Wet houdende wijzigingen van boek I "Definities", van boek XV "Rechtshandhaving" en vervanging van boek IV "Bescherming van de mededinging" van het We
Kort samengevat
Deze wet wijzigt en vervangt delen van het Wetboek van economisch recht, met een focus op de bescherming van de mededinging. Het definieert belangrijke begrippen en verbiedt praktijken die de concurrentie beperken.
Wat het reguleert
- Definities gerelateerd aan mededinging, zoals de Belgische Mededingingsautoriteit en restrictieve mededingingspraktijken.
- Het verbod op overeenkomsten en gedragingen die de mededinging verhinderen, beperken of vervalsen.
- Het verbod op misbruik van een machtspositie door ondernemingen.
- Regels betreffende concentraties van ondernemingen.
Wie het betreft
- Ondernemingen en ondernemingsverenigingen.
- Natuurlijke personen die handelen in het kader van activiteiten van een onderneming of ondernemingsvereniging.
Kernpunten
- Alle overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de mededinging merkbaar verhinderen, beperken of vervalsen, zijn verboden en van rechtswege nietig.
- Het is verboden voor één of meer ondernemingen om misbruik te maken van een machtspositie op de Belgische markt.
- Bepaalde restrictieve mededingingspraktijken zijn toegestaan als ze bijdragen aan verbetering van productie, verdeling, technische of economische vooruitgang, of de concurrentiepositie van kleine en middelgrote ondernemingen versterken, zonder de mededinging uit te schakelen.
- Een concentratie ontstaat bij een duurzame wijziging van zeggenschap door fusie of het verkrijgen van zeggenschap over andere ondernemingen.
Wettekst
Wettekst
2 MEI 2019. - Wet houdende wijzigingen van boek I "Definities", van boek XV "Rechtshandhaving" en vervanging van boek IV "Bescherming van de mededinging" van het Wetboek van economisch recht
(1)FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van boek I van het Wetboek van economisch recht Art. 2.Artikel I.6 van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/04/2013 pub. 26/04/2013 numac 2013011190 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende invoeging van boek IV « Bescherming van de mededinging » en van boek V « De mededinging en de prijsevoluties » in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek IV en aan boek V en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan boek IV en aan boek V, in boek I van het Wetboek van economisch recht type wet prom. 03/04/2013 pub. 26/04/2013 numac 2013011191 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende invoeging van de bepalingen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, in boek IV « Bescherming van de mededinging » en boek V « De mededinging en de prijsevoluties » van het Wetboek van economisch recht sluiten en gewijzigd bij de wet van 29 juni 2016, wordt vervangen als volgt: "Voor de toepassing van boek IV gelden de volgende definities: 1° Belgische Mededingingsautoriteit: de autoriteit, opgericht bij wet van 3 april 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/04/2013 pub. 26/04/2013 numac 2013011190 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende invoeging van boek IV « Bescherming van de mededinging » en van boek V « De mededinging en de prijsevoluties » in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek IV en aan boek V en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan boek IV en aan boek V, in boek I van het Wetboek van economisch recht type wet prom. 03/04/2013 pub. 26/04/2013 numac 2013011191 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende invoeging van de bepalingen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, in boek IV « Bescherming van de mededinging » en boek V « De mededinging en de prijsevoluties » van het Wetboek van economisch recht sluiten, bedoeld in artikel IV.16; 2° Mededingingscollege: het beslissingscollege dat per zaak wordt samengesteld voor het nemen van de beslissingen bedoeld in boek IV, titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 2; 3° Bijzondere raadgevende commissie Mededinging: de commissie bedoeld in artikel IV.37; 4° voorzitter: de voorzitter van de Belgische Mededingingsautoriteit;5° auditoraat: het auditoraat van de Belgische Mededingingsautoriteit;6° auditeur-generaal: de auditeur-generaal van de Belgische Mededingingsautoriteit;7° auditeur: het personeelslid van het auditoraat dat door de auditeur-generaal wordt belast met de dagelijkse leiding van het onderzoek van een zaak; 8° auditeur-adviseur: het personeelslid van het auditoraat bedoeld in artikel IV.27, § 4; 9° onderzoeksteam: de personeelsleden van het auditoraat die met het onderzoek zijn belast onder de leiding van de auditeur en de algemene leiding van de auditeur-generaal;10° betrokken partij: de onderneming, de ondernemingsvereniging of de natuurlijke persoon op wie de onderzoeken en de beslissingen bedoeld in boek IV, titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 2 betrekking hebben; 11° restrictieve mededingingspraktijken: de praktijken bedoeld in artikel IV.1, § 1, en artikel IV.2; 12° machtspositie: de positie die een onderneming in staat stelt om de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging te verhinderen doordat zij het haar mogelijk maakt zich, jegens haar concurrenten, afnemers of leveranciers, in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen;13° werkdagen: alle dagen, met uitsluiting van de zaterdagen, de zondagen, de wettelijke feestdagen, de sluitingsdagen vastgelegd door de minister bevoegd voor Ambtenarenzaken, de sluitingsdagen vastgelegd door de minister bevoegd voor Economie, 2 januari, 2 en 15 november alsook de dagen vanaf 26 december tot en met 31 december;14° VWEU: het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;15° Verordening (EG) nr.139/2004: Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen; 16° Verordening (EG) nr.1/2003: Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag; 17° onderneming: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen." HOOFDSTUK 3. - Vervanging van boek IV van het Wetboek van economisch recht Art. 3.In hetzelfde Wetboek wordt het boek IV, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/04/2013 pub. 26/04/2013 numac 2013011190 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende invoeging van boek IV « Bescherming van de mededinging » en van boek V « De mededinging en de prijsevoluties » in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek IV en aan boek V en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan boek IV en aan boek V, in boek I van het Wetboek van economisch recht type wet prom. 03/04/2013 pub. 26/04/2013 numac 2013011191 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet houdende invoeging van de bepalingen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, in boek IV « Bescherming van de mededinging » en boek V « De mededinging en de prijsevoluties » van het Wetboek van economisch recht sluiten, vervangen als volgt: "BOEK IV. - Bescherming van de mededinging TITEL 1 Mededingingsregels HOOFDSTUK 1 Restrictieve mededingingspraktijken Art. IV.1 § 1. Zijn verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing vereist is, alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemingsverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Belgische betrokken markt of op een wezenlijk deel ervan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in: 1° het rechtstreeks of onrechtstreeks bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden;2° het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen;3° het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen;4° het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hen daarmee nadeel berokkenend bij de mededinging;5° het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten, van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten. § 2. De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig. § 3. De bepalingen van paragraaf 1 zijn echter niet van toepassing op: 1° elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen, 2° elk besluit of groep van besluiten van ondernemingsverenigingen, en 3° elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen, die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling van producten, die bijdragen tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, of die de kleine en middelgrote ondernemingen de mogelijkheid bieden om hun concurrentiepositie op de betrokken markt of op de internationale markt te verstevigen, waarbij een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen:
- a)beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn;
- b)de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen. § 4. Het is natuurlijke personen verboden in het kader van de activiteiten van een onderneming of ondernemingsvereniging met één of meer concurrenten te onderhandelen, overeen te komen, te besluiten of onderling af te stemmen met betrekking tot: 1° het vaststellen van de prijzen bij verkoop van producten aan derden;2° het beperken van de productie of de verkoop van producten;3° het toewijzen van markten of afnemers. De inbreuk op het in het eerste lid bedoelde verbod kan enkel worden vastgesteld ingeval de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging deel uitmaakt van een door het Mededingingscollege of de auditeur in dezelfde zaak vastgestelde inbreuk op het verbod bedoeld in de eerste paragraaf door de onderneming of ondernemingsvereniging in het kader van wiens activiteiten de natuurlijke persoon is opgetreden. Ingeval de onderneming of ondernemingsvereniging niet meer bestaat en geen rechtsopvolger heeft, kan het onderzoek in afwijking van het tweede lid worden gevoerd en de beslissing worden genomen ten aanzien van de natuurlijke persoon alleen. Art. IV.2 Het is verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing nodig is, dat één of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel daarvan. Dit misbruik kan met name bestaan in: 1° het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden;2° het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers;3° het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;4° het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten. Art. IV.3 Het verbod van artikel IV.1, § 1, geldt niet voor overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarvoor artikel 101, § 3, VWEU van toepassing is verklaard door een verordening van de Raad van de Europese Unie of een verordening of een beschikking van de Europese Commissie. Het verbod van artikel IV.1, § 1, geldt niet voor overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die de handel tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloeden of de mededinging binnen de interne markt niet beperken, verhinderen of vervalsen, doch die de bescherming zouden genieten van een verordening bedoeld in het eerste lid ingeval zij deze handel wel zouden beïnvloeden of deze mededinging wel zouden beperken, verhinderen of vervalsen. Art. IV.4 Het verbod van artikel IV.1, § 1, is niet van toepassing op overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die binnen de werkingssfeer vallen van een koninklijk besluit genomen op grond van artikel IV.5. Art. IV.5 § 1. De Koning kan, na advies van de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging en van de Belgische Mededingingsautoriteit, bij in Ministerraad overlegd en gemotiveerd besluit verklaren dat, bij toepassing van artikel IV.1, § 3, artikel IV.1, § 1, niet van toepassing is op categorieën van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen. § 2. Het koninklijk besluit omschrijft de categorieën van overeenkomsten, van besluiten en van onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarop het van toepassing is en preciseert met name: 1° de beperkingen of de bepalingen die er niet in mogen voorkomen;2° de bepalingen die erin moeten voorkomen of de andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan. § 3. Het koninklijk besluit wordt voor een beperkte tijdsduur genomen. Het kan worden opgeheven of gewijzigd ingeval de omstandigheden gewijzigd zijn met betrekking tot een punt dat van wezenlijk belang was voor zijn vaststelling. In dat geval wordt voorzien in een overgangsregeling voor de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen bedoeld door het voorafgaande besluit. HOOFDSTUK 2 Concentraties Art. IV.6 § 1. Voor de toepassing van dit boek komt een concentratie tot stand ingeval er een duurzame wijziging van zeggenschap voortvloeit uit: 1° de fusie van twee of meer voorheen onafhankelijke ondernemingen of delen van deze ondernemingen;of 2° het verkrijgen, door één of meer personen die reeds de zeggenschap over ten minste één onderneming bezitten of door één of meer ondernemingen, van de zeggenschap - door de verwerving van participaties in het kapitaal of de aankoop van vermogensbestanddelen, bij overeenkomst of op elke andere wijze - rechtstreeks of onrechtstreeks, over één of meer andere ondernemingen of delen daarvan. § 2. De oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die duurzaam alle functies van een zelfstandige economische eenheid vervult, vormt een concentratie in de zin van paragraaf 1, 2°. § 3. Voor de toepassing van dit boek berust de zeggenschap op rechten, overeenkomsten of andere middelen die afzonderlijk of gezamenlijk met inachtneming van alle feitelijke en juridische omstandigheden, het mogelijk maken een bepalende invloed uit te oefenen op de activiteiten van een onderneming, met name: 1° eigendoms- of gebruiksrechten op alle vermogensbestanddelen van een onderneming of delen daarvan;2° rechten of overeenkomsten die een bepalende invloed verschaffen op de samenstelling, het stemgedrag of de besluiten van de ondernemingsorganen. § 4. De zeggenschap wordt verkregen door de persoon/personen of de onderneming/ondernemingen: 1° die zelf rechthebbenden zijn of aan deze overeenkomsten rechten ontlenen;of 2° die, hoewel zij zelf geen rechthebbenden zijn, noch aan deze overeenkomsten rechten ontlenen, de bevoegdheid hebben de daaruit ontstane rechten uit te oefenen. § 5. Geen concentratie in de zin van paragraaf 1 komt tot stand: 1° ingeval kredietinstellingen, andere financiële instellingen, of verzekeringsmaatschappijen tot wier normale werkzaamheden de verhandeling van financiële instrumenten voor eigen rekening of voor rekening van derden behoort, tijdelijke deelnemingen houden die zij in een onderneming hebben verworven ten einde deze deelnemingen weer te verkopen, mits zij de aan deze deelnemingen verbonden stemrechten niet uitoefenen om het concurrentiegedrag van deze onderneming te bepalen of mits zij deze stemrechten slechts uitoefenen om de verkoop van deze onderneming of van haar activa, geheel of gedeeltelijk, of de verkoop van deze deelnemingen voor te bereiden, en deze verkoop plaatsvindt binnen één jaar na de verwerving;deze termijn bedraagt twee jaar ingeval de deelnemingen verworven werden als bewijs van dubieuze of onbetaald gebleven vorderingen; 2° ingeval de zeggenschap wordt verworven door een gerechtelijk mandataris of overheidsmandataris, op grond van een gerechtelijke beslissing of een andere procedure van gedwongen vereffening;3° ingeval de in paragraaf 1, 2°, bedoelde handelingen worden uitgevoerd door participatieondernemingen zoals bedoeld in artikel 2, 15°, van richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, met dien verstande echter dat de stemrechten die aan de in bezit zijnde deelnemingen zijn verbonden, slechts worden uitgeoefend om, met name door de benoeming van de leden van de raden van bestuur en van toezicht van de ondernemingen waarin zij deelnemingen houden, de volledige waarde van deze investeringen veilig te stellen en niet om rechtstreeks of onrechtstreeks het concurrentiegedrag van die ondernemingen te bepalen. Art. IV.7 § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn slechts van toepassing ingeval de betrokken ondernemingen samen in België een omzet, bepaald volgens de in artikel IV.8 bedoelde criteria, van meer dan 100 miljoen euro bereiken en ten minste twee van de betrokken ondernemingen elk in België een omzet halen van ten minste 40 miljoen euro. § 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van de Belgische Mededingingsautoriteit en de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging de drempels bedoeld in paragraaf 1 verhogen. Om de drie jaar gaat de Belgische Mededingingsautoriteit over tot een toetsing van de drempels bedoeld in paragraaf 1, daarbij onder andere rekening houdende met de economische impact en de administratieve last voor de ondernemingen. Art. IV.8 § 1. De omzet bedoeld in artikel IV.7 omvat de bedragen met betrekking tot de verkoop van producten door de betrokken ondernemingen tijdens het laatste boekjaar in het kader van de normale bedrijfsuitoefening, onder aftrek van kortingen, van belasting over de toegevoegde waarde en van andere rechtstreeks met de omzet samenhangende belastingen. Bij de omzet wordt geen rekening gehouden met transacties tussen de in paragraaf 4 bedoelde ondernemingen. § 2. Als een concentratie bestaat in de verwerving van delen - die al dan niet rechtspersoonlijkheid bezitten - van een of meer ondernemingen of van een groep ondernemingen, wordt in afwijking van paragraaf 1 alleen het omzetcijfer dat betrekking heeft op de delen, die aldus het voorwerp van de concentratie zijn, in hoofde van de vervreemder of vervreemders, in aanmerking genomen. Twee of meer transacties bedoeld in het eerste lid, die binnen een periode van twee jaar plaatsvinden tussen dezelfde personen of ondernemingen, moeten evenwel worden beschouwd als één concentratie die plaatsvindt op de datum van de laatste transactie. § 3. De omzet wordt vervangen: 1° bij kredietinstellingen en andere financiële instellingen, door de som van de onderstaande batenposten, omschreven in het koninklijk besluit van 23 september 1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen en de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, in voorkomend geval na aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde en van andere rechtstreeks met de betrokken baten samenhangende belastingen:
- a)rente en soortgelijke baten;
- b)opbrengsten uit effecten: - opbrengsten uit aandelen en andere niet-vastrentende effecten; - opbrengsten uit deelnemingen; - opbrengsten uit aandelen in verbonden ondernemingen;
- c)ontvangen provisies;
- d)nettobaten uit financiële transacties;
- e)overige bedrijfsopbrengsten. De omzet in België van een kredietinstelling of een financiële instelling omvat de hierboven omschreven batenposten van het bijkantoor of de afdeling van deze in België gevestigde instelling. 2° bij verzekeringsmaatschappijen, door de waarde van de bruto geboekte premies, die alle uit hoofde van de door of namens de verzekeringsonderneming gesloten verzekeringsovereenkomsten ontvangen en te ontvangen bedragen omvatten, met inbegrip van de aan herverzekering afgestane premies en na aftrek van belastingen en parafiscale bijdragen of heffingen over het bedrag van de afzonderlijke premies of het totale premievolume.Er wordt rekening gehouden met de brutopremies gestort door de ingezetenen in België. § 4. Onverminderd paragraaf 2, moeten voor de berekening van de totale omzet van een betrokken onderneming de omzetten van de volgende ondernemingen worden opgeteld: 1° de betrokken onderneming;2° de ondernemingen waarin de betrokken onderneming, rechtstreeks of middellijk:
- a)hetzij meer dan de helft van het kapitaal of de bedrijfsactiva bezit;
- b)hetzij de bevoegdheid heeft om meer dan de helft van de stemrechten uit te oefenen;
- c)hetzij de bevoegdheid heeft om meer dan de helft van de leden van de raad van toezicht of van bestuur of de krachtens de wet tot vertegenwoordiging bevoegde organen te benoemen;
- d)hetzij het recht heeft de zaken van de onderneming te leiden;3° ondernemingen die in de betrokken onderneming over de onder 2° genoemde rechten of bevoegdheden beschikken;4° ondernemingen waarin een onderneming zoals bedoeld onder 3° over de onder 2° genoemde rechten of bevoegdheden beschikt;5° ondernemingen waarin twee of meer ondernemingen zoals bedoeld onder 1° tot en met 4°, gezamenlijk over de onder 2° genoemde rechten of bevoegdheden beschikken. Ingeval bij de concentratie betrokken ondernemingen gezamenlijk beschikken over de in het eerste lid, 2°, genoemde rechten of bevoegdheden, dient bij de berekening van de totale omzet van de betrokken ondernemingen: 1° geen rekening te worden gehouden met de omzet die het resultaat is van de verkoop van producten tussen de gemeenschappelijke onderneming en elk van de betrokken ondernemingen of enige andere met een van die ondernemingen verbonden onderneming in de zin van het eerste lid onder 2° tot en met 5° ;2° rekening te worden gehouden met de omzet die het resultaat is van de verkoop van producten tussen de gemeenschappelijke onderneming en derde ondernemingen.Deze omzet wordt in gelijke delen aan de betrokken ondernemingen toegerekend. § 5. Voor de openbare ondernemingen is de in aanmerking te nemen omzet deze van alle ondernemingen die een economisch geheel vormen met een zelfstandige beslissingsbevoegdheid, ongeacht de vraag wie het kapitaal ervan bezit of welke regels van bestuurlijk toezicht daarop van toepassing zijn. Art. IV.9 § 1. Voor de concentraties die onderworpen zijn aan het toezicht ingesteld bij dit hoofdstuk is een voorafgaande beslissing nodig van de Belgische Mededingingsautoriteit, die vaststelt of zij al of niet toelaatbaar zijn. § 2. Bij de in paragraaf 1 bedoelde beslissing wordt rekening gehouden met: 1° de noodzaak een daadwerkelijke mededinging op de markt te handhaven en te ontwikkelen in het licht van met name de structuur van alle betrokken markten en van de bestaande of potentiële mededinging van op of buiten het Belgische grondgebied gevestigde ondernemingen;2° de positie op de markt van de betrokken ondernemingen, hun economische en financiële macht, de keuzemogelijkheden van leveranciers en afnemers, hun toegang tot voorzieningsbronnen en afzetmarkten, het bestaan van juridische of feitelijke hinderpalen voor de toegang tot de markt, de ontwikkeling van vraag naar en aanbod van de betrokken producten, de belangen van de tussen- en eindverbruikers, alsmede de ontwikkeling van de technische en economische vooruitgang, voor zover deze in het voordeel van de consument is en geen belemmering vormt voor de mededinging. § 3. Concentraties die niet tot gevolg hebben dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, onder andere door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie, worden toelaatbaar verklaard. § 4. Concentraties die tot gevolg hebben dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, onder andere door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie, worden ontoelaatbaar verklaard. § 5. Ingeval de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die een concentratie vormt in de zin van artikel IV.6, § 2, de coördinatie beoogt of tot stand brengt van het concurrentiegedrag van ondernemingen die onafhankelijk blijven, dan wordt die coördinatie beoordeeld overeenkomstig de criteria van artikel IV.1, teneinde vast te stellen of de transactie al dan niet toelaatbaar is. Bij die beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met: 1° het significant en gelijktijdig actief blijven van twee of meer oprichtende ondernemingen op dezelfde markt als die van de gemeenschappelijke onderneming, op een stroomopwaartse of stroomafwaartse markt van laatstgenoemde markt of op een nauw met die markt verbonden markt;2° de mogelijkheid die aan de betrokken ondernemingen wordt gegeven om, via de coördinatie die het rechtstreekse gevolg is van de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming, de mededinging voor een wezenlijk deel van de betrokken producten uit te schakelen. Art. IV.10 § 1. De concentraties die onderworpen zijn aan het toezicht ingesteld bij dit hoofdstuk worden bij de auditeur-generaal aangemeld vóór hun tenuitvoerlegging en na de sluiting van de overeenkomst, de openbaarmaking van het aanbod tot aankoop of ruil, of de verwerving van een zeggenschapsdeelneming. De partijen kunnen echter een ontwerpovereenkomst aanmelden, mits alle partijen uitdrukkelijk verklaren dat zij de intentie hebben om een overeenkomst te sluiten die op alle mededingingsrechtelijk relevante punten niet merkbaar verschilt van het aangemelde ontwerp. In het geval van een openbaar aanbod tot aankoop of ruil, kunnen de partijen eveneens een ontwerp aanmelden wanneer zij hun voornemen tot het doen van een dergelijk bod publiekelijk hebben aangekondigd. § 2. Concentraties door fusie in de zin van artikel IV.6, § 1, 1°, of door totstandkoming van een gezamenlijke zeggenschap in de zin van artikel IV.6, § 1, 2°, worden gezamenlijk aangemeld door de partijen bij de fusie of door de partijen die de gezamenlijke zeggenschap verkrijgen. In alle andere gevallen vindt de aanmelding plaats door de persoon of de onderneming die de zeggenschap over een of meer ondernemingen of een gedeelte daarvan verwerft. § 3. De modaliteiten van de aanmeldingen bedoeld in paragraaf 1 worden bepaald door de Koning. De Belgische Mededingingsautoriteit kan de nadere regels voor een vereenvoudigde aanmelding bepalen. § 4. Zolang de Belgische Mededingingsautoriteit geen beslissing neemt betreffende de toelaatbaarheid van de concentratie, mogen de betrokken ondernemingen de concentratie niet tot uitvoering brengen. § 5. Paragraaf 4 belet evenwel niet de tenuitvoerlegging van een openbaar aanbod tot aankoop of ruil of van een reeks transacties met financiële instrumenten, inclusief met deze converteerbaar in andere financiële instrumenten, die ter verhandeling worden toegelaten tot een markt zoals een effectenbeurs en waardoor de zeggenschap in de zin van artikel IV.6 wordt verkregen door tussenkomst van meerdere verkopers, mits: 1° de concentratie overeenkomstig dit artikel onverwijld bij de auditeur-generaal wordt gemeld, en 2° de verkrijger de aan de betrokken financiële instrumenten verbonden stemrechten niet uitoefent dan wel slechts uitoefent om de volle waarde van zijn belegging te handhaven en op basis van een door de voorzitter overeenkomstig paragraaf 6 verleende ontheffing. § 6. Onverminderd het bepaalde in paragraaf 5, kan de voorzitter op verzoek van een partij op elk ogenblik ontheffing verlenen van het in paragraaf 4 bepaalde verbod tot uitvoering. De voorzitter vraagt de auditeur-generaal een verslag in te dienen, bevattende de noodzakelijke appreciatie-elementen om tot de in deze paragraaf bedoelde beslissing te komen. De auditeur-generaal of de door hem aangeduide auditeur dient zijn verslag in binnen een termijn van twee weken na de indiening van het verzoek tot ontheffing. De voorzitter kan deze termijn inkorten. De voorzitter kan zijn beslissing vergezeld laten gaan van bepaalde voorwaarden en verplichtingen. Art. IV.11 De concentraties die onderworpen zijn aan het toezicht van de Europese Commissie, met inbegrip van concentraties die bij toepassing van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 139/2004 zijn verwezen naar de Europese Commissie, zijn niet onderworpen aan het toezicht ingesteld bij dit hoofdstuk. Zijn echter wel onderworpen aan het toezicht ingesteld door dit hoofdstuk, de concentraties die door de Europese Commissie naar de Belgische Mededingingsautoriteit werden verwezen krachtens de artikelen 4, vierde en vijfde lid, en 9, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 139/2004. In dat geval dienen de partijen de concentratie opnieuw te melden bij de auditeur-generaal overeenkomstig artikel IV.10. HOOFDSTUK 3 Overheidsondernemingen Art. IV.12 De ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter hebben van een fiscaal monopolie, zijn onderworpen aan de bepalingen van dit boek voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun door of krachtens de wet toevertrouwde specifieke taak niet verhindert. HOOFDSTUK 4 Maatregelen of beslissingen door een vreemde staat Art. IV.13 Behoudens ontheffing in de gevallen door de Koning bepaald, is het aan ieder persoon, verblijvend op het Belgisch grondgebied of er zijn zetel of een inrichting hebbend, verboden gevolg te geven aan maatregelen of beslissingen door een vreemde Staat of door diens organismen genomen en die betrekking hebben op een reglementering inzake mededinging, economische machtsposities of handelsbeperkende praktijken op gebied van internationaal vervoer ter zee en door de lucht. De Koning bepaalt op welke handelingen het verbod slaat. De ontheffing, op verzoek van belanghebbenden, kan door de minister worden toegestaan en desgevallend aan bepaalde modaliteiten onderworpen worden. Art. IV.14 Elk bevel of verzoek dat gegrond is op de in artikel IV.13 bedoelde maatregelen of beslissingen, moet binnen vijftien dagen na ontvangst worden medegedeeld aan de minister of aan zijn gemachtigde. Art. IV.15 Onverminderd de artikelen IV.13 en IV.14 en behoudens de uitzonderingen die Hij bepaalt, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van de Belgische Mededingingsautoriteit en de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging, maatregelen treffen waarbij het de ondernemingen verboden wordt niet bekendgemaakte inlichtingen of bescheiden met betrekking tot hun mededingingspraktijken aan een buitenlandse Staat of aan een daarvan afhangende instelling te geven. TITEL 2 Handhaving van het mededingingsrecht HOOFDSTUK 1 De Belgische Mededingingsautoriteit Afdeling 1 Organisatie Artikel IV.16 § 1. De Belgische Mededingingsautoriteit is een overheidsdienst met rechtspersoonlijkheid en beheersautonomie zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, 3°, tweede lid, b), van de wet van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/05/2003 pub. 03/07/2003 numac 2003003367 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat sluiten houdende de organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat. § 2. De Belgische Mededingingsautoriteit is samengesteld uit: 1° de voorzitter en de dienst van de voorzitter;2° het Mededingingscollege;3° het directiecomité;4° het auditoraat onder leiding van de auditeur-generaal. § 3. De Belgische mededingingsautoriteit is bevoegd om de artikelen 101 en 102 VWEU toe te passen bedoeld in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1/2003. § 4. De Koning bepaalt welke logistieke en materiële middelen de FOD Economie ter beschikking stelt van de Belgische Mededingingsautoriteit. Daartoe wordt een dienstverleningsovereenkomst gesloten tussen de Belgische Mededingingsautoriteit en de FOD Economie. § 5. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad het administratief en geldelijk statuut van de voorzitter, de assessor-ondervoorzitter en assessoren die zetelen in het Mededingingscollege, de auditeur-generaal, de directeur juridische zaken en de directeur economische zaken van de Belgische Mededingingsautoriteit. De wetten op de pensioenregeling voor de leden van het Rijkspersoneel en voor hun rechthebbenden zijn van toepassing op de voorzitter, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken en de directeur juridische zaken van de Belgische Mededingingsautoriteit. Voor de toepassing van het vorige lid worden de mandaten voor de opening van het recht op pensioen, gelijkgesteld met een vaste benoeming. § 6. De personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit worden ter beschikking gesteld door de FOD Economie. De Koning stelt, na advies van de Belgische Mededingingsautoriteit, de regels van deze terbeschikkingstelling vast, alsmede de voorwaarden ervan. § 7. De Koning bepaalt de wijze waarop het personeelsplan van de Belgische Mededingingsautoriteit wordt aangenomen. § 8. De Belgische Mededingingsautoriteit is een instelling zoals bedoeld in de artikelen 6
(1)(e) en 23
(1)(
- h)van de Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG. De Belgische Mededingingsautoriteit kan als verwerkingsverantwoordelijke gegevens verwerken in de zin van deze Verordening voor de doeleinden en met de waarborgen bepaald in titel II van dit boek, en met name gelet op de bepalingen van artikel IV.32. Zij kan deze gegevens opslaan voor de duur die vereist is voor haar onderzoeken en procedures of is opgelegd door de algemene archiveringsregels van de Staat. Natuurlijke personen kunnen toegang krijgen tot hun eigen persoonsgegevens. Onderafdeling 1 Voorzitter en dienst van de voorzitter Art. IV.17 § 1. De voorzitter wordt door de Koning benoemd, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor een mandaat van zes jaar dat eenmaal kan worden hernieuwd. De voorzitter vervult de opdrachten die hem door dit boek zijn opgedragen. Hij kan taken delegeren aan de assessor-ondervoorzitter ingeval het taken betreft die hij uitoefent als lid van het Mededingingscollege en, ingeval het andere taken betreft, aan de directeur economische zaken, aan de directeur juridische zaken en aan personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit. § 2. In geval van gemotiveerde onbeschikbaarheid worden de taken van de voorzitter waargenomen door het directiecomité. In voorkomend geval worden de taken van de voorzitter van het Mededingingscollege waargenomen door de assessor-ondervoorzitter. § 3. Om tot voorzitter te kunnen worden benoemd, moet de kandidaat slagen voor het examen inzake beroepsbekwaamheid. Dat examen is bedoeld om de kennis en maturiteit te evalueren die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het betrokken ambt. De nadere regels en het programma van het examen worden door de Koning bepaald. De kandidaat brengt verder het bewijs van een nuttige ervaring voor de uitoefening van de functie. Hij moet houder zijn van een diploma van master of licentiaat en een functionele kennis van het Nederlands, het Frans en het Engels bewijzen. In voorkomend geval wordt de uitoefening van de functie van voorzitter beschouwd als een opdracht in de zin van artikel 323bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek. § 4. De voorzitter wordt bij koninklijk besluit op rust gesteld ingeval hij wegens een ernstig en permanent gebrek zijn ambt niet meer behoorlijk kan uitoefenen, en dit overeenkomstig artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel. Art. IV.18 De voorzitter mag geen enkele instructie ontvangen wat betreft de beslissingen die hij neemt in uitvoering van zijn opdrachten krachtens dit boek, en de standpunten die hij inneemt in mededingingszaken van de Europese Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU en Verordening (EG) nr. 139/2004. De personen aan wie de voorzitter taken heeft gedelegeerd mogen betreffende deze taken alleen instructies ontvangen van de voorzitter. Art. IV.19 § 1. De voorzitter is onder meer belast met de volgende opdrachten: 1° het vertegenwoordigen van België in de Europese en internationale mededingingsinstellingen voor alle besprekingen die de bevoegdheden van de Belgische Mededingingsautoriteit betreffen;hij neemt deel aan andere besprekingen in Europese en internationale instellingen over wet- en regelgeving die het mededingingsbeleid betreffen, onverminderd de bevoegdheden ter zake van de minister en andere overheden; 2° het bijdragen ten behoeve van de FOD Economie, het Parlement, de regering of andere instanties tot het voorbereiden en evalueren van het mededingingsbeleid in België, het bijdragen tot een betere kennis van dit beleid en het leiden van studies;3° het bijdragen tot de voorbereiding van de Belgische wetgeving en reglementering met betrekking tot de mededingingsregels en het mededingingsbeleid; 4° het vertegenwoordigen van de Belgische Mededingingsautoriteit in de procedures bedoeld in de artikelen IV.86 tot IV.90, onder voorbehoud van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de auditeur-generaal bedoeld in artikel IV.26, § 3, 8° ; 5° het afleveren van informele zienswijzen aangaande de toepassing van de mededingingsregels betreffende de restrictieve mededingingspraktijken op een voorgenomen praktijk, voor zover eenzelfde, gelijkaardige of verwante vraag niet het voorwerp is van een procedure bij de Europese Commissie, het auditoraat of het Mededingingscollege of van een procedure voor een Belgisch rechtscollege of een rechtscollege van de Europese Unie. § 2. In de Belgische Mededingingsautoriteit wordt een dienst van de voorzitter opgericht. Deze dienst wordt geleid door de voorzitter en bestaat uit de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit die door het directiecomité aan deze dienst worden toegewezen. Voor de tenuitvoerlegging van de opdrachten bedoeld in paragraaf 1, kan de voorzitter ook een beroep doen op personeelsleden van het auditoraat ten belope van een door het directiecomité te bepalen percentage van hun tijd. Onderafdeling 2 Mededingingscollege Art. IV.20 De voorzitter stelt per zaak het Mededingingscollege samen overeenkomstig artikel IV.21 voor het nemen van de in afdeling 2 van dit hoofdstuk bedoelde beslissingen. Art. IV.21 § 1. Het Mededingingscollege bestaat uit: 1° de voorzitter;2° twee assessoren aangewezen op de alfabetische lijsten van assessoren. De aanwijzing van de assessoren gebeurt in alfabetische orde op de lijsten bedoeld in artikel IV.22, § 1, tweede lid, bij toerbeurt gelet op de proceduretaal. In het Mededingingscollege dient ten minste één houder van een diploma van master of licentiaat in de rechten zitting te hebben. Ingeval de assessoren niet kunnen worden aangewezen overeenkomstig de proceduretaal zonder een belangenconflict te veroorzaken, wordt de aanwijzing verricht op basis van de lijst van assessoren van de andere taalgroep. § 2. In geval van een belangenconflict of gemotiveerde onbeschikbaarheid van de voorzitter wordt het Mededingingscollege samengesteld en voorgezeten door de assessor-ondervoorzitter. In geval van een belangenconflict of gemotiveerde onbeschikbaarheid van zowel de voorzitter als de assessor-ondervoorzitter, wordt het Mededingingscollege samengesteld en voorgezeten door de oudste onder de assessoren rekening houdend met de proceduretaal. § 3. Ingeval een belangenconflict of gemotiveerde onbeschikbaarheid wordt vastgesteld na het samenstellen van het Mededingingscollege wordt de betrokkene vervangen bij toepassing van paragraaf 1 en, in voorkomend geval, van paragraaf 2. De hoorzitting vindt plaats voor het nieuw samengestelde Mededingingscollege. Art. IV.22 § 1. De assessor-ondervoorzitter, die tot een andere taalgroep behoort dan de voorzitter, en de assessoren, samen ten beloop van maximum 20, worden door de Koning benoemd bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad voor een hernieuwbaar mandaat van zes jaar. Zij worden ingedeeld in twee gelijke lijsten, in alfabetische volgorde, volgens de Nederlandstalige of Franstalige taalgroep waartoe zij behoren, bepaald door de taal van het diploma van master of licentiaat. Op elke lijst zal van iedere assessor het diploma vermeld worden. § 2. Om tot assessor-ondervoorzitter of assessor te worden benoemd, dient de kandidaat te voldoen aan de benoemingsvoorwaarden gesteld voor de voorzitter, bepaald in artikel IV.17, § 3. De assessor-ondervoorzitter en de assessoren worden bij koninklijk besluit op rust gesteld ingeval zij wegens een ernstig en permanent gebrek hun ambt niet meer behoorlijk kunnen uitoefenen, en dit overeenkomstig artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel. § 3. De assessor-ondervoorzitter en de assessoren die in een zaak zitting hebben, mogen betreffende die zaak geen enkele instructie ontvangen wat betreft de beslissingen die zij nemen in uitvoering van de opdrachten die dit boek hun geeft. § 4. De voorzitter, de assessor-ondervoorzitter en de assessoren stellen, onder voorzitterschap van de voorzitter, het huishoudelijk reglement vast van het Mededingingscollege. Onderafdeling 3 Directiecomité Art. IV.23 Het directiecomité is belast met de leiding van de Belgische Mededingingsautoriteit. Art. IV.24 § 1. Het directiecomité is samengesteld uit: 1° de voorzitter;2° de auditeur-generaal;3° de directeur economische zaken;4° de directeur juridische zaken. Bij staking van stemmen heeft de voorzitter een beslissende stem. In geval van gemotiveerde onbeschikbaarheid van de voorzitter wordt het directiecomité voorgezeten door het oudste aanwezige lid. § 2. De Koning benoemt de directeur economische zaken en de directeur juridische zaken voor een hernieuwbaar mandaat van zes jaar bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na een examen inzake beroepsbekwaamheid, bedoeld in artikel IV.17, § 2. § 3. De directeur economische zaken en de directeur juridische zaken worden bij koninklijk besluit op rust gesteld ingeval zij wegens een ernstig en permanent gebrek hun ambt niet meer behoorlijk kunnen uitoefenen, en dit overeenkomstig artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel. Art. IV.25 Het directiecomité is onder meer belast met: 1° het organiseren en samenstellen van de dienst van de voorzitter, het auditoraat en het secretariaat;2° het vaststellen van richtsnoeren en bekendmakingen met betrekking tot de toepassing van de mededingingsregels en dit boek;3° het opstellen van een jaarlijkse nota waarin de beleidsprioriteiten van de Belgische Mededingingsautoriteit worden vastgesteld, na advies van de minister; 4° het uitoefenen van de bevoegdheden die door de artikelen IV.5, § 1, IV.7, § 2, IV.10, § 3, IV.15, IV.16, §§ 4 en 6, IV.69, § 2, vierde lid en IV.88 aan de Belgische Mededingingsautoriteit worden opgedragen; 5° het opstellen van het jaarlijks activiteitenverslag, dat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt medegedeeld. Onderafdeling 4 Auditeur-generaal en auditoraat Art. IV.26 § 1. De Koning benoemt de auditeur-generaal bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad voor een mandaat van zes jaar dat eenmaal kan worden hernieuwd. Om tot auditeur-generaal te worden benoemd, dient de kandidaat te voldoen aan de benoemingsvoorwaarden gesteld voor de voorzitter, bepaald in art. IV.17, § 3. In voorkomend geval wordt de uitoefening van de functie van auditeur-generaal beschouwd als een opdracht in de zin van artikel 323bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek. § 2. De auditeur-generaal wordt bij koninklijk besluit op rust gesteld ingeval hij wegens een ernstig en permanent gebrek zijn ambt niet meer behoorlijk kan uitoefenen, en dit overeenkomstig artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel. § 3. De auditeur-generaal is onder meer belast met de volgende opdrachten: 1° het leiden van het auditoraat;2° het ontvangen van de klachten, de verzoeken en de injuncties betreffende de restrictieve mededingingspraktijken; 3° het openen van het onderzoek in de gevallen bedoeld in artikel IV.39 en het bepalen van de volgorde waarin deze zaken worden onderzocht, na advies van de directeur economische zaken; 4° het ontvangen van de aanmeldingen van concentraties;5° het geven van algemene leiding aan het onderzoek door de auditeur en, in geval van tijdelijke gemotiveerde onbeschikbaarheid van de auditeur, tijdelijk de taak van auditeur vervullen in een zaak;6° het afgeven van opdrachtbevelen ingeval de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit de ambtenaren van de Europese Commissie bijstaan voor een door de Europese Commissie bevolen inspectie bij toepassing van Verordening (EG) nr.1/2003; 7° het toezien op de uitvoering van de door het Mededingingscollege, de auditeur en het Marktenhof genomen beslissingen inzake de mededingingsregels; 8° het vertegenwoordigen van de Belgische Mededingingsautoriteit in de procedures bedoeld in artikel IV.90, ingeval beroep wordt gebracht tegen een beslissing van de auditeur-generaal of de auditeur; de auditeur-generaal kan de vertegenwoordiging in een zaak delegeren aan de directeur juridische zaken, de auditeur of een personeelslid van het auditoraat; 9° het vragen van de verwijzing van een concentratie naar de Belgische Mededingingsautoriteit en het verwijzen van een concentratie naar de Europese Commissie bij toepassing van de artikelen 4 en 9, respectievelijk van artikel 22 van de Verordening (EG) nr.139/2004; 10° het starten en stopzetten van de schikkingsprocedure;11° het beëindigen van gesprekken met betrekking tot toezeggingen die worden aangeboden door een betrokken partij;12° het verzoeken van voorlopige maatregelen;13° het organiseren in het kader van de onderzoeken van een tegensprekelijke procedure waarbij een personeelslid van het auditoraat, dat niet behoort tot het onderzoeksteam, beslist of de documenten en de gegevens die zijn verkregen of gekopieerd in het kader van een huiszoeking:
- a)beschermd zijn ingevolge de bescherming van briefwisseling met en consultatie van advocaten of de confidentialiteit van adviezen van bedrijfsjuristen krachtens artikel 5 van de wet van 1 maart 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/03/2000 pub. 04/07/2000 numac 2000009248 bron ministerie van justitie Wet tot oprichting van een Instituut voor bedrijfsjuristen sluiten tot oprichting van een Instituut voor Bedrijfsjuristen;
- b)vallen binnen het toepassingsgebied van het opdrachtbevel tot huiszoeking. § 4. In geval van belangenconflict of gemotiveerde onbeschikbaarheid wordt de auditeur-generaal vervangen door het personeelslid van het auditoraat dat hij aanduidt of, bij gebreke daarvan, dat wordt aangeduid door het directiecomité. § 5. De auditeur-generaal mag geen enkele instructie ontvangen wat betreft de beslissingen die hij neemt in uitvoering van de opdrachten die hem door dit boek zijn opgedragen. § 6. De auditeur-generaal kan taken die behoren tot de opdrachten die hem door dit boek worden opgedragen, delegeren aan de auditeur. Art. IV.27 § 1. Een auditoraat wordt opgericht bij de Belgische Mededingingsautoriteit. Het auditoraat bestaat uit de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit die door het directiecomité aan deze dienst worden toegewezen. § 2. De auditeur-generaal wijst voor elke zaak een personeelslid van het auditoraat aan dat als auditeur met de dagelijkse leiding van het onderzoek wordt belast. De auditeur mag betreffende het onderzoek enkel instructies ontvangen van de auditeur-generaal. § 3. De auditeur-generaal stelt voor elke zaak een team van personeelsleden van het auditoraat samen dat met het onderzoek is belast onder zijn algemene leiding en de dagelijkse leiding van de auditeur. De leden van het onderzoeksteam kunnen betreffende dat onderzoek enkel instructies ontvangen van de auditeur-generaal en de auditeur. § 4. De auditeur-generaal wijst voor elke zaak een personeelslid van het auditoraat aan dat als auditeur-adviseur advies verleent aan de auditeur telkens wanneer de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 2, van dit boek voorzien in dergelijk advies. De auditeur-adviseur kan geen lid zijn of geweest zijn van het onderzoeksteam in de zaak en kan slechts worden vervangen in geval van belangenconflict of gemotiveerde onbeschikbaarheid. Art. IV.28 De auditeur is onder meer belast met: 1° het dagelijks leiden en organiseren van het onderzoek;2° het nemen van de beslissingen in de concentratiezaken die het voorwerp zijn van een vereenvoudigde procedure;3° het zich uitspreken op verzoek van de belanghebbende natuurlijke persoon of rechtspersoon of op eigen initiatief, over het vertrouwelijk karakter van de documenten en de gegevens die in de loop van het onderzoek aan de Belgische Mededingingsautoriteit zijn overgezonden of ter kennis gekomen;4° het afgeven van de opdrachtbevelen, met inbegrip van de opdrachtbevelen inzake huiszoeking, beslaglegging of verzegeling, behalve ingeval de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit de ambtenaren van de Europese Commissie bijstaan voor een door de Europese Commissie bevolen inspectie bij toepassing van Verordening (EG) 1/2003;5° het seponeren van klachten, verzoeken en injuncties;6° het stopzetten van het onderzoek;7° het nemen van schikkingsbeslissingen;8° het vaststellen van de grieven in zaken betreffende restrictieve mededingingspraktijken;9° het vaststellen van een voorstel van beslissing in zaken betreffende restrictieve mededingingspraktijken en in concentratiezaken;10° het verzoeken bij de bevoegde onderzoeksrechter van een voorafgaande machtiging tot huiszoeking. De auditeur kan alle handelingen verrichten ter volbrenging van zijn opdrachten, behalve wanneer dit boek deze handelingen aan de auditeur-generaal voorbehoudt. Onderafdeling 5 Secretariaat Art. IV.29 Het secretariaat staat, onder leiding en toezicht van de auditeur-generaal, het auditoraat bij. Het secretariaat is tevens belast met het uitvoeren, onder leiding en toezicht van de voorzitter, van de taken van een griffie voor de procedures voor het Mededingingscollege. Onderafdeling 6 Wraking en tucht Art. IV.30 De voorzitter, de assessor-ondervoorzitter, de voor een zaak aangeduide assessoren, de auditeur-generaal en de auditeur kunnen worden gewraakt om de redenen vermeld in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. De persoon die weet dat er een reden van wraking tegen hem bestaat, onthoudt zich. De wraking wordt ingediend door middel van een gemotiveerd verzoekschrift dat bij het secretariaat wordt ingediend. Het bevat de middelen en is ondertekend door de verzoekende partij of door haar bijzondere gemachtigde, in welk geval de bijzondere volmacht bij het verzoekschrift wordt gevoegd. Het verzoekschrift tot wraking wordt binnen vierentwintig uur door het secretariaat aan de gewraakte persoon overhandigd. Deze laatste geeft binnen twee dagen onderaan het verzoekschrift zijn schriftelijke verklaring met ofwel zijn instemming met de wraking ofwel zijn weigering zich te onthouden, met zijn antwoorden op de wrakingsmiddelen. In geval van weigering zich te onthouden, doet het Marktenhof er uitspraak over op verzoek van de wrakende partij. De wrakende partij dient haar gemotiveerd verzoek in op de griffie van het Hof van beroep te Brussel binnen twee werkdagen na de kennisgeving door het secretariaat van de schriftelijke verklaring van de gewraakte persoon. De wrakende partij en de gewraakte persoon worden gehoord. Het Marktenhof oordeelt volgens de procedure zoals in kortgeding en met voorrang boven alle andere zaken. Tegen dit arrest staat geen afzonderlijk cassatieberoep open. De procedure en de termijnen worden geschorst vanaf de indiening van het verzoekschrift tot wraking bij het secretariaat tot op de dag waarop de gewraakte persoon meedeelt zich te onthouden of waarop hij bevestigd of vervangen wordt na arrest van het Marktenhof. Art. IV.31 Het Marktenhof kan op vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, op gemotiveerde wijze aan de voorzitter, de assessor-ondervoorzitter, de assessoren, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken en de directeur juridische zaken een terechtwijzing, een blaam of een inhouding van wedde als tuchtrechtelijke sanctie opleggen. Het hof kan hen ook vervallen verklaren van hun ambt of hen schorsen. Onderafdeling 7 Beroepsgeheim, geheimhoudingsplicht en immuniteit Art. IV.32 § 1. De voorzitter, de assessor-ondervoorzitter, de assessoren, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken, de directeur juridische zaken en de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen, onder voorbehoud van de bepalingen van onderafdelingen 1 en 10 van afdeling 2 van dit hoofdstuk en van de koninklijke besluiten uitgevaardigd met toepassing van artikel IV.94, de vertrouwelijke gegevens en informatie waarvan zij wegens hun functie kennis hebben gekregen aan geen enkele persoon of autoriteit bekendmaken, behalve wanneer zij worden opgeroepen om in rechte te getuigen of om bewijsmateriaal over te leggen overeenkomstig de bepalingen van boek XVII, titel 3, hoofdstuk 3. Zij mogen deze gegevens en informatie enkel gebruiken voor het doel waarvoor deze gegevens en informatie werden ingewonnen. De auditeur-generaal kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, ingeval het openbaar belang dit vereist, informatie mededelen aangaande lopende onderzoeken. Hij waakt over de inachtneming van het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de betrokken partijen, het privéleven en de waardigheid van personen. Voor zover als mogelijk wordt de identiteit van de betrokken partijen niet bekendgemaakt. § 2. Het beroepsgeheim en de geheimhoudingsplicht bedoeld in paragraaf 1 gelden ook voor de vertegenwoordigers van de Belgische Mededingingsautoriteit en voor de deskundigen die deelnemen aan de vergaderingen van het adviescomité bedoeld in artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 1/2003, en in artikel 19 van de Verordening (EG) nr. 139/2004. Art. IV.33 Het is de Belgische Mededingingsautoriteit verboden gevolg te geven aan een bevel of verzoek van een rechter of rechtscollege tot overleggen van clementie- en immuniteitsverklaringen alsmede voorstellen die zijn gedaan met het oog op een schikking, behoudens toepassing van artikel XVII.79, § 1, 3°. Een gerechtelijke instantie, met inbegrip van een onderzoeksrechter, kan geen bevel of verzoek in die zin richten tot de Belgische Mededingingsautoriteit. Het eerste lid vindt geen toepassing in het geval van een strafrechtelijk onderzoek tegen personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit, leden van het directiecomité of assessoren. Art. IV.34 De voorzitter, de assessor-ondervoorzitter, de assessoren die zetelen in een zaak, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken, de directeur juridische zaken en de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit genieten bij de uitoefening van hun ambt van dezelfde immuniteiten als de rijksambtenaren. Onderafdeling 8 Onverenigbaarheden en belangenconflicten Art. IV.35 § 1. De functies van voorzitter, auditeur-generaal, directeur economische zaken, directeur juridische zaken en personeelslid van de Belgische Mededingingsautoriteit zijn onverenigbaar met de gerechtelijke functies, met de uitoefening van een openbaar mandaat toegekend door verkiezing op een ander niveau dan het lokale of provinciale niveau, met elke bezoldigde functie of openbaar ambt van politieke of administratieve aard, met de ambten van notaris en gerechtsdeurwaarder, met het beroep van advocaat, met de militaire status en met de functie van bedienaar van een erkende eredienst. § 2. De functies van assessor-ondervoorzitter en assessor zijn onverenigbaar met de uitoefening van een openbaar mandaat toegekend door verkiezing op een ander niveau dan het lokale of provinciale niveau, met elke bezoldigde functie of openbaar ambt van politieke of administratieve aard, met uitzondering van ambten in instellingen van hoger onderwijs, met de ambten van notaris en gerechtsdeurwaarder, met de militaire status en met de functie van bedienaar van een erkende eredienst. § 3. Van de eerste paragraaf mag worden afgeweken ingeval het de uitoefening betreft van het ambt van professor, docent, lector of assistent in de instellingen voor hoger onderwijs, voor zover dat ambt niet wordt uitgeoefend gedurende meer dan twee halve dagen per week. Van de eerste en tweede paragraaf mag worden afgeweken: 1° ingeval het de uitoefening betreft van de functie van lid van een examencommissie;2° ingeval het de deelname betreft aan een commissie, een raad of een adviescomité, voor zover het aantal opdrachten of functies beperkt is tot twee en het gaat om opdrachten of functies die onbezoldigd worden uitgeoefend. De afwijkingen bedoeld in het eerste en tweede lid worden toegekend door de voorzitter, en ingeval het hem betreft, door de minister. Art. IV.36 § 1. De voorzitter, de assessor-ondervoorzitter of assessoren die zetelen in een zaak, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken, de directeur juridische zaken en de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, mogen mondeling noch schriftelijk de betrokkenen in een zaak verdedigen of bijstaan; zij mogen hen ook geen consult geven. § 2. De voorzitter, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken, de directeur juridische zaken en de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit, alsmede iedereen die onder hun gezag werkt, mogen de volgende activiteiten niet uitoefenen: 1° bezoldigde arbitrage;2° hetzij persoonlijk, hetzij via een tussenpersoon enige vorm van handel drijven, zaakwaarnemer zijn of deelnemen aan de leiding of het bestuur van of het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsvestigingen. § 3. De voorzitter, de auditeur-generaal, de directeur economische zaken, de directeur juridische zaken, de personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit en de zetelende assessoren mogen geen persoonlijk of financieel belang hebben in de betrokken ondernemingen en de ondernemingen actief in de betrokken markten, die zij onderzoeken of ten aanzien van wie zij beslissen of deelnemen aan beslissingen, ingeval dit belang hun onpartijdigheid in gevaar zou kunnen brengen. In voorkomend geval dient de betrokkene zich te onthouden van elke tussenkomst in de zaak. Het eerste lid is tevens van toepassing ingeval van tewerkstelling, mandaat of andere opdracht bij of voor de betrokken ondernemingen en de ondernemingen actief in de betrokken markten, uitgevoerd gedurende een periode van drie jaar voorafgaand aan de voorgenomen tussenkomst in de zaak. Onderafdeling 9 Bijzondere raadgevende commissie Mededinging Art. IV.37 Er wordt in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven een paritaire raadgevende commissie opgericht die Bijzondere raadgevende commissie Mededinging wordt genoemd en die een adviserende bevoegdheid heeft voor alle algemene kwesties in verband met het mededingingsbeleid; zij oefent die bevoegdheid uit op eigen initiatief of op verzoek van de minister. Art. IV.38 De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging alsook van haar secretariaat. De voorzitter, de werkende leden en hun plaatsvervangers worden benoemd door de minister. De Koning bepaalt eveneens, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de vergoedingen toegekend aan de voorzitter en de leden van de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging alsook aan elke persoon die met de Bijzondere raadgevende commissie Mededinging dient samen te werken. Afdeling 2 Procedures en beslissingen Onderafdeling 1 Onderzoeksprocedure Art. IV.39 De auditeur-generaal beslist tot het openen van een onderzoek: 1° op verzoek van de aanmeldende partijen in het geval van een aangemelde concentratie; 2° ambtshalve of na een klacht van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die aantoont daarbij een rechtmatig belang te hebben, in het geval van een inbreuk op artikel IV.1, § 1, op artikel IV.1, § 4, op artikel IV.2, op artikel IV.10, § 1, op artikel IV.10, § 4, of in geval van niet-naleving van een beslissing genomen krachtens de artikelen IV.10, § 6, IV.44, § 1, 2°, IV.45, eerste lid, 2°, IV.46 § 2, 1°, IV.52, IV.66, IV.69, IV.71 of IV.73; 3° op verzoek of op injunctie van de minister; 4° op verzoek van de minister van Middenstand, van een geëigende openbare instelling of ander overheidslichaam, belast met het toezicht of de controle op een economische sector in het geval van een inbreuk op artikel IV.1, § 1, op artikel IV.2 of op artikel IV.10, § 1; 5° ambtshalve of op verzoek van de minister met het oog op het nemen van een koninklijk besluit tot groepsgewijze ontheffing van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op grond van artikel IV.5. Art. IV.40 § 1. Ter vervulling van zijn opdrachten, kan de auditeur alle noodzakelijke inlichtingen inwinnen bij de ondernemingen, de ondernemingsverenigingen en de natuurlijke personen. Hij bepaalt de termijn binnen welke deze inlichtingen hem moeten worden medegedeeld. De auditeur kan het inwinnen van inlichtingen opdragen aan leden van het onderzoeksteam. Het verzoek om inlichtingen vermeldt de rechtsgrond en het doel van het verzoek. Ingeval de gevraagde inlichtingen niet binnen de gestelde termijn worden verstrekt of indien de verstrekte inlichtingen onvolledig, onjuist of verdraaid zijn, kan de auditeur de inlichtingen bij een gemotiveerde beslissing eisen. Deze beslissing omschrijft de gevraagde inlichtingen en bepaalt binnen welke termijn ze moeten worden verstrekt. Ingeval de beslissing tot eisen van inlichtingen gericht is tot een van de bij de concentratie betrokken partijen, schorst zij de in de artikelen IV.64, § 2, IV.66, § 3, IV.67, § 2, IV.69, § 2, en IV.70, § 6, bedoelde termijnen tot de dag waarop de inlichtingen worden verstrekt. De beslissing wordt door de auditeur ter kennis gebracht van de onderneming, de ondernemingsvereniging of de natuurlijke persoon van wie de inlichtingen worden geëist. Deze beslissing is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep. § 2. Onverminderd de bevoegdheden van de politieambtenaren van de lokale en federale politie zijn de auditeur en de door de minister gemachtigde personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit bevoegd om inbreuken op dit boek op te sporen en om deze inbreuken vast te stellen bij processen-verbaal waarvan die feitelijke vaststellingen gelden als bewijs tot het tegendeel is bewezen. Zij zijn eveneens bevoegd om alle nuttige inlichtingen op te sporen en om alle noodzakelijke vaststellingen te doen met het oog op de toepassing van de artikelen IV.6, IV.7, IV.9, IV.10 en IV.11. Zij verzamelen alle inlichtingen, nemen alle geschreven of mondelinge verklaringen of getuigenissen af, doen zich, met naleving van paragraaf 1, alle documenten, gegevens of inlichtingen, wie ook de houder ervan is, mededelen, die zij nodig achten ter vervulling van hun opdracht en waarvan zij kopie mogen nemen, en doen ter plaatse de nodige vaststellingen. § 3. De auditeur en de door de minister gemachtigde personeelsleden van de Belgische Mededingingsautoriteit mogen tussen 8 en 18 uur, met voorafgaande machtiging van een onderzoeksrechter in de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel of een onderzoeksrechter in de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, die voor de toepassing van deze paragraaf ook bevoegd is buiten zijn arrondissement, een huiszoeking verrichten in de lokalen, vervoermiddelen en andere plaatsen van de ondernemingen, in de woning van de ondernemingshoofden, bestuurders, zaakvoerders, directeurs en andere personeelsleden alsook in de woning en in de lokalen die gebruikt worden voor professionele doeleinden van natuurlijke personen en rechtspersonen, intern of extern, belast met het commercieel, boekhoudkundig, administratief, fiscaal en financieel beheer, waar zij redelijkerwijze vermoeden documenten of gegevens te kunnen vinden, die zij voor het vervullen van hun opdracht nodig achten en waarvan zij kopie mogen nemen. Zij kunnen bij het verrichten van een huiszoeking ter plaatse beslag leggen en verzegelen voor de duur van, en voor zover nodig voor, hun opdracht maar niet langer dan 72 uur in andere lokalen dan deze van de ondernemingen of ondernemingsverenigingen. De bij toepassing van het eerste en tweede lid genomen maatregelen worden vastgesteld in een proces-verbaal. Een kopie van dit proces-verbaal wordt bezorgd aan de onderneming of persoon ten aanzien van wie deze maatregelen zijn getroffen. Bij het verrichten van een huiszoeking kunnen zij een beroep doen op de openbare macht. Om over te gaan tot een huiszoeking, een beslaglegging of een verzegeling, moeten de in het eerste lid bedoelde personeelsleden houder zijn van een bijzonder opdrachtbevel afgegeven door de auditeur, of, in het geval bedoeld in artikel IV.26, § 3, 6°, de auditeur-generaal. Dit bevel vermeldt het voorwerp en het doel van hun opdracht. § 4. Ongeacht de bijzondere wetten, die de geheimhouding van de mededelingen waarborgen, zijn de openbare besturen de auditeurs bij de uitvoering van hun opdracht behulpzaam. § 5. De auditeur-generaal kan deskundigen, van wie hij de opdracht bepaalt, aanstellen om bijstand te verlenen aan de auditeur en het onderzoeksteam. § 6. De auditeur kan bij gemotiveerde beslissing de documenten en gegevens die geen verband houden met het voorwerp van de zaak teruggeven aan de persoon van wie of bij wie zij waren verkregen of gekopieerd en deze documenten en gegevens verwijderen uit het onderzoeksdossier. De beslissing wordt opgenomen in het onderzoeksdossier. Zij is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep. Art. IV.41 § 1. De auditeur beoordeelt de vertrouwelijkheid van de documenten en gegevens afzonderlijk ten aanzien van elke persoon die kennis krijgt van de mededeling van grieven en van het voorstel van beslissing. § 2. Ingeval de auditeur van oordeel is dat ten aanzien van een betrokken partij, documenten of gegevens, of onderdelen daarvan, die door degene die hen heeft verstrekt of bij wie zij werden verkregen als vertrouwelijk zijn aangemerkt, niet als vertrouwelijk kunnen worden beschouwd, brengt hij deze persoon hiervan op de hoogte en nodigt hij hem uit om hierover een gemotiveerd standpunt mee te delen binnen de door de auditeur bepaalde termijn. Ingeval de persoon van of bij wie het document of het gegeven is verkregen de vertrouwelijkheid gestand houdt en motiveert, bezorgt hij tezelfdertijd een niet-vertrouwelijke samenvatting of versie van het betreffende document voor zover zich dit nog niet in het dossier bevindt. Ingeval geen niet-vertrouwelijke samenvatting of versie wordt verstrekt, worden de betrokken documenten en gegevens als niet-vertrouwelijk beschouwd. De auditeur spreekt zich vervolgens uit bij gemotiveerde beslissing. § 3. Ingeval de auditeur de vertrouwelijkheid ten aanzien van een betrokken partij aanvaardt, heeft die partij enkel toegang tot de niet-vertrouwelijke versie of samenvatting, behoudens toepassing van het derde lid. Ingeval de auditeur de vertrouwelijkheid van een document of gegeven of de niet-vertrouwelijke versie of samenvatting niet aanvaardt, deelt hij dit, met vermelding van zijn redenen, mee aan de persoon van of bij wie het document of het gegeven is verkregen. De auditeur kan beslissen dat het belang van een effectieve toepassing van dit boek zwaarder weegt dan de bescherming van het vertrouwelijk karakter van de verstrekte documenten of gegevens zodat de vertrouwelijkheid wordt opgeheven ten aanzien van de betrokken partijen die hij aanwijst. De auditeur deelt zijn gemotiveerde beslissing mee aan de persoon van of bij wie het document of gegeven is verkregen. § 4. De auditeur kan, in het belang van het onderzoek, beslissen dat bepaalde documenten en gegevens die hij aanwijst, als vertrouwelijk moeten worden behandeld. Hij deelt dit mee aan de persoon van of bij wie het document of het gegeven is verkregen en gelast deze persoon om een niet-vertrouwelijke versie of samenvatting te verstrekken. § 5. Tegen de beslissing van de auditeur over de vertrouwelijkheid van de documenten en de gegevens kan door de persoon van of bij wie het document of het gegeven is verkregen beroep worden ingediend bij de voorzitter binnen drie werkdagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing. De voorzitter wijst, zonder kennis te nemen van de gronden van het beroep, een assessor aan die oordeelt over de vertrouwelijkheid en geen zitting mag hebben in het Mededingingscollege dat gevat wordt door de zaak. De aangewezen assessor hoort, op hun verzoek, de persoon van of bij wie het document of het gegeven is verkregen evenals de auditeur binnen vijf werkdagen na ontvangst van het beroep, en spreekt zich bij gemotiveerde beslissing binnen vijf werkdagen na de hoorzitting uit over het beroep. De termijnen van vijf werkdagen worden verminderd tot twee werkdagen indien het een onderzoek inzake een concentratie betreft. De beslissing van de aangewezen assessor wordt opgenomen in het onderzoeksdossier, na verwijdering van de vertrouwelijke gegevens. De beslissing van de aangewezen assessor is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep. De auditeur deelt geen vertrouwelijke documenten en gegevens, die het voorwerp zijn van het in het eerste lid bedoelde beroep, mee zolang er geen uitspraak is over het beroep. Art. IV.42 § 1. De auditeur stelt, na de regeling van de vertrouwelijkheid, het onderzoeksdossier samen. Het onderzoeksdossier bevat alle documenten en gegevens die zijn ontvangen, verkregen, gekopieerd, overgelegd of verzameld tijdens het onderzoek alsmede alle documenten die zijn opgesteld door of op verzoek van de Belgische Mededingingsautoriteit, met uitzondering van de documenten en gegevens die werden verwijderd bij toepassing van artikel IV.40, § 6. Het onderzoeksdossier bevat niet de interne documenten van de Belgische Mededingingsautoriteit noch de correspondentie tussen de Belgische Mededingingsautoriteit en andere mededingingsautoriteiten, behoudens andersluidende beslissing van de auditeur. De auditeur stelt de inventaris op van het onderzoeksdossier met opgave van de vertrouwelijkheidsregeling van elk document. De inventaris maakt deel uit van het onderzoeksdossier. § 2. De auditeur stelt ook het proceduredossier samen. Het proceduredossier bevat de documenten en gegevens uit het onderzoeksdossier waarop de auditeur steunt in zijn voorstel van beslissing. De auditeur stelt de inventaris op van het proceduredossier met opgave van de vertrouwelijkheidsregeling van elk document. De inventaris maakt deel uit van het proceduredossier. § 3. Het secretariaat vult het proceduredossier, alsmede de inventaris ervan, aan met alle documenten van de procedure voor het Mededingingscollege, onder meer: 1° alle documenten die worden ingediend bij het Mededingingscollege;2° de door het Mededingingscollege, de voorzitter van het Mededingingscollege of een assessor gevoerde briefwisseling met de auditeur-generaal, de auditeur, de betrokken partijen, de klager, de belanghebbende derden of derden die door het Mededingingscollege worden gehoord of uitgenodigd documenten en geschriften in te dienen;3° de door het Mededingingscollege, de voorzitter van het Mededingingscollege of een assessor in de zaak genomen beslissingen en eventuele aanvullingen, wijzigingen en uitvoeringsakten daarvan. Het secretariaat geeft de betrokken partijen toegang tot het proceduredossier en de geactualiseerde inventaris ervan, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsclassificatie van de betrokken documenten en gegevens. Onderafdeling 2 Bijzondere onderzoeksregels inzake restrictieve mededingingspraktijken en niet-naleving van beslissingen Art. IV.43 De klachten alsmede de verzoeken en injuncties tot het openen van een onderzoek betreffende de restrictieve mededingingspraktijken en het niet-naleven van beslissingen genomen krachtens de artikelen IV.10, § 6, IV.44, § 1, 2°, IV.45, eerste lid, 2°, IV.46, § 2, 1°, IV.52, IV.66, IV.69, IV.71 of IV.73 worden ingediend bij de auditeur-generaal. Art. IV.44 § 1. De auditeur kan, na advies van de auditeur-adviseur, een klacht, verzoek of injunctie bij gemotiveerde beslissing seponeren: 1° ingeval hij tot het besluit komt dat de klacht, het verzoek of de injunctie, betreffende de restrictieve mededingingspraktijk of de niet-naleving van een beslissing die er het voorwerp van is niet ontvankelijk, ongegrond of verjaard is;2° ingeval hij tot het besluit komt dat de door de betrokken partij aangeboden toezeggingen, die hij verbindend verklaart, tegemoetkomen aan zijn bezorgdheden, onverminderd de mogelijkheid voor de auditeur-generaal om het onderzoek opnieuw op te starten ten aanzien van die betrokken partij op grond van nieuwe elementen of ontwikkelingen;3° ingeval de zaak geen onderzoek rechtvaardigt gelet op het prioriteitenbeleid of de beschikbare middelen. Een sepotbeslissing laat de bevoegdheid van de rechterlijke instanties om het bestaan van restrictieve mededingingspraktijken voor het verleden vast te stellen onverlet. De toezeggingen houden geen nadelige erkenning in door de betrokken partij. De auditeur geeft kennis van de sepotbeslissing aan de indiener van de klacht, het verzoek of de injunctie, alsmede aan de betrokken partijen. Hij vermeldt dat zij de documenten en gegevens uit het onderzoeksdossier waarop de auditeur steunt in zijn sepotbeslissing op het secretariaat kunnen raadplegen, tegen betaling een elektronische kopie ervan kunnen ontvangen en tegen de sepotbeslissing beroep kunnen instellen bij de voorzitter. § 2. Het beroep tegen sepotbeslissingen wordt, op straffe van niet ontvankelijkheid, ingesteld door middel van een gemotiveerd en ondertekend verzoekschrift dat wordt ingediend bij het secretariaat binnen een termijn van één maand na de kennisgeving van de beslissing. Het verzoekschrift beantwoordt, op straffe van nietigheid, aan de vereisten van artikel IV.90, § 5, tweede en derde lid. § 3. De voorzitter stelt het Mededingingscollege samen dat het beroep zal behandelen. De voorzitter van het Mededingingscollege stelt de termijnen vast waarbinnen de betrokken partijen, de klager, de verzoeker of injunctiegever schriftelijke opmerkingen kunnen neerleggen. Hij spreekt zich in voorkomend geval uit over de vertrouwelijkheid van de documenten en gegevens. In geval van een sepotbeslissing op grond van het prioriteitenbeleid of de beschikbare middelen kan de voorzitter van het Mededingingscollege, op vraag van de appellerende partij, en mits daartoe ernstige redenen worden aangevoerd, beslissen dat de auditeur zijn motivering dient te verduidelijken alvorens het Mededingingscollege uitspraak doet over het beroep. Het Mededingingscollege doet uitspraak op stukken, tenzij de voorzitter van het Mededingingscollege beslist de partijen te horen. Ingeval het Mededingingscollege het beroep gegrond acht, wordt het dossier teruggezonden aan de auditeur. De beslissing van het Mededingingscollege is niet vatbaar voor beroep. Art. IV.45 De auditeur kan, na advies van de auditeur-adviseur, beslissen dat een ambtshalve onderzoek geheel of gedeeltelijk wordt stopgezet ten aanzien van bepaalde of alle betrokken partijen: 1° ingeval hij tot het besluit komt dat de resultaten van het ambtshalve gevoerd onderzoek niet volstaan om op afdoende wijze het bestaan van een vermeende restrictieve mededingingspraktijk of niet-naleving van een beslissing vast te stellen;2° ingeval hij tot het besluit komt dat de door een betrokken partij aangeboden toezeggingen, die hij bindend verklaart, tegemoetkomen aan zijn bezorgdheden. De auditeur-generaal kan het onderzoek opnieuw opstarten ten aanzien van een betrokken partij op grond van nieuwe elementen of ontwikkelingen. De beslissing tot stopzetten van het ambtshalve onderzoek laat de bevoegdheid van de rechterlijke instanties om het bestaan van restrictieve mededingingspraktijken voor het verleden vast te stellen onverlet. De toezeggingen houden geen nadelige erkenning in door de betrokken partij. De beslissing tot stopzetting van het ambtshalve onderzoek is niet vatbaar voor beroep. Art. IV.46 § 1. Ingeval de auditeur de klacht, het verzoek, de injunctie, of het ambtshalve onderzoek, gegrond acht, deelt hij, na advies van de auditeur-adviseur, de betrokken partijen mee welke gemotiveerde grieven hij jegens hen aanhoudt en geeft hij hun toegang tot alle niet-vertrouwelijke versies van de documenten en gegevens in het onderzoeksdossier zoals het is samengesteld op het ogenblik van de mededeling van de grieven. Hij geeft hun een termijn van ten minste twee maanden om op de grieven te antwoorden en hun stukken in te dienen bij het secretariaat. De auditeur kan deze termijn verlengen op gemotiveerd verzoek van een betrokken partij. Ingeval een betrokken partij, binnen twee werkdagen na de mededeling van de grieven, om een elektronische kopie verzoekt van het onderzoeksdossier begint de in het eerste lid bedoelde termijn te lopen vanaf de dag waarop de kopie ter beschikking is gesteld door het secretariaat. De grieven jegens een betrokken partij kunnen niet steunen op documenten en gegevens die ten aanzien van haar vertrouwelijk zijn. Een betrokken partij kan binnen de in het eerste lid bedoelde antwoordtermijn toezeggingen aanbieden. § 2. De auditeur kan binnen een termijn van twee maanden vanaf het verstrijken van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde antwoordtermijn, na advies van de auditeur-adviseur beslissen het onderzoek geheel of gedeeltelijk stop te zetten ten aanzien van een betrokken partij: 1° ingeval hij tot het besluit komt dat de door de betrokken partij aangeboden toezeggingen, die hij bindend verklaart, tegemoetkomen aan de grieven;2° ingeval hij na kennisname van het verweer, tot het besluit komt dat de grieven ten aanzien van een betrokken partij niet langer stand houden. De auditeur geeft kennis van de stopzettingsbeslissing aan de indiener van de klacht, het verzoek of de injunctie, alsmede aan de betrokken partijen. Hij vermeldt dat zij de documenten en gegevens uit het onderzoeksdossier waarop de auditeur steunt in zijn stopzettingsbeslissing op het secretariaat kunnen raadplegen, tegen betaling een elektronische kopie ervan kunnen ontvangen en tegen de stopzettingsbeslissing beroep kunnen instellen bij de voorzitter. Het beroep tegen stopzettingsbeslissingen wordt, op straffe van niet ontvankelijkheid, ingesteld door middel van een gemotiveerd en ondertekend verzoekschrift dat wordt ingediend bij het secretariaat binnen een termijn van één maand na de kennisgeving van de beslissing. Het verzoekschrift beantwoordt, op straffe van nietigheid, aan de vereisten van artikel IV.90, § 5, tweede en derde lid. De voorzitter stelt het Mededingingscollege samen dat het beroep zal behandelen. De voorzitter van het Mededingingscollege stelt de termijnen vast waarbinnen de betrokken partijen, de klager, de verzoeker of injunctiegever schriftelijke opmerkingen kunnen neerleggen. Hij spreekt zich in voorkomend geval uit over de vertrouwelijkheid van de documenten en gegevens. Het Mededingingscollege doet uitspraak op stukken, tenzij de voorzitter van het Mededingingscollege beslist de partijen te horen. Ingeval het Mededingingscollege het beroep gegrond acht, wordt het dossier teruggezonden aan de auditeur. De beslissing van het Mededingingscollege is niet vatbaar voor beroep. De beslissing tot stopzetten van het onderzoek laat de bevoegdheid van de rechterlijke instanties om het bestaan van restrictieve mededingingspraktijken voor het verleden vast te stellen onverlet. De toezeggingen houden geen nadelige erkenning in door de betrokken partij. De auditeur-generaal kan het onderzoek ambtshalve opnieuw opstarten ten aanzien van een betrokken partij op grond van nieuwe elementen of ontwikkelingen. § 3. De auditeur kan binnen een termijn van twee maanden vanaf het verstrijken van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde antwoordtermijn, beslissen nieuwe grieven te brengen of de eerder gebrachte grieven te herkwalificeren. In dat geval wordt opnieuw toepassing gemaakt van paragraaf 1 en, in voorkomend geval, paragraaf 2. § 4. Binnen een termijn van twee maanden vanaf het verstrijken van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde antwoordtermijn legt de auditeur na advies van de auditeur-adviseur, op straffe van verval, een gemotiveerd voorstel van beslissing neer bij de voorzitter, behoudens toepassing van paragrafen 2 of 3. Het voorstel van beslissing heeft enkel betrekking op grieven die het voorwerp waren van de mededeling van grieven. Het voorstel van beslissing is vergezeld van het proceduredossier. De termijn bedoeld in het eerste lid wordt geschorst ingeval binnen die termijn een schikkingsprocedure wordt ingezet of toezeggingen worden aangeboden, tot op de dag van de beslissing van de auditeur-generaal dat de schikkingsprocedure of de gesprekken met betrekking tot toezeggingen worden stopgezet. Art. IV.47 Het directiecomité kan op verzoek van de voorzitter, van de minister of van de minister die de betrokken sector onder zijn bevoegdheid heeft, beslissen dat de voorzitter een algemeen of sectoraal onderzoek voert ingeval er aanwijzingen zijn van marktverstoringen. In voorkomend geval kan de voorzitter de auditeur-generaal vragen dat het auditoraat zijn medewerking verleent aan een algemeen of sectoraal onderzoek. De bepalingen van artikel IV.40, §§ 1 en 2, en van artikel IV.41 zijn van overeenkomstige toepassing op het onderzoek. Onderafdeling 3 Beslissing inzake restrictieve mededingings- praktijken en niet-naleving van beslissingen Art. IV.48 Na ontvangst van het voorstel van beslissing stelt de voorzitter zonder verwijl het Mededingingscollege samen dat de zaak zal behandelen. Hij bezorgt het Mededingingscollege het voorstel van beslissing alsmede, na het verstrijken van de in artikel IV.49, § 5, eerste lid, bedoelde termijn en in voorkomend geval rekening houdend met de beslissing bedoeld in artikel IV.49, § 5, tweede lid, het proceduredossier. Art. IV.49 § 1. Op dezelfde dag als het indienen van het voorstel van beslissing brengt de auditeur de betrokken partijen hiervan op de hoogte en stuurt hun een kopie van het voorstel van beslissing. Hij brengt hen ter kennis dat zij op het secretariaat inzage kunnen nemen van het onderzoeksdossier en het proceduredossier en tegen betaling een elektronische kopie ervan kunnen krijgen. Het secretariaat brengt de klager, de verzoeker of de minister op de hoogte van het indienen van het voorstel van beslissing. § 2. Zo de voorzitter van het Mededingingscollege dit nodig acht, krijgen de klager en de derden die het Mededingingscollege zal horen een niet-vertrouwelijke versie van het voorstel van beslissing of van een uittreksel daarvan. De auditeur nodigt de betrokken partijen uit om de in het voorstel van beslissing opgenomen vertrouwelijke passages aan te stippen met het oog op het toezenden van een niet-vertrouwelijke versie van het voorstel of een uittreksel daarvan aan de klager en de derden die het Mededingingscollege zal horen. De auditeur stelt vervolgens de niet-vertrouwelijke versie vast. Zijn beslissing is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep. De klager en de derden die het Mededingingscollege zal horen, hebben geen toegang tot het onderzoeksdossier en het proceduredossier, tenzij de voorzitter van het Mededingingscollege hiertoe betreffende het proceduredossier een andersluidende beslissing neemt voor de stukken van het proceduredossier die hij aanduidt, onverminderd de artikelen XVII.77, XVII.78 en XVII.79. § 3. De betrokken partijen beschikken over een termijn van één maand vanaf de dag waarop zij toegang hebben gekregen tot het onderzoeksdossier en het proceduredossier om hun schriftelijke opmerkingen en de stukken die zij aan het proceduredossier wensen toe te voegen in te dienen op het secretariaat, met mededeling aan de auditeur op dezelfde dag. Ingeval een betrokken partij, binnen twee werkdagen na de mededeling van het voorstel van beslissing, om een elektronische kopie verzoekt van het onderzoeksdossier en het proceduredossier, begint de in het eerste lid bedoelde termijn te lopen vanaf de dag waarop de kopie ter beschikking is gesteld door het secretariaat. De voorzitter van het Mededingingscollege verlengt de in het eerste lid bedoelde termijn op gemotiveerde vraag van een betrokken partij of de auditeur ingeval hij dit nodig acht en voor een termijn die niet langer is dan de gevraagde termijn. Ingeval een betrokken partij een stuk indient dat zij niet had neergelegd tijdens het onderzoek, stelt de voorzitter van het Mededingingscollege een termijn vast waarbinnen de auditeur schriftelijke opmerkingen kan indienen betreffende dat stuk alsmede een termijn waarbinnen de betrokken partij kan antwoorden op deze schriftelijke opmerkingen. De auditeur kan toepassing maken van artikel IV.40, § 1, bij de voorbereiding van zijn schriftelijke opmerkingen. § 4. De voorzitter van het Mededingingscollege beslist over de toegang die een betrokken partij vraagt tot de schriftelijke opmerkingen en de bijkomende stukken die werden ingediend door een andere betrokken partij. Hij bepaalt de termijn waarbinnen de andere betrokken partij een schriftelijke repliek kan indienen op dit verzoek. Hij spreekt zich in zijn gemotiveerde beslissing uit over de vertrouwelijkheid van gegevens in de schriftelijke opmerkingen en van de stukken van de andere betrokken partij. Zijn beslissing is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep. § 5. Ingeval de auditeur de vertrouwelijkheid van een document of gegeven ten aanzien van een betrokken partij heeft aanvaard, kan die partij, indien zij zich geschaad acht in haar recht van verdediging, tegen de beslissing betreffende de vertrouwelijkheid van de auditeur beroep instellen bij de voorzitter van het Mededingingscollege. Het beroep wordt gebracht binnen vijf werkdagen nadat de betrokken partij toegang heeft gekregen tot het onderzoeksdossier en het proceduredossier, in voorkomend geval de elektronische kopie daarvan. De voorzitter van het Mededingingscollege wijst, zonder kennis te nemen van het betrokken document of gegeven noch van de gronden van het beroep, een assessor aan die geen deel uitmaakt van het Mededingingscollege. De aangewezen assessor hoort de verzoeker, de auditeur en de persoon van of bij wie het document of het gegeven is verkregen. Hij spreekt zich uit bij gemotiveerde beslissing binnen tien werkdagen na het indienen van het beroep. De assessor vernietigt de beslissing van de auditeur geheel of gedeeltelijk ingeval de kennisneming door het Mededingingscollege of bepaalde betrokken partijen de rechten van verdediging van de andere betrokken partij, die het beroep heeft gebracht, in het gedrang zou brengen. In dat geval wordt het betrokken document of gegeven verwijderd uit het onderzoeksdossier en het proceduredossier en vervangen door de niet-vertrouwelijke versie of samenvatting ervan, tenzij de persoon van of bij wie het document of het gegeven is verkregen afstand doet van de vertrouwelijkheid. De beslissing van de assessor is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep. § 6. De voorzitter van het Mededingingscollege kan een termijn, binnen de in paragraaf 3 bedoelde termijn, bepalen waarbinnen de klager of derden die het Mededingingscollege zal horen, schriftelijke opmerkingen en stukken kunnen indienen. De voorzitter van het Mededingingscollege bepaalt tevens een termijn waarbinnen de auditeur en de betrokken partijen een schriftelijke repliek kunnen indienen. Ingeval de klager en derden die het Mededingingscollege zal horen vertrouwelijke documenten en gegevens aan het Mededingingscollege wensen mee te delen, wijst de voorzitter van het Mededingingscollege een assessor aan die geen deel uitmaakt van het Mededingingscollege en die zich uitspreekt over de vertrouwelijkheid bij overeenkomstige toepassing van de procedure bedoeld in artikel IV.41, §§ 1 tot 4. Ingeval de kennisneming door het Mededingingscollege of een betrokken partij de rechten van verdediging van een andere betrokken partij in het gedrang zou brengen, beslist de assessor dat het betrokken document of gegeven niet wordt opgenomen in het proceduredossier en wordt vervangen door de niet-vertrouwelijke versie of samenvatting. De beslissing van de assessor is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep. § 7. De betrokken partijen, de klager, de derden die het Mededingingscollege zal horen alsmede de auditeur doen mekaar rechtstreeks mededeling per e-mail van hun schriftelijke opmerkingen en stukken, op dezelfde dag als de indiening ervan op het secretariaat. Art. IV.50 § 1. Na ontvangst van de schriftelijke opmerkingen en stukken of het verstrijken van de termijn waarin schriftelijke opmerkingen en stukken kunnen worden neergelegd, verklaart de voorzitter van het Mededingingscollege de schriftelijke procedure gesloten en organiseert hij zonder verwijl een zitting van het Mededingingscollege. Deze zitting vindt plaats ten minste twee weken en ten hoogste twee maanden na het sluiten van de schriftelijke procedure. § 2. Het Mededingingscollege behandelt elke zaak ter zitting. Het hoort de auditeur-generaal en/of de auditeur, de betrokken partijen, alsook de klager en belanghebbende derden ingeval deze erom vragen. Ingeval het Mededingingscollege het nodig acht, hoort het elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die het oproept. Het hoort tevens de derden die een voldoende belang doen blijken en vragen om gehoord te worden. Voor de economische sectoren die onder de controle of het toezicht van een geëigende openbare instelling of ander overheidslichaam zijn geplaatst, worden deze instellingen of overheidslichamen geacht een voldoende belang te hebben. De minister wordt geacht een voldoende belang te hebben. De directeur juridische zaken en de directeur economische zaken worden op hun verzoek gehoord. Het niet verschijnen van de opgeroepen partijen of personen, of van hun mandataris, doet geen afbreuk aan de geldigheid van de procedure. § 3. De voorzitter van het Mededingingscollege kan beslissen meer dan één zitting te organiseren binnen de maximumtermijn bedoeld in paragraaf 1. Ingeval een bijkomende zitting alsnog overbodig blijkt, kan het Mededingingscollege in zijn beslissing het sluiten van de debatten vaststellen. § 4. Een betrokken partij kan toezeggingen aanbieden om tegemoet te komen aan de bezorgdheden van het Mededingingscollege, uiterlijk de derde werkdag na de eerste zitting. Het Mededingingscollege kan de auditeur vragen schriftelijke opmerkingen in te dienen betreffende de aangeboden toezeggingen. In dat geval kan de betrokken partij schriftelijk antwoorden op deze schriftelijke opmerkingen. De auditeur kan toepassing maken van artikel IV.40, § 1, bij de voorbereiding van zijn schriftelijke opmerkingen. Het Mededingingscollege bepaalt de termijnen voor het indienen van de schriftelijke opmerkingen en van het antwoord. Het Mededingingscollege kan beslissen de betrokken partij en de auditeur te horen. Ingeval van toepassing van het eerste lid kan de voorzitter van het Mededingingscollege de maximumtermijn van twee maanden bedoeld in paragraaf 1 verlengen met ten hoogste één maand. Art. IV.51 Het Mededingingscollege neemt zijn beslissing binnen een termijn van één maand na het sluiten van de debatten. Ingeval de voorgenomen beslissing de raadpleging vereist van de Europese Commissie wordt de in het eerste lid bedoelde termijn geschorst, vanaf het versturen van het ontwerp van beslissing tot op de dag waarop de Belgische Mededingingsautoriteit de opmerkingen van de Europese Commissie ontvangt. Art. IV.52 § 1. Het Mededingingscollege kan bij een gemotiveerde beslissing: 1° verklaren dat, op grond van de gegevens die het Mededingingscollege bekend zijn, er voor het Mededingingscollege geen reden bestaat om op te treden; 2° vaststellen dat er een restrictieve mededingingspraktijk en in voorkomend geval een inbreuk op artikel IV.1, § 4, bestaat, bevelen dat deze beëindigd wordt, desgevallend volgens de door het Mededingingscollege voorgeschreven modaliteiten, en in voorkomend geval een boete opleggen; 3° vaststellen dat er geen restrictieve mededingingspraktijk bestaat, voor zover er geen enkele beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten van de Europese Unie bestaat; 4° vaststellen dat de overeenkomst tussen ondernemingen, het besluit van de ondernemingsvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedraging, waarop het onderzoek betrekking had, het voorwerp uitmaakt van een verordening van de Raad van de Europese Unie of een verordening van de Europese Commissie waarbij artikel 101, § 1, VWEU buiten toepassing is verklaard of van een koninklijk besluit in de zin van artikel IV.5 en beslissen tot seponering; 5° vaststellen dat de werking van artikel IV.3, tweede lid, of de werking van een koninklijk besluit in de zin van de artikelen IV.4 en IV.5 in een individueel geval vervalt, ingeval de betrokken restrictieve mededingingspraktijk met artikel IV.1, § 3, onverenigbare gevolgen heeft; 6° vaststellen dat de werking van een verordening in de zin van artikel IV.3, eerste lid, in een individueel geval vervalt, ingeval de betrokken restrictieve mededingingspraktijk met artikel 101, § 3, VWEU onverenigbare gevolgen heeft op het nationale grondgebied of een gedeelte daarvan, welk gebied alle kenmerken vertoont van een afzonderlijke geografische markt; 7° de aangeboden toezeggingen verbindend verklaren en vaststellen dat er niet langer gronden bestaan voor een optreden van de Belgische Mededingingsautoriteit;deze beslissing laat de bevoegdheid van de rechterlijke instanties, om het bestaan van restrictieve mededingingspraktijken voor het verleden vast te stellen, onverlet; de toezeggingen houden geen nadelige erkenning in door de betrokken partij; 8° vaststellen dat een beslissing genomen krachtens de artikelen IV.10, § 6, IV.44, § 1, 2°, IV.45, eerste lid, 2°, IV.46, § 2,1°, IV.52, IV.66, IV.69, IV.71 of IV.73 al of niet werd nageleefd en in voorkomend geval bevelen dat de betrokken beslissing, eventueel zoals gewijzigd door het Mededingingscollege, moet worden nageleefd volgens de door het Mededingingscollege voorgeschreven modaliteiten en een boete opleggen. In geval van het niet-naleven van een krachtens artikel IV.69, § 1, opgelegde voorwaarde, waarvan in de betrokken beslissing was gesteld dat bij ontbreken van die voorwaarde de concentratie niet toelaatbaar zou zijn, kan het Mededingingscollege met het oog op het herstellen van een daadwerkelijke mededinging tevens de splitsing van de gegroepeerde ondernemingen of activa, het stopzetten van de gemeenschappelijke controle of elke andere geëigende maatregel opleggen. § 2. De beslissing van het Mededingingscollege over de grond van de zaak kan ten aanzien van een betrokken partij niet steunen op documenten en gegevens die als vertrouwelijk werden erkend ten aanzien van die partij. Art. IV.53 De auditeur-generaal kan de procedure van onderzoek en beslissing heropenen op verzoek of op eigen initiatief: 1° ingeval er een wezenlijke verandering optreedt in een van de feiten waarop de beslissing steunt;2° ingeval de betrokken partijen in strijd met de door hen gedane toezeggingen handelen;of 3° ingeval de beslissing berust op onvolledige, onjuiste of verdraaide inlichtingen, die door de betrokken partijen werden verstrekt. Art. IV.54 § 1. Er kan een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van de geldboeten waarin dit boek voorziet, worden toegekend aan een onderneming of een ondernemingsvereniging die samen met anderen bij een door artikel IV.1, al dan niet met gelijktijdige toepassing van artikel 101 VWEU, verboden praktijk betrokken was, ingeval zij ertoe heeft bijgedragen het bestaan van deze verboden praktijk te bewijzen en de deelnemers eraan te identificeren, onder andere door inlichtingen te verstrekken waarover de Belgische Mededingingsautoriteit voorheen niet beschikte of door het bewijs te leveren van een verboden praktijk waarvan het bestaan nog niet vaststond. De onderneming of ondernemingsvereniging dient haar clementieverzoek in bij de auditeur-generaal. De auditeur-generaal kan een clementieverzoek naast zich neerleggen wanneer het is ingediend na de mededeling van grieven aan de clementieverzoeker. De auditeur-generaal dient een voorstel van beslissing in bij de voorzitter. Hij geeft de clementieverzoeker inzage in het voorstel zodat deze zijn eventuele schriftelijke opmerkingen kan indienen bij de voorzitter. De voorzitter neemt een gemotiveerde beslissing na de clementieverzoeker op verzoek te hebben gehoord. Ingeval de voorzitter vaststelt dat het clementieverzoek voldoet aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden voor het toekennen van clementie neemt hij een clementiebeslissing, waarin hij de verplichtingen verbonden aan de clementie bepaalt. Het secretariaat deelt de beslissing mee aan de clementieverzoeker. De beslissing wordt niet bekendgemaakt. Indien de voorzitter beslist dat niet is voldaan aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden voor de toekenning van clementie, kan de onderneming of ondernemingsvereniging haar clementieverzoek en de bijhorende stukken intrekken. Op het ogenblik van de beslissing in de zaak, kent het Mededingingscollege, ingeval de verplichtingen gesteld in de clementiebeslissing werden nageleefd, een vrijstelling van geldboeten toe in verhouding tot de bijdrage die geleverd werd om de inbreuk te bewijzen. § 2. Een natuurlijke persoon bedoeld in artikel IV.1, § 4, kan een verzoek tot immuniteit van vervolging indienen bij de auditeur-generaal met betrekking tot de inbreuken bedoeld in artikel IV.1, § 4. De auditeur-generaal kan een immuniteitsverzoek naast zich neerleggen wanneer het is ingediend na de mededeling van grieven aan de immuniteitsverzoeker. De auditeur-generaal dient een voorstel van beslissing in bij de voorzitter. Hij geeft de immuniteitsverzoeker inzage in het voorstel zodat deze zijn eventuele schriftelijke opmerkingen kan indienen bij de voorzitter. De voorzitter neemt een gemotiveerde beslissing na de immuniteitsverzoeker op zijn verzoek te hebben gehoord. De voorzitter kent de immuniteit van vervolging toe ingeval de natuurlijke persoon ertoe heeft bijgedragen het bestaan van een door artikel IV.1, § 1, verboden praktijk te bewijzen en de deelnemers ervan te identificeren, onder andere door inlichtingen te verstrekken waarover de Belgische Mededingingsautoriteit voorheen niet beschikte, door het bewijs te leveren van een door artikel IV.1, § 1, verboden praktijk waarvan het bestaan nog niet vaststond, of door zijn betrokkenheid bij een door artikel IV.1, § 4, verboden praktijk te erkennen. De voorzitter kent tevens immuniteit van vervolging toe aan de natuurlijke personen die meewerken aan een clementieverzoek van een onderneming of ondernemingsvereniging. De voorzitter bepaalt in zijn immuniteitsbeslissing de verplichtingen waaraan de beoogde immuniteit is onderworpen. Het secretariaat deelt de beslissing mee aan de verzoeker. De beslissing wordt niet bekendgemaakt. Ingeval de voorzitter beslist dat niet is voldaan aan de in het vijfde lid bedoelde voorwaarden voor de toekenning van immuniteit, kan de natuurlijke persoon zijn immuniteitsverzoek en de bijhorende stukken intrekken. Onder voorbehoud van de verjaringstermijnen kan het Mededingingscollege, op verzoek van de auditeur-generaal, alsnog een boete bij toepassing van artikel IV.79, § 2, opleggen, indien de betrokken persoon de verplichtingen die de voorzitter heeft gesteld in de immuniteitsbeslissing niet heeft nageleefd. § 3. De verzoeken tot clementie of immuniteit en de bijhorende stukken evenals de clementie- en immuniteitsbeslissingen van de voorzitter maken deel uit van het onderzoeks- en proceduredossier. De andere betrokken partijen krijgen inzage in de verzoeken en de bijhorende stukken alsmede in de beslissingen doch hebben geen recht op een kopie van de verzoeken en de bijhorende stukken, noch van de beslissingen; de klager en de belanghebbende derden hebben er geen toegang toe behoudens overeenkomstig de bepalingen van boek XVII, titel 3, hoofdstuk 3. § 4. Een verzoek tot immuniteit van vervolging door een natuurlijke persoon staat niet in de weg aan het toekennen van een volledige vrijstelling van geldboeten aan de onderneming bij toepassing van paragaaf 1. § 5. Het directiecomité kan bij richtsnoeren nadere regels vaststellen voor de toepassing van dit artikel, met inbegrip van de toekenningsvoorwaarden voor volledige en gedeeltelijke vrijstelling van geldboeten en de vorken van gedeeltelijke vrijstelling die het Mededingingscollege zal in acht nemen in verhouding tot de bijdrage die geleverd werd om de inbreuk te bewijzen. § 6. De beslissingen van de voorzitter tot toekennen of weigeren van clementie of immuniteit van vervolging zijn niet vatbaar voor afzonderlijk beroep. Onderafdeling 4 Procedure inzake schikkingen Art. IV.55 Tijdens een onderzoek op grond van inbreuk op artikel IV.1 of artikel IV.2, al dan niet met gelijktijdige toepassing van artikel 101 of artikel 102 VWEU, kan de auditeur-generaal op elk ogenblik van de procedure, doch vooraleer het voorstel van beslissing wordt ingediend, ten aanzien van de betrokken partijen een termijn vaststellen waarbinnen zij schriftelijk kunnen aangeven dat zij bereid zijn schikkingsbesprekingen te voeren. De auditeur-generaal is niet verplicht rekening te houden met antwoorden die worden ontvangen na het verstrijken van de gestelde termijn. Art. IV.56 Ingeval één of meerdere betrokken partijen aangeven dat zij bereid zijn om schikkingsbesprekingen te voeren, kan de auditeur-generaal beslissen om een schikkingsprocedure te openen ten aanzien van hen. De auditeur deelt de betrokken partij of partijen mee welke grieven hij lastens hen meent te kunnen staven en hij geeft hen toegang tot alle niet-vertrouwelijke versies van de documenten en gegevens waarnaar hij verwijst of voornemens is te verwijzen in zijn grieven, alsmede tot de inventaris van het onderzoeksdossier. De auditeur kan een betrokken partij toegang geven tot de niet-vertrouwelijke versies van andere documenten en gegevens in het onderzoeksdossier die de betrokken partij aanwijst, op gemotiveerd verzoek van laatstgenoemde. Tevens geeft de auditeur kennis van de mogelijke geldboete die hij overweegt voor te stellen aan het Mededingingscollege. Art. IV.57 Ingeval de schikkingsbesprekingen uitzicht bieden op het nemen van een schikkingsbeslissing, stelt de auditeur een voorontwerp van schikkingsbeslissing op. De auditeur stelt, in geval van gelijktijdige toepassing van artikel 101 of artikel 102 VWEU, de Europese Commissie overeenkomstig artikel 11, § 4, van Verordening (EG) nr. 1/2003 in kennis van het voorontwerp. Art. IV.58 De auditeur deelt, in voorkomend geval na ontvangst van de opmerkingen van de Europese Commissie, zijn ontwerp van schikkingsbeslissing mee aan de betrokken partij of partijen. Hij stelt de termijn vast waarbinnen de betrokken partij of partijen vrijwillig een schikkingsverklaring kunnen indienen. De betrokken partij erkent in de schikkingsverklaring haar betrokkenheid bij de inbreuk zoals beschreven in het ontwerp van schikkingsbeslissing en haar aansprakelijkheid daarvoor. Zij aanvaardt tevens de voorgenomen boete die vermeld is in het ontwerp van schikkingsbeslissing. De auditeur is niet verplicht rekening te houden met schikkingsverklaringen die ontvangen worden na het verstrijken van de gestelde termijn. Art. IV.59 § 1. Ingeval de schikkingsverklaring van een betrokken partij beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel IV.58, kan de auditeur, na advies van de auditeur-adviseur, een schikkingsbeslissing nemen overeenkomstig het ontwerp van schikkingsbeslissing en de procedure sluiten ten aanzien van die partij. De schikkingsbeslissing stelt ten aanzien van de betrokken partij of partijen de inbreuk en de boete vast en neemt akte van hun schikkingsverklaringen. De beslissing geldt als een beslissing van het Mededingingscollege zoals bedoeld in artikel IV.52. De schikkingsbeslissing is niet vatbaar voor beroep. § 2. De auditeur stelt de betrokken partij in kennis van de schikkingsbeslissing en nodigt haar uit de vertrouwelijke passages aan te stippen. De beslissing van de auditeur tot vaststelling van de niet-vertrouwelijke versie van de schikkingsbeslissing is niet vatbaar voor beroep. De auditeur bezorgt een afschrift van de niet-vertrouwelijke versie aan het secretariaat met het oog op de bekendmaking ervan en voor mededeling ervan aan de eventuele klager. Art. IV.60 § 1. Bij het berekenen van de geldboete overeenkomstig de richtsnoeren van de Belgische Mededingingsautoriteit betreffende de berekening van de geldboete, past de auditeur een vermindering van 10 % toe. Hij kan ook rekening houden met een verbintenis van de betrokken partij om zich te kwijten van de betaling van een schadevergoeding. In het geval van natuurlijke personen bedoeld in artikel IV.1, § 4, past de auditeur een boetevermindering van 10 % toe ten opzichte van de boete bedoeld in artikel IV.79, § 2. § 2. Ingeval de schikkingsbeslissing betrekking heeft op een zaak waarin een clementiebeslissing werd genomen, wordt de vermindering van de boete met 10 % berekend na het in aanmerking nemen van de boetevrijstelling vermeld in de clementiebeslissing, voor zover de auditeur heeft vastgesteld dat is voldaan aan de voorwaarden gesteld in de clementiebeslissing voor een boetevrijstelling op grond van clementie. Ingeval de clementiebeslissing voorziet in een vork voor de boetevrijstelling, bepaalt de auditeur de op grond van clementie toe te kennen vrijstelling binnen deze vork. Ingeval de schikkingsbeslissing betrekking heeft op een zaak waarin een immuniteitsbeslissing werd genomen, bevestigt de auditeur in de schikkingsbeslissing de verleende immuniteit van vervolging, voor zover hij vaststelt dat is voldaan aan de voorwaarden gesteld in de immuniteitsbeslissing voor een dergelijke immuniteit. Art. IV.61 Alle documenten en gegevens, die door de auditeur-generaal, de auditeur en een betrokken partij in het kader van een schikkingsprocedure worden uitgewisseld, zijn vertrouwelijk onverminderd de toepassing van artikel XVII.79. Ingeval de procedure niet leidt tot een schikkingsbeslissing en de auditeur-generaal beslist het onderzoek verder te zetten, worden deze documenten en gegevens voor zover zij niet reeds bij de aanvang van de schikkingsprocedure tot het onderzoeksdossier behoorden, niet aan het onderzoeksdossier noch het proceduredossier toegevoegd. Een betrokken partij en de Belgische Mededingingsautoriteit maken het voeren van de schikkingsbesprekingen niet bekend, anders dan door middel van de schikkingsbeslissing, behoudens schriftelijk akkoord van de betrokken partij en de auditeur-generaal. Deze verplichting tot geheimhouding wordt niet geschonden wanneer de betrokken partij van de besprekingen kennis geeft aan een andere mededingingsautoriteit, aan zijn advocaat of aan een andere door het beroepsgeheim gebonden persoon of, na overleg met de auditeur-generaal, een bekendmaking moet doen in uitvoering van een wettelijke bepaling of een uitvoerbare beslissing van een gerechtelijke instantie. Art. IV.62 De auditeur-generaal kan de schikkingsprocedure te allen tijde stopzetten ten aanzien van een betrokken partij. Deze beslissing is niet vatbaar voor beroep. Onderafdeling 5 Bijzondere onderzoeksregels inzake concentraties Art. IV.63 § 1. De auditeur stelt het onderzoek van de concentratie in van zodra hij de aanmelding heeft ontvangen of, ingeval de verstrekte inlichtingen onvolledig zijn, van zodra hij de volledige inlichtingen heeft ontvangen. Behoudens ingeval voldaan is aan de voorwaarden voor de toepassing van de vereenvoudigde procedure, zendt de auditeur een exemplaar van de aanmelding onverwijld over aan de voorzitter die het Mededingingscollege samenstelt dat de zaak zal behandelen. § 2. Ingeval de auditeur meent dat een daadwerkelijke mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, onder andere door het in het leven roepen of versterken van een machtspositie, brengt hij de aanmeldende partijen hiervan op de hoogte, ten minste vijf werkdagen voor de indiening van het voorstel van beslissing bij de voorzitter van het Mededingingscollege. In dat geval beschikken de aanmeldende partijen over een termijn van vijf werkdagen om verbintenissen aan te bieden die bedoeld zijn om een beslissing van toelaatbaarheid te verkrijgen. De auditeur hoort de aanmeldende partijen over de aangeboden verbintenissen, en neemt in het voorstel van beslissing standpunt in over deze verbintenissen. Art. IV.64 § 1. De auditeur dient, na advies van de auditeur-adviseur, zijn gemotiveerd voorstel van beslissing in bij de voorzitter van het Mededingingscollege, samen met het proceduredossier. § 2. Het voorstel van beslissing wordt ingediend binnen een termijn van vijfentwintig werkdagen vanaf de dag volgend op de dag van de indiening van de aanmelding bij de auditeur-generaal. Ingeval de inlichtingen die bij de aanmelding werden verstrekt niet volledig waren, loopt deze termijn vanaf de dag volgend op de dag waarop de volledige inlichtingen werden ontvangen. In voorkomend geval wordt de termijn geschorst bij toepassing van artikel IV.40, § 1, vierde lid. De termijn van vijfentwintig werkdagen wordt verlengd met tien werkdagen ingeval de aanmeldende partijen verbintenissen aanbieden aan de auditeur. § 3. Op dezelfde dag als de indiening van het voorstel van beslissing, deelt de auditeur hiervan een kopie mee aan de aanmeldende partijen. Hij nodigt hen uit om de vertrouwelijke passages aan te stippen. De auditeur stelt vervolgens de niet-vertrouwelijke versie vast. Zijn beslissing betreffende de vertrouwelijkheid is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep. De auditeur deelt een kopie van de niet-vertrouwelijke versie van het voorstel van beslissing mee aan de vertegenwoordigers van de meest representatieve organisaties van werknemers van de partijen bij de concentratie of aan de personen die zij aanwijzen. Hij deelt de aanmeldende partijen mee dat zij op het secretariaat inzage kunnen nemen van het onderzoeksdossier en het proceduredossier, met uitzondering van de documenten en gegevens die ten aanzien van hen vertrouwelijk zijn, en dat zij tegen betaling een elektronische kopie ervan kunnen krijgen. Onderafdeling 6 Beslissing inzake concentraties Art. IV.65 § 1. De aanmeldende partijen dienen hun eventuele schriftelijke opmerkingen en stukken in uiterlijk de dag vóór de zitting van het Mededingingscollege en zij bezorgen daarvan op dezelfde dag per e-mail een kopie aan de auditeur. Ingeval de aanmeldende partijen een stuk indienen dat zich niet in het onderzoeksdossier bevindt, stelt de voorzitter van het Mededingingscollege een termijn vast waarbinnen de auditeur schriftelijke opmerkingen kan indienen betreffende dat stuk alsmede een termijn waarbinnen de aanmeldende partijen kunnen antwoorden op deze opmerkingen. De auditeur kan toepassing maken van artikel IV.40, § 1, bij de voorbereiding van zijn schriftelijke opmerkingen. De aanmeldende partijen en de auditeur doen mekaar per e-mail mededeling van hun schriftelijke opmerkingen en stukken, op de dag van de indiening ervan op het secretariaat. De beslissingstermijn bedoeld in artikel IV.66, § 3, wordt geschorst vanaf de dag van de beslissing van de voorzitter van het Mededingingscollege tot vaststellen van de in de tweede zin van dit lid bedoelde termijnen tot de dag waarop de termijn verstrijkt waarbinnen de aanmeldende partijen hun antwoord kunnen indienen. § 2. De derden die het Mededingingscollege zal horen kunnen uiterlijk drie werkdagen voor de zitting schriftelijke opmerkingen en stukken meedelen aan het Mededingingscollege, met kopie op dezelfde dag per e-mail aan de aanmeldende partijen en aan de auditeur. Ingeval de derden vertrouwelijke informatie aan het Mededingingscollege wensen mee te delen, wijst de voorzitter van het Mededingingscollege, zonder kennis te nemen van de betrokken documenten of gegevens, een assessor aan die geen deel uitmaakt van het Mededingingscollege en die zich uitspreekt over de vertrouwelijkheid bij overeenkomstige toepassing van de procedure bedoeld in artikel IV.41, §§ 1 tot 4. Ingeval de kennisneming door het Mededingingscollege of bepaalde betrokken partijen de rechten van verdediging van een andere betrokken partij in het gedrang zou brengen, beslist de assessor dat het betrokken document of gegeven niet wordt opgenomen in het proceduredossier en wordt vervangen door de niet-vertrouwelijke versie of samenvatting. De beslissing van de assessor is niet vatbaar voor afzonderlijk beroep. De derden die het Mededingingscollege zal horen hebben geen recht van toegang tot het onderzoeksdossier en het proceduredossier, tenzij de voorzitter van het Mededingingscollege hiertoe een andersluidende beslissing neemt voor de stukken van het proceduredossier die hij aanduidt. § 3. Het Mededingingscollege behandelt elke zaak ter zitting. De zitting vindt plaats ten minste tien werkdagen na de mededeling van het voorstel van beslissing aan de aanmeldende partijen. De voorzitter van het Mededingingscollege kan beslissen meer dan één zitting in een zaak te organiseren. Ingeval een bijkomende zitting alsnog overbodig blijkt, kan het Mededingingscollege in zijn beslissing het sluiten van de debatten vaststellen. § 4. Het Mededingingscollege hoort de auditeur-generaal, de auditeur, de aanmeldende partijen en, zo zij hier om verzoeken of op verzoek van het Mededingingscollege, de andere partijen bij de concentratie. Ingeval het Mededingingscollege het nodig acht, hoort het elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die het oproept. Het hoort tevens de derden die een voldoende belang doen blijken en vragen om gehoord te worden. Voor de economische sectoren, die onder de controle of het toezicht van een geëigende openbare instelling of een ander overheidslichaam zijn geplaatst, worden deze instellingen of overheidslichamen geacht een voldoende belang te hebben. De minister wordt geacht een voldoende belang te hebben. De leden van de bestuursorganen of van de directieorganen van de partijen bij de concentratie, alsook de vertegenwoordigers van de meest representatieve werknemersorganisaties van deze ondernemingen, of de personen die zij aanwijzen, worden geacht een voldoende belang te hebben. De directeur economische zaken en de directeur juridische zaken worden op hun verzoek gehoord. Het niet-verschijnen van de opgeroepen partijen of personen, of van hun mandataris, doet geen afbreuk aan de geldigheid van de procedure. § 5. De aanmeldende partijen kunnen nieuwe verbintenissen voorstellen, binnen de termijn bepaald door de voorzitter van het Mededingingscollege. § 6. De ondernemingen die partij zijn bij de concentratie kunnen de concentratie wijzigen tot op het ogenblik van de sluiting van de debatten door het Mededingingscollege. In dat geval slaat de beslissing van het Mededingingscollege op de aldus gewijzigde concentratie. Art. IV.66 § 1. Het Mededingingscollege stelt bij gemotiveerde beslissing naar gelang het geval vast, dat: 1° de concentratie niet binnen het toepassingsgebied valt van titel 1, hoofdstuk 2, van dit boek;2° de concentratie binnen het toepassingsgebied valt titel 1, hoofdstuk 2, van dit boek. § 2. Ingeval de concentratie binnen het toepassingsgebied valt van titel 1, hoofdstuk 2, van dit boek, neemt het Mededingingscollege één van de volgende gemotiveerde beslissingen: 1° het beslist dat de concentratie toelaatbaar is.Aan die beslissing kan het voorwaarden en verplichtingen verbinden, die moeten waarborgen dat de betrokken ondernemingen de verbintenissen nakomen die zij hebben aangeboden, teneinde de concentratie toelaatbaar te horen verklaren. Ingeval het Mededingingscollege voorwaarden en verplichtingen in overweging wenst te nemen die niet in het voorstel van beslissing opgenomen zijn, worden de aanmeldende partijen en de auditeur hierover gehoord en beschikken zij over ten minste twee werkdagen, vanaf de mededeling door het Mededingingscollege, om zich hierover schriftelijk uit te spreken; 2° het verklaart de concentratie toelaatbaar ingeval de bij de concentratie betrokken ondernemingen samen niet meer dan 25 % controleren van een voor de transactie relevante markt, ongeacht of het gaat om horizontale dan wel verticale relaties; 3° het stelt vast dat er ernstige twijfels bestaan omtrent de toelaatbaarheid van de concentratie en beslist de procedure van bijkomend onderzoek en beslissing bedoeld in de artikelen IV.67 tot IV.69 in te zetten; deze beslissing is niet vatbaar voor beroep. § 3. De beslissingen van het Mededingingscollege bedoeld in paragrafen 1 en 2 worden genomen binnen een termijn van veertig werkdagen te rekenen vanaf de dag volgend op de dag van ontvangst van de aanmelding. Ingeval de inlichtingen die bij de aanmelding werden verstrekt niet volledig waren, loopt deze termijn vanaf de dag volgend op de dag waarop de volledige inlichtingen werden ontvangen. In voorkomend geval wordt de termijn geschorst bij toepassing van de artikelen IV.40, § 1, vierde lid, en IV.65, § 1, tweede lid. De in het eerste lid bedoelde termijn wordt verlengd: 1° met vijftien werkdagen ingeval de aanmeldende partijen voor het Mededingingscollege verbintenissen aanbieden of wijzigen of de concentratie wijzigen;2° bij beslissing van het Mededingingscollege, op uitdrukkelijk verzoek van de aanmeldende partijen, ten hoogste voor de duur die zij voorstellen;het Mededingingscollege staat in ieder geval een verlenging toe van vijftien werkdagen alsmede een nieuwe zitting, ingeval de aanmeldende partijen daarom verzoeken. § 4. De concentratie wordt geacht het voorwerp te zijn van een beslissing tot toelaatbaarheid, wanneer het Mededingingscollege geen beslissing heeft genomen binnen de in paragraaf 3 bedoelde termijn. § 5. De beslissing van het Mededingingscollege over de grond van de zaak kan niet steunen op documenten en gegevens die als vertrouwelijk ten aanzien van een aanmeldende partij werden erkend, tenzij het stukken betreft van de verkoper, van een andere aanmeldende partij of van de doelonderneming en de aanmeldende partij kennis heeft kunnen nemen van een niet-vertrouwelijke versie of samenvatting van deze documenten en gegevens. Art. IV.67 § 1. Ingeval het Mededingingscollege beslist de procedure van bijkomend onderzoek en beslissing in te zetten, voert de auditeur een bijkomend onderzoek. Uiterlijk twintig werkdagen na de beslissing om de procedure van bijkomend onderzoek in te zetten, kunnen de aanmeldende partijen aan de auditeur verbintenissen aanbieden met het oog op het verkrijgen van een beslissing tot toelaatbaarheid. De auditeur kan de termijn van twintig werkdagen verlengen. § 2. De auditeur dient, na advies van de auditeur-adviseur, een gemotiveerd voorstel van beslissing in bij de voorzitter van het Mededingingscollege binnen een termijn van dertig werkdagen na de beslissing om de procedure van bijkomend onderzoek in te stellen. Deze termijn wordt verlengd met dezelfde duur als die welke de aanmeldende partijen gebruikt hebben om verbintenissen aan te bieden overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid. In voorkomend geval wordt de termijn geschorst bij toepassing van artikel IV.40, § 1, vierde lid. § 3. Op dezelfde dag als de indiening van het voorstel van beslissing, deelt de auditeur een kopie van het voorstel van beslissing mee aan de aanmeldende partijen. Hij nodigt hen uit om de in het voorstel opgenomen vertrouwelijk