overtreder kan binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing bij verzoekschrift een beroep
stellen bij de politierechtbank volgens de burgerlijke procedure.
dien de beslissing evenwel betrekking heeft op minderjarigen die de volle leeftijd van zestien jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten, wordt hoger beroep
gesteld bij kosteloos verzoekschrift bij de jeugdrechtbank.
dit geval kan het hoger beroep ook worden
gesteld door de vader en de moeder, zijn voogden of de personen die het gezag over hem uitoefenen. De jeugdrechtbank blijft bevoegd
dien de overtreder meerderjarig is op het moment dat de rechtbank zich uitspreekt. De politierechtbank of de jeugdrechtbank doet,
het kader van een openbaar debat met uiteenzetting door alle partijen, uitspraak over het beroep dat werd
gesteld tegen de administratieve sancties als bedoeld
§ 2, tweede lid, 1°.
Zij oordeelt over de wettigheid en de proportionaliteit van de opgelegde geldboete. »; 10° § 12, vijfde lid, wordt aangevuld als volgt : «
dit geval is artikel 60 van de wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/06/1998 pub. 13/06/1998 numac 1998000389 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten sluiten7 betreffende de jeugdbescherming van toepassing.»; 11° § 12, zesde lid, wordt vervangen als volgt : « Geen hoger beroep staat open tegen de beslissing van de politierechtbank of van de jeugdrechtbank. Wanneer echter de jeugdrechtbank beslist om de administratieve sanctie te vervangen door een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding bedoeld
artikel 37 van de wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/06/1998 pub. 13/06/1998 numac 1998000389 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten sluiten7 betreffende de jeugdbescherming, staat er wel hoger beroep open.
dit geval wordt er gehandeld volgens de procedures van de wet van 8 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/06/1998 pub. 13/06/1998 numac 1998000389 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten sluiten7 betreffende de jeugdbescherming die gelden voor de als misdrijf omschreven feiten. » Art. 22.De artikelen 559, 1°, 561, 1°, 562, 563, 2° en 3°, 564, 565 en 566 opgenomen
boek II, titel X van het Strafwetboek en opgeheven bij de wet van 17 juni 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/06/1998 pub. 13/06/1998 numac 1998000389 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten sluiten0 evenals het opschrift van boek II, titel X van het Strafwetboek worden hersteld zoals ze waren opgesteld voor hun opheffing. TITEL V. - Landsverdediging HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader Art. 23.Artikel 15 van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, gewijzigd bij de wetten van 20 mei 1994 en 27 maart 2003, wordt opgeheven. Art. 24.
artikel 20, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 maart 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/03/2001 pub. 07/04/2001 numac 2001007087 bron ministerie van landsverdediging Wet tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de statuten van het militair personeel sluiten, vervallen de woorden « de examens die moeten worden afgelegd, ». Art. 25.
dezelfde wet wordt een artikel 20bis
gevoegd, luidende : « Art. 20bis.- Tijdens de volledige vorming moet de kandidaat : 1° de vereiste professionele en karakteriële hoedanigheden evenals de vereiste fysieke hoedanigheden op het vlak van de fysieke conditie bezitten;2° de vereiste fysieke hoedanigheden op medisch gebied bezitten;3° de morele hoedanigheden bezitten die voor de personeelscategorie waarvoor hij gevormd wordt, onontbeerlijk zijn.
dien een gedeelte van de vormingscyclus
een
artikel 20, tweede lid, bedoelde
stelling wordt gevolgd, wordt voor dit gedeelte rekening gehouden met het regime van die
stelling wat betreft het verlenen van een vrijstelling of uitstel, de professionele beoordeling, de organisatie en de werking van de deliberatiecommissie en wat betreft de door deze commissie te nemen maatregelen. De beoordeling van de karakteriële hoedanigheden en van de fysieke hoedanigheden op het vlak van de fysieke conditie kan tot bepaalde periodes van de vorming beperkt worden. » Art. 26.
dezelfde wet wordt een artikel 20ter
gevoegd, luidende : « Art. 20ter.- § 1. Tijdens een periode van opleiding of van schoolvorming berust de beoordeling van de professionele hoedanigheden op de voor de elementen van deze vormingsperiode behaalde resultaten. Tijdens een stage- of evaluatieperiode bestaat de beoordeling van de professionele hoedanigheden erin na te gaan
welke mate de kandidaat
staat is om de taken die hem, naargelang het geval, als officier, onderofficier of vrijwilliger zouden worden toegewezen, zelfstandig uit te voeren. Deze beoordeling wordt uitgedrukt
één van de volgende meldingen : « onvoldoende », « voldoende », « goed » of « zeer goed ». § 2. De professionele hoedanigheden van elke kandidaat worden,
voorkomend geval, ten minste beoordeeld : 1° tijdens de academische vorming, op het einde van elk vormingsjaar en op het einde van de academische vorming;2° tijdens de periode van opleiding, één keer per vormingsjaar en op het einde van de periode van opleiding;3° tijdens de periode van stage, één keer per vormingsjaar en op het einde van de stageperiode;4° tijdens de periode van evaluatie, één keer per vormingsjaar en op het einde van de evaluatieperiode. De Koning kan bijkomende professionele beoordelingsmomenten bepalen
functie van de specifieke vormingscyclus van de kandidaat.
dien de beoordelingsmomenten samenvallen, wordt één enkele beoordeling gemaakt. » Art. 27.
dezelfde wet wordt een artikel 20quater
gevoegd, luidende : « Art. 20quater.- § 1. Tijdens een periode van opleiding of een periode van schoolvorming bezit de kandidaat de vereiste professionele hoedanigheden
dien hij, bij elke beoordeling bedoeld
artikel 20ter, § 2, tegelijk aan de volgende criteria tot slagen voldoet : 1° zich niet onthouden hebben van deelname aan alle examens, tenzij mits geldige reden;2° ten minste het minimum globaal cijfer om te slagen, behaald hebben;3° voor elk uitsluitend element, ten minste het minimum cijfer om te slagen behaald hebben. § 2. Iedere beoordeling uitgebracht over een kandidaat tijdens een periode van opleiding of van schoolvorming bedoeld
artikel 20ter, § 2, waarvoor de kandidaat niet aan de criteria tot slagen heeft voldaan, of tijdens dewelke hij, zonder geldige reden, niet aan een examen of test heeft deelgenomen, wordt aan de bevoegde deliberatiecommissie voorgelegd. De kandidaat-officier die bij geen van beide pogingen geslaagd is voor het examen over de wezenlijke kennis van de tweede landstaal, voorzien
artikel 3 van de wet van 30 juli 1938Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1938 pub. 24/10/2001 numac 2001000545 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende het gebruik der talen bij het leger Duitse vertaling sluiten betreffende het gebruik der talen bij het leger, zet zijn vorming verder met zijn oorspronkelijke promotie. § 3.
zake de beoordeling van de professionele hoedanigheden beslist de deliberatiecommissie, dat de kandidaat, naargelang het geval en onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van artikel 20bis, tweede lid : 1° de vereiste professionele hoedanigheden bezit en,
voorkomend geval, de vorming mag verderzetten;2° een herexamen mag afleggen, zijn masterproef opnieuw mag
dienen en voorstellen, of opnieuw mag
dienen of voorstellen;3° uitzonderlijk de vorming mag herbeginnen en aangehecht mag worden aan de volgende promotie;4° de vereiste professionele hoedanigheden niet meer bezit en definitief mislukt is.» Art. 28.
dezelfde wet wordt een artikel 20quinquies
gevoegd, luidende : « Art. 20quinquies.- § 1. Tijdens een stageperiode of een evaluatieperiode bezit de kandidaat de vereiste professionele hoedanigheden
dien hij ten minste de vermelding « voldoende » bekomt bij de jaarlijkse beoordeling en bij de beoordeling op het einde van de stageperiode en de evaluatieperiode. § 2. Iedere beoordeling bedoeld
§ 1
waarbij de kandidaat niet ten minste de vermelding « voldoende » heeft bekomen wordt aan de bevoegde evaluatiecommissie voorgelegd. De evaluatiecommissie beslist dat de kandidaat hetzij : 1° de vereiste professionele hoedanigheden bezit waarbij hem voor de betrokken beoordeling de vermelding « voldoende » wordt toegekend en,
voorkomend geval, de vorming mag verderzetten;2° de vereiste professionele hoedanigheden niet meer bezit en definitief mislukt is.» Art. 29.
dezelfde wet wordt een artikel 20sexies
gevoegd, luidende : « Art. 20sexies.- § 1. De beoordeling van de karakteriële hoedanigheden is de beoordeling van de attitude van de kandidaat als militair volgens bepaalde criteria, op basis van waarneembare gedragingen. De lijst van de criteria en de lijst van de overeenkomstige waarneembare gedragingen worden bepaald door de Koning. De weging en het al dan niet uitsluitend karakter van de criteria, de waardeschaal van de waarneembare gedragingen en de te behalen cijfers om te slagen worden door de Koning bepaald
functie van de personeelscategorie waarvoor de kandidaat wordt gevormd en,
voorkomend geval, van zijn specifieke vormingscyclus, evenals van het moment van de beoordeling. De lijst en de waardeschaal van de waarneembare gedragingen worden evenwel tot 31 december 2006 door de Minister van Landsverdediging bepaald. § 2. De karakteriële hoedanigheden van de kandidaat worden,
voorkomend geval, ten minste beoordeeld : 1° op het einde van de periode van schoolvorming of van opleiding en éénmaal per vormingsjaar;2° op het einde van de stageperiode;3° op het einde van de evaluatieperiode. De Koning kan bijkomende karakteriële beoordelingsmomenten bepalen
functie van de specifieke vormingscyclus van de kandidaat. » Art. 30.
dezelfde wet wordt een artikel 20septies
gevoegd, luidende : « Art. 20septies.- § 1. Om de vereiste karakteriële hoedanigheden te bezitten, moet de kandidaat, bij elke beoordeling bedoeld
artikel 20sexies, § 2, aan de volgende criteria tot slagen voldoen : 1° ten minste het minimum globaal cijfer om te slagen, behaald hebben;2° voor elk uitsluitend criterium, ten minste het minimum cijfer om te slagen behaald hebben. § 2. Iedere beoordeling bedoeld
§ 1
waarbij de kandidaat niet aan de criteria tot slagen voldaan heeft, wordt voorgelegd, naargelang het geval : 1° aan een deliberatiecommissie,
dien het een beoordeling betreft uitgebracht tijdens een periode van schoolvorming of een periode van opleiding;2° aan een evaluatiecommissie,
dien het een beoordeling betreft uitgebracht tijdens de stage- of evaluatieperiode.
dien de deliberatie- of evaluatiecommissie de ongunstige beoordeling bevestigt, wordt de kandidaat als definitief mislukt beschouwd.
het tegenovergestelde geval wordt de kandidaat geacht de vereiste karakteriële hoedanigheden te hebben. » Art. 31.
dezelfde wet wordt een artikel 20octies
gevoegd, luidende : « Art. 20octies.- §
- De beoordeling van de fysieke hoedanigheden op het vlak van de fysieke conditie berust op de resultaten behaald op proeven van fysieke conditie. De proeven van fysieke conditie omvatten de basisproeven van fysieke conditie en, voor bepaalde specifieke vormingscycli, bijkomende proeven van fysieke conditie. §
- De fysieke hoedanigheden op het vlak van de fysieke conditie worden ten minste op het einde van elk vormingsjaar beoordeeld. De kandidaat beschikt over twee pogingen om te slagen. Tijdens het eerste vormingsjaar kunnen de proeven van fysieke conditie ten vroegste de eerste dag van de zesde maand volgend op de maand van de
lijving afgelegd worden. § 3. De Koning bepaalt : 1° de aard en het al dan niet uitsluitend karakter van de proeven;2° het minimum globaal cijfer te behalen om te slagen;3° bijkomende beoordelingsmomenten,
functie van de specifieke vormingscyclus van de kandidaat.» Art. 32.
dezelfde wet wordt een artikel 20novies
gevoegd, luidende : « Art. 20novies.- § 1. Om de vereiste fysieke hoedanigheden te bezitten, moet de kandidaat, bij elke beoordeling bedoeld
artikel 20octies, aan de volgende criteria tot slagen voldoen : 1° ten minste het minimum globaal cijfer om te slagen, behaald hebben;2° voor elke uitsluitende proef, ten minste het minimum cijfer om te slagen behaald hebben. § 2. Iedere beoordeling bedoeld
§ 1
waarbij de kandidaat niet aan de criteria tot slagen voldaan heeft, wordt voorgelegd, naargelang het geval : 1° aan een deliberatiecommissie,
dien het een beoordeling betreft uitgebracht tijdens een periode van schoolvorming of een periode van opleiding;2° aan een evaluatiecommissie,
dien het een beoordeling betreft uitgebracht tijdens de stage- of evaluatieperiode. Deze commissie kan, naargelang het geval : 1° beslissen om de kandidaat gelijk te stellen met hen die geslaagd zijn,
welk geval hij geacht wordt de vereiste hoedanigheden
zake fysieke conditie te bezitten;2° beslissen dat de kandidaat definitief mislukt is omdat hij de vereiste hoedanigheden
zake fysieke conditie niet bezit;3° beslissen om bijkomend uitstel toe te kennen aan de kandidaat die het vraagt voor het afleggen van de basisproeven van fysieke conditie,
de gevallen die de Koning bepaalt;4° beslissen om een verlenging van de vormingsperiode toe te staan zodat hij de laatste proeven van fysieke conditie op een latere vastgestelde datum kan afleggen.» Art. 33.
dezelfde wet wordt een artikel 20decies
gevoegd, luidende : « Art. 20decies.- De kandidaat kan een gemotiveerd beroep aantekenen bij de beroepscommissie, naargelang het geval, tegen de beslissing van de deliberatiecommissie of van de evaluatiecommissie. De beroepscommissie kan de beslissing van de deliberatie- of evaluatiecommissie bevestigen of, een nieuwe beslissing nemen. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de deliberatie-, evaluatie- en beroepscommissies. » Art. 34.
dezelfde wet wordt een artikel 20undecies
gevoegd, luidende : « Art. 20undecies.- Bezit de vereiste fysieke hoedanigheden op medisch gebied de kandidaat die voldoet aan de criteria bedoeld
artikel 90, § 1, eerste lid, van de wet van 20 mei 1994
zake de rechtstoestanden van het militair personeel, die overeenstemmen met zijn specifieke vormingscyclus. » Art. 35.
dezelfde wet wordt een artikel 20duodecies
gevoegd, luidende : « Art. 20duodecies.- Bezit de
artikel 20bis, eerste lid, 3°, bedoelde morele hoedanigheden de kandidaat : 1° die niet is veroordeeld wegens één van de
de hoofdstukken V en VI van titel VII en
de hoofdstukken I en II van titel IX van het Strafwetboek bedoelde strafbare feiten;2° die niet is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden of meer wegens een ander strafbaar feit dan bedoeld
1° met uitzondering van bepaalde, door de Koning bepaalde strafbare feiten van het Strafwetboek en van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer gecoördineerd op 16 maart 1968. De Koning kan,
functie van de personeelscategorie waarvoor de kandidaat gevormd wordt, bijkomende strafbare feiten bepalen die aanleiding geven tot het verlies van de morele hoedanigheden. » HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wet van 16 maart 1994 betreffende het statuut en de bezoldiging van het onderwijzend burgerpersoneel van de Koninklijke Militaire School Art. 36.Artikel 1, § 2, vijfde lid, van de wet van 16 maart 1994 betreffende het statuut en de bezoldiging van het onderwijzend personeel van de Koninklijke Militaire School, vervangen bij de wet van 27 maart 2003, wordt aangevuld als volgt : « Op voorstel van de academische raad van de Koninklijke Militaire School kunnen zij,
dien zij voldoen aan de diplomavoorwaarden, door de Commandant van de Koninklijke Militaire School bijkomend belast worden met een deeltijdse onderwijsopdracht, naargelang het geval, als docent of militaire docent. Het totaal van het aantal lesuren van een dergelijke bijkomende deeltijdse onderwijsopdracht mag evenwel niet hoger zijn dan honderd vijftig lesuren per academiejaar. » Art. 37.
artikel 4 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
het eerste lid worden de woorden « De weddeschalen » vervangen door de woorden « De weddenschalen, de toelagen en de vergoedingen »;2° tussen het vijfde en het zesde lid wordt het volgende lid
gevoegd : « De repetitoren en de militaire repetitoren die belast worden met een bijkomende deeltijdse onderwijsopdracht, ontvangen een toelage.» HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen Art. 38.Artikel 10bis, § 3, eerste lid, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen,
gevoegd bij de wet van 27 maart 2003, wordt aangevuld als volgt : « 6° naar aanleiding van een verandering van de woon- of verblijfplaats ten gevolge van de overbrenging van de gewone plaats van het werk of van een, door de Koning bepaalde, omstandigheid. » HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de wet van 20 mei 1994
zake de rechtstoestanden van het militair personeel Art. 39.
hoofdstuk II van de wet van 20 mei 1994 betreffende de rechtstoestanden van het militair personeel wordt een afdeling 4
gevoegd, luidende : « Afdeling
- - Professionele heroriëntering van de militairen Art. 99bis.- §
- De militair van het actief kader
werkelijke dienst die niet
mobiliteit of
beziging is en die geen functie bekleedt waarvan de bezoldiging niet wordt gedragen door de begroting van Landsverdediging, kan zich kandidaat stellen om bij een partnerwerkgever van de privé-sector professioneel geheroriënteerd te worden. Onder partnerwerkgever wordt verstaan elke werkgever
de zin van de wet van 5 december 1968Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/06/1998 pub. 13/06/1998 numac 1998000389 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten sluiten9 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, onderworpen aan de Belgische sociale zekerheid en
regel met de bijdragen voor de sociale zekerheid en bestaanszekerheid die, ofwel rechtstreeks ofwel onrechtstreeks door tussenkomst van zijn representatieve werkgevers- of beroepsorganisatie, een partnerschapsakkoord met het ministerie van Landsverdediging afgesloten heeft. De werkgever die voldoet aan de bepalingen ter zake voorzien
het koninklijk besluit van 8 januari 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 19/06/1999 numac 1999022532 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen « Volksgezondheid » sluiten8 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken wordt beschouwd
regel te zijn met de bijdragen voor de sociale zekerheid en bestaanszekerheid. De Koning bepaalt de ogenblikken waarop bewezen moet worden dat de voorwaarden om partnerwerkgever te zijn vervuld zijn. De Koning kan bijkomende voorwaarden voor de ondertekening van het partnerschapsakkoord bepalen. § 2. Om professioneel geheroriënteerd te worden moet de militair : 1° deel uitmaken van de door de Koning bepaalde doelgroep;2° naargelang het geval, ten minste vijf jaar werkelijke dienst volbracht hebben als militair korte termijn of ten minste het door de Koning bepaalde aantal jaren werkelijke dienst
een andere hoedanigheid van militair;3° zich niet bevinden
een rendementsperiode, bedoeld
artikel 3 van de wet van 16 maart 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/2000 pub. 06/04/2000 numac 2000007081 bron ministerie van landsverdediging Wet betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming van bepaalde kandidaat-militairen, de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden sluiten betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming van bepaalde kandidaat-militairen, de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden. De militair die dient onder het regime van dienstneming en wederdienstneming moet evenwel de periode van professionele heroriëntering kunnen beëindigen zonder een nieuwe wederdienstneming aan te gaan. De Koning bepaalt de modaliteiten om een aanvraag tot professionele heroriëntering
te dienen. §
- Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van dit artikel en naargelang de personeelscategorie waartoe zij behoren, blijven alle wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het statuut van de beroepsofficieren, de beroepsonderofficieren of beroepsvrijwilligers van toepassing op de professioneel geheroriënteerde militairen. §
- Het proces van professionele heroriëntering bevat : 1° een selectiefase gedurende dewelke de militair, na zijn kandidatuur gesteld te hebben en door de minister van Landsverdediging aanvaard te zijn, aan de door de betrokken partnerwerkgever georganiseerde selectie deelneemt;2° eventueel, een door deze werkgever georganiseerde opleidingsfase waarvan de concrete duur
de geïndividualiseerde bijlage bij het partnerschapsakkoord bepaald wordt;3° eventueel, een door deze werkgever georganiseerde stagefase waarvan de concrete duur
de geïndividualiseerde bijlage bij het partnerschapsakkoord bepaald wordt. De gecumuleerde duur van de opleidings- en stagefasen mag één jaar niet overschrijden. Bij het slagen
de stage of bij ontstentenis ervan bij het slagen
de opleiding, wordt tussen de werkgever en de militair een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur getekend. Bij ontstentenis van een stage en een opleiding, wordt zodra de selectie gunstig is, tussen de werkgever en de geselecteerde militair een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur getekend. Na het slagen van de stage, of bij ontstentenis ervan van de opleiding, worden, naargelang het geval, het ontslag van de militair of de verbreking van zijn dienstneming of wederdienstneming en de arbeidsovereenkomst van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van het slagen. Op die datum verliest de militair de hoedanigheid van militair van het actief kader. Bij ontstentenis van een opleidings- en stagefase, worden evenwel, naargelang het geval, het ontslag of de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming en de arbeidsovereenkomst van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van de gunstige selectie van de militair. § 5. De militair geniet gedurende het proces van professionele heroriëntering van dezelfde geldelijke voordelen als de militair
normale dienst. Als de militair prestaties verricht
de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek of
de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap, wordt een einde gemaakt aan deze arbeidsregeling wanneer hij aan een opleidings- of stagefase begint. De Koning kan een vertrekpremie voorzien waarvan Hij het bedrag en de uitbetalingsmodaliteiten bepaalt.
geval van eventuele heropneming, moet de vertrekpremie terugbetaald worden. De militair korte termijn van wie de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming
het kader van de professionele heroriëntering plaatsvindt, kan geen aanspraak maken op de vertrekpremie of de dienstontheffing bedoeld
artikel 26 van de wet van 20 mei 1994 houdende statuut van de militairen korte termijn. De militair korte termijn kan niet heropgenomen worden. § 6. Het partnerschapsakkoord bevat ten minste : 1° de procedure en de criteria voor de selectie;2° de regels betreffende de tenlasteneming van de onkosten van de eventuele opleiding;3° de evaluatieprocedure en -criteria toepasselijk gedurende de opleiding;4° de regels betreffende de tenlasteneming, werkgeversbijdragen
begrepen, van de wedde, de toelagen, de vergoedingen, de premies, de voordelen van alle aard, de sociale voordelen en de kinderbijslag van de militairen tijdens de selectie- en opleidingsfasen;deze kosten worden altijd volledig ten laste genomen door de partnerwerkgever tijdens de stagefase; 5°
dien een opleidings- of stagefase voorzien is, de regels betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid van de werkgever, en
voorkomend geval, het bewijs van de dekking van de risico's gebonden aan de arbeidsongevallen en de modaliteiten van levering van dit bewijs;6° de praktische modaliteiten om het akkoord op te zeggen;7° de duur van het akkoord;8°
voorkomend geval,
bijlage een lijst van de bij de representatieve werkgevers- of beroepsorganisatie aangesloten werkgevers. Voor elke professioneel geheroriënteerde militair wordt een geïndividualiseerde bijlage opgesteld, deze bevat ten minste : 1° de concrete duur van de eventuele opleidings- en stagefasen;2° de bepaling van het cursusprogramma tijdens de opleidingsfase alsook het uurrooster;3° de arbeidsovereenkomst;4° het arbeidsreglement en de collectieve arbeidsovereenkomsten die van toepassing zijn of zullen zijn op de ex-militair. Een afschrift van het partnerschapsakkoord en van de geïndividualiseerde bijlage wordt ten laatste vijf werkdagen voor de ondertekening van de arbeidsovereenkomst aan de professioneel geheroriënteerde militair overhandigd. § 7. Mits schriftelijke vooropzeg van drie maanden, kunnen de partijen die het partnerschapsakkoord ondertekend hebben, dit opzeggen.
geval van opzegging, blijven de lopende processen van professionele heroriëntering tot hun einde voortlopen. » HOOFDSTUK V. - Wijziging van de wet van 25 mei 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/05/2000 pub. 29/06/2000 numac 2000007154 bron ministerie van landsverdediging Wet tot
stelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de
stelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking sluiten Tot
stelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de
stelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking Art. 40.
artikel 23, § 2, van de wet van 25 mei 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/05/2000 pub. 29/06/2000 numac 2000007154 bron ministerie van landsverdediging Wet tot
stelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de
stelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking sluiten tot
stelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de
stelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1°
het tweede lid worden de woorden « artikelen 4 tot 9 » vervangen door de woorden « artikelen 4 tot 10 »;2° het derde lid wordt vervangen als volgt : « Onverminderd artikel 7, § 4, van dezelfde wet wordt
dien de
komsten uit deze beroepsactiviteit de grenzen
zake cumulatie, bepaald bij de artikelen 4 en 9 van de wet van 5 april 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten2 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met
komsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen, overschrijden, de wedde van 75 % verminderd met de
komsten die deze grensbedragen overschrijden.» TITEL VI. - Overheidsbedrijven HOOFDSTUK I. - Biac - Belgocontrol Art. 41.Het koninklijk besluit van 22 december 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 19/06/1999 numac 1999022532 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen « Volksgezondheid » sluiten3 tot overname van de wettelijke pensioenverplichtingen van Brussels
ternational Airport Company, wordt bekrachtigd met
gang van de dag van zijn
werkingtreding. Art. 42.Het koninklijk besluit van 27 december 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 19/06/1999 numac 1999022532 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen « Volksgezondheid » sluiten4 tot herstructurering van de wettelijke pensioenverplichtingen van Belgocontrol, wordt bekrachtigd met
gang van de dag van zijn
werkingtreding. Art. 43.Dit hoofdstuk treedt
werking de dag waarop deze wet
het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. HOOFDSTUK II. - N.M.B.S. - Egalisatiebijdrage Art. 44.Wat betreft de N.M.B.S.-Holding en haar filialen, wordt de
houding bedoeld
artikel 39quater van de wet van 29 juni 1981Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten1 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor de werknemers, toegewezen aan de N.M.B.S.-Holding. Een deel van deze
houding, namelijk 7,5 %, wordt geaffecteerd ter compensatie van de lasten, voortvloeiend uit de normalisatie van de rekeningen
zake de pensioenen van het personeel en gelijkgestelde lasten. Het resterend gedeelte wordt
tern geaffecteerd. Art. 45.
frabel zal ten laste van de N.M.B.S., vóór 15 oktober 2005, een bijkomend forfaitair recht voor het gebruik van de
frastructuur ontvangen van 300.000.000 euro. Dit bedrag komt bovenop het recht voor het gebruik van de
frastructuur berekend op basis van de formules voorzien
de Netverklaring die geldig is van december 2004 tot december 2005. Het bijkomend recht zal enkel betrekking hebben op het binnenlands vervoer van reiziger.
afwijking van artikel 50 van het koninklijk besluit van 12 maart 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 19/06/1999 numac 1999022532 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen « Volksgezondheid » sluiten1 betreffende de voorwaarden voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur, gewijzigd door artikel 27 van het koninklijk besluit van 11 juni 2004, bekrachtigd door artikel 311 van de programmawet van 27 december 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten8, heeft
frabel de toelating om de waarde van de coëfficiënten en van de eenheidsprijzen te verhogen die
de Netverklaring, die van december 2005 tot december 2006 van toepassing is, vermeld zijn, overeenkomstig de geldende reglementering, op voorwaarde dat het publiek ten minste 3 maanden van tevoren geïnformeerd wordt. Art. 46.Artikel 44 heeft uitwerking met
gang van 1 januari 2005. TITEL VII. - Mobiliteit HOOFDSTUK I. - Spoorvervoer Art. 47.
artikel 310 van de programmawet van 27 december 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten8, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
§ 1
, tweede lid, worden de woorden «
tegreert deze kost
de berekening van de heffing voor het gebruik van de
frastructuur » vervangen door « rekent deze kosten aan de spoorwegondernemingen aan. »; 2°
§ 2
worden de woorden « de aanrekening en »
gevoegd tussen de woorden « van » en « haar » HOOFDSTUK II.- Luchtvaart Afdeling 1. - Nationale Toezichthoudende
stantie (NSA) Art. 48.Voor de toepassing van afdeling 1 wordt verstaan onder : 1° « Pakket gemeenschappelijk Europees luchtruim » : het geheel van de Europese bepalingen die vervat zijn
de verordening 549/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijk Europees luchtruim, de verordening 550/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de verlening van luchtvaartnavigatiediensten
het gemeenschappelijk Europees luchtruim, de verordening 551/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de organisatie en het gebruik van het gemeenschappelijk Europees luchtruim, de verordening 552/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de
teroperabiliteit van het Europese netwerk voor luchtverkeersbeveiliging en de uitvoeringsmaatregelen die door de Europese Commissie op basis van deze verordeningen werden goedgekeurd;2° « Nationale Toezichthoudende
stantie (NSA) » : de nationale toezichthoudende
stantie bedoeld
artikel 4 van voornoemde verordening 549/2004/EG, en die door de Koning binnen de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer is aangewezen. Art. 49.Teneinde te voldoen aan de opdrachten, die de Nationale Toezichthoudende
stantie krachtens het pakket « gemeenschappelijk Europees luchtruim » worden opgelegd, kunnen personeelsleden van Belgocontrol en van het ministerie van Landsverdediging op vrijwillige basis ter beschikking worden gesteld van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer en onder diens gezag worden geplaatst volgens de nadere regels die door een besluit vastgesteld na overleg
de Ministerraad worden bepaald. Het statuut van het personeel van Belgocontrol,
clusief het vakbondsstatuut, blijft van toepassing op dit personeel. De
het eerste lid bedoelde personeelsleden moeten zich houden aan het beroepsgeheim met betrekking tot feiten, stukken en
lichtingen waarvan ze uit hoofde van hun functie kennis zullen krijgen. Art. 50.Belgocontrol stort
de Schatkist een vergoeding ter dekking van de volledige werkings- en personeelskosten van de Nationale Toezichthoudende
stantie (NSA). Belgocontrol rekent deze kosten door aan de luchtvaartmaatschappijen naar rato van het aantal rekeneenheden (service units). De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg
de Ministerraad, het bedrag van de
het eerste lid bedoelde vergoeding, alsook de nadere regels voor de berekening en de storting ervan. Art. 51.Deze afdeling treedt
werking op de datum vastgesteld door de Koning. Afdeling 2. - Luchthaven Brussel-Nationaal Art. 52.Voor de toepassing van afdeling 2 wordt verstaan onder : 1° « luchthaveninstallatie » : elk oppervlak zoals bedoeld
artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 27 mei 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 19/06/1999 numac 1999022532 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen « Volksgezondheid » sluiten2 betreffende de omzetting van Brussels
ternational Airport Company (BIAC)
een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties;2° » exploitatielicentie » : de licentie bedoeld
artikel 26 van voornoemd koninklijk besluit van 27 mei 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 19/06/1999 numac 1999022532 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen « Volksgezondheid » sluiten2;3° « economisch regulerende overheid » : de economisch regulerende overheid bedoeld
artikel 1, 6°, van voornoemd koninklijk besluit van 27 mei 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 19/06/1999 numac 1999022532 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen « Volksgezondheid » sluiten2, en daartoe aangewezen door de Koning. Art. 53.De houder van de exploitatielicentie stort
de Schatkist een vergoeding ter dekking van de volledige werkings- en personeelskosten van de economisch regulerende overheid. De houder van de exploitatielicentie rekent deze kosten door aan de luchtvaartmaatschappijen naar rato van het aantal gemaakte bewegingen binnen de luchthaveninstallatie. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg
de Ministerraad, het bedrag van de
het eerste lid bedoelde vergoeding, alsook de nadere regels voor de berekening en de storting ervan. Art. 54.Deze afdeling treedt
werking op de datum vastgesteld door de Koning. TITEL VIII. - Economie en Energie HOOFDSTUK I. - Aanvullende pensioenen voor zelfstandigen Art. 55.Artikel 2, § 3, 4°, van de wet van 9 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten5 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, wordt vervangen als volgt : « 4° de pensioenkassen wier bedrijvigheid bestaat
het opbouwen van bovenwettelijke voordelen
zake pensioen en overlijden voor zelfstandigen, zoals bedoeld
titel II, hoofdstuk I, afdeling 4 van de programmawet (I) van 24 december 2002, en voor niet-zelfstandigen, zoals bedoeld
artikel 54 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en het dekken op bijkomende wijze van bovenwettelijke voordelen
zake arbeidsongeschiktheid en/of
validiteit voor de personen bedoeld
voormeld artikel 54. » Art. 56.Artikel 55 heeft uitwerking met
gang van 1 januari 2004. HOOFDSTUK II. - Pensioenen voor zelfstandigen Art. 57.Artikel 30bis, derde lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende de rust- en overlevingspensioenen der zelfstandigen, vervangen bij het koninklijk besluit van 26 maart 1981 en gewijzigd bij de wetten van 26 juni 1992 en 7 april 1995 en bij het koninklijk besluit van 30 januari 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 3° de nadere regels van de controle met betrekking tot de beroepsbezigheid die door de pensioengerechtigde wordt voortgezet of hervat, alsmede de verplichtingen van de werkgever die hem tewerkstelt. » Art. 58.Artikel 57 treedt
werking op de door de Koning te bepalen datum. HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 11 maart 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten6 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de
formatiemaatschappij Art. 59.Artikel 21, § 2, van de wet van 11 maart 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten6 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de
formatiemaatschappij, wordt vervangen als volgt : « § 2. De
§ 1
bedoelde dienstverleners zijn verplicht de bevoegde gerechtelijke of administratieve autoriteiten onverwijld
kennis te stellen van vermeende onwettige activiteiten of onwettige
formatie die door de afnemers van hun dienst worden geleverd. Onverminderd andere wettelijke of reglementaire bepalingen dienen deze dienstverleners de bevoegde gerechtelijke of administratieve autoriteiten op hun verzoek alle
formatie te verschaffen waarover zij beschikken en die nuttig is voor de opsporing en de vaststelling van de
breuken gepleegd door hun tussenkomst. » HOOFDSTUK IV. - Energie Afdeling 1. - Degressiviteit en maatregelen ter bevordering van de hernieuwbare en off shore-energieprojecten Art. 60.Artikel 2 van de wet van 29 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten7 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, gewijzigd bij de wetten van 30 december 2001, 14 januari 2003, 20 maart 2003 en 1 juni 2005, wordt aangevuld als volgt : « 35° « verbruikslocatie » : verbruiksinstallaties gelegen op een topografisch geïdentificeerde plaats waarvan elektriciteit wordt opgenomen op het net door eenzelfde transmissie- of distributienetgebruiker. Eenzelfde spoorwegnet of stedelijk spoorwegnet, zelfs
dien er meerdere voedingspunten zijn, wordt beschouwd als één enkele locatie; 36° « geïnjecteerd vermogen » : de netto-energie per tijdseenheid door een
stallatie voor productie van elektriciteit
het net wordt geïnjecteerd, uitgedrukt
kilowatt (kW);37° « nominatie van het geïnjecteerd vermogen » : de verwachte waarde van het geïnjecteerd vermogen, uitgedrukt
kilowatt (kW) die aan de netbeheerder wordt meegedeeld overeenkomstig het technisch reglement bedoeld
artikel 11;38° « productie-afwijking » : het verschil, positief of negatief, tussen, enerzijds, het geïnjecteerd vermogen en, anderzijds, de nominatie van het geïnjecteerd vermogen voor een bepaalde tijdseenheid op een bepaalde moment, uitgedrukt
kilowatt (kW);39° « procentuele productie-afwijking » : het quotiënt,
procenten uitgedrukt, van de productie-afwijking gedeeld door de nominatie van het geïnjecteerd vermogen;40° « marktreferentieprijs » : de prijs geldig voor de betrokken tijdseenheid van de Belgische elektriciteitsbeurs en, bij gebrek aan deze, de Nederlandse elektriciteitsbeurs.» Art. 61.Artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 31 januari 2003 en 1 juni 2005, wordt als volgt aangevuld : « § 4. Na advies van de commissie legt de Koning, bij besluit, vastgesteld na overleg
de Ministerraad, de bijzondere voorwaarden met betrekking tot de productieafwijking vast, van toepassing op de nieuwe productie-
stallaties, ongeacht de aard van de gebruikte primaire energie, wanneer de houder van de vergunning van de nieuwe
stallatie, alleen of met de
stallaties van de bedrijven waarmee hij verbonden is, voor niet meer dan 10 procent van de
België tijdens het voorbije jaar verbruikte energie bevoorraad heeft. Voor de productie-
stallaties hierboven vermeld, werkend op basis van hernieuwbare energie of warmtekrachtkoppeling worden deze bijzondere voorwaarden vastgelegd na overlegd met de Gewesten. » Art. 62.Artikel 7 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 20 maart 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten7, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met de volgende paragrafen : « § 2. Voor nieuwe
stallaties voor de productie van elektriciteit uit wind
de zeegebieden waarin België zijn rechtsmacht kan uitoefenen overeenkomstig het
ternationaal zeerecht, die het voorwerp uitmaken van een
artikel 6 bedoelde domeinconcessie, staat de netbeheerder
voor één derde van de kostprijs van de onderzeese kabel met een maximumbedrag van 25 miljoen euro voor een project van 216 MW of meer. Deze financiering van 25 miljoen euro wordt naar rato verminderd, wanneer het project minder dan 216 MW bedraagt.
dit bedrag is begrepen de aankoop, de levering en de plaatsing van de onderzeese kabel alsmede de aansluitingsinstallaties, de uitrustingen en de aansluitingsverbindingen van voormelde productie-
stallaties. Deze financiering wordt over vijf jaar gespreid, a rato van één vijfde per jaar vanaf het begin van de werken. De commissie controleert de voor de financiering
aanmerking te nemen totale kosten op basis van de offerte of offertes die de titularis van de domeinconcessie bedoeld
artikel 6, § 1,
aanmerking neemt bij toepassing van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. De commissie voert deze controle uit binnen een periode van één maand na voorlegging van voornoemde offerte, of offertes, door de titularis van de domeinconcessie bedoeld
artikel 6, § 1. Deze bijdrage wordt gestort
vijf gelijke schijven vanaf de maand volgend op de aanvang van de eerste werken, en elk volgend jaar op dezelfde datum.
geval van het niet bereiken van de geplande 216 MW binnen de vijf jaren na het begin van de werken wordt een bedrag pro rata aan 25 miljoen euro teruggevorderd op
itiatief van de minister, na advies van de commissie. De betaling van iedere schijf gebeurt na aanvraag van de titularis van de domeinconcessie bedoeld
artikel 6, § 1. Deze aanvraag omvat : 1° het bewijs van het uitvoeren van het vergund
vesteringsprogramma dat de commissie kan controleren, hetzij op basis van de door de titularis overgezonden stukken, hetzij ter plaatse;2° de overlegging van het bewijs van het naleven van de fiscale en sociale wetgevingen en reglementeringen tijdens het afgesloten boekjaar voorafgaand aan de aanvraag tot betaling. Zo de voorwaarden bedoeld
het derde lid niet zijn nageleefd, schort de minister, op voorstel van de commissie, de storting van de jaarlijkse schijf op. Zo die voorwaarden wegens overmacht niet worden nageleefd, en
dien de economische bedrijvigheid van de onderneming verdergaat, kan het storten van de jaarlijkse schijf door de minister worden gehandhaafd.
geval van
trekking van de machtiging tot betaling gebeurt de terugvordering van de betwiste stortingen op
itiatief van de minister, via alle rechtsmiddelen. De nadere regels van deze financiering zullen worden bepaald
een overeenkomst tussen de netbeheerder en de titularis van de domeinconcessie. De kostprijs van deze bijdrage die door de netbeheerder wordt gefinancierd is toerekenbaar aan de taken bedoeld
artikel
- §
- Voor de
stallaties bedoeld
§ 2
wordt voor elke tijdseenheid de productieafwijking bepaald (
kW). De Koning bepaalt de nadere regels voor de berekening van de productieafwijking op voorstel van de netbeheerder en na advies van de commissie,
begrepen de wijze waarop deze meerkost
de tarieven van de netbeheerder wordt doorgerekend, rekening houdend met volgende bepalingen : 1° de hoeveelheid energie die overeenkomt met een positieve procentuele productieafwijking lager dan of gelijk aan 30 % wordt door de netbeheerder aangekocht aan de marktreferentieprijs, verminderd met 10 %;2° de hoeveelheid energie die overeenkomt met een negatieve procentuele productieafwijking waarvan de absolute waarde lager is dan of gelijk is aan 30 % wordt door de netbeheerder bijgeleverd aan de concessionaris aan de marktreferentieprijs, verhoogd met 10 %;3° de hoeveelheid energie die overeenkomt met de procentuele productieafwijking waarvan de absolute waarde 30 % overschrijdt wordt verrekend op basis van het tarief van de netbeheerder voor de compensatie van de onevenwichten, of,
voorkomend geval, overeenkomstig de marktvoorwaarden voor onbalansenergie. § 4. Voor de
stallatieprojecten bedoeld
§ 2
,
gediend tot 31 december 2007, en
het geval van
trekking van de domeinconcessie bedoeld
artikel 6, § 1, of van enig andere voor de totale realisatie van het project vereiste en door de federale overheid verleende vergunning of toelating, of
geval van stopzetting tijdens de opbouwfase van het project,
gevolge een besluit dat niet gebaseerd is op enige reglementaire basis, al of niet genomen na advies van de bevoegde
stantie, zonder dat een voor de titularis van de domeinconcessie aanwijsbare nalatigheid of tekortkoming kan worden aangetoond, wordt voorzien
een maatregel zoals beschreven
het vierde lid, teneinde de
vesteringszekerheid van het project te garanderen, rekening houdend met het
noverende karakter van het project. Op het ogenblik van de
werkingtreding van de
trekking of stopzetting zoals beschreven
het eerste lid, wordt een evaluatie gemaakt door de commissie. Deze evaluatie houdt rekening met : 1° de totale jaarlijkse kost die de
vesteringen omvat, de exploitatiekosten alsook de financiële lasten;2° de verschillende
komsten voortvloeiend uit het vigerende reglementair kader en de mogelijkheden tot aankoop van energie. De commissie stelt, op basis van de evaluatie
het tweede lid, de noodzakelijke aanpassingen voor aan de prijs van de met het project verbonden groene stroomcertificaten, teneinde een rentabiliteit te waarborgen die gelijkwaardig is aan een
vestering op lange termijn met gelijkaardige risico's, overeenkomstig de beste praktijken binnen de
ternationale financiële markten. Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het voorstel van de commissie, bepaalt de Koning op basis van het voorstel van de commissie, bij een besluit, vastgesteld na overleg
de Ministerraad, de noodzakelijke aanpassingen aan de prijs van de met het project verbonden groene stroomcertificaten. De commissie waakt over de verenigbaarheid tussen het voorstel en de vigerende regelgeving. » Art. 63.
dezelfde wet wordt een artikel 21bis
gevoegd, luidende : « Art. 21bis.- § 1. Er wordt een « federale bijdrage » geheven ter financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en de controle op de elektriciteitsmarkt. De federale bijdrage is verschuldigd door de eindafnemers op elke kWh die zij van het net afnemen voor eigen gebruik. De leveranciers staan
voor de
ning hiervan. Deze federale bijdrage is onderworpen aan de BTW De opbrengst van deze federale bijdrage is bestemd voor : 1° de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de denuclearisatie van de nucleaire sites BP1 en BP2 te Mol-Dessel, alsook uit de behandeling, de conditionering, de opslag en de berging van het geaccumuleerd radioactief afval, met
begrip van het radioactief afval afkomstig van de denuclearisatie van de
stallaties, ten gevolge van de nucleaire activiteiten op genoemde sites;2° de gedeeltelijke financiering van de werkingskosten van de commissie zoals bedoeld
artikel 25, § 3, en dit onverminderd de overige bepalingen van artikel 25, § 3;3° de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen van begeleiding en financiële maatschappelijke steunverlening
zake energie zoals bepaald door de wet van 4 september 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten4 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
zake de begeleiding en de financiële maatschappelijke bijstand aan de meest hulpbehoevenden
zake energielevering;4° de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen met het oog op de naleving van de
ternationale verbintenissen van België
zake bescherming van het leefmilieu en duurzame ontwikkeling;5° de financiering van de reële nettokost die voortvloeit uit de toepassing van de maximumprijzen voor de levering van elektriciteit aan beschermde residentiële klanten, zoals bepaald
artikel 20, § 2. Het gedeelte van de elektriciteit geleverd aan eindafnemers en geproduceerd met aanwending van hernieuwbare energiebronnen of door eenheden van kwalitatieve warmtekracht-koppeling, wordt vrijgesteld van het deel van deze toeslag bedoeld
1° en 4°. De Koning bepaalt de nadere regels voor de toepassing van de vrijstelling. § 2. Wanneer op een verbruikslocatie meer dan 20 MWh/jaar voor professioneel gebruik wordt geleverd, wordt vanaf het jaar 2006 de federale bijdrage voor die eindafnemers, op basis van hun jaarlijks verbruik, als volgt verminderd : 1° voor de verbruiksschijf tussen 20 MWh/jaar en 50 MWh/jaar : met 15 procent;2° voor de verbruiksschijf tussen 50 MWh/jaar en 1 000 MWh/jaar : met 20 procent;3° voor de verbruiksschijf tussen 1 000 MWh/jaar en 25 000 MWh/jaar : met 25 procent;4° voor de verbruiksschijf tussen 25 000 MWh/jaar en 250 000 MWh/jaar : met 45 procent. Wanneer per verbruikslocatie en per jaar aan een eindafnemer meer dan 250 000 MWh geleverd wordt, bedraagt de federale bijdrage voor die verbruikslocatie maximum 250 000 euro. De verminderingen bedoeld
de eerste twee leden gelden voor de elektriciteit afgenomen door alle eindafnemers behalve degenen die geen sectorakkoord of convenant ondertekend hebben waarvoor ze
aanmerking komen. Wanneer blijkt dat een bedrijf dat een sectorakkoord of convenant heeft gesloten en dat de degressiviteit geniet als gevolg van zijn verklaring betreffende de naleving ervan, de verplichtingen van dit akkoord of convenant zoals bepaald door de Gewesten niet naleeft, moet dit bedrijf de bedragen, die wegens de onterechte toepassing van de degressiviteit niet betaald werden, terugbetalen aan de commissie. Daarenboven verliest het bedrijf haar recht op de degressiviteit voor het volgende jaar. § 3. Om het totale bedrag te dekken dat uit de toepassing van de verminderingen van de federale bijdrage bedoeld
§ 2
voortvloeit, worden volgende elementen aan de
artikel 21ter, § 1, bedoelde fondsen toegewezen : 1° de ontvangsten voortvloeiend uit de verhoging van het bijzondere accijnsrecht bepaald
artikel 419, onderdeel
- e)
- i)en onderdeel
- f)
- i)van de programmawet van 27 december 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten8 voor gasolie van de GN codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49, ten belope van een bedrag van 7 euro per 1 000 liter bij 15°, als deze verhoging overeenkomstig de procedure bepaald
artikel 420, § 3, b), van dezelfde wet gebeurt;2° als het totaal van de onder 1° van dit lid vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de verminderingen te dekken, wordt een gedeelte van de ontvangsten voortvloeiend uit het bijzonder accijnsrecht bepaald
artikel 419, onderdeel j) van de programmawet van 27 december 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten8 voor steenkool, cokes en bruinkool van de GN codes 2701, 2702 et 2704 bijkomend toegewezen;3° als het totaalbedrag uit de onder 1° en 2° van dit lid vermelde bedragen niet toereikend is om het totaalbedrag van de verminderingen te dekken, wordt een deel van de opbrengst van de vennootschapsbelastingen bijkomend toegewezen. De codes van de
dit artikel bedoelde gecombineerde nomenclatuur verwijzen naar die welke zijn vastgesteld
de verordening EEG nr 2031/2001 van de Europese Commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage I van de verordening EEG nr 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief. § 4. Voor elke eindafnemer die, zoals bepaald
paragraaf 2, de degressiviteit geniet mag de jaarlijkse kostprijs van alle maatregelen bedoeld
artikel 7, § 2, en van de
uitvoering van artikel 7, § 1, getroffen bepalingen voor de overname van groene certificaten voor de
stallaties voor de productie van elektriciteit
de zeegebieden, het bedrag dat door de toepassing van de verminderingen bedoeld
§ 2, jaarlijks bespaard wordt, tussen 2006 en 2024 niet overschrijden.
De commissie is belast met het toezicht op en de controle van de naleving van deze maatregel.
dien de kostprijs voor het geheel van deze maatregelen het bespaarde bedrag overschrijdt, wordt het voorziene bedrag ter financiering van de degressiviteit proportioneel verhoogd zodat het voordeel van de verminderingen kan behouden worden. §
- Voor de verbruiken vanaf 1 oktober 2005 en voor de rest van dit jaar wordt de federale bijdrage verminderd voor eindafnemers die van de degressiviteit genieten, op basis van hun jaarlijkse verbruik : 1° voor de verbruiksschijf tussen 20 MWh/jaar en 50 MWh/jaar : met 30 procent;2° voor de verbruiksschijf tussen 50 MWh/jaar en 1 000 MWh/jaar : met 40 procent;3° voor de verbruiksschijf tussen 1 000 MWh/jaar en 25 000 MWh/jaar : met 50 procent;4° voor de verbruiksschijf tussen 25 000 MWh/jaar en 250 000 MWh/jaar : met 90 procent. Wanneer per verbruikslocatie en op jaarbasis meer dan 250 000 MWh aan een eindafnemer wordt geleverd, bedraagt de federale bijdrage voor deze verbruikslocatie maximum 125 000 euro voor de tweede helft van 2005, of 62 500 euro voor het vierde kwartaal. §
- De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg
de Ministerraad en na advies van de commissie de
§ 2bedoelde percentages aanpassen.
Elk hiertoe genomen besluit wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad
dien het niet bij wet is bekrachtigd binnen twaalf maanden na de datum van zijn
werkingtreding. » Art. 64.
dezelfde wet wordt een artikel 21ter
gevoegd, luidende : « Art. 21ter.- § 1. De leveranciers storten de geïnde federale bijdrage, bedoeld
artikel 21bis, § 1, aan de commissie. De Koning bepaalt, bij besluiten, vastgesteld na overleg
de Ministerraad, de bedragen van de federale bijdrage die de commissie doorstort : 1°
een fonds dat beheerd wordt door de commissie en dat bestemd is voor de financiering van haar werkingskosten overeenkomstig artikel 25, § 3;2°
het fonds bedoeld
artikel 21, eerste lid, 3°, met het oog op de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen bedoeld
artikel 21bis, § 1, eerste lid, 3°;3°
een fonds ten voordele van de Nationale
stelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen met het oog op de financiering van de uitvoering van de maatregelen bedoeld
artikel 21bis, § 1, eerste lid, 1°;4°
een fonds voor de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen, dat beheerd wordt door de commissie, zoals bedoeld
artikel 21bis, § 1, eerste lid, 4°;5°
een fonds ten gunste van de residentiële beschermde klanten, zoals bedoeld
artikel 21bis, § 1, eerste lid, 5°. Voor het bekomen van het bedrag van de federale bijdrage dat voor haar bestemd is, richt de Nationale
stelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen een geldopvraging aan de commissie volgens de nadere regels bepaald
toepassing van § 2, 1°. Op hetzelfde ogenblik richt de Nationale
stelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen aan de Belgische Staat een factuur met hetzelfde bedrag als de geldopvraging, verhoogd met de BTW op dat bedrag. Deze factuur vermeldt de vereffening van het bedrag door de geldopvraging aan de commissie en vraagt de betaling van de BTW. Deze BTW wordt betaald door een voorafname van het fonds bedoeld
het eerste lid, 4°. Bij de ontvangst van de factuur wordt de Administratie van de Ondernemings- en
komensfiscaliteit van de Federale Overheidsdienst Financiën verzocht die voorafname te compenseren door een toewijzing vanuit de BTW-ontvangsten en dat gedurende het kalenderjaar van de datum van de factuur. De voorafname wordt terugbetaald aan het fonds bedoeld
het eerste lid, 4°, binnen de maand na de ontvangst van het compensatieverzoek. § 2. Bij een besluit, vastgesteld na overleg
de Ministerraad, bepaalt de Koning : 1° het bedrag en de berekeningswijze en de overige nadere regels van de federale bijdrage bedoeld
artikel 21bis, § 1;2° de nadere regels voor de betaling van de federale bijdrage voor eindafnemers die niet door alleen maar één leverancier bevoorraad kunnen worden of die hun elektriciteit herverkopen;3° het forfait dat
rekening mag gebracht worden door de leveranciers om de administratieve meerkosten te dekken die verbonden zijn aan de
ning van de federale bijdrage, de financiële lasten en risico's;4° de nadere regels voor het beheer van deze fondsen door de commissie;5° de nadere regels voor de samenstelling en het bedrag van de bankwaarborg ter honorering van de betaling, die door de leveranciers wordt samengesteld en op het eerste verzoek
roepbaar is;6° de nadere regels voor het bewijs dat eindafnemers aan hun leverancier jaarlijks moeten verschaffen om aan te tonen dat ze de voorwaarden vervullen om de degressiviteit te genieten. § 3. Op voorstel van de commissie bepaalt de Koning de regels voor de bepaling van de kost voor de elektriciteitsondernemingen van de activiteit bedoeld
artikel 20, § 2, en van hun tussenkomst voor het ten laste nemen ervan. § 4. Elk besluit tot vaststelling van het bedrag,de berekeningswijze en de overige nadere regels van de federale bijdrage bedoeld
artikel 21bis, § 1, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad
dien het niet bij wet is bevestigd binnen twaalf maanden na de datum van
werkingtreding. § 5. Voor het jaar 2005, worden de bedragen van de federale bijdrage die door de commissie gestort worden met toepassing van § 1, als volgt vastgelegd : 1° voor het fonds zoals bedoeld
§ 1
, 1°, bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 februari 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 19/06/1999 numac 1999022532 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen « Volksgezondheid » sluiten6 tot vaststelling van de bedragen die bestemd zijn voor de financiering van de werkingskosten van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas voor het jaar 2005;2° voor het fonds zoals bedoeld
§ 1
, 2°, bij artikel 4, § 4, van het koninklijk besluit van 24 maart 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 19/06/1999 numac 1999022532 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen « Volksgezondheid » sluiten0 tot bepaling van de nadere regels betreffende de federale bijdrage tot financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en controle op de elektriciteitsmarkt;3° voor het fonds zoals bedoeld onder § 1, 3°, bij het koninklijk besluit van 19 december 2003 ter vaststelling van de bedragen bestemd voor de financiering van de nucleaire passiva BP1 en BP2 voor de periode 2004-2008,
uitvoering van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 24 maart 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 19/06/1999 numac 1999022532 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen « Volksgezondheid » sluiten0 tot bepaling van de nadere regels betreffende de federale bijdrage tot financiering van sommige openbare dienstverleningen en van de kosten verbonden aan de regulering van en controle op de elektriciteitsmarkt;4° voor het fonds zoals bedoeld onder § 1, 4°, bij artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 24 maart 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 19/06/1999 numac 1999022532 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen « Volksgezondheid » sluiten0 tot bepaling van de nadere regels betreffende de federale bijdrage tot financiering van sommige openbare dienstverleningen en van de kosten verbonden aan de regulering van en controle op de elektriciteitsmarkt;5° voor het fonds zoals bedoeld onder § 1, 5°, bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 27 januari 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 19/06/1999 numac 1999022532 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet houdende diverse bepalingen « Volksgezondheid » sluiten5 tot vaststelling van de bedragen voor 2005 van de fondsen die bestemd zijn voor de financiering van de werkelijke kostprijs
gevolge de toepassing van maximumprijzen voor de levering van elektriciteit en aardgas aan beschermde residentiële afnemers.» Art. 65.
dezelfde wet worden opgeheven : 1° artikel 12, § 5,
gevoegd bij de wet van 24 december 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten3;2° artikel 20, § 2, derde en vierde lid, vervangen bij de wet van 20 maart 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten7;3° artikel 21, vierde lid,
gevoegd bij de wet van 24 december 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten3 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, en vijfde en zesde lid,
gevoegd bij de wet van 24 december 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten3. Art. 66.De artikelen 60 tot 62 hebben uitwerking met
gang van 1 juli 2005. De artikelen 63 tot 65 treden
werking op 1 oktober
- Afdeling
- - Beroep tegen beslissing van de CREG Art. 67.
de wet van 29 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten7 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt,
hoofdstuk VIbis,
gevoegd bij de wet van 16 juli 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten0 en gewijzigd bij de wet van 27 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/06/1998 pub. 13/06/1998 numac 1998000389 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten sluiten5 tot organisatie van de mogelijkheden tot beroep tegen de beslissingen genomen door de Commissie voor de regulering van de Elektriciteit en het Gas, wordt een artikel 29quater
gevoegd, luidend als volgt : « Art. 29quater.- § 1. Het beroep bedoeld
artikel 29bis, heeft geen schorsende werking, tenzij het
gesteld is tegen een beslissing van de commissie tot het opleggen van een administratieve geldboete. Het hof van beroep te Brussel waarbij een dergelijk beroep aanhangig wordt gemaakt, kan evenwel, alvorens recht te doen, de schorsing bevelen van de tenuitvoerlegging van de beslissing die het voorwerp uitmaakt van het beroep als de aanvrager ernstige middelen
roept die de vernietiging of hervorming van de beslissing mogelijk kunnen rechtvaardigen en als de onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan hem een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel dreigt te berokkenen. Het hof spreekt zich onverwijld uit over de vordering tot schorsing. § 2. Het beroep wordt, op straffe van onontvankelijkheid, die ambtshalve wordt uitgesproken,
gesteld bij ondertekend verzoekschrift dat wordt neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Brussel binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing of, voor de belanghebbenden aan wie de beslissing niet ter kennis is gebracht, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de publicatie van de beslissing, of, bij ontstentenis van publicatie, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisneming ervan. Het verzoekschrift wordt ter griffie neergelegd
zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn. § 3. Binnen drie werkdagen volgend op de neerlegging van het verzoekschrift, wordt het verzoekschrift door de griffie van het hof van beroep per gerechtsbrief ter kennis gebracht aan alle partijen die door de verzoeker
het geding zijn geroepen. Bovendien vraagt de griffie van het hof van beroep binnen dezelfde termijn aan het directiecomité van de commissie om het administratief dossier met betrekking tot de aangevochten beslissing toe te sturen. De toezending moet gebeuren binnen vijf werkdagen na ontvangst van de aanvraag. De partijen kunnen het administratief dossier raadplegen ter griffie van het hof van beroep vanaf de neerlegging ervan tot de sluiting van de debatten. § 4. Op ieder ogenblik kan het hof van beroep te Brussel ambtshalve alle andere partijen, wier toestand beïnvloed dreigt te worden door de beslissing die het voorwerp uitmaakt van het beroep, uitnodigen
het geding tussen te komen. §
- Deel IV, Boek II, Titel III, Hoofdstuk VIII van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op de procedure voor het hof van beroep te Brussel. §
- Het hof van beroep te Brussel stelt de termijnen vast waarbinnen de partijen elkaar hun schriftelijke opmerkingen meedelen en een kopie ervan neerleggen ter griffie. Het hof bepaalt eveneens de datum van de debatten. Het hof van beroep te Brussel beslist binnen een termijn van zestig dagen na de neerlegging van het
§ 2beoogde verzoekschrift.
» Art. 68.
dezelfde wet,
hoofdstuk VIbis,
gevoegd bij de wet van 16 juli 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1971 pub. 28/10/1998 numac 1998000346 bron ministerie van binnenlandse zaken Arbeidswet - Duitse vertaling sluiten0 en gewijzigd bij de wet van 27 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/06/1998 pub. 13/06/1998 numac 1998000389 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten sluiten5 tot organisatie van de mogelijkheden tot beroep tegen de beslissingen genomen door de Commissie voor de regulering van de Elektriciteit en het Gas, wordt een artikel 29quinquies
gevoegd, luidend als volgt : « Art. 29quinquies.- § 1. Het beroep
gesteld bij de Raad voor de Mededinging is onderworpen aan de onderzoeksbepalingen en procedureregels met betrekking tot de restrictieve mededingingspraktijken, zoals bepaald
de wet van 5 augustus 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten0 tot bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999. § 2. Het beroep wordt
gesteld bij de Raad voor de Mededinging binnen een termijn van dertig dagen vanaf de betekening van de beslissing of, voor de belanghebbenden aan wie de beslissing niet is betekend, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de publicatie van de beslissing of, bij ontstentenis van publicatie, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisneming ervan. De Raad voor de Mededinging beslist binnen een termijn van vier maanden, zoals voorzien
de artikelen 16 en volgende van de voormelde wet van 5 augustus 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten0 op de bescherming van de economische mededinging. » Art. 69.
dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/06/1998 pub. 13/06/1998 numac 1998000389 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten sluiten5 tot organisatie van de mogelijkheden tot beroep tegen de beslissingen genomen door de Commissie voor de regulering van de Elektriciteit en het Gas, worden de Hoofdstukken VIter en VIquater
gevoegd, luidend als volgt : « HOOFDSTUK VIter. - Bevoegdheid tot schorsing door de Ministerraad Art. 29sexies.- § 1. De Ministerraad kan, op voorstel van de minister, bij gemotiveerd besluit, vastgesteld na overleg
de Ministerraad, de tenuitvoerlegging schorsen van de beslissingen genomen met toepassing van artikel 12 en zijn uitvoeringsbesluiten waarmee de commissie de wet schendt of het algemeen belang schaadt, alsook van de beslissingen die de Ministerraad strijdig acht met de krachtlijnen van 's lands energiebeleid, hierbij
begrepen de doelstellingen van de regering
zake de bevoorrading van het land
energie. De commissie brengt de Ministerraad op de hoogte van de beslissingen beoogd
het voorgaande lid onmiddellijk na het aannemen van deze beslissingen. Het besluit tot schorsing wordt genomen binnen een termijn van dertig dagen vanaf de ontvangst van de beslissing van de commissie door de Ministerraad. Het wordt dadelijk bekendgemaakt aan de commissie en aan de belanghebbenden. De commissie wijzigt de geschorste beslissing binnen vijftien dagen, te rekenen vanaf de schorsing ervan,
overeenstemming met het met redenen omkleed besluit bedoeld
het eerste lid. § 2. Het
stellen van beroep tegen de beslissing van de Ministerraad is ontvankelijk wanneer tezelfder tijd beroep wordt
gesteld tegen de gewijzigde beslissing van de commissie. § 3. Bij een besluit, vastgesteld na overleg
de Ministerraad, legt de Koning de nadere regels van de
§ 1beschreven procedures vast.
HOOFDSTUK VIquater. - Openbaarheid van de beslissingen van de Commissie Art. 29septies.- De definitieve versies van de beslissingen van het directiecomité of de algemene raad van de commissie zijn openbaar en worden gepubliceerd op de website van de Commissie, www.creg.be, behoudens andersluidende beslissing van de organen van de Commissie die de beslissing hebben genomen. » Art. 70.
de wet van 12 april 1965Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/06/1998 pub. 13/06/1998 numac 1998000389 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten sluiten6 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, laatst gewijzigd bij de wet van 1 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/06/1998 pub. 13/06/1998 numac 1998000389 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten sluiten3, en bij de wet van 27 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/06/1998 pub. 13/06/1998 numac 1998000389 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten sluiten5 tot organisatie van de mogelijkheden tot beroep tegen de beslissingen genomen door de Commissie voor de regulering van de Elektriciteit en het Gas, worden
hoofdstuk IVsepties, de artikelen 15/21 en 15/22
gevoegd, luidend als volgt : « Art. 15/21.- § 1. Het beroep bedoeld
artikel 15/19 heeft geen schorsende werking, tenzij het
gesteld is tegen een beslissing van de Commissie tot het opleggen van een administratieve geldboete. Het hof van beroep te Brussel waarbij een dergelijk beroep aanhangig wordt gemaakt, kan evenwel, alvorens recht te doen, de schorsing bevelen van de tenuitvoerlegging van de beslissing die het voorwerp uitmaakt van het beroep als de aanvrager ernstige middelen
roept die de vernietiging of herziening van de beslissing mogelijk kunnen rechtvaardigen en als de onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan hem een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel dreigt te berokkenen. Het hof spreekt zich onverwijld uit over de vordering tot schorsing. § 2. Het beroep wordt, op straffe van onontvankelijkheid, die ambtshalve wordt uitgesproken,
gesteld bij ondertekend verzoekschrift dat wordt neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Brussel binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing of, voor de belanghebbenden aan wie de beslissing niet werd ter kennis gebracht, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de publicatie van de beslissing, of, bij ontstentenis van publicatie, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisneming ervan. Het verzoekschrift wordt ter griffie neergelegd
zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn. § 3. Binnen drie werkdagen volgend op de neerlegging van het verzoekschrift, wordt het verzoekschrift door de griffie van het hof van beroep per gerechtsbrief ter kennis gebracht aan alle partijen die door de verzoeker
het geding zijn geroepen. Bovendien vraagt de griffie van het hof van beroep binnen dezelfde termijn aan het directiecomité van de Commissie om het administratief dossier met betrekking tot de aangevochten beslissing toe te sturen. De toezending moet gebeuren binnen vijf werkdagen na ontvangst van de aanvraag. De partijen kunnen het administratief dossier raadplegen ter griffie van het hof van beroep vanaf de neerlegging ervan tot de sluiting van de debatten. § 4. Op ieder ogenblik kan het hof van beroep te Brussel ambtshalve alle andere partijen, wier toestand beïnvloed dreigt te worden door de beslissing die het voorwerp uitmaakt van het beroep, uitnodigen
het geding tussen te komen. §
- Deel IV, Boek II, Titel III, Hoofdstuk VIII van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op de procedure voor het hof van beroep te Brussel. §
- Het hof van beroep te Brussel stelt de termijnen vast waarbinnen de partijen elkaar hun schriftelijke opmerkingen mededelen en een kopie ervan neerleggen ter griffie. Het hof bepaalt eveneens de datum van de debatten. Het hof van beroep te Brussel beslist binnen een termijn van zestig dagen na de neerlegging van het
§ 2beoogde verzoekschrift.
Art. 15/22.- § 1. Het beroep,
gesteld bij de Raad voor de Mededinging, is onderworpen aan de onderzoeksbepalingen en procedureregels met betrekking tot de restrictieve mededingingspraktijken, zoals bepaald
de wet van 5 augustus 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/12/1998 pub. 11/02/1999 numac 1998022861 bron ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu Wet betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid type wet prom. 21/12/1998 pub. 03/09/2009 numac 2009000546 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid. - Officieuze coördinatie
het Duits sluiten0 ter bescherming van de economische mededinging, gecoördineerd op 1 juli 1999. § 2. Het beroep wordt
gesteld, bij de Raad voor de mededinging, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de betekening van de beslissing of, voor de belanghebbenden aan wie de beslissing niet werd betekend, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de publicatie van de beslissing of, bij ontstentenis van publicatie, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisneming ervan. De Raad voor de Mededinging beslist binnen