← België

Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van

Kort samengevat

Dit besluit stelt de lijst vast van stalsystemen die weinig ammoniak uitstoten, zoals vereist door de Vlaamse Regering. Het beschrijft ook de procedure om nieuwe systemen aan deze lijst toe te voegen.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
19 MAART 2004. - Ministerieel besluit houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij de decreten van 7 februari 1990, 12 december 1990, 21 december 1990, 22 december 1993, 21 december 1994, 8 juli 1996, 21 oktober 1997, 11 mei 1999, 18 mei 1999, 9 maart 2001, 21 december 2001, 18 december 2002, 16 januari 2004 en 6 februari 2004; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 27 februari 1992, 28 oktober 1992, 27 april 1994, 1 juni 1995, 26 juni 1996, 22 oktober 1996, 12 januari 1999, 15 juni 1999, bij het decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 en bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 september 2000, 20 april 2001, 13 juli 2001, 7 september 2001, 5 oktober 2001, 31 mei 2002, 19 september 2003, 28 november 2003, 5 december 2003, 12 december 2003, 9 januari 2004 en 6 februari 2004; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 6 september 1995, 26 juni 1996, 3 juni 1997, 17 december 1997, 24 maart 1998, 6 oktober 1998, 19 januari 1999, 15 juni 1999, 3 maart 2000, 17 maart 2000, 17 juli 2000, 19 januari 2001, 20 april 2001, 13 juli 2001, 18 januari 2002, 25 januari 2002, 31 mei 2002, 19 september 2003, 28 november 2003, 5 december 2003, 12 december 2003, 9 januari 2004 en 6 februari 2004; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 10/06/2003 pub. 24/06/2003 numac 2003035641 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering sluiten tot bepaling van de bevoegdheden van de Vlaamse Regering, gewijzigd bij besluiten van 29 augustus 2003, 24 oktober 2003 en 18 februari 2004; Overwegende dat in uitvoering van artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM, zoals het werd gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2003Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/09/2003 pub. 10/10/2003 numac 2003201211 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne sluiten, door de Vlaamse minister bevoegd voor het Leefmilieu een lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen moet worden vastgesteld, teneinde uitvoering te kunnen geven aan artikel 5.9.2.1bis van titel II van het VLAREM; Overwegende dat de 'Lijst van stalsystemen voor ammoniakemissiereductie' een dynamische lijst is, en dus regelmatig zal moeten aangepast worden aan de stand van de techniek; dat om de ontwikkeling van nieuwe ammoniakemissiearme stalsystemen te stimuleren, een procedure voor de beoordeling van emissiearme stalsystemen werd ontwikkeld en vastgesteld wordt met dit besluit, Besluit : Artikel 1.Overeenkomstig artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, geldt als Lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen', de lijst die als bijlage I is gevoegd bij dit besluit. Art. 2.Opname van nieuwe systemen in deze lijst kan gebeuren volgens de Procedure voor de beoordeling van emissiearme stalsystemen' zoals beschreven in bijlage II van dit besluit. Brussel, 19 maart 2004. J. TAVERNIER Bijlage I Lijst van stalsystemen voor ammoniakemissiereductie Hierna wordt een overzicht gegeven van stalsystemen voor ammoniakemissiereductie uit varkensstallen (V-lijst) en pluimveestallen (P-lijst). Er worden tevens twee systemen die uitgaande stallucht zuiveren opgenomen (S-lijst). Elk systeem wordt aangeduid met een unieke letter-cijfer combinatie en een korte omschrijving. Van elk systeem wordt vervolgens een beschrijving gegeven van de werking, de eisen aan de uitvoering, de eisen aan het gebruik, de nadere bijzonderheden en de beoordeling. In een laatste punt worden de varkens- en pluimveecategorieën waarvoor (nog) geen of onvoldoende aan de praktijk getoetste emissiearme stalsystemen bestaan opgelijst (O-lijst). Inhoudsopgave : 1. V-lijst : Lijst van reductietechnieken voor varkens......................................................................................................... 2 2. P-lijst : Lijst van reductietechnieken voor pluimvee..................................................................................................... 31 3. S-lijst : Lijst van technieken die de uitgaande stallucht zuiveren.............................................................................. 47 4. O-lijst : diercategorieën waarvoor nog geen emissiearme systemen bestaan.......................................................... 56 Definities : Voor zover in de specifieke beschrijving per systeem geen andere definities of omschrijvingen worden gehanteerd, wordt begrepen onder : - emitterend (mest)oppervlak : contactoppervlak van de mest in de mestkelder met de stallucht; - leefruimte : voor de dieren vrij toegankelijk, vrij vloeroppervlak; - mestafvoersysteem : systeem om de mest uit de mestkanalen of andere (voorlopige) recipiënten af te voeren naar andere, van voornoemde kanalen of recipiënten afgesloten, externe of dieper gelegen mestopslag; - waar emissiearme systemen grenzen aan niet-emissiearme stalsystemen, wordt ervan uitgegaan dat de respectievelijke mestopslagen niet met elkaar in verbinding staan; - waar opsommingen worden gegeven zijn deze informatief maar niet limitatief (bv. « niet mestaanhechtend materiaal, bijvoorbeeld ... »). 1. V-lijst : Lijst van reductietechnieken voor varkens Maximale emissiefactor (EF) voor emissiearme stalsystemen voor varkens Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 1.1. Biggenopfok (spenen tot 10 weken) Systeem V-1.1. Mestkanaal met schuine wand, mestverdunning en mestafvoersysteem Werking : De ammoniakuitstoot wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak (één wand van het mestkanaal geplaatst onder een hoek van 45° tot 55° t.o.v. de putvloer), verdunning van de mest (door extra watertoevoeging) en door regelmatige mestafvoer (na afloop van elke biggenopfokronde). Eisen aan de uitvoering : 1. Mestkanaal a) het mestkanaal is onder de roosters gelegen en is minimaal 0,50 m en maximaal 1,00 m diep (gemeten tussen onderzijde roosters en bovenzijde putvloer);b) het mestkanaal heeft één schuine wand;c) de schuine wand wordt onder de voorzijde van de hokken geplaatst;d) de schuine wand heeft een helling die ligt in de range van 45° tot en met 55° ten opzichte van de putvloer; e) de schuine wand dient gemaakt te zijn van een niet mestaanhechtend materiaal (zoals b.v. polyester, polyethyleen, roestvast staal, beton voorzien van coating of geglazuurde tegels). 2. Watervulsysteem a) voor het vullen van de mestkanalen met water wordt gebruik gemaakt van een vlottersysteem of van een waterdoseercomputer;b) bij het gebruik van een vlottersysteem dient in de wateraanvoerleiding een geijkte waterpulsmeter te worden gemonteerd. Vervolgens komt op deze leiding een aansluiting voor de hogedrukreiniger en een aftap naar het mestkanaal. In het mestkanaal is de aftap voorzien van een kunststof vlotter met een doorlaatcapaciteit van circa 2 à 3 liter per minuut. Mestophoping op de vlotter moet worden voorkomen. Dit kan door boven de vlotter een plaat, gemaakt van niet mest aanhechtend materiaal, te monteren. Deze plaat moet zodanig zijn geconstrueerd dat hierop geen mest kan blijven liggen; c) de hierboven beschreven uitvoering van het vlottersysteem geldt bij toepassing van All In -All Out per afdeling.Indien All In -All Out per afdeling niet wordt toegepast, moet bij de aanwezigheid van meerdere mestkanalen per afdeling, een geijkte waterpulsmeter in de wateraanvoerleiding worden gemonteerd; d) bij het gebruik van een waterdoseercomputer kan worden volstaan met een centraal opgestelde geijkte waterpulsmeter.Na de waterpulsmeter komt de wateraanvoerleiding naar de afdelingen. Per mestkanaal wordt een aftakking van de wateraanvoerleiding aangebracht. Deze aftakking is achtereenvolgens voorzien van een door de waterdoseercomputer aangestuurde afsluiter, een aansluiting voor de hogedrukreiniger en een aftap naar het mestkanaal. De aftap is in het mestkanaal voorzien van een niveauschakelaar of sensor; e) de hierboven beschreven uitvoering van het systeem met een waterdoseercomputer geldt bij de aanwezigheid van één mestkanaal per afdeling.Bij de aanwezigheid van meerdere mestkanalen per afdeling en de toepassing van All In -AIl Out per afdeling kan worden volstaan met één aansluiting voor de hogedrukreiniger per afdeling; f) de vlotter bij het vlottersysteem of de niveauschakelaar of sensor bij het systeem met een waterdoseercomputer moet ingesteld zijn op een vloeistofniveau van minimaal 0,12 en maximaal 0,15 m.3. Mestafvoersysteem a) in de vloer van het mestkanaal moet tenminste één afvoeropening worden aangebracht met een diameter van minimaal 200 mm;b) in het afvoersysteem van elk mestkanaal moet een vloeistofdichte en mestbestendige afsluiter worden aangebracht.Bij gesloten afsluiter moet de vloeistof in het mestkanaal worden vastgehouden. De afsluiter mag niet door de mestdruk worden geopend. c) Controle op vloeistofdichtheid dient te gebeuren voor het betonstorten d.m.v. het vullen van de mestafvoerleiding met water. Eisen aan het gebruik : 1. Na afloop van elke biggenopfokronde, maar voor het schoonmaken van de afdeling, moet de mest uit het mestkanaal worden afgelaten door de centrale afsluiter te openen.Het aflaten van mest na het vullen van de goot met water en voor het einde van de biggenopfokronde is niet toegestaan. 2. Na afvoer van de mest dient het mestkanaal te worden gevuld met water.Het vloeistofniveau dient minimaal 0,12 en maximaal 0,15 m te bedragen. De hoeveelheid water die hiermee overeenkomt is afhankelijk van de maatvoering van het mestkanaal. Het water bestaat uit opgevangen reinigingswater, eventueel aangevuld met schoon water. 3. Ten behoeve van de controle van de watervulling en het aflaten van de mest moeten de volgende gegevens worden geregistreerd : a) de opleg- en afleverdata van de gespeende biggen per afdeling;b) het tijdstip van aflaten van de mest;c) het totaal waterverbruik inclusief reinigingswater. Van deze gegevens moet een overzicht van de laatste 7 à 8 weken op het bedrijf aanwezig zijn. Een logboek vormt een hulpmiddel voor het registreren van deze gegevens. Nadere bijzonderheden : 1. Met behulp van de onder 'eisen aan het gebruik' geregistreerde gegevens is een voldoende watervulling en het voldoende vaak aflaten van de mest te controleren.2. Tijdens een bedrijfscontrole kan de werking van het volautomatisch vullen van de mestkelder met water worden getest.3. Het systeem mag ook toegepast worden voor grote groepen gespeende biggen (groepsgrootte > 30 biggen). Beoordeling Praktijk : weinig toegepast, afvoersystemen moeten aanwezig zijn, mestvolume neemt toe Dierenwelzijn : neutraal Globale technische haalbaarheid : matig Water : waterverbruik neemt toe Ammoniak - EF : * 0,13 kg NH3 per dierplaats per jaar bij huisvesting met maximaal 0,35 m2 leefruimte per dierplaats * 0,16 kg NH3 per dierplaats per jaar bij huisvesting met meer dan 0,35 m2 leefruimte per dierplaats Geur : neutraal Energie : neutraal Extra mestopslag : hoog waterverbruik Systeem V-1.2. Ondiepe mestkelders met water- en mestkanaal Werking : De ammoniakuitstoot wordt beperkt door verkleining van het mestoppervlak. Aan de voorkant bevindt zich een smal kanaal, gevuld met water en aan de achterkant wordt de mest opgevangen in een breed mestkanaal, beide voorzien van een metalen driekant roostervloer. Eisen aan de uitvoering : 1. Mestkanaal Het emitterend mestkelderoppervlak van het mestkanaal mag maximaal 0,13 m2 per dierplaats bedragen.2. Waterkanaal Het waterkanaal dient een breedte te hebben van minimaal 0,30 m.3. Hokuitvoering en roostervloer a) van het totale vloeroppervlak in de biggenopfokhokken dient 45 % -55 % dicht en bol te zijn;b) het mest- en waterkanaal dienen voorzien te zijn van een metalen driekant roostervloer;c) onder de brij-/droogvoerbakken mag boven het waterkanaal over maximaal 0,50 m lengte een geplastificeerd metalen driekantrooster of kunststofrooster worden toegepast;d) de hokbreedte dient maximaal 1,30 m te zijn en de diepte/breedte verhouding van het hok dient groter of gelijk te zijn dan 2,1;e) de tussenhokafscheiding dient dicht te worden uitgevoerd met uitzondering van het gedeelte boven het achterste mestkanaal.De hokafscheiding aldaar is een open hekwerk, waarvan de onderste 0,30 m dicht mag worden uitgevoerd; f) het water- en mestkanaal dient maximaal 0,50 m diep te zijn;g) het waterkanaal mag niet in verbinding staan met het mestkanaal.4. Mestafvoer Verschillende varianten voor de uitvoering van de afvoer van de mest en het water zijn mogelijk.De doorsnede van de afvoeropening dient in alle gevallen minimaal 150 mm te zijn. Eisen aan het gebruik : Na elke biggenopfokronde dienen het water- en mestkanaal afgelaten te worden, waarna het biggenopfokhok kan worden gereinigd. De afsluiters van het mestkanaal dienen beurtelings te worden geopend. Na reiniging dient het waterniveau in het waterkanaal minimaal 0,05 m te bedragen. Nadere bijzonderheden : Controle op een voldoende watervulling in het waterkanaal is mogelijk door een visuele inspectie, het minimale vloeistofniveau is 0,05 m. Beoordeling Praktijk : heel veel toegepast Dierenwelzijn : neutraal Globale technische haalbaarheid : goed Water : (beperkte) toename van waterverbruik Ammoniak - EF : de emissie bedraagt * 0,26 kg NH3 per dierplaats per jaar bij huisvesting met maximaal 0,35 m2 leefruimte per dierplaats Geur : gunstig Energie : neutraal Extra mestopslag : (beperkte) toename van waterverbruik Systeem V-1.3. Gescheiden afvoer van mest en urine door middel van hellende mestband Werking : De ammoniakuitstoot wordt beperkt door de mest en urine op te vangen op een mestband die zich onder de roostervloer bevindt. Omdat de mestband zowel in dwarsrichting als in lengterichting schuin is opgesteld, wordt de urine continu uit de stal afgevoerd. De mest wordt uit de stal verwijderd doordat de mestband 10 keer per etmaal wordt afgedraaid. Eisen aan de uitvoering : 1. Het mestkanaal dient voorzien te zijn van een metalen driekant roostervloer.2. Onder het roosteroppervlak bevindt zich een mestband waarop alle mest en urine terecht dient te komen.3. De mestband dient van kunststof te zijn en een afschot te hebben van minimaal 3 % in de dwarsrichting en van 1 % in de lengterichting.4. De mestband kan in lengterichting naar voren dan wel naar achteren aflopend geplaatst worden.5. De zijkanten van de mestband worden met speciale kunststof platen, die tegen de putmuren zijn bevestigd, beschermd.Voorts worden voor de ondersteuning van de band platen of rollen onder de band in het mestkanaal gemonteerd. 6. De mestband wordt regelmatig afgedraaid waarbij de mest door middel van een roestvast stalen- of kunststofschraper wordt verwijderd. Vanwege het afschot van de mestband wordt de urine continu afgevoerd. 7. Via een transportsysteem dienen faeces en urine buiten de stal te worden opgeslagen in een afgesloten mestopslag.Via het transportsysteem mag geen transport van lucht tussen afdelingen en tussen mestopslag en afdelingen plaatsvinden. Eisen aan het gebruik : 1. De mestband moet 10 keer per dag worden afgedraaid.Het afdraaien vindt eenmaal per twee uur plaats in de periode tussen 04.00 en 22.00 uur. In de periode tussen 22.00 en 4.00 uur is het afdraaien van de band niet nodig omdat in die periode weinig of geen mest wordt geproduceerd. 2. Een automatische tijdklok met terugleesmogelijkheid dient een overzicht te kunnen geven van het aantal malen afdraaien van de mestband gedurende de afgelopen 7 dagen.Tevens dient de afdraaitijd te worden geregistreerd. 3. Na afloop van elke biggenopfokronde dient de mestband met water te worden schoongespoten.4. De eigenaar van de stal dient een onderhoudscontract te hebben waarbij eenmaal per jaar controle en onderhoud van het systeem plaatsvindt. Nadere bijzonderheden : Middels visuele inspectie is vast te stellen of tijdens het afdraaien alle mest van de band wordt verwijderd. Beoordeling Praktijk : weinig toegepast wegens hoge kosten, met dit systeem wordt ook de mest behandeld (mestscheiding) Dierenwelzijn : neutraal Ammoniak - EF : * 0,20 kg NH3 per dierplaats en per jaar bij huisvesting met maximaal 0,35 m2 leefruimte per dierplaats * 0,25 kg NH3 per dierplaats en per jaar bij huisvesting met meer dan 0,35 m2 leefruimte per dierplaats Systeem V-1.4. Koeldeksysteem (150 % koeloppervlak) Werking : De ammoniakuitstoot wordt beperkt door de mest boven in het mestkanaal te koelen met behulp van drijvende koelelementen. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt. Eisen aan de uitvoering : 1. Het mestkanaal dient voorzien te zijn van kunststof of metalen driekantroosters.2. Bij huisvesting met een leefruimte van maximaal 0,35 m2 per dierplaats mag het emitterend oppervlak van het mestkanaal niet groter zijn dan 0,5 m2 per dierplaats;3. Bij huisvesting met een leefruimte van meer dan 0,35 m2 per dierplaats mag het emitterend oppervlak van het mestkanaal niet groter zijn dan 0,67 m2 per dierplaats.4. In de mestkanalen zijn koelelementen aangebracht, elk bestaande uit een aantal lamellen van 0,14 m breed en gemaakt van hoogwaardige kunststof.De lamellen zijn geplaatst onder een hoek van ongeveer 60° en opgehangen in een drijvend frame. Gevuld met water blijven de lamellen juist onder het mestoppervlak drijven. Het oppervlak van de koelelementen dient minimaal 150 % van het oppervlak van het mestkanaal te bedragen. 5. De oppervlakte van een lamel is gelijk aan de omtrek van de lamel (0,30 m) vermenigvuldigd met de lengte van de lamel.6. De koelelementen zijn per mestkanaal in serie verbonden en tussen de mestkanalen volgens het Tiggelmansysteem parallel aangesloten op de aan- en afvoerleiding van het water.Hierdoor stroomt door elk mestkanaal een gelijk waterdebiet. Een drukmeter zorgt ervoor dat als er ergens lekkage van water optreedt de watertoevoer direct wordt gestopt. 7. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt.Het door de koelelementen rondgepompte water wordt vervolgens weer teruggepompt in de grond. Eisen aan het gebruik : 1. De temperatuur van het in de grond teruggepompte water mag maximaal 14 °C bedragen en maximaal 3 °C zijn opgewarmd.2. De mesttemperatuur bovenin het mestkanaal mag niet hoger zijn dan 15 °C.3. Er dient een onderhoudscontract te zijn afgesloten waarbij tweemaal per jaar controle en onderhoud van het systeem plaatsvindt. Nadere bijzonderheden : 1. Controle is mogelijk doordat de temperatuur van zowel de mest bovenin het mestkanaal, als van het opgepompte grondwater wordt geregistreerd.Bovendien kan de temperatuurregistratie van 7 voorafgaande dagen worden opgevraagd. Ook de hoeveelheid opgepompt grondwater dient te worden geregistreerd. 2. Voor het oppompen en terugpompen van grondwater dient een milieuvergunning aangevraagd te worden.3. Voor het principe "koeldeksysteem" is een octrooi verleend onder nummer : 9520094392313. Beoordeling Praktijk : grondwater mag slechts drie graden opwarmen; veel toegepast, gemakkelijk toepasbaar in bestaande stallen, palen in de mestkelder geven probleem om voldoende koeloppervlak te halen Ammoniak - EF : * 0,15 kg NH3 per dierplaats per jaar bij huisvesting met maximaal 0,35 m2 leefruimte per dierplaats * 0,19 kg NH3 per dierplaats per jaar bij huisvesting met meer dan 0,35 m2 leefruimte per dierplaats Geur : neutraal Energie : neutraal Commentaar : vooral toepasbaar in bestaande stallen - minder geschikt voor nieuwbouw Systeem V-1.5. Volledig rooster met water-en mestkanalen, eventueel voorzien van schuine putwand(en), emitterend mestoppervlak kleiner dan 0,1m2 Werking : De ammoniakuitstoot wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak per dierplaats door het toepassen van water- en mestkanalen. Eisen aan de uitvoering : 1. Mestkanaal a) de breedte van het mestkanaal dient minimaal 0,90 m te zijn;b) het emitterend mestoppervlak in het mestkanaal mag maximaal 0,10 m2 per dierplaats bedragen;c) het roosteroppervlak boven het mestkanaal mag maximaal 0,12 m2 per dierplaats bedragen;d) het mestkanaal mag niet in open verbinding staan met andere kanalen (bijvoorbeeld met het waterkanaal of de ruimte onder de schuine putwand(en)); Indien het mestkanaal wordt uitgevoerd met schuine putwand(en), dan geldt : e) de omvang van het emitterend mestoppervlak in het mestkanaal moet worden gewaarborgd door een overloop;f) schuine putwanden dienen te zijn gemaakt van niet mest aanhechtend materiaal (bijvoorbeeld polyethyleen, polypropyleen, roestvast staal of materiaal voorzien van een coating);g) een schuine putwand dient te worden uitgevoerd onder een helling van minimaal 45° ten opzichte van de putvloer;h) schuine putwanden moeten tot op de putvloer worden gemonteerd;i) de montage van schuine putwanden dient vloeistofdicht te gebeuren.2. Waterkanaal a) het waterkanaal mag met rechte wand(en) of met schuine wand(en) worden uitgevoerd;b) het waterkanaal mag niet in open verbinding staan met mestkanalen. Voor eisen aan de uitvoering van schuine putwanden, zie onder mestkanaal. 3. Hokuitvoering en roostervloer a) het mestkanaal dient te zijn voorzien van een metalen driekantrooster;b) het waterkanaal dient te zijn voorzien van een kunststof rooster;c) de voederplaatsen mogen niet boven het mestkanaal van het hok zijn gesitueerd.4. Mestafvoer : a) voor de afvoer van de mest uit het mestkanaal moet een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem worden aangebracht, zodat de mest frequent en restloos uit de mestkanalen kan worden afgevoerd;b) de doorsnede van de afvoeropening dient minimaal 150 mm te zijn, de afvoerbuisdiameter minimaal 200 mm; c) Controle op vloeistofdichtheid dient te gebeuren voor het betonstorten d.m.v. het vullen van de afdelingsleiding met water; d) het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem heeft per mestkanaal een centrale afsluiter.Deze afsluiter moet vloeistofdicht en mestbestendig zijn. Voorts mag een gesloten afsluiter niet door de opwaartse druk van mest worden geopend; e) verder dient de afvoer van mest zodanig te zijn gewaarborgd dat het emitterend mestoppervlak nooit groter wordt dan 0,10 m2 per dierplaats.Dit moet worden gerealiseerd middels een overloop met een minimale doorlaat van 75 mm waarvan de instroomopening zichtbaar in het mestkanaal is aangebracht. Voorts moet de overloop zijn voorzien van een stankafsluiter. De overloop mag niet worden aangesloten op de hoofdleiding van het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem; f) in het afvoersysteem van het waterkanaal moet een (centrale) afsluiter worden aangebracht die vloeistofdicht en mestbestendig is. Bij gesloten afsluiter moet het water in het waterkanaal worden vastgehouden. De afsluiter mag niet door de opwaartse druk van mest worden geopend. Eisen aan het gebruik : 1. Na elke ronde dienen de water- en mestkanalen te worden afgelaten.2. De eventueel aanwezige schuine putwand(en) in de mestkanalen dient/dienen na elke ronde te worden gereinigd.3. Het waterniveau in het waterkanaal dient na reiniging en voor aanvang van een nieuwe ronde minimaal 0,05 m te bedragen. Beoordeling Praktijk : wel een goed systeem Dierenwelzijn : neutraal Ammoniak - EF : * 0,2 kg NH3 per dierplaats per jaar Commentaar : Het stalsysteem is alleen geschikt voor grote groepen gespeende biggen (koppelgrootte groter dan of gelijk aan 30) Systeem V-1.6. Gedeeltelijk rooster vloer met een (water- en) mestkanaal, eventueel voorzien van schuine putwand(en) Werking : De ammoniakuitstoot wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak per dierplaats door sturing van het mestgedrag en het eventueel toepassen van een waterkanaal en/of schuine putwand(en) in het mestkanaal. Eisen aan de uitvoering : 2. Mestkanaal a) de breedte van het mestkanaal dient minimaal 0,60 m te zijn;b) het emitterend mestoppervlak in het mestkanaal mag maximaal 0,10 m2 per dierplaats bedragen;c) het roosteroppervlak boven het mestkanaal mag maximaal 0,15 m2 per dierplaats bedragen;d) het mestkanaal mag niet in open verbinding staan met andere kanalen (bijvoorbeeld met het waterkanaal, het kanaal onder de dichte vloer of de ruimte onder de schuine putwand(en). Indien het mestkanaal wordt uitgevoerd met schuine putwand(en), dan geldt : e) de omvang van het emitterend mestoppervlak in het mestkanaal moet worden gewaarborgd door een overloop;f) schuine putwanden dienen te zijn gemaakt van niet mest aanhechtend materiaal (bijvoorbeeld.polyethyleen, polypropyleen, roestvast staal of materiaal voorzien van een coating); g) een schuine putwand tegen de dichte vloer dient te worden uitgevoerd onder een helling van minimaal 45° ten opzichte van de putvloer;h) een schuine putwand tegen de achtermuur dient te worden uitgevoerd onder een helling van minimaal 60° ten opzichte van de putvloer;i) schuine putwanden moeten tot op de putvloer worden gemonteerd;j) de montage van schuine putwanden dient vloeistofdicht te gebeuren.3. Hokuitvoering en roostervloer Er zijn twee hokuitvoeringen mogelijk : a) het hok wordt uitgevoerd met gedeeltelijk rooster, waarbij het hok vooraan bestaat uit een hellend dicht vloergedeelte.Achterin het hok bevindt zich het roostergedeelte, waaronder zich het mestkanaal bevindt. b) het hok wordt uitgevoerd met in het midden een bolle vloer.Aan de voorzijde van het hok bevindt zich een waterkanaal en aan de achterzijde een mestkanaal, waarbij : * het roosteroppervlak boven het waterkanaal nooit groter mag zijn dan het roosteroppervlak boven het mestkanaal; * de breedte van het wateroppervlak max. 0,6 m is; * het waterkanaal met rechte wand(en) of met schuine wand(en) mag worden uitgevoerd; * het waterkanaal niet in open verbinding mag staan met mestkanalen Voor eisen aan de uitvoering van schuine wanden, zie onder mestkanaal. c) voor beide typen hokuitvoering geldt : * het mestkanaal dient te zijn voorzien van een metalen driekantrooster; * de voerplaatsen mogen niet boven het mestkanaal van het hok zijn gesitueerd; * per dierplaats dient een dicht vloeroppervlak van minimaal 0, 12 m2 aanwezig te zijn. 4. Mestafvoer a) voor de afvoer van de mest uit het mestkanaal moet een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem worden aangebracht, zodat de mest frequent en restloos uit de mestkanalen kan worden afgevoerd;b) de doorsnede van de afvoeropening dient minimaal 150 mm te zijn, de afvoerbuisdiameter minimaal 200 mm; c) controle op vloeistofdichtheid dient te gebeuren voor het betonstorten d.m.v. het vullen van de afdelingsleiding met water; d) het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem heeft per mestkanaal een centrale afsluiter.Deze afsluiter moet vloeistofdicht en mestbestendig zijn. Voorts mag een gesloten afsluiter niet door de opwaartse druk van mest worden geopend; e) verder dient de afvoer van mest zodanig te zijn gewaarborgd dat het emitterend mestoppervlak nooit groter wordt dan 0,10 m2 per dierplaats.Dit moet worden gerealiseerd middels een overloop met een minimale doorlaat van 75 mm waarvan de instroomopening zichtbaar in het mestkanaal is aangebracht. Voorts moet de overloop zijn voorzien van een stankafsluiter. De overloop mag niet worden aangesloten op de hoofdleiding van het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem; f) in het afvoersysteem van het waterkanaal moet een (centrale) afsluiter worden aangebracht die vloeistofdicht en mestbestendig is. Bij gesloten afsluiter moet het water in het waterkanaal worden vastgehouden. De afsluiter mag niet door de opwaartse druk van mest worden geopend. Eisen aan het gebruik : 1. Na elke ronde dienen de (water- en) mestkanalen te worden afgelaten.2. De eventuele schuine wand(en) in de mestkanalen dient/dienen na elke ronde te worden gereinigd.3. Indien een waterkanaal wordt toegepast, dient het waterniveau in het waterkanaal na reiniging en voor aanvang van een nieuwe ronde minimaal 0,05 m te bedragen. Beoordeling Praktijk : heel veel toegepast Ammoniak - EF : * 0,18 kg NH3 per dierplaats per jaar Commentaar : Het stalsysteem is alleen geschikt voor grote groepen gespeende biggen (koppelgrootte groter dan of gelijk aan 30). 1.2. Kraamhokken (zeugen met biggen tot spenen) Systeem V-2.1. Mestkanaal met mestafvoersysteem Werking : De ammoniakuitstoot wordt beperkt door de mest op te vangen in een mestkanaal onder de roosters en deze mest eens per twee dagen d.m.v. een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem uit de stal te verwijderen. Eisen aan de uitvoering : 1. Het mestkanaal dient : a) het gehele roosteroppervlak te omvatten zodat er vanuit de mestkelder geen ammoniak naar de stal ontwijkt;b) gemaakt te zijn van een glad en niet hechtend materiaal;c) een wandhelling te hebben van : achterwand min.60° en voorwand min. 45°. 2. In de vloer van het mestkanaal dienen, op een onderlinge afstand van maximaal 2 meter, afvoerpunten naar de onder de keldervloer gelegen riolering aanwezig te zijn.3. Per mestkanaal dient een centrale afsluiter aanwezig te zijn en de afgevoerde mest dient te worden opgeslagen in een afgesloten mestopslag. Eisen aan het gebruik : Eens per twee dagen dient de mest uit het mestkanaal via het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem verwijderd te worden. Hierbij dient een laagje van circa 0,02 m mest achter te blijven om aankoeken van de vaste fractie te voorkomen. Nadere bijzonderheden : Controle op het goed functioneren van het systeem is mogelijk door visuele inspectie van het mestkanaal. Deze mag maximaal 0,10 m mest bevatten. Beoordeling Praktijk : veel toegepast, kosten zeer gunstig Dierenwelzijn : neutraal Ammoniak - EF : * 3,2 kg NH3 per dierplaats per jaar. Geur : gunstig Systeem V-2.2. Ondiepe mestkelders met mest- en waterkanaal Werking : De ammoniakuitstoot wordt beperkt door verkleining van het mestoppervlak. Onder de roosters wordt de ondiepe mestkelder door middel van een muurtje gesplitst in een waterkanaal met minimaal 0,05 m water en een mestkanaal onder de achterzijde van de zeug. Eisen aan de uitvoering : De uitvoering is in hoofdlijnen als volgt : 1. de ondiepe mestkelder (diepte maximaal 0,50 m) wordt door een mestdicht muurtje gescheiden in een breed waterkanaal onder de voorzijde van de zeug en een smal mestkanaal onder de achterzijde van de zeug;2. de afmetingen van beide keldergedeelten moeten vallen binnen de marges zoals beschreven in punt 3;3. de afmeting van het mestkanaal dient als volgt te zijn : a) voorkant van de zeugenbox tot uitsparing van het mestkanaal max. 1,60 m, bij diagonaal opstelling max. 1,70 m; b) diepte uitsparing van het mestkanaal min.0,60 en max. 0,70 m; c) breedte mestkanaal min.0,20 en max. 0,30 m; d) aflaatpunt max.0,5 m uit het hart van de box (loodrecht gemeten op de hokafscheiding) 4. de oppervlakte van het mestkanaal mag maximaal 0,80 m2 per dierplaats bedragen.5. van toepassing bij alle gangbare hoktypen met volledig of gedeeltelijk rooster. Eisen aan het gebruik : De vloeistof in het waterkanaal dient aan het einde van elke kraamperiode middels afsluiters afgelaten te worden in het mestkanaal, waarna het kraamhok gereinigd kan worden. Daarna dient het niveau van het opgevangen reinigingswater met water aangevuld te worden tot 0,05 m. Een gering deel van de biggenmest zal in het waterkanaal terechtkomen.Door de waterlaag zal deze mest niet aankoeken en na afloop van de kraamperiode ook gemakkelijk verwijderd kunnen worden Nadere bijzonderheden : Controle op een voldoende watervulling in het waterkanaal is mogelijk door een visuele inspectie, het minimale vloeistofniveau is 0,05 m. Beoordeling Praktijk : veel toegepast, werkt goed Dierenwelzijn : neutraal Ammoniak - EF : * 4.0 kg NH3 per dierplaats per jaar. Systeem V-2.3. Schuiven in mestgoot Werking : De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak in het mestkanaal in combinatie met frequente mestafvoer en beperking van het contact tussen mest en urine. De mestkelder is voorzien van schuine wanden en een goot. Door meerdere schuiven wordt de mest van zowel de schuine wanden als in de goot frequent verwijderd. Eisen aan de uitvoering : 1. De kraamhokken dienen voorzien te zijn van een dicht vloergedeelte en een roostervloer bestaande uit metalen driekantrooster.2. Het mestkanaal dient voorzien te zijn van schuine wanden met een hellingshoek van minimaal 40° ten opzichte van de werkvloer en onderin een ronde goot met een diameter van 250-300 mm.De schuine wanden dienen gemaakt te zijn van niet mestaanhechtend materiaal. Het geheel van schuine wanden en goot kan in een prefab kunststof vorm in de mestkelder worden aangebracht. 3. Mestschuif Het schuifsysteem bestaat uit een combinatie van zes schuiven, die bevestigd zijn aan een cilinder.De cilinder is 0,60 m lang en heeft aan beide uiteinden een roestvrij stalen ronde plaat, voorzien van een rubberen ring, die als schuif voor de goot fungeert. De schuine wanden zijn voorzien van elk twee rechte roestvrijstalen strips die gekoppeld zijn aan de cilinder. De strips schrapen de mest van de wand. De schuifcombinatie wordt voortbewogen met behulp van een staalkabel. Eén schuifbeweging bestaat uit een heengaande beweging : bij een volgende schuifbeweging gaat de schuif weer terug. 4. Mestafvoer Het grootste deel van de urine dient continu weg te stromen via afvoerpunten aan beide uiteinden van het mestkanaal.Bij elke schuifbeweging wordt de vaste mest en het resterende deel van de urine via dezelfde afvoerpunten afgevoerd naar een opslag. De afvoerpunten dienen voorzien te zijn van een klep die opengaat als er mest en/of urine op komt en weer dicht gaat als de mest en/of urine afgevoerd is. Kieren van de klep (door bijvoorbeeld bevuiling met mest) mag niet optreden. Eisen aan het gebruik : 1. De mest dient minimaal achtmaal per dag uit de afdeling geschoven te worden.2. Het besturingssysteem dient een overzicht te kunnen geven van het aantal schuifbewegingen gedurende de afgelopen zeven dagen. Nadere bijzonderheden : geen Beoordeling Praktijk : slechts in één praktijkbedrijf toegepast, werkt storingsvrij, stro toepasbaar Dierenwelzijn : neutraal Ammoniak - EF : * 2,5 kg NH3 per dierplaats per jaar Geur : gunstig Systeem V-2.4. Koeldeksysteem (150 % koeloppervlak) Werking : De ammoniakuitstoot wordt beperkt door de laag mest bovenin het mestkanaal te koelen met behulp van drijvende koelelementen. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt. Eisen aan de uitvoering : 1. Het mestkanaal dient voorzien te zijn van kunststof- of metalen roosters en het emitterend mestkelder oppervlak per dierplaats mag maximaal 5.0 m2 bedragen. 2. In de mestkanalen zijn koelelementen aangebracht, elk bestaande uit een aantal lamellen van 14 cm breed en gemaakt van hoogwaardige kunststof.De lamellen zijn geplaatst onder een hoek van ongeveer 60° en opgehangen in een drijvend frame. Gevuld met water blijven de lamellen juist onder het mestoppervlak drijven. Het oppervlak van de koelelementen dient minimaal 150 % van het oppervlak van het mestkanaal te bedragen. 3. De koelelementen zijn per mestkanaal in serie verbonden en tussen de mestkanalen volgens het Tiggelmansysteem parallel aangesloten op de aan- en afvoerleiding van het water.Hierdoor stroomt door elk mestkanaal een gelijk waterdebiet. Een drukmeter zorgt ervoor dat als er ergens lekkage van water optreedt, de watertoevoer direct wordt gestopt. 4. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt.Het door de koelelementen rondgepompte water wordt vervolgens weer teruggepompt in de grond. Eisen aan het gebruik : 1. De temperatuur van het in de grond teruggepompte water mag maximaal 14 °C bedragen en maximaal 3 °C zijn opgewarmd.2. De mesttemperatuur bovenin het mestkanaal mag niet hoger zijn dan 15 °C.3. De eigenaar van de stal dient een onderhoudscontract te hebben waarbij twee maal per jaar controle en onderhoud plaatsvindt. Nadere bijzonderheden : 1. Controle is mogelijk, doordat de temperatuur van zowel de mest bovenin het mestkanaal als van het opgepompte grondwater wordt geregistreerd.Bovendien kan de temperatuurregistratie van 7 voorafgaande dagen worden opgevraagd. Ook de hoeveelheid opgepompt grondwater dient te worden geregistreerd. 2. Voor het oppompen en terug pompen van grondwater dient een milieuvergunning aangevraagd te worden.3. Voor het principe "koeldeksysteem" is een octrooi verleend onder nummer : 9520094392313. Beoordeling Praktijk : veel toegepast Dierenwelzijn : neutraal Water : opwarming grondwater Ammoniak - EF : * 2,4 kg NH3 per dierplaats per jaar Geur : gunstig Commentaar : vooral toepasbaar in bestaande stallen - minder geschikt voor nieuwbouw Systeem V-2.5. Mestbak onder kraamhok Werking : De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak tot maximaal 1,1 m2 per dierplaats en het aanbrengen van een mestpan. Eisen aan de uitvoering : 1. Hokuitvoering a) het emitterend mestoppervlak mag niet groter zijn dan 1,1 m2 per dierplaats;b) onder elke kraamzeug wordt een mestpan aangebracht.Een mestpan is een ondiepe bak die onder de roosters wordt gehangen; c) het systeem is ook toepasbaar in kraamhokken in schuine opstelling, waarbij van belang is dat het achterwerk van de zeug is gesitueerd boven het diepste deel van de mestpan.2. Mestpan a) mestpannen kunnen prefab worden geproduceerd en zijn vervaardigd van glad en goed te reinigen materiaal;b) de diepte van de mestpan moet aan de voorzijde minimaal 0,05 m bedragen, gemeten vanaf de onderzijde van het rooster;c) de diepte van de mestpan aan de achterzijde bedraagt minimaal 0,20 m;d) de mestpan dient het gehele roosteroppervlak te omvatten;e) de hellingshoek van de mestpan naar het afvoerpunt dient minimaal 3° te zijn, door gebruik van een hellende bodemplaat.3. Aflaatmoment en aflaatfrequentie a) de mest moet worden afgelaten voor het moment dat het mestoppervlak groter wordt dan 1,1 m2 per dierplaats.Dit wordt gereguleerd door een overloopbeveiliging; b) minimaal elke drie dagen dient de mest automatisch te worden afgelaten.4. Mestafvoer a) voor de afvoer van de mest uit de mestpan moet een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem worden aangebracht, zodat de mest frequent en restloos kan worden afgevoerd;b) de doorsnede van de afvoeropening moet minimaal 90 mm inwendig zijn, de afvoerbuisdiameter minimaal 110 mm tot maximaal 125 mm (tot aan de afsluiter); c) controle op vloeistofdichtheid dient te gebeuren d.m.v. het vullen van de afdelingsleiding met water. Eisen aan het gebruik : 1. In het kader van de controle en handhaafbaarheid moet de frequentie van het aflaten van de mest automatisch worden geregeld.2. Er dient een terugkijkmogelijkheid te zijn van 7 dagen, waarbij de aflaatmomenten zichtbaar zijn. Beoordeling Praktijk : Veel toegepast, gemakkelijk om stal schoon te maken, werken met prefab-elementen, kosten zijn nog vrij hoog. Mestpannen met water en mestkanaal (Systeem V-2.6. Mestpan met water- en mestkanaal onder kraamhok) geven minder praktijkproblemen : minder aanhechting mest, makkelijker te reinigen, makkelijker te ledigen. Dierenwelzijn : neutraal Ammoniak - EF : * 2,9 kg NH3 per dierplaats per jaar Geur : gunstig Systeem V-2.6. Mestpan met water- en mestkanaal onder kraamhok Werking : De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak tot maximaal 0,8 m2 per dierplaats en het aanbrengen van een mestpan met water- en mestkanaal onder het kraamhok. Eisen aan de uitvoering : 1. Hok- en vloeruitvoering a) het emitterend mestoppervlak mag niet groter zijn dan 0,8 m2 per dierplaats;b) onder elk kraamhok wordt een mestpan aangebracht.Een mestpan is een ondiepe bak die onder de roosters wordt gehangen. De mestpan is verdeeld in een water- en mestkanaal; c) het systeem is toepasbaar in kraamhokken met rechte en schuine opstelling alsmede bij gedeeltelijk en volledig rooster, waarbij het van belang is dat het achterwerk van de kraamzeug is gesitueerd boven het mestkanaal.2. Mestpan a) mestpannen kunnen prefab worden geproduceerd en zijn vervaardigd van glad, corrosiebestendig, niet mestaanhechtend en goed te reinigen materiaal;b) de mestpan dient het gehele roosteroppervlak te omvatten;c) het mestkanaal moet minimaal de achterste 0,20 m van de mestpan omvatten, alsmede de mestplaats van de kraamzeug.De rest van de mestpan omvat het waterkanaal. 3. Afvoer mestkanaal a) de mest moet worden afgelaten voor het moment dat een mestniveau van 0,12 m is bereikt.Dit wordt gereguleerd door een overloopbeveiliging. De overloopbeveiliging dient goed bereikbaar en zichtbaar te zijn aangebracht; b) voor de afvoer van de mest uit de mestpan moet een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem worden aangebracht, zodat de mest frequent en restloos kan worden afgevoerd;c) de doorsnede van de afvoeropening dient minimaal 90 mm inwendig te zijn, de afvoerbuisdiameter minimaal 110 mm (tot aan de afsluiter); d) controle op vloeistofdichtheid van het mestafvoersysteem dient te gebeuren voor het betonstorten d.m.v. het vullen van de mestafvoerleiding met water. Eisen aan het gebruik : 1. Na elke ronde dienen de water- en mestkanalen te worden afgelaten, waarna het hok gereinigd kan worden.2. Het waterniveau in het waterkanaal dient na reiniging en voor aanvang van een nieuwe ronde minimaal 0,05 m te bedragen. Nadere bijzonderheden : Patent is verleend onder nummer 1004036. Beoordeling Dierenwelzijn : neutraal Ammoniak - EF : * 2,9 kg NH3 per dierplaats per jaar. Geur : gunstig 1.3. Guste en dragende zeugen Systeem V-3.1. Smalle mestkanalen met metalen driekantroostervloer (alleen toepasbaar bij individuele huisvesting) Werking : De ammoniakuitstoot wordt beperkt door uitsluitend het vloergedeelte te onderkelderen waar de zeugen mesten en dit mestkanaal te voorzien van metalen driekant rooster met een goede mestdoorlaat. Eisen aan de uitvoering : 1. Mestkanaal Het mestkanaal heeft een breedte van minimaal 0,50 en maximaal 0,60 m en een maximaal emitterend mestkelderoppervlak van 0,40 m2 per zeugenplaats.2. Roostervloer en mestspleet Het mestkanaal dient voorzien te zijn van een metalen driekantrooster (balkbreedte 1,0 tot 1,2 cm en spleetbreedte minimaal 1,2 en maximaal 2,0 cm) die tevens voorzien is van een mestspleet van minimaal 10 en maximaal 12 cm.Enkel voor het verplaatsen van dieren kan de mestspleet tijdelijk worden afgesloten. 3. Mestafvoer Verschillende varianten zijn mogelijk Eisen aan het gebruik : Geen Nadere bijzonderheden : 1.Dit stalsysteem is ook inpasbaar voor bestaande stallen. 2. Dit systeem is alleen toegelaten voor het huisvesten van de zeugen in de periode van dekken tot 4 weken erna. Beoordeling Praktijk : niet voor groepshuisvesting, zeer veel toegepast Dierenwelzijn : Zeugen mogen niet in een individueel hok worden opgesloten gedurende een periode die start vanaf 4 weken na dekken tot 7 dagen voor de verwachte worpdatum. Uitzonderlijk mogen individuen die bijzonder agressief zijn, of die aangevallen zijn door andere zeugen, of die ziek of gekwetst zijn, tijdelijk in individuele hokken worden gehouden. Deze individuele hokken moeten toelaten dat de dieren zich gemakkelijk kunnen omdraaien. Ammoniak - EF : * 2,4 kg NH3 per dierplaats per jaar Systeem V-3.2. Mestkanaal met combinatierooster en frequente mestafvoer (alleen toepasbaar bij individuele huisvesting) Werking : De ammoniakuitstoot wordt beperkt door de mest op te vangen in een mestgoot onder de roosters en deze mest door middel van een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem frequent uit de stal te verwijderen. Eisen aan de uitvoering : De uitvoering is in hoofdlijnen als volgt : 1. het mestkanaal dient het gehele roosteroppervlak te omvatten zodat er vanuit de mestkelder geen ammoniak naar de stal ontwijkt.Het mestkanaal dient gemaakt te zijn van een glad en niet hechtend materiaal zoals polyethyleen, polyester of geglazuurde tegels. De achterwand dient een helling te hebben van 80° - 90° en de voorwand een helling van 50° - 55° graden. Tussen de achterwand en de voorwand is de bodem van het mestkanaal maximaal 0,3 m breed. 2. in de vloer van het mestkanaal dienen, op een onderlinge afstand van maximaal 2,0 m, afvoerpunten naar de onder de keldervloer gelegen riolering aanwezig te zijn;3. per mestkanaal dient een centrale afsluiter aanwezig te zijn en de afgevoerde mest dient te worden opgeslagen in een afgesloten mestopslag;4. het combinatierooster dient, aansluitend op het deel dat bestaat uit metalen driekantrooster, een brede spleet (0,10 m) te bezitten om de mestdoorlaat te verbeteren.Onder combinatierooster wordt begrepen : Roostervloer met achteraan over minimaal 27 % van de breedte een metalen driekantrooster. Eisen aan het gebruik : 1. Eenmaal per dag dient de mest uit het mestkanaal via het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem verwijderd te worden.Hierbij dient een laagje van circa 0,02 m mest achter te blijven om aankoeken van de vaste fractie te voorkomen. 2. Het ontmestingssysteem dient voorzien te zijn van een waarborg dat het mestkanaal maximaal 0,10 m mest bevat. Nadere bijzonderheden : 1. Controle op het goed functioneren van het systeem is mogelijk door visuele inspectie van het mestkanaal : deze mag maximaal 0,10 m mest bevatten.2. Dit systeem is alleen toegelaten voor het huisvesten van de zeugen in de periode van dekken tot 4 weken erna. Beoordeling Praktijk : niet voor groepshuisvesting, zeer veel toegepast Dierenwelzijn : Zeugen mogen niet in een individueel hok worden opgesloten gedurende een periode die start vanaf 4 weken na dekken tot 7 dagen voor de verwachte worpdatum. Uitzonderlijk mogen individuen die bijzonder agressief zijn, of die aangevallen zijn door andere zeugen, of die ziek of gekwetst zijn, tijdelijk in individuele hokken worden gehouden. Deze individuele hokken moeten toelaten dat de dieren zich gemakkelijk kunnen omdraaien. Ammoniak - EF : * 1,8 kg NH3 per dierplaats per jaar Systeem V-3.3. Koeldeksysteem 115 % koeloppervlak Werking : De ammoniakuitstoot uit de mest wordt beperkt door de laag mest bovenin het mestkanaal te koelen met behulp van drijvende koelelementen. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt. Eisen aan de uitvoering : 1. Het mestkanaal dient voorzien te zijn van beton-, kunststof- of metalen roosters en het emitterend mestkelder oppervlak per dierplaats mag maximaal 1,0 m2 bedragen.2. In de mestkanalen zijn koelelementen aangebracht, elk bestaande uit een aantal lamellen van 0,14 breed en gemaakt van hoogwaardige kunststof.De lamellen zijn geplaatst onder een hoek van ongeveer 60° en opgehangen in een drijvend frame. Gevuld met water blijven de lamellen juist onder het mestoppervlak drijven. Het oppervlak van de koelelementen dient minimaal 115 % van het oppervlak van het mestkanaal te bedragen. 3. De koelelementen zijn per mestkanaal in serie verbonden en tussen de mestkanalen volgens het Tiggelmansysteem parallel aangesloten op de aan- en afvoerleiding van het water.Hierdoor stroomt door elk mestkanaal een gelijk waterdebiet. Een drukmeter zorgt ervoor dat als er ergens lekkage van water optreedt, de watertoevoer direct wordt gestopt. 4. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt.Het door de koelelementen rondgepompte water wordt vervolgens weer teruggepompt in de grond. Eisen aan het gebruik : 1. De temperatuur van het in de grond teruggepompte water mag maximaal 14 °C bedragen, en maximaal 3 °C zijn opgewarmd.2. De mesttemperatuur bovenin het mestkanaal mag niet hoger zijn dan 15 °C.3. De eigenaar van de stal dient een onderhoudscontract te hebben waarbij twee maal per jaar controle en onderhoud plaatsvindt. Nadere bijzonderheden : 1. Controle is mogelijk doordat de temperatuur van zowel de mest bovenin het mestkanaal als van het opgepompte grondwater geregistreerd worden en op te vragen zijn van de 7 voorafgaande dagen.De hoeveelheid opgepompte grondwater dient geregistreerd te worden. 2. Voor het oppompen en terugpompen van grondwater dient een milieuvergunning aangevraagd te worden.3. Voor het principe 'koeldeksysteem' is een octrooi verleend onder nr.: 9520094392313. Beoordeling Praktijk : veel toegepast Dierenwelzijn : neutraal Water : opwarming grondwater Ammoniak - EF : * 2,2 kg NH3 per dierplaats per jaar. Geur : gunstig Commentaar : vooral toepasbaar in bestaande stallen - minder geschikt voor nieuwbouw Systeem V-3.4. Koeldeksysteem 135 % koeloppervlak Werking : De ammoniakuitstoot uit de mest wordt beperkt door de laag mest bovenin het mestkanaal te koelen met behulp van drijvende koelelementen. Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt. Eisen aan de uitvoering : 1. Mestkanaal a) het mestkanaal dient voorzien te zijn van beton-, kunststof- of metalen roosters en het emitterend mestkelderoppervlak mag maximaal 1,1 m2 per dierplaats bedragen;b) in de mestkanalen zijn koelelementen aangebracht, elk bestaande uit een aantal lamellen van 0,14 m breed en gemaakt van hoogwaardige kunststof.De oppervlakte per lamel is de omtrek van de lamel (0,30 m) vermenigvuldigd met de lengte van de lamel. De lamellen zijn geplaatst onder een hoek van 90° en opgehangen in een drijvend frame. Gevuld met water blijven de lamellen net onder het mestoppervlak drijven. Het oppervlak van de koelelementen dient minimaal 135 % van het oppervlak van het mestkanaal te bedragen. c) de koelelementen zijn per mestkanaal in serie verbonden en tussen de mestkanalen volgens het Tiggelmansysteem parallel aangesloten op de aan- en afvoerleiding van het water.Hierdoor stroomt door elk mestkanaal een gelijk waterde biet. Een drukmeter zorgt ervoor dat als er ergens lekkage van water optreedt, de watertoevoer direct wordt gestopt. 2. Koelvloeistof Als koelvloeistof wordt opgepompt grondwater gebruikt.Het door de koelelementen rondgepompte water wordt vervolgens weer teruggepompt in de grond. Eisen aan het gebruik : 1. De temperatuur van het in de grond teruggepompte water mag maximaal 14 °C bedragen en maximaal 3 °C zijn opgewarmd.2. De mesttemperatuur bovenin het mestkanaal mag niet hoger zijn dan 15 °C.3. De eigenaar van de stal dient een onderhoudscontract te hebben waarbij twee maal per jaar controle en onderhoud plaatsvindt. Nadere bijzonderheden : 1. Controle is mogelijk doordat de temperatuur van zowel de mest bovenin het mestkanaal, als van het opgepompte grondwater wordt geregistreerd.Bovendien kan de temperatuurregistratie van 7 voorafgaande dagen worden opgevraagd. Ook de hoeveelheid opgepompt grondwater dient te worden geregistreerd. 2. Voor het oppompen en terug pompen van grondwater dient een milieuvergunning aangevraagd te worden.3. Voor het principe "koeldeksysteem" is een octrooi verleend onder nummer : 9520094392313. Beoordeling Praktijk : veel toegepast Dierenwelzijn : neutraal Water : opwarming grondwater Ammoniak - EF : * 2,2 kg NH3 per dierplaats per jaar Geur : gunstig Commentaar : vooral toepasbaar in bestaande stallen - minder geschikt voor nieuwbouw Systeem V-3.5. Groepshuisvestingsysteem, zonder strobed en met schuine putwanden in het mestkanaal Werking : De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend mestoppervlak Eisen aan de uitvoering : 1. Hokuitvoering en roostervloer : er zijn meerdere uitvoeringen mogelijk : * het stalsysteem wordt uitgevoerd met voer(lig)boxen.De ruimte achter de voer(lig)boxen wordt gebruikt als uitloop; * het stalsysteem wordt uitgevoerd met zeugenvoerstation(s) of andere voersystemen en ligplaatsen. 2. Mestkanalen a) het emitterend mestoppervlak mag maximaal 0,55 m2 per dierplaats bedragen indien een metalen driekantrooster voorzien wordt.Bij een betonrooster mag het emitterend oppervlak maximaal 0,5 m2 per dierplaats bedragen; b) het emitterend oppervlak van de mestkanalen moet worden beveiligd door een overloop;c) de mestkanalen mogen niet in verbinding staan met andere kanalen (bijvoorbeeld met het kanaal onder de dichte vloer of onder de schuine wanden);d) de schuine wanden dienen gemaakt te zijn van mestbestendig en niet mestaanhechtend materiaal (bijvoorbeeld polyethyleen/polypropyleen, roestvast staal of materiaal voorzien van een coating);e) de wanden dienen uitgevoerd te worden onder een hellingshoek van minimaal 45° ten opzichte van de putvloer;de montage van de schuine wanden dient vloeistofdicht te gebeuren. 3. Afvoer mestkanalen f) voor de afvoer van de mest uit de mestkanalen moet een rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem worden aangebracht, zodat de mest frequent en restloos uit de mestkanalen kan worden afgevoerd;g) de doorsnede van de afvoeropening dient minimaal 150 mm te zijn.De afvoerbuisdiameter is minimaal 200 mm; h) verder dient de afvoer van mest zodanig te zijn gewaarborgd dat het emitterend mestoppervlak nooit groter wordt dan 0,55 m2 per dierplaats indien metalen driekantroosters gebruikt worden of 0,5 m2 per dierplaats indien betonroosters gebruikt worden.Dit moet worden gerealiseerd middels een overloop met een minimale doorlaat van 75 mm waarvan de instroomopening zichtbaar in het mestkanaal is aangebracht. Voorts moet de overloop zijn voorzien van een stankafsluiter. De overloop mag niet worden aangesloten op de hoofdleiding van het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem i) het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem heeft per mestkanaal een centrale afsluiter.Deze afsluiter moet vloeistofdicht en mestbestendig zijn. Voorts mag een gesloten afsluiter niet door de opwaartse druk van mest worden geopend; j) controle op vloeistofdichtheid van het rioleringssysteem of ander van de lucht af te sluiten afvoersysteem dient te gebeuren voor het betonstorten d.m.v. het vullen van de mestafvoerleiding met water; k) daar waar hulpstukken in de betonconstructie worden ingestort dienen deze vloeistofdicht aan de beton constructie aan te sluiten. Eisen aan het gebruik : Minimaal éénmaal per twee weken dienen de mestkanalen te worden afgelaten. Nadere bijzonderheden : Controle op het goed functioneren van het systeem is mogelijk door visuele inspectie van de mestkanalen. Beoordeling Praktijk : bevuiling voerligboxen en uitloop Dierenwelzijn : neutraal Ammoniak - EF : * 2,3 kg NH3 per dierplaats per jaar bij een emitterend mestoppervlak van 0,55 m2 (metalen driekantroosters) * 2,6 kg NH3 per dierplaats per jaar bij een emitterend mestoppervlak van 0,50 m2 (betonroosters) Systeem V-3.6. Rondloopstal met zeugenvoederstation en strobed Werking : De ammoniakemissie wordt beperkt door verkleining van het emitterend oppervlak door sturing van het mestgedrag en door het veranderen van de mestsamenstelling, doordat de zeugen stro opnemen. Dit wordt bereikt door een specifieke stalindeling die erop gericht is om de dagelijkse activiteiten van de zeugen zo ongestoord mogelijk te laten verlopen en door het toepassen van "mest- en stromanagement". Eisen aan de uitvoering : 1. Hokuitvoering en roostervloer a) de stal bestaat uit één ruimte die is onderverdeeld in een ligruimte, voorzien van een strobed en in een activiteitsruimte.De ligruimte is volledig bedekt met een laag stro en wordt door de zeugen gebruikt als rustplaats. Onder de activiteitsruimte wordt de ruimte verstaan waarin de zeugen eten, drinken en mesten. De activiteitsruimte bestaat uit de volgende functionele ruimtes : loopgang, wachtruimte, voerstation(s) en drinkruimte : per groep zeugen dient een duidelijke scheiding tussen ligruimte en activiteitsruimte te worden aangebracht; b) het totaal beschikbaar hokoppervlak bedraagt maximaal 2,50 m2 per dierplaats.Ruimtes die niet direct beschikbaar zijn voor de zeugen, zoals bijvoorbeeld de separatieruimte, het berenhok, alsmede de ruimte tussen de voerstations, mogen hierbij niet worden meegerekend. 2. Ligruimte, inclusief strobed a) de vloer is dicht en is volledig ingestrooid met stro : strobed;b) het beschikbaar ligoppervlak bedraagt minimaal 1,3 m2 en maximaal 1,5 m2 per dierplaats;c) in de ligruimte mogen zeer beperkt mestplekken aanwezig zijn;d) het strobed heeft een dikte van minimaal 0,15 en maximaal 0,40 m;e) de ligruimte mag verdeeld zijn in meerdere vakken;ligbedden; f) elk strobed heeft een oppervlak van minimaal 25 m2;g) per strobed is één doorgang naar de activiteitsruimte aanwezig;h) de doorgang naar de activiteitsruimte is minimaal 2,0 m en maximaal 4,0 m breed;i) elk strobed is, behoudens de doorgang naar de activiteitsruimte, volledig omgeven door een dichte hokafscheiding met een hoogte van minimaal 1,0 m, gemeten vanaf de vloer;j) de afstand vanaf de rand van de doorgang naar de activiteitsruimte tot aan het verst gelegen punt van de hokafscheiding, gemeten over het strobed, mag niet groter zijn dan 16 m.3. Activiteitsruimte, inclusief loopgang a) mag worden voorzien van zowel een roostervloer als van een dichte vloer;b) de loopgang dient minimaal 2,0 m breed te zijn, zodat de zeugen elkaar ongehinderd kunnen passeren;c) bij de centrale drinkwatervoorziening (kan bestaan uit meerdere drinkbakken of uit drinknippels) is een vrije ruimte van minimaal 3,0 m bij 3,0 m aanwezig;d) het emitterend mestoppervlak in de mestkelder in geval van roostervloer mag maximaal 1,1 m2 per dierplaats bedragen.In geval van dichte vloer is de maximale oppervlakte van de dichte vloer 1,1 m2 per dierplaats. 4. Mestafvoer a) indien (een gedeelte van) de activiteitsruimte wordt voorzien van een roostervloer, dan dient zich hieronder een mestkelder te bevinden, eventueel voorzien van een mestafvoersysteem;b) de mestkelder, eventueel in combinatie met een mestafvoersysteem, dient zodanig te zijn aangelegd dat de mest snel en restloos uit de kelder kan worden afgevoerd. Eisen aan het gebruik : 1. Minimaal tweemaal per week dient het strobed in de ligruimte te worden aangevuld met vers stro.Minimaal één keer per jaar dient het gehele strobed in de ligruimte te worden vervangen. 2. Elke dag dient de mest verwijderd te worden die toch op het strobed of op de dichte vloer van de activiteitsruimte, inclusief de loopgang, terecht is gekomen. Nadere bijzonderheden : Controle op het goed functioneren van het systeem is mogelijk door visuele inspectie van de (dichte) vloer en van het strobed. Op het strobed mogen geen mestplekken aanwezig zijn. Beoordeling Praktijk : veel toegepast Dierenwelzijn : gunstig Ammoniak - EF : * 2,6 kg NH3 per dierplaats per jaar Commentaar : lachgas (beperken door mest op stro te vermijden) Systeem V-3.7. Zeugen in voederligbox op strobed Werking : de verlaagde ammoniakemissie wordt bekomen door het opvangen van de mest in het stro en het regelmatig aanvullen en vervangen van het stro. Eisen aan de uitvoering : 1. De zeugen zijn gehuisvest in compartimenten van 6 tot 12 zeugen. Ieder compartiment bestaat uit 2 delen : de voederligbox en het ligbed op stro. 2. Voor de voerligbox geldt : a) iedere zeug beschikt over een voerligbox ge …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.