📄 Wettekst
17 MAART 2024. - Koninklijk besluit betreffende de beveiliging van radioactieve stoffen en bepaalde kernmaterialen
Verslag aan de Koning Sire, Ik heb de eer ter ondertekening van Uwe Majesteit een Ontwerp van besluit voor te leggen betreffende de beveiliging van radioactieve stoffen en bepaalde kernmaterialen.
Naast de voordelen die ze bieden, brengen radioactieve stoffen ook gevaren met zich mee, niet alleen in termen van veiligheid en stralingsbescherming, maar ook in termen van misbruik en dus in termen van beveiliging.
De laatste decennia hebben Staten steeds meer en meer rekening gehouden met deze overwegingen, dat zich op internationaal vlak op de volgende wijze vertaald heeft: a) Onder de auspiciën van het International Atomic Energy Agency, hierna "IAEA" werd de Code of Conduct on the Safety and Security of Radioactive Sources in september 2003 ontwikkeld.Aangezien dit document meer en meer beschouwd wordt als de belangrijkste inspiratiebron, heeft dit juridisch niet bindend document het voorwerp uitgemaakt van een politiek engagement van België om deze richtlijnen te volgen (zie IAEA Information Circular INFCIRC/663 van 29 december 2005). b) Wat de juridisch bindende engagementen betreft, moet de Internationale Conventie inzake de repressie van daden van nucleair terrorisme (International Convention for the Suppression of Acts of Nuclear Terrorism-ICSANT) worden vermeld.De Conventie verplicht aan de ondertekenende landen om het onwettig en doelbewust bezit van radioactieve stoffen en het onwettig gebruik ervan strafbaar te maken.
Om die inbreuken te vermijden verplicht de Conventie de ondertekende landen om te trachten de gepaste maatregelen te nemen om radioactieve stoffen te beveiligen, rekening houdend met de desbetreffende aanbevelingen van het IAEA. c) In het kader van de Nuclear Security Summits, heeft België zich op het hoogste politieke niveau geëngageerd om een efficiënte beveiliging van radioactieve stoffen te verzekeren, en meer bepaald om te vermijden dat niet-statelijke actoren dergelijke stoffen in het bezit kunnen krijgen.d) Dit ontwerp koninklijk besluit wil ook een antwoord bieden op de volgende aanbevelingen voortvloeiend uit de 2013 IRRS-missie door het IAEA (Integrated Regulatory Review Service).Dit is een peer review dat betrekking heeft op het nagaan van de conformiteit van het bestaande reglementair kader met de bepaalde internationale standaarden: ? "Recommendation n° 30: The regulatory body should ensure that its management system takes due account of safety and security interface and that such interface is more explicitly addressed when drafting new or amended regulations" ? "Recommendation n° 31: Government should amend regulations with regard to improving the security of radioactive sources". e) Verder werd tijdens de IPPAS missie (International Physical Protection Advisory Service) van het IAEA, het op dat ogenblik bestaande ontwerp van besluit voorgelegd voor commentaar.IPPAS is een missie waarbij de bestaande regelgeving en praktijken met betrekking tot nucleaire beveiliging van een Staat vergeleken worden met de relevante internationale juridische instrumenten. Deze commentaren en opmerkingen zijn mee in overweging genomen.
Om de hierboven vermelde internationale engagementen wettelijk te implementeren werd de
Wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/04/1994
pub.
14/10/2011
numac
2011000621
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, hierna "
Wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/04/1994
pub.
14/10/2011
numac
2011000621
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten", aangepast. Het aangepast wettelijk kader (cfr artikel 17quater van de
wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/04/1994
pub.
14/10/2011
numac
2011000621
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten) geeft de Koning de bevoegdheid om de verschillende radioactieve stoffen in categorieën in te delen volgens hun gevaarlijkheid, beveiligingsmaatregelen voor te schrijven voor de hoogste categorieën en te voorzien in een erkenningsprocedure voor deze beveiligingsmaatregelen. Dit kader verplicht het Agentschap ook om principes op te stellen voor het behoedzaam beheer van radioactieve stoffen in de minst gevaarlijke categorieën.
Als basis document voor het opstellen van de beveiligingsmaatregelen werden internationale richtlijnen gebruikt in het bijzonder de richtlijn NSS11-G (Rev. 1): "Security of Radioactive Material in Use and Storage and of Associated Facilities" uitgegeven door het IAEA gebruik.
Anderzijds werd de referentiedreiging (Design Basis Threat, hierna "DBT") gebruikt om de risico's precies in te schatten. De specifieke scenario's gelinkt aan deze DBT werden geanalyseerd. De bepalingen van dit ontwerpbesluit omvatten maatregelen die redelijkerwijs toereikend worden geacht om het hoofd te bieden aan de meest voorkomende scenario's, waarbij het vooral gaat om diefstal en soms ook sabotage.
Dit ontwerp beoogt een adequate bescherming te bieden zonder de normale werkzaamheden binnen de inrichtingen waar de radioactieve stoffen zich bevinden te belemmeren Andere guidance documents van het IAEA zijn eveneens als inspiratie gebruikt.
Andere regelgevingen zijn nog in ontwikkeling om het reglementaire kader te vervolledigen conform de wettelijke bevoegdheden.
Het hoofddoel van dit ontwerp is om een groot deel van artikel 17quater van de
Wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/04/1994
pub.
14/10/2011
numac
2011000621
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten uit te voeren, en zo in ruime mate uitvoering te geven aan de internationale verbintenissen van België.
Het toepassingsgebied van dit nieuwe ontwerpbesluit omvat de beveiliging van alle radioactieve stoffen die omwille van stralingsbescherming onder reglementaire controle vallen, inclusief radioactief afval, al dan niet in een toestel, in industriële inrichtingen, in medische inrichtingen alsook de radioactieve stoffen die aanwezig zijn in de nucleaire installaties zowel in operationele fase als tijdens stopzetting en ontmanteling.
Het betreft hier alle radioactieve stoffen in eender welk vorm dus zowel ingekapselde als niet ingekapselde radioactieve stoffen, en ook niet geconditioneerd en geconditioneerd afval.
Kernmaterialen in het algemeen worden niet geviseerd door dit ontwerp sinds in oktober 2011 koninklijke besluiten voor de beveiliging van kernmaterialen werden aangenomen. Maar kernmaterialen moeten gezien worden zoals gedefinieerd in de
wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/04/1994
pub.
14/10/2011
numac
2011000621
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten. Deze definitie bevat geen enkele verwijzing naar hoeveelheden. De regelgeving van 2011 bevat beveiligingsmaatregelen voor de drie categorieën gedefinieerd in de tabel in bijlage aan de wet. Zoals bepaald in de bijlage moeten de kernmaterialen die zelfs niet in de laagste categorie van de tabel zijn ingedeeld beveiligd worden volgens de principes van behoedzaam beheer. De regelgeving 2011 dekt deze materialen niet af en is het behoedzaam beheer is niet verder bepaald.
Dit ontwerpbesluit dekt dan ook de beveiliging van de kernmaterialen af, die niet geregeld wordt door de koninklijke besluiten van 17 oktober 2011.
De radioactieve stoffen die aanwezig zijn in "veiligheidszones" in de zin van de nucleaire regelgeving zijn vrijgesteld van de beveiligingsmaatregelen voorzien in dit ontwerp.
Ook wordt er voorzien dat geconditioneerd afval dat kernmaterialen bevat en bestemd is voor de bovengrondse berging, maar er zich nog niet in bevindt, volgens de bepalingen van dit ontwerpbesluit beveiligd kan worden (en niet volgens de koninklijke besluiten voor de fysieke beveiliging van kernmaterialen). Om dit mogelijk te maken moet de exploitant wel kunnen aantonen dat de kernmaterialen aanwezig in dit radioactief afval kunnen beschouwd worden als niet verspreidbaar, niet recupereerbaar en economisch niet meer terugwinbaar met de huidige technologie zodat deze niet meer bruikbaar zijn voor nucleaire toepassingen, zodat de veiligheidsrang van de kernmaterialen kan opgeheven worden.
Het begrip "exploitant" moet in dit ontwerp begrepen worden op dezelfde wijze als in het
koninklijk besluit van 20 juli 2001Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
20/07/2001
pub.
10/10/2013
numac
2013000542
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
type
koninklijk besluit
prom.
20/07/2001
pub.
30/08/2001
numac
2001000726
bron
ministerie van binnenlandse zaken
Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen
sluiten houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, de werknemers en het leefmilieu tegen de gevaren van ioniserende stralingen, hierna algemeen reglement.
De beveiliging van de bergingssites voor radioactief afval wordt voorzien in een specifieke regelgeving.
Dit ontwerpbesluit omvat eveneens de beveiliging van radioactieve stoffen die buiten een inrichting gebruikt worden tijdens mobiele toepassingen of tijdens tijdelijke of occasionele werkzaamheden.
Alle radioactieve stoffen zullen ingedeeld moeten worden in categorieën. Enkel voor de hoogste categorieën zullen specifieke beveiligingsmaatregelen opgenomen zijn in dit ontwerpbesluit. Voor de lagere categorieën voorziet de
Wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/04/1994
pub.
14/10/2011
numac
2011000621
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten de verplichting voor het Agentschap om regels voor het behoedzaam beheer op te stellen.
De grote principes van dit ontwerpbesluit zijn als volgt samen te vatten.
Er is geopteerd voor een prescriptieve aanpak en niet voor een "performance based" aanpak, en dit voornamelijk omdat het voor de betrokken exploitanten (veelal medische inrichtingen en industriële sites) makkelijker zal zijn de beschreven maatregelen te implementeren. Dit ontwerp van koninklijk besluit bevat de nodige maatregelen om weerstand te bieden tegen de risico's die in de DBT geïdentificeerd werden.
Er worden maatregelen voorzien die het risico voor diefstal en in een aantal gevallen tegen sabotage voorkomen, dit in overeenstemming met de DBT die specifiek voor inrichtingen met radioactieve stoffen werd opgesteld.
Voor wat betreft sabotage moet de exploitant toch een bijzondere aandacht schenken aan het risico van "insiders", dit wil zeggen de dreiging die gevormd wordt door eigen personeelsleden die omwille van bijvoorbeeld ontevredenheid, wraakgevoelens, hun overtuigingen, ... zich mogelijk tegen de eigen werkgever keren en mogelijk kwaadwillige acties ondernemen waarbij ook mogelijke sabotage acties.
Dit ontwerp koninklijk besluit vertrekt van het indelen van de radioactieve stoffen in categorieën.
Belangrijk hierbij is dat het vertrekpunt voor de indeling de vergunde activiteit van de radioactieve stoffen is, de activiteit waarvoor de exploitant in de oprichtings- en exploitatievergunning, die wordt (werd) afgeleverd volgens de bepalingen van het algemeen reglement, vergund werd. Voor de hoogste 3 categorieën zullen er in dit ontwerpbesluit beveiligingsmaatregelen opgelegd worden. Voor de laagste 2 categorieën zal er door het Agentschap een technisch reglement opgesteld worden dat de regels voor een behoedzaam beheer zal vastleggen.
Deze indeling in categorieën gebeurt op basis van de R-waarde van een individueel radionuclide. Deze R-waarde duidt de gevaarlijkheid van de radioactieve stof aan. Wanneer er zich meerdere radioactieve stoffen in dezelfde ruimte bevinden wordt een sommatieregel toegepast waarbij de R-waardes worden opgeteld. In een aantal specifieke gevallen wordt deze sommatieregel niet toegepast.
Op basis van deze R-waarde wordt er een beveiligingsniveau aan de ruimte waarin de radioactieve stoffen zich bevinden toegekend. Aan elk van de beveiligingsniveaus worden beveiligingsmaatregelen gekoppeld.
Er worden in het ontwerpbesluit verantwoordelijkheden toegekend aan de exploitant die radioactieve stoffen van de hoogste categorieën in zijn bezit heeft.
Deze verantwoordelijkheden hebben betrekking op het opstellen, implementeren en onderhouden van een radiologisch beveiligingssysteem aangepast aan het beveiligingsniveau van zijn inrichting.
In geval van specifieke dreigingen moet dit systeem aangepast kunnen worden. Verder worden er aan de exploitant verplichtingen opgelegd om dit beveiligingssysteem te testen, te verifiëren en in stand te houden.
Er zijn ook specifieke beveiligingsmaatregelen gedefinieerd voor het gebruik van radioactieve stoffen buiten de vergunde inrichting, bij mobiele toepassingen, of bij tijdelijk en bij gelegenheid uitgevoerde werkzaamheden.
Een ander belangrijk aspect van dit ontwerpbesluit is de aanduiding, door de exploitant, van een afgevaardigde voor de radiologische beveiliging. Deze afgevaardigde voor de radiologische beveiliging krijgt in het besluit een aantal opdrachten toegewezen zonder dat dit afbreuk doet op de finale verantwoordelijkheid van de exploitant.
De exploitant moet zijn radiologisch beveiligingssysteem beschrijven in een beveiligingsplan.
Verder bepaalt dit ontwerpbesluit de procedure voor de erkenning van het radiologisch beveiligingssysteem van inrichtingen waar radioactieve stoffen van de categorie 1, 2 en 3 aanwezig zijn. Om deze erkenning aan te vragen maakt de exploitant gebruik van het beveiligingsplan dat hij opgesteld heeft.
Het principe voor het toekennen van de erkenning van het radiologisch beveiligingssysteem is dat dit samen gebeurt met de oplevering van de oprichtings- en exploitatievergunning volgens de bepalingen van hoofdstuk II van het algemeen reglement. Hiervoor worden de bepalingen van hoofdstuk II van dit algemeen reglement aangepast zodat de indiening van het beveiligingsplan gelijktijdig gebeurt met de aanvraag tot het bekomen van de oprichtings- en exploitatievergunning.
De erkenning van het radiologisch beveiligingssysteem gebeurt in twee stappen: een goedkeuring van het beveiligingsplan samen met het toekennen van de oprichtings- en exploitatievergunning. Na deze goedkeuring kan de exploitant overgaan tot de implementatie en oplevering van het radiologisch beveiligingssysteem.
Voor reeds bestaande inrichtingen zijn er overgangsmaatregelen bepaald waarbij in functie van het risico minder of meer tijd aan de exploitanten gegeven wordt om hun radiologisch beveiligingssysteem uit te werken.
Voor wat betreft de evaluatie van de betrouwbaarheid van personen ("trustworthiness") is er geopteerd om te werken met veiligheidsattesten en niet met veiligheidsmachtigingen. De procedures voor het bekomen van veiligheidsmachtigingen werden te zwaar beoordeeld voor de inrichtingen die enkel radioactieve stoffen in hun bezit hebben.
De veiligheidsattesten zijn nodig voor personen die toegang moeten hebben tot de radioactieve stoffen, de beveiligde ruimtes of de radiologische beveiligingsdocumenten. Er werd ook voorzien dat er alternatieve maatregelen kunnen genomen worden om het veiligheidsattest te vervangen voor specifieke gevallen en dit op basis van risicoanalyses van de exploitant. Dit is een logische voortzetting van de graduele aanpak binnen beveiliging. Uitzonderingen op het hebben van een veiligheidsattest zijn voorzien voor bvb patiënten en hun begeleiders die in een ziekenhuis omwille van een behandeling een beveiligde ruimte moeten betreden. In die gevallen is er een begeleiding of een toezicht noodzakelijk.
Volgens de
wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
11/12/1998
pub.
07/05/1999
numac
1999007004
bron
ministerie van landsverdediging
Wet betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen
type
wet
prom.
11/12/1998
pub.
28/12/2023
numac
2023047806
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst. - Officieuze coördinatie in het Duits
type
wet
prom.
11/12/1998
pub.
03/02/1999
numac
1999009051
bron
ministerie van justitie
Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens
type
wet
prom.
11/12/1998
pub.
07/05/1999
numac
1999007003
bron
ministerie van landsverdediging
Wet tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen
sluiten, is het enkel de veiligheidsofficier die een aanvraag tot veiligheidsattest kan indienen en moet hij over een veiligheidsmachtiging beschikken. Maar sinds de wetswijziging van 23 februari 2018 hoeft de rechtspersoon die de veiligheidsofficier tewerkstelt niet noodzakelijkerwijs over een veiligheidsmachtiging te beschikken indien de veiligheidsofficier zich niet bezighoudt met veiligheidsmaatregelen met betrekking tot geclassificeerde documenten. Wij verwijzen in dit verband naar de voorbereiding van de wijzigings
wet van 23 februari 2018Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
23/02/2018
pub.
01/06/2018
numac
2018031156
bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen
sluiten (blz. 4 van Kamerstuk 2767/001), meer bepaald naar de toelichting bij artikel 2 van het wetsvoorstel: "Artikel 13 definieert in a), en b), het begrip veiligheidsofficier in het kader van de veiligheidsmachtigingen. De invoeging van c) voorziet de functie van veiligheidsofficier in het kader van de veiligheidsverificaties.
De veiligheidsofficier voor de verificaties behandelt niet noodzakelijk geclassificeerde informatie of veiligheidsmachtigingen.
Bijgevolg is er geen noodzaak tot veiligheidsmachtiging voor de rechtspersoon. Dit betekent dat het personeelslid, belast met de functie van veiligheidsofficier in het kader van de veiligheidsverificatie, kan beschikken over een veiligheidsmachtiging zonder dat de rechtspersoon een veiligheidsmachtiging heeft.
Bovendien kan, in het kader van veiligheidsverificaties, eenzelfde veiligheidsofficier deze functie uitoefenen voor meerdere rechtspersonen actief in dezelfde activiteitensector, bijvoorbeeld in de schoot van beroepsfederaties." De documenten met betrekking tot de beveiligingsmaatregelen van radioactieve stoffen, de in de wet gedefinieerde "radiologische beveiligingsdocumenten", moeten beveiligd worden op een niveau "beperkte verspreiding-RAD".
Dit beveiligingsniveau wordt ingevoerd in de nodige wetgevingen. Dit niveau en de te nemen maatregelen zijn min of meer equivalent aan de veiligheidsrang "beperkte verspreiding-NUC".
Artikelsgewijze bespreking: Artikel 1: Dit artikel bevat de verschillende definities die voor dit ontwerpbesluit geldig zijn. Bijzondere aandacht voor de definitie van geautoriseerd persoon en ongeautoriseerde toegang, beide belangrijke definities in het kader van het toegangsbeheer dat de exploitant moet inrichten.
De definitie van kwaadwillige handeling is ook belangrijk om te benadrukken. Het zijn deze handelingen waartegen de exploitant zich moet beveiligen. Hierbij moet de aandacht gevestigd worden op het feit dat niet enkel de handeling zelf wordt beschouwd maar ook de poging tot of het dreigen met specifieke handelingen. Het is in sommige gevallen niet altijd heel duidelijk wanneer er een poging tot bijvoorbeeld diefstal is gebeurd. Vandaar dat het van belang is om het bijzonder opzet "kwaadwilligheid" in de evaluatie van een specifieke handeling mee te nemen.
De definitie van radiologisch beveiligingsincident is een ruime definitie die veel incidenten omvat. De exploitant moet ieder incident op zijn ernst beoordelen. Het doel van deze ruime definitie is de aandacht op mogelijke verdachte handelingen te vestigen en de exploitant de mogelijkheid te geven ieder ongewoon evenement te kunnen onderzoeken.
Artikel 2: Dit artikel omvat de beschrijving van het toepassingsgebied. Dit toepassingsgebied is heel ruim en omvat alle radioactieve stoffen die aan reglementaire controle onderworpen zijn. Er dient wel opgemerkt dat er in het verdere verloop van het ontwerpbesluit niet voor alle radioactieve stoffen specifieke beveiligingsmaatregelen zijn opgelegd.
Enkel deze stoffen die in het ontwerp besluit ingedeeld zijn in de categorieën 1, 2 en 3 zijn aan specifieke beveiligingsmaatregelen onderworpen.
In principe is dit ontwerpbesluit niet van toepassing op de beveiliging van kernmaterialen, hiervoor zijn de koninklijke besluiten van oktober 2011 met betrekking tot de fysieke beveiliging van kernmaterialen van toepassing. Er zijn echter 2 uitzonderingen gemaakt: 1. De kernmaterialen die zich bevinden in het geconditioneerde afval bestemd voor de bovengrondse berging.Het spreekt voor zich dat het beveiligingssysteem voor kernmaterialen voorzien in deze koninklijke besluiten van oktober 2011 niet in overeenstemming is met de beperktere risico's wanneer kernmaterialen zich bevinden in geconditioneerd afval bestemd voor de bovengrondse berging. Dit maakt dat dit ontwerpbesluit van toepassing is op geconditioneerd afval dat geen kernmaterialen bevat maar ook op geconditioneerd afval dat relatief kleine hoeveelheden kernmaterialen bevat waarvoor werd aangetoond dat deze kunnen beschouwd worden als niet verpreidbaar, niet economisch recupereerbaar en niet meer bruikbaar voor nucleaire toepassingen. 2. De kernmaterialen die onder de voetnoot c) van de tabel in bijlage aan de
wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/04/1994
pub.
14/10/2011
numac
2011000621
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten vallen.Het gaat hier dan voornamelijk om kleine hoeveelheden kernmaterialen of om natuurlijk en verarmd uraan en natuurlijk thorium. De koninklijke besluiten van oktober 2011 bevatten beveiligingsmaatregelen voor kernmaterialen ingedeeld in de CAT I, II en III van de tabel in bijlage aan de
wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/04/1994
pub.
14/10/2011
numac
2011000621
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten.
Voor de kernmaterialen die niet in deze categorieën ingedeeld zijn, en die opgenomen zijn in de voetnoot c), worden er geen beveiligingsmaatregelen opgelegd maar moeten deze beveiligd worden volgens de principes van behoedzaam beheer. In het kader van de fysieke beveiligingsregelgeving werden de principes van behoedzaam beheer niet verder uitgewerkt. Daarom werden deze stoffen niet uitgesloten van dit ontwerpbesluit, en worden zij beschouwd voor wat betreft hun beveiliging als radioactieve stoffen(een specifiek artikel is verder in dit ontwerpbesluit opgenomen).
Dit artikel over het toepassingsgebied bevat ook een aantal uitsluitingen waarbij de uitsluiting van radioactieve stoffen die zich in een bergingsplaats bevinden wel een bijzondere aandacht vraagt.
Voor de beveiliging van bergingsplaatsen zal er een aparte regelgeving opgesteld worden.
Eveneens uitgesloten van het toepassingsgebied zijn de radioactieve stoffen die zich bevinden op het militaire domein.
Artikel 3 tot en met 6: Deze artikelen beschrijven de indeling van de radioactieve stoffen in de verschillende categorieën. Deze indeling gebeurt op basis van de activiteit van de radioactieve stoffen en is gebaseerd op de internationale aanbevelingen van het IAEA, in het bijzonder de NSS-11-G (Rev. 1): "Security of Radioactive Material in Use and Storage and ofAssociated Ffacilities". Het betreft hier de activiteit waarvoor de exploitant vergund wordt (voor bestaande exploitanten is de activiteit opgenomen in hun oprichtings- en exploitatievergunning toegekend volgens de bepalingen van het algemeen reglement), en niet de activiteit die werkelijk aanwezig is. Als een exploitant vergund is voor een specifieke hoeveelheid kan hij die ook in zijn bezit hebben of zich op korte tijd aanschaffen. De beveiliging moet in elk geval op het juiste niveau zijn. Gezien er in het verleden oprichtings- en exploitatievergunningen werden toegekend die eerder "enveloppevergunningen" waren, kan het zijn dat niet alle vergunde radioactieve stoffen aanwezig zijn. In dat geval kan de exploitant een wijziging van zijn oprichtings- en exploitatievergunning vragen zodat zijn beveiligingsdossier volgens de vergunde activiteit kan opgesteld worden.
De mogelijkheid die in de internationale aanbevelingen voorzien is om de indeling in categorieën te maken op basis van de toepassing van de radioactieve stoffen is niet weerhouden. De voornaamste toepassingen gebruiken bronnen die wegens hun activiteit in dezelfde categorie werden ingedeeld maar voor een aantal toepassingen was het niet altijd even duidelijk: zo is het gebruik van een brachytherapietoestel de ene keer in categorie 3 ingedeeld en de andere keer in categorie 2 terwijl de Ir-192 bronnen die in het toestel zitten in beide gevallen op basis van hun activiteit in dezelfde categorie ingedeeld worden. Er werd geoordeeld dat dit voor verwarring zou kunnen zorgen en er werd dan ook gekozen voor één enkel systeem.
Wanneer meerdere radioactieve stoffen aanwezig zijn in dezelfde ruimte zullen de R-waardes van deze stoffen moeten opgeteld worden om een R-waarde van de ruimte te bepalen.
Deze sommatie moet niet gebeuren wanneer het gaat om ingekapselde bronnen in een bronhouder die vast gemonteerd zijn op een meetinstallatie. Het betreft in dit geval meettoestellen die voornamelijk in productieprocessen gebruikt worden zoals niveaumetingen, dichtheidsmetingen, diktemetingen, ... De sommatie moet in dit geval niet gemaakt worden omdat deze individuele bronnen elk een aparte handeling vragen om gedemonteerd en eventueel ontvreemd te worden. Het vraagt in dit geval meer moeite om meerdere bronnen gelijktijdig te ontvreemden. In dat geval moet de ruimte beveiligd worden volgens de hoogste R-waarde van de individuele bronnen. Dit geldt echter niet voor de opslag van gedemonteerde bronhouders, gezien deze dan wel weer in één moeite kunnen ontvreemd worden.
Eenzelfde soort regel is ook ingevoerd voor het geconditioneerde afval. Het gaat hier om afval dat reeds behandeld werd om te kunnen voldoen aan de criteria van NIRAS voor geconditioneerd afval en waarbij de radioactieve stoffen op een of andere wijze minder verspreidbaar gemaakt zijn. Deze conditionering is dan ook de reden waarom het risico om de radioactieve stoffen te ontvreemden of op een kwaadwillige handeling lager is ingeschat.
In een ruimte waar meerdere recipiënten met geconditioneerd afval aanwezig zijn wordt de R-waarde bepaald door het vat met de hoogste R-waarde.
De grote massieve stukken die geactiveerd of besmet zijn met radioactieve stoffen en die individueel meer dan 2 ton wegen worden, onafhankelijk van hun activiteit, ingedeeld in categorie 3. Door hun gewicht en de verdeling van de activiteit over het geheel werd geoordeeld dat de risico's voor een kwaadwillige handeling lager zijn dan wanneer eenzelfde activiteit in een kleine bron zou aanwezig zijn.
Er dient uiteraard wel rekening gehouden te worden met de manipulaties die deze grote stukken zullen ondergaan. Een groot stuk dat meer weegt dan 2 ton maar waar het voorzien is dat deze in kleinere stukken wordt verzaagd om als afval afgevoerd te worden of om een verdere verwerking te ondergaan kan uiteraard niet van deze vrijstelling genieten gezien de kleinere stukken die dan in de ruimte aanwezig zullen zijn. Indien deze massieve stukken aanwezig zijn in ruimtes waar nog andere radioactieve stoffen aanwezig zijn en er volgens de bepalingen van dit artikel een sommatie moet gebeuren wordt aan deze materialen een R-waarde van 1 toegekend.
Artikel 7: Dit artikel bepaalt welke delen van het ontwerp van koninklijk besluit van toepassing zijn op de radioactieve stoffen die ingedeeld worden in de lagere categorieën, waarvoor er geen specifieke beveiligingsmaatregelen in dit ontwerpbesluit worden opgenomen. De
wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/04/1994
pub.
14/10/2011
numac
2011000621
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten bepaalt dat voor de beveiliging van deze radioactieve stoffen het Agentschap regels van behoedzaam beheer moet opstellen. Dit kan gebeuren in de vorm van een technisch reglement.
Artikel 8: Bevat de specifieke voorwaarden waaraan het geconditioneerde afval bestemd voor de bovengrondse berging dat kernmaterialen bevat moet voldoen om volgens de bepalingen van dit ontwerpbesluit beveiligd te worden. Deze voorwaarden hebben betrekking op het niet verspreidbaar zijn van de kernmaterialen, het economische niet recupereerbaar zijn met de huidige technologie zodanig dat de kernmaterialen niet meer beschikbaar zijn voor nucleaire activiteiten. Het is aan de exploitant om aan te tonen dat het geconditioneerde afval dat in zijn inrichting aanwezig is aan deze voorwaarden voldoet. Het Agentschap dient hiermee akkoord te gaan. Indien de exploitant dit niet op voldoende wijze kan aantonen zal de beveiliging van zijn inrichting de bepalingen van de regelgeving met betrekking tot de fysieke beveiliging van kernmaterialen moeten volgen.
Het moet duidelijk zijn dat deze bepalingen niet van toepassing zijn op geconditioneerd afval dat kernmaterialen bevat en niet bestemd is voor de bovengrondse berging. In deze gevallen zijn de hoeveelheden kernmaterialen in het afval veel groter en is het opheffen van de veiligheidsrang niet van toepassing.
Artikel 9: Dit artikel bepaalt dat enkel de bepalingen betreffende de indeling in categorieën en betreffende de inventaris van toepassing zijn op radioactieve stoffen aanwezig in een veiligheidszone die onder toepassing van de regelgeving fysieke beveiliging van kernmaterialen valt. In dat geval gelden voor deze stoffen de beveiligingsmaatregelen voor kernmateriaal en zijn ze niet onderworpen aan de specifieke beveiligingsmaatregelen voor radioactieve stoffen in dit ontwerpbesluit.
Er moet wel voldoende aandacht besteed worden aan de eventuele aanpassingen van het fysiek beveiligingssysteem wanneer de kernmaterialen uit deze zones verwijderd worden maar de radioactieve stoffen aanwezig blijven, of als de radioactieve stoffen uit deze zones verwijderd worden of als deze zones voor andere activiteiten zullen gebruikt worden.
Artikel 10: Dit artikel legt aan de exploitant de verplichting op om een radiologisch beveiligingssysteem op te stellen en te onderhouden. Hij moet hiervoor rekening houden met de risico's op kwaadwillige handelingen voor zijn eigen inrichting. Deze verplichting geldt niet enkel voor exploitanten met een "vaste" inrichting maar ook exploitanten die een mobiel installatie uitbaten of tijdelijke en occasionele werkzaamheden uitvoeren, inclusief de tijdelijke werfopslagplaatsen zoals voorzien door het
koninklijk besluit van 17 februari 2023Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
17/02/2023
pub.
03/04/2023
numac
2023030552
bron
federaal agentschap voor nucleaire controle
Koninklijk besluit betreffende de industriële radiografie
sluiten betreffende de industriële radiografie.
Er wordt niet verwacht dat de exploitant actief op zoek gaat naar mogelijke dreigingen maar er wordt wel van de exploitant verwacht dat, wanneer hij kennis krijgt van een specifieke dreiging voor zijn inrichting, hij de nodige maatregelen hiertegen zal nemen.
Artikel 11: Dit artikel behoeft geen bijzondere commentaar.
Artikel 12: Dit artikel vraagt dat de exploitant het radiologisch beveiligingssysteem integreert in de processen van zijn onderneming.
Dit wil zeggen dat hij het integreert in zijn bestaande kwaliteits- beheers- of managementsystemen. Deze integratie garandeert een structurele aanpak van het radiologische beveiligingssysteem en alle processen en procedures die eraan verbonden zijn.
Artikel 13: Iedere exploitant moet ten minste één afgevaardigde voor de radiologische beveiliging aanstellen voor zijn inrichting.
Indien de exploitant meerdere inrichtingen heeft, heeft hij de keuze om één afgevaardigde voor de radiologische beveiliging voor alle inrichtingen aan te stellen of voor elke inrichting apart een afgevaardigde voor de radiologische beveiliging te kiezen. De keuze is aan de exploitant. Hij moet echter rekening houden dat de afgevaardigde voor de radiologische beveiliging zijn taken naar behoren kan uitvoeren en ook de nodige tijd en middelen ter beschikking krijgt.
Hetzelfde geldt voor andere vormen van samenwerking tussen exploitanten die bvb tot hetzelfde ziekenhuisnetwerk behoren.
Er werd geen verplichting opgenomen om een plaatsvervanger aan te duiden. Het is de exploitant echter vrij om dit toch te doen in functie van de beschikbaarheid van de effectieve afgevaardigde voor de radiologische beveiliging. Het is echter wel een goede praktijk om voor deze belangrijke functie een back-up te voorzien.
Wat van belang is bij het aanstellen van deze afgevaardigde voor de radiologische beveiliging is dat deze persoon enerzijds kennis en/of ervaring heeft met betrekking tot beveiliging en anderzijds voldoende kennis heeft van de installaties van de exploitant. De afgevaardigde voor de radiologische beveiliging kan aangesteld worden onder de eigen personeelsleden maar het kan ook zijn dat deze kennis en ervaring niet enkel bij eigen personeelsleden aanwezig is maar ook bij externen waarmee een duurzame langdurige relatie bestaat, en die via andere juridische middelen dan een arbeidsovereenkomst tewerkgesteld worden bij de exploitant. Voorbeelden hiervan zijn o.a. geneesheren die in ziekenhuizen werkzaam zijn via zelfstandige contracten, personeel dat via management vennootschappen langdurig werkzaam is bij dezelfde exploitant, enz. Wat van belang is, is dat, gelet op de taken die de afgevaardigde voor radiologische beveiliging worden toevertrouwd, het hier gaat om een duurzame, langdurige relatie. Een interim of consultant die voor beperkte tijd specifieke taken voor de exploitant uitvoert, wordt hier niet mee bedoeld. De betrokken persoon dient kennis te hebben van de activiteiten/systemen/processen van de exploitant of moet deze verwerven.
De functie van afgevaardigde voor de radiologische beveiliging kan een functie op zich zijn maar kan ook gecombineerd worden met andere functies. Zo kan deze gecombineerd worden met de functie van veiligheidsofficier in het kader van de
wet van 11 december 1998Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
11/12/1998
pub.
07/05/1999
numac
1999007004
bron
ministerie van landsverdediging
Wet betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen
type
wet
prom.
11/12/1998
pub.
28/12/2023
numac
2023047806
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten, veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst. - Officieuze coördinatie in het Duits
type
wet
prom.
11/12/1998
pub.
03/02/1999
numac
1999009051
bron
ministerie van justitie
Wet tot omzetting van de richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens
type
wet
prom.
11/12/1998
pub.
07/05/1999
numac
1999007003
bron
ministerie van landsverdediging
Wet tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen
sluiten maar kan even goed ingeschreven worden in de dienst fysische controle. Het is aan de exploitant om te bepalen wie hij aanduidt en waar hij de functie onderbrengt.
Het Agentschap moet de aanduiding van de afgevaardigde voor de radiologische beveiliging goedkeuren en zal dit baseren op een aantal elementen: professionele ervaring, specifieke opleiding, zijn statuut, positie, ... Het Agentschap kan hiervoor specifieke richtlijnen opstellen. Ook de goedkeuringsprocedure kan gedetailleerd worden in het technisch reglement.
Artikel 14: De functie van afgevaardigde voor de radiologische beveiliging is van primordiaal belang voor het opzetten, uitvoeren en onderhouden van het radiologisch beveiligingssysteem. Uiteraard kan hij wel een aantal van de taken delegeren naar andere medewerkers. Deze opdrachten moeten, om de interface tussen enerzijds veiligheid en stralingsbescherming en anderzijds beveiliging goed te beheren, ook uitgevoerd worden in overleg met het hoofd van de dienst fysische controle die in elke inrichting aanwezig moet zijn. Ook met de veiligheidsofficier en, indien aanwezig, met de afgevaardigde voor fysieke beveiliging dient soortgelijk overleg te gebeuren. Het is hier wel van belang aan te geven dat de exploitant de eindverantwoordelijkheid draagt voor de radiologische beveiliging en dat deze verantwoordelijkheid niet kan gedelegeerd worden naar de afgevaardigde voor de radiologische beveiliging.
Een belangrijke taak die aan de afgevaardigde voor de radiologische beveiliging werd toevertrouwd is de oplevering van het radiologisch beveiligingssysteem.
Er is expliciet opgenomen in dit ontwerpbesluit dat de afgevaardigde voor de radiologische beveiliging adviezen aan externen of bijstand van externen kan vragen voor de uitvoering van zijn opdrachten en taken. Bij het beveiligen van radioactieve stoffen zijn veel facetten betrokken: barrières, vertragingstijden, camera's, deurcontacten, toegangsbeheer... maar ook de aspecten verbonden met de specifieke toepassingen van de radioactieve stoffen, de stralingsbescherming, ... hebben een invloed.
Het kan zijn dat de afgevaardigde voor de radiologische beveiliging voor sommige van deze aspecten een beroep moet doen op externe partners. Het is echter wel evident dat deze externe partners over voldoende expertise moeten beschikken en eveneens moeten voldoen aan de bepalingen met betrekking tot de verificatie van de betrouwbaarheid van personen ("trustworthiness"). Bijvoorbeeld indien er extern advies gezocht wordt voor het opstellen van het beveiligingsplan, moet deze externe persoon ook beschikken over een veiligheidsattest.
Ook de erkend deskundige voor fysische controle of de agent stralingsbescherming kan een rol vervullen in het radiologisch beveiligingssysteem.
Artikel 15: Het is aan de exploitant om een radiologisch beveiligingsplan op te stellen.
Dit beveiligingsplan bevat de beschrijving van het radiologisch beveiligingssysteem en dient ook als aanvraag die moet ingediend worden om het radiologisch beveiligingssysteem te erkennen. De verantwoordelijkheid voor het opstellen van het beveiligingsplan ligt bij de exploitant. Uiteraard moet dit opgesteld worden rekening houdend met het advies van de afgevaardigde voor de radiologische beveiliging. Deze kan zich laten bijstaan door externen zoals voorzien in het vorige artikel.
De inhoud van het beveiligingsplan moet het mogelijk maken voor het Agentschap om het radiologisch beveiligingssysteem in zijn geheel te evalueren. Dit plan vraagt allereerst om een indeling te maken van de vergunde radioactieve stoffen over de verschillende ruimten en de R-waarde van deze ruimtes te bepalen. In functie van de R-waarde wordt het beveiligingsniveau bepaald. De manier waarop aan de bijbehorende beveiligingsmaatregelen wordt voldaan moet beschreven zijn in dit plan. Verder moet in dit radiologisch beveiligingsplan voldoende informatie opgenomen zijn betreffende de van toepassing zijnde processen en procedures voor het toegangsbeheer, communicatie, verificatie van de betrouwbaarheid van personen, testen en evalueren van het systeem, ...
Het Agentschap kan in een technisch reglement de inhoud verder verduidelijken aan de hand van een template die door de exploitant kan gebruikt worden om de nodige informatie op een gestructureerde wijze aan te leveren.
Artikel 16: Radiologische beveiligingsdocumenten moeten beschermd worden om misbruik van de informatie in deze documenten te voorkomen.
Deze documenten mogen enkel toegankelijk zijn voor personen waarvoor het kennis nemen van deze documenten noodzakelijk is (het "Need to know" principe). De definitie van radiologische beveiligingsdocumenten in acht nemend heeft dit ontwerp van koninklijk besluit bepaald dat het beveiligingsplan, het register met de lijst van deze documenten alsook het rapport van de jaarlijkse evaluatie van het radiologisch beveiligingssysteem, radiologische beveiligingsdocumenten zijn.
Welke andere documenten als radiologisch beveiligingsdocument moet ingedeeld worden, moet door de afgevaardigde voor de radiologische beveiliging of de exploitant bepaald worden. Het is afhankelijk van de specifieke situaties bij elk exploitant welke andere documenten moeten beveiligd worden.
Er wordt ook bepaald hoe deze documenten moeten gemarkeerd worden.
Deze markering heeft als doel het onmiddellijk zichtbaar maken dat het om een radiologisch beveiligingsdocument gaat en dat de raadpleging, verspreiding, ... van deze documenten aan regels onderworpen is.
Deze regels gelden voor elk soort document of informatie. Indien het gaat om digitale informatie dienen eveneens de nodige maatregelen genomen te worden tegen gegevensverlies en gekende risico's van intrusie, ongeoorloofde toegang en verspreiding.
Het Agentschap kan een technisch reglement opstellen om meer praktische richtlijnen te geven voor de principes te implementeren.
Artikel 17: Een van de grote basisprincipes voor een efficiënte beveiliging van radioactieve stoffen is het beperken van de toegang tot de radioactieve stoffen en tot de beveiligde ruimte waarin deze radioactieve stoffen zich bevinden. Het is aan de exploitant om zijn toegangsbeheer hierop af te stemmen. Hiervoor geeft hij enkel toegang aan die personen die in deze beveiligde ruimte aanwezig moeten of mogen zijn of die de radioactieve stoffen moeten gebruiken. Het aantal personen dat toegang krijgt moet tot het noodzakelijke minimum beperkt zijn. Dit zijn de geautoriseerde personen. Extra aandacht moet hier gegeven worden aan de noodzaak om onderaannemers toegang tot de beveiligde ruimte te verschaffen. Zo kan het zijn dat bijvoorbeeld het onderhoud uitbesteed wordt aan een derde partij. Ook de personeelsleden van deze 3de partij moeten geautoriseerde personen worden.
Niet geautoriseerde personen mogen de beveiligde ruimte niet betreden tenzij zij begeleid zijn door een geautoriseerd persoon Artikel 18: De exploitant moet een inventaris bijhouden van de radioactieve stoffen per beveiligde ruimte. Het doel van deze inventaris is om op snelle en efficiënte wijze diefstal, verduistering, verlies van de radioactieve stoffen te detecteren. De exploitant is reeds verplicht een inventaris bij te houden via de bepalingen van het algemeen reglement o.a. artikel 27bis. Deze inventaris kan verder gebruikt worden en kan aangevuld worden met de gegevens van de betrokken beveiligde ruimte.
Er wordt niet vereist, vanuit het beveiligingsoogpunt, dat deze inventaris op systematisch wijze aan het Agentschap wordt overgemaakt.
Voor wat betreft de beveiligingsaspecten is de inventaris een instrument die de exploitant moet toelaten vast te stellen of alle radioactieve stoffen zich nog op de juiste plaats bevinden.
Afhankelijk van de categorie dient men al dan niet frequenter de inventaris te verifiëren.
Het bijhouden van een inventaris is niet altijd even makkelijk.
Meerdere parameters kunnen deel uitmaken van de inventaris. De inventaris kan slaan op aantal bronnen, aantal recipiënten (vaten, zakken, colli), aantal onderdelen, ...
In geval van bijvoorbeeld grote hoeveelheden niet geconditioneerd afval tijdens ontmantelingsactiviteiten is het vaak niet evident om een gedetailleerde inventaris bij te houden. Het is dan aan de exploitant om voorstellen te doen waarbij er voldaan wordt aan de doelstelling van de verificatie van de inventaris nl het efficiënt en snel vaststellen van het ongeoorloofd verwijderen van radioactieve stoffen.
Een bijzondere aandacht moet er gegeven worden aan afwijkingen van de inventaris. Afwijkingen van een inventaris kunnen meerdere oorzaken hebben en zijn in sommige gevallen niet makkelijk vast te stellen.
Indien de inventaris enkel bronnen bevatten die zich steeds op een vaste plaats bevinden, kan makkelijk worden vastgesteld wanneer deze er niet meer zijn. In deze gevallen wordt er best ook eerst geverifieerd of deze bronnen niet verkeerdelijk op een andere plaats werden gelegd zonder dit op de gepaste wijze te melden. Voor andere situaties is het minder evident. Daar is het aan de exploitant om een systeem van verificatie op te zetten dat eigen is aan zijn activiteiten.
Artikelen 19 en 20: Deze artikelen behoeven geen bijzondere commentaar.
Artikel 21: De exploitant moet voorbereid zijn op radiologische beveiligingsincidenten. Beveiligingsincidenten zijn er in verschillende gradaties van ernst. Het is aan de exploitant om verschillende te voorziene scenario's vooraf uit te werken en in een intern interventieplan op te nemen samen met de maatregelen die getroffen moeten worden wanneer zulke incidenten zich zouden voordoen.
Het doel hiervan is om voorbereid te zijn op een reeks van mogelijke radiologische beveiligingsincidenten. Uiteraard kunnen niet alle beveiligingsincidenten vooraf bepaald worden.
Artikel 22: In het kader van de radiologische beveiligingsincidenten is het aan de exploitant om de ordediensten tijdig op de hoogte te stellen van mogelijk problemen. Uiteraard dient niet elk van deze incidenten aan de ordediensten gemeld te worden. Het Agentschap kan de criteria voor melding van deze radiologische beveiligingsincidenten opnemen in een technisch reglement. De exploitant moet de nodige procedures uitwerken om deze meldingen te garanderen. De incidenten die aan de ordediensten worden gemeld moeten ook aan het Agentschap gemeld worden.
Artikel 23: Het is van primordiaal belang dat er lessen getrokken worden uit radiologische beveiligingsincidenten. Hiervoor gaat de exploitant na welke de mogelijke oorzaken kunnen zijn en of de beveiligingsmaatregelen nog adequaat zijn, of dat ze moeten aangepast worden of dat er bijkomende maatregelen moeten genomen worden. Hij stelt daarvoor een evaluatierapport op dat ter beschikking is van het Agentschap. Dit evaluatierapport moet, indien dit de reden is voor de aanpassing, deel uitmaken van de aanvraag tot erkenning van een eventueel aangepast radiologisch beveiligingssysteem.
Artikel 24: In het kader van radiologische beveiligingsincidenten kan de interventie van bevoegde ordediensten noodzakelijk zijn. Zulk een interventie is een essentieel onderdeel van de beveiligingsprincipes: deter, detect, delay, response. Dit ontwerpbesluit heeft hoofdzakelijk betrekking op de verplichtingen van de exploitanten en het Agentschap, en niet op andere autoriteiten.
De te verstrekken informatie omvat zowel de preventieve aspecten alsook de aspecten in geval van mogelijke interventie. Het preventief informeren van de ordediensten heeft als doel de ordediensten bewust te maken van de aanwezigheid van radioactieve stoffen waarvoor er specifieke beveiligingsmaatregelen getroffen worden, zodanig dat bij melding van een radiologisch beveiligingsincident de ordediensten de juiste prioriteit kunnen geven aan deze melding. Anderzijds, is het bij een interventie absoluut noodzakelijk dat de exploitant de correcte en actuele informatie kan meedelen om zo de interventie efficiënt te kunnen uitvoeren.
Het informeren van de ordediensten heeft ook het voordeel dat in geval van een specifieke dreiging of een algemene verhoging van het dreigingsniveau de ordediensten kwetsbare installaties makkelijk kunnen identificeren.
Indien er na deze informatieverstrekking vanuit de ordediensten een bereidheid is om een verdere samenwerking op te zetten kan dit de response in geval van radiologische beveiligingsincidenten verder bevorderen.
Artikel 26: Radiologische beveiligingscultuur is een belangrijk gegeven in een onderneming. Het betreft vooral de waakzaamheid voor het respecteren van de regels met betrekking tot beveiligingsaspecten alsook het bewust zijn van mogelijke dreigingen en risico's en daarnaar te handelen. De exploitant moet alles in het werk stellen om zo'n radiologische beveiligingscultuur binnen zijn organisatie te installeren en te bevorderen en dit op alle niveaus van zijn organisatie.
Artikelen 27 en 28: Dit zijn maatregelen die de exploitant moet nemen bij langdurige stilstand van zijn inrichting of bij stopzetting. Deze beveiligingsmaatregelen zijn equivalent aan deze die voor veiligheid en stralingsbescherming in het algemeen reglement opgenomen zijn.
Artikel 29: Het algemene principe van dit ontwerpbesluit bestaat erin dat radioactieve stoffen die ingedeeld zijn in categorie 1,2 of 3 zich steeds in een beveiligde ruimte moeten bevinden. Een beveiligde ruimte is een ruimte die moet beveiligd worden volgens deze bepalingen. Hoe groot deze ruimte moet zijn, of dit een kast, een lokaal, een verdieping of een heel gebouw is, moet door de exploitant bepaald worden op basis van de mogelijkheid om de ruimte op het juiste niveau te beveiligen door barrières aan te brengen en een toegangsbeheer hierop toe te passen.
Elke beveiligde ruimte moet omgeven zijn door minstens één barrière.
Een barrière is een fysiek element dat elke ongeautoriseerde toegang verhindert of vertraagt. Het gaat hier dan over muren, deuren, kasten, eventueel ook hekwerk... dat een vertragingselement vormt voor diegene die zich ongeoorloofd toegang wilt verschaffen tot deze ruimte.
Hierbij moet worden opgemerkt dat in een aantal gevallen een toestel waarin een radioactieve stof zich bevindt ook als barrière kan worden aangeduid. Dit kan enkel in het geval waar ook aan de eisen die aan de barrières gesteld (o.a. detectiemiddelen) worden voldaan is. Het is aan de exploitant om aan te tonen dat het toestel voldoet aan de voorwaarden van een barrière.
Er zijn gevallen waar het niet altijd mogelijk is om de radioactieve stoffen enkel in de beveiligde ruimte te gebruiken. Bijvoorbeeld bij de behandeling van patiënten die op een patiëntenkamer moet gebeuren en niet in de beveiligde ruimte waar de bronnen worden opgeslagen.
Indien er handelingen moeten gebeuren buiten de beveiligde ruimte moet de duurtijd van deze behandeling zo kort mogelijk zijn en moeten er compenserende maatregelen genomen worden die ervoor zorgen dat er een equivalent beveiligingsniveau gegarandeerd kan worden. De exploitant moet dit reeds voorzien in zijn radiologisch beveiligingssysteem en dus ook in zijn beveiligingsplan. Dit kan gebeuren bijvoorbeeld door het toestel in de patiëntenkamer te voorzien van een verankering aan de muur.
Indien er een handeling moet gebeuren buiten de beveiligde ruimte die niet vooraf voorzien is, moeten er ook compenserende maatregelen genomen worden die voldoen aan de algemene beveiligingsprincipes die in ontwerp besluit opgenomen zijn. Indien de handelingen die op het ogenblik van het opstellen van het beveiligingsplan niet voorzien waren maar na verloop van tijd toch een regelmatige handeling buiten de beveiligde ruimte is, zullen de compenserende maatregelen bij een volgende herziening van het beveiligingsplan moeten opgenomen worden.
Het identificeren van deze handelingen is ook het doel van de jaarlijkse melding aan het Agentschap.
Dit artikel is van toepassing voor het gebruik buiten de beveiligde ruimte maar nog steeds binnen de vergunde inrichting. Voor het gebruik van radioactieve stoffen buiten de vergunde inrichting worden verder in dit ontwerpbesluit andere maatregelen opgelegd.
Artikel 30: Aan iedere beveiligde ruimte wordt een beveiligingsniveau toegekend in functie van de categorie van de radioactieve stoffen die erin aanwezig kunnen zijn.
Hoe hoger het beveiligingsniveau hoe meer en strengere beveiligingsmaatregelen er zullen genomen moeten worden om een adequate beveiliging te garanderen. Voor de drie hoogste beveiligingsniveaus zijn er beveiligingsmaatregelen in dit ontwerp van koninklijk besluit gedefinieerd. Voor het laagste beveiligingsniveau bepaalt de
Wet van 15 april 1994Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/04/1994
pub.
14/10/2011
numac
2011000621
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten dat de principes van behoedzaam beheer gelden. Het Agentschap kan hiervoor de nodige principes vastleggen in een technisch reglement.
Artikel 31: De radioactieve stoffen van categorie 1 die zich in een beveiligde ruimte onderworpen aan beveiligingsniveau A bevinden moeten tenminste omgeven zijn door twee barrières.
Op elke barrière moet een systeem aanwezig zijn die de namen van de personen die de barrière wensen voorbij te gaan controleert, en toegang geeft als deze persoon toegang mag hebben (een geautoriseerd persoon) en geen toegang geeft wanneer deze persoon geen toegang mag hebben. De exploitant kan voor beide barrières een ander toegangscontrole systeem gebruiken.
Dit systeem moet niet enkel de identiteit van personen maar ook het ogenblik van overschrijden van de barrière registeren. Dit maakt het mogelijk om op ieder moment na te gaan wie wanneer in de beveiligde ruimte aanwezig was. Dit is noodzakelijk in geval van een radiologisch beveiligingsincident.
Het registreren dient op minstens één barrière in twee richtingen te gebeuren waardoor er kan geverifieerd worden dat diegene die de beveiligde ruimte binnengaat deze ruimte ook verlaten heeft.
Op welke wijze deze toegangscontrole wordt gerealiseerd moet door de exploitant bepaald worden. Dit kan bijvoorbeeld door een persoonlijke badge af te leveren waarbij bij het badgen de naam van de persoon en het tijdstip worden gelogd. Een systeem met enkel een sleutel is mogelijk voor zover dit de registratie en traceerbaarheid van wie de gebruiker was op welk moment mogelijk maakt en is dan afhankelijk van de karakteristieken van de sleutel of de organisatorische maatregelen.
Dit kan eventueel via bijkomende registratie door middel van het gebruik van een elektronische sleutelkast.
Het kan zijn dat niet iedereen die een barrière moet overschrijden een geautoriseerd persoon is, daarom zijn er uitzonderingen voorzien. Deze ongeautoriseerde personen kunnen toch sommige barrières overschrijden mits zij begeleid zijn door een geautoriseerd persoon. Het betreft hier bijvoorbeeld patiënten die in de beveiligde ruimte moeten zijn voor een behandeling en hun eventuele begeleiders of personen die een technische interventie moeten verrichten in de beveiligde ruimte of anderen waarvoor er een professionele justificatie bestaat. Het doel van deze begeleiding is om ongeautoriseerde personen geen gelegenheid te geven ongezien kwaadwillige handelingen te stellen in de beveiligde ruimte.
Een begeleiding van patiënten, waarvoor het vaak de bedoeling is dat zij in de beveiligde ruimte aan straling worden blootgesteld in het kader van hun diagnose of behandeling, is vanuit stralingsbeschermingsoogpunt niet altijd aanbevolen. Voor deze gevallen is het voorzien dat deze begeleiding vervangen wordt door een visueel toezicht bijvoorbeeld door een camera, of via een venster dat toezicht geeft op de beveiligde ruimte.
De toegang en de identiteit van de ongeautoriseerde personen moeten geregistreerd worden. Hiervoor kan er gebruik gemaakt worden van reeds bestaande gegevens. Bijvoorbeeld een patiënt die zich registreert bij het secretariaat kan voldoende zijn om een tijdsframe te bepalen waarbinnen een persoon de beveiligde ruimte betreden heeft. In sommige gevallen is het voldoende om de afspraak gegevens te kennen in het patiëntendossier, afspraak gegevens van een technieker, enz. Het is niet zo dat het Agentschap toegang nodig heeft tot deze gegevens. Het is van belang om deze gegevens ter beschikking te stellen ingeval van een radiologisch beveiligingsincident.
Als er een ongeautoriseerde toegang of een poging tot ongeautoriseerde toegang plaatsvindt moet dit gedetecteerd worden. De exploitant dient daarvoor de nodige intrusiedetectiesystemen te installeren alsook een videomonitoring. Het gaat hier dan over systemen die alarmen genereren wanneer iemand zich op onrechtmatige wijze toegang verschaft tot de beveiligde ruimte en/of tot de radioactieve stoffen of een poging doet deze toegang te verkrijgen.
Het opvolgen van de alarmen dient te gebeuren conform de
wet van 2 oktober 2017Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
02/10/2017
pub.
31/10/2017
numac
2017031388
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid
sluiten tot regeling van de private en bijzondere veiligheid.
De exploitant moet ook de nodige maatregelen treffen om te voorkomen dat het intrusiesysteem omzeild kan worden.
Voor wat betreft de videomonitoring is er geen noodzaak om een 24/7 live monitoring te doen. Het minimum doel is het registreren van de beelden en …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.