📄 Wettekst
17 JULI 2013. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de
wet van 22 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/03/1999
pub.
20/05/1999
numac
1999009419
bron
ministerie van justitie
Wet betreffende de identificatieprocedure via DNA-analyse in strafzaken
type
wet
prom.
22/03/1999
pub.
24/06/1999
numac
1999009736
bron
ministerie van justitie
Wet betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken
type
wet
prom.
22/03/1999
pub.
30/04/1999
numac
1999002040
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Wet houdende diverse maatregelen inzake ambtenarenzaken
type
wet
prom.
22/03/1999
pub.
01/05/1999
numac
1999000253
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet houdende wijziging van artikel 70, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973
sluiten betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de
wet van 7 november 2011Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/11/2011
pub.
30/11/2011
numac
2011009773
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet houdende wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA onderzoek in strafzaken
sluiten houdende wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de
wet van 22 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/03/1999
pub.
20/05/1999
numac
1999009419
bron
ministerie van justitie
Wet betreffende de identificatieprocedure via DNA-analyse in strafzaken
type
wet
prom.
22/03/1999
pub.
24/06/1999
numac
1999009736
bron
ministerie van justitie
Wet betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken
type
wet
prom.
22/03/1999
pub.
30/04/1999
numac
1999002040
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Wet houdende diverse maatregelen inzake ambtenarenzaken
type
wet
prom.
22/03/1999
pub.
01/05/1999
numac
1999000253
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet houdende wijziging van artikel 70, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973
sluiten betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Inleiding De
wet van 22 maart 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/03/1999
pub.
20/05/1999
numac
1999009419
bron
ministerie van justitie
Wet betreffende de identificatieprocedure via DNA-analyse in strafzaken
type
wet
prom.
22/03/1999
pub.
24/06/1999
numac
1999009736
bron
ministerie van justitie
Wet betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken
type
wet
prom.
22/03/1999
pub.
30/04/1999
numac
1999002040
bron
ministerie van ambtenarenzaken
Wet houdende diverse maatregelen inzake ambtenarenzaken
type
wet
prom.
22/03/1999
pub.
01/05/1999
numac
1999000253
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Wet houdende wijziging van artikel 70, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973
sluiten betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken werd grondig gewijzigd door de
wet van 7 november 2011Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
07/11/2011
pub.
30/11/2011
numac
2011009773
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet houdende wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA onderzoek in strafzaken
sluiten, gepubliceerd in het Belgisch staatsblad op 30 november 2011. De nieuwe wet heeft tot doel een aantal wetgevende aanpassingen te doen om tot een verbetering en vereenvoudiging van de procedures te komen en om de kostprijs van de DNA-onderzoeken te drukken.De procedures moeten vooral transparanter en eenduidiger worden en leiden tot een efficiënt procesverloop, wat een kostenbesparend effect zal hebben. De nieuwe wet voegt bovendien een aantal aanvullende waarborgen in voor alle personen die betrokken zijn bij het wetenschappelijk onderzoek, en laat eveneens de vergelijkingen met buitenlandse gegevensbanken toe teneinde de Belgische wetgeving in overeenstemming te brengen met de internationale verplichtingen die volgen uit het Verdrag van Prüm van 27 mei 2005 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie, dat bij Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 opgenomen werd in het juridische bestel van de Europese Unie.
Een andere belangrijke vernieuwing is de oprichting van een nationale cel die verantwoordelijk zal zijn voor het toekennen van de DNA-codenummers en een coördinerende rol zal hebben in de activiteiten onderworpen aan de centralisatie en aan het beheer van de DNA-codenummers.
Dit koninklijk besluit strekt ertoe uitvoering te geven aan de nieuwe wet. Artikel 7 van de wet stelt dat de Koning de samenstelling en het statuut van het personeel en de organisatie van de nationale cel bepaalt, evenals de wijze waarop de aangetroffen sporen worden behandeld, referentiestalen worden afgenomen, referentiestalen en de daaruit afgeleide stalen die DNA bevatten worden bewaard, vernietigd en het DNA-onderzoek ervan wordt uitgevoerd, een tegenonderzoek wordt uitgevoerd, de erkenningsvoorwaarden waaraan Belgische en buitenlandse laboratoria moeten voldoen, alsmede de nadere regels van de kennisgeving, het opslaan, verwerken en aanwenden van de DNA-profielen opgeslagen in de nationale DNA-gegevensbanken.
Voorts bepaalt het ongewijzigde tweede lid van artikel 7 dat de Koning, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer : - de bijzondere waarborgen inzake vertrouwelijkheid en beveiliging van de verwerkte persoonsgegevens formuleert, - de benoeming van de aangestelde voor de gegevensbescherming bij het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, de taken die hem zullen worden toevertrouwd, alsmede de waarborgen voor diens onafhankelijkheid regelt, - en de wijze waarop het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer verslag uitbrengt over de verwerking van persoonsgegevens bepaalt.
Gezien de verschillende belangrijke aanpassingen die aan de originele tekst worden aangebracht, vernietigt en vervangt deze nieuwe versie het
koninklijk besluit van 4 februari 2002Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
04/02/2002
pub.
30/03/2002
numac
2002009127
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit ter uitvoering van de wet van 22 maart 1999 betreffende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken
sluiten.
Artikelsgewijze commentaar HOOFDSTUK I. - Definities Artikel 1 Dit artikel definieert de begrippen die noodzakelijk zijn voor de goede leesbaarheid van de tekst. Het gaat over de begrippen « de wet », « de nationale DNA-gegevensbanken », « Instituut » en « deskundige ». HOOFDSTUK II. - De evaluatiecommissie Artikelen 2 en 3 De evaluatiecommissie voor het DNA-onderzoek werd al opgericht door het koninklijk besluit van 2002, in de artikelen 19 en 20. Omwille van de leesbaarheid en de logische volgorde van het besluit worden deze artikelen naar voren gehaald.
Tot op heden was de evaluatiecommissie exclusief samengesteld uit wetenschappelijke experts op het gebied van DNA-onderzoek, met uitzondering van de directeur van het NICC. Haar samenstelling wordt nu veranderd teneinde rekening te houden met de pluraliteit van functies die betrokken zijn bij genetische onderzoeken en de behandeling van de daaruit afgeleide gegevens. Zo zullen in het vervolg de beheerder van de nationale DNA-gegevensbanken, de magistraat die de nationale cel leidt, en een directielid van de technische en wetenschappelijke politie van de federale gerechtelijke politie altijd deel uitmaken van de evaluatiecommissie (artikel 2).
Naast haar functie van adviserend orgaan voor de minister van Justitie over technische en wetenschappelijke kwesties, zal zij nu ook juridische adviezen kunnen geven (artikel 3). Eventueel kan de evaluatiecommissie overleg plegen met andere personen of commissies alvorens advies uit te brengen. In tegenstelling tot het advies van de Raad van State acht de regering het niet nodig om dit in de tekst van het besluit zelf op te nemen, daar het slechts om een mogelijkheid gaat en niet om een verplichting (wat vroeger wel het geval was : de evaluatiecommissie moest altijd voorafgaand overleg plegen met BELAC).
Het artikel is verder niet gewijzigd in vergelijking met het KB van 2002. De evaluatiecommissie heeft een reglement van interne orde waarin de werking van de commissie geregeld wordt. HOOFDSTUK III. - Beheer van de plaats van de feiten en behandeling van de overtuigingsstukken en van de aangetroffen sporen Dit hoofdstuk (hoofdstuk I in het koninklijk besluit van 2002) wordt gewijzigd om te anticiperen op bepaalde struikelblokken die al werden ontmoet bij voorzieningen in cassatie (zie bijvoorbeeld arresten van 02/11/2005, van 25/05/2005 en van 21/09/2005). Het beoogt voornamelijk om duidelijke procedures in te voeren teneinde de integriteit van de plaats van het misdrijf en, dientengevolge, ook de integriteit van sporen van biologische of andere oorsprong te garanderen alvorens deze het voorwerp uitmaken van een expertise. De introductie van deze mechanismes is vernieuwend, aangezien zij prioritaire handelingen vastleggen die uitgevoerd moeten worden onder de verantwoordelijkheid van politieofficieren van de federale gerechtelijke politie. Er werd al meerdere malen vastgesteld dat de middelen van de politie onvoldoende waren in alle omstandigheden om een gerechtelijke uitsluitingsperimeter aan te brengen en te bewaken. In toepassing van het koninklijk besluit van 2002 werden een aantal circulaires opgesteld die zo gevarieerd en zo talrijk waren als de interpretaties die er over de wet bestaan.
Zo werd, bij wijze van voorbeeld, door verschillende richtlijnen van de procureurs des Konings of van de procureurs-generaal de vaststelling van een dergelijke gerechtelijke uitsluitingsperimeter beperkt tot de zogenaamde « belangrijke » feiten. Welnu, het is gebleken dat een « niet belangrijk » feit later gekwalificeerd kan worden als een belangrijk feit, bijvoorbeeld omdat een biologisch spoor aangetroffen op de plaats van een onbelangrijk feit en geïdentificeerd als zijnde van een verdachte later gecorreleerd kon worden aan een dossier van moord of verkrachting....
Geen enkel nauwkeurig uitgevoerd onderzoek dat aan alle eisen van een dergelijk optreden voldoet, mag achterwege worden gelaten. Een dossier dat zeer zorgvuldig werd behandeld, kan sneller worden opgelost, wat soms ook kan gelden voor samenhangende onderzoeken. Het verbruik van middelen in het ene geval leidt vaak ertoe dat in een ander geval minder middelen moeten worden ingezet.
De algemene regel moet dus de invoering van een gerechtelijke uitsluitingsperimeter zijn; de gerechtelijke autoriteiten kunnen echter oordelen dat uitzonderingen nodig zijn. Artikel 4 Artikel 4 voert een algemene bepaling in die de organisatie van ieder plaatsbezoek betreft, door de politiedienst die verantwoordelijk is voor de eerste interventie en de politieofficier die verantwoordelijk is voor het plaatsbezoek ermee te belasten het geheel van politionele verrichtingen die er uitgevoerd worden te coördineren, en die plaats te beschermen en te bewaken door er een gerechtelijke uitsluitingsperimeter aan te brengen. Dit sluit overigens niet uit dat verschillende gerechtelijke uitsluitingsperimeters tegelijk aangebracht worden, zoals de plaats waar de feiten hebben plaatsgevonden, de plaats waar het slachtoffer werd gevonden, of de vluchtauto van de dader.
De bescherming van de gerechtelijke uitsluitingsperimeter kan bestaan in het afbakenen van een locatie door middel van tape of het verzegelen van een lokaal, woning of voertuig. Artikel 4 benadrukt het feit dat de toegang tot de plaats van de feiten beperkt is tot de personen aangesteld door de bevoegde magistraat die erop toeziet dat voorrang wordt verleend aan de diensten belast met de opdrachten van technische en wetenschappelijke politie. Op die manier wordt vermeden dat de diensten van de lokale politie, uit bezorgdheid om zo snel mogelijk tussen te komen, overtuigingsstukken, sporen en aanwijzingen verzamelen zonder enige vorming te hebben over de procedures van bewaring en opname van deze stukken en zonder enige vorm van ervaring.
Experts die geen deel uitmaken van de politiediensten, zoals de wetsdokter, zullen ook toegang krijgen tot de plaatsen van de feiten indien dit nodig is. Dit zal in eerste instantie geëvalueerd moeten worden door de bevoegde magistraat of, in voorkomend geval, door de officier van gerechtelijke politie van de technische en wetenschappelijke politie.
De diverse beschermingsmaatregelen hebben tot doel de sporen, aanwijzingen en overtuigingsstukken te vrijwaren tegen elke contaminatie of vernietiging door onoplettendheden, door de toegang tot de plaats van de feiten slechts toe te laten aan daartoe gerechtigde en geïdentificeerde personen. Deze elementaire voorzorgsmaatregelen hebben niet enkel de bescherming van biologische sporen tot doel aangezien op de plaats van het misdrijf sporen van diverse oorsprong aangetroffen kunnen worden. De analysetechnieken, en niet enkel degene ontwikkeld voor DNA-onderzoek van biologische sporen, zijn zo gevoelig dat ze een optimale behandeling en bewaring van alle aangetroffen sporen noodzakelijk maken.
De definitie van de gerechtelijke uitsluitingsperimeter en van de functionele competenties van de politieofficieren verantwoordelijk voor het plaatsbezoek zijn in extenso opgenomen in het handboek « Verdachte sterfgevallen » van de federale politie.
Artikel 5 Paragraaf 1 van artikel 5 bevestigt voor de eerste keer de belangrijke rol van de officier van gerechtelijke politie van de federale politie die verantwoordelijk is voor de technische en wetenschappelijke politie op de plaats van de feiten, waarvan het beheer aan hem opgedragen is. Hij heeft de leiding over het personeel van het laboratorium van de technische en wetenschappelijke politie op de plaats van de feiten. Hij heeft de supervisie over de opsporing van sporen, de afname, de verpakking, de bewaring, de neerlegging en de exploitatie van overtuigingsstukken, sporen en aanwijzingen. Hij is ook verantwoordelijk voor de technische en wetenschappelijke opvolging van het dossier.
De Raad van State meende in punt 20 van haar advies dat « de medewerkers » van de officier van gerechtelijke politie verantwoordelijk voor de technische en wetenschappelijke politie niet bevoegd zijn om de in deze paragraaf opgesomde handelingen te verrichten. Dit is echter wel het geval, en zij hebben hiervoor een speciale vorming en opleiding genoten. Voor het verrichten van deze handelingen is de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie niet noodzakelijk.
De tekst benadrukt het systematische documenteren van de vaststellingen en van de lijsten van overtuigingsstukken, sporen en aanwijzingen. Het dragen van beschermingskledij is verplicht om contaminaties zo veel mogelijk te beperken.
In deze tekst wordt tevens de grondslag gelegd voor de rol van de officier van de gerechtelijke politie die belast is met de controle van de in beslag genomen stukken opdat de « chain of custody » of de traceerbaarheidsprocedure (keten van controle en van verantwoordelijkheid) ervan zou worden gewaarborgd. Hij vermeldt nauwgezet alle informatie over de persoon die het overtuigingsstuk bezit (eigenaar, gebruiker), de plaatsen waar en de omstandigheden waarin de stukken en de sporen werden verworven (inbeslagname, overdracht) alsook de fysieke beschrijving ervan (met foto, serienummer...), de aanwezigheid van een zegel (met identificatie), het opschrift van het bijhorende etiket, de data van opening en sluiting van de verzegelingen of de drager, de vermelding van eventuele wijzigingen en ten slotte de staat waarin de drager werd teruggegeven (met foto). Deze opeenvolging van daden biedt de mogelijkheid de desbetreffende stukken over de volledige lengte van de keten terug te vinden en de echtheid ervan te waarborgen. Deze maatregelen zijn niet uitsluitend van toepassing op stukken die kennelijk biologische sporen bevatten, maar op elk betwist stuk, ongeacht de aard, dat sporen kan bevatten. De tweede paragraaf bepaalt immers dat de selectievoorwaarden van een overtuigingsstuk worden uitgebreid met de mogelijkheid dat, rekening houdend met de eerste elementen van het onderzoek, het laboratorium voor de technische en wetenschappelijke politie van de federale politie of de door de magistraat gevorderde deskundige wel biologische sporen zou kunnen ontdekken, ook al zijn er geen zichtbaar.
De laboratoria van technische en wetenschappelijke politie hebben als taak een voorafgaand onderzoek te doen op de overtuigingsstukken om degene die van belang zijn te schiften onder alle in beslag genomen voorwerpen. Dit proces heeft als gevolg dat het werk dat van de deskundige gevraagd wordt zo doelgericht mogelijk kan zijn (bijvoorbeeld : onderzoek van de kleren van een slachtoffer om slechts degene die een spoor bevatten aan het DNA-onderzoekslaboratorium over te maken). Zij kunnen oriëntatietests doen om de aard van de aanwezige sporen vast te stellen. Ze zullen hun conclusies aan de deskundige overmaken zodat deze laatste deze niet meer moet herhalen, en zo zullen deze kostelijke tests niet meer op de latere door de deskundige ingediende kostenstaat voorkomen, wat dan weer ten voordele is van het budget van de dienst gerechtskosten.
Gezien het bestaan van het Kaderbesluit 2009/905/JBZ van de Europese Raad van 30 november 2009 over de accreditatie van aanbieders van forensische diensten die laboratoriumactiviteiten verrichten, is het essentieel dat de laboratoria van technische en wetenschappelijke politie van de federale politie er alles aan doen om voor het einde van 2013 de kwaliteit van hun prestaties te laten erkennen en accrediteren.
Wanneer zij aan de deskundige overgemaakt worden zullen de overtuigingsstukken, sporen en aanwijzingen voortaan niet meer vergezeld zijn van het proces-verbaal van inbeslagname, zodat persoonlijk informatie betreffende de verdachte(n) niet onthuld wordt.
Er zal slechts een kopie van de inventaris van inbeslagnames aan de deskundige overgemaakt worden, zonder de naam van de betrokken personen.
Artikel 6 De artikelen 4 en 5 hierboven leggen verschillende voorschriften op die de bescherming van de plaatsen en van de overtuigingsstukken, sporen en aanwijzingen waarborgen. De doelstelling van de opname van die voorzorgsmaatregelen bestaat uiteraard erin de betrouwbaarheid van het bewijs te verhogen.
Het Hof van Cassatie heeft zich al meermaals moeten uitspreken over de vraag van de nietigheid van het bewijs wanneer een of ander voorschrift van het KB van 2002 inzake DNA niet in acht werd genomen, in het bijzonder wanneer het gaat om het aanbrengen van de gerechtelijke uitsluitingsperimeter (art. 5, § 1, 1° ).
Het is evenwel niet omdat de gerechtelijke uitsluitingsperimeter niet werd aangebracht of geen toezicht erop werd gehouden of omdat de beheerders van de plaats van de feiten geen beschermingskledij hebben gedragen dat de expertise zal mislukken, maar daardoor zou de betrouwbaarheid van de expertise, en in het bijzonder de betrouwbaarheid van de interpretatie van de resultaten, in twijfel kunnen worden getrokken.
Indien een van de handelingen van dit hoofdstuk niet in acht kon worden genomen, zal de officier van gerechtelijke politie een proces-verbaal opstellen met vermelding van de handeling die niet in acht kon worden genomen en met vermelding van de reden, en zal hij de met het onderzoek belaste deskundige ervan op de hoogte brengen, opdat laatstgenoemde daarmee rekening zou kunnen houden bij de interpretatie van de verkregen resultaten.
Het ontbreken van een proces-verbaal zal daarentegen betekenen dat de bepalingen waarin is voorzien, in acht werden genomen. HOOFDSTUK IV. - Afname van een referentiestaal van een persoon Dit hoofdstuk is van toepassing op alle referentiestalen, of het nu afgenomen is op een slachtoffer, een verdachte, een veroordeelde, of een derde persoon. Artikel 7 Artikel 7 voert een nieuwe bepaling in ter verzekering van de identiteit van de personen tegen wie aanwijzingen van schuld bestaan in de zin van de artikelen 44quinquies en 90undecies van het Wetboek van strafvordering, en van de personen bedoeld in artikel 5 van de DNA-wet, van wie een referentiestaal wordt afgenomen.
De te volgen procedure zal het voorwerp uitmaken van een circulaire van het College van procureurs-generaal. Deze zal aanbevelen dat de vingerafdrukken genomen worden van de betrokken persoon. Het is zo dat de vingerafdrukken van ieder persoon die het voorwerp uitgemaakt heeft van een gerechtelijk onderzoek geregistreerd zijn in het APFIS-register (Automated Palm & Fingerprints Identification System), beheerd door de Gerechtelijke Identificatiedienst van de federale politie. De controle van de vingerafdrukken tijdens de afname van een referentiestaal zal toelaten om er zeker van te zijn dat de afname uitgevoerd wordt op de door deze handeling geviseerde persoon, en zal indien nodig elke dubbelzinnigheid over het gebruik van een alias of de aanmatiging van een identiteit wegnemen. Deze proactieve stap maakt het mogelijk dat een uniek DNA-codenummer wordt toegekend voor iedere persoon die het voorwerp uitmaakt van een expertise, en zal bovendien vermijden dat het DNA-profiel van een persoon meerdere keren wordt opgemaakt, bijvoorbeeld wanneer iemand meermaals veroordeeld is.
De controle van de identiteit zal slechts van toepassing zijn op de personen tegen wie aanwijzingen van schuld bestaan in de zin van de artikelen 44quinquies en 90undecies van het Wetboek van strafvordering, en op de personen wier profiel opgeslagen moet worden in de DNA-gegevensbank « Veroordeelden » met toepassing van artikel 5, § 1 van de DNA-wet.
De regering gaat niet in op punt 22 van het advies van de Raad van State dat zegt dat in het ontwerp zelf gepreciseerd dient te worden wie en op welke wijze de grondige controle van de identiteit van bedoelde personen is uit te voeren. De technieken van identificeren kunnen immers snel wijzigen in de toekomst. Er kan ook verwezen worden naar artikel 34 van de wet op het politieambt, waarin ook voor de controle van de identiteit door politieambtenaren de techniek van de identificatie niet gepreciseerd wordt.
Artikel 8 De afname van een referentiestaal gebeurt met behulp van genormaliseerd materiaal aanbevolen door het NICC aan de politiediensten en aan de wetsdokters. Twee standaardkits zijn momenteel beschikbaar, de ene voor de afname van wangslijmvlies door een uitstrijkje, de andere voor de afname van haar. Wanneer een dokter belast wordt met het afnemen van bloed gebruikt hij een buisje dat een anticoagulans bevat of volgt hij de specifieke richtlijnen van het NICC. Wanneer de afname van een referentiestaal dient te gebeuren op een veroordeelde en van zijn vrijheid beroofde persoon, moeten de penitentiaire inrichtingen hun bijstand verlenen aan de dienst die ermee belast is de afname te doen, in het bijzonder door een geschikt lokaal ter beschikking te stellen.
Het unieke DNA-codenummer zoals gedefinieerd in artikel 2 van de DNA-wet wordt direct toegekend, van zodra de beslissing om over te gaan tot de afname van een referentiestaal is genomen. Er zal trouwens aan de gerechtelijke autoriteiten aanbevolen worden na te gaan of er niet al een afname gebeurd is in het kader van een eerdere juridische procedure die al geanalyseerd is in een laboratorium. Dit verzoek dient aan de nationale cel gericht te worden. Het doel van deze maatregel is een DNA-onderzoek te vermijden van een persoon die daar al eerder het voorwerp van uitgemaakt heeft in gelijk welk ander gerechtelijk arrondissement. Op deze manier kan er substantieel bespaard worden op de gerechtskosten.
Artikel 9 Dit artikel past het oorspronkelijke artikel 4 uit het koninklijk besluit van 2002 aan rekening houdend met de nieuwe wettelijke bepalingen genomen om de anonimiteit van de persoon op wie een afname van een referentiestaal gebeurt te garanderen. Het is momenteel inderdaad zo dat de deskundige, die een kopie van het proces-verbaal ontvangt bij de neerlegging van de te analyseren referentiestalen, over de namen beschikt van alle bij het dossier betrokken personen, wat niet overeenstemt met de geest van de wet van 1999. De nieuwe procedure preciseert dat iedere afname van een referentiestaal het voorwerp moet uitmaken van een geïndividualiseerd proces-verbaal om elke verwarring bij de toekenning van een DNA-codenummer aan iedere verdachte te vermijden wanneer meerdere verdachten betrokken zijn in het dossier.
In § 2 worden de gegevens bepaald die minstens in het proces-verbaal moeten opgenomen worden, zoals al opgesomd in het originele koninklijk besluit. Daar worden de gekende aliassen aan toegevoegd. Ook de wijze waarop de afname is gebeurd wordt erin gepreciseerd (toestemming van de betrokkene, maatregelen genomen om tot de afname te kunnen overgaan, ...).
Tot slot bepaalt § 3 dat het proces-verbaal van afname niet aan de deskundige wordt overgemaakt.
Artikel 10 Om de identificatie en de traceerbaarheid van het referentiestaal te garanderen voorziet artikel 10 dat het nummer van het proces-verbaal en de hoedanigheid van de betrokken persoon (verdachte, veroordeelde, slachtoffer, derde persoon), aangeduid wordt op de afname zelf en op de documenten die de afname vergezellen (documenten voorzien in de kit voor de afname). Wanneer het gaat om een afname van een verdachte of een veroordeelde wordt ook het DNA-codenummer vernoemd.
Artikel 11 De overtuigingsstukken worden ofwel aan het DNA-onderzoekslaboratorium overgemaakt per drager, ofwel kan de deskundige ze komen ophalen ter griffie. HOOFDSTUK V. - Samenstelling, statuut van het personeel en organisatie van de nationale cel Artikel 12 Het nieuwe artikel 3bis van de DNA-wet creëert de nationale cel, het zenuwcentrum voor de toekenning van het unieke DNA-codenummer dat de identiteit van de personen die, op basis van de artikelen 44quinquies en 90undecies van het Wetboek van strafvordering en artikel 5, § 1 van de DNA-wet, het voorwerp uitmaken van een vergelijkend DNA-onderzoek garandeert. Deze cel krijgt dus een centrale rol in het goede beheer van de overbrenging van gegevens van en naar de beheerder van de nationale DNA-gegevensbanken, de magistraten en de deskundigen. Ze wordt onder het gezag van een magistraat van het openbaar ministerie geplaatst die daartoe een opdracht krijgt en aangeduid wordt door de minister van Justitie.
Artikel 12 van huidig besluit installeert de nationale cel binnen de gemeenschappelijke ondersteuningsdienst die in het College van procureurs-generaal gecreëerd wordt met toepassing van artikel 143ter van het Gerechtelijk Wetboek.
Het bepaalt ook de samenstelling van de cel, evenals de wijze van aanstelling, van vervanging en de duur van de mandaten. Het artikel is voldoende gedetailleerd en verdere toelichting is dan ook niet nodig.
Artikel 13 Dit artikel somt de voornaamste en essentiële gegevens op waarvan het beheer toevertrouwd is aan de nationale cel, in de hoedanigheid van verantwoordelijke voor de verwerking. Algemeen bekende uitzondering zijn uiteraard de DNA-profielen, waarvan de verwerking exclusief voorbehouden is aan het NICC. Aangezien de verwerkte gegevens gevormd worden door gerechtelijke gegevens, moeten de bepalingen van artikel 16, § 4 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens nageleefd worden. Dit artikel vereist dat veiligheidsmaatregelen genomen worden door de verantwoordelijke voor de verwerking. In dat opzicht kan verwezen worden naar de « Referentiemaatregelen voor de beveiliging van elke verwerking van persoonsgegevens », die gepubliceerd zijn op de website van de Commissie voor de Bescherming van de persoonlijke levenssfeer, alsook naar de « Minimale veiligheidsnormen die van toepassing zullen zijn vanaf 1 januari 2011 » van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en de Gezondheid. HOOFDSTUK VI. - Onderzoek van de aangetroffen sporen en van de referentiestalen - Opstellen van DNA-profielen - Vergelijking van DNA-profielen - Kennisgeving van de uitslag van het DNA-onderzoek en van het vergelijkend onderzoek Dit hoofdstuk behandelt het onderzoek van de sporen en van de referentiestalen, de vergelijkende onderzoeken tussen de opgestelde DNA-profielen onderling en/of met de DNA-profielen opgeslagen in de nationale DNA-gegevensbanken « Criminalistiek » en « Veroordeelden », en de kennisgeving van de verkregen resultaten. Artikelen 14 en 15 De artikelen 14 en 15 beschrijven de technische verplichtingen die de deskundigen die aangesteld zijn een DNA-profiel op te stellen moeten respecteren, meer bepaald door te verwijzen naar het principe dat gewerkt moet worden volgens de aanbevolen internationale standaarden met betrekking tot DNA-onderzoek. Dezelfde genetische merkers zullen onderzocht worden voor alle stalen, wat ook hun biologische aard is (wangslijmvlies, bloed, sperma, speeksel, contactsporen...), met de bedoeling hun respectievelijke genetische profielen te kunnen vergelijken.
Deze internationale standaarden zijn omschreven in de bijlage bij dit besluit.
Artikel 16 Erop wijzend dat de deskundige DNA-profielen enkel met elkaar kan vergelijken binnen de grenzen van de vordering die aan hem is gericht, wordt in artikel 16 de vergelijking bekrachtigd van het DNA-profiel van het aangetroffen spoor met dat van een bepaalde referentiepersoon, ongeacht of het gaat om een verdachte, een beklaagde, het slachtoffer zelf of nog een derde die zou kunnen hebben bijgedragen tot het betrokken spoor.
Indien het laboratorium van de federale technische en wetenschappelijke politie al oriënteringstests gedaan heeft, dienen de deskundigen van de DNA-onderzoekslaboratoria dit niet opnieuw te doen.
In het verslag geven ze dan aan door wie de oriënteringstests gedaan zijn.
In het verslag van de vergelijking van het genetisch profiel van een spoor met dat van een bij het onderzoek betrokken referentiepersoon worden alle behaalde resultaten vermeld en wordt geconcludeerd tot de overeenstemming of de niet-overeenstemming van de vergeleken DNA-profielen. Het is niet langer verplicht om stelselmatig een gedetailleerd statistisch resultaat te bezorgen. Wanneer het profiel van het betwiste spoor eenduidig overeenstemt met dat van de referentiepersoon, met andere woorden wanneer het profiel van het spoor een volledig signaal biedt dat uitsluitend afkomstig kan zijn van één enkele persoon (en niet van twee of meer individuen, zoals vaak het geval is bij contactsporen) en alle allelen zonder uitzondering overeenstemmen, is de kans dat de overeenstemming van de profielen te wijten is aan het toeval immers zo miniem dat het niet relevant is het vergelijkingsverslag te overbelasten, aangezien de uitslag van het genetisch onderzoek steeds zal worden getoetst en geëvalueerd in het licht van de andere elementen van het criminalistiek en politieel onderzoek. Zo wordt een eenvoudig antwoord van het type « hit - no hit » meegedeeld, zoals overigens wordt aanbevolen in Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van de EU van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit. De statistische evaluatie van de overeenstemmingen wordt, op verzoek van de vorderende magistraat, enkel gegeven wanneer dat noodzakelijk is voor de voortzetting van het onderzoek, inzonderheid ingeval verschillende broers en zussen bij het onderzoek zijn betrokken of nog ingeval de genetische profielen van de aangetroffen sporen onvolledig of verscheiden zijn (minieme sporen, gedegenereerde sporen, sporen afkomstig van verschillende bijdragers, ...). § 2 vervangt artikel 8, § 2 van het koninklijk besluit van 2002. Het ontbrak de oorspronkelijke bepaling aan coherentie voor de situatie waarin een deskundige niet in staat is het gevraagde onderzoek te doen. De wettelijke kwaliteitsverplichtingen die zowel in België als in het buitenland van kracht zijn, zijn zo streng dat een tussenkomst van de DNA-evaluatiecommissie niet nodig is bij de keuze van de magistraat om beroep te doen op een tweede laboratorium. Het blijft echter wel essentieel dat de deskundige de magistraat inlicht over andere DNA-onderzoektechnieken die hij niet gebruikt maar die door een ander laboratorium wel uitgevoerd zouden kunnen worden, evenals over alternatieve methodes, indien het DNA-onderzoek vastloopt, zoals het morfologisch onderzoek van haren of het onderzoek op vezels aangetroffen op de overtuigingsstukken.
De paragrafen 3 en 4 bepalen de enige transmissiewijze van de DNA-profielen en de daarmee verwante gegevens naar de beheerder van de nationale DNA-gegevensbanken, namelijk via elektronische weg, en geëncrypteerd, zodat de integriteit van de verzonden gegevens gegarandeerd is. Enkele jaren geleden heeft het NICC de laboratoria die dat wensten gratis voorzien van encryptiesoftware. Niettemin, niet alle laboratoria gebruiken die software, en hun deskundigen versturen de gegevens enkel via de post, waardoor de beheerder van de nationale DNA-gegevensbanken manueel een afschrift moet maken van de informatie.
Deze manier van werken houdt onvermijdelijk het risico in dat er vergissingen gemaakt worden bij de registratie, zelfs wanneer er strenge controles zijn. Ook voor het meedelen van gegevens aan de nationale cel kan specifieke software ter beschikking gesteld worden van de DNA-onderzoekslaboratoria.
Tot slot legt § 5 de DNA-onderzoekslaboratoria de verplichting op om binnen de drie werkdagen te antwoorden op verduidelijkingen en preciseringen gevraagd door de beheerder van de nationale DNA-gegevensbanken, enerzijds om de kwaliteit en de conformiteit van de DNA-profielen en andere gegevens die opgeslagen moeten worden te garanderen, anderzijds om de door de wet opgelegde antwoordtermijn van 14 dagen te kunnen respecteren. Met werkdag wordt bedoeld iedere dag met uitzondering van zaterdag, zondag en wettelijke feestdagen. Dit wordt afgeleid uit artikel 53 van het Gerechtelijk Wetboek.
Artikel 17 Dit artikel bepaalt de wijze waarop het resultaat van een DNA-onderzoek aan de betrokken persoon ter kennis wordt gebracht, en behoeft geen specifieke uitleg.
Artikel 18 Artikel 5quater, § 4 van de wet betreft de kennisgeving van het resultaat van de vergelijking van DNA-profielen aan de bevoegde magistraten. Het antwoord verzonden door de beheerder van de nationale DNA-gegevensbanken of zijn gemachtigde zal ook van het type « hit - no hit » zijn. Indien de statistische evaluatie van de overeenkomst een meerwaarde kan betekenen voor het resultaat, en indien de bevoegde magistraat dit nuttig acht, dan kan hij vragen aan de deskundige die het originele profiel van het spoor heeft opgesteld om de graad van waarschijnlijkheid van de overeenstemming te meten.
Artikel 19 Dit artikel roept geen specifieke commentaar op.
Artikel 20 Het is belangrijk te benadrukken dat dit artikel van toepassing is op alle vormen van archivering in de DNA-onderzoekslaboratoria.
De eerste paragraaf geeft de toelating aan de laboratoria om bepaalde niet-nominatieve gegevens te bewaren in een elektronisch archief op basis van artikel 8bis van de wet. Dit artikel bepaalt dat de DNA-onderzoekslaboratoria de gegevens van het DNA-onderzoek kunnen bewaren met als doel de traceerbaarheid ervan te kunnen bewaren voor gerechtelijke doeleinden. Dit kadert in de realiteit van de functionering van de geaccrediteerde laboratoria, want de kwaliteitsnormen leggen hen op om in alle omstandigheden de traceerbaarheid van de gegevens te kunnen garanderen (zie ook rapport van de DNA-evaluatiecommissie van 23 april 2003). Deze tekst legt dus eenduidig het beheer van de gegevens vast die zonder verlies van informatie geregistreerd kunnen worden in de nationale gegevensbanken, in overeenstemming met de bepalingen van de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
Daar waar de naam van een verdachte of een veroordeelde niet mag aangeduid worden op de documenten en stukken die aan de deskundigen worden overgemaakt, is het anders voor de slachtoffers en andere personen betrokken bij het onderzoek. Daarom is het noodzakelijk te herinneren aan het feit dat geen enkele naam mag opgenomen worden in enig welk bestand, om de strikte confidentialiteit van de persoonsgegevens te garanderen. Dit artikel is dus van toepassing op elke vorm van archivering in om het even welk DNA-onderzoekslaboratorium.
De gegevens betreffende DNA-analyses bewaard in het elektronisch archief moeten volgens artikel 8bis van de wet verwijderd worden na dertig jaar. De geaccrediteerde laboratoria zullen dus noodzakelijkerwijs een procedure moeten voorzien die goedgekeurd is door BELAC en waarvan de toepassing gecontroleerd wordt tijdens de bezoeken van zowel BELAC als van de aangestelde voor de gegevensbescherming.
De tweede paragraaf van artikel 20 komt er vanuit de bezorgdheid de kwaliteit van de afnamen op de plaats van de feiten en op de overtuigingsstukken en de kwaliteit van hun bewaring te verzekeren. De technische en wetenschappelijke federale politie is vragende partij om een regelmatige feedback te krijgen van de deskundigen, om de technieken van de afnamen en bewaring aan te passen. Deze feedback wordt momenteel op vrijwillige basis georganiseerd door de technische en wetenschappelijke politie samen met het NICC. Daarom schrijft artikel 20 nu dat deze gegevens periodiek zowel aan de evaluatiecommissie als aan de directie van de technische en wetenschappelijke politie van de federale gerechtelijke politie overgemaakt zullen worden. HOOFDSTUK VII. - Vernietiging van de aangetroffen sporen en van de referentiestalen Dit hoofdstuk maakt een onderscheid, voor wat betreft de bestemming die eraan gereserveerd is, tussen enerzijds de overtuigingstukken en de sporen aangetroffen op de plaats van de feiten, en anderzijds de referentiestalen. Artikelen 21, 22 en 23 De overtuigingsstukken moeten noodzakelijkerwijze aan de griffie van de rechtbank toevertrouwd worden, die hen van een neerleggingsnummer voorziet (artikel 21). Artikel 44quater van het Wetboek van Strafvordering belast de deskundigen er echter mee het gedeelte van het spoor dat niet geëxploiteerd is te bewaren, zodat het eventueel onderzocht kan worden in het kader van een tegenonderzoek, de verlenging van het onderzoek of de latere heropening van het onderzoek. Deze keuze is ingegeven door het feit dat de griffies de bewaring van deze sporen in optimale voorwaarden m.b.t. temperatuur en vochtigheid niet kunnen garanderen. De bewaringstermijn van 30 jaar, behoudens andersluidende beslissing van de magistraat, is overgenomen van de termijn voor bewaring van DNA-profielen van niet-geïdentificeerde sporen.
Wanneer het moment van vernietiging gekomen is, is het DNA-onderzoekslaboratorium ertoe gehouden om gedurende 5 jaar het bewijs van de vernietiging van zowel het originele spoor, de DNA-stalen als de andere stalen die eruit afgeleid zijn, te bewaren (art. 22).
Op dezelfde manier legt artikel 23 de DNA-onderzoekslaboratoria op om het bewijs van de vernietiging van referentiestalen en van de extracten die DNA bevatten gedurende 5 jaar te bewaren.
De commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft in haar advies gesuggereerd explicieter te zijn wat het ter zake aan te voeren bewijs betreft. Het is echter moeilijk om in een koninklijk besluit te voorzien welke vorm het bewijs van de vernietiging van de referentiestalen moet aannemen. De geaccrediteerde laboratoria zullen in een kwalitatieve procedure moeten voorzien om dat te doen, onder de controle van BELAC. Zowel BELAC als de aangestelde voor de gegevensbescherming zullen in staat zijn zich ervan te verzekeren dat deze procedure voldoet aan de eisen van de gegevensbescherming. HOOFDSTUK VIII. - Erkenning van DNA-onderzoekslaboratoria Dit hoofdstuk bevat een grondige aanpassing van de procedures tot accreditatie en erkenning van laboratoria, door de lacunes vervat in het koninklijk besluit van 2002 op te vullen. Artikel 24 Vroeger werd de erkenning verleend door de Koning. Met het oog op een sneller beheer van de toekenning en van de intrekking van een erkenning, wordt voorgesteld deze controlebevoegdheid aan de minister van Justitie te geven.
Overigens werden de laboratoria tot op heden erkend voor de prestaties die ze zelf kozen te laten controleren door BELAC. Dit had tot gevolg dat een slecht geïnformeerde magistraat bijvoorbeeld een mitochondriaal DNA-onderzoek van een haar kon vragen, zonder dat het laboratorium geaccrediteerd (en dus erkend) was voor deze techniek terwijl het wel erkend was voor de klassieke methodes van genetisch onderzoek. Momenteel moet de deskundige simpelweg in zijn rapport aanduiden dat de gebruikte methode niet gedekt is door de accreditatie. Dit was conform de wet van 1999 (overigens, de koninklijke besluiten tot erkenning van laboratoria geven in hun artikel 1 slechts aan dat « de volgende laboratoria worden erkend om DNA-onderzoek uit te voeren in strafzaken », zonder enige vorm van precisering). Daarom stelt de nieuwe tekst in § 3 voor dat de laboratoria geaccrediteerd dienen te zijn voor alle methodes die ze gebruiken in de onderzoeken die hen worden toevertrouwd.
De geldigheidsduur van de erkenning zal voortaan direct gelieerd zijn met die van de accreditatie, zodat de intrekking van de accreditatie automatisch ook de intrekking van de erkenning met zich meebrengt, behalve in situaties waarin de erkenning ingetrokken moet worden omdat het laboratorium niet meer voldoet aan andere voorwaarden dan degene die direct gelieerd zijn met de toekenning van de accreditatie door BELAC of door een Europese zusterorganisatie.
Artikel 25 Artikel 25 somt de voorwaarden op waaraan de laboratoria moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een erkenning.
Om een erkenning te krijgen dient het laboratorium (gevestigd in België of in een land van de Europese Unie) eerst en vooral geaccrediteerd worden volgens de internationale norm ISO/IEC 17025, zoals al was voorzien in de originele tekst. De lijst van ISO-normen is gepubliceerd door het
Ministerieel Besluit van 16 februari 2006Relevante gevonden documenten
type
ministerieel besluit
prom.
16/02/2006
pub.
23/02/2006
numac
2006011069
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Ministerieel besluit tot bepaling van de lijst van de normatieve documenten die de werking van BELAC bepalen en de lijst van de normatieve documenten die de accreditatiecriteria bepalen voor de instellingen voor de conformiteitsbeoordeling
sluiten tot bepaling van de lijst van normatieve documenten die de werking van BELAC bepalen en van de normatieve documenten die de accreditatiecriteria bepalen voor de instellingen voor de conformiteitsbeoordeling. De volledige tekst van deze normen is verkrijgbaar bij BELAC. Een nieuwe bepaling werd ingevoegd die toelaat dat ook laboratoria gelegen in een land van de Europese Unie geaccrediteerd kunnen worden door andere organismes dan de Belgische accreditatie-instelling BELAC. Sinds 1 januari 2010 moet een laboratorium geaccrediteerd worden door zijn nationale accreditatie-instelling, behalve in uitzonderlijke omstandigheden (zie wat dit betreft Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93, meer bepaald artikel 6 over het « niet-concurrentiebeginsel »).
Ter verduidelijking kan nog gewezen worden op het feit dat het multilaterale akkoord « European cooperation for Accreditation of Laboratories » een akkoord is ondertekend door de leden van de European Accreditation om de gelijkwaardigheid en betrouwbaarheid te erkennen van geaccrediteerde instellingen in Europa. Voor België heeft BELAC dit akkoord ondertekend. Bedoeling is dus dat een buitenlands laboratorium, om erkend te worden als DNA-onderzoekslaboratorium in België, eerst een vooral geaccrediteerd moet zijn door de instelling in het land van dat laboratorium die dit akkoord ondertekend heeft en dus als gelijkwaardig te beschouwen valt met het Belgische BELAC. De lijst van ondertekenende instellingen is terug te vinden op de website http ://www.european-accreditation.org De voorwaarden met betrekking tot het bezit van diploma's en de nodige ervaring zijn behouden.
Bovenop de erkenningprocedure moet het laboratorium met succes deelnemen aan herhaalde tests, of kwaliteitscontroles. Deze tests maken het mogelijk om te vermelden dat de geaccrediteerde procedures effectief met succes worden toegepast in routinegevallen. Een lijst van geldige tests, erkend op internationaal vlak, zal opgemaakt worden door de DNA-evaluatiecommissie en overgemaakt aan BELAC. Bijkomende vereisten met betrekking tot organisatie, beheer en deskundigheid van het laboratorium zijn opgenomen in de punten 4 tot 6.
Als gevolg van hun hoedanigheid van verwerker in de zin van artikel 1, § 1, 5° van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (WVP), zijn de DNA-onderzoekslaboratoria ertoe gehouden technische en organisatorische maatregelen te nemen om de gegevens te beveiligen tegen toevallig verlies evenals tegen de wijziging van of de toegang tot, en iedere andere niet toegelaten verwerking van persoonsgegevens (zie artikel 16, § 1 en § 4 van de WVP).
Artikel 26 Deze bepaling is overgenomen van degene voorzien voor de aangestelde voor de gegevensbescherming (zie artikel 33, § 7).
Artikel 27 Dit artikel betreft de redenen en de procedure tot intrekking van de erkenning, en heeft geen specifieke commentaar nodig.
Artikel 28 Artikel 28 regelt wat er moet gebeuren met de gerechtelijke stukken en met de gegevens in geval van stopzetting van de werkzaamheden van een laboratorium. Bovendien mogen de leden van het laboratorium dat zijn werkzaamheden heeft stopgezet de gegevens waarvan zij kennis hadden niet exploiteren. Dit geldt uiteraard niet wanneer de ex-deskundige later moet getuigen in een proces in het kader waarvan hij DNA-onderzoeken heeft uitgevoerd. HOOFDSTUK IX. - Controle van de DNA-gegevens en beheer van de nationale DNA-gegegensbanken De originele hoofdstukken van het koninklijk besluit van 2002 « Beheer van de gegevensbanken « Veroordeelden » en « Criminalistiek » », en « Bescherming van de persoonlijke levenssfeer », die hetzelfde principe van de bescherming van gegevens behandelen, zijn samengevoegd in één hoofdstuk. Er werden ook preciseringen bij de oorspronkelijke tekst gevoegd. Artikel 29 De tekst wijst er nog eens op dat het NICC de waarborg is voor het goede beheer van de nationale databanken. Op die basis heeft het NICC bovendien het recht om, binnen de limieten van haar opdrachten, de persoonsgegevens die de DNA-profielen zijn, te verzamelen en te verwerken.
Artikel 30 Aangezien de leden van het personeel die betrokken zijn bij de exploitatie van de databanken kennis nemen van een groot aantal gevoelige gegevens, zijn zij onderworpen aan de strengste eisen op het gebied van vertrouwelijkheid en geheimhouding, in het bijzonder het geheim van het onderzoek en de vereisten bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek. Dit bevestigt nadrukkelijk de toepasselijkheid op deze personen van de artikelen 28quinquies, § 1 (geheim van het opsporingsonderzoek) en 57, § 1 (geheim van het gerechtelijk onderzoek) van het Wetboek van strafvordering.
Ze mogen bovendien niet tegelijk deelnemen aan DNA-onderzoeken als zodanig, om te vermijden dat ze kennis nemen van feiten die geen betrekking hebben op het proces van vergelijking van de geregistreerde gegevens op nationaal niveau, of zelfs van de naam van bepaalde protagonisten.
Artikel 31 Artikel 31 formaliseert het beheer van de nationale gegevensbanken en de belangrijke rol van hun beheerder.
Het is aan de beheerder en zijn gemachtigde ( § 1), waarvoor de criteria voor diploma's en ervaring gepreciseerd worden in § 2, om aan de minister van Justitie de principes en de maatregelen voor te stellen met betrekking tot het rendement, de duurzaamheid en de veiligheid van de databanken. Het gaat hier onder meer om de procedures van mededeling van DNA-profielen, de structuur en de nomenclatuur van deze profielen, en de kwaliteitscriteria waaraan de profielen van sporen en de referentieprofielen moeten voldoen. Deze keuzes zullen ingegeven worden in functie van de internationale richtlijnen en aanwijzingen.
De wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, gewijzigd bij de wet van 11 december 1998 tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG, voorziet dat de verantwoordelijke voor de verwerking, in casu het NICC, de nodige technische maatregelen moet treffen om de veiligheid en de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens te waarborgen.
Deze bepalingen moeten dus aangevuld worden met een reglement betreffende de functie van beheerder, de duurzaamheid en de juistheid van de geregistreerde en verwerkte gegevens, en de modaliteiten van toegang voor elke gebruiker die handelt op volmacht van de beheerder ( § § 4, 5, 6, 7 & 8).
De beheerder speelt een centrale rol in de tenuitvoerlegging van de gegevensbanken en de inachtneming van de regels ter zake. Zijn functie wordt verduidelijkt en zijn verantwoordelijkheden worden meer in detail omschreven.
Artikel 32 De gegevens beheerd in de nationale DNA-gegevensbanken worden hier opgesomd ( § 1). De commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer suggereerde om de andere categorieën gegevens die mogelijk kunnen geregistreerd worden zo goed mogelijk te bepalen in naleving van het voorzienbaarheids- en transparantiebeginsel.
Behalve voor de unieke identificatie in de behandelde dossiers, kunnen ze ook gebruikt worden voor statistische doeleinden of voor strafrechtelijke beleidsdoeleinden, zoals voor de evaluatie van het aantal recidivisten dat opnieuw geïdentificeerd is door hun DNA, of de mate van opheldering via DNA-profielen volgens het type van misdrijf, het onderstrepen van de mogelijke netwerken die door de verbanden tussen DNA-profielen tot stand kunnen worden gebracht, enzovoort... De commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer herinnert eraan dat de artikelen 3, 4 en 5 van het
koninklijk besluit van 13 februari 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/02/2001
pub.
13/03/2001
numac
2001009176
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit ter uitvoering van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens
sluiten tot uitvoering van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens moeten nageleefd worden voor wat in casu het proportionaliteitsbeginsel betreft. De DNA-gegevensbanken bevatten echter enkel anonieme gegevens, en er is dus geen enkel probleem voor de toepassing van deze bepalingen.
De DNA-evaluatiecommissie en het college van procureurs-generaal zullen een jaarlijks verslag ontvangen over deze studies ( § § 2 en 3). Het NICC kan dat verslag, ten minste gedeeltelijk, openbaar maken.
Artikel 33 Aangezien het NICC met de invoering en het beheer van de nationale gegevensbanken belast is, moet het ter zake een kwaliteitsvereiste in acht nemen. Na controle bij BELAC blijkt dat geen enkele internationale kwaliteitsnorm aangepast is om te worden toegepast op het beheer van dergelijke gegevensbanken. Er wordt dan ook verwezen naar andere soorten internationale normen, in casu de normen die de Raad van Europa heeft opgesteld in een resolutie inzake de internationale uitwisseling van DNA-gegevens.
Artikel 34 Hoewel voorzien in het originele besluit van 2002, heeft de regering tot op heden geen bepaling voorzien om de aangestelde voor de gegevensbescherming aan te duiden met toepassing van artikel 17 van het koninklijk besluit van 2002.
Het ontbrak de selectieprocedure van de aangestelde ook aan klaarheid in de originele tekst van 2002; het was immers niet duidelijk of de kandidaat geselecteerd werd onder het personeel van het NICC, of lid werd van dit personeel na zijn aanstelling. De tekst in § 1 werd dus aangepast. § 3 is gewijd aan de omschrijving van de opdrachten van de aangestelde, die onder het rechtstreekse functionele gezag staat van de directeur-generaal van het NICC ( § 2). Met functioneel gezag wordt bedoeld dat de directeur-generaal geen invloed heeft op het inhoudelijke werk van de aangestelde, en dus geen hiërarchisch gezag heeft waardoor hij een dergelijke invloed wel zou kunnen uitoefenen.
De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer vraagt zich af waarom de opvolging en controle van doorgiften van niet-geïdentificeerde DNA-profielen naar buitenlandse contactpunten, om daar vergeleken te worden met geïndexeerde DNA-profielen die geregistreerd werden in buitenlandse DNA-databanken, niet vermeld werden bij de taken die toevertrouwd worden aan de aangestelde. Deze taak behoort echter tot de algemene controlebevoegdheid van de aangestelde voorzien in § 3, 2°. De specifieke taak van opvolging en controle van de verzending van DNA-profielen behoort toe aan de beheerder van de nationale DNA-gegevensbanken die door de wet aangesteld is om deze gegevens te verwerken, en niet aan degene die controleert of de verwerking conform aan de DNA-wet en de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer gebeurt.
Het feit dat de aangestelde niet belast is met de opvolging en de controle van het doorzenden van gegevens naar buitenlandse contactpunten verhindert hem helemaal niet een algemeen zicht te hebben op de manier waarop het geheel van doorzending, beheer van dossiers, verwijdering van gegevens etc... geleid wordt door de beheerder van de nationale gegevensbanken.
De commissie merkt in punt 44 van haar advies ook op dat het feit dat deze opvolging niet behoort tot de taken toevertrouwd aan de aangestelde, hem de facto verhindert daarover verslag uit te brengen aan de Commissie. Er moet echter op gewezen worden dat artikel 8, § 5 van de DNA-wet bepaalt dat het de beheerder van de nationale DNA-gegevensbanken is die toeziet op de naleving van de in de wet bepaalde voorschriften met betrekking tot de bescherming en de verwijdering van de met de buitenlandse contactpunten uitgewisselde gegevens, en dat hij het is die hierover verslag uitbrengt aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Onder de verantwoordelijkheden die aan deze persoon toevertrouwd worden vermeldt § 4 een jaarlijkse inspectie van elk DNA-onderzoekslaboratorium en van de dienst die de nationale DNA-gegevensbanken beheert, teneinde de adequaatheid van de maatregelen die genomen zijn ter bescherming van de gegevens en ter controle te bestuderen, en indien nodig het vertrouwen dat het publiek kan hebben in deze laboratoria te bevestigen. Deze controles zijn niet overbodig ten opzichte van de controles georganiseerd door BELAC. Immers, BELAC verzekert het respect voor de norm EN ISO 17025, terwijl de aangestelde voor de gegevensbescherming het respect voor de bijkomende voorwaarden bepaald in de andere artikelen van dit besluit verzekert.
De regering gaat niet in op punt 3.6. van het advies van de Raad van State, waar ze zegt dat de regeling over het betreden van de lokalen van de laboratoria en het NICC door de aangestelde voor de gegevensverwerking bij wet geregeld moet worden. Dit aspect maakt immers onlosmakelijk deel uit van de manier waarop de aangestelde voor de gegevensverwerking zijn controlerende taak moet uitvoeren. Het begrip « wet » wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens overigens niet geïnterpreteerd in de formele zin van het woord. Het doel van het betreden van de lokalen kan ingeschreven worden in de waarborgen van artikel 8 van het EVRM, in zover dat ermee beoogd wordt dat de regels betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de informatiebeveiliging nageleefd worden.
In § 6 wordt met de woorden « de passende beslissingen » bedoeld dat de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, afhankelijk van de situatie, een beslissing dient te nemen om het belangenconflict dat zich aandient te vermijden. Zo kan zij bijvoorbeeld een lid van de Commissie zelf aanduiden om de taak van de aangestelde voor de gegevensbescherming tijdelijk over te nemen.
Tot slot zegt de commissie in punt 41 van haar advies voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer dat artikel 36bis van de wet van 8 december 1992 van toepassing is op de uitwisseling van DNA-profielen met buitenlandse contactpunten. Dit artikel bepaalt dat elke elektronische mededeling van persoonsgegevens ondergeschikt is aan het verkrijgen van een principiële machtiging door het Sectoraal comité voor de Federale Overheid.
Aangezien het hier om de uitvoering van een internationale verplichting gaat, voorzien in de artikelen 3 en 4 van Europees Besluit 2008/615/JBZ en omgezet in artikel 8 van de DNA-wet, is er al een uitdrukkelijke wettelijke basis voor deze internationale uitwisseling. De regering meent dan ook dat het verkrijgen van een machtiging van het sectoraal comité voor de Federale Overheid niet nodig is. HOOFDSTUK X. - Overheidsopdracht Artikel 35 De gerechtskosten betreffen enkel de gevorderde handelingen uitgevoerd tot er een beslissing is die in kracht van gewijsde is gegaan. De kosten die het opstellen van een DNA-profiel van veroordeelden, die tijdens het onderzoek niet het voorwerp uitgemaakt hebben van deze maatregel, met zich meebrengen, zijn dus eigenlijk geen gerechtskosten meer. Welnu, momenteel zijn de bedragen die toegekend worden aan deskundigen voor het DNA-onderzoek van een veroordeelde exorbitant.
Vandaar dat het gerechtvaardigd is om de minister van Justitie de mogelijkheid te geven een openbare aanbesteding te publiceren zodat deze categorie van DNA-onderzoeken aan een redelijke prijs kunnen uitgevoerd worden, door de concurrentie te laten spelen.
De minister kan echter deze opdracht ook toevertrouwen aan het NICC. Dit is consistent met de bepalingen van het koninklijk besluit van 20 april 1965 tot vaststelling van het organiek statuut van de federale wetenschappelijke instellingen. Artikel 10 van dit koninklijk besluit bepaalt dat de minister onder wiens gezag de instelling is geplaatst, kan deze belasten met onderzoekingsactiviteiten of met opdrachten van openbaar dienstbetoon die niet behoren tot haar permanente bevoegdheden, onder meer bij toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 betreffende de financiering van programma's van collectief fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. HOOFDSTUK XI. - Slotbepalingen en overgangsbepalingen Artikel 38 In toepassing van artikel 143ter van het Gerechtelijk Wetboek zal binnenkort een gemeenschappelijke ondersteuningsdienst gecreëerd worden ten dienste van het College van Procureurs-generaal. In afwachting van de oprichting zal de nationale cel ingeplant worden in het federaal parket.
Artikelen 36, 37, en 39 Deze artikelen behoeven geen specifieke commentaar.
De Minister van Justitie, Mevr. A. TURTELBOOM
ADVIES 52.323/3 VAN 20 NOVEMBER 2012 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWE …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.