← België

Wet houdende instemming met het Verdrag van Nice houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de E

Kort samengevat

Deze wet bekrachtigt het Verdrag van Nice van 26 februari 2001, dat wijzigingen aanbrengt in de verdragen betreffende de Europese Unie en de Europese Gemeenschappen, inclusief bijbehorende protocollen en de Slotakte. Het doel is om de instellingen van de Europese Unie voor te bereiden op een uitbreiding en om de toetredingsonderhandelingen succesvol af te ronden.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
7 JUNI 2002. - Wet houdende instemming met het Verdrag van Nice houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten, Protocollen 1, 2 en 3 en met de Slotakte, gedaan te Nice op 26 februari 2001 (1) (2) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Art. 2.Het Verdrag van Nice houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten, de Protocollen 1, 2 en 3 en de Slotakte, gedaan te Nice op 26 februari 2001, zullen volkomen gevolg hebben. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 7 juni 2002. ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, G. VERHOFSTADT De Minister van Buitenlandse Zaken, L. MICHEL Gezien met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN _______ Nota's (1) Zitting 2001-2002 Senaat Documenten.- Ontwerp van wet ingediend op 13 december 2001, nr. 2-985/1. - Verslag namens de commissie, nr. 2-985/2. Parlementaire Handelingen. - Bespreking, vergadering van 7 maart 2002. - Stemming, vergadering van 7 maart 2002. Zitting 2001-2002 Kamer Documenten. - Tekst overgezonden door de Senaat, nr. 50-1679/1. - Verslag namens de commissie, nr. 50-1679/2. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd, nr. 50-1679/3. Parlementaire Handelingen. - Bespreking, vergadering van 27 maart 2002. - Stemming, vergadering van 28 maart 2002.(2) Zie Decreet van de Vlaamse Gemeenschap/het Vlaams Gewest van 28 juni 2002 (Belgisch Staatsblad van 1 augustus 2002), Decreet van de Franse Gemeenschap van 25 april 2002 (Belgisch Staatsblad van 14 mei 2002, Ed.2), Decreet van het Duitstalige Gemeenschap van 24 juni 2002 (Belgisch Staatsblad van 7 november 2002, Ed. 2), Decreet van het Waalse Gewest van 30 mei 2002 (Belgisch Staatsblad van 8 juni 2002), Ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 13 juni 2002 (Belgisch Staatsblad van 27 augustus 2002) en Ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 18 juli 2002 (Belgisch Staatsblad van 27 augustus 2002). VERDRAG VAN NICE HOUDENDE WIJZIGING VAN HET VERDRAG BETREFFENDE DE EUROPESE UNIE, DE VERDRAGEN TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN EN SOMMIGE BIJBEHORENDE AKTEN ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN DENEMARKEN, DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, DE PRESIDENT VAN DE HELLEENSE REPUBLIEK, ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN SPANJE, DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK, DE PRESIDENT VAN IERLAND, DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK, ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOG VAN LUXEMBURG, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN, DE FEDERALE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK OOSTENRIJK, DE PRESIDENT VAN DE PORTUGESE REPUBLIEK, DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK FINLAND, ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN ZWEDEN, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIE EN NOORD-IERLAND, HERINNEREND aan het historisch belang van de beëindiging van de deling van het Europese continent, VERLANGEND het met het Verdrag van Amsterdam aangevangen proces, waarbij de instellingen van de Europese Unie moeten worden voorbereid op het functioneren in een uitgebreide Unie, te voltooien, VASTBESLOTEN om op deze basis voort te gaan met de toetredingsonderhandelingen en deze op succesvolle wijze af te ronden volgens de procedure waarin het Verdrag betreffende de Europese Unie voorziet, HEBBEN BESLOTEN het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten te wijzigen, en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen : ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN : De heer Louis MICHEL, Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken; HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN DENEMARKEN : De heer Mogens LYKKETOFT, Minister van Buitenlandse Zaken; DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND : De heer Joseph FISCHER, Minister van Buitenlandse Zaken en Plaatsvervanger van de Bondskanselier; DE PRESIDENT VAN DE HELLEENSE REPUBLIEK : De heer Georgios PAPANDREOU, Minister van Buitenlandse Zaken; ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN SPANJE : De heer Josep PIQUE I CAMPS, Minister van Buitenlandse Zaken; DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK : De heer Hubert VEDRINE, Minister van Buitenlandse Zaken; DE PRESIDENT VAN IERLAND : De heer Brian COWEN, Minister van Buitenlandse Zaken; DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK : De heer Lamberto DINI, Minister van Buitenlandse Zaken; ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOG VAN LUXEMBURG : Mevrouw Lydie POLFER, Vice-Minister-President, Minister van Buitenlandse Zaken en van Buitenlandse Handel; HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN : De heer Jozias Johannes VAN AARTSEN, Minister van Buitenlandse Zaken; DE FEDERALE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK OOSTENRIJK : Mevrouw Benita FERRERO-WALDNER, Minister van Buitenlandse Zaken; DE PRESIDENT VAN DE PORTUGESE REPUBLIEK : De heer Jaime GAMA, Minister van Staat, Minister van Buitenlandse Zaken; DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK FINLAND : De heer Erkki TUOMIOJA, Minister van Buitenlandse Zaken; ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN ZWEDEN : Mevrouw Anna LINDH, Minister van Buitenlandse Zaken; HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIE EN NOORD-IERLAND : De heer Robin COOK, Minister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken; DIE, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, OVEREENSTEMMING HEBBEN BEREIKT OMTRENT DE VOLGENDE BEPALINGEN : EERSTE DEEL INHOUDELIJKE WIJZIGINGEN Artikel 1 Het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt gewijzigd overeenkomstig dit artikel. 1. Artikel 7 wordt vervangen door : « Artikel 7 1.Op een met redenen omkleed voorstel van een derde van de lidstaten, het Europees Parlement of de Commissie kan de Raad, na instemming van het Europees Parlement, met een meerderheid van vier vijfden van zijn leden constateren dat er duidelijk gevaar bestaat voor een ernstige schending van in artikel 6, lid 1, genoemde beginselen door een lid-Staat, en die lidstaat passende aanbevelingen doen. Alvorens die constatering te doen, hoort de Raad de betrokken lidstaat en kan hij volgens dezelfde procedure onafhankelijke personen vragen binnen een redelijke termijn een verslag over de situatie in die lid-Staat voor te leggen. De Raad gaat regelmatig na of de redenen die tot zijn constatering hebben geleid nog bestaan. 2. De Raad, in de samenstelling van staatshoofden en regeringsleiders, kan met eenparigheid van stemmen, op voorstel van een derde van de lid-Staten of van de Commissie, en na instemming van het Europees Parlement, een ernstige en voortdurende schending van in artikel 6, lid 1, genoemde beginselen door een lid-Staat constateren, na de regering van de lid-Staat in kwestie om opmerkingen te hebben verzocht.3. Wanneer de in lid 2 bedoelde constatering is gedaan, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten tot schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van dit Verdrag op de lid-Staat in kwestie voortvloeien, met inbegrip van de stemrechten van de vertegenwoordiger van de regering van die lidstaat in de Raad.De Raad houdt daarbij rekening met de mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen. De verplichtingen van de lid-Staat in kwestie uit hoofde van dit Verdrag blijven in ieder geval verbindend voor die lidstaat. 4. De Raad kan naderhand met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten om krachtens lid 3 genomen maatregelen te wijzigen of in te trekken in verband met wijzigingen in de toestand die tot het opleggen van de maatregelen heeft geleid.5. Voor de toepassing van dit artikel besluit de Raad zonder rekening te houden met de stem van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat in kwestie.Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor het aannemen van de in lid 2 bedoelde besluiten. Een gekwalificeerde meerderheid wordt omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen van de betrokken leden van de Raad als vastgelegd in artikel 205, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Dit lid is eveneens van toepassing wanneer stemrechten worden geschorst op grond van lid 3. 6. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 besluit het Europees Parlement met een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen en tevens bij meerderheid van zijn leden.» 2. Artikel 17 wordt vervangen door : « Artikel 17 1.Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid omvat alle aangelegenheden die betrekking hebben op de veiligheid van de Unie, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid, dat tot een gemeenschappelijke defensie kan leiden indien de Europese Raad daartoe besluit. In dat geval beveelt hij de lid-Staten aan een daartoe strekkend besluit aan te nemen overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. Het beleid van de Unie overeenkomstig dit artikel laat het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lid-Staten onverlet, eerbiedigt de uit het Noord-Atlantisch Verdrag voortvloeiende verplichtingen van bepaalde lid-Staten waarvan de gemeenschappelijke defensie gestalte krijgt in de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), en is verenigbaar met het in dat kader vastgestelde gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid. De geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid wordt, wanneer de lidstaten dat passend achten, ondersteund door hun samenwerking op bewapeningsgebied. 2. De in dit artikel bedoelde aangelegenheden omvatten humanitaire en reddingsopdrachten, vredeshandhavingsopdrachten en opdrachten van strijdkrachten op het gebied van crisisbeheersing, met inbegrip van het tot stand brengen van vrede.3. Onder dit artikel vallende besluiten welke gevolgen hebben op defensiegebied worden genomen onverminderd het beleid en de verplichtingen, bedoeld in lid 1, tweede alinea.4. Dit artikel vormt geen beletsel voor de ontwikkeling van nauwere samenwerking op bilateraal niveau tussen twee of meer lid-Staten, in het kader van de West-Europese Unie (WEU) en van de NAVO, mits die samenwerking niet indruist tegen en geen belemmering vormt voor de in deze titel beoogde samenwerking.5. Ter bevordering van de doelstellingen van dit artikel wordt het bepaalde in dit artikel overeenkomstig artikel 48 herzien.» 3. In artikel 23, lid 2, eerste alinea, wordt het volgende derde streepje toegevoegd : « - bij de benoeming van een speciale vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 18, lid 5.» 4. Artikel 24 wordt vervangen door : « Artikel 24 1.Indien ter uitvoering van deze titel een overeenkomst moet worden gesloten met één of meer staten of internationale organisaties, kan de Raad het voorzitterschap machtigen om, zo nodig bijgestaan door de Commissie, daartoe onderhandelingen te openen. Dergelijke overeenkomsten worden gesloten door de Raad op aanbeveling van het voorzitterschap. 2. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen wanneer de overeenkomst betrekking heeft op een aangelegenheid ten aanzien waarvan interne besluiten met eenparigheid van stemmen worden aangenomen.3. Wanneer de overeenkomst betrekking heeft op de uitvoering van een gemeenschappelijk optreden of een gemeenschappelijk standpunt, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen overeenkomstig artikel 23, lid 2.4. Dit artikel is ook van toepassing op aangelegenheden die onder titel VI vallen.Wanneer de overeenkomst betrekking heeft op een aangelegenheid ten aanzien waarvan interne besluiten of maatregelen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen moeten worden aangenomen, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen overeenkomstig artikel 34, lid 3. 5. Geen overeenkomst is bindend voor een lidstaat waarvan de vertegenwoordiger in de Raad verklaart dat hij de bepalingen van zijn grondwettelijke procedure in acht moet nemen;de andere leden van de Raad kunnen overeenkomen dat de overeenkomst niettemin voorlopig van toepassing is. 6. De overeenkomsten, gesloten onder de voorwaarden van dit artikel, zijn bindend voor de instellingen van de Unie.» 5. Artikel 25 wordt vervangen door : « Artikel 25 Onverminderd artikel 207 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap volgt een politiek en veiligheidscomité de internationale situatie op de onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallende gebieden en draagt het bij tot het bepalen van het beleid door op verzoek van de Raad of op eigen initiatief adviezen aan de Raad uit te brengen.Het comité ziet ook toe op de tenuitvoerlegging van het overeengekomen beleid, onverminderd de bevoegdheden van het voorzitterschap en van de Commissie. In het kader van deze titel oefent het comité onder verantwoordelijkheid van de Raad de politieke controle en strategische leiding van crisisbeheersingsoperaties uit. De Raad kan het comité voor het doel en de duur van een crisisbeheersingsoperatie, als bepaald door de Raad, machtigen passende besluiten te nemen over de politieke controle en strategische leiding van de operatie, onverminderd artikel 47. » 6. De volgende artikelen worden ingevoegd : « Artikel 27 A 1.Nauwere samenwerking op een van de gebieden die vallen onder deze titel heeft tot doel de waarden van de Unie veilig te stellen en de belangen van de Unie in haar geheel te dienen, door haar identiteit als coherente kracht in de wereld tot uitdrukking te brengen. Nauwere samenwerking moet geschieden met inachtneming van : - de beginselen, de doelstellingen, de algemene richtsnoeren en de samenhang van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, alsmede de in het kader van dat beleid genomen besluiten; - de bevoegdheden van de Europese Gemeenschap; - de samenhang tussen het algehele beleid van de Unie en haar externe optreden. 2. De artikelen 11 tot en met 27 en de artikelen 27 B tot en met 28 zijn van toepassing op de in dit artikel bedoelde nauwere samenwerking, tenzij in artikel 27 C en in de artikelen 43 tot en met 45 anders is bepaald. Artikel 27 B De nauwere samenwerking uit hoofde van deze titel heeft betrekking op de uitvoering van een gemeenschappelijk optreden of een gemeenschappelijk standpunt. Zij kan geen betrekking hebben op vraagstukken die gevolgen hebben op militair of defensiegebied. Artikel 27 C De lidstaten die voornemens zijn onderling nauwere samenwerking krachtens artikel 27 B aan te gaan, richten een verzoek aan de Raad. Het verzoek wordt aan de Commissie en ter kennisgeving aan het Europees Parlement toegezonden. De Commissie brengt met name advies uit over de samenhang van de beoogde nauwere samenwerking met het beleid van de Unie. De machtiging wordt verleend door de Raad, die overeenkomstig artikel 23, lid 2, tweede en derde alinea, en met inachtneming van de artikelen 43 tot en met 45 een besluit neemt. Artikel 27 D Onverminderd de bevoegdheden van het voorzitterschap en de Commissie, ziet de secretaris-generaal van de Raad, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, er in het bijzonder op toe dat het Europees Parlement en alle leden van de Raad ten volle op de hoogte worden gehouden van de uitvoering van nauwere samenwerking op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Artikel 27 E Een lid-Staat die wenst deel te nemen aan krachtens artikel 27 C aangegane nauwere samenwerking geeft kennis van zijn voornemen aan de Raad en brengt de Commissie op de hoogte. De Commissie doet binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving een advies aan de Raad toekomen. Binnen vier maanden na ontvangst van de kennisgeving neemt de Raad een besluit over het verzoek en over bijzondere regelingen die hij eventueel nodig acht. Het besluit wordt geacht te zijn goedgekeurd, tenzij de Raad binnen die termijn met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit het op te schorten; in dat geval geeft de Raad de redenen voor zijn besluit aan en stelt hij een termijn voor een nieuwe behandeling. Voor de toepassing van dit artikel besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Een gekwalificeerde meerderheid wordt omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen en hetzelfde aandeel van het aantal betrokken leden van de Raad als vastgelegd in artikel 23, lid 2, derde alinea. » 7. Artikel 29, tweede alinea, tweede streepje, wordt vervangen door : « - nauwere samenwerking tussen justitiële en andere bevoegde autoriteiten van de lid-Staten, ook via de Europese eenheid voor justitiële samenwerking (Eurojust), in overeenstemming met de artikelen 31 en 32; " 8) Artikel 31 wordt vervangen door : « Artikel 31 1. Gezamenlijk optreden inzake justitiële samenwerking in strafzaken omvat : a) het vergemakkelijken en bespoedigen van de samenwerking tussen de bevoegde ministeries en de justitiële of gelijkwaardige autoriteiten van de lidstaten, onder andere wanneer dat dienstig is via Eurojust, met betrekking tot procedures en de tenuitvoerlegging van beslissingen;b) het vergemakkelijken van uitlevering tussen lid-Staten;c) het waarborgen van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende voorschriften, voorzover nodig ter verbetering van die samenwerking;d) het voorkomen van jurisdictiegeschillen tussen lidstaten;e) het geleidelijk aannemen van maatregelen tot opstelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de georganiseerde criminaliteit, terrorisme en illegale drugshandel.2. De Raad bevordert de samenwerking via Eurojust door : a) Eurojust in staat te stellen bij te dragen tot een goede coördinatie tussen de met vervolging belaste nationale autoriteiten van de lidstaten;b) de medewerking van Eurojust te bevorderen aan onderzoek met betrekking tot zaken van zware grensoverschrijdende criminaliteit, in het bijzonder wanneer het om georganiseerde criminaliteit gaat, met name rekening houdend met de door Europol verrichte analyses;c) nauwe samenwerking tussen Eurojust en het Europees justitieel netwerk te vergemakkelijken, met name om de uitvoering van rogatoire commissies en de behandeling van uitleveringsverzoeken te vergemakkelijken.» 9. Artikel 40 wordt vervangen door de volgende artikelen 40, 40 A en 40 B : « Artikel 40 1.Nauwere samenwerking op een van de gebieden die vallen onder deze titel heeft tot doel de Unie in staat te stellen zich sneller te ontwikkelen tot een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, met inachtneming van de bevoegdheden van de Europese Gemeenschap en de in deze titel neergelegde doelstellingen. 2. De artikelen 29 tot en met 39 en de artikelen 40 A, 40 B en 41 zijn van toepassing op de in dit artikel bedoelde nauwere samenwerking, tenzij in artikel 40 A en in de artikelen 43 tot en met 45 anders is bepaald.3. De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap die betrekking hebben op de bevoegdheden van het Hof van Justitie en de uitoefening van die bevoegdheden, zijn van toepassing op dit artikel alsmede op de artikelen 40 A en 40 B. Artikel 40 A 1. De lidstaten die voornemens zijn onderling nauwere samenwerking krachtens artikel 40 aan te gaan, richten een verzoek aan de Commissie, die bij de Raad een voorstel in die zin kan indienen. Indien de Commissie geen voorstel indient, deelt zij de redenen daarvan mee aan de betrokken lidstaten. Deze kunnen vervolgens bij de Raad een initiatief indienen om een machtiging voor de nauwere samenwerking te verkrijgen. 2. De in lid 1 bedoelde machtiging wordt met inachtneming van de artikelen 43 tot en met 45 verleend door de Raad die, op voorstel van de Commissie of op initiatief van ten minste acht lidstaten, na raadpleging van het Europees Parlement met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit neemt.De stemmen van de leden van de Raad worden gewogen overeenkomstig artikel 205, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Een lid van de Raad kan verlangen dat de zaak aan de Europese Raad wordt voorgelegd. Nadat dit is geschied, kan de Raad overeenkomstig de eerste alinea een besluit nemen. Artikel 40 B Een lid-Staat die wenst deel te nemen aan krachtens artikel 40 A aangegane nauwere samenwerking geeft kennis van zijn voornemen aan de Raad en aan de Commissie, die binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving een advies aan de Raad doet toekomen, eventueel vergezeld van een aanbeveling betreffende bijzondere regelingen die zij nodig acht voor de deelneming van de betrokken lidstaat aan de samenwerking. De Raad neemt binnen vier maanden na ontvangst van de kennisgeving een besluit over het verzoek. Het besluit wordt geacht te zijn goedgekeurd, tenzij de Raad binnen die termijn met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit het op te schorten; in dat geval geeft de Raad de redenen voor zijn besluit aan en stelt hij een termijn voor een nieuwe behandeling. Voor de toepassing van dit artikel besluit de Raad overeenkomstig artikel 44, lid 1. » 10) (heeft geen betrekking op de Nederlandse tekst) 11) Artikel 43 wordt vervangen door : « Artikel 43 De lid-Staten die voornemens zijn onderling nauwere samenwerking aan te gaan kunnen gebruik maken van de instellingen, procedures en regelingen van dit Verdrag en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, mits de samenwerking : a) beoogt de doelstellingen van de Unie en de Gemeenschap te bevorderen, hun belangen te beschermen en te dienen, en hun integratieproces te versterken;b) strookt met die verdragen, en met het ene institutionele kader van de Unie;c) strookt met het acquis communautaire en met de maatregelen die krachtens de andere bepalingen van die verdragen genomen zijn;d) binnen de grenzen van de bevoegdheden van de Unie of de Gemeenschap blijft en geen betrekking heeft op de gebieden die onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap vallen;e) geen afbreuk doet aan de interne markt als omschreven in artikel 14, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, noch aan de economische en sociale samenhang die tot stand is gebracht overeenkomstig titel XVII van dat Verdrag;f) geen beperking of discriminatie in de handel tussen de lidstaten vormt en de mededinging tussen de lid-Staten niet verstoort;g) een zaak is van ten minste acht lidstaten;h) strookt met de bevoegdheden, rechten en verplichtingen van de lid-Staten die er niet aan deelnemen;i) geen afbreuk doet aan het Protocol tot opneming van het Schengenacquis in het kader van de Europese Unie;j) openstaat voor alle lid-Staten, overeenkomstig artikel 43 B.» 12) De volgende artikelen worden toegevoegd : « Artikel 43 A Er mag pas in laatste instantie met nauwere samenwerking worden begonnen, wanneer in de Raad is vastgesteld dat de doelstellingen van de samenwerking niet binnen een redelijke termijn op grond van de terzake geldende bepalingen van de verdragen kunnen worden verwezenlijkt. Artikel 43 B Nauwere samenwerking staat open voor alle lidstaten op het moment waarop zij wordt aangegaan. Deelneming is te allen tijde mogelijk overeenkomstig de artikelen 27 E en 40 B van dit Verdrag en artikel 11 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, mits het basisbesluit en de in het kader daarvan aangenomen besluiten worden nageleefd. De Commissie en de lid-Staten die aan een nauwere samenwerking deelnemen, zien erop toe dat de deelname van zoveel mogelijk lid-Staten wordt aangemoedigd. » 13) Artikel 44 wordt vervangen door de volgende artikelen 44 en 44 A : « Artikel 44 1.Voor de aanneming van de handelingen en besluiten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de in artikel 43 bedoelde nauwere samenwerking zijn de desbetreffende institutionele bepalingen van dit Verdrag en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing. Alle leden van de Raad kunnen deelnemen aan de beraadslagingen, maar alleen de leden die aan de samenwerking deelnemende lid-Staten vertegenwoordigen, nemen deel aan de aanneming van besluiten. Een gekwalificeerde meerderheid wordt omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen stemmen en hetzelfde aandeel van het aantal betrokken leden van de Raad als vastgelegd in artikel 205, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en, wat nauwere samenwerking op grond van artikel 27 C betreft, in artikel 23, lid 2, tweede en derde alinea, van dit Verdrag. Eenparigheid van stemmen wordt alleen door de betrokken leden van de Raad gevormd. Dergelijke handelingen en besluiten maken geen deel uit van het acquis van de Unie. 2. De lid-Staten passen, voorzover zij bij de nauwere samenwerking betrokken zijn, de handelingen en besluiten toe die worden aangenomen voor de uitvoering van de nauwere samenwerking waaraan zij deelnemen. Deze handelingen en besluiten zijn alleen bindend voor de lidstaten die eraan deelnemen en zijn in voorkomend geval alleen in die staten rechtstreeks van toepassing. De lidstaten die niet aan de samenwerking deelnemen, belemmeren de uitvoering ervan door de deelnemende lidstaten niet. Artikel 44 A De uitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van een nauwere samenwerking, met uitzondering van de administratieve kosten voor de instellingen, komen ten laste van de deelnemende lid-Staten, tenzij de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen van al zijn leden anders besluit. » 14) Artikel 45 wordt vervangen door : « Artikel 45 De Raad en de Commissie zorgen ervoor dat de op grond van deze titel genomen maatregelen coherent zijn, zowel onderling als met het beleid van de Unie en van de Gemeenschap, en werken daartoe samen.» 15) Artikel 46 wordt vervangen door : « Artikel 46 De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie die betrekking hebben op de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en de uitoefening van die bevoegdheden, zijn slechts op de volgende bepalingen van dit Verdrag van toepassing : a) de bepalingen houdende wijziging van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap met het oog op de oprichting van de Europese Gemeenschap, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;b) de bepalingen van titel VI, onder de voorwaarden van artikel 35;c) de bepalingen van titel VII, onder de voorwaarden van de artikelen 11 en 11 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en van artikel 40 van dit Verdrag;d) artikel 6, lid 2, met betrekking tot de handelingen van de instellingen, voorzover het Hof bevoegd is op grond van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en op grond van dit Verdrag;e) de louter procedurele bepalingen van artikel 7; het Hof doet uitspraak op verzoek van de betrokken lidstaat, binnen een maand na de datum van de in dat artikel bedoelde constatering door de Raad; f) de artikelen 46 tot en met 53.» Artikel 2 Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap wordt gewijzigd overeenkomstig dit artikel. 1) Artikel 11 wordt vervangen door de volgende artikelen 11 en 11 A : « Artikel 11 1.De lidstaten die voornemens zijn onderling nauwere samenwerking aan te gaan op een van de gebieden die onder dit Verdrag vallen, richten een verzoek aan de Commissie, die bij de Raad een voorstel in die zin kan indienen. Indien de Commissie geen voorstel indient, deelt zij de redenen daarvan mee aan de betrokken lidstaten. 2. De machtiging om nauwere samenwerking als bedoeld in lid 1 aan te gaan, wordt met inachtneming van de artikelen 43 tot en met 45 van het Verdrag betreffende de Europese Unie verleend door de Raad, die op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit neemt.Wanneer de nauwere samenwerking betrekking heeft op een gebied dat onder de procedure van artikel 251 van dit Verdrag valt, is instemming van het Europees Parlement vereist. Een lid van de Raad kan verlangen dat de zaak aan de Europese Raad wordt voorgelegd. Nadat dit is geschied, kan de Raad overeenkomstig de eerste alinea een besluit nemen. 3. Op de handelingen en besluiten die nodig zijn voor de uitvoering van activiteiten inzake nauwere samenwerking zijn alle desbetreffende bepalingen van dit Verdrag van toepassing, tenzij in dit artikel en in de artikelen 43 tot en met 45 van het Verdrag betreffende de Europese Unie anders is bepaald. Artikel 11 A Een lidstaat die wenst deel te nemen aan krachtens artikel 11 aangegane nauwere samenwerking geeft kennis van zijn voornemen aan de Raad en aan de Commissie, die binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving een advies aan de Raad doet toekomen. Binnen vier maanden na ontvangst van de kennisgeving neemt de Commissie een besluit over het verzoek en over bijzondere regelingen die zij eventueel nodig acht. » 2) In artikel 13 wordt de bestaande tekst lid 1, en wordt het volgende lid 2 toegevoegd : « 2.Wanneer de Raad communautaire stimuleringsmaatregelen, harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten uitgezonderd, vaststelt ter ondersteuning van de maatregelen die de lid-Staten nemen om bij te dragen tot de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen neemt hij, in afwijking van lid 1, een besluit volgens de procedure van artikel 251. » 3. Artikel 18 wordt vervangen door : « Artikel 18 1.Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lid-Staten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. 2. Indien een optreden van de Gemeenschap noodzakelijk blijkt om deze doelstelling te verwezenlijken en dit Verdrag niet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, kan de Raad bepalingen vaststellen die de uitoefening van de in lid 1 bedoelde rechten vergemakkelijken.Hij neemt een besluit volgens de procedure van artikel 251. 3. Lid 2 is niet van toepassing op de bepalingen inzake paspoorten, identiteitskaarten, verblijfstitels of andere daarmee gelijkgestelde documenten, noch op de bepalingen inzake sociale zekerheid of sociale bescherming.» 4) Aan artikel 67 wordt het volgende lid toegevoegd : « 5.In afwijking van lid 1 neemt de Raad volgens de procedure van artikel 251 de volgende maatregelen aan : - de in artikel 63, punt 1) en punt 2), onder a) , bedoelde maatregelen, voorzover de Raad vooraf overeenkomstig lid 1 van dit artikel communautaire wetgeving heeft vastgesteld waarin gemeenschappelijke regels en de voornaamste beginselen terzake worden bepaald; - de in artikel 65 bedoelde maatregelen, met uitzondering van de aspecten in verband met het familierecht. » 5) Artikel 100 wordt vervangen door : « Artikel 100 1.Onverminderd de overige procedures waarin dit Verdrag voorziet, kan de Raad op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de voor de economische situatie passende maatregelen nemen, met name indien zich bij de voorziening met bepaalde producten ernstige moeilijkheden voordoen. 2. In geval van moeilijkheden of ernstige dreiging van grote moeilijkheden in een lidstaat, die worden veroorzaakt door natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen die deze lid-Staat niet kan beheersen, kan de Raad op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen onder bepaalde voorwaarden communautaire financiële bijstand aan de betrokken lid-Staat verlenen. De voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement van het genomen besluit in kennis. » 6) Artikel 111, lid 4, wordt vervangen door : « 4.Onder voorbehoud van lid 1 besluit de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen over het standpunt van de Gemeenschap in internationale fora ten aanzien van onderwerpen die van bijzonder belang zijn voor de Economische en Monetaire Unie, en over de wijze waarop zij overeenkomstig de in de artikelen 99 en 105 vastgelegde bevoegdheidsverdeling wordt vertegenwoordigd. » 7) Artikel 123, lid 4, wordt vervangen door : « 4.Op de aanvangsdatum van de derde fase neemt de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB, met eenparigheid van stemmen van de lidstaten zonder derogatie, de omrekeningskoersen aan die voor hun munteenheden onherroepelijk worden vastgesteld en waartegen deze munteenheden vervangen worden door de ecu, en zal de ecu een volwaardige munteenheid worden. Deze maatregel op zich brengt geen wijziging in de externe waarde van de ecu mede. De Raad neemt op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de ECB, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen van de lid-Staten zonder derogatie, de overige maatregelen die nodig zijn voor de spoedige invoering van de ecu als enige munteenheid van die lid-Staten. Artikel 122, lid 5, tweede zin, is van toepassing. » 8) Artikel 133 wordt vervangen door : « Artikel 133 1.De gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gegrond op eenvormige beginselen, met name wat betreft de tariefwijzigingen, het sluiten van tarief- en handelsakkoorden, het eenvormig maken van liberalisatiemaatregelen, de uitvoerpolitiek, alsmede de handelspolitieke beschermingsmaatregelen, waaronder de te nemen maatregelen in geval van dumping en subsidies. 2. De Commissie doet aan de Raad voorstellen voor de uitvoering van de gemeenschappelijke handelspolitiek.3. Indien moet worden onderhandeld over akkoorden met een of meer staten of internationale organisaties, doet de Commissie aanbevelingen aan de Raad, die haar machtigt de vereiste onderhandelingen te openen. De Raad en de Commissie zien erop toe dat die akkoorden verenigbaar zijn met het interne beleid en de interne voorschriften van de Gemeenschap. De Commissie voert de onderhandelingen in overleg met een speciaal comité, door de Raad aangewezen om haar daarin bij te staan, en binnen het raam van de richtsnoeren welke de Raad haar kan verstrekken. De Commissie brengt regelmatig verslag uit aan het speciaal comité over de stand van de onderhandelingen. De desbetreffende bepalingen van artikel 300 zijn van toepassing. 4. Bij de uitoefening van de bevoegdheden welke hem bij dit artikel zijn verleend, besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.5. Onverminderd lid 6 zijn de leden 1 tot en met 4 ook van toepassing op onderhandelingen over en de sluiting van akkoorden op het gebied van de handel in diensten en de handelsaspecten van intellectuele eigendom, voorzover de akkoorden in kwestie niet onder die leden vallen. In afwijking van lid 4 besluit de Raad terzake van onderhandelingen over en de sluiting van een akkoord op een van de in de eerste alinea bedoelde gebieden met eenparigheid van stemmen, indien dat akkoord bepalingen bevat waarvoor interne voorschriften met eenparigheid van stemmen worden aangenomen, of betrekking heeft op een gebied ten aanzien waarvan de Gemeenschap haar bevoegdheden uit hoofde van dit Verdrag nog niet heeft uitgeoefend door interne voorschriften aan te nemen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen terzake van onderhandelingen over en de sluiting van een horizontaal akkoord, voorzover dat akkoord ook betrekking heeft op de aangelegenheden, bedoeld in de voorgaande alinea of lid 6, tweede alinea. Dit lid laat het recht van de lid-Staten akkoorden met derde landen of internationale organisaties te handhaven en te sluiten onverlet, voorzover die akkoorden in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht en de overige toepasselijke internationale akkoorden. 6. De Raad kan geen akkoord sluiten dat bepalingen bevat die de interne bevoegdheden van de Gemeenschap overschrijden, in het bijzonder omdat zij zouden leiden tot harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op een gebied ten aanzien waarvan dit Verdrag een dergelijke harmonisatie uitsluit. In dit verband behoren handelsakkoorden betreffende culturele en audiovisuele diensten, onderwijsdiensten alsmede sociale en volksgezondheidsdiensten, in afwijking van lid 5, eerste alinea, tot de gedeelde bevoegdheid van de Gemeenschap en haar lidstaten. Derhalve is voor onderhandelingen over dergelijke akkoorden, behalve een overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van artikel 300 genomen besluit van de Gemeenschap, onderlinge overeenstemming van de lid-Staten vereist. De bij de onderhandelingen tot stand gekomen akkoorden worden door de Gemeenschap en de lid-Staten gezamenlijk gesloten. Titel V en artikel 300 blijven van toepassing op onderhandelingen over en de sluiting van internationale akkoorden op het gebied van vervoer. 7. Onverminderd lid 6, eerste alinea, kan de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen besluiten de toepassing van de leden 1 tot en met 4 uit te breiden tot onderhandelingen en internationale akkoorden betreffende intellectuele eigendom, voorzover deze niet onder lid 5 vallen.» 9) Artikel 137 wordt vervangen door : « Artikel 137 1.Ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 136 wordt het optreden van de lidstaten op de volgende gebieden door de Gemeenschap ondersteund en aangevuld : a) de verbetering van met name het arbeidsmilieu, om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen;b) de arbeidsvoorwaarden;c) de sociale zekerheid en de sociale bescherming van de werknemers;d) de bescherming van de werknemers bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst;e) de informatie en de raadpleging van de werknemers;f) de vertegenwoordiging en collectieve verdediging van de belangen van werknemers en werkgevers, met inbegrip van de medezeggenschap, onder voorbehoud van lid 5;g) de werkgelegenheidsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen die op wettige wijze op het grondgebied van de Gemeenschap verblijven;h) de integratie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, onverminderd artikel 150;i) de gelijkheid van mannen en vrouwen wat hun kansen op de arbeidsmarkt en de behandeling op het werk betreft;j) de bestrijding van sociale uitsluiting;k) de modernisering van de stelsels voor sociale bescherming, onverminderd punt c).2. Te dien einde kan de Raad : a) maatregelen aannemen die erop gericht zijn de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen door middel van initiatieven ter verbetering van de kennis, ontwikkeling van de uitwisseling van informatie en optimale praktijken, bevordering van innoverende benaderingswijzen en evaluatie van ervaringen, met uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lid-Staten;b) op de in lid 1, onder a) tot en met i), bedoelde gebieden door middel van richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen die geleidelijk van toepassing zullen worden, met inachtneming van de in elk van de lidstaten bestaande omstandigheden en technische voorschriften.In deze richtlijnen wordt vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen daardoor zou kunnen worden belemmerd. De Raad besluit volgens de procedure van artikel 251 na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, behoudens op de in lid 1, onder c), d), f) en g) , van dit artikel bedoelde gebieden, waar hij op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en de voornoemde comités met eenparigheid van stemmen besluit. De Raad kan op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen besluiten dat de procedure van artikel 251 van toepassing is op lid 1, punten d), f) en g) , van dit artikel. 3. Een lidstaat kan de sociale partners, indien zij gezamenlijk daarom verzoeken, belasten met de uitvoering van de krachtens lid 2 vastgestelde richtlijnen. In dat geval verzekert de lidstaat zich ervan dat de sociale partners, uiterlijk op de datum waarop een richtlijn overeenkomstig artikel 249 moet zijn omgezet, de nodige maatregelen bij overeenkomst hebben ingevoerd; de betrokken lidstaat moet zelf alle maatregelen treffen om de in de betrokken richtlijn voorgeschreven resultaten te allen tijde te kunnen waarborgen. 4. De krachtens dit artikel vastgestelde bepalingen : - laten het recht van de lid-Staten de fundamentele beginselen van hun sociale-zekerheidsstelsel vast te stellen onverlet en mogen geen aanmerkelijke gevolgen hebben voor het financiële evenwicht van dat stelsel; - beletten niet dat een lid-Staat maatregelen met een hogere graad van bescherming handhaaft of invoert welke met dit Verdrag verenigbaar zijn. 5. Dit artikel is niet van toepassing op de beloning, het recht van vereniging, het stakingsrecht of het recht tot uitsluiting.» 10) Artikel 139, lid 2, tweede alinea, wordt vervangen door : « De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, tenzij de betrokken overeenkomst een of meer bepalingen bevat die betrekking hebben op een van de gebieden waarvoor krachtens artikel 137, lid 2, eenparigheid van stemmen vereist is.In dat geval besluit hij met eenparigheid van stemmen. » 11) Artikel 144 wordt vervangen door : « Artikel 144 De Raad stelt na raadpleging van het Europees Parlement een comité voor sociale bescherming met een adviestaak in teneinde de samenwerking tussen de lidstaten onderling en met de Commissie op het gebied van de sociale bescherming te bevorderen.Het comité heeft tot taak : - toe te zien op de sociale situatie en de ontwikkeling van het beleid inzake sociale bescherming in de lidstaten en de Gemeenschap; - de uitwisseling van informatie, ervaringen en goede praktijken tussen de lidstaten onderling en met de Commissie te vergemakkelijken; - onverminderd artikel 207, verslagen op te stellen, adviezen uit te brengen of andere activiteiten te ontplooien op gebieden die onder zijn bevoegdheid vallen, hetzij op verzoek van de Raad of de Commissie, hetzij op eigen initiatief. Voor de vervulling van zijn opdracht legt het comité de nodige contacten met de sociale partners. Iedere lid-Staat en de Commissie benoemen twee leden van het comité. » 12) Artikel 157, lid 3, wordt vervangen door : « 3.De Gemeenschap draagt bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van lid 1 door middel van haar beleid en optreden uit hoofde van andere bepalingen van dit Verdrag. De Raad kan volgens de procedure van artikel 251 na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité specifieke maatregelen vaststellen ter ondersteuning van de activiteiten die in de lid-Staten worden ondernomen om de doelstellingen van lid 1 te verwezenlijken. Deze titel verschaft geen grondslag voor invoering door de Gemeenschap van maatregelen waardoor de mededinging kan worden vervalst of die belastingbepalingen of bepalingen betreffende de rechten en belangen van werknemers inhouden. » 13) Artikel 159, derde alinea, wordt vervangen door : « Indien specifieke maatregelen buiten de fondsen om noodzakelijk blijken, kunnen zulke maatregelen, onverminderd de maatregelen waartoe in het kader van ander beleid van de Gemeenschap wordt besloten, door de Raad volgens de procedure van artikel 251 na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's worden vastgesteld.» 14) Aan artikel 161 wordt de volgende derde alinea toegevoegd : « Met ingang van 1 januari 2007 besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie, na instemming van het Europees Parlement en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, indien de meerjarige financiële vooruitzichten die van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2007 en het desbetreffende interinstitutioneel akkoord op die datum zijn aangenomen.Indien dat niet het geval is, dan is de procedure van deze alinea van toepassing vanaf de datum waarop zij worden aangenomen. » 15) Artikel 175, lid 2, wordt vervangen door : « 2.In afwijking van de in lid 1 bedoelde besluitvormingsprocedure en onverminderd het bepaalde in artikel 95, neemt de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's met eenparigheid van stemmen een besluit over : a) bepalingen van in hoofdzaak fiscale aard;b) maatregelen die van invloed zijn op : - de ruimtelijke ordening; - het kwantitatieve waterbeheer, of die rechtstreeks dan wel zijdelings betrekking hebben op de beschikbaarheid van de watervoorraden; - de bodembestemming, met uitzondering van het afvalstoffenbeheer; c) maatregelen die van aanzienlijke invloed zijn op de keuze van een lidstaat tussen verschillende energiebronnen en de algemene structuur van zijn energievoorziening. De Raad kan onder de in de eerste alinea bedoelde voorwaarden bepalen over welke van de in dit lid bedoelde aangelegenheden met gekwalificeerde meerderheid van stemmen moet worden besloten. » 16) Aan het derde deel wordt de volgende titel toegevoegd : « Titel XXI Economische, financiële en technische samenwerking met derde landen Artikel 181 A 1.Onverminderd de andere bepalingen van dit Verdrag, met name titel XX, neemt de Gemeenschap in het kader van haar bevoegdheden maatregelen voor economische, financiële en technische samenwerking met derde landen. Deze maatregelen vullen de maatregelen van de lidstaten aan en zijn coherent met het ontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap. Het beleid van de Gemeenschap op dit gebied draagt bij tot de algemene doelstelling van ontwikkeling en consolidatie van de democratie en de rechtsstaat, en tot de doelstelling van eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden. 2. De Raad stelt op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de nodige maatregelen voor de uitvoering van lid 1 vast.De Raad besluit met eenparigheid van stemmen terzake van de in artikel 310 bedoelde associatieovereenkomsten en de overeenkomsten met de staten die kandidaat zijn voor toetreding tot de Unie. 3. In het kader van hun onderscheiden bevoegdheden werken de Gemeenschap en de lid-Staten samen met derde landen en de bevoegde internationale organisaties.De samenwerking van de Gemeenschap kan nader worden geregeld in overeenkomsten tussen de Gemeenschap en de betrokken derde partijen, waarover onderhandeld wordt en die gesloten worden overeenkomstig artikel 300. De eerste alinea doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten in internationale fora te onderhandelen en internationale overeenkomsten te sluiten. » 17) Artikel 189, tweede alinea, wordt vervangen door : « Het aantal leden van het Europees Parlement bedraagt niet meer dan zevenhonderdtweeëndertig.» 18) Artikel 190, lid 5, wordt vervangen door : « 5.Het Europees Parlement bepaalt, na raadpleging van de Commissie en met goedkeuring van de Raad die hiertoe met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit neemt, de voorschriften en algemene voorwaarden voor de vervulling van de taken van zijn leden. Voor regels en voorwaarden betreffende de belastingregeling voor leden of voormalige leden is eenparigheid van stemmen in de Raad vereist. » 19) Aan artikel 191 wordt de volgende tweede alinea toegevoegd : « De Raad stelt volgens de procedure van artikel 251 het statuut van de Europese politieke partijen en in het bijzonder de regels inzake hun financiering vast.» 20) Artikel 207, lid 2, wordt vervangen door : « 2.De Raad wordt bijgestaan door een secretariaat-generaal onder de verantwoordelijkheid van een secretaris-generaal, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, die wordt bijgestaan door een plaatsvervangend secretaris-generaal, die tot taak heeft het secretariaat-generaal te leiden. De secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal worden door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen benoemd. De Raad beslist over de organisatie van het secretariaat-generaal. » 21) Artikel 210 wordt vervangen door : « Artikel 210 De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de wedden, vergoedingen en pensioenen vast van de voorzitter en de leden van de Commissie, van de president, de rechters, de advocaten-generaal en de griffier van het Hof van Justitie, en van de leden en de griffier van het Gerecht van eerste aanleg.De Raad stelt met dezelfde meerderheid tevens alle vergoedingen vast welke als beloning kunnen gelden. » 22) Artikel 214, lid 2, wordt vervangen door : « 2.De Raad, in de samenstelling van staatshoofden en regeringsleiders, draagt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de persoon voor die hij voornemens is tot voorzitter van de Commissie te benoemen; de voordracht wordt door het Europees Parlement goedgekeurd. In overeenstemming met de voorgedragen voorzitter stelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de overeenkomstig de voordrachten van de lid-Staten opgestelde lijst vast van de overige personen die hij voornemens is tot lid van de Commissie te benoemen. De aldus voorgedragen voorzitter en overige leden van de Commissie worden als college ter goedkeuring onderworpen aan een stemming van het Europees Parlement. Na goedkeuring door het Europees Parlement worden de voorzitter en de overige leden van de Commissie door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen benoemd. » 23) Artikel 215 wordt vervangen door : « Artikel 215 Behalve door regelmatige vervanging of door overlijden eindigt de ambtsvervulling van een lid van de Commissie door vrijwillig ontslag of ontslag ambtshalve. In geval van ontslag of overlijden wordt het lid voor de verdere duur van zijn ambtstermijn vervangen door een nieuw lid dat door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt benoemd. De Raad kan met eenparigheid van stemmen vaststellen dat er geen reden voor vervanging is. In geval van vrijwillig ontslag, ontslag ambtshalve of overlijden wordt de voorzitter voor de verdere duur van zijn ambtstermijn vervangen. De procedure van artikel 214, lid 2, is van toepassing voor de vervanging van de voorzitter. Behoudens in geval van ontslag ambtshalve overeenkomstig artikel 216, blijven de leden van de Commissie in functie totdat in hun vervanging is voorzien of totdat de Raad overeenkomstig de tweede alinea van dit artikel besluit dat er geen reden voor vervanging is. » 24) Artikel 217 wordt vervangen door : « Artikel 217 1.De Commissie vervult haar opdracht met inachtneming van de door haar voorzitter vastgestelde politieke richtsnoeren; de voorzitter beslist over de interne organisatie van de Commissie, teneinde de samenhang, de doeltreffendheid en het collegiale karakter van haar optreden te waarborgen. 2. De taken van de Commissie worden door de voorzitter gestructureerd en over de leden van de Commissie verdeeld.De voorzitter kan de taakverdeling tijdens de ambtstermijn wijzigen. De leden van de Commissie oefenen de hun door de voorzitter toegewezen taak uit onder diens gezag. 3. De voorzitter benoemt na goedkeuring van het college vice-voorzitters uit de leden van de Commissie.4. Een lid van de Commissie dient zijn ontslag in, indien de voorzitter hem daarom na goedkeuring van het college verzoekt.» 25) Artikel 219, eerste alinea, wordt geschrapt.26) Artikel 220 wordt vervangen door : « Artikel 220 Het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg verzekeren, in het kader van hun respectieve bevoegdheden, de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van dit Verdrag. Bovendien kunnen, op de wijze die in artikel 225 A is bepaald, aan het Gerecht van eerste aanleg rechterlijke kamers worden toegevoegd om op sommige specifieke gebieden rechterlijke bevoegdheden uit te oefenen waarin dit Verdrag voorziet. » 27. Artikel 221 wordt vervangen door : « Artikel 221 Het Hof van Justitie bestaat uit een rechter per lid-Staat. Het Hof van Justitie houdt zitting in kamers of als grote kamer, overeenkomstig de regels die daartoe in het statuut van het Hof van Justitie zijn vastgesteld. Wanneer het statuut daarin voorziet, kan het Hof van Justitie ook in voltallige zitting bijeenkomen. » 28) Artikel 222 wordt vervangen door : « Artikel 222 Het Hof van Justitie wordt bijgestaan door acht advocaten-generaal. Indien het Hof van Justitie zulks verzoekt, kan de Raad met eenparigheid van stemmen het aantal advocaten-generaal verhogen. De advocaat-generaal heeft tot taak, in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het statuut van het Hof van Justitie vereist is. » 29) Artikel 223 wordt vervangen door : « Artikel 223 De rechters en de advocaten-generaal van het Hof van Justitie, gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en aan alle gestelde eisen voldoen om in hun onderscheiden landen de hoogste rechterlijke ambten te bekleden, of die bekend staan als kundige rechtsgeleerden, worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lid-Staten voor zes jaar benoemd. Om de drie jaar vindt, op de wijze die in het statuut van het Hof van Justitie is bepaald, een gedeeltelijke vervanging van de rechters en de advocaten-generaal plaats. De rechters kiezen uit hun midden voor drie jaar de president van het Hof van Justitie. Hij is herkiesbaar. De aftredende rechters en advocaten-generaal zijn herbenoembaar. Het Hof van Justitie benoemt zijn griffier en bepaalt diens positie. Het Hof van Justitie stelt zijn reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement behoeft de goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit. » 30) Artikel 224 wordt vervangen door : « Artikel 224 Het Gerecht van eerste aanleg telt ten minste één rechter per lidstaat.Het aantal rechters wordt vastgesteld bij het statuut van het Hof van Justitie. Het statuut kan bepalen dat het Gerecht wordt bijgestaan door advocaten-generaal. De leden van het Gerecht van eerste aanleg worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en bekwaam zijn hoge rechterlijke ambten te bekleden. Zij worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor zes jaar benoemd. Om de drie jaar vindt een gedeeltelijke vervanging plaats. De aftredende leden zijn herbenoembaar. De rechters kiezen uit hun midden voor drie jaar de president van het Gerecht van eerste aanleg. Hij is herkiesbaar. Het Gerecht van eerste aanleg benoemt zijn griffier en bepaalt diens positie. Het Gerecht van eerste aanleg stelt in overeenstemming met het Hof van Justitie zijn reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement behoeft de goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit. Tenzij in het statuut van het Hof van Justitie anders is bepaald, zijn de bepalingen van dit Verdrag betreffende het Hof van Justitie op het Gerecht van eerste aanleg van toepassing. » 31) Artikel 225 wordt vervangen door : « Artikel 225 1.Het Gerecht van eerste aanleg is bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van de in de artikelen 230, 232, 235, 236 en 238 bedoelde beroepen, met uitzondering van die waarvoor een rechterlijke kamer bevoegd is en die welke overeenkomstig het statuut aan het Hof van Justitie zijn voorbehouden. Het statuut kan bepalen dat het Gerecht van eerste aanleg bevoegd is voor andere categorieën van beroepen. Tegen de beslissingen die het Gerecht van eerste aanleg op grond van dit lid geeft, kan een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld bij het Hof van Justitie, op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald. 2. Het Gerecht van eerste aanleg is bevoegd kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen de beslissingen van de krachtens artikel 225 A ingestelde rechterlijke kamers. De beslissingen die het Gerecht van eerste aanleg op grond van dit lid geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald bij uitzondering door het Hof van Justitie worden heroverwogen, wanneer er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het Gemeenschapsrecht wordt aangetast. 3. Het Gerecht van eerste aanleg is bevoegd kennis te nemen van prejudiciële vragen die worden voorgelegd uit hoofde van artikel 234 en beperkt blijven tot specifieke, in het statuut bepaalde aangelegenheden. Wanneer het Gerecht van eerste aanleg van oordeel is dat in een zaak een principiële beslissing moet worden genomen die van invloed kan zijn op de eenheid of de samenhang van het Gemeenschapsrecht, kan het de zaak naar het Hof van Justitie verwijzen voor een uitspraak. De beslissingen die het Gerecht van eerste aanleg over prejudiciële vragen geeft, kunnen op de wijze en binnen de grenzen die in het statuut worden bepaald bij uitzondering door het Hof van Justitie worden heroverwogen, wanneer er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het Gemeenschapsrecht wordt aangetast. » 32) Het volgende artikel wordt ingevoegd : « Artikel 225 A De Raad kan, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Hof van Justitie, dan wel op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van het Europees Parlement en de Commissie, met eenparigheid van stemmen rechterlijke kamers instellen die in eerste aanleg kennis nemen van bepaalde categorieën van beroepen in specifieke aangelegenheden. In het besluit tot instelling van een rechterlijke kamer worden de regels voor de samenstelling van die kamer vastgesteld en wordt de reikwijdte van de haar verleende bevoegdheden bepaald. Tegen de beslissingen van de rechterlijke kamers kan bij het Gerecht van eerste aanleg een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld of, wanneer het besluit tot instelling van de kamer daarin voorziet, een beroep dat ook op feitelijke vragen betrekking heeft. De leden van de rechterlijke kamers worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en bekwaam zijn rechterlijke ambten te bekleden. Zij worden door de Raad met eenparigheid van stemmen benoemd. De rechterlijke kamers stellen in overeenstemming met het Hof van Justitie hun reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement behoeft de goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit. Tenzij in het besluit tot instelling van een rechterlijke kamer anders is bepaald, zijn de bepalingen van dit Verdrag betreffende het Hof van Justitie en de bepalingen van het statuut van het Hof van Justitie op de rechterlijke kamers van toepassing. » 33) Het volgende artikel wordt ingevoegd : « Artikel 229 A Onverminderd de overige bepalingen van dit Verdrag, kan de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen bepalingen vaststellen waarbij aan het Hof van Justitie, in een door hem te bepalen mate, de bevoegdheid wordt verleend uitspraak te doen in geschillen die verband houden met de toepassing van op grond van dit Verdrag vastgestelde besluiten waarbij communautaire industriële eigendomsrechten worden ingesteld. De Raad beveelt de lidstaten aan deze bepalingen overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aan te nemen. » 34) Artikel 230, tweede en derde alinea, wordt vervangen door : « Te dien einde is het Hof bevoegd uitspraak te doen inzake elk door een lidstaat, het Europees Parlemen …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.