📄 Wettekst
28 APRIL 2017. - Koninklijk besluit tot vaststelling van boek V - Omgevingsfactoren en fysische agentia van de codex over het welzijn op het werk
FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de
wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
04/08/1996
pub.
24/07/1997
numac
1996015142
bron
ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991
sluiten betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, artikel 4, § 1, genummerd bij de wet van 7 april 1999 en gewijzigd bij de wet van 28 februari 2014, artikel 12, gewijzigd bij de wet van 3 juni 2007 en artikel 24;
Gelet op het
koninklijk besluit van 25 april 1997Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
25/04/1997
pub.
12/07/1997
numac
1997012216
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's voortkomende uit ioniserende straling
sluiten betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's voortkomende uit ioniserende straling;
Gelet op het
koninklijk besluit van 23 december 2003Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
23/12/2003
pub.
26/01/2004
numac
2003202219
bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
Koninklijk besluit betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's bij werkzaamheden in een hyperbare omgeving
sluiten betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's bij werkzaamheden in een hyperbare omgeving;
Gelet op het
koninklijk besluit van 7 juli 2005Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/07/2005
pub.
14/07/2005
numac
2005201823
bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
Koninklijk besluit betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico's van mechanische trillingen op het werk
sluiten betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico's van mechanische trillingen op het werk;
Gelet op het
koninklijk besluit van 16 januari 2006Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
16/01/2006
pub.
15/02/2006
numac
2005012770
bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
Koninklijk besluit betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico's van lawaai op het werk
sluiten betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico's van lawaai op het werk;
Gelet op het
koninklijk besluit van 22 april 2010Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/06/2010
pub.
01/07/2010
numac
2010009589
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet tot invoering van het Sociaal Strafwetboek
sluiten0 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico's van kunstmatige optische straling op het werk;
Gelet op het
koninklijk besluit van 4 juni 2012Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/06/2010
pub.
01/07/2010
numac
2010009589
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet tot invoering van het Sociaal Strafwetboek
sluiten1 betreffende de thermische omgevingsfactoren;
Gelet op het
koninklijk besluit van 20 mei 2016Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
06/06/2010
pub.
01/07/2010
numac
2010009589
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet tot invoering van het Sociaal Strafwetboek
sluiten2 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico's van elektromagnetische velden op het werk;
Gelet op het advies nr. 189 van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk, gegeven op 11 december 2015;
Gelet op het advies nr. 60.039/1 van de Raad van State, gegeven op 19 oktober 2016 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.Boek V. - Omgevingsfactoren en fysische agentia van de codex over het welzijn op het werk wordt vastgesteld als volgt : "BOEK V. - OMGEVINGSFACTOREN EN FYSISCHE AGENTIA TITEL 1. - THERMISCHE OMGEVINGSFACTOREN HOOFDSTUK I. - Risicoanalyse en preventiemaatregelen Art.V.1-1. - § 1. Overeenkomstig artikel I.2-6 voert de werkgever een risicoanalyse uit van de thermische omgevingsfactoren van technologische of klimatologische aard die aanwezig zijn op de arbeidsplaats, waarbij hij rekening houdt met de volgende factoren: 1° de luchttemperatuur, uitgedrukt in graden Celsius;2° de relatieve luchtvochtigheid, uitgedrukt in percentage;3° de luchtstroomsnelheid, uitgedrukt in meter per seconde;4° de thermische straling veroorzaakt door de zon of door technologische omstandigheden;5° de fysieke werkbelasting, geëvalueerd door de per seconde te produceren energie, nodig om een werk uit te voeren, en berekend in watt.Voor een continu werk van 8 uren, kan de fysieke belasting gekwalificeerd worden als zeer licht (minder dan 117 watt), licht (117 tot 234 watt), halfzwaar (235 tot 360 watt), zwaar (361 tot 468 watt) en zeer zwaar (meer dan 468 watt); 6° de gebruikte werkmethodes en arbeidsmiddelen;7° de eigenschappen van de werkkledij en van de PBM;8° de combinatie van al deze factoren. De risicoanalyse houdt rekening met de evolutie van deze factoren tijdens de werkduur, met frequent wisselende arbeidsomstandigheden en met seizoenschommelingen. § 2. In het kader van de risicoanalyse, evalueert de werkgever de thermische omgevingsfactoren en, indien nodig, meet hij ze.
De in toepassing van deze paragraaf gebruikte meet- en berekeningsmethodes worden bepaald, na advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer of de preventieadviseur-arbeidshygiëne en na akkoord van het Comité.
Indien er in het Comité geen akkoord wordt bereikt, kiest de werkgever één van de methodes, waarvan tenminste de referenties worden gepubliceerd op de website van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
Art. V.1-2. - Op grond van de in artikel V.1-1 bedoelde risicoanalyse, stelt de werkgever, overeenkomstig artikel I.2-7 en met inachtneming van de algemene preventiebeginselen bedoeld in artikel 5, § 1, tweede lid van de wet passende preventiemaatregelen vast : 1° die inspelen op de factoren bedoeld in artikel V.1-1, § 1, eerste lid, 1° tot 7° en de eventuele combinatie ervan; 2° die rekening houden met de actiewaarden bedoeld in artikel V.1-3 en de gangbare voorschriften en gebruiken inzake comfort op de arbeidsplaats.
De in het eerste lid, 2° bedoelde gangbare voorschriften en gebruiken inzake comfort op de arbeidsplaats worden inzonderheid beschreven in de norm NBN EN ISO 7730 "Ergonomie van de thermische omgeving : analytische bepaling en interpretatie van thermische behaaglijkheid door berekening van de PMV en PPD waarden en door criteria voor de plaatselijke behaaglijkheid". HOOFDSTUK II. - Actiewaarden voor blootstelling Art. V.1-3. - § 1. Voor de blootstelling aan koude worden de actiewaarden voor blootstelling vastgesteld in functie van de fysieke werkbelasting.
De luchttemperatuur mag niet lager zijn dan: a) 18° C voor zeer licht werk;b) 16° C voor licht werk;c) 14° C voor halfzwaar werk;d) 12° C voor zwaar werk;e) 10° C voor zeer zwaar werk. § 2. Voor de blootstelling aan warmte, worden de actiewaarden voor blootstelling vastgesteld uitgaande van de WBGT-index in functie van de fysieke werkbelasting.
De waarde van deze index mag niet hoger zijn dan: a) 29 voor zeer licht of licht werk;b) 26 voor halfzwaar werk;c) 22 voor zwaar werk;d) 18 voor zeer zwaar werk. De WBGT-index kan hetzij rechtstreeks gemeten worden, hetzij berekend worden uitgaande van de meting van de klimatologische parameters bedoeld in artikel V.1-1, § 1, eerste lid, 1° tot 4° waardoor een waarde kan worden bekomen die gelijkwaardig is aan deze WBGT-index.
De berekening van de WBGT-index kan gebeuren volgens methodes zoals deze die gepubliceerd zijn op de website van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. HOOFDSTUK III. - Programma van technische en organisatorische maatregelen Art. V.1-4. - § 1. Wanneer de heersende temperaturen wegens technologische of klimatologische redenen de actiewaarden bedoeld in artikel V.1-3 kunnen overschrijden, gaat de werkgever, op grond van de in artikel V.1-1 bedoelde risicoanalyse, vooraf over tot de opstelling van een programma van technische en organisatorische maatregelen om de blootstelling aan, al naargelang het geval, koude of warmte en de daaruit voortvloeiende risico's te voorkomen of tot een minimum te beperken.
De in het eerste lid bedoelde technische en organisatorische maatregelen hebben inzonderheid betrekking op : 1° technische maatregelen die inspelen op de temperatuur van de omgevingslucht, de luchtvochtigheid, de thermische straling of de luchtstroomsnelheid inzonderheid het voorzien van inrichtingen voor kunstmatige ventilatie, overeenkomstig de bepalingen betreffende de luchtverversing van arbeidsplaatsen, het opvangen en afvoeren van warme en vochtige dampen of gassen, het plaatsen van reflecterende afschermingen en het gebruik van luchtbevochtigers of -ontvochtigers;2° het verlagen van de fysieke werkbelasting door aanpassing van de arbeidsmiddelen of van de werkmethodes;3° alternatieve werkmethoden die de noodzaak van blootstelling aan overmatige koude of warmte verminderen;4° de beperking van de duur en intensiteit van de blootstelling; 5° het aanpassen van de werkroosters of de arbeidsorganisatie zodanig dat de blootstellingsduur van de werknemer aan de overmatige warmte verlaagd wordt, en, indien nodig, periodes van aanwezigheid op de werkpost worden afgewisseld met rusttijden, door te brengen ter plaatse of in rustlokalen, die beantwoorden aan de voorschriften bedoeld in artikel III.1-61 en in bijlage III.1-1; 6° het verschaffen van kledij die de werknemers beschermt tegen de blootstelling aan overmatige koude of warmte en tegen vocht of thermische straling;7° het zonder kosten voor de werknemers ter beschikking stellen van aangepaste verfrissende of warme dranken. De afwisseling van periodes van aanwezigheid op de werkpost met rusttijden bedoeld in het tweede lid, 5° wordt vastgesteld in de volgende volgorde : 1° de werkgever die de norm NBN EN ISO 7243, de norm NBN EN ISO 7933 of de norm NBN EN ISO 9886 toepast wordt vermoed passende maatregelen in verband met de afwisseling van periodes van aanwezigheid op de werkpost met rusttijden te hebben getroffen;2° indien de werkgever de in 1° bedoelde normen niet wenst toe te passen, wordt de afwisseling van periodes van aanwezigheid op de werkpost met rusttijden vastgesteld na advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer en na het voorafgaand akkoord van de werknemersvertegenwoordigers in het Comité, of bij ontstentenis de vakbondsafvaardiging; 3° indien de werkgever de in 1° bedoelde normen niet wenst toe te passen en indien de afwisseling van periodes van aanwezigheid op de werkpost met rusttijden niet kan bepaald worden in toepassing van 2°, wordt deze afwisseling vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van een bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst die gesloten werd in het paritair comité, waaronder de werkgever ressorteert voor zover deze bepalingen een bescherming bieden die vergelijkbaar is met deze bepaald in bijlage V.1-1; 4° indien de werkgever de in 1° bedoelde normen niet wenst toe te passen en indien de afwisseling van periodes van aanwezigheid op de werkpost met rusttijden niet kan bepaald worden in toepassing van 2° of 3°, past de werkgever de bepalingen toe opgenomen in bijlage V.1-1. § 2. Het in § 1 bedoelde programma beschrijft per werkpost of per groep van werkposten, per functie of per groep van functies de technische en organisatorische maatregelen die in toepassing van deze titel zullen worden getroffen.
Het wordt aangepast telkens er zich wijzigingen voordoen in één of meerdere elementen die aanleiding hebben gegeven tot het opstellen van dit programma. § 3. Het in § 1 bedoelde programma wordt voor advies voorgelegd aan de bevoegde preventieadviseur en aan het Comité en het wordt gevoegd bij het globaal preventieplan.
De werkgever voert dit programma uit van zodra de actiewaarden worden overschreden. § 4. Het programma bedoeld in dit artikel doet geen afbreuk aan de toepassing van de minimumvoorschriften bedoeld in de artikelen V.1-5 tot V.1-13. HOOFDSTUK IV. - Maatregelen in geval van overmatige koude Afdeling 1. - Overmatige koude van technologische oorsprong
Art. V.1-5. - Wanneer de heersende temperaturen in gekoelde lokalen wegens technologische redenen lager zijn dan de minimale temperaturen bedoeld in artikel V.1-3, § 1, tweede lid neemt de werkgever de volgende maatregelen : 1° de werknemers worden voorzien van aangepaste werkkledij en PBM;2° de luchtstroomsnelheid in deze lokalen wordt, wanneer er werknemers aanwezig zijn, beperkt tot een minimumniveau dat compatibel is met de werking van de installaties;3° er worden technische middelen voorzien om de beschermkledij na gebruik te drogen;4° er worden zonder kosten voor de werknemers warme dranken ter beschikking van de werknemers gesteld. Telkens de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer het noodzakelijk oordeelt voor de gezondheid van de werknemers, voorziet de werkgever bovendien in een rusttijd in een rustlokaal, overeenkomstig de bepalingen van artikel V.1-4, § 1, derde lid. Afdeling 2. - Overmatige koude van klimatologische oorsprong
Art. V.1-6. - Tijdens de periode tussen 1 november en 31 maart van het daaropvolgende jaar worden de open werklokalen en de arbeidsplaatsen in open lucht van een voldoende aantal verwarmingsinrichtingen voorzien.
Wanneer het ingevolge de weersomstandigheden nodig blijkt en in elk geval wanneer de buitentemperatuur lager is dan 5 ° C, moeten deze verwarmingsinrichtingen in werking worden gesteld.
Indien de vertegenwoordigers van de werknemers in het Comité, of bij ontstentenis de vakbondsafvaardiging, vooraf hun akkoord geven mogen deze verwarmingstoestellen worden opgesteld in lokalen, in voorlopige constructies of op andere plaatsen, teneinde de werknemers de mogelijkheid te bieden zich bij tussenpozen te verwarmen.
Art. V.1-7. - Bij een buitentemperatuur van minder dan 5 ° C is het de exploitanten van winkels voor detailverkoop verboden werknemers tewerk te stellen aan toonbanken of winkelbanken die zich buiten en in de onmiddellijke nabijheid van de winkel bevinden.
Bij een buitentemperatuur van minder dan 10 ° C moeten de aan voornoemde banken tewerkgestelde werknemers over een voldoende krachtige verwarmingsinrichting beschikken, tenzij maatregelen worden genomen waardoor deze werknemers zich geregeld en zo dikwijls als nodig kunnen verwarmen.
Bovendien beschikken die werknemers over een vloer, waardoor rechtstreeks contact met de grond wordt voorkomen, en worden ze zoveel mogelijk tegen weer en wind beschermd.
Deze werknemers mogen dergelijke arbeid niet verrichten vóór 8 uur of na 19 uur, ook niet langer dan 2 uur zonder onderbreking van ten minste één uur, noch meer dan 4 uren per dag. HOOFDSTUK V. - Maatregelen in geval van overmatige warmte Afdeling 1. - Overmatige warmte van technologische oorsprong
Art. V.1-8. - Wanneer in de gesloten werklokalen overmatige warmte van technologische oorsprong te wijten aan convectie wordt vastgesteld en de in artikel V.1-3, § 2, tweede lid bedoelde actiewaarden worden overschreden op het niveau van de werkpost met zwaarste last, plaatst de werkgever inrichtingen voor kunstmatige verluchting of een systeem van afzuiging, overeenkomstig de bepalingen betreffende de luchtverversing van de arbeidsplaatsen.
Art. V.1-9. - Wanneer de overmatige warmte van technologische oorsprong wordt veroorzaakt door stralingen en de in artikel V.1-3, § 2, tweede lid bedoelde actiewaarden worden overschreden worden beveiligingsschermen of reflectorische beschermingskledij of beschermingskledij met een ingebouwd koelsysteem gebruikt.
Art. V.1-10. - Indien de in artikel V.1-8 en V.1-9 voorgeschreven maatregelen niet kunnen genomen worden of ondoeltreffend blijken, wordt de duur van de blootstelling aan de warmte verlaagd.
Deze verlaging gebeurt door aanwezigheden op de betrokken werkpost af te wisselen met rusttijden ter plaatse of in rustlokalen, die beantwoorden aan de voorschriften bedoeld in artikel III.1-61 en in bijlage III.1-1.
De afwisseling van de aanwezigheidstijd op de werkpost en de rusttijden wordt bepaald overeenkomstig artikel V.1-4, § 1, derde lid.
Bovendien zorgt de werkgever, zonder kosten voor de werknemers, voor de verdeling van verfrissende dranken, overeenkomstig het advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, om het vochtverlies ten gevolge van de arbeidsomstandigheden te compenseren. Afdeling 2. - Overmatige warmte van klimatologische oorsprong
Art. V.1-11. - Wanneer de in artikel V.1-3, § 2, tweede lid bedoelde actiewaarden worden overschreden, neemt de werkgever de volgende maatregelen: 1° indien de overschrijding aanhoudt, installeert de werkgever binnen de 48 uur, na het ogenblik van de vaststelling van de overschrijding, in de werklokalen inrichtingen voor kunstmatige verluchting, overeenkomstig de bepalingen betreffende de luchtverversing van de arbeidsplaatsen; 2° indien, nadat de in punt 1° vermelde termijn verstreken is, de overschrijding voortduurt, voert de werkgever een regime in van beperkte aanwezigheid op de werkpost en van rusttijden zoals voorzien in artikel V.1-10, tweede en derde lid; 3° de werkgever zorgt, zonder kosten voor de werknemers, voor de verdeling van verfrissende dranken, overeenkomstig het advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, om het vochtverlies ten gevolge van de arbeidsomstandigheden te compenseren. Wanneer de overschrijding van de actiewaarden bedoeld in artikel V.1-3, § 2, tweede lid zowel haar oorsprong vindt in technologische factoren als klimatologische factoren past de werkgever de bepalingen toe van de artikelen V.1-8 tot V.1-10.
Art. V.1-12. - De werknemers worden tegen de zonnestraling beschermd door om het even welke installatie die zich daarvoor leent of door een aanpassing van de arbeidsorganisatie.
De werknemers blootgesteld aan rechtstreekse zonnestraling beschikken over CBM of PBM. Afdeling 3. - Korte blootstelling aan ernstige overmatige warmte bij
interventies Art. V.1-13. - Bij een korte blootstelling aan een ernstige overmatige warmte bij interventies, worden de maximale blootstellingsduur en de organisatie van het werk vooraf vastgelegd door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer.
Deze laatste kan beslissen om tijdens de blootstelling over te gaan tot de monitoring van de fysiologische parameters van de betrokken werknemer, om aldus een overschrijding van de fysiologische limieten te vermijden. HOOFDSTUK VI. - Gezondheidstoezicht Art. V.1-14. - § 1. De werknemers worden onderworpen aan een passend gezondheidstoezicht, wanneer zij uit hoofde van hun normale dagtaak regelmatig, om technologische redenen worden blootgesteld aan : 1° koude, wanneer de temperatuur lager is dan 8 ° C; 2° warmte, wanneer de actiewaarden bedoeld in artikel V.1-3, § 2, tweede lid worden overschreden.
Dit gezondheidstoezicht wordt uitgevoerd alvorens de werknemer te werk te stellen en wordt jaarlijks herhaald. § 2. De werknemers worden onderworpen aan een passend gezondheidstoezicht, wanneer zij gewoonlijk buiten tewerkgesteld worden. § 3. Het gezondheidstoezicht bedoeld in dit artikel wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 4. HOOFDSTUK VII. - Werknemers die behoren tot bijzonder gevoelige risicogroepen Art. V.1-15. - Om werknemers die behoren tot bijzonder gevoelige risicogroepen te kunnen beschermen tegen de voor hen specifieke risico's, past de werkgever, na advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, de maatregelen voorzien in de hoofdstukken III tot VI van deze titel aan, aan de vereisten van de werknemers die tot die groepen behoren. HOOFDSTUK VIII. - Voorlichting en opleiding van de werknemers Art. V.1-16. - De werknemers die aan overmatige koude of warmte worden blootgesteld krijgen voorlichting en een opleiding in overeenstemming met deze risico's, inzonderheid betreffende: 1° de resultaten van de risicoanalyse, van de evaluaties en van de metingen van de blootstelling in toepassing van hoofdstuk I van deze titel en de letsels die deze blootstelling zou kunnen veroorzaken;2° de actiewaarden bedoeld in hoofdstuk II van deze titel;3° de maatregelen die in toepassing van deze titel genomen worden om de risico's te wijten aan een blootstelling aan koude of aan warmte te voorkomen of tot een minimum te beperken;4° het belang van en de handelswijze voor het opsporen en het signaleren van lichamelijke symptomen te wijten aan overmatige koude of warmte;5° het belang van de invloed van individuele eigenschappen op de thermische belasting;6° veilige handelingen en professionele praktijken om de blootstelling tot een minimum te beperken;7° de omstandigheden waarin de werknemers met toepassing van boek I, titel 4 recht hebben op gezondheidstoezicht. TITEL 2. - LAWAAI HOOFDSTUK I.- Toepassingsgebied en definities Art. V.2-1. - Deze titel is van toepassing op activiteiten waarbij werknemers vanwege hun werk worden of kunnen worden blootgesteld aan risico's verbonden aan lawaai.
Art. V.2-2. - Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder: 1° blootstelling: de mate waarin het lawaai op het menselijk lichaam inwerkt;2° meting: de meting op zich, de analyse en de berekening van het resultaat. Art. V.2-3. - Voor de toepassing van deze titel worden volgende fysische grootheden als risico-indicator gebruikt en als volgt gedefinieerd : 1° piekgeluidsdruk (Ppiek): maximumwaarde van de "C"-frequentiegewogen momentane lawaaidruk;2° dagelijkse blootstelling aan lawaai (LEX, 8h) (dB(A) re.20 µPa): tijdgewogen gemiddelde van de niveaus van blootstelling aan lawaai op een nominale werkdag van acht uur, zoals gedefinieerd in de norm NBN ISO 1999:1992*, punt 3.6. Dit omvat alle op het werk aanwezige geluiden, met inbegrip van impulsgeluiden; 3° wekelijkse blootstelling aan lawaai (LEX, 8h) : tijdgewogen gemiddelde van de dagelijkse niveaus van blootstelling aan lawaai in een nominale week van vijf werkdagen van acht uur, zoals gedefinieerd in de norm NBN ISO 1999:1992, punt 3.6 (noot 2). HOOFDSTUK II. - Grenswaarden en actiewaarden van blootstelling Art. V.2-4. - Voor de toepassing van deze titel worden de grenswaarden en actiewaarden voor de dagelijkse niveaus van blootstelling aan lawaai en voor de piekgeluidsdruk vastgesteld op : 1° grenswaarden voor blootstelling: respectievelijk LEX, 8h = 87 dB(A) en Ppiek = 200 Pa, (140 dB(C) in verhouding tot 20 µPa);2° bovenste actiewaarden voor blootstelling: respectievelijk LEX, 8h = 85 dB(A) en Ppiek = 140 Pa, (137 dB(C) in verhouding tot 20 µPa);3° onderste actiewaarden voor blootstelling: respectievelijk LEX, 8h = 80 dB(A) en Ppiek = 112 Pa, (135 dB(C) in verhouding tot 20 µPa). Art. V.2-5. - Bij de toepassing van de grenswaarden voor blootstelling wordt ter bepaling van de daadwerkelijke blootstelling van de werknemer rekening gehouden met de dempende werking van door de werknemer gedragen individuele gehoorbeschermers. Bij de toepassing van de actiewaarden voor blootstelling wordt geen rekening gehouden met het effect van gehoorbeschermers. HOOFDSTUK III. - Bepaling en beoordeling van de risico's Art. V.2-6. - In het kader van de risicoanalyse en de op basis daarvan te nemen preventiemaatregelen overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 2, onderzoekt de werkgever of de werknemers tijdens hun werk worden of kunnen worden blootgesteld aan risico's verbonden aan lawaai.
In geval uit het in het eerste lid bedoelde onderzoek blijkt dat de werknemers tijdens hun werk worden of kunnen worden blootgesteld aan risico's verbonden aan lawaai, beoordeelt en, indien nodig, meet de werkgever het niveau van blootstelling van de werknemers aan dit lawaai.
Art. V.2-7. - De voor de in artikel V.2-6 bedoelde beoordeling en meting gebruikte methoden en apparaten zijn afgestemd op de heersende omstandigheden, in het bijzonder in het licht van de kenmerken van het te meten lawaai, de duur van de blootstelling, omgevingsfactoren en de kenmerken van de meetapparatuur.
Met de in het eerste lid bedoelde methoden en apparaten moet het mogelijk zijn de in artikel V.2-3 gedefinieerde parameters vast te stellen en te besluiten of in een bepaald geval de in artikel V.2-4 vastgestelde waarden zijn overschreden.
De in het eerste lid bedoelde methoden mogen onder meer bestaan uit steekproeven die representatief zijn voor de persoonlijke blootstelling van een werknemer.
Art. V.2-8. - Voor de in artikel V.2-6, tweede lid, bedoelde beoordeling en meting, die op deskundige wijze worden gepland en met passende tussenpozen worden uitgevoerd, doet de werkgever een beroep op zijn, naar gelang het geval, interne of externe dienst.
Indien de nodige deskundigheid voor de in het eerste lid bedoelde beoordeling en meting niet aanwezig is in de interne of externe dienst, doet de werkgever een beroep op een erkend laboratorium waarvan de erkenning betrekking heeft op het meten van lawaai.
Art. V.2-9. - De gegevens die door middel van de beoordeling en/of meting van het niveau van blootstelling aan lawaai zijn verkregen, worden in een passende vorm bewaard, om latere raadpleging mogelijk te maken.
Art. V.2-10. - Voor de beoordeling van de meetresultaten wordt rekening gehouden met de meetonzekerheden vastgesteld volgens de metrologische praktijk.
Art. V.2-11. - In het kader van de risicobeoordeling en de op basis daarvan te nemen preventiemaatregelen overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 2, besteedt de werkgever met name aandacht aan : 1° het niveau, de aard en de duur van de blootstelling, met inbegrip van eventuele blootstelling aan impulsgeluid; 2° de in artikel V.2-4 vastgelegde grenswaarden en actiewaarden voor de blootstelling; 3° de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van werknemers die tot bijzonder gevoelige risicogroepen behoren;4° voor zover dit technisch uitvoerbaar is, de mogelijke gevolgen voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers van de wisselwerking tussen lawaai en werkgerelateerde ototoxische stoffen en tussen lawaai en trillingen;5° de mogelijke indirecte gevolgen voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers van de wisselwerking tussen lawaai en waarschuwingssignalen of andere geluiden waarop dient te worden gelet teneinde het risico op ongelukken te verkleinen;6° de informatie over de lawaai-emissie die door fabrikanten van arbeidsmiddelen overeenkomstig de bepalingen van het
koninklijk besluit van 12 augustus 2008Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
12/08/2008
pub.
01/10/2008
numac
2008011357
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen van machines
sluiten betreffende het op de markt brengen van machines is verstrekt;7° het bestaan van alternatieve arbeidsmiddelen die ontworpen zijn om de lawaai-emissie te verminderen;8° de voortzetting van de blootstelling aan lawaai buiten normale werktijd onder verantwoordelijkheid van de werkgever;9° uit gezondheidstoezicht verkregen relevante informatie, met inbegrip van gepubliceerde informatie, voor zover dat mogelijk is;10° de beschikbaarheid van gehoorbeschermers met voldoende dempende werking. Art. V.2-12. - De werkgever evalueert de risico's overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 2 en vermeldt welke maatregelen ter voorkoming of vermindering van de blootstelling zijn getroffen in toepassing van de artikelen V.2-13 tot V.2-18.
De risico-evaluatie moet naar behoren gedocumenteerd zijn en moet regelmatig worden bijgewerkt, met name indien ingrijpende veranderingen hebben plaatsgevonden waardoor zij verouderd kan zijn, of wanneer uit de resultaten van het gezondheidstoezicht blijkt dat bijwerking nodig is. HOOFDSTUK IV. - Maatregelen ter voorkoming of vermindering van de blootstelling Art. V.2-13. - De risico's van blootstelling aan lawaai worden weggenomen aan de bron of tot een minimum beperkt, waarbij rekening wordt gehouden met de technische vooruitgang en de beschikbaarheid van maatregelen om het risico aan de bron te beheersen.
De beperking van deze risico's geschiedt met inachtneming van de in artikel 5, § 1 van de wet vermelde algemene preventiebeginselen, waarbij vooral rekening wordt gehouden met: 1° alternatieve werkmethoden die leiden tot minder blootstelling aan lawaai;2° de keuze van de juiste arbeidsmiddelen, rekening houdend met het te verrichten werk, die zo weinig mogelijk lawaai maken, met inbegrip van de mogelijkheid om de werknemers te laten beschikken over arbeidsmiddelen die voldoen aan de bepalingen van het
koninklijk besluit van 12 augustus 2008Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
12/08/2008
pub.
01/10/2008
numac
2008011357
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen van machines
sluiten betreffende het op de markt brengen van machines, en die een beperking van de blootstelling aan lawaai tot doel of als gevolg hebben;3° het ontwerp en de indeling van de werkpost en de arbeidsplaats;4° een adequate voorlichting en opleiding om de werknemers te leren hoe arbeidsmiddelen juist te gebruiken teneinde de blootstelling aan lawaai tot een minimum te beperken;5° technische maatregelen ter beperking van lawaai: a) ingevolge luchtgeluid, inzonderheid door afscherming, omkasting of afdekking met geluidsabsorberend materiaal;b) ingevolge constructiegeluid, inzonderheid door demping of isolatie;6° passende onderhoudsprogramma's voor de arbeidsmiddelen, de arbeidsplaats en de systemen op de arbeidsplaats;7° de organisatie van de werkzaamheden, met het oog op een beperking van het lawaai: a) beperking van de duur en intensiteit van de blootstelling;b) aangepaste werkschema's en voldoende rustpauzes. Art. V.2-14. - Wanneer de bovenste actiewaarden, vastgesteld in artikel V.2-4, 2° worden overschreden, gaat de werkgever op basis van de in artikel V.2-6 bedoelde risicobeoordeling over tot de opstelling en uitvoering van een programma van technische en/of organisatorische maatregelen om de blootstelling aan lawaai tot een minimum te beperken, met inachtneming van met name de in artikel V.2-13 genoemde maatregelen.
Art. V.2-15. - Op basis van de in artikel V.2-6 bedoelde risicobeoordeling, worden arbeidsplaatsen waar werknemers kunnen worden blootgesteld aan lawaai dat de bovenste actiewaarden voor blootstelling, bedoeld in artikel V.2-4, 2° overschrijdt, duidelijk aangegeven door middel van passende signaleringen. Deze zones worden ook afgebakend en de toegang ertoe wordt beperkt indien dit technisch uitvoerbaar is en het risico van blootstelling zulks rechtvaardigt.
Art. V.2-16. - In geen geval mag de blootstelling van de werknemer, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel V.2-5, de grenswaarden bedoeld in artikel V.2-4, 1° overschrijden.
Indien, ondanks de maatregelen die ter uitvoering van deze titel zijn getroffen, toch blootstellingen worden geconstateerd die de desbetreffende grenswaarden overschrijden, worden door de werkgever: 1° onmiddellijk maatregelen genomen om de blootstelling terug te brengen tot een niveau beneden de grenswaarden voor blootstelling, 2° de redenen van de overmatige blootstelling vastgesteld en 3° de beschermings- en preventiemaatregelen aangepast om te voorkomen dat zulks opnieuw gebeurt. Art. V.2-17. - Wanneer de werknemer, vanwege de aard van het werk, gebruik kan maken van rustlokalen waarvoor de werkgever verantwoordelijk is, wordt het lawaai in deze ruimten teruggebracht tot een niveau dat verenigbaar is met de functie van de ruimten en de omstandigheden waarin zij worden gebruikt.
Art. V.2-18. - Ten einde bijzonder gevoelige risicogroepen te kunnen beschermen tegen voor hen specifieke gevaren stemt de werkgever de maatregelen, bedoeld in de artikelen V.2-13 tot V.2-15 en in artikel V.2-17 af op de behoeften van werknemers die tot die groepen behoren. HOOFDSTUK V. - Persoonlijke bescherming Art. V.2-19. - Indien de risico's die voortvloeien uit blootstelling aan lawaai niet op andere wijze kunnen worden voorkomen, worden passende, naar behoren aangemeten individuele gehoorbeschermers beschikbaar gesteld aan de werknemers, die daarvan op grond van de bepalingen van boek IX, titel 2 en van artikel 6 van de wet en in de hieronder omschreven omstandigheden gebruikmaken: 1° wanneer de blootstelling aan lawaai de onderste actiewaarden voor blootstelling, bedoeld in artikel V.2-4, 3°, overschrijdt, stelt de werkgever individuele gehoorbeschermers ter beschikking van de werknemers; 2° wanneer de blootstelling aan lawaai de bovenste actiewaarden voor blootstelling, bedoeld in artikel V.2-4, 2°, evenaart of overschrijdt, worden individuele gehoorbeschermers gebruikt; 3° de individuele gehoorbeschermers worden zodanig geselecteerd dat het risico op gehoorbeschadiging wordt uitgeband of tot een minimum wordt beperkt. De werkgever is verantwoordelijk voor de doeltreffendheid van de in toepassing van dit artikel genomen maatregelen en zorgt ervoor dat de werknemers de gehoorbeschermers dragen. HOOFDSTUK VI. - Voorlichting en opleiding van de werknemers Art. V.2-20. - Onverminderd de artikelen I.2-16 tot I.2-21, draagt de werkgever er zorg voor dat de werknemers die op de arbeidsplaats worden blootgesteld aan lawaai dat gelijk aan of hoger is dan de onderste actiewaarden voor blootstelling, bedoeld in artikel V.2-4, 3°, en het Comité voorlichting en opleiding ontvangen inzake de risico's die voortvloeien uit blootstelling aan lawaai, in het bijzonder betreffende: 1° de aard van dergelijke risico's;2° maatregelen die uit hoofde van deze titel zijn genomen om de risico's in verband met lawaai weg te nemen of tot een minimum te beperken, met inbegrip van de omstandigheden waaronder de maatregelen van toepassing zijn; 3° de in artikel V.2-4 vastgelegde grenswaarden en actiewaarden voor blootstelling; 4° de resultaten van de overeenkomstig het artikel V.2-6 verrichte beoordeling en meting van het lawaai en uitleg van de betekenis en de mogelijke risico's ervan; 5° het juiste gebruik van gehoorbeschermers;6° waarom en hoe signalen van gehoorbeschadiging op te sporen en te melden zijn; 7° de omstandigheden waarin werknemers recht hebben op gezondheidstoezicht en het doel van het gezondheidstoezicht overeenkomstig de artikelen V.2-22 tot V.2-26; 8° veilige werkmethoden om de blootstelling aan lawaai tot een minimum te beperken. HOOFDSTUK VII. - Raadpleging en participatie van de werknemers Art. V.2-21. - Raadpleging en deelneming van werknemers en/of hun vertegenwoordigers in aangelegenheden bestreken door deze titel vinden plaats overeenkomstig de bepalingen van boek II, titel 7.
Het Comité wordt geraadpleegd over en neemt deel aan inzonderheid: 1° de in artikelen V.2-6 tot V.2-12 bedoelde beoordeling van de risico's en vaststelling van genomen maatregelen; 2° de maatregelen ter voorkoming of vermindering van de risico's van blootstelling, bedoeld in de artikelen V.2-13 tot V.2-15 en in de artikelen V.2-17 en V.2-18; 3° de in artikel V.2-19, 3° bedoelde keuze van individuele gehoorbeschermers. HOOFDSTUK VIII. - Gezondheidstoezicht Art. V.2-22. - De werknemers die een activiteit met een aan lawaai te wijten risico uitvoeren, waarbij de blootstelling de onderste actiewaarden bedoeld in artikel V.2-4, 3° overschrijdt, worden onderworpen aan een gezondheidstoezicht volgens de bepalingen van boek I, titel 4.
Art. V.2-23. - Voor iedere werknemer die overeenkomstig artikel V.2-22 aan het gezondheidstoezicht onderworpen is, wordt een gezondheidsdossier aangelegd en bijgehouden overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 4.
Art. V.2-24. - Alvorens een werknemer een activiteit, zoals bedoeld in artikel V.2-22, wordt toegewezen, wordt deze laatste onderworpen aan een voorafgaande gezondheidsbeoordeling.
Deze voorafgaande gezondheidsbeoordeling bestaat uit een controle van het gehoor door middel van een preventief audiometrisch onderzoek dat wordt uitgevoerd volgens de voorschriften van de norm ISO 6189^.
Art. V.2-25. - De betrokken werknemer wordt onderworpen aan een periodieke gezondheidsbeoordeling met audiometrisch onderzoek binnen de 12 maanden die volgen op de eerste beoordeling.
De periodiciteit van de periodieke gezondheidsbeoordeling wordt als volgt bepaald : 1° jaarlijks voor werknemers die worden blootgesteld aan een gemiddelde dagelijkse blootstelling gelijk aan of groter dan 87 dB(A) of een piekgeluidsdruk van 140 dB;2° om de drie jaar voor werknemers die worden blootgesteld aan een gemiddelde dagelijkse blootstelling gelijk aan of groter dan 85 dB(A) of een piekgeluidsdruk van 137 dB;3° om de vijf jaar voor werknemers die worden blootgesteld aan een gemiddelde dagelijkse blootstelling gelijk aan of groter dan 80 dB(A) of een piekgeluidsdruk van 135 dB. Art. V.2-26. - Wanneer uit de resultaten van de periodieke gezondheidsbeoordeling blijkt dat een werknemer een aantoonbare gehoorbeschadiging heeft: 1° informeert de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer de werknemer over de uitslag die hem betreft; 2° treft de werkgever de volgende maatregelen: a) hij herziet de in artikel V.2-6 bedoelde risicoanalyse; b) hij herziet de preventiemaatregelen, genomen om de risico's weg te nemen of te verminderen, zoals bedoeld in de artikelen V.2-13 tot V.2-15 en V.2-17 tot V.2-19; c) hij houdt rekening met het advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, van enig andere terzake deskundige preventieadviseur of van de met het toezicht belaste ambtenaar bij het nemen van preventiemaatregelen, genomen om de risico's weg te nemen of te verminderen, zoals bedoeld in de artikelen V.2-13 tot V.2-15 en V.2-17 tot V.2-19, met inbegrip van het geven van ander werk aan de werknemers waarbij geen blootstellingsrisico meer bestaat; d) hij zorgt ervoor dat alle werknemers die een gelijkaardige blootstelling hebben ondergaan aan een gezondheidsbeoordeling worden onderworpen. HOOFDSTUK IX. - Afwijkingen Art. V.2-27. - Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden het volledige en correcte gebruik van individuele gehoorbeschermers wegens de aard van het werk tot grotere risico's voor de gezondheid of de veiligheid zou kunnen leiden dan het niet gebruiken van deze beschermers, kan een afwijking van de bepalingen van de artikelen V.2-16 en V.2-19, eerste lid, 1° en 2° worden toegekend.
Art. V.2-28. - Voor de toepassing van de grenswaarden en actiewaarden voor blootstelling ter beoordeling van de lawaainiveaus waaraan de werknemers zijn blootgesteld, kan het dagelijkse niveau van blootstelling aan lawaai vervangen worden door het wekelijkse niveau van blootstelling, op voorwaarde dat: 1° het activiteiten betreft waarbij de dagelijkse blootstelling aan lawaai per werkdag aanmerkelijk verschilt;2° de omstandigheden naar behoren gemotiveerd zijn;3° het wekelijkse niveau van blootstelling aan lawaai, zoals dit blijkt uit een adequate controle, niet meer bedraagt dan de grenswaarde voor blootstelling van 87 dB(A) en;4° er adequate maatregelen worden genomen om het aan deze activiteiten verbonden risico tot een minimum te beperken. Art. V.2-29. - De in de artikelen V.2-27 en V.2-28 bedoelde afwijkingen worden verleend door de Minister of door de ambtenaar aan wie hij daartoe delegatie heeft verleend.
De in het eerste lid bedoelde afwijkingen worden verleend na onderzoek en advies van de met het toezicht belaste ambtenaar.
Bij gebrek aan advies binnen de twee maanden na de indiening van de aanvraag tot afwijking door de werkgever, wordt het geacht gunstig te zijn.
Art. V.2-30. - De aanvraag tot afwijking wordt schriftelijk gericht aan de algemene directie HUA en gaat vergezeld van het proces-verbaal van de vergadering van het Comité, waarin het advies van de leden van het Comité omtrent deze aanvraag tot afwijking werd ingewonnen en van het advies van de bevoegde interne of externe dienst.
De aanvraag bevat eveneens de vermelding van de bijzondere omstandigheden en redenen die de werkgever ertoe gebracht hebben deze afwijking aan te vragen en het voorstel van de maatregelen die hij zinnens is te nemen om, rekening houdende met deze omstandigheden, te waarborgen dat de eruit voortvloeiende risico's tot een minimum beperkt worden.
Art. V.2-31. - De toelating tot afwijking bevat: 1° de voorwaarden die waarborgen dat de eruit voortvloeiende risico's, rekening houdende met bijzondere omstandigheden, tot een minimum beperkt worden;2° de verplichting de betrokken werknemers onder verscherpt gezondheidstoezicht te stellen. Art. V.2-32. - De toelating tot afwijking heeft een geldigheidsduur van vier jaar. Ten laatste een maand voor het verstrijken van de lopende geldigheidsduur wordt opnieuw een aanvraag gedaan. De toelating tot afwijking vervalt bij het verstrijken van de geldigheidsduur indien de aanvraag niet binnen voornoemde termijn wordt gedaan.
Art. V.2-33. - Wanneer tijdens de duurtijd van de afwijking, hetzij de werkgever, hetzij de met het toezicht belaste ambtenaar, vaststelt dat de omstandigheden die de afwijking rechtvaardigden, ophouden te bestaan, stellen zij hiervan de leidend ambtenaar HUA, onverwijld schriftelijk in kennis.
Nadat, in voorkomend geval, de werkgever werd gehoord, wordt de verleende toelating tot afwijking opgeheven.
De werkgever wordt in kennis gesteld van de gemotiveerde beslissing tot opheffing van de afwijking.
TITEL 3. - TRILLINGEN HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities Art. V.3-1. - Deze titel is van toepassing op alle activiteiten waarbij werknemers vanwege hun werk worden of kunnen worden blootgesteld aan risico's verbonden aan mechanische trillingen.
Art. V.3-2. - Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder: 1° hand-armtrillingen: mechanische trillingen die, wanneer zij op het hand-armsysteem van de mens worden overgebracht, risico's voor de gezondheid en veiligheid van de werknemers inhouden, met name vaat-, bot- of gewrichts-, zenuw- of spieraandoeningen;2° lichaamstrillingen: mechanische trillingen die, wanneer zij op het lichaam in zijn geheel worden overgebracht, risico's voor de gezondheid en veiligheid van de werknemers inhouden, met name aandoeningen van de lage rug en beschadigingen van de wervelkolom;3° blootstelling: de mate waarin op het menselijk lichaam mechanische trillingen worden uitgeoefend;4° meting: elke meetverrichting met inbegrip van de analyse en de berekening van het resultaat. HOOFDSTUK II. - Grenswaarden en actiewaarden voor de blootstelling Art. V.3-3. - Voor hand-armtrillingen wordt de grenswaarde voor dagelijkse blootstelling, herleid tot een standaardreferentieperiode van acht uur, vastgesteld op 5 m/s2 en wordt de actiewaarde voor dagelijkse blootstelling, herleid tot dezelfde standaardreferentieperiode, vastgesteld op 2,5 m/s2.
De blootstelling aan hand-armtrillingen wordt beoordeeld of gemeten volgens de bepalingen van deel A, punt 1 van de bijlage V.3-1.
Art. V.3-4. - Voor lichaamstrillingen wordt de grenswaarde voor dagelijkse blootstelling, herleid tot een standaardreferentieperiode van acht uur, vastgesteld op 1,15 m/s2 en wordt de actiewaarde voor dagelijkse blootstelling, herleid tot dezelfde standaardreferentieperiode, vastgesteld op 0,5 m/ s2.
De blootstelling aan lichaamstrillingen wordt beoordeeld of gemeten volgens de bepalingen van deel B, punt 1 van de bijlage V.3-1. HOOFDSTUK III. - Bepaling en beoordeling van de risico's Art. V.3-5. - Bij de toepassing van de verplichtingen bedoeld in boek I, titel 2 en inzonderheid van de artikelen I.2-6 en I.2-7, gaat de werkgever eerst na of zich mechanische trillingen tijdens het werk voordoen of kunnen voordoen.
Is dat het geval, dan beoordeelt en, indien nodig, meet de werkgever de blootstelling van de werknemers aan deze mechanische trillingen. De meting vindt plaats overeenkomstig punt 2 van deel A, respectievelijk deel B, van de bijlage V.3-1.
In geval van betwisting van de meetresultaten door het Comité, worden deze metingen toevertrouwd aan een erkend laboratorium.
Art. V.3-6. - Het niveau van blootstelling aan mechanische trillingen kan worden beoordeeld door middel van observatie van specifieke werkmethoden en door gebruikmaking van passende informatie over het waarschijnlijke trillingsniveau van het materieel of de soorten materieel in bijzondere gebruiksomstandigheden, met inbegrip van dergelijke informatie die door de fabrikant van het materieel wordt verstrekt. Deze procedure is verschillend van een meting, waarvoor specifieke apparaten en passende methoden nodig zijn.
Indien de verzamelde gegevens niet volstaan om te kunnen vaststellen dat de grenswaarden worden nageleefd, worden zij aangevuld met metingen zoals bedoeld in het artikel V.3-5, tweede en derde lid.
Op verzoek van de bevoegde preventieadviseur of van de werknemersvertegenwoordigers in het Comité, laat de werkgever in elk geval metingen uitvoeren zoals bedoeld in het artikel V.3-5, tweede en derde lid.
Art. V.3-7. - De in artikel V.3-6 bedoelde beoordeling en meting worden op deskundige wijze gepland en met passende tussenpozen uitgevoerd. Zij maken deel uit van het dynamisch risicobeheersingssysteem, bedoeld in het artikel I.2-2.
Indien de werkgever voor deze beoordelingen en metingen zelf de nodige deskundigheid niet bezit, doet hij, met toepassing van artikel II.1-13, vierde lid, een beroep op een terzake deskundige preventieadviseur van een externe dienst of op een erkend laboratorium waarvan de erkenning betrekking heeft op het meten van mechanische trillingen.
Art. V.3-8. - De gegevens die door middel van de beoordeling en/of meting van het niveau van blootstelling aan mechanische trillingen zijn verkregen, worden in een passende vorm bewaard zodat zij later kunnen worden geraadpleegd.
Art. V.3-9. - Bij de toepassing van de verplichtingen bedoeld in boek I, titel 2 en inzonderheid van de artikelen I.2-6 en I.2-7, besteedt de werkgever bij de risicobeoordeling met name aandacht aan : 1° het niveau, de aard en de duur van de blootstelling, met inbegrip van eventuele blootstelling aan periodieke trillingen of herhaalde schokken; 2° de in artikelen V.3-3 en V.3-4 vastgelegde grenswaarden en actiewaarden voor de blootstelling; 3° mogelijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van werknemers met een verhoogd risico;4° mogelijke indirecte gevolgen voor de veiligheid van werknemers die worden veroorzaakt door de wisselwerking tussen mechanische trillingen en de arbeidsplaats, of andere arbeidsmiddelen;5° de informatie die door fabrikanten van arbeidsmiddelen is verstrekt overeenkomstig de bepalingen van het
koninklijk besluit van 12 augustus 2008Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
12/08/2008
pub.
01/10/2008
numac
2008011357
bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen van machines
sluiten betreffende het op de markt brengen van machines;6° het bestaan van vervangende uitrusting die ontworpen is om de niveaus van blootstelling aan mechanische trillingen te verminderen;7° voortzetting van de blootstelling aan lichaamstrillingen buiten normale werktijd onder verantwoordelijkheid van de werkgever;8° bijzondere arbeidsomstandigheden, zoals het werken bij lage temperaturen;9° door het gezondheidstoezicht verkregen relevante informatie, met inbegrip van gepubliceerde informatie, voor zover dat mogelijk is. Art. V.3-10. - De werkgever is in het bezit van een globaal preventieplan, zoals bepaald in artikel I.2-8, § 1, tweede lid, 1° en 2° en vermeldt hierin bovendien welke preventiemaatregelen zijn getroffen met toepassing van de artikelen V.3-11 tot V.3-15.
De risicobeoordeling is naar behoren gedocumenteerd. Indien een verdere uitvoerige risicobeoordeling niet wordt uitgevoerd, geeft de werkgever hiervoor een schriftelijke verantwoording, waarin hij aantoont dat de aard en de omvang van de met mechanische trillingen verbonden risico's dit overbodig maken.
De risicobeoordeling wordt bijgewerkt, met name indien ingrijpende veranderingen hebben plaatsgevonden waardoor zij verouderd kan zijn, of wanneer uit de resultaten van het gezondheidstoezicht blijkt dat bijwerking nodig is. HOOFDSTUK IV. - Maatregelen ter voorkoming of vermindering van de blootstelling Art. V.3-11. - De risico's van blootstelling aan mechanische trillingen worden weggenomen aan de bron of tot een minimum verkleind, waarbij rekening wordt gehouden met de technische vooruitgang en de beschikbaarheid van maatregelen om het risico aan de bron te beheersen.
De verkleining van deze risico's geschiedt met inachtneming van de algemene preventieprincipes vermeld in artikel 5, § 1 van de wet.
Art. V.3-12. - Wanneer de in artikel V.3-3 en V.3-4 vastgestelde actiewaarden van dagelijkse blootstelling worden overschreden, gaat de werkgever op basis van de in hoofdstuk III van deze titel bedoelde risicobeoordeling over tot de opstelling en uitvoering van een programma van technische en/of organisatorische maatregelen om de blootstelling aan mechanische trillingen en de daarmee gepaard gaande risico's tot een minimum te beperken, met inachtneming van met name: 1° alternatieve werkmethoden die de noodzaak van blootstelling aan mechanische trillingen verminderen;2° de keuze van de juiste arbeidsmiddelen, ergonomisch goed ontworpen en zo weinig mogelijk trillingen veroorzakend, rekening houdend met het te verrichten werk;3° de verstrekking van hulpmiddelen om het risico van gezondheidsschade ten gevolge van trillingen te voorkomen, bijvoorbeeld stoelen die lichaamstrillingen doeltreffend afzwakken en handvatten die de trilling die op het hand-armsysteem wordt overgebracht, dempen;4° passende onderhoudsprogramma's voor de arbeidsmiddelen, de arbeidsplaats en de systemen op de arbeidsplaats;5° het ontwerp en de indeling van de arbeidsplaatsen en de werkposten;6° een adequate voorlichting en opleiding van de werknemers, opdat zij de arbeidsmiddelen veilig en juist gebruiken, zodanig dat de blootstelling aan mechanische trillingen zo gering mogelijk is;7° beperking van de duur en intensiteit van de blootstelling;8° passende werkschema's met voldoende rustpauzes;9° het verschaffen van kleding die de blootgestelde werknemers beschermt tegen koude en vocht. Art. V.3-13. - Werknemers mogen in geen geval worden blootgesteld aan trillingen boven de grenswaarden voor blootstelling, bepaald in de artikelen V.3-3 en V.3-4.
Indien de grenswaarde voor blootstelling ondanks de maatregelen die de werkgever uit hoofde van deze titel heeft genomen, is overschreden, neemt de werkgever onmiddellijk maatregelen om de blootstelling terug te brengen tot onder de grenswaarde voor blootstelling. Hij gaat na waarom de grenswaarde voor blootstelling is overschreden en past de beschermings- en preventiemaatregelen dienovereenkomstig aan om te voorkomen dat zulks opnieuw gebeurt.
Art. V.3-14. - Ten einde bijzonder kwetsbare risicogroepen te kunnen beschermen tegen voor hen specifieke gevaren stemt de werkgever de in de artikelen V.3-11 tot V.3-13 bedoelde maatregelen af op de behoeften van werknemers die tot die groepen behoren. HOOFDSTUK V. - Voorlichting en opleiding van de werknemers Art. V.3-15. - Onverminderd de artikelen I.2-16 tot I.2-21, draagt de werkgever er zorg voor dat de werknemers die aan risico's in verband met mechanische trillingen op het werk worden blootgesteld en het Comité voorlichting en opleiding ontvangen met betrekking tot het resultaat van de in artikel V.3-5 bedoelde risicobeoordeling, die met name betrekking heeft op: 1° maatregelen die met toepassing van deze titel zijn genomen om de risico's veroorzaakt door mechanische trillingen weg te nemen of tot een minimum te beperken;2° de grenswaarden en actiewaarden voor blootstelling;3° de resultaten van de overeenkomstig hoofdstuk III van deze titel verrichte beoordelingen en metingen van mechanische trillingen en de gezondheidsschade die de gebruikte arbeidsmiddelen kunnen veroorzaken;4° het nut van en de methode voor het opsporen en melden van symptomen van gezondheidsschade;5° de omstandigheden waarin werknemers met toepassing van boek I, titel 4 hetzij recht hebben op gezondheidstoezicht, hetzij er verplicht worden aan onderworpen;6° veilige werkmethoden om de blootstelling aan mechanische trillingen tot een minimum te beperken. HOOFDSTUK VI. - Raadpleging en participatie van de werknemers Art. V.3-16. - Raadpleging en deelneming van werknemers en/of hun vertegenwoordigers in aangelegenheden bestreken door deze titel vinden plaats overeenkomstig de bepalingen van boek II, titel 7. HOOFDSTUK VII. - Gezondheidstoezicht Art. V.3-17. - Het gezondheidstoezicht, waarvan de resultaten in aanmerking worden genomen voor de toepassing van preventieve maatregelen op de betrokken arbeidsplaats, beoogt de preventie en vroegtijdige diagnose van iedere aandoening die het gevolg is van blootstelling aan mechanische trillingen.
Art. V.3-18. - De werknemers die blootgesteld worden aan mechanische trillingen worden onderworpen aan een passend gezondheidstoezicht, tenzij uit de resultaten van de risicobeoordeling blijkt dat zij geen gezondheidsrisico lopen.
Art. V.3-19. - Dit gezondheidstoezicht is passend wanneer : 1° de blootstelling van de werknemer aan trillingen van dien aard is dat een verband kan worden gelegd tussen die blootstelling en een aantoonbare ziekte of schadelijke gevolgen voor de gezondheid;2° het waarschijnlijk is dat de ziekte of de gevolgen zich in de specifieke werkomstandigheden van de werknemer zullen voordoen;3° beproefde technieken bestaan om de ziekte of de schadelijke gevolgen voor de gezondheid op te sporen. Art. V.3-20. - Dit passend gezondheidstoezicht wordt uitgevoerd volgens de bepalingen van boek I, titel 4.
Art. V.3-21. - Werknemers die worden blootgesteld aan mechanische trillingen die de in artikelen V.3-3 en V.3-4 genoemde actiewaarden voor dagelijkse blootstelling overschrijden, worden in ieder geval onderworpen aan een passend gezondheidstoezicht.
Art. V.3-22. - Voor iedere werknemer die overeenkomstig artikel V.3-18 aan het gezondheidstoezicht onderworpen is, wordt een gezondheidsdossier aangelegd en bijgehouden overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel 4.
Art. V.3-23. - Wanneer uit het gezondheidstoezicht blijkt dat de blootstelling van de werknemer aan mechanische trillingen van die aard is, dat een verband kan worden gelegd tussen die blootstelling en een aantoonbare ziekte of schadelijke gevolgen voor de gezondheid: 1° wordt de werknemer door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer op de hoogte gesteld van de uitslag die op hem persoonlijk betrekking heeft en krijgt hij informatie en advies over het gezondheidstoezicht dat hij na beëindiging van de blootstelling kan ondergaan;2° wordt de werkgever op de hoogte gesteld van door het gezondheidstoezicht vastgestelde feiten van betekenis, waarbij het medisch geheim in acht wordt genomen;3° treft de werkgever de volgende maatregelen: a) hij herziet de risicobeoordeling die overeenkomstig hoofdstuk III van deze titel is uitgevoerd;b) hij herziet de maatregelen die overeenkomstig hoofdstuk IV van deze titel zijn genomen om de risico's weg te nemen of te verkleinen;c) hij houdt rekening met het advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, van enig andere terzake deskundige preventieadviseur of van de met het toezicht belaste ambtenaar bij het nemen van maatregelen die nodig zijn om het risico op te heffen of te verkleinen in overeenstemming met hoofdstuk IV van deze titel, met inbegrip van het geven van ander werk aan de werknemers waarbij geen blootstellingsrisico meer bestaat;d) hij zorgt voor permanent gezondheidstoezicht en treft maatregelen voor een heronderzoek van de gezondheidstoestand van elke andere werknemer die op soortgelijke wijze is blootgesteld.In dergelijke gevallen kunnen de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, dan wel de met het toezicht belaste ambtenaar adviseren de blootgestelde personen aan een gezondheidstoezicht te onderwerpen. HOOFDSTUK VIII. - Afwijkingen Art. V.3-24. - Met inachtneming van de algemene beginselen van bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers, mogen de werkgevers, voor de sectoren zeevaart en luchtvaart, in naar behoren gerechtvaardigde omstandigheden afwijken van de toepassing van de verplichtingen, gesteld in het artikel V.3-13, wat lichaamstrillingen betreft, wanneer het gezien de stand van de techniek en de specifieke kenmerken van de arbeidsplaats ondanks de uitvoering van technische en/of organisatorische maatregelen niet mogelijk is de grenswaarde voor blootstelling in acht te nemen.
Art. V.3-25. - Indien de blootstelling van een werknemer aan mechanische trillingen gewoonlijk onder de in de artikelen V.3-3 en V.3-4 bepaalde actiewaarden voor dagelijkse blootstelling blijft, maar naar gelang van het tijdstip aanzienlijk verschilt en incidenteel de grenswaarde voor blootstelling kan overschrijden, is de toepassing van de in artikel V.3-13 bedoelde verplichtingen niet verplicht indien de gemiddelde blootstelling over een periode van 40 uur onder de grenswaarde voor blootstelling blijft en indien de werkgever het bewijs levert dat de risico's van het blootstellingspatroon geringer zijn dan de risico's van blootstelling aan de grenswaarde voor blootstelling.
Art. V.3-26. - De in de artikelen V.3-24 en V.3-25 bedoelde afwijkingen van de verplichtingen bedoeld in het artikel V.3-13 worden verleend door de Minister of door de ambtenaar aan wie hij daartoe delegatie heeft verleend.
De in het eerste lid bedoelde afwijkingen worden verleend na onderzoek en advies van de met het toezicht belaste ambtenaar.
Bij gebrek aan advies binnen de twee maanden na de indiening van de aanvraag tot afwijking door de werkgever, wordt het geacht gunstig te zijn.
Art. V.3-27. - De aanvraag tot afwijking wordt schriftelijk gericht aan de algemene directie HUA en gaat vergezeld van het proces-verbaal van de vergadering van het Comité, waarin het advies van de leden van het Comité omtrent deze aanvraag tot afwijking werd ingewonnen en van het advies van de bevoegde interne of externe dienst.
De aanvraag bevat eveneens de vermelding van de bijzondere omstandigheden en redenen die de werkgever ertoe gebracht hebben deze afwijking aan te vragen en het voorstel van de maatregelen die hij zinnens is te nemen om, rekening houdende met deze omstandigheden, te waarborgen dat de eruit voortvloeiende risico's tot een minimum beperkt worden.
Art. V.3-28. - De toelating tot afwijking bevat naast de voorwaarden om, rekening houdend met bijzondere omstandigheden, te waarborgen dat de eruit voortvloeiende risico's tot een minimum beperkt worden, de verplichting de betrokken werknemers onder verscherpt gezondheidstoezicht te stellen.
Art. V.3-29. - De toegekende afwijkingen hebben een geldigheidsduur van vier jaar. Minstens een maand voor het verstrijken van de lopende geldigheidsduur wordt opnieuw een aanvraag gedaan, op straffe van het verval van de afwijking op datum van verstrijking van de lopende geldigheidsduur.
Art. V.3-30. - Wanneer tijdens de duurtijd van de afwijking, hetzij de werkgever, hetzij de met het toezicht belaste ambtenaar, vaststelt dat de omstandigheden die de afwijking rechtvaardigden, ophouden te bestaan, stellen z …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.