📄 Wettekst
29 MAART 2024. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, wat betreft de modernisering van het hr-beleid, het beloningsbeleid en het prestatiemanagement
Rechtsgronden Dit besluit is gebaseerd op: - de bijzondere
wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten tot hervorming der instellingen, artikel 87, § 1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, en § 3, vervangen bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 en gewijzigd bij de bijzondere wet van 6 januari 2014; - het
bijzonder decreet van 14 juli 1998Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten8 betreffende het gemeenschapsonderwijs, artikel 67, § 2; - het Bestuurs
decreet van 7 december 2018Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
07/12/2018
pub.
19/12/2018
numac
2018032457
bron
vlaamse overheid
Bestuursdecreet
sluiten, artikel III.23.
Vormvereisten De volgende vormvereisten zijn vervuld: - De Vlaamse minister, bevoegd voor het budgettair beleid, heeft zijn akkoord gegeven op 23 maart 2023. - Het Sectorcomité XVIII Vlaamse Gemeenschap - Vlaams Gewest heeft protocol nr. 423.1340 gesloten op 12 januari 2024. - De Raad van State heeft adviesnr. 75.527/3 gegeven op 18 maart 2024, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Initiatiefnemer Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen.
Na beraadslaging, DE VLAAMSE REGERING BESLUIT:
Artikel 1.In het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 wordt deel IV, het laatst gewijzigd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2019Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten7, dat bestaat uit hoofdstuk 1 tot en met 4, vervangen door wat volgt: "Deel IV. De evaluatie in de loopbaan TITEL 1. - Gemeenschappelijke bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Algemene beginselen
Art. IV 1. De bepalingen uit titel 1 zijn van toepassing op de jaarlijkse evaluatie en de evaluatie van de proeftijd, met behoud van de toepassing van afwijkende bepalingen in titel 2 en titel 3.
Art. IV 2. De evaluatoren zijn twee functionele chefs, tenzij een afwijking functioneel noodzakelijk is. Ten minste één evaluator is een personeelslid van een hogere rang dan of van dezelfde rang als het te evalueren personeelslid.
Het managementorgaan van het betrokken beleidsdomein, de strategische adviesraad of het hoogste collectieve orgaan in het Gemeenschapsonderwijs bepaalt de evaluatielijnen voor specifieke gevallen waar de algemene regel niet toepasbaar is.
De evaluatoren worden op hun beurt geëvalueerd op hun wijze van evalueren.
De lijnmanager kan beslissen dat in de evaluatie van personeelsleden rekening gehouden wordt met de informatie van categorieën personeelsleden aan wie ze leidinggeven of met wie ze samenwerken.
Art. IV 3. § 1. De evaluatoren en het personeelslid verduidelijken de verwachtingen en doelstellingen met betrekking tot de prestaties en de wijze waarop het personeelslid die prestaties moet leveren gedurende het kalenderjaar of tijdens de proeftijd. De inbreng van het personeelslid doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de evaluatoren om verwachtingen en doelstellingen eenzijdig op te leggen. De verwachtingen en doelstellingen vormen tevens de basis voor de jaarlijkse evaluatie zoals bepaald in titel 3, hoofdstuk 1.
Op initiatief van de evaluatoren of van het te evalueren personeelslid gaan ze tijdens het kalenderjaar in gesprek over de aanpassing van die verwachtingen of doelstellingen. § 2. Op initiatief van iedere functionele chef of het te evalueren personeelslid gaan zij tijdens het jaar in gesprek over gunstige of ongunstige feiten met betrekking tot het presteren van het te evalueren personeelslid. De functionele chef maakt van dit gesprek een verslag op.
In afwijking van het eerste lid, stelt de functionele chef de feiten nauwkeurig en schriftelijk eenzijdig vast als een gesprek binnen een redelijke termijn onmogelijk is.
De functionele chef bezorgt het verslag van het gesprek of de schriftelijke vaststelling van de feiten aan het personeelslid. Het personeelslid kan opmerkingen toevoegen. Het personeelslid bezorgt zijn opmerkingen terug binnen de vijftien kalenderdagen na de ontvangst van het verslag of van de schriftelijke vaststelling van de feiten.
De functionele chef laat het verslag van het gesprek of de schriftelijke vaststelling van de feiten en de eventuele opmerkingen van het personeelslid toevoegen aan het evaluatiedossier van het te evalueren personeelslid.
Art. IV 4. § 1. Elke functionele chef kan naar aanleiding van de vaststelling van ongunstige feiten overeenkomstig artikel IV 3, § 2 een remediëringstraject opstarten.
De functionele chef verbindt aan het remediëringstraject een looptijd van minimum twee weken en maximaal drie maanden waarin het personeelslid het functioneren moet bijsturen of aan de tekortkomingen moet remediëren. Hij stelt de inhoud en de looptijd van het remediëringstraject schriftelijk vast. Hij brengt het personeelslid daarvan schriftelijk op de hoogte bij de aanvang van het remediëringstraject.
Het personeelslid kan zijn eventuele opmerkingen op het remediëringstraject schriftelijk formuleren binnen de vijftien kalenderdagen na kennisname van het remediëringstraject. § 2. De functionele chef nodigt het personeelslid uit voor een gesprek naar aanleiding van de afloop van het remediëringstraject om de gevraagde bijsturing of remediëring te bespreken. Naar aanleiding van dit gesprek is de looptijd van het remediëringstraject verlengbaar met het akkoord van beide betrokken partijen. De functionele chef maakt van dit gesprek een verslag op.
In afwijking van het eerste lid, stelt de functionele chef zijn bevindingen naar aanleiding van de afloop van het remediëringstraject nauwkeurig en schriftelijk eenzijdig vast als een gesprek binnen een redelijke termijn onmogelijk is.
De functionele chef bezorgt het verslag van het gesprek of de schriftelijke vaststelling van de bevindingen aan het personeelslid.
Het personeelslid kan opmerkingen toevoegen. Het personeelslid bezorgt zijn opmerkingen terug binnen de vijftien kalenderdagen na de ontvangst van het verslag of van de schriftelijke vaststelling van de bevindingen.
De functionele chef laat het verslag van het gesprek of de schriftelijke vaststelling van de bevindingen en de eventuele opmerkingen van het personeelslid toevoegen aan het evaluatiedossier van het te evalueren personeelslid. § 3. De functionele chef die het remediëringstraject opvolgt, kan het traject vroegtijdig stopzetten als het personeelslid de geboden kans niet actief benut.
De functionele chef nodigt het personeelslid in dit geval uit voor een gesprek of stelt de feiten nauwkeurig en schriftelijk eenzijdig vast wanneer een gesprek binnen een redelijke termijn onmogelijk is.
De functionele chef verzekert de tegenspraak door het personeelslid op dezelfde wijze zoals beschreven in paragraaf 2.
Art. IV 5. § 1. Als de lijnmanager kennis neemt van ongunstige feiten, vastgesteld overeenkomstig artikel IV 3, § 2, die aanleiding kunnen geven tot een ontslag, biedt hij aan het contractueel personeelslid de mogelijkheid om aan deze feiten te remediëren op één van volgende wijzen 1° via een remediëringstraject in de huidige functie overeenkomstig artikel IV 4, doch onder de leiding en het toezicht van minstens één andere evaluator met de graad van directeur, afdelingshoofd of N-1 projectleider voor de duur van het remediëringstraject;ofwel 2° via een wijziging van dienstaanwijzing naar een andere functie overeenkomstig paragraaf 2. Indien het contractuele personeelslid de wijziging van dienstaanwijzing overweegt, dan vraagt het aan de lijnmanager om een concreet aanbod te doen. Het contractuele personeelslid maakt een keuze voor één van de vermelde mogelijkheden na het concreet aanbod van de andere functie door de lijnmanager overeenkomstig paragraaf 2.
Deze keuze is definitief, tenzij de lijnmanager en het contractuele personeelslid anders overeenkomen.
Het contractuele personeelslid op wie één van de mogelijkheden, zoals bepaald in het eerste lid van deze paragraaf werd toegepast, maakt gedurende de 10 jaar die hierop volgen geen aanspraak meer op de mogelijkheden, zoals bepaald in het eerste lid van deze paragraaf. § 2. De lijnmanager biedt op vraag van het contractueel personeelslid een andere functie aan in dezelfde rang en graad, met dezelfde salarisschaal volgens de bepalingen van artikel III 50 inzake de wijziging van dienstaanwijzing.
In de aangeboden functie komt het personeelslid onder de leiding en het toezicht van een andere N-1 mandaathouder of personeelslid met de graad van directeur, die de rol van evaluator opneemt.
Het aanbod kan ook betrekking hebben op een functie bij een andere entiteit, raad of instelling van de diensten van de Vlaamse overheid.
In dat geval vindt de wijziging van dienstaanwijzing plaats met het akkoord van de beide lijnmanagers van de entiteiten, raden of instellingen in kwestie. § 3. Dit artikel laat de sanctiemogelijkheden van de lijnmanager op basis van het arbeidsreglement onverlet.
HOOFDSTUK 2. - De evaluatieprocedure
Art. IV 6. De evaluatie bestaat uit een gesprek tussen het te evalueren personeelslid en ten minste één evaluator, en een verslag waaraan een tegensprekelijke procedure is gekoppeld zoals bepaald in dit hoofdstuk.
Art. IV 7. Op verzoek van het te evalueren personeelslid of van een evaluator vindt het evaluatiegesprek plaats met twee evaluatoren.
Als het te evalueren personeelslid van niveau D daar schriftelijk om vraagt, wordt het evaluatiegesprek gevoerd in aanwezigheid van een waarnemer van zijn keuze.
Art. IV 8. De evaluator legt de evaluatie en het evaluatiegesprek vast in een verslag. De andere evaluator kan het verslag aanvullen met betrekking tot de prestaties van het te evalueren personeelslid. Beide evaluatoren ondertekenen het eindverslag.
Art. IV 9. De evaluatoren bezorgen het eindverslag aan het personeelslid. Die laatste kan opmerkingen formuleren bij het verslag.
De geëvalueerde kan zijn eventuele opmerkingen over het eindverslag aan het evaluatiedossier laten toevoegen binnen vijftien kalenderdagen vanaf de ontvangst van het eindverslag.
Art. IV 10. Ook als het te evalueren personeelslid afwezig is tijdens de evaluatieperiode, gebeurt de evaluatie bij voorkeur op basis van een evaluatiegesprek en een verslag van dat gesprek.
Als een gesprek niet mogelijk is, verloopt de evaluatie volgens de volgende schriftelijke procedure: 1° de evaluatoren maken een ontwerp van evaluatieverslag op en bezorgen dat aan het te evalueren personeelslid;2° het te evalueren personeelslid kan gedurende vijftien kalenderdagen vanaf de ontvangst van het ontwerp van evaluatieverslag opmerkingen over dat ontwerp van evaluatieverslag bezorgen;3° de evaluatoren verwerken de opmerkingen van het personeelslid in voorkomend geval in het eindverslag. TITEL 2. - Specifieke bepalingen over de statutaire proeftijd
Art. IV 11. § 1. Als de lijnmanager overeenkomstig artikel III 21 een personeelslid toelaat tot de proeftijd, bepaalt hij de duur van de proeftijd als volgt: 1° niveau D: vier maanden;2° niveau C en B: minimaal vier en maximaal negen maanden;3° niveau A: minimaal zes en maximaal twaalf maanden. Eén maand proeftijd stemt overeen met de prestatie van eenentwintig voltijdse of deeltijdse werkdagen.
Om het aantal gepresteerde werkdagen te bepalen, worden eveneens meegerekend: 1° de wettelijke en decretale feestdagen, 2 en 15 november, 26 december en de vakantiedagen tussen Kerstmis en Nieuwjaar, vermeld in artikel X 11, § 2, eerste lid;2° de inhaalrust, vermeld in artikel VII 28;3° de dienstvrijstellingen. § 2. De ambtenaar op proef behoudt de hoedanigheid van ambtenaar op proef zolang hij het aantal werkdagen dat overeenstemt met het aantal maanden proeftijd, niet heeft gepresteerd.
Art. IV 12. § 1. De lijnmanager bepaalt bij de aanvang van de proeftijd de inhoud van het programma en de evaluatiecriteria van de proeftijd in overleg met de ambtenaar op proef en de evaluatoren.
Voor specifieke personeelscategorieën kan het programma van de proeftijd ook het slagen voor een competentieproef of het afleggen van praktische proeven inhouden. § 2. Op het einde van de overeengekomen proeftijd, houden de evaluatoren en het personeelslid een evaluatiegesprek. De evaluatoren leggen het evaluatiegesprek vast in een verslag. De geëvalueerde kan binnen vijftien kalenderdagen na de ontvangst van dat verslag opmerkingen toevoegen aan het definitieve evaluatieverslag.
Het eindevaluatiegesprek van de proeftijd vindt plaats uiterlijk binnen dertig kalenderdagen na het einde van de proeftijd, berekend met toepassing van artikel IV 11, § 1.
Als het eindevaluatiegesprek niet plaatsvindt binnen dertig kalenderdagen na het einde van de proeftijd, wordt de proeftijd geacht gunstig te zijn voor de ambtenaar op proef.
In afwijking van het derde lid wordt bij afwezigheid van de ambtenaar op proef de schriftelijke evaluatie, vermeld in artikel IV 10, opgestart binnen dertig kalenderdagen na het einde van de proeftijd.
Als dat niet het geval is, wordt de proeftijd geacht gunstig te zijn voor de ambtenaar op proef.
De evaluatoren betekenen het eindevaluatieverslag aan de ambtenaar op proef en aan de benoemende overheid binnen dertig kalenderdagen na het evaluatiegesprek of binnen zestig kalenderdagen nadat de schriftelijke evaluatie is opgestart. Als de evaluatoren het eindevaluatieverslag niet binnen die termijnen betekenen aan de ambtenaar op proef, wordt de proeftijd geacht gunstig te zijn voor de ambtenaar op proef. § 3. Als de minimumduur van de proeftijd, zoals bepaald in artikel IV 11, § 1, verstreken is, kunnen de evaluatoren na elk evaluatiegesprek beslissen dat de proeftijd van de ambtenaar op proef wordt beëindigd.
Het desbetreffende evaluatiegesprek geldt als eindevaluatiegesprek van de proeftijd. Bij afwezigheid van het te evalueren personeelslid is de schriftelijke procedure, vermeld in artikel IV 10, van overeenkomstige toepassing. § 4. Een positieve eindevaluatie van de proefperiode heeft de vaste benoeming van de ambtenaar op proef tot gevolg.
Een negatieve eindevaluatie van de proefperiode heeft het ontslag van de ambtenaar op proef tot gevolg.
Art. IV 13. Tot de dag waarop de vaste benoeming of het ontslag ingaat, behoudt de ambtenaar op proef die hoedanigheid.
De benoemende overheid betekent de beslissing tot ontslag of tot vaste benoeming aan de ambtenaar.
TITEL 3. - Specifieke bepalingen over de jaarlijkse evaluatie
HOOFDSTUK 1. - De evaluatiebeslissing Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. IV 14. § 1. Elk personeelslid dat in de loop van een kalenderjaar gedurende ten minste drie maanden prestaties heeft geleverd, wordt geëvalueerd met betrekking tot die prestaties en de wijze waarop ze geleverd zijn. § 2. De evaluatie heeft betrekking op één kalenderjaar. Het te evalueren personeelslid en de evaluatoren kunnen echter in onderling akkoord de periode waarover geëvalueerd wordt, op maximaal vijftien maanden brengen.
Het gesprek kan plaatsvinden in de laatste maand van de periode waarover geëvalueerd wordt. De periode tussen twee jaarlijkse evaluatiegesprekken bedraagt minstens tien kalendermaanden. § 3. Met behoud van de toepassing van de voorwaarde van ten minste drie maanden prestaties in een kalenderjaar kunnen de evaluatoren het personeelslid dat vrijwillig uit dienst treedt of op rust gesteld wordt in de loop van dat jaar met zijn akkoord nog evalueren vóór zijn uitdiensttreding of opruststelling. § 4. De evaluatoren kunnen het personeelslid bijkomend evalueren na de zesde maand die volgt op de kennisgeving van de definitieve evaluatiebeslissing aan het personeelslid, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de evaluatiebeslissing van de vorige evaluatie was een evaluatiebeslissing `onvoldoende';2° het personeelslid heeft tijdens de periode waarop de evaluatie betrekking heeft, gedurende minimaal drie maanden daadwerkelijk prestaties geleverd.Verloven tijdens die periode schorten de periode op; 3° de evaluatoren die willen gebruik maken van de evaluatiemogelijkheid, vermeld in het eerste lid, delen dat naar aanleiding van de kennisgeving van de evaluatiebeslissing aan het personeelslid mee. De procedure, vermeld in Titel 1, hoofdstuk 2, is van toepassing.
Als de evaluatoren na zes maanden niet besluiten met een evaluatiebeslissing `onvoldoende', wordt de mate waarin de prestaties van het personeelslid tegemoet komen aan de verwachtingen en doelstellingen en de wijze waarop het personeelslid zijn prestaties heeft uitgevoerd de eerstvolgende keer geëvalueerd bij het begin van het volgende kalenderjaar.
Art. IV 15. § 1. De mate waarin de prestaties van het personeelslid tegemoet komen aan de verwachtingen en doelstellingen en de wijze waarop het personeelslid zijn prestaties heeft uitgevoerd, vormen de basis voor een evaluatiebeslissing overeenkomstig de procedure die beschreven is in deze titel.
Er zijn twee mogelijke evaluatiebeslissingen: 1° de evaluatiebeslissing `voldoende;2° de evaluatiebeslissing `onvoldoende'. § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan aan de personeelsleden op wie deel VIIbis van dit besluit van toepassing is, ook de evaluatiebeslissing `loopbaanvertraging' worden toegekend. § 3. De evaluatiebeslissing wordt opgenomen in het verslag, vermeld in artikel IV 8.
Art. IV 16. § 1. De evaluatoren bezorgen de evaluatiebeslissing aan de geëvalueerde binnen drie maanden nadat de periode waarover wordt geëvalueerd, verstreken is.
Als de evaluatiebeslissing niet binnen de hierboven beschreven termijn wordt bezorgd, worden de evaluatoren geacht een evaluatiebeslissing `voldoende' te hebben genomen. § 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing als er binnen de hierboven beschreven termijn een schriftelijke evaluatieprocedure overeenkomstig artikel IV 10 is opgestart. Afdeling 2. - Tegenspraak bij de evaluatiebeslissing bij de raad van
beroep
Art. IV 17. Met behoud van de toepassing van de regeling voor het top -en middenkader, kan de ambtenaar van wie het evaluatieverslag wordt besloten met de einduitspraak `loopbaanvertraging' of `onvoldoende', daartegen beroep instellen bij de raad van beroep.
Art. IV 18. § 1. Het beroep wordt ingesteld binnen vijftien kalenderdagen nadat het evaluatieverslag aan de geëvalueerde is bezorgd. § 2. De raad van beroep brengt een gemotiveerd advies uit binnen 30 kalenderdagen na de ontvangst van het beroepschrift. § 3. Met behoud van de toepassing van artikel I 16, § 1, tweede lid, wordt het dossier vervolgens binnen vijftien kalenderdagen voorgelegd aan de instantie die bevoegd is voor de definitieve beslissing. Ze beslist binnen vijftien kalenderdagen na de ontvangst van het advies van de raad van beroep.
De instantie die bevoegd is voor de definitieve beslissing kan de evaluatie `onvoldoende' al dan niet behouden.
Bijkomend kan voor de geëvalueerde op wie deel VIIbis van toepassing is, de instantie die bevoegd is voor de definitieve beslissing, de evaluatie `onvoldoende' vervangen door `loopbaanvertraging'. § 4. Als de raad van beroep unaniem beslist dat de evaluatie `onvoldoende' ongegrond is, kan hij aansluitend bij eenparigheid van stemmen beslissen om de evaluatie `onvoldoende' te vervangen door `loopbaanvertraging' als op de geëvalueerde deel VIIbis van toepassing is. § 5. De termijnen, vermeld in dit artikel, worden opgeschort tussen 25 december en 1 januari van het volgende jaar.
Art. IV 19. Met toepassing van artikel I 15 bepaalt het managementorgaan van het betrokken beleidsdomein, de strategische adviesraad of het Gemeenschapsonderwijs welk collectief orgaan bevoegd is voor de definitieve beslissing over de evaluatie.
Het beroep is opschortend.
HOOFDSTUK 2. - Beslissing over de salarisevolutie Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. IV 20. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op: 1° de personeelsleden die onder de toepassing van Deel VIIbis vallen;2° de personeelsleden die overeenkomstig artikel VII 2 niet uiterlijk op 1 januari van het kalenderjaar waarin de evaluatie plaatsvindt vrijwillig zijn overgestapt naar het loongebouw vermeld in deel VII. Art. IV 21. § 1. Het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling neemt jaarlijks een beslissing over de salarisevolutie op basis van de definitieve evaluatiebeslissing en de andere elementen uit het evaluatiedossier. Het bezorgt die beslissing vóór 15 mei van het evaluatiejaar aan het personeelslid.
Die termijn wordt verlengd tot een termijn van drie maanden vanaf de definitieve evaluatiebeslissing in een van de volgende gevallen: 1° de evaluatoren hebben vóór 15 mei een schriftelijke evaluatieprocedure opgestart met toepassing van artikel IV 10;2° de te evalueren periode is verlengd tot maximaal vijftien maanden met toepassing van artikel IV 14, § 2;3° het personeelslid stelt beroep in tegen een evaluatie `onvoldoende' of `loopbaanvertraging' bij de raad van beroep met toepassing van artikel IV 17. § 2. Als de evaluatie van het personeelslid overeenkomstig hoofdstuk 1 met een evaluatiebeslissing `voldoende' is besloten, kan het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling drie mogelijke beslissingen nemen: 1° de beslissing `volgens verwachtingen';2° de beslissing `boven verwachtingen';3° de beslissing `onder verwachtingen'. § 3. Als de evaluatie van het personeelslid met een evaluatiebeslissing `onvoldoende' is besloten, neemt het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling een beslissing `onder verwachtingen'.
Art. IV 22. Met behoud van de toepassing van artikel IV 21, § 1, tweede lid, en § 3, wordt het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling geacht een beslissing `volgens verwachtingen' te nemen als het personeelslid geen definitieve beslissing over de salarisevolutie ontvangt vóór 15 mei van het evaluatiejaar.
Het personeelslid heeft in voorkomend geval het recht om in de periode van 15 mei tot 31 mei alsnog een uitdrukkelijke beslissing over de salarisevolutie te vragen, die geen beslissing `onder verwachtingen' kan inhouden. Afdeling 2. - Tegenspraak bij de beslissing `onder verwachtingen'
Art. IV 23. § 1. Het personeelslid, met uitzondering van de ambtenaar van wie de evaluatie met een `onvoldoende' werd besloten, kan tegen de beslissing `onder verwachtingen' beroep instellen bij het adviesorgaan dat bevoegd is voor het beleidsdomein waartoe het betrokken personeelslid behoort, zoals bepaald in deze afdeling.
Is de beslissing `onder verwachtingen' van het contractueel personeelslid het gevolg van een evaluatiebeslissing `onvoldoende', dan heeft het beroep tevens betrekking op de evaluatiebeslissing.
Het personeelslid kan dat beroep instellen binnen vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de beslissing. § 2 Het adviesorgaan brengt met meerderheid van stemmen een gemotiveerd advies uit binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van het beroepschrift.
Bij staking van stemmen heeft de voorzitter een beslissende stem.
Vervolgens bezorgt het adviesorgaan het advies en het volledige dossier binnen vijftien kalenderdagen aan het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling van het personeelslid. § 3. Het managementorgaan neemt een definitieve beslissing binnen vijftien kalenderdagen na de ontvangst van het advies van het adviesorgaan. Het bezorgt die beslissing aan het personeelslid.
Het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling neemt naar aanleiding van het advies opnieuw een van de drie beslissingen zoals opgesomd in artikel IV 21, § 2, onverkort de toepassing van artikel IV 21, § 3. Deze beslissing is definitief.
Wanneer de initiële beslissing `onder verwachtingen' van het contractueel personeelslid het gevolg was van een evaluatiebeslissing `onvoldoende', dan neemt het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling in eerste instantie opnieuw een evaluatiebeslissing overeenkomstig artikel IV 15, § 1.
Art. IV 24. § 1. Het secretariaat van het adviesorgaan bepaalt voor elk dossier de samenstelling van het adviesorgaan. § 2. Het adviesorgaan is per dossier samengesteld uit: 1° een voorzitter: het hoofd van een entiteit, raad of instelling;2° drie leden van de overheid: personeelsleden met hr-expertise of leidinggevende expertise;3° drie leden van de representatieve vakorganisaties die vertegenwoordigd zijn in het Sectorcomité XVIII Vlaamse Gemeenschap - Vlaams Gewest. De voorzitter en de leden van het adviesorgaan maken geen deel uit van de entiteit, raad of instelling van het geëvalueerde personeelslid. De voorzitter en de leden zijn stemgerechtigd. § 3. Het adviesorgaan kan niet geldig beraadslagen in afwezigheid van de voorzitter.
Als de leden geldig zijn opgeroepen en er minder dan zes leden op de zitting aanwezig zijn, vergadert en beslist het adviesorgaan op geldige wijze als er minstens drie leden aanwezig zijn.
Art. IV 25. § 1. Het adviesorgaan wordt georganiseerd over de verschillende beleidsdomeinen heen, met maximaal vier adviesorganen in totaal. De clustering van beleidsdomeinen wordt georganiseerd met oog voor een evenredige verdeling van de werklast in het licht van de goede werking van de onderscheiden adviesorganen. § 2. De adviesorganen stellen gezamenlijk en op uniforme wijze hun huishoudelijk reglement vast. § 3. Het huishoudelijk reglement bepaalt tenminste: 1° de organisatie van het secretariaat;2° de wijze van beraadslaging;3° de procedureregels;4° het wrakingsrecht van de verzoeker;5° de wijze van kennisgeving van de adviezen. Art. IV 26. § 1. Het adviesorgaan hoort het personeelslid voor het een advies formuleert.
Behalve bij gewettigde verhindering of overmacht verschijnt het personeelslid persoonlijk. Hij mag zich voor zijn verdediging laten bijstaan door een persoon van zijn keuze of hij mag zich bij gewettigde verhindering door een persoon van zijn keuze laten vertegenwoordigen. § 2. Als het personeelslid, hoewel hij volgens de voorschriften is opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, of zich niet laat vertegenwoordigen bij gewettigde verhindering, wordt hij geacht af te zien van zijn beroep. De beslissing waartegen het beroep is ingesteld, wordt in dat geval de definitieve beslissing. § 3. Het beroep is opschortend.
Art. IV 27. Voor de toepassing van deze afdeling worden het Gemeenschapsonderwijs en de Vlaamse Onderwijsraad geacht deel uit te maken van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming en worden de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed en de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen geacht deel uit te maken van het beleidsdomein Omgeving.
Art. IV 28. De termijnen, vermeld in dit hoofdstuk, worden opgeschort tussen 25 december en 1 januari van het volgende jaar.".
Art. 2.In deel VII, titel 1, van hetzelfde besluit wordt hoofdstuk 1, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten2 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering 8 september 2023, dat bestaat uit artikel VII 1 tot en met VII 5bis, vervangen door wat volgt: "Hoofdstuk 1. De bepaling van het salaris tegen 100%
Art. VII 1. § 1. Onverminderd artikel VIIbis 1, wordt het personeelslid dat in dienst is vanaf 1 juni 2024 bezoldigd in de salarisschaal, zoals bepaald in artikel VII 12 en ontvangt het salaris dat overeenstemt met het aantal salaristrappen in de salarisschaal. § 2. Voor de onderstaande functies kan de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken in overleg met de functionele minister(s) bij de aanwerving een verloning vaststellen die afwijkt van de verloning die wordt bepaald in deze titel: 1° een betrekking die niet vergelijkbaar is met andere statutaire en contractuele functies, en waarvan de geldelijke regeling niet reglementair is vastgesteld;2° de functie van Vlaams bouwmeester bij het Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken;3° de functie van ICT-manager bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. § 3. De arbeidsvoorwaarden en de geldelijke voorwaarden van het contractuele personeelslid dat in dienst is genomen ter ondersteuning van het personeel dat Vlaanderen in het buitenland vertegenwoordigt, worden bepaald door het hoofd van de entiteit, raad of instelling.
Art. VII 2. § 1. Dit hoofdstuk is ook van toepassing op het personeelslid dat in dienst is vóór 1 juni 2024 en dat er vrijwillig voor kiest om onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk te ressorteren. Die vrijwillige keuze gebeurt met behoud van hoedanigheid en is definitief. De keuze tot overstap geldt voor alle arbeidsrelaties die een personeelslid heeft. § 2. Het personeelslid maakt de keuze, vermeld in paragraaf 1, bekend: 1° in de periode van 1 september tot en met 30 november.De keuze heeft uitwerking vanaf 1 januari van het daaropvolgende jaar; 2° in de periode van 1 januari tot en met 31 maart.De keuze heeft uitwerking vanaf 1 mei van datzelfde jaar; 3° in de periode van 1 mei tot en met 31 juli.De keuze heeft uitwerking vanaf 1 september van datzelfde jaar. § 3. In afwijking van paragraaf 2 heeft het personeelslid na inwerkingtreding van het onderhavige artikel een eerste overstapmogelijkheid op 1 januari 2025. Het personeelslid maakt zijn keuze bekend tussen 1 september 2024 en 30 november 2024. § 4. Voor het personeelslid vermeld in paragraaf 1, gebeurt de inschaling op jaarsalaris, waarbij gezocht wordt naar hetzelfde of het onmiddellijk hogere bedrag in de nieuwe salarisschaal. Bij de inschaling wordt de bevorderingspremie vermeld in artikel VIIbis 22, in rekening gebracht.
Het personeelslid dat overstapt, wordt ingeschaald overeenkomstig bijlage 21 bij dit besluit. § 5. Voor het personeelslid dat op het moment van zijn beslissing tot overstap naast zijn organieke schaal titularis is van een overgangsschaal, gebeurt de overstap in de organieke schaal, maar wordt rekening gehouden met het jaarsalaris in de overgangsschaal om het jaarsalaris in de nieuwe schaal te bepalen.
Art. VII 3. § 1. Voor de vaststelling van de salaristrap bij een aanwerving en het opnemen van een nieuwe functie valoriseert de benoemende of in dienst nemende overheid de functierelevante ervaring.
De in dienst nemende of benoemende overheid beslist of de bewezen ervaring functierelevant is.
Ervaring die opgebouwd is bij de diensten van de Vlaamse overheid, wordt automatisch gevaloriseerd. § 2. Het personeelslid bezorgt de te beoordelen ervaring en de bewijsstukken van die ervaring bij aanwerving of bij het opnemen van een nieuwe functie.
De benoemende of in dienst nemende overheid valoriseert de functierelevante ervaring behoudens overmacht voorafgaand aan: 1° de ondertekening van de arbeidsovereenkomst;2° de beslissing van de benoemende overheid over het aanvatten van de statutaire proeftijd;3° de beslissing van de benoemende overheid over het opnemen van een nieuwe functie. Voor de N-functies valoriseert de opdrachtgever de functierelevante ervaring. § 3. Voor de valorisatie van ervaring worden de volgende gebeurtenissen gelijkgesteld met de opname van een nieuwe functie vermeld in paragraaf 1, eerste lid: 1° wijziging van dienstaanwijzing;2° horizontale mobiliteit;3° bevordering;4° aanwerving van een personeelslid van de diensten van de Vlaamse overheid;5° verandering van hoedanigheid;6° aanpassing van de arbeidsovereenkomst van het contractuele personeelslid, op voorwaarde dat die contractwijziging via een objectieve selectie is doorgevoerd. § 4. Functierelevante ervaring in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel III 29 kan worden gevalideerd aan de hand van een attest van het Departement Onderwijs en Vorming.
De functierelevante ervaring in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel III 29 die niet door het Departement Onderwijs en Vorming wordt geattesteerd, wordt in aanmerking genomen overeenkomstig artikel VII 4. § 5. Bij het opnemen van een nieuwe functie als vermeld in paragraaf 3 behoudt het personeelslid ten minste de ervaring die al gevaloriseerd is en die op dat moment van toepassing is.
Art. VII 4. § 1. Functierelevante ervaring wordt in aanmerking genomen volgens de volgende formule: het aantal dagen wordt opgeteld en gedeeld door 365. Het quotiënt, zonder rekening te houden met de cijfers na de komma, bepaalt het aantal te valoriseren jaren.
De duur van de gevaloriseerde ervaring mag nooit meer bedragen dan een tewerkstelling tegen 100 procent en dan de werkelijke duur van de gepresteerde diensten.
De functierelevante ervaring wordt omgezet in salaristrappen waarbij één salaristrap toegekend wordt per jaar gevaloriseerde ervaring.
Art. VII 5. § 1. Om de functie van leertrajectbegeleider te kunnen uitoefenen, is twee jaar nuttige praktijkervaring vereist. § 2. De volgende ervaring wordt als nuttige praktijkervaring als vermeld in paragraaf 1, aanvaard: 1° de voltijdse of deeltijdse praktijkervaring als lesgever van bepaalde of onbepaalde duur of als leertijdverantwoordelijke in de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, vermeld in artikel 26/2, § 1, 1°, van het
decreet van 16 maart 2012Relevante gevonden documenten
type
decreet
prom.
16/03/2012
pub.
27/04/2012
numac
2012202237
bron
vlaamse overheid
DECREET betreffende het economisch ondersteuningsbeleid
sluiten betreffende het economisch ondersteuningsbeleid;2° de voltijdse of deeltijdse praktijkervaring als bediende op een leersecretariaat;3° de voltijdse of deeltijdse praktijkervaring in jongerenwerking;4° de voltijdse of deeltijdse praktijkervaring met school- en loopbaanbegeleiding;5° de combinatie van de bovenvermelde categorieën als ze samen een voltijdse ervaring vormen. In het eerste lid wordt verstaan onder voltijds: 1° 720 uur per jaar voor een lesgever bepaalde duur in de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;2° 1080 uur per jaar voor een lesgever onbepaalde duur in de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;3° 38 uur per week voor een leertijdverantwoordelijke in de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;4° 38 uur per week voor een bediende op een leersecretariaat;5° 38 uur per week voor jongerenwerking;6° 38 uur per week voor school- en loopbaanbegeleiding. § 3. Om de salarisverhogingen voor de leertrajectbegeleider toe te kennen, kunnen de voorgaande deeltijdse prestaties die verricht worden als lesgever in verschillende centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, worden samengeteld.
Art. VII 5bis. § 1. Bij een personeelsbeweging gebeurt de inschaling op de overeenkomstige trap van de nieuwe salarisschaal op het ogenblik van de beweging. § 2. Als na een bevordering blijkt dat het jaarsalaris op de trap van inschaling in de nieuwe schaal niet minimaal 5% hoger ligt dan het jaarsalaris in de schaal van herkomst, gebeurt de inschaling in de eerstvolgende salaristrap die de voormelde verhoging garandeert.
Art. VII 5ter. § 1. Het personeelslid dat ervoor kiest om vrijwillig en tijdelijk een minder belastende of zware functie uit te oefenen binnen de eigen entiteit, raad of instelling behoudt zijn statuut, graad en salarisschaal maar het maandsalaris wordt per lagere functieklasse met 5% verminderd. Het initiatief gaat altijd uit van het personeelslid. De berekeningsbasis voor de algemene toelagen en het aanvullend pensioen blijft evenwel het onverminderde maandsalaris.
De in het eerste lid vermelde salarisvermindering houdt op als de tijdelijke functieverlichting op verzoek van het personeelslid wordt stopgezet.
In deze paragraaf wordt verstaan onder functieverlichting: een verlichting van de functie, waarbij de tijdelijk uitgeoefende functie minstens één functieklasse lichter weegt dan de basisfunctie. De tijdelijke functieverlichting wordt vastgesteld aan de hand van de functiematrix, die als bijlage 13 bij dit besluit is gevoegd. § 2. De vrijwillige tijdelijke functieverlichting gaat in op elke eerste dag van de maand en kan tijdens de loopbaan meermaals aangewend worden.
De minimumduur van de vrijwillige tijdelijke functieverlichting bedraagt drie maanden en de maximumduur vijf jaar. Die maximumduur kan met één jaar verlengd worden. § 3. Mandaatfuncties uit het top- en middenkader, de functie van algemeen directeur, de functie van hoofd van een strategische adviesraad en de functies vermeld in artikel VII 1, § 2, kunnen niet gebruik maken van die regeling.
Art. VII 5quater. § 1. Het personeelslid dat volgens de beslissing van het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling bij de jaarlijkse evaluatie, zoals bepaald in artikel IV 21: 1° onder verwachtingen presteert, heeft geen recht op een verhoging van trap in de salarisschaal;2° volgens verwachtingen presteert, heeft recht op een verhoging van één trap in de salarisschaal;3° boven verwachtingen presteert, heeft recht op een verhoging van twee trappen in de salarisschaal. § 2. Het personeelslid dat in dienst was bij de diensten van de Vlaamse overheid op 1 oktober van het voorgaande kalenderjaar, maar niet geëvalueerd is met toepassing van artikel IV 14, § 1, en geen beslissing over de salarisevolutie heeft ontvangen met toepassing van artikel IV 21, heeft recht op een verhoging van één trap in de salarisschaal.
Het genoemde personeelslid heeft geen recht op een verhoging van trap in de salarisschaal als hij afwezig is gedurende meer dan 9 maanden in het voorgaande kalenderjaar vanwege een van volgende verloven of een combinatie ervan: 1° verlof voor deeltijdse prestaties, als vermeld in artikel X 25 tot en met X 27bis;2° onbetaald verlof, als vermeld in artikel X 62, artikel X 63, artikel X 63bis en artikel X 81bis;3° non-activiteit;4° politiek verlof van ambtswege en facultatief politiek verlof, als vermeld in artikel X 64 tot en met X 71. Art. VII 5quinquies. De overgang naar de volgende salaristrap gebeurt jaarlijks op 1 juli van het evaluatiejaar of van het jaar dat volgt op het prestatiejaar.
Art. VII 5sexies. Voor de berekening van de verbrekingsvergoeding vermeld in artikel XI 6 en XI 8bis, wordt het bruto weeksalaris verkregen door het bruto maandsalaris te delen door dertien en te vermenigvuldigen met drie.".
Art. 3.In artikel VII 6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten2 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2023, wordt paragraaf 5 opgeheven.
Art. 4.Artikel VII 12, § 1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten2 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2022, wordt vervangen door wat volgt: "Art. VII 12 § 1. Aan de hieronder vermelde graden worden de salarisschalen verbonden die overeenkomen met de lettercijfercode die ernaast vermeld worden. De salarisschalen zijn opgenomen als bijlage 5 bij dit besluit.
1°
Algemeen personeel
Afdelingshoofd (mandaat)
NA285
Projectleider N-1 (mandaat)
NA285
Hoofdstatisticus bij het Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken
NA285
Preventieadviseur-coördinator
NA287
Hoofdadviseur (terugvalgraad)
NA212
Navorser
NA261
Navorser met de functie van secretaris van de Vlaamse Raad voor Innoveren en Ondernemen (VARIO)
NA262
Senior-adviseur
NA213
Adviseur-ingenieur, adviseur-arts, adviseur-informaticus, adviseur-dierenarts
NA221
Adviseur
NA211
Directeur-ingenieur, directeur-arts, directeur-informaticus en directeur-dierenarts
NA221
Directeur
NA211
Vertegenwoordiger van de Vlaamse Regering in het buitenland
NA211B
Ingenieur, arts, informaticus en dierenarts
NA121
Attaché
NA171
indien in het bezit van doctorsdiploma
NA172
Adjunct van de directeur
NA111
Leidinggevend hoofddeskundige
NB311
Senior hoofddeskundige
NB311
Hoofdprogrammeur
NB221
Hoofddeskundige
NB211
Programmeur
NB121
Deskundige
NB111
Leidinggevend hoofdmedewerker
NC311
Senior hoofdmedewerker
NC311
Hoofdtechnicus
NC221
Hoofdmedewerker
NC211
Technicus
NC121
Medewerker
NC111
Leidinggevend hoofdassistent
ND311
Senior hoofdassistent
ND311
Speciaal hoofdassistent
ND231
Technisch hoofdassistent
ND221
Hoofdassistent
ND211
Speciaal assistent
ND131
Technisch assistent
ND121
Assistent
ND111
2°
Wetenschappelijk personeel
Wetenschappelijk directeur
NA265
krachtens artikel VIIbis 8
NA266
Wetenschappelijk attaché
NA165
krachtens artikel VIIbis 6, § 1 en § 2
NA166
krachtens artikel VIIbis 6, § 3
NA167
krachtens artikel VIIbis 7 (expert functionele loopbaan)
NA168
3°
Specifieke graden bij het agentschap Opgroeien
Centraal adviserend arts
NA121C
Adviseur-hoofdarts
NA221P
4°
Andere specifieke graden
Arts, belast met taken die van de VRGT zijn overgenomen
NA121
Adjunct van de directeur (statisticus-psycholoog), belast met taken die van de VRGT zijn overgenomen
NA111
Deskundige (gezondheidswerker of verpleegkundige), belast met taken die van de VRGT zijn overgenomen
NB111
Commercieel adviseur regionale luchthavens
NA211
Coördinator Sociaal Impulsfonds (SIF)
NA163
Coördinator (migranten) en coördinator (interface) bij het beleidsdomein Welzijn en Volksgezondheid
NA112B
Vakantiewerker: 80% van
ND111
Vakantiewerker met het diploma van master in de geneeskunde bij het agentschap Opgroeien regie als arts, op voorwaarde dat de vakantiewerker na het behalen van het voormelde diploma verder studeert en blijft voldoen aan de voorwaarden om als jobstudent te kunnen worden tewerkgesteld.
De tewerkstelling als arts is ook mogelijk tijdens de maanden juli, augustus en september die aansluiten op het laatste academiejaar, op voorwaarde dat de student aansluitend op zijn tewerkstelling als jobstudent niet in dienst wordt genomen bij het agentschap Opgroeien regie of het agentschap Opgroeien: 80% van
NA121
5°
Overgangsregeling
Secretaris-generaal
NA411
Directeur-generaal, administrateur-generaal
NA311
Algemeen directeur wetenschappelijke instelling (mandaat)
NA366
Algemeen directeur wetenschappelijke instelling
NA365
Eerste opdrachthouder
NA361
Adjunct-administrateur-generaal
NA286
Na zes jaar het mandaat van afdelingshoofd te hebben uitgeoefend
NA288
Met ingang van 1 juni 1994:
- inspecteur-generaal
NA224
- bestuursdirecteur
NA224
- bestuursdirecteur met leidinggevende functie binnen een informaticadienst
NA232
Adjunct eerste opdrachthouder
NA263
Adviseur-ingenieur/arts/informaticus met de functie van senior auditor, aangesteld vóór 1 januari 2008
NA221C
Adviseur met de functie van senior auditor, aangesteld vóór 1 januari 2008
NA211E
Adviseur benoemd vóór 1 januari 2008
NA251
Deze overgangsregeling blijft gelden voor de directeur die een graadverandering verkrijgt vanuit de graad van adviseur en die in die laatste graad is aangesteld vóór 1 januari 2008.
Adviseur (de gewestelijk ontvanger die op 1 januari 2013 overgedragen is ingevolge artikel III 151 of artikel VIIbis 165)
NA218
Ingenieur, arts en informaticus
met de functie van opdrachthouder
NA280
Adjunct van de directeur
met de functie van opdrachthouder
NA281
Contractbeheerder, coördinator IT-relatiebeheer en strategiebeheerder (mandaat)
NA286
Beheerder interne IT-dienstverlening (mandaat)
NA285
Financieel-administratief beheerder (mandaat)
NA284
Bedrijfsadviseur, pedagogisch adviseur of kunstadviseur die op 1 januari 2009 is overgeheveld van het Vlaams Agentschap voor Ondernemen naar het Agentschap Ondernemen, en de pedagogisch adviseur en bedrijfsadviseur die op 1 januari 2021 zijn overgeheveld van SYNTRA Vlaanderen naar het Departement Werk en Sociale Economie, het Agentschap Innoveren en Ondernemen of de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding.
NA111C
IWT-adviseur die op 1 januari 2016 is overgeheveld naar een andere entiteit
NA201
Contractueel IWT-adviseur (opstartformatie)
NA214
6. Bijkomende functies Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken Adjunct van de directeur buitenland NA112B Agentschap Overheidspersoneel Vlaams Diversiteitsambtenaar NA286 Agentschap facilitair Bedrijf
Backup werf- en sectorverantwoordelijke schoonmaak
ND112
Cateringpersoneel (kok)
ND132
Cateringpersoneel (chef catering kleine keuken)
NC123
Cateringpersoneel (backup chef catering middelgrote keuken)
ND132
Cateringpersoneel (backup chef catering kleine keuken)
ND132
Departement Onderwijs en Vorming Hoofdredacteur NA212B Vlaams Agentschap voor Personen met een handicap Chauffeur beheer en directie ND232 Vlaams Energie agentschap Cateringpersoneel - kok ND132 Departement Mobiliteit en Openbare Werken Gewestelijk Havencommissaris NA311 Adviseur afdeling Mobiliteit en Verkeersveiligheid NA211D
Art.5. In artikel VII 13, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten2, wordt de zinsnede "artikel VII 3, § 1," vervangen door de zinsnede "artikel VIIbis 17, § 2,".
Art. 6.In hetzelfde besluit worden de volgende artikelen opgeheven : 1° artikel VII 27, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten2 en vervangen bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten5;2° artikel VII 41, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten2 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009. Art. 7.In artikel VII 32, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten2 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008 en 29 mei 2009, wordt punt 2° opgeheven.
Art. 8.In artikel VII 33 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten2 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 5 september 2008 en 22 september 2017, wordt het laatste lid opgeheven.
Art. 9.In hetzelfde besluit worden artikel VII 39, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten2 en vervangen bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten3 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 en 27 januari 2017, en artikel VII 40, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten2, vervangen bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten3, vervangen door wat volgt: "Art. VII 39. § 1. Een prestatietoelage kan aan een personeelslid toegekend worden als uit de jaarlijkse of tussentijdse functioneringsevaluatie blijkt dat de betrokkene uitstekend heeft gepresteerd ten opzichte van de verwachtingen die in de planning werden geformuleerd.
De N-functies en de functies van algemeen directeur, vermeld in deel V zijn uitgesloten van de mogelijkheid om een prestatietoelage toe te kennen op basis van een tussentijdse functioneringsevaluatie. § 2. Onder salaris als vermeld in artikel VII 35 en VII 37, wordt verstaan, het geïndexeerde jaarsalaris dat van toepassing is in de maand december van het evaluatiejaar en, in voorkomend geval, het bedrag van de toelage voor tijdelijke functieverzwaring of de mandaattoelage, zoals gedefinieerd in artikel V 12, § 2. § 3. Een prestatietoelage kan ook toegekend worden op basis van de evaluatie zoals bepaald in artikel IV 14 tot en met IV 19, artikel V 13, § 1, artikel V 30 en artikel V 44. § 4. In afwijking van paragraaf 1 kan het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling een functioneringstoelage ook los van de jaarlijkse evaluatiecyclus aan een individu of team toekennen voor uitzonderlijke individuele of collectieve prestaties. § 5. Het bedrag van de functionerings- en prestatietoelagen is op jaarbasis beperkt tot maximaal 20% van het jaarsalaris, eventueel verhoogd met de mandaattoelage.
Art. VII 40. De prestatietoelagen vermeld in artikel VII 39, § 1, worden uitbetaald vóór 1 augustus van het jaar dat volgt op het evaluatiejaar.
Functioneringstoelagen en de managementstoelage voor het middenkader, die bij een tussentijdse functioneringsevaluatie gegeven worden, kunnen worden uitbetaald in het evaluatiejaar zelf.".
Art. 10.In artikel VII 44bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten5 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 3 oktober 2014 en 20 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° aan paragraaf 2 worden een tweede en derde lid toegevoegd, die luiden als volgt: "Voor de middenkaderfuncties, wordt het advies, vermeld in het eerste lid verleend door het managementorgaan van het betrokken beleidsdomein. Voor de toepassing van deze afdeling worden het Gemeenschapsonderwijs en de Vlaamse Onderwijsraad geacht deel uit te maken van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming en worden de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed en de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen geacht deel uit te maken van het beleidsdomein Omgeving.". 2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt: " § 3.De tijdelijke functieverzwaring duurt minimaal dertig kalenderdagen en duurt zo lang als de functiehouder de verzwaarde functie blijft uitoefenen, met een maximumduur van vijf jaar. Het hoofd van de entiteit, raad of instelling kan, na advies van het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling, die periode na afloop maximaal één keer verlengen met een periode van maximaal één jaar.".
Art. 11.In hetzelfde besluit worden de volgende artikelen opgeheven : 1° artikel VII 50, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten2;2° artikel VII 60, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten2 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2018;3° artikel VII 61, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten2;4° artikel VII 62, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten2;5° artikel VII 63, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten2 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 9 januari 2009 en 22 september 2017;6° artikel VII 64, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten2 en gewijzigd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten3;7° artikel VII 65, ingevoegd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen voor de personeelsleden van de buitendiensten van de Dienst Justitiehuizen van het Ministerie van Justitie die bekleed zijn met een bijzondere graad
sluiten2 en het laatst gewijzigd bij het
besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
13/06/1999
pub.
29/06/1999
numac
1999009700
bron
ministerie van justitie
Koninklijk besluit tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepa …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.