📄 Wettekst
2 MEI 2019. - Wet houdende wijzigingen van boek I "Definities", van boek XV "Rechtshandhaving" en vervanging van boek IV "Bescherming van de mededinging" van het Wetboek van economisch recht (1)
FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van boek I van het Wetboek van economisch recht Art. 2.Artikel I.6 van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de
wet van 3 april 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/04/2013
pub.
26/04/2013
numac
2013011190
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet houdende invoeging van boek IV « Bescherming van de mededinging » en van boek V « De mededinging en de prijsevoluties » in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek IV en aan boek V en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan boek IV en aan boek V, in boek I van het Wetboek van economisch recht
type
wet
prom.
03/04/2013
pub.
26/04/2013
numac
2013011191
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet houdende invoeging van de bepalingen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, in boek IV « Bescherming van de mededinging » en boek V « De mededinging en de prijsevoluties » van het Wetboek van economisch recht
sluiten en gewijzigd bij de wet van 29 juni 2016, wordt vervangen als volgt: "Voor de toepassing van boek IV gelden de volgende definities: 1° Belgische Mededingingsautoriteit: de autoriteit, opgericht bij
wet van 3 april 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/04/2013
pub.
26/04/2013
numac
2013011190
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet houdende invoeging van boek IV « Bescherming van de mededinging » en van boek V « De mededinging en de prijsevoluties » in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek IV en aan boek V en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan boek IV en aan boek V, in boek I van het Wetboek van economisch recht
type
wet
prom.
03/04/2013
pub.
26/04/2013
numac
2013011191
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet houdende invoeging van de bepalingen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, in boek IV « Bescherming van de mededinging » en boek V « De mededinging en de prijsevoluties » van het Wetboek van economisch recht
sluiten, bedoeld in artikel IV.16; 2° Mededingingscollege: het beslissingscollege dat per zaak wordt samengesteld voor het nemen van de beslissingen bedoeld in boek IV, titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 2; 3° Bijzondere raadgevende commissie Mededinging: de commissie bedoeld in artikel IV.37; 4° voorzitter: de voorzitter van de Belgische Mededingingsautoriteit;5° auditoraat: het auditoraat van de Belgische Mededingingsautoriteit;6° auditeur-generaal: de auditeur-generaal van de Belgische Mededingingsautoriteit;7° auditeur: het personeelslid van het auditoraat dat door de auditeur-generaal wordt belast met de dagelijkse leiding van het onderzoek van een zaak; 8° auditeur-adviseur: het personeelslid van het auditoraat bedoeld in artikel IV.27, § 4; 9° onderzoeksteam: de personeelsleden van het auditoraat die met het onderzoek zijn belast onder de leiding van de auditeur en de algemene leiding van de auditeur-generaal;10° betrokken partij: de onderneming, de ondernemingsvereniging of de natuurlijke persoon op wie de onderzoeken en de beslissingen bedoeld in boek IV, titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 2 betrekking hebben; 11° restrictieve mededingingspraktijken: de praktijken bedoeld in artikel IV.1, § 1, en artikel IV.2; 12° machtspositie: de positie die een onderneming in staat stelt om de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging te verhinderen doordat zij het haar mogelijk maakt zich, jegens haar concurrenten, afnemers of leveranciers, in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen;13° werkdagen: alle dagen, met uitsluiting van de zaterdagen, de zondagen, de wettelijke feestdagen, de sluitingsdagen vastgelegd door de minister bevoegd voor Ambtenarenzaken, de sluitingsdagen vastgelegd door de minister bevoegd voor Economie, 2 januari, 2 en 15 november alsook de dagen vanaf 26 december tot en met 31 december;14° VWEU: het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;15° Verordening (EG) nr.139/2004: Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen; 16° Verordening (EG) nr.1/2003: Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag; 17° onderneming: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen." HOOFDSTUK 3. - Vervanging van boek IV van het Wetboek van economisch recht Art. 3.In hetzelfde Wetboek wordt het boek IV, ingevoegd bij de
wet van 3 april 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/04/2013
pub.
26/04/2013
numac
2013011190
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet houdende invoeging van boek IV « Bescherming van de mededinging » en van boek V « De mededinging en de prijsevoluties » in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek IV en aan boek V en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan boek IV en aan boek V, in boek I van het Wetboek van economisch recht
type
wet
prom.
03/04/2013
pub.
26/04/2013
numac
2013011191
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Wet houdende invoeging van de bepalingen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, in boek IV « Bescherming van de mededinging » en boek V « De mededinging en de prijsevoluties » van het Wetboek van economisch recht
sluiten, vervangen als volgt: "BOEK IV. - Bescherming van de mededinging TITEL 1 Mededingingsregels HOOFDSTUK 1 Restrictieve mededingingspraktijken Art. IV.1 § 1. Zijn verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing vereist is, alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemingsverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Belgische betrokken markt of op een wezenlijk deel ervan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in: 1° het rechtstreeks of onrechtstreeks bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden;2° het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen;3° het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen;4° het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hen daarmee nadeel berokkenend bij de mededinging;5° het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten, van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten. § 2. De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig. § 3. De bepalingen van paragraaf 1 zijn echter niet van toepassing op: 1° elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen, 2° elk besluit of groep van besluiten van ondernemingsverenigingen, en 3° elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen, die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling van producten, die bijdragen tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, of die de kleine en middelgrote ondernemingen de mogelijkheid bieden om hun concurrentiepositie op de betrokken markt of op de internationale markt te verstevigen, waarbij een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen: a) beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn;b) de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen. § 4. Het is natuurlijke personen verboden in het kader van de activiteiten van een onderneming of ondernemingsvereniging met één of meer concurrenten te onderhandelen, overeen te komen, te besluiten of onderling af te stemmen met betrekking tot: 1° het vaststellen van de prijzen bij verkoop van producten aan derden;2° het beperken van de productie of de verkoop van producten;3° het toewijzen van markten of afnemers. De inbreuk op het in het eerste lid bedoelde verbod kan enkel worden vastgesteld ingeval de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging deel uitmaakt van een door het Mededingingscollege of de auditeur in dezelfde zaak vastgestelde inbreuk op het verbod bedoeld in de eerste paragraaf door de onderneming of ondernemingsvereniging in het kader van wiens activiteiten de natuurlijke persoon is opgetreden.
Ingeval de onderneming of ondernemingsvereniging niet meer bestaat en geen rechtsopvolger heeft, kan het onderzoek in afwijking van het tweede lid worden gevoerd en de beslissing worden genomen ten aanzien van de natuurlijke persoon alleen.
Art. IV.2 Het is verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing nodig is, dat één of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel daarvan.
Dit misbruik kan met name bestaan in: 1° het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden;2° het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers;3° het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;4° het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten. Art. IV.3 Het verbod van artikel IV.1, § 1, geldt niet voor overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarvoor artikel 101, § 3, VWEU van toepassing is verklaard door een verordening van de Raad van de Europese Unie of een verordening of een beschikking van de Europese Commissie.
Het verbod van artikel IV.1, § 1, geldt niet voor overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die de handel tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloeden of de mededinging binnen de interne markt niet beperken, verhinderen of vervalsen, doch die de bescherming zouden genieten van een verordening bedoeld in het eerste lid ingeval zij deze handel wel zouden beïnvloeden of deze mededinging wel zouden beperken, verhinderen of vervalsen.
Art. IV.4 Het verbod van artikel IV.1, § 1, is niet van toepassing op overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die binnen de werkingssfeer vallen van een koninklijk besluit genomen op grond van artikel IV.5.
Art. IV.5 § 1. De Koning kan, na advies van de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging en van de Belgische Mededingingsautoriteit, bij in Ministerraad overlegd en gemotiveerd besluit verklaren dat, bij toepassing van artikel IV.1, § 3, artikel IV.1, § 1, niet van toepassing is op categorieën van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen. § 2. Het koninklijk besluit omschrijft de categorieën van overeenkomsten, van besluiten en van onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarop het van toepassing is en preciseert met name: 1° de beperkingen of de bepalingen die er niet in mogen voorkomen;2° de bepalingen die erin moeten voorkomen of de andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan. § 3. Het koninklijk besluit wordt voor een beperkte tijdsduur genomen.
Het kan worden opgeheven of gewijzigd ingeval de omstandigheden gewijzigd zijn met betrekking tot een punt dat van wezenlijk belang was voor zijn vaststelling. In dat geval wordt voorzien in een overgangsregeling voor de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen bedoeld door het voorafgaande besluit. HOOFDSTUK 2 Concentraties Art. IV.6 § 1. Voor de toepassing van dit boek komt een concentratie tot stand ingeval er een duurzame wijziging van zeggenschap voortvloeit uit: 1° de fusie van twee of meer voorheen onafhankelijke ondernemingen of delen van deze ondernemingen;of 2° het verkrijgen, door één of meer personen die reeds de zeggenschap over ten minste één onderneming bezitten of door één of meer ondernemingen, van de zeggenschap - door de verwerving van participaties in het kapitaal of de aankoop van vermogensbestanddelen, bij overeenkomst of op elke andere wijze - rechtstreeks of onrechtstreeks, over één of meer andere ondernemingen of delen daarvan. § 2. De oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die duurzaam alle functies van een zelfstandige economische eenheid vervult, vormt een concentratie in de zin van paragraaf 1, 2°. § 3. Voor de toepassing van dit boek berust de zeggenschap op rechten, overeenkomsten of andere middelen die afzonderlijk of gezamenlijk met inachtneming van alle feitelijke en juridische omstandigheden, het mogelijk maken een bepalende invloed uit te oefenen op de activiteiten van een onderneming, met name: 1° eigendoms- of gebruiksrechten op alle vermogensbestanddelen van een onderneming of delen daarvan;2° rechten of overeenkomsten die een bepalende invloed verschaffen op de samenstelling, het stemgedrag of de besluiten van de ondernemingsorganen. § 4. De zeggenschap wordt verkregen door de persoon/personen of de onderneming/ondernemingen: 1° die zelf rechthebbenden zijn of aan deze overeenkomsten rechten ontlenen;of 2° die, hoewel zij zelf geen rechthebbenden zijn, noch aan deze overeenkomsten rechten ontlenen, de bevoegdheid hebben de daaruit ontstane rechten uit te oefenen. § 5. Geen concentratie in de zin van paragraaf 1 komt tot stand: 1° ingeval kredietinstellingen, andere financiële instellingen, of verzekeringsmaatschappijen tot wier normale werkzaamheden de verhandeling van financiële instrumenten voor eigen rekening of voor rekening van derden behoort, tijdelijke deelnemingen houden die zij in een onderneming hebben verworven ten einde deze deelnemingen weer te verkopen, mits zij de aan deze deelnemingen verbonden stemrechten niet uitoefenen om het concurrentiegedrag van deze onderneming te bepalen of mits zij deze stemrechten slechts uitoefenen om de verkoop van deze onderneming of van haar activa, geheel of gedeeltelijk, of de verkoop van deze deelnemingen voor te bereiden, en deze verkoop plaatsvindt binnen één jaar na de verwerving;deze termijn bedraagt twee jaar ingeval de deelnemingen verworven werden als bewijs van dubieuze of onbetaald gebleven vorderingen; 2° ingeval de zeggenschap wordt verworven door een gerechtelijk mandataris of overheidsmandataris, op grond van een gerechtelijke beslissing of een andere procedure van gedwongen vereffening;3° ingeval de in paragraaf 1, 2°, bedoelde handelingen worden uitgevoerd door participatieondernemingen zoals bedoeld in artikel 2, 15°, van richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, met dien verstande echter dat de stemrechten die aan de in bezit zijnde deelnemingen zijn verbonden, slechts worden uitgeoefend om, met name door de benoeming van de leden van de raden van bestuur en van toezicht van de ondernemingen waarin zij deelnemingen houden, de volledige waarde van deze investeringen veilig te stellen en niet om rechtstreeks of onrechtstreeks het concurrentiegedrag van die ondernemingen te bepalen. Art. IV.7 § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn slechts van toepassing ingeval de betrokken ondernemingen samen in België een omzet, bepaald volgens de in artikel IV.8 bedoelde criteria, van meer dan 100 miljoen euro bereiken en ten minste twee van de betrokken ondernemingen elk in België een omzet halen van ten minste 40 miljoen euro. § 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van de Belgische Mededingingsautoriteit en de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging de drempels bedoeld in paragraaf 1 verhogen.
Om de drie jaar gaat de Belgische Mededingingsautoriteit over tot een toetsing van de drempels bedoeld in paragraaf 1, daarbij onder andere rekening houdende met de economische impact en de administratieve last voor de ondernemingen.
Art. IV.8 § 1. De omzet bedoeld in artikel IV.7 omvat de bedragen met betrekking tot de verkoop van producten door de betrokken ondernemingen tijdens het laatste boekjaar in het kader van de normale bedrijfsuitoefening, onder aftrek van kortingen, van belasting over de toegevoegde waarde en van andere rechtstreeks met de omzet samenhangende belastingen. Bij de omzet wordt geen rekening gehouden met transacties tussen de in paragraaf 4 bedoelde ondernemingen. § 2. Als een concentratie bestaat in de verwerving van delen - die al dan niet rechtspersoonlijkheid bezitten - van een of meer ondernemingen of van een groep ondernemingen, wordt in afwijking van paragraaf 1 alleen het omzetcijfer dat betrekking heeft op de delen, die aldus het voorwerp van de concentratie zijn, in hoofde van de vervreemder of vervreemders, in aanmerking genomen.
Twee of meer transacties bedoeld in het eerste lid, die binnen een periode van twee jaar plaatsvinden tussen dezelfde personen of ondernemingen, moeten evenwel worden beschouwd als één concentratie die plaatsvindt op de datum van de laatste transactie. § 3. De omzet wordt vervangen: 1° bij kredietinstellingen en andere financiële instellingen, door de som van de onderstaande batenposten, omschreven in het koninklijk besluit van 23 september 1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen en de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, in voorkomend geval na aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde en van andere rechtstreeks met de betrokken baten samenhangende belastingen: a) rente en soortgelijke baten;b) opbrengsten uit effecten: - opbrengsten uit aandelen en andere niet-vastrentende effecten; - opbrengsten uit deelnemingen; - opbrengsten uit aandelen in verbonden ondernemingen; c) ontvangen provisies;d) nettobaten uit financiële transacties;e) overige bedrijfsopbrengsten. De omzet in België van een kredietinstelling of een financiële instelling omvat de hierboven omschreven batenposten van het bijkantoor of de afdeling van deze in België gevestigde instelling. 2° bij verzekeringsmaatschappijen, door de waarde van de bruto geboekte premies, die alle uit hoofde van de door of namens de verzekeringsonderneming gesloten verzekeringsovereenkomsten ontvangen en te ontvangen bedragen omvatten, met inbegrip van de aan herverzekering afgestane premies en na aftrek van belastingen en parafiscale bijdragen of heffingen over het bedrag van de afzonderlijke premies of het totale premievolume.Er wordt rekening gehouden met de brutopremies gestort door de ingezetenen in België. § 4. Onverminderd paragraaf 2, moeten voor de berekening van de totale omzet van een betrokken onderneming de omzetten van de volgende ondernemingen worden opgeteld: 1° de betrokken onderneming;2° de ondernemingen waarin de betrokken onderneming, rechtstreeks of middellijk: a) hetzij meer dan de helft van het kapitaal of de bedrijfsactiva bezit;b) hetzij de bevoegdheid heeft om meer dan de helft van de stemrechten uit te oefenen;c) hetzij de bevoegdheid heeft om meer dan de helft van de leden van de raad van toezicht of van bestuur of de krachtens de wet tot vertegenwoordiging bevoegde organen te benoemen;d) hetzij het recht heeft de zaken van de onderneming te leiden;3° ondernemingen die in de betrokken onderneming over de onder 2° genoemde rechten of bevoegdheden beschikken;4° ondernemingen waarin een onderneming zoals bedoeld onder 3° over de onder 2° genoemde rechten of bevoegdheden beschikt;5° ondernemingen waarin twee of meer ondernemingen zoals bedoeld onder 1° tot en met 4°, gezamenlijk over de onder 2° genoemde rechten of bevoegdheden beschikken. Ingeval bij de concentratie betrokken ondernemingen gezamenlijk beschikken over de in het eerste lid, 2°, genoemde rechten of bevoegdheden, dient bij de berekening van de totale omzet van de betrokken ondernemingen: 1° geen rekening te worden gehouden met de omzet die het resultaat is van de verkoop van producten tussen de gemeenschappelijke onderneming en elk van de betrokken ondernemingen of enige andere met een van die ondernemingen verbonden onderneming in de zin van het eerste lid onder 2° tot en met 5° ;2° rekening te worden gehouden met de omzet die het resultaat is van de verkoop van producten tussen de gemeenschappelijke onderneming en derde ondernemingen.Deze omzet wordt in gelijke delen aan de betrokken ondernemingen toegerekend. § 5. Voor de openbare ondernemingen is de in aanmerking te nemen omzet deze van alle ondernemingen die een economisch geheel vormen met een zelfstandige beslissingsbevoegdheid, ongeacht de vraag wie het kapitaal ervan bezit of welke regels van bestuurlijk toezicht daarop van toepassing zijn.
Art. IV.9 § 1. Voor de concentraties die onderworpen zijn aan het toezicht ingesteld bij dit hoofdstuk is een voorafgaande beslissing nodig van de Belgische Mededingingsautoriteit, die vaststelt of zij al of niet toelaatbaar zijn. § 2. Bij de in paragraaf 1 bedoelde beslissing wordt rekening gehouden met: 1° de noodzaak een daadwerkelijke mededinging op de markt te handhaven en te ontwikkelen in het licht van met name de structuur van alle betrokken markten en van de bestaande of potentiële mededinging van op of buiten het Belgische grondgebied gevestigde ondernemingen;2° de positie op de markt van de betrokken ondernemingen, hun economische en financiële macht, de keuzemogelijkheden van leveranciers en afnemers, hun toegang tot voorzieningsbronnen en afzetmarkten, het bestaan van juridische of feitelijke hinderpalen voor de toegang tot de markt, de ontwikkeling van vraag naar en aanbod van de betrokken producten, de belangen van de tussen- en eindverbruikers, alsmede de ontwikkeling van de technische en economische vooruitgang, voor zover deze in het voordeel van de consument is en geen belemmering vormt voor de mededinging. § 3. Concentraties die niet tot gevolg hebben dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, onder andere door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie, worden toelaatbaar verklaard. § 4. Concentraties die tot gevolg hebben dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, onder andere door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie, worden ontoelaatbaar verklaard. § 5. Ingeval de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die een concentratie vormt in de zin van artikel IV.6, § 2, de coördinatie beoogt of tot stand brengt van het concurrentiegedrag van ondernemingen die onafhankelijk blijven, dan wordt die coördinatie beoordeeld overeenkomstig de criteria van artikel IV.1, teneinde vast te stellen of de transactie al dan niet toelaatbaar is.
Bij die beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met: 1° het significant en gelijktijdig actief blijven van twee of meer oprichtende ondernemingen op dezelfde markt als die van de gemeenschappelijke onderneming, op een stroomopwaartse of stroomafwaartse markt van laatstgenoemde markt of op een nauw met die markt verbonden markt;2° de mogelijkheid die aan de betrokken ondernemingen wordt gegeven om, via de coördinatie die het rechtstreekse gevolg is van de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming, de mededinging voor een wezenlijk deel van de betrokken producten uit te schakelen. Art. IV.10 § 1. De concentraties die onderworpen zijn aan het toezicht ingesteld bij dit hoofdstuk worden bij de auditeur-generaal aangemeld vóór hun tenuitvoerlegging en na de sluiting van de overeenkomst, de openbaarmaking van het aanbod tot aankoop of ruil, of de verwerving van een zeggenschapsdeelneming. De partijen kunnen echter een ontwerpovereenkomst aanmelden, mits alle partijen uitdrukkelijk verklaren dat zij de intentie hebben om een overeenkomst te sluiten die op alle mededingingsrechtelijk relevante punten niet merkbaar verschilt van het aangemelde ontwerp. In het geval van een openbaar aanbod tot aankoop of ruil, kunnen de partijen eveneens een ontwerp aanmelden wanneer zij hun voornemen tot het doen van een dergelijk bod publiekelijk hebben aangekondigd. § 2. Concentraties door fusie in de zin van artikel IV.6, § 1, 1°, of door totstandkoming van een gezamenlijke zeggenschap in de zin van artikel IV.6, § 1, 2°, worden gezamenlijk aangemeld door de partijen bij de fusie of door de partijen die de gezamenlijke zeggenschap verkrijgen. In alle andere gevallen vindt de aanmelding plaats door de persoon of de onderneming die de zeggenschap over een of meer ondernemingen of een gedeelte daarvan verwerft. § 3. De modaliteiten van de aanmeldingen bedoeld in paragraaf 1 worden bepaald door de Koning. De Belgische Mededingingsautoriteit kan de nadere regels voor een vereenvoudigde aanmelding bepalen. § 4. Zolang de Belgische Mededingingsautoriteit geen beslissing neemt betreffende de toelaatbaarheid van de concentratie, mogen de betrokken ondernemingen de concentratie niet tot uitvoering brengen. § 5. Paragraaf 4 belet evenwel niet de tenuitvoerlegging van een openbaar aanbod tot aankoop of ruil of van een reeks transacties met financiële instrumenten, inclusief met deze converteerbaar in andere financiële instrumenten, die ter verhandeling worden toegelaten tot een markt zoals een effectenbeurs en waardoor de zeggenschap in de zin van artikel IV.6 wordt verkregen door tussenkomst van meerdere verkopers, mits: 1° de concentratie overeenkomstig dit artikel onverwijld bij de auditeur-generaal wordt gemeld, en 2° de verkrijger de aan de betrokken financiële instrumenten verbonden stemrechten niet uitoefent dan wel slechts uitoefent om de volle waarde van zijn belegging te handhaven en op basis van een door de voorzitter overeenkomstig paragraaf 6 verleende ontheffing. § 6. Onverminderd het bepaalde in paragraaf 5, kan de voorzitter op verzoek van een partij op elk ogenblik ontheffing verlenen van het in paragraaf 4 bepaalde verbod tot uitvoering. De voorzitter vraagt de auditeur-generaal een verslag in te dienen, bevattende de noodzakelijke appreciatie-elementen om tot de in deze paragraaf bedoelde beslissing te komen. De auditeur-generaal of de door hem aangeduide auditeur dient zijn verslag in binnen een termijn van twee weken na de indiening van het verzoek tot ontheffing. De voorzitter kan deze termijn inkorten.
De voorzitter kan zijn beslissing vergezeld laten gaan van bepaalde voorwaarden en verplichtingen.
Art. IV.11 De concentraties die onderworpen zijn aan het toezicht van de Europese Commissie, met inbegrip van concentraties die bij toepassing van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 139/2004 zijn verwezen naar de Europese Commissie, zijn niet onderworpen aan het toezicht ingesteld bij dit hoofdstuk.
Zijn echter wel onderworpen aan het toezicht ingesteld door dit hoofdstuk, de concentraties die door de Europese Commissie naar de Belgische Mededingingsautoriteit werden verwezen krachtens de artikelen 4, vierde en vijfde lid, en 9, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 139/2004. In dat geval dienen de partijen de concentratie opnieuw te melden bij de auditeur-generaal overeenkomstig artikel IV.10. HOOFDSTUK 3 Overheidsondernemingen Art. IV.12 De ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter hebben van een fiscaal monopolie, zijn onderworpen aan de bepalingen van dit boek voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun door of krachtens de wet toevertrouwde specifieke taak niet verhindert. HOOFDSTUK 4 Maatregelen of beslissingen door een vreemde staat Art. IV.13 Behoudens ontheffing in de gevallen door de Koning bepaald, is het aan ieder persoon, verblijvend op het Belgisch grondgebied of er zijn zetel of een inrichting hebbend, verboden gevolg te geven aan maatregelen of beslissingen door een vreemde Staat of door diens organismen genomen en die betrekking hebben op een reglementering inzake mededinging, economische machtsposities of handelsbeperkende praktijken op gebied van internationaal vervoer ter zee en door de lucht.
De Koning bepaalt op welke handelingen het verbod slaat. De ontheffing, op verzoek van belanghebbenden, kan door de minister worden toegestaan en desgevallend aan bepaalde modaliteiten onderworpen worden.
Art. IV.14 Elk bevel of verzoek dat gegrond is op de in artikel IV.13 bedoelde maatregelen of beslissingen, moet binnen vijftien dagen na ontvangst worden medegedeeld aan de minister of aan zijn gemachtigde.
Art. IV.15 Onverminderd de artikelen IV.13 en IV.14 en behoudens de uitzonderingen die Hij bepaalt, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van de Belgische Mededingingsautoriteit en de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging, maatregelen treffen waarbij het de ondernemingen verboden wordt niet bekendgemaakte inlichtingen of bescheiden met betrekking tot hun mededingingspraktijken aan een buitenlandse Staat of aan een daarvan afhangende instelling te geven.
TITEL 2 Handhaving van het mededingingsrecht HOOFDSTUK 1 De Belgische Mededingingsautoriteit Afdeling 1
Organisatie Artikel IV.16 § 1. De Belgische Mededingingsautoriteit is een overheidsdienst met rechtspersoonlijkheid en beheersautonomie zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, 3°, tweede lid, b), van de
wet van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
22/05/2003
pub.
03/07/2003
numac
2003003367
bron
federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien
Wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat
sluiten houdende de organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat. § 2. De Belgische Mededingingsautoriteit is samengesteld uit: 1° de voorzitter en de dienst van de voorzitter;2° het Mededingingscollege;3° het directiecomité;4° het auditoraat onder leiding van de auditeur-generaal. § 3. De Belgische mededingingsautoriteit is bevoegd om de artikelen 101 en 102 VWEU toe te passen bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1/2003. § 4. De Koning bepaalt welke logistieke en materiële middelen de FOD Economie ter beschikking stelt van de Belgische Mededingingsautoriteit. Daartoe wordt een dienstverleningsovereenkomst gesloten tussen de Belgische Mededingingsautoriteit en de FOD Economie. § 5. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad het administratief en geldelijk statuut van de voorzitter, de assessor-ondervoorzitter en assessoren die zetelen in het Mededingingscollege, de auditeur-generaal, de directeur juridische zaken en de directeur economische zaken van de Belgische Mededingingsautoriteit.
De wetten op de pensioenregeling voor de leden van het Rijkspersoneel en voor hun rechthebbenden zijn van toepassing op de voorzitter, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken en de directeur juridische zaken van de Belgische Mededingingsautoriteit.
Voor de toepassing van het vorige lid worden de mandaten voor de opening van het recht op pensioen, gelijkgesteld met een vaste benoeming. § 6. De personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit worden ter beschikking gesteld door de FOD Economie. De Koning stelt, na advies van de Belgische Mededingingsautoriteit, de regels van deze terbeschikkingstelling vast, alsmede de voorwaarden ervan. § 7. De Koning bepaalt de wijze waarop het personeelsplan van de Belgische Mededingingsautoriteit wordt aangenomen. § 8. De Belgische Mededingingsautoriteit is een instelling zoals bedoeld in de artikelen 6 (1)(e) en 23 (1) (h) van de Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG. De Belgische Mededingingsautoriteit kan als verwerkingsverantwoordelijke gegevens verwerken in de zin van deze Verordening voor de doeleinden en met de waarborgen bepaald in titel II van dit boek, en met name gelet op de bepalingen van artikel IV.32.
Zij kan deze gegevens opslaan voor de duur die vereist is voor haar onderzoeken en procedures of is opgelegd door de algemene archiveringsregels van de Staat. Natuurlijke personen kunnen toegang krijgen tot hun eigen persoonsgegevens.
Onderafdeling 1 Voorzitter en dienst van de voorzitter Art. IV.17 § 1. De voorzitter wordt door de Koning benoemd, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor een mandaat van zes jaar dat eenmaal kan worden hernieuwd.
De voorzitter vervult de opdrachten die hem door dit boek zijn opgedragen. Hij kan taken delegeren aan de assessor-ondervoorzitter ingeval het taken betreft die hij uitoefent als lid van het Mededingingscollege en, ingeval het andere taken betreft, aan de directeur economische zaken, aan de directeur juridische zaken en aan personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit. § 2. In geval van gemotiveerde onbeschikbaarheid worden de taken van de voorzitter waargenomen door het directiecomité. In voorkomend geval worden de taken van de voorzitter van het Mededingingscollege waargenomen door de assessor-ondervoorzitter. § 3. Om tot voorzitter te kunnen worden benoemd, moet de kandidaat slagen voor het examen inzake beroepsbekwaamheid. Dat examen is bedoeld om de kennis en maturiteit te evalueren die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het betrokken ambt. De nadere regels en het programma van het examen worden door de Koning bepaald. De kandidaat brengt verder het bewijs van een nuttige ervaring voor de uitoefening van de functie. Hij moet houder zijn van een diploma van master of licentiaat en een functionele kennis van het Nederlands, het Frans en het Engels bewijzen.
In voorkomend geval wordt de uitoefening van de functie van voorzitter beschouwd als een opdracht in de zin van artikel 323bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek. § 4. De voorzitter wordt bij koninklijk besluit op rust gesteld ingeval hij wegens een ernstig en permanent gebrek zijn ambt niet meer behoorlijk kan uitoefenen, en dit overeenkomstig artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel.
Art. IV.18 De voorzitter mag geen enkele instructie ontvangen wat betreft de beslissingen die hij neemt in uitvoering van zijn opdrachten krachtens dit boek, en de standpunten die hij inneemt in mededingingszaken van de Europese Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU en Verordening (EG) nr. 139/2004. De personen aan wie de voorzitter taken heeft gedelegeerd mogen betreffende deze taken alleen instructies ontvangen van de voorzitter.
Art. IV.19 § 1. De voorzitter is onder meer belast met de volgende opdrachten: 1° het vertegenwoordigen van België in de Europese en internationale mededingingsinstellingen voor alle besprekingen die de bevoegdheden van de Belgische Mededingingsautoriteit betreffen;hij neemt deel aan andere besprekingen in Europese en internationale instellingen over wet- en regelgeving die het mededingingsbeleid betreffen, onverminderd de bevoegdheden ter zake van de minister en andere overheden; 2° het bijdragen ten behoeve van de FOD Economie, het Parlement, de regering of andere instanties tot het voorbereiden en evalueren van het mededingingsbeleid in België, het bijdragen tot een betere kennis van dit beleid en het leiden van studies;3° het bijdragen tot de voorbereiding van de Belgische wetgeving en reglementering met betrekking tot de mededingingsregels en het mededingingsbeleid; 4° het vertegenwoordigen van de Belgische Mededingingsautoriteit in de procedures bedoeld in de artikelen IV.86 tot IV.90, onder voorbehoud van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de auditeur-generaal bedoeld in artikel IV.26, § 3, 8° ; 5° het afleveren van informele zienswijzen aangaande de toepassing van de mededingingsregels betreffende de restrictieve mededingingspraktijken op een voorgenomen praktijk, voor zover eenzelfde, gelijkaardige of verwante vraag niet het voorwerp is van een procedure bij de Europese Commissie, het auditoraat of het Mededingingscollege of van een procedure voor een Belgisch rechtscollege of een rechtscollege van de Europese Unie. § 2. In de Belgische Mededingingsautoriteit wordt een dienst van de voorzitter opgericht. Deze dienst wordt geleid door de voorzitter en bestaat uit de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit die door het directiecomité aan deze dienst worden toegewezen. Voor de tenuitvoerlegging van de opdrachten bedoeld in paragraaf 1, kan de voorzitter ook een beroep doen op personeelsleden van het auditoraat ten belope van een door het directiecomité te bepalen percentage van hun tijd.
Onderafdeling 2 Mededingingscollege Art. IV.20 De voorzitter stelt per zaak het Mededingingscollege samen overeenkomstig artikel IV.21 voor het nemen van de in afdeling 2 van dit hoofdstuk bedoelde beslissingen.
Art. IV.21 § 1. Het Mededingingscollege bestaat uit: 1° de voorzitter;2° twee assessoren aangewezen op de alfabetische lijsten van assessoren. De aanwijzing van de assessoren gebeurt in alfabetische orde op de lijsten bedoeld in artikel IV.22, § 1, tweede lid, bij toerbeurt gelet op de proceduretaal.
In het Mededingingscollege dient ten minste één houder van een diploma van master of licentiaat in de rechten zitting te hebben.
Ingeval de assessoren niet kunnen worden aangewezen overeenkomstig de proceduretaal zonder een belangenconflict te veroorzaken, wordt de aanwijzing verricht op basis van de lijst van assessoren van de andere taalgroep. § 2. In geval van een belangenconflict of gemotiveerde onbeschikbaarheid van de voorzitter wordt het Mededingingscollege samengesteld en voorgezeten door de assessor-ondervoorzitter.
In geval van een belangenconflict of gemotiveerde onbeschikbaarheid van zowel de voorzitter als de assessor-ondervoorzitter, wordt het Mededingingscollege samengesteld en voorgezeten door de oudste onder de assessoren rekening houdend met de proceduretaal. § 3. Ingeval een belangenconflict of gemotiveerde onbeschikbaarheid wordt vastgesteld na het samenstellen van het Mededingingscollege wordt de betrokkene vervangen bij toepassing van paragraaf 1 en, in voorkomend geval, van paragraaf 2. De hoorzitting vindt plaats voor het nieuw samengestelde Mededingingscollege.
Art. IV.22 § 1. De assessor-ondervoorzitter, die tot een andere taalgroep behoort dan de voorzitter, en de assessoren, samen ten beloop van maximum 20, worden door de Koning benoemd bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad voor een hernieuwbaar mandaat van zes jaar.
Zij worden ingedeeld in twee gelijke lijsten, in alfabetische volgorde, volgens de Nederlandstalige of Franstalige taalgroep waartoe zij behoren, bepaald door de taal van het diploma van master of licentiaat.
Op elke lijst zal van iedere assessor het diploma vermeld worden. § 2. Om tot assessor-ondervoorzitter of assessor te worden benoemd, dient de kandidaat te voldoen aan de benoemingsvoorwaarden gesteld voor de voorzitter, bepaald in artikel IV.17, § 3.
De assessor-ondervoorzitter en de assessoren worden bij koninklijk besluit op rust gesteld ingeval zij wegens een ernstig en permanent gebrek hun ambt niet meer behoorlijk kunnen uitoefenen, en dit overeenkomstig artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel. § 3. De assessor-ondervoorzitter en de assessoren die in een zaak zitting hebben, mogen betreffende die zaak geen enkele instructie ontvangen wat betreft de beslissingen die zij nemen in uitvoering van de opdrachten die dit boek hun geeft. § 4. De voorzitter, de assessor-ondervoorzitter en de assessoren stellen, onder voorzitterschap van de voorzitter, het huishoudelijk reglement vast van het Mededingingscollege.
Onderafdeling 3 Directiecomité Art. IV.23 Het directiecomité is belast met de leiding van de Belgische Mededingingsautoriteit.
Art. IV.24 § 1. Het directiecomité is samengesteld uit: 1° de voorzitter;2° de auditeur-generaal;3° de directeur economische zaken;4° de directeur juridische zaken. Bij staking van stemmen heeft de voorzitter een beslissende stem.
In geval van gemotiveerde onbeschikbaarheid van de voorzitter wordt het directiecomité voorgezeten door het oudste aanwezige lid. § 2. De Koning benoemt de directeur economische zaken en de directeur juridische zaken voor een hernieuwbaar mandaat van zes jaar bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na een examen inzake beroepsbekwaamheid, bedoeld in artikel IV.17, § 2. § 3. De directeur economische zaken en de directeur juridische zaken worden bij koninklijk besluit op rust gesteld ingeval zij wegens een ernstig en permanent gebrek hun ambt niet meer behoorlijk kunnen uitoefenen, en dit overeenkomstig artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel.
Art. IV.25 Het directiecomité is onder meer belast met: 1° het organiseren en samenstellen van de dienst van de voorzitter, het auditoraat en het secretariaat;2° het vaststellen van richtsnoeren en bekendmakingen met betrekking tot de toepassing van de mededingingsregels en dit boek;3° het opstellen van een jaarlijkse nota waarin de beleidsprioriteiten van de Belgische Mededingingsautoriteit worden vastgesteld, na advies van de minister; 4° het uitoefenen van de bevoegdheden die door de artikelen IV.5, § 1, IV.7, § 2, IV.10, § 3, IV.15, IV.16, §§ 4 en 6, IV.69, § 2, vierde lid en IV.88 aan de Belgische Mededingingsautoriteit worden opgedragen; 5° het opstellen van het jaarlijks activiteitenverslag, dat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt medegedeeld. Onderafdeling 4 Auditeur-generaal en auditoraat Art. IV.26 § 1. De Koning benoemt de auditeur-generaal bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad voor een mandaat van zes jaar dat eenmaal kan worden hernieuwd.
Om tot auditeur-generaal te worden benoemd, dient de kandidaat te voldoen aan de benoemingsvoorwaarden gesteld voor de voorzitter, bepaald in art. IV.17, § 3.
In voorkomend geval wordt de uitoefening van de functie van auditeur-generaal beschouwd als een opdracht in de zin van artikel 323bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek. § 2. De auditeur-generaal wordt bij koninklijk besluit op rust gesteld ingeval hij wegens een ernstig en permanent gebrek zijn ambt niet meer behoorlijk kan uitoefenen, en dit overeenkomstig artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel. § 3. De auditeur-generaal is onder meer belast met de volgende opdrachten: 1° het leiden van het auditoraat;2° het ontvangen van de klachten, de verzoeken en de injuncties betreffende de restrictieve mededingingspraktijken; 3° het openen van het onderzoek in de gevallen bedoeld in artikel IV.39 en het bepalen van de volgorde waarin deze zaken worden onderzocht, na advies van de directeur economische zaken; 4° het ontvangen van de aanmeldingen van concentraties;5° het geven van algemene leiding aan het onderzoek door de auditeur en, in geval van tijdelijke gemotiveerde onbeschikbaarheid van de auditeur, tijdelijk de taak van auditeur vervullen in een zaak;6° het afgeven van opdrachtbevelen ingeval de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit de ambtenaren van de Europese Commissie bijstaan voor een door de Europese Commissie bevolen inspectie bij toepassing van Verordening (EG) nr.1/2003; 7° het toezien op de uitvoering van de door het Mededingingscollege, de auditeur en het Marktenhof genomen beslissingen inzake de mededingingsregels; 8° het vertegenwoordigen van de Belgische Mededingingsautoriteit in de procedures bedoeld in artikel IV.90, ingeval beroep wordt gebracht tegen een beslissing van de auditeur-generaal of de auditeur; de auditeur-generaal kan de vertegenwoordiging in een zaak delegeren aan de directeur juridische zaken, de auditeur of een personeelslid van het auditoraat; 9° het vragen van de verwijzing van een concentratie naar de Belgische Mededingingsautoriteit en het verwijzen van een concentratie naar de Europese Commissie bij toepassing van de artikelen 4 en 9, respectievelijk van artikel 22 van de Verordening (EG) nr.139/2004; 10° het starten en stopzetten van de schikkingsprocedure;11° het beëindigen van gesprekken met betrekking tot toezeggingen die worden aangeboden door een betrokken partij;12° het verzoeken van voorlopige maatregelen;13° het organiseren in het kader van de onderzoeken van een tegensprekelijke procedure waarbij een personeelslid van het auditoraat, dat niet behoort tot het onderzoeksteam, beslist of de documenten en de gegevens die zijn verkregen of gekopieerd in het kader van een huiszoeking: a) beschermd zijn ingevolge de bescherming van briefwisseling met en consultatie van advocaten of de confidentialiteit van adviezen van bedrijfsjuristen krachtens artikel 5 van de
wet van 1 maart 2000Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
01/03/2000
pub.
04/07/2000
numac
2000009248
bron
ministerie van justitie
Wet tot oprichting van een Instituut voor bedrijfsjuristen
sluiten tot oprichting van een Instituut voor Bedrijfsjuristen;b) vallen binnen het toepassingsgebied van het opdrachtbevel tot huiszoeking. § 4. In geval van belangenconflict of gemotiveerde onbeschikbaarheid wordt de auditeur-generaal vervangen door het personeelslid van het auditoraat dat hij aanduidt of, bij gebreke daarvan, dat wordt aangeduid door het directiecomité. § 5. De auditeur-generaal mag geen enkele instructie ontvangen wat betreft de beslissingen die hij neemt in uitvoering van de opdrachten die hem door dit boek zijn opgedragen. § 6. De auditeur-generaal kan taken die behoren tot de opdrachten die hem door dit boek worden opgedragen, delegeren aan de auditeur.
Art. IV.27 § 1. Een auditoraat wordt opgericht bij de Belgische Mededingingsautoriteit.
Het auditoraat bestaat uit de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit die door het directiecomité aan deze dienst worden toegewezen. § 2. De auditeur-generaal wijst voor elke zaak een personeelslid van het auditoraat aan dat als auditeur met de dagelijkse leiding van het onderzoek wordt belast.
De auditeur mag betreffende het onderzoek enkel instructies ontvangen van de auditeur-generaal. § 3. De auditeur-generaal stelt voor elke zaak een team van personeelsleden van het auditoraat samen dat met het onderzoek is belast onder zijn algemene leiding en de dagelijkse leiding van de auditeur.
De leden van het onderzoeksteam kunnen betreffende dat onderzoek enkel instructies ontvangen van de auditeur-generaal en de auditeur. § 4. De auditeur-generaal wijst voor elke zaak een personeelslid van het auditoraat aan dat als auditeur-adviseur advies verleent aan de auditeur telkens wanneer de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 2, van dit boek voorzien in dergelijk advies.
De auditeur-adviseur kan geen lid zijn of geweest zijn van het onderzoeksteam in de zaak en kan slechts worden vervangen in geval van belangenconflict of gemotiveerde onbeschikbaarheid.
Art. IV.28 De auditeur is onder meer belast met: 1° het dagelijks leiden en organiseren van het onderzoek;2° het nemen van de beslissingen in de concentratiezaken die het voorwerp zijn van een vereenvoudigde procedure;3° het zich uitspreken op verzoek van de belanghebbende natuurlijke persoon of rechtspersoon of op eigen initiatief, over het vertrouwelijk karakter van de documenten en de gegevens die in de loop van het onderzoek aan de Belgische Mededingingsautoriteit zijn overgezonden of ter kennis gekomen;4° het afgeven van de opdrachtbevelen, met inbegrip van de opdrachtbevelen inzake huiszoeking, beslaglegging of verzegeling, behalve ingeval de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit de ambtenaren van de Europese Commissie bijstaan voor een door de Europese Commissie bevolen inspectie bij toepassing van Verordening (EG) 1/2003;5° het seponeren van klachten, verzoeken en injuncties;6° het stopzetten van het onderzoek;7° het nemen van schikkingsbeslissingen;8° het vaststellen van de grieven in zaken betreffende restrictieve mededingingspraktijken;9° het vaststellen van een voorstel van beslissing in zaken betreffende restrictieve mededingingspraktijken en in concentratiezaken;10° het verzoeken bij de bevoegde onderzoeksrechter van een voorafgaande machtiging tot huiszoeking. De auditeur kan alle handelingen verrichten ter volbrenging van zijn opdrachten, behalve wanneer dit boek deze handelingen aan de auditeur-generaal voorbehoudt.
Onderafdeling 5 Secretariaat Art. IV.29 Het secretariaat staat, onder leiding en toezicht van de auditeur-generaal, het auditoraat bij.
Het secretariaat is tevens belast met het uitvoeren, onder leiding en toezicht van de voorzitter, van de taken van een griffie voor de procedures voor het Mededingingscollege.
Onderafdeling 6 Wraking en tucht Art. IV.30 De voorzitter, de assessor-ondervoorzitter, de voor een zaak aangeduide assessoren, de auditeur-generaal en de auditeur kunnen worden gewraakt om de redenen vermeld in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek.
De persoon die weet dat er een reden van wraking tegen hem bestaat, onthoudt zich.
De wraking wordt ingediend door middel van een gemotiveerd verzoekschrift dat bij het secretariaat wordt ingediend. Het bevat de middelen en is ondertekend door de verzoekende partij of door haar bijzondere gemachtigde, in welk geval de bijzondere volmacht bij het verzoekschrift wordt gevoegd.
Het verzoekschrift tot wraking wordt binnen vierentwintig uur door het secretariaat aan de gewraakte persoon overhandigd.
Deze laatste geeft binnen twee dagen onderaan het verzoekschrift zijn schriftelijke verklaring met ofwel zijn instemming met de wraking ofwel zijn weigering zich te onthouden, met zijn antwoorden op de wrakingsmiddelen.
In geval van weigering zich te onthouden, doet het Marktenhof er uitspraak over op verzoek van de wrakende partij. De wrakende partij dient haar gemotiveerd verzoek in op de griffie van het Hof van beroep te Brussel binnen twee werkdagen na de kennisgeving door het secretariaat van de schriftelijke verklaring van de gewraakte persoon.
De wrakende partij en de gewraakte persoon worden gehoord. Het Marktenhof oordeelt volgens de procedure zoals in kortgeding en met voorrang boven alle andere zaken. Tegen dit arrest staat geen afzonderlijk cassatieberoep open.
De procedure en de termijnen worden geschorst vanaf de indiening van het verzoekschrift tot wraking bij het secretariaat tot op de dag waarop de gewraakte persoon meedeelt zich te onthouden of waarop hij bevestigd of vervangen wordt na arrest van het Marktenhof.
Art. IV.31 Het Marktenhof kan op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, op gemotiveerde wijze aan de voorzitter, de assessor-ondervoorzitter, de assessoren, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken en de directeur juridische zaken een terechtwijzing, een blaam of een inhouding van wedde als tuchtrechtelijke sanctie opleggen. Het hof kan hen ook vervallen verklaren van hun ambt of hen schorsen.
Onderafdeling 7 Beroepsgeheim, geheimhoudingsplicht en immuniteit Art. IV.32 § 1. De voorzitter, de assessor-ondervoorzitter, de assessoren, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken, de directeur juridische zaken en de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen, onder voorbehoud van de bepalingen van onderafdelingen 1 en 10 van afdeling 2 van dit hoofdstuk en van de koninklijke besluiten uitgevaardigd met toepassing van artikel IV.94, de vertrouwelijke gegevens en informatie waarvan zij wegens hun functie kennis hebben gekregen aan geen enkele persoon of autoriteit bekendmaken, behalve wanneer zij worden opgeroepen om in rechte te getuigen of om bewijsmateriaal over te leggen overeenkomstig de bepalingen van boek XVII, titel 3, hoofdstuk 3.
Zij mogen deze gegevens en informatie enkel gebruiken voor het doel waarvoor deze gegevens en informatie werden ingewonnen.
De auditeur-generaal kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, ingeval het openbaar belang dit vereist, informatie mededelen aangaande lopende onderzoeken. Hij waakt over de inachtneming van het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de betrokken partijen, het privéleven en de waardigheid van personen. Voor zover als mogelijk wordt de identiteit van de betrokken partijen niet bekendgemaakt. § 2. Het beroepsgeheim en de geheimhoudingsplicht bedoeld in paragraaf 1 gelden ook voor de vertegenwoordigers van de Belgische Mededingingsautoriteit en voor de deskundigen die deelnemen aan de vergaderingen van het adviescomité bedoeld in artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 1/2003, en in artikel 19 van de Verordening (EG) nr. 139/2004.
Art. IV.33 Het is de Belgische Mededingingsautoriteit verboden gevolg te geven aan een bevel of verzoek van een rechter of rechtscollege tot overleggen van clementie- en immuniteitsverklaringen alsmede voorstellen die zijn gedaan met het oog op een schikking, behoudens toepassing van artikel XVII.79, § 1, 3°. Een gerechtelijke instantie, met inbegrip van een onderzoeksrechter, kan geen bevel of verzoek in die zin richten tot de Belgische Mededingingsautoriteit.
Het eerste lid vindt geen toepassing in het geval van een strafrechtelijk onderzoek tegen personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit, leden van het directiecomité of assessoren.
Art. IV.34 De voorzitter, de assessor-ondervoorzitter, de assessoren die zetelen in een zaak, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken, de directeur juridische zaken en de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit genieten bij de uitoefening van hun ambt van dezelfde immuniteiten als de rijksambtenaren.
Onderafdeling 8 Onverenigbaarheden en belangenconflicten Art. IV.35 § 1. De functies van voorzitter, auditeur-generaal, directeur economische zaken, directeur juridische zaken en personeelslid van de Belgische Mededingingsautoriteit zijn onverenigbaar met de gerechtelijke functies, met de uitoefening van een openbaar mandaat toegekend door verkiezing op een ander niveau dan het lokale of provinciale niveau, met elke bezoldigde functie of openbaar ambt van politieke of administratieve aard, met de ambten van notaris en gerechtsdeurwaarder, met het beroep van advocaat, met de militaire status en met de functie van bedienaar van een erkende eredienst. § 2. De functies van assessor-ondervoorzitter en assessor zijn onverenigbaar met de uitoefening van een openbaar mandaat toegekend door verkiezing op een ander niveau dan het lokale of provinciale niveau, met elke bezoldigde functie of openbaar ambt van politieke of administratieve aard, met uitzondering van ambten in instellingen van hoger onderwijs, met de ambten van notaris en gerechtsdeurwaarder, met de militaire status en met de functie van bedienaar van een erkende eredienst. § 3. Van de eerste paragraaf mag worden afgeweken ingeval het de uitoefening betreft van het ambt van professor, docent, lector of assistent in de instellingen voor hoger onderwijs, voor zover dat ambt niet wordt uitgeoefend gedurende meer dan twee halve dagen per week.
Van de eerste en tweede paragraaf mag worden afgeweken: 1° ingeval het de uitoefening betreft van de functie van lid van een examencommissie;2° ingeval het de deelname betreft aan een commissie, een raad of een adviescomité, voor zover het aantal opdrachten of functies beperkt is tot twee en het gaat om opdrachten of functies die onbezoldigd worden uitgeoefend. De afwijkingen bedoeld in het eerste en tweede lid worden toegekend door de voorzitter, en ingeval het hem betreft, door de minister.
Art. IV.36 § 1. De voorzitter, de assessor-ondervoorzitter of assessoren die zetelen in een zaak, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken, de directeur juridische zaken en de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, mogen mondeling noch schriftelijk de betrokkenen in een zaak verdedigen of bijstaan; zij mogen hen ook geen consult geven. § 2. De voorzitter, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken, de directeur juridische zaken en de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, mogen de volgende activiteiten niet uitoefenen: 1° bezoldigde arbitrage;2° hetzij persoonlijk, hetzij via een tussenpersoon enige vorm van handel drijven, zaakwaarnemer zijn of deelnemen aan de leiding of het bestuur van of het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsvestigingen. § 3. De voorzitter, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken, de directeur juridische zaken, de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit en de zetelende assessoren mogen geen persoonlijk of financieel belang hebben in de betrokken ondernemingen en de ondernemingen actief in de betrokken markten, die zij onderzoeken of ten aanzien van wie zij beslissen of deelnemen aan beslissingen, ingeval dit belang hun onpartijdigheid in gevaar zou kunnen brengen. In voorkomend geval dient de betrokkene zich te onthouden van elke tussenkomst in de zaak.
Het eerste lid is tevens van toepassing ingeval van tewerkstelling, mandaat of andere opdracht bij of voor de betrokken ondernemingen en de ondernemingen actief in de betrokken markten, uitgevoerd gedurende een periode van drie jaar voorafgaand aan de voorgenomen tussenkomst in de zaak.
Onderafdeling 9 Bijzondere raadgevende commissie Mededinging Art. IV.37 Er wordt in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven een paritaire raadgevende commissie opgericht die Bijzondere raadgevende commissie Mededinging wordt genoemd en die een adviserende bevoegdheid heeft voor alle algemene kwesties in verband met het mededingingsbeleid; zij oefent die bevoegdheid uit op eigen initiatief of op verzoek van de minister.
Art. IV.38 De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging alsook van haar secretariaat.
De voorzitter, de werkende leden en hun plaatsvervangers worden benoemd door de minister.
De Koning bepaalt eveneens, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de vergoedingen toegekend aan de voorzitter en de leden van de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging alsook aan elke persoon die met de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging dient samen te werken. Afdeling 2
Procedures en beslissing …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.