← België

Wet tot hervorming van het hof van assisen

Kort samengevat

Deze wet hervormt het hof van assisen en wijzigt diverse bepalingen in het Strafwetboek en het Wetboek van Strafvordering, voornamelijk betreffende de duur van straffen, de bevoegdheid van rechtbanken en de procedure bij misdaden.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
21 DECEMBER 2009. - Wet tot hervorming van het hof van assisen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2. - Bepalingen tot wijziging van het Strafwetboek Art. 2.In artikel 25 van het Strafwetboek, vervangen bij de wet van 23 januari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009266 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Strafvordering inzake de procedure tot onttrekking van de zaak aan de rechter type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009267 bron ministerie van justitie Wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek sluiten0, wordt het eerste lid vervangen door vijf leden, luidende : « De duur van de correctionele gevangenisstraf is, behoudens de in de wet bepaalde gevallen, ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar. Hij is ten hoogste vijf jaar voor een met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is. Hij is ten hoogste tien jaar voor een met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is. Hij is ten hoogste vijftien jaar voor een met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is. Hij is ten hoogste twintig jaar voor een met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar of met levenslange opsluiting strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is. » Art. 3.In artikel 84 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 9 april 1930 en 14 april 2009, wordt het tweede lid vervangen als volgt : « Zij kunnen worden veroordeeld tot ontzetting van alle of van een deel van de in artikel 31, eerste lid, vermelde rechten gedurende ten minste tien jaar en ten hoogste twintig jaar voor met meer dan twintig jaar opsluiting strafbare misdaden, en gedurende ten minste vijf jaar en ten hoogste tien jaar voor de overige misdaden. » Art. 4.In artikel 99 van hetzelfde Wetboek wordt het tweede lid opgeheven. HOOFDSTUK 3. - Bepaling tot wijziging van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering Art. 5.In artikel 21 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering, laatst gewijzigd bij de wet van 5 augustus 2003, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende : « Nochtans is de termijn tien jaar ingeval dit misdrijf een misdaad is die strafbaar is met meer dan twintig jaar opsluiting en in een wanbedrijf wordt omgezet met toepassing van artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009266 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Strafvordering inzake de procedure tot onttrekking van de zaak aan de rechter type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009267 bron ministerie van justitie Wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek sluiten6 op de verzachtende omstandigheden. » HOOFDSTUK 4. - Bepalingen tot wijziging van het Wetboek van strafvordering Art. 6.Het Eerste Boek, Hoofdstuk VI, Afdeling II, Onderafdeling II, § 1, van het Wetboek van strafvordering, wordt aangevuld met een artikel 62quater, luidende : « Art. 62quater.§ 1. Indien uit het onderzoek volgt dat de misdaad die ten laste wordt gelegd van de inverdenkinggestelde lijkt te behoren tot de bevoegdheid van het hof van assisen, beveelt de onderzoeksrechter binnen de kortst mogelijke tijd dat een moraliteitsonderzoek wordt verricht. Dit onderzoek omvat relevante informatie inzake de inverdenkinggestelde, verzameld bij personen uit diens leefomgeving, evenals relevante informatie over de persoonlijkheid van het slachtoffer. Van elk onderhoud wordt een schriftelijk verslag opgesteld. De Koning bepaalt de nadere regels voor het moraliteitsonderzoek. § 2. De onderzoeksrechter beveelt tevens binnen de kortst mogelijke tijd dat een psychologisch of een psychiatrisch deskundigenonderzoek van de inverdenkinggestelde wordt verricht. » Art. 7.In artikel 80 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 juli 1967, worden de woorden « honderd frank » vervangen door de woorden « duizend euro ». Art. 8.Artikel 130 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 12 maart 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009266 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Strafvordering inzake de procedure tot onttrekking van de zaak aan de rechter type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009267 bron ministerie van justitie Wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek sluiten, wordt vervangen als volgt : « Art. 130.Indien de raadkamer vaststelt dat het misdrijf behoort tot de bevoegdheid van de correctionele rechtbank, wordt de inverdenkinggestelde naar deze rechtbank verwezen. » Art. 9.Artikel 133 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 12 maart 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009266 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Strafvordering inzake de procedure tot onttrekking van de zaak aan de rechter type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009267 bron ministerie van justitie Wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek sluiten, wordt vervangen als volgt : « Art. 133.Indien de raadkamer, op verslag van de onderzoeksrechter, van oordeel is dat het feit tot de bevoegdheid van het hof van assisen behoort en dat de tenlastelegging tegen de inverdenkinggestelde voldoende gegrond is, worden de stukken van het onderzoek, het proces-verbaal waarbij het bestaan van het misdrijf wordt vastgesteld, een staat van overtuigingsstukken en de beschikking tot gevangenneming door de procureur des Konings binnen de kortst mogelijke tijd toegestuurd aan de procureur-generaal bij het hof van beroep, opdat zal worden gehandeld zoals bepaald is in hoofdstuk III. De inbeschuldigingstelling. Behalve als toepassing wordt gemaakt van artikel 228 worden de overtuigingsstukken bewaard bij de rechtbank van de plaats waar het onderzoek heeft plaatsgehad. » Art. 10.In Boek II van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van Titel II vervangen als volgt : « Titel II. Het hof van assisen » Art. 11.In Boek II, Titel II, van hetzelfde Wetboek, wordt een Hoofdstuk I ingevoegd, met als opschrift « Hoofdstuk I. Algemene bepaling », dat artikel 216octies bevat. Art. 12.In Boek II, Titel II, Hoofdstuk I van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 216octies ingevoegd, luidende : « Art. 216octies.Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder « hof » : de voorzitter en de twee assessoren. Het hof wordt bijgestaan door een jury ». Art. 13.In Boek II, Titel II, van hetzelfde Wetboek wordt na artikel 216octies, een Hoofdstuk II ingevoegd, met als opschrift « Hoofdstuk II. De bevoegdheid van het hof van assisen », dat artikel 216novies bevat. Art. 14.In Boek II, Titel II, Hoofdstuk II van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 216novies ingevoegd, luidende : « Art. 216novies.Het hof van assisen neemt kennis van misdaden, met uitzondering van de gevallen waarin toepassing gemaakt wordt van artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009266 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Strafvordering inzake de procedure tot onttrekking van de zaak aan de rechter type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009267 bron ministerie van justitie Wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek sluiten6 op de verzachtende omstandigheden. » Art. 15.In Boek II, Titel II, van hetzelfde Wetboek wordt Hoofdstuk I. « Inbeschuldiging » Hoofdstuk III, met als opschrift : « Hoofdstuk III. De inbeschuldigingstelling » Art. 16.Artikel 217 van hetzelfde Wetboek, waarvan de Franse tekst gewijzigd is bij de wet van 10 juli 1967, wordt vervangen als volgt : « Art. 217.De procureur-generaal bij het hof van beroep is gehouden de zaak in gereedheid te brengen binnen de kortst mogelijke tijd na ontvangst van de stukken die hem zijn toegezonden ter voldoening aan artikel 133 of aan artikel 135 en de regeling van de rechtspleging te vorderen voor de kamer van inbeschuldigingstelling. » Art. 17.Artikel 218 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 juli 1967, wordt opgeheven. Art. 18.Artikel 219 van hetzelfde Wetboek, waarvan de Franse tekst gewijzigd is bij de wet van 10 juli 1967, wordt vervangen als volgt : « Art. 219.Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling de zaak in beraad houdt om haar beschikking uit te spreken, bepaalt zij de dag voor die uitspraak. » Art. 19.In artikel 221 van hetzelfde Wetboek, waarvan de Franse tekst gewijzigd is bij de wet van 10 juli 1967, worden de woorden « een feit, door de wet misdaad genoemd » vervangen door de woorden « een feit dat tot de bevoegdheid van het hof van assisen behoort ». Art. 20.Artikel 222 van hetzelfde Wetboek, waarvan de Franse tekst gewijzigd is bij de wet van 10 juli 1967, wordt opgeheven. Art. 21.In artikel 223 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 10 juli 1967, worden de woorden « tien dagen » vervangen door de woorden « vijftien dagen ». Art. 22.Artikel 226 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 226.De kamer van inbeschuldigingstelling beslist bij een en hetzelfde arrest over de samenhangende misdrijven waarvan de stukken terzelfder tijd zijn voorgelegd. » Art. 23.De Franse tekst van artikel 227 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 juni 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/06/2001 pub. 20/07/2001 numac 2001009458 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van verscheidene bepalingen inzake het federaal parket sluiten, wordt vervangen als volgt : « Art. 227.Les infractions sont connexes : 1° soit lorsqu'elles ont été commises en même temps par plusieurs personnes réunies;2° soit lorsqu'elles ont été commises par différentes personnes, même en différents temps et en divers lieux, mais par suite d'un concert formé à l'avance entre elles, soit lorsque les coupables ont commis les unes pour se procurer les moyens de commettre les autres, pour en faciliter, pour en consommer l'exécution, ou pour en assurer l'impunité;3° soit lorsque le lien qui existe entre deux ou plusieurs infractions est de telle nature qu'il exige, pour une bonne administration de la justice et sous réserve du respect des droits de la défense, que ces infractions soient soumises en même temps pour jugement au même tribunal répressif.» Art. 24.Artikel 228 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 228.De kamer van inbeschuldigingstelling kan, zo nodig, binnen de kortst mogelijke tijd : 1° nieuwe onderzoekingen bevelen;2° de overbrenging bevelen van overtuigingsstukken die op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg in bewaring zijn gebleven.» Art. 25.Artikel 229 van hetzelfde Wetboek, waarvan de Franse tekst gewijzigd is bij de wet van 10 juli 1967, wordt vervangen als volgt : « Art. 229.Indien de kamer van inbeschuldigingstelling van oordeel is dat er tegen de inverdenkinggestelde geen voldoende bezwaren bestaan, verklaart zij dat er geen reden is tot vervolging. » Art. 26.In artikel 230 van hetzelfde Wetboek, waarvan de Franse tekst gewijzigd is bij de wet van 10 juli 1967, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden « het hof » vervangen door de woorden « de kamer van inbeschuldigingstelling »;2° in hetzelfde lid wordt, in de Nederlandse tekst, het woord « het » vervangen door het woord « zij »;3° het tweede lid wordt opgeheven. Art. 27.Artikel 231 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 juli 1967, wordt vervangen als volgt : « Art. 231.Indien het een feit betreft dat behoort tot de bevoegdheid van het hof van assisen, en de kamer van inbeschuldigingstelling voldoende bezwaren aanwezig acht om de inbeschuldigingstelling te wettigen, verwijst zij de inverdenkinggestelde naar het hof van assisen, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009266 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Strafvordering inzake de procedure tot onttrekking van de zaak aan de rechter type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009267 bron ministerie van justitie Wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek sluiten6 op de verzachtende omstandigheden. Indien de misdaad in de beschikking tot gevangenneming verkeerd omschreven is, vernietigt de kamer van inbeschuldigingstelling die beschikking en geeft een nieuwe. » Art. 28.Artikel 232 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009266 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Strafvordering inzake de procedure tot onttrekking van de zaak aan de rechter type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009267 bron ministerie van justitie Wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek sluiten9, wordt hersteld in de volgende lezing : Art. 232.De partijen zijn gehouden in België keuze van woonplaats te doen, indien zij er hun woonplaats of verblijfplaats niet hebben, uiterlijk op het ogenblik van de verwijzing door de kamer van inbeschuldigingstelling naar het hof van assisen. De keuze van woonplaats geldt voor de procedure voor het hof van assisen, voor de uitvoering van het arrest dat erop volgt en voor het rechtsmiddel dat tegen dit arrest wordt aangewend. Hebben de partijen geen woonplaats gekozen, dan kunnen zij het verzuim van de betekening niet inroepen tegen de akten die hen luidens de wet moesten worden betekend. Elke betekening wordt geldig op de gekozen woonplaats gedaan, zolang de partij niet bij een ter post aangetekende brief met ontvangstmelding aan de procureur-generaal een wijzigingsbericht doet geworden. » Art. 29.Artikel 233 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/05/1999 pub. 29/06/1999 numac 1999009706 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van sommige bepalingen van het Strafwetboek, van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidsstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964 type wet prom. 07/05/1999 pub. 25/06/1999 numac 1999009652 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden alsook de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd type wet prom. 07/05/1999 pub. 07/09/1999 numac 1999003333 bron ministerie van financien Wet houdende tweede aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 1999 - Sectie 23 « Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid » en Sectie 26 - « Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu » sluiten, wordt vervangen als volgt : « Art. 233.De beschikking tot gevangenneming, door de raadkamer of door de kamer van inbeschuldigingstelling gegeven overeenkomstig artikel 26, § 5, van de wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009266 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Strafvordering inzake de procedure tot onttrekking van de zaak aan de rechter type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009267 bron ministerie van justitie Wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek sluiten9 betreffende de voorlopige hechtenis, wordt opgenomen in het arrest van inbeschuldigingstelling. Dit arrest houdt het bevel in de beschuldigde bij de uitvoering ervan te brengen naar het huis van arrest gevestigd bij het hof van assisen waarnaar hij wordt verwezen. » Art. 30.In artikel 234 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « zowel de vordering van het openbaar ministerie als » opgeheven. Art. 31.In artikel 235 van hetzelfde Wetboek, waarvan de Franse tekst gewijzigd is bij de wet van 10 juli 1967, worden de woorden « hoven van beroep » vervangen door de woorden « kamers van inbeschuldigingstelling ». Art. 32.In artikel 235bis, § 5, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009266 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Strafvordering inzake de procedure tot onttrekking van de zaak aan de rechter type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009267 bron ministerie van justitie Wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek sluiten, worden de woorden « of die de openbare orde aanbelangen » opgeheven. Art. 33.Artikel 236 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 12 maart 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009266 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Strafvordering inzake de procedure tot onttrekking van de zaak aan de rechter type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009267 bron ministerie van justitie Wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek sluiten, wordt vervangen als volgt : « Art. 236.In het geval van artikel 235 wijst de kamer van inbeschuldigingstelling een magistraat als raadsheer-onderzoeker aan. Zij kan een van haar leden aanwijzen. » Art. 34.In de Nederlandse tekst van artikel 237 van hetzelfde Wetboek, waarvan de Franse tekst is gewijzigd bij de wet van 10 juli 1967, wordt het woord « verleent » vervangen door het woord « geeft ». Art. 35.De artikelen 238 en 239 van hetzelfde Wetboek worden opgeheven. Art. 36.Artikel 240 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 240.De overige bepalingen van dit Wetboek die niet in strijd zijn met de artikelen van titel II, zijn mede van toepassing. » Art. 37.Artikel 241 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 juli 1967, wordt vervangen als volgt : « Art. 241.Na de verwijzing behoudt de beschuldigde het recht om vrij verkeer te hebben met zijn raadsman. » Art. 38.Artikel 242 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 30 juni 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/06/2000 pub. 17/03/2001 numac 2000009755 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechtspleging voor het hof van assisen te stroomlijnen type wet prom. 30/06/2000 pub. 09/08/2000 numac 2000009646 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend sluiten, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 242.Ter griffie wordt aan de beschuldigde en aan de burgerlijke partij inzage in het dossier verleend. De beschuldigde alsook de burgerlijke partij kunnen, op hun verzoek, kosteloos een afschrift van het dossier verkrijgen. » Art. 39.In artikel 246 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 juli 1967, worden de woorden « het hof van beroep » vervangen door de woorden « de kamer van inbeschuldigingstelling. » Art. 40.In artikel 247 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 juli 1967, worden de woorden « het hof van beroep » en « het hof » telkens vervangen door de woorden « de kamer van inbeschuldigingstelling. » Art. 41.In artikel 248 van hetzelfde Wetboek wordt het tweede lid vervangen als volgt : « Evenwel kan de onderzoeksrechter, indien er reden toe is, op grond van de nieuwe bezwaren en vóór hun verzending aan de procureur-generaal een bevel tot aanhouding uitvaardigen tegen de verdachte die reeds in vrijheid mocht zijn gesteld overeenkomstig artikel 26, § 1, van de wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009266 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Strafvordering inzake de procedure tot onttrekking van de zaak aan de rechter type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009267 bron ministerie van justitie Wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek sluiten9 betreffende de voorlopige hechtenis. » Art. 42.In Boek II, Titel II, van hetzelfde Wetboek, wordt Hoofdstuk II « Vorming van de Hoven van Assisen », Hoofdstuk IV, met als opschrift « Hoofdstuk IV. Voorziening tegen het verwijzingsarrest », dat de artikelen 251 tot 253 bevat. Art. 43.Artikel 251 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 251.De procureur-generaal en de andere partijen hebben het recht een voorziening in cassatie in te stellen tegen het arrest van verwijzing naar het hof van assisen. Die voorziening moet in elk geval binnen vijftien dagen na de uitspraak van het arrest worden ingesteld, door een verklaring gedaan op de griffie van het hof van beroep in de bij artikel 417 bepaalde vorm. » Art. 44.Artikel 252 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 252.In de verklaring moet de grond van de voorziening worden opgegeven. Onverminderd artikel 416, tweede lid, kan de voorziening alleen worden ingesteld tegen het arrest van verwijzing naar het hof van assisen in een van de volgende gevallen : 1° wanneer het feit geen misdrijf is volgens de wet;2° wanneer het openbaar ministerie niet gehoord is;3° wanneer het arrest niet gewezen is door het bij de wet bepaalde aantal rechters;4° wanneer de wettelijke voorschriften betreffende het gebruik van de talen in gerechtszaken niet werden nageleefd;5° wanneer de in artikel 223 voorgeschreven regels van de tegenspraak niet werden nageleefd.» Art. 45.Artikel 253 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 253.Zodra de griffier de verklaring ontvangen heeft, doet de procureur-generaal bij het hof van beroep een uitgifte van het arrest toekomen aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, dat gehouden is, met voorrang boven alle andere zaken, uitspraak te doen. » Art. 46.In Boek II, Titel II, van hetzelfde Wetboek, wordt, na artikel 253 een Hoofdstuk V ingevoegd, met als opschrift « Hoofdstuk V. Procedure voorafgaand aan de zitting ten gronde », dat de artikelen 254 tot 273 bevat. Art. 47.In Boek II, Titel II, Hoofdstuk V, van hetzelfde Wetboek wordt na het opschrift van het Hoofdstuk een Afdeling 1 ingevoegd, met als opschrift « Afdeling 1. De ambtsverrichtingen van de voorzitter », die de artikelen 254 tot 258 bevat. Art. 48.Artikel 254 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 254.Ten minste vijftien dagen vóór de preliminaire zitting vergewist de voorzitter er zich van dat de beschuldigde een raadsman heeft gekozen om hem in zijn verdediging bij te staan. Indien dit niet het geval is, voegt hij hem, in overleg met de stafhouder, dadelijk een raadsman toe, op straffe van nietigheid van alles wat zal volgen. Die toevoeging wordt als ongedaan beschouwd en de nietigheid wordt niet uitgesproken, indien de beschuldigde een raadsman kiest. De voorzitter kan de beschuldigde ondervragen. In dat geval wordt de ondervraging vastgesteld bij een proces-verbaal dat wordt ondertekend door de voorzitter, de griffier en de beschuldigde. » Art. 49.Artikel 255 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 255.Zo de voorzitter het gerechtelijk onderzoek onvolledig acht of zo er sedert het afsluiten van het onderzoek nieuwe gegevens aan het licht zijn gekomen, kan hij alle onderzoeksdaden bevelen die hij nuttig acht, met uitzondering van een bevel tot aanhouding. De processen-verbaal en andere stukken of documenten die tijdens dat aanvullend gerechtelijk onderzoek worden verzameld, worden neergelegd ter griffie en bij het dossier van de rechtspleging gevoegd. De griffier stelt de procureur-generaal en de partijen van die neerlegging in kennis en bezorgt aan elk van de partijen kosteloos een afschrift van het aanvullend dossier. » Art. 50.Artikel 256 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 256.Vóór de opening van de zitting kan de voorzitter van ambtswege of op verzoek van het openbaar ministerie, de beschuldigde of de burgerlijke partij bevelen een zaak die niet in staat van wijzen is, naar een latere zitting te verwijzen of het tijdstip waarop de debatten zullen aanvangen, uitstellen. » Art. 51.Artikel 257 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 257.Wanneer wegens een zelfde misdrijf verscheidene akten van beschuldiging zijn opgemaakt tegen verschillende beschuldigden, kan de procureur-generaal de samenvoeging vorderen en kan de voorzitter deze zelfs ambtshalve bevelen. » Art. 52.Artikel 258 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 258.Wanneer de akte van beschuldiging verscheidene niet samenhangende misdrijven bevat, kan de voorzitter ambtshalve of op vordering van de procureur-generaal bevelen dat de beschuldigden vooralsnog niet terechtstaan dan voor één of verscheidene van die misdrijven. » Art. 53.In Hoofdstuk V van Titel II van Boek II van hetzelfde Wetboek wordt na artikel 258 een Afdeling 2 ingevoegd, met als opschrift « Afdeling 2. De ambtsverrichtingen van de procureur-generaal », die de artikelen 259 tot 273 bevat. Art. 54.Artikel 259 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 259.De procureur-generaal vervolgt, hetzij zelf, hetzij door de door hem afgevaardigde magistraat, elke persoon die in beschuldiging gesteld is in de vorm voorgeschreven in hoofdstuk III. De inbeschuldigingstelling, van deze titel. Hij mag geen andere beschuldiging voor het hof brengen op straffe van nietigheid, en, indien daartoe grond bestaat, kan tegen hem verhaal op de rechter worden ingesteld. » Art. 55.Artikel 260 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 260.Zodra de procureur-generaal of de door hem afgevaardigde magistraat de stukken ontvangt, ziet hij erop toe dat de voorbereidende handelingen worden verricht en dat alles in gereedheid is voor de debatten. » Art. 56.Artikel 261 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 30 juni 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/06/2000 pub. 17/03/2001 numac 2000009755 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechtspleging voor het hof van assisen te stroomlijnen type wet prom. 30/06/2000 pub. 09/08/2000 numac 2000009646 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend sluiten, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 261.In alle gevallen waarin de beschuldigde naar het hof van assisen wordt verwezen, is de procureur-generaal gehouden een akte van beschuldiging op te stellen. De akte van beschuldiging beschrijft : 1° de aard van het misdrijf dat aan de beschuldiging ten grondslag ligt;2° het feit en alle omstandigheden die de straf kunnen verzwaren of verminderen;de beschuldigde wordt met name erin genoemd en duidelijk aangewezen. De akte van beschuldiging eindigt aldus : « Bijgevolg wordt N... beschuldigd die bepaalde doodslag, die bepaalde diefstal, of die andere bepaalde misdaad, met die en die omstandigheid, te hebben gepleegd. » Art. 57.Artikel 262 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven. Art. 58.Artikel 264 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 264.Hij doet in naam van de wet alle vorderingen die hij nuttig oordeelt; het hof is gehouden hem akte ervan te verlenen en erover te beslissen. » Art. 59.Artikel 265 van hetzelfde Wetboek, waarvan de Franse tekst gewijzigd werd bij de wet van 10 juli 1967, wordt vervangen als volgt : « Art. 265.De procureur-generaal ondertekent zijn vorderingen. Vorderingen die worden gedaan tijdens de debatten, worden door de griffier in zijn proces-verbaal opgenomen en eveneens door de procureur-generaal ondertekend. Alle beslissingen waartoe die vorderingen aanleiding hebben gegeven, worden ondertekend door de rechter-voorzitter en door de griffier. » Art. 60.In hetzelfde Wetboek wordt, na artikel 265, het opschrift « § 1. Ambtsverrichtingen van de voorzitter » opgeheven. Art. 61.Artikel 266 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 266.Wanneer het hof de vordering van de procureur-generaal niet inwilligt, wordt noch het onderzoek noch de uitspraak gestuit of geschorst, met dien verstande evenwel dat de procureur-generaal na het arrest zich in cassatie kan voorzien, indien daartoe grond bestaat. » Art. 62.Opgeheven worden : 1° artikel 267 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 18 augustus 1907;2° artikel 268 van hetzelfde Wetboek;3° artikel 269 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 30 juni 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/06/2000 pub. 17/03/2001 numac 2000009755 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechtspleging voor het hof van assisen te stroomlijnen type wet prom. 30/06/2000 pub. 09/08/2000 numac 2000009646 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend sluiten;4° artikel 270 van hetzelfde Wetboek. Art. 63.In hetzelfde Wetboek wordt, na artikel 270, het opschrift « § II. Ambtsverrichtingen van de procureur-generaal bij het hof van beroep » opgeheven. Art. 64.De artikelen 271 en 272 van hetzelfde Wetboek worden opgeheven. Art. 65.Artikel 273 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 273.In alle gevallen waarin de procureurs des Konings en de voorzitters gemachtigd zijn om de ambtsverrichtingen van officier van gerechtelijke politie of van onderzoeksrechter waar te nemen, kunnen zij aan de procureur des Konings, de onderzoeksrechter en de vrederechter, zelfs van een gerechtelijk arrondissement gelegen nabij de plaats van het misdrijf, de ambtsverrichtingen waarmee zij onderscheidenlijk belast zijn, opdragen, met uitzondering van het verlenen tegen de verdachten van de bevelen tot medebrenging en tot aanhouding. » Art. 66.In Boek II, Titel II, van hetzelfde Wetboek wordt, na artikel 273, een Hoofdstuk VI ingevoegd, met als opschrift « Hoofdstuk VI. Rechtspleging voor het hof van assisen », dat de artikelen 274 tot 354 bevat. Art. 67.In hetzelfde Hoofdstuk VI wordt, na het opschrift van het hoofdstuk, een Afdeling 1 ingevoegd, met als opschrift « Afdeling 1. De preliminaire zitting », die de artikelen 274 tot 279 bevat. Art. 68.Artikel 274 van hetzelfde Wetboek, waarvan de Franse tekst gewijzigd werd bij de wet van 10 juli 1967, wordt vervangen als volgt : « Art. 274.Vóór de terechtzitting ten gronde houdt de voorzitter een preliminaire zitting voor het samenstellen van de in artikel 278 bedoelde lijst van getuigen. De voorzitter doet uitspraak binnen de kortst mogelijke termijn. » Art. 69.Artikel 275 van hetzelfde Wetboek, waarvan de Franse tekst gewijzigd werd bij de wet van 10 juli 1967, wordt vervangen door wat volgt : « Art. 275.De procureur-generaal laat in één exploot de akte van beschuldiging en de dagvaarding voor de preliminaire zitting betekenen aan de beschuldigde en de andere partijen. Hij voegt daar een kopie van het arrest van verwijzing aan toe. Indien de beschuldigde zich in hechtenis bevindt, moet die betekening aan de persoon worden gedaan. » Art. 70.Artikel 276 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 276.De termijn van dagvaarding is ten minste twintig dagen, tenzij de partijen daar uitdrukkelijk afstand van doen. Bij niet-naleving van deze termijn en op voorwaarde dat een van de partijen die niet-naleving opwerpt uiterlijk bij de opening van de preliminaire zitting en vóór alle exceptie of verweer, bepaalt de voorzitter van het hof van assisen bij beschikking ambtshalve een nieuwe datum en een nieuw uur voor de preliminaire zitting. » Art. 71.Artikel 277 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 277.De beschuldigde en de burgerlijke partij verschijnen persoonlijk of worden vertegenwoordigd door een advocaat. Ingeval de beschuldigde persoonlijk verschijnt, verschijnt hij ongeboeid en slechts vergezeld door bewakers om te beletten dat hij ontvlucht. De voorzitter vraagt hem zijn naam, zijn voornamen, zijn leeftijd, zijn beroep, zijn woonplaats en zijn geboorteplaats. Het bepaalde in artikel 190, eerste lid, en in de artikelen 282, eerste tot derde lid, en 283 is van toepassing. » Art. 72.Artikel 278 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 278.§ 1. Uiterlijk vijf dagen voor de preliminaire zitting leggen de procureur-generaal en de partijen ter griffie de lijst neer van de getuigen die zij wensen te horen, inclusief de gegevens van die getuigen. Zo de gegevens van bepaalde getuigen ontbreken of onvolledig zijn, verricht de procureur-generaal het nodige opzoekingswerk. Bij die lijst kan een motivering van de keuze van de getuigen worden gevoegd. In de lijst wordt een onderscheid gemaakt tussen de personen die zullen getuigen over de feiten en de schuld, enerzijds, en de moraliteitsgetuigen anderzijds. § 2. Nadat de voorzitter de opmerkingen van de procureur-generaal en de partijen heeft gehoord, stelt hij de lijst van getuigen vast en bepaalt hij de volgorde waarin ze zullen worden gehoord. De moraliteitsgetuigen van de beschuldigde zullen steeds het laatst worden gehoord. Indien een moraliteitsgetuige evenwel ook moet worden gehoord over de feiten of de schuld, kan de voorzitter beslissen dat diens moraliteitsgetuigenis tegelijk zal worden ontvangen met diens getuigenis over de feiten of de schuld. De voorzitter streeft ernaar om de duur van de terechtzitting zo kort mogelijk te houden. De voorzitter kan de verzoeken van partijen afwijzen wanneer de voorgedragen getuigen kennelijk niets uit te staan hebben met de feiten die aan de beschuldigde ten laste worden gelegd, noch met diens schuld of onschuld of met diens moraliteit. Wat de personen betreft die over de feiten zullen getuigen, worden in elk geval een of meer politieambtenaren die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van de chronologische synthese van de feiten, de eerste vaststellingen en het verloop van het onderzoek opgenomen op de lijst van getuigen. Wat de moraliteitsgetuigen betreft, worden in elk geval een of meer politieambtenaren die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van het moraliteitsonderzoek opgenomen op de lijst van getuigen. § 3. De lijst van getuigen die tijdens de terechtzitting zullen worden gehoord, wordt opgenomen in het arrest van de preliminaire zitting. Die lijst bevat de namen, het beroep en de verblijfplaats van de getuigen, evenals het aantal getuigen van wie bepaalde identiteitsgegevens overeenkomstig artikel 296 ter terechtzitting niet zullen worden vermeld, onverminderd de door artikel 281 aan de voorzitter verleende bevoegdheid. In voorkomend geval kunnen ook reeds de nadere regels inzake het verhoor van bepaalde getuigen overeenkomstig de artikelen 294, 298 en 299 worden bepaald. § 4. Tegen dit arrest kan geen rechtsmiddel worden ingesteld. » Art. 73.Artikel 279 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 12 maart 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009266 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Strafvordering inzake de procedure tot onttrekking van de zaak aan de rechter type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009267 bron ministerie van justitie Wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek sluiten, wordt vervangen als volgt : « Art. 279.De voorzitter kan, op basis van concrete gegevens, die aan het licht zijn gekomen na de controle van de kamer van inbeschuldigingstelling krachtens artikel 235ter, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de beschuldigde, de burgerlijke partij of hun advocaten, de kamer van inbeschuldigingstelling gelasten de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie of infiltratie uit te oefenen met toepassing van artikel 235ter. Deze vordering of dit verzoek dient, op straffe van verval, voor ieder ander rechtsmiddel te worden opgeworpen, behalve indien het middel betrekking heeft op nieuwe en concrete elementen die tijdens de terechtzitting aan het licht zijn gekomen. De voorzitter zendt het dossier aan het openbaar ministerie over, teneinde de zaak daartoe bij de kamer van inbeschuldigingstellling aan te brengen. Buiten het in het eerste lid bedoelde geval kan de voorzitter bij wettigheidsincidenten met betrekking tot de controle op de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, de zaak aan het openbaar ministerie overzenden teneinde deze bij de bevoegde kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen voor de in artikel 235ter bepaalde controle. » Art. 74.In Boek II, Titel II, Hoofdstuk VI van hetzelfde Wetboek wordt na artikel 279 een Afdeling 2 ingevoegd, met als opschrift « Afdeling 2. De zitting ten gronde », die de artikelen 280 tot 346 bevat. Art. 75.In Boek II, Titel II, Hoofdstuk VI, Afdeling 2 van hetzelfde Wetboek wordt een Onderafdeling 1 ingevoegd, met als opschrift « Onderafdeling 1. Algemene bepaling », die artikel 280 bevat. Art. 76.Artikel 280 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 12 maart 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009266 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Strafvordering inzake de procedure tot onttrekking van de zaak aan de rechter type wet prom. 12/03/1998 pub. 02/04/1998 numac 1998009267 bron ministerie van justitie Wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek sluiten, wordt vervangen als volgt : « Art. 280.Het onderzoek ter terechtzitting wordt mondeling gevoerd. De beschuldigde verschijnt ongeboeid en wordt slechts vergezeld door bewakers om te beletten dat hij ontvlucht. De voorzitter vraagt hem zijn naam, zijn voornamen, zijn leeftijd, zijn beroep, zijn woonplaats en zijn geboorteplaats. Het bepaalde in artikel 190, eerste lid, geldt eveneens voor het hof van assisen. Wanneer de debatten eenmaal begonnen zijn, moeten zij worden voortgezet zonder onderbreking, en zonder enigerlei verbinding met de buitenwereld, tot na de beslissing over de schuldvraag. De voorzitter mag ze alleen schorsen voor de nodige rustpozen ten behoeve van het hof, de gezworenen, de getuigen, de beschuldigden en de burgerlijke partijen. » Art. 77.In Afdeling 2 van Boek II, Titel II, Hoofdstuk VI van hetzelfde Wetboek wordt, na artikel 280, een Onderafdeling 2 ingevoegd, met als opschrift « Onderafdeling 2. De ambtsverrichtingen van de voorzitter », die de artikelen 281 tot 283 bevat. Art. 78.Artikel 281 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 281.§ 1. De voorzitter is er persoonlijk mee belast de gezworenen bij de uitoefening van hun taak te begeleiden en hen te informeren over instanties waar ze na de beëindiging van hun taak terecht kunnen voor psychologische ondersteuning, hen op hun plichten te wijzen, in het bijzonder op hun plicht tot discretie, en hen aan te sporen om zich afzijdig te houden van de media. Hij is er ook persoonlijk mee belast het gehele onderzoek voor te zitten en de volgorde te bepalen waarin het woord wordt verleend aan hen die het vragen. Hij is belast met de handhaving van de orde ter terechtzitting. Hij mag evenwel op voorbehouden plaatsen geen personen toelaten waarvan de tegenwoordigheid niet is verantwoord, hetzij door het onderzoek van de zaak of door de dienst bij de terechtzitting, hetzij wegens hun ambt of beroep. § 2. De voorzitter neemt, zelfs ambtshalve, elke nuttige maatregel om alle bewijzen à charge en à décharge te verzamelen. Hij leidt de debatten op een objectieve en onpartijdige wijze. De voorzitter bezit een discretionaire macht, krachtens welke hij alles vermag te doen wat hij nuttig acht om de waarheid te vinden; de wet schrijft hem voor naar eer en geweten al zijn krachten in te spannen om de waarheid aan het licht te brengen. De voorzitter kan in de loop van de debatten alle personen oproepen, zelfs bij bevel tot medebrenging, en hen verhoren, of zich alle nieuwe stukken doen brengen, die, volgens de nadere gegevens ter terechtzitting verstrekt door de beschuldigden of door de getuigen, naar zijn oordeel op het betwiste feit meer licht kunnen werpen. De aldus opgeroepen getuigen worden gehoord overeenkomstig de bij de artikelen 295 tot 299 bepaalde voorschriften. Alles wat de debatten zou verlengen zonder hoop te geven op meer zekerheid omtrent de uitkomst, moet door de voorzitter worden afgewezen. » Art. 79.Artikel 282 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Art. 282.Ingeval de beschuldigde, de burgerlijke partij, de getuigen of een van hen niet dezelfde taal of hetzelfde idioom spreken, benoemt de voorzitter ambtshalve, op straffe van nietigheid, een tolk, ten minste eenentwintig jaar oud, en doet hem, eveneens op straffe van nietigheid, de eed afleggen dat hij trouw het gezegde zal vertalen, dat moet worden overgebracht aan degenen die een verschillende taal spreken. De beschuldigde, de burgerlijke partij en de procureur-generaal kunnen de tolk wraken, op voorwaarde dat zij de reden van hun wraking opgeven. De voorzitter doet uitspraak. Zelfs met instemming van de beschuldigde, van de burgerlijke partij en van de procureur-generaal kan de tolk niet worden gekozen uit de getuigen en de gezworenen, zulks op straffe van nietigheid. » Art. 80.Artikel 282bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 275 van 30 maart 1936 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 augustus 1991, wordt opgeheven. Art. 81.Artikel 283 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 juli 1967, wordt vervangen door wat volgt : « Art. 283.Indien de beschuldigde doofstom is en niet kan schrijven, benoemt de voorzitter ambtshalve tot zijn tolk de persoon die het meest gewoon is met hem om te gaan. Hetzelfde geschiedt ten aanzien van een doofstomme getuige of van een doofstomme burgerlijke partij. De overige bepalingen van artikel 282 zijn van toepassing. Ingeval de doofstomme kan schrijven, worden de tot hem gerichte vragen en opmerkingen door de griffier op schrift gesteld; zij worden overhandigd aan de beschuldigde, de burgerlijke partij of de getuige, die zijn antwoord of zijn verklaring schriftelijk geeft. De griffier leest alles voor. » Art. 82.In Afdeling 2 van Hoofdstuk VI, Titel II, Boek II, van hetzelfde Wetboek wordt, na artikel 283, een Onderafdeling 3 ingevoegd, met als opschrift « Onderafdeling 3. De ambtsverrichtingen van de procureur-generaal », die de artikelen 284 en 284bis bevat. Art. 83.Artikel 284 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 284.De procureur-generaal neemt deel aan de debatten; hij vordert de toepassing van de strafwet; hij is aanwezig bij de uitspraak van het arrest. » Art. 84.In hetzelfde Wetboek wordt een 284bis ingevoegd, luidend als volgt : « Art. 284bis.De in de artikelen 264, 265 en 266 vervatte bepalingen met betrekking tot de ambtsverrichtingen van de procureur-generaal zijn van toepassing. » Art. 85.In Afdeling 2 van Hoofdstuk VI, van hetzelfde Wetboek wordt, na artikel 284bis, een Onderafdeling 4 ingevoegd, met als opschrift « Onderafdeling 4. De oproeping en verschijning van de partijen », die de artikelen 285 en 286 omvat. Art. 86.Artikel 285 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 285.§ 1. De procureur-generaal laat in één exploot aan de beschuldigde en aan de burgerlijke partij betekenen : 1° het arrest betreffende de preliminaire zitting;2° de dagvaarding om te verschijnen op de zitting die wordt gewijd aan de samenstelling van de jury, en 3° de dagvaarding om te verschijnen op de zitting ten gronde. § 2. Die betekening moet aan de persoon worden gedaan indien de beschuldigde zich in hechtenis bevindt. De termijn van dagvaarding is vijftien dagen, tenzij de partijen daar uitdrukkelijk afstand van doen. Bij niet-naleving van deze termijn en op voorwaarde dat één van de partijen die niet-naleving opwerpt uiterlijk bij de opening van de zitting en vóór alle exceptie of verweer, bepaalt de voorzitter bij beschikking ambtshalve een nieuwe datum en een nieuw uur voor de opening van de zitting. » Art. 87.Artikel 286 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 286.Wanneer de beschuldigde, die zich niet in hechtenis bevindt, zich niet persoonlijk aanmeldt of zich niet laat vertegenwoordigen door een advocaat, op de voor de opening van de debatten vastgestelde datum, geeft de voorzitter van het hof van assisen terstond een beschikking houdende dat die beschuldigde bij verstek zal worden berecht. Vervolgens zal te werk worden gegaan zoals bepaald in hoofdstuk VII, afdeling 2. » Art. 88.In Afdeling 2 van Boek II, Titel II, Hoofdstuk VI van hetzelfde Wetboek wordt, na artikel 287, een Onderafdeling 5 ingevoegd, met als opschrift « Onderafdeling 5. De samenstelling van de jury », die de artikelen 287 tot 290 bevat. Art. 89.Artikel 287 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 287.Ten minste twee werkdagen voor de zitting ten gronde, worden de gezworenen opgeroepen voor het hof van assisen in aanwezigheid van de procureur-generaal, van de beschuldigde of zijn raadsman en van de burgerlijke partij of haar raadsman. Niettegenstaande het bij artikel 234 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde vermoeden, ontslaat de voorzitter ambtshalve de personen die sedert hun inschrijving op de gemeentelijke lijst niet meer voldoen aan de voorwaarden van artikel 217 van het vermelde wetboek of die een van de hoedanigheden hebben verworven welke vermeld worden in artikel 224 van hetzelfde wetboek. Hij doet uitspraak over de verzoeken tot vrijstelling van de opgeroepen gezworenen. Hij ontslaat degenen die kennelijk niet in staat zijn de taak van gezworene te vervullen. De namen van de aanwezige niet vrijgestelde gezworenen worden in een bus gelegd. » Art. 90.Artikel 288 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 288.Zijn er niet voldoende gezworenen aanwezig, dan gelast de voorzitter van het hof van assisen de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg overeenkomstig de artikelen 238 en 239 van het Gerechtelijk Wetboek, zoveel gezworenen te doen uitloten als hij bepaalt. Dezen worden onmiddellijk met alle nuttige middelen opgeroepen om te verschijnen op de dag die de voorzitter bepaalt. Met de aldus opgeroepen, aanwezige en niet vrijgestelde gezworenen wordt het vereiste aantal aangevuld, in de orde die het lot bepaalt. » Art. 91.Artikel 289 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 289.§ 1. De voorzitter neemt een voor een de namen van de gezworenen uit de bus. § 2. Eerst de beschuldigde, daarna de procureur-generaal, mag dan een gelijk aantal gezworenen wraken, namelijk zes indien er geen plaatsvervangende gezworenen zijn, zeven indien er één of twee zijn en acht indien er drie of vier zijn, negen indien er vijf of zes zijn, tien indien er zeven of acht zijn, elf indien er negen of tien zijn en twaalf indien er elf of twaalf zijn. De beschuldigde en de procureur-generaal mogen hun reden voor de wraking niet bekendmaken. Zijn er verscheidene beschuldigden, dan kunnen zij afzonderlijk wraken of overeenkomen om te wraken, doch zij mogen het getal van de wrakingen waartoe één beschuldigde recht zou hebben niet overschrijden. Komen de beschuldigden niet overeen, dan regelt de voorzitter van het hof van assisen bij loting de orde waarin zij voor iedere gezworene kunnen wraken. In dit geval zijn de door één beschuldigde gewraakte gezworenen gewraakt voor allen, totdat het aantal wrakingen geheel heeft plaatsgehad. De beschuldigden kunnen overeenkomen om een gedeelte van de wrakingen te verrichten en de overige doen naar de orde die het lot aanwijst. De voorzitter mag gezworenen wraken teneinde te voldoen aan de bij § 3 bepaalde vereiste. § 3. De jury is rechtsgeldig samengesteld zodra twaalf gezworenen zijn aangewezen. Op het ogenblik waarop de jury wordt samengesteld, is ten hoogste twee derde van de leden ervan van hetzelfde geslacht. Vervolgens loot de voorzitter van het hof van assisen het aantal plaatsvervangende gezworenen uit dat bepaald is ter uitvoering van artikel 124 van het Gerechtelijk Wetboek. § 4. Voor de gezworenen en de plaatsvervangende gezworenen wordt voorzien in een informatiesessie waarvan de nadere regels worden bepaald door de Koning. § 5. In geval van uitstel van de zaak naar een onbepaalde datum wordt de lijst van de gezworenen voor die zaak vernietigd en wordt overgegaan tot de samenstelling van een nieuwe jury. » Art. 92.Artikel 290 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : « Art. 290.Vervolgens richt de voorzitter tot de gezworenen de volgende toespraak : « Gij zweert en belooft dat gij de aan N. ten laste gelegde feiten met de grootste aandacht zult onderzoeken; dat gij geen afbreuk zult doen aan de belangen van de beschuldigde of aan de belangen van de maatschappij, die hem beschuldigt; dat gij met niemand in verbinding zult komen voordat uw verklaring is afgelegd; dat gij geen gehoor zult geven aan haat of kwaadwilligheid, aan vrees of genegenheid; dat gij zult beslissen op grond van de bewijzen en de middelen van verdediging met onpartijdigheid en vastberadenheid zoals het een vrij en rechtschapen mens betaamt ». of : « Vous jurez et promettez d'examiner avec l'attention la plus scrupuleuse les charges qui seront portées contre N., de ne trahir ni les intérêts de l'accusé, ni ceux de la société qui l'accuse; de ne communiquer avec personne jusqu'après votre déclaration; de n'écouter ni la haine ou la méchanceté, ni la crainte ou l'affection; de vous décider d'après des preuves et les moyens de défense, avec l'impartialité et la fermeté qui conviennent à une personne probe et libre ». of : « Sie schwören und versprechen, die gegen N. erhobenen Beschuldigungen mit grösster Aufmerksamkeit zu prüfen, weder das Interesse des Angeklagten noch das der menschlichen Gesellschaft, die Anklage gegen ihn erhebt, zu verletzen; mit niemandem bis zur Abgabe Ihrer Erklärung in Verbindung zu treten; sich weder von Hass noch Bosheit, Furcht oder Zuneigung leiten zu lassen; Ihre Entscheidung aufgrund der vorgebrachten Belastungs- und Entlastungsmittel zu fällen, und zwar nach Ihrem Gewissen und Ihrer festen Ueberzeugung, mit der Unparteilichkeit und Standhaftigkeit eines freien und anständigen Menschen ». De gezworenen, een voor een door de voorzitter genoemd, antwoorden met opgeheven hand « Ik zweer het », op straffe van nietigheid. » Art. 93.In hetzelfde Wetboek wordt, na artikel 290, het bestaande opschrift « Hoofdstuk III. Rechtspleging voor het hof van assisen » opgeheven. Art. 94.In Afdeling 2 van Boek II, Titel II, Hoofdstuk VI van hetzelfde Wetboek wordt, na artikel 291, een Onderafdeling 6 ingevoegd, met als opschrift « Onderafdeling 6. De behandeling ter terechtzitting », die de artikelen 291 tot 321 bevat. Art. 95.Artikel 291 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 juni 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/06/2000 pub. 17/03/2001 numac 2000009755 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechtspleging voor het hof van assisen te stroomlijnen type wet prom. 30/06/2000 pub. 09/08/2000 numac 2000009646 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend sluiten, wordt vervangen als volgt : « Art. 291.De partijen dienen, vooraleer tot de voorlezing bedoeld in artikel 292 wordt overgegaan, de middelen bedoeld in artikel 235bis die zij aan de feitenrechter kunnen onderwerpen bij conclusie te omschrijven. Het hof doet daarover onmiddellijk uitspraak. De eis tot cassatie tegen dit arrest wordt ingesteld samen met de eis tegen het eindarrest, bedoeld in artikel 359. » Art. 96.Artikel 292 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 juni 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/06/2000 pub. 17/03/2001 numac 2000009755 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechtspleging voor het hof van assisen te stroomlijnen type wet prom. 30/06/2000 pub. 09/08/2000 numac 2000009646 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend sluiten, wordt vervangen als volgt : « Art. 292.Onmiddellijk daarna kan de voorzitter de griffier bevelen het arrest van verwijzing geheel of ten dele voor te lezen. De griffier overhandigt aan elke gezworene een afschrift van de akte van beschuldiging en van de akte van verdediging, zo er één bestaat. De procureur-generaal leest de akte van beschuldiging voor en de beschuldigde of zijn raadsman de akte van verdediging. De procureur-generaal zet het onderwerp van de beschuldiging uiteen. Indien hij dit wenst, zet de beschuldigde of zijn raadsman beknopt zijn verdediging uiteen. » Art. 97.De artikelen 292bis en 292ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/06/2000 pub. 17/03/2001 numac 2000009755 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechtspleging voor het hof van assisen te stroomlijnen type wet prom. 30/06/2000 pub. 09/08/2000 numac 2000009646 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend sluiten, worden opgeheven. Art. 98.Artikel 293 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 20 september 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/09/2002 pub. 22/10/2002 numac 2002009939 bron federale overheidsdienst justitie Wer ter vervanging van artikel 293 van het Wetboek van strafvordering teneinde de beschuldigde bijstand door een advocaat te verlenen type wet prom. 20/09/2002 pub. 14/11/2002 numac 2002003451 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken en ministerie van financien Wet betreffende de toetreding van België tot de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij sluiten wordt vervangen als volgt : « Art. 293.De voorzitter beveelt aan de getuigen zich te begeven naar de voor hen bestemde kamer. Zij verlaten die slechts om hun getuigenis af te leggen. Zo nodig neemt de voorzitter maatregelen om de getuigen te beletten zich vóór het afleggen van hun getuigenis met elkaar te onderhouden over het misdrijf en over de beschuldigde. » Art. 99.Artikel 294 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 juni 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/06/2000 pub. 17/03/2001 numac 2000009755 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechtspleging voor het hof van assisen te stroomlijnen type wet prom. 30/06/2000 pub. 09/08/2000 numac 2000009646 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend sluiten, wordt vervangen als volgt : « Art. 294.De getuige wiens identiteit met toepassing …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.