Sources officiellesejustice.just.fgov.be · EUR-Lex
Europaius

- Decreet betreffende het deeltijds kunstonderwijs

Kort samengevat

Dit decreet regelt het deeltijds kunstonderwijs in Vlaanderen. Het beschrijft de organisatie, erkenning en financiering van academies die artistiek onderwijs aanbieden.

Wat het regelt

  • De erkenning, financiering en subsidiëring van deeltijds kunstonderwijs.
  • De definitie van een "academie" als autonome entiteit voor kunstonderwijs.
  • De verschillende soorten opleidingen en graden binnen het deeltijds kunstonderwijs.
  • De voorwaarden voor financierbare leerlingen en de financierings- en subsidiëringsregeling.

Wie het aanbelangt

  • Academies die deeltijds kunstonderwijs organiseren.
  • Leerlingen en betrokken personen (ouders/voogden) die deelnemen aan dit onderwijs.

Kernpunten

  • Het decreet is van toepassing op erkend, gefinancierd en gesubsidieerd deeltijds kunstonderwijs.
  • Een "academie" is een autonome entiteit die deeltijds kunstonderwijs organiseert en erkend, gefinancierd of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse overheid.
  • "Lestijd" is 50 minuten in beeldende en audiovisuele kunsten, of 60 minuten in dans, woordkunst-drama en muziek.
  • Er zijn vier graden in langlopende studierichtingen, aangeduid met de nummers 1 tot en met 4.
Wettekst
Wettekst

9 MAART 2018.- Decreet betreffende het deeltijds kunstonderwijs (1) Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt : Decreet betreffende het deeltijds kunstonderwij

Art. 65

.Dit hoofdstuk is van toepassing op het gefinancierd of gesubsidieerd deeltijds kunstonderwijs. Art. 66.Een schoolbestuur verkrijgt voor haar personeelsleden die tot de categorieën ondersteunend, bestuurs- en onderwijzend personeel en desgevallend opvoedend hulppersoneel behoren een salaris als die personeelsleden voldoen aan al de volgende voorwaarden : 1° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling, vermeld in punt 1° ;3° houder zijn van de bekwaamheidsbewijzen, vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 5, 8°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;4° aangeworven zijn met inachtname van de reglementering over de reaffectatie en wedertewerkstelling;5° in dienst zijn op grond van de reglementering over de omkadering;6° in een gezondheidstoestand verkeren die de gezondheid van de leerlingen niet in gevaar brengt. Art. 67.§

  1. Voor de berekening van de omkadering, vermeld in artikel 69 tot en met 72, worden alleen financierbare leerlingen geteld. §
  2. Ongeacht het aantal opleidingen dat hij volgt, is een leerling per domein maar een keer financierbaar. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als een opleiding in een afzonderlijk domein beschouwd. Een leerling die meer dan een derde van de leeractiviteiten georganiseerd tussen de inschrijving en teldag voor de omkaderingberekening ongewettigd afwezig is, is niet financierbaar. In afwijking van het eerste lid is een leerling die tegelijkertijd een opleiding volgt in de vierde graad en in een kortlopende studierichting specialisatie financierbaar voor beide opleidingen. §
  3. Elke financierbare leerling telt voor een teleenheid. In afwijking van het eerste lid worden de financierbare leerlingen met een vrijstelling voor een of meer vakken in het domein beeldende en audiovisuele kunsten gewogen met de coëfficiënt 0,
  4. In afwijking van het eerste lid worden de financierbare leerlingen met een vrijstelling voor een of meer vakken in de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek gewogen met de coëfficiënt 0,
  5. In afwijking van het eerste lid worden de financierbare leerlingen die hun leertraject in de vierde graad of een kortlopende studierichting verlengen gewogen met de coëfficiënt 0,
  6. In afwijking van het eerste lid worden de financierbare leerlingen, met uitzondering van de leerlingen in de vierde graad beeldende en audiovisuele kunsten en in de kortlopende studierichtingen, die hun volledige opleiding volgen in vestigingsplaatsen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of de gemeente Voeren gewogen met de coëfficiënt 1,
  7. In afwijking van het eerste lid worden de financierbare leerlingen, die hun volledige opleiding volgen in vestigingsplaatsen gelegen in een dunbevolkte gemeente gewogen met de coëfficiënt 1,
  8. De wegingen, vermeld in het tweede, vierde en vijfde lid, en de wegingen, vermeld in het derde, vierde en vijfde lid, tellen cumulatief. De wegingen, vermeld in het tweede, vierde en zesde lid, en de wegingen, vermeld in het derde, vierde en zesde lid, tellen cumulatief. De wegingen, vermeld in het vijfde en het zesde lid, zijn niet cumulatief. De weging van het vijfde lid primeert. §
  9. Voor de toepassing van de bepalingen in afdeling 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk wordt onder "leerlingen" "gewogen financierbare leerlingen" verstaan. Afdeling
  10. - Omkadering onderwijzend personeel Onderafdeling
  11. - Berekening van de omkadering voor langlopende en kortlopende studierichtingen Art. 68.Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling worden de studierichtingen, vermeld in artikel 10 tot en met 20, ondergebracht in structuuronderdelen. Alle langlopende studierichtingen van een bepaalde graad in een domein vormen daarbij eenzelfde structuuronderdeel. Alle kortlopende studierichtingen en de domeinoverschrijdende initiatieopleiding vormen elk een afzonderlijk structuuronderdeel. In afwijking van het tweede lid vormen de derde graad voor jongeren en de derde graad voor volwassenen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten afzonderlijke structuuronderdelen. In afwijking van het tweede lid vormen de tweede graad voor jongeren en de tweede graad voor volwassenen van het domein muziek afzonderlijke structuuronderdelen. Art. 69.§
  12. Voor het schooljaar X/X+1 heeft een academie recht op lestijden die berekend worden volgens de formule : leerlingen x OC x S, waarbij : 1° leerlingen : het aantal leerlingen per traject in een structuuronderdeel op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in de academie;2° OC : de omkaderingscoëfficiënt per traject van het structuuronderdeel, vermeld in artikel 70;3° S : de solidariteitsfactor, berekend conform artikel
  13. Het aantal lestijden dat een academie voor een bepaalde graad verwerft, is de som van de lestijden van alle trajecten van alle structuuronderdelen in elke graad, over het geheel van de vestigingsplaatsen van die academie. Per traject in een structuuronderdeel worden de leerlingen altijd afzonderlijk geteld. Daarbij worden in een academie met verschillende vestigingsplaatsen de leerlingen van alle vestigingsplaatsen samengeteld. §
  14. In afwijking van paragraaf 1 worden de lestijden voor de kortlopende studierichtingen specialisatie als volgt berekend : 1° als in een domein in een academie het aantal leerlingen dat de specialisatie volgt op 1 februari van het voorafgaande schooljaar kleiner dan of gelijk is aan 25% van het aantal leerlingen dat de vierde graad volgt op 1 februari van het voorafgaande schooljaar, wordt het aantal leerlingen van de specialisatie op 1 februari van het voorafgaande schooljaar vermenigvuldigd met de omkaderingscoëfficiënt en de solidariteitsfactor, berekend conform artikel 71.2° als in een academie en domein het aantal leerlingen dat de specialisatie volgt op 1 februari van het voorafgaande schooljaar groter is dan 25% van het aantal leerlingen in de vierde graad op 1 februari van het voorafgaande schooljaar, wordt 25% van het aantal leerlingen van de vierde graad op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in dat domein vermenigvuldigd met de omkaderingscoëfficiënt en de solidariteitsfactor, berekend conform artikel
  15. §
  16. De resultaten van de berekeningen, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier en naar het lagere geheel getal als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier. §
  17. In afwijking van paragraaf 1 en 2 is de teldag voor de berekening van de lestijden voor de structuuronderdelen van academies in oprichting 1 oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt voor de hele academie vanaf het schooljaar van oprichting en de elf daaropvolgende schooljaren. §
  18. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en de salarisschalen waarin een academie met de lestijden, vermeld in paragraaf 1, 2 en 4, betrekkingen kan organiseren en de wijze waarop de omrekening gebeurt van de lestijden, vermeld in paragraaf 1, 2 en 4, naar die betrekkingen worden omgerekend. Art. 70.De omkaderingscoëfficiënten per traject in de structuuronderdelen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten zijn : Omkaderingscoëfficiënt 1e graad tweejarig traject 0,14545 2e graad vierjarig traject 0,14545 3e graad voor jongeren zesjarig traject 0,29091 3e graad voor jongeren zevenjarig traject 0,24935 3e graad voor volwassenen tweejarig traject 0,29091 4e graad tienjarig traject 0,29818 4e graad vijfjarig traject 0,59636 4e graad vierjarig traject 0,74545 specialisatie tweejarig traject 0,59636 beeldende en audiovisuele cultuur driejarig traject 0,25625 De omkaderingscoëfficiënten per traject in de structuuronderdelen van het domein dans zijn : Omkaderingscoëfficiënt 1e graad tweejarig traject 0,12500 2e graad vierjarig traject 0,25000 2e graad tweejarig traject 0,50000 3e graad driejarig traject 0,31250 4e graad driejarig traject 0,38438 specialisatie tweejarig traject 0,38438 danscultuur driejarig traject 0,25625 De omkaderingscoëfficiënten per traject in de structuuronderdelen van het domein woordkunst-drama zijn : Omkaderingscoëfficiënt 1e graad tweejarig traject 0,06667 2e graad vierjarig traject 0,10782 2e graad tweejarig traject 0,21564 3e graad driejarig traject 0,42750 4e graad driejarig traject 0,76875 specialisatie tweejarig traject 0,76875 schrijver driejarig traject 0,76875 woordkunst- en dramacultuur driejarig traject 0,25625 De omkaderingscoëfficiënten per traject in de structuuronderdelen van het domein muziek zijn : Omkaderingscoëfficiënt 1e graad tweejarig traject 0,06667 2e graad voor jongeren vierjarig traject 0,44716 2e graad voor volwassenen driejarig traject 0,42750 3e graad driejarig traject 0,64400 3e graad vierjarig traject 0,48300 4e graad driejarig traject 1,12997 specialisatie tweejarig traject 1,12997 muziekcultuur 0,25625 muziekgeschiedenis 0,25625 De omkaderingscoëfficiënt voor het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding is 0,
  19. Art. 71.§
  20. De solidariteitsfactor wordt enerzijds berekend voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten en anderzijds voor het geheel van de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek. §
  21. De solidariteitsfactor voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten wordt berekend volgens de formule : S = de solidariteitsfactor = 1 - (A/B), waarbij : 1° A : de lestijden voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, met toepassing van solidariteitsfactor 1, van alle structuuronderdelen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten in vestigingsplaatsen die op 1 februari van het voorafgaande schooljaar nog in oprichting zijn conform artikel 114 tot en met 118;2° B : het totale aantal lestijden voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, met toepassing van solidariteitsfactor 1;3° in afwijking van artikel 69 is de teldag voor de berekening van de solidariteitsfactor voor academies in oprichting, conform artikel 114, 1 februari van het voorgaande schooljaar. §
  22. De solidariteitsfactor voor het geheel van de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek wordt berekend volgens de formule : S = de solidariteitsfactor = 1 - (C/D), waarbij : 1° C : de lestijden voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, met toepassing van solidariteitsfactor 1, van alle structuuronderdelen van de domeinen dans, drama-woordkunst en muziek in vestigingsplaatsen die op 1 februari van het voorafgaande schooljaar nog in oprichting zijn conform artikel 114 tot en met 118;2° D : het totale aantal lestijden van de domeinen dans, drama-woordkunst en muziek voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, met toepassing van solidariteitsfactor 1;3° in afwijking van artikel 69 is de teldag voor de berekening van de solidariteitsfactor voor academies in oprichting, conform artikel 114, 1 februari van het voorgaande schooljaar. §
  23. Voor de toepassing van paragraaf 2 en 3 worden de lestijden voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, voor het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding in vestigingsplaatsen die op 1 februari van het voorafgaande schooljaar nog in oprichting zijn, conform artikel 114 tot en met 118, vermenigvuldigd met 0,25, opgeteld bij de berekening van A en B en vermenigvuldigd met 0,75, opgeteld bij de berekening van C en D. Voor de toepassing van paragraaf 2 en 3 worden de lestijden voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, voor het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding in vestigingsplaatsen die niet verstaan worden onder het eerste lid, vermenigvuldigd met 0,25, opgeteld bij de berekening van B en vermenigvuldigd met 0,75, opgeteld bij de berekening van D. §
  24. De impact van de solidariteitsfactor op de omkadering wordt jaarlijks gemonitord vanaf het schooljaar 2019-
  25. Hierover wordt jaarlijks verslag uitgebracht aan het Vlaams Parlement. Art. 72.De Vlaamse Regering kan, met in achtname van de beschikbare begrotingskredieten, een aanwendingspercentage vastleggen dat voor een of meer schooljaren toegepast wordt op het geheel of een gedeelte van de omkaderingsberekening, vermeld in artikel 69 en
  26. Dat aanwendingspercentage is een rekenfactor die een omkaderingscoëfficiënt procentueel verlaagt of verhoogt. Onderafdeling
  27. - Aanwending van de omkadering onderwijzend personeel Art. 73.§
  28. Het schoolbestuur beslist, met toepassing van de reglementering over overleg en onderhandeling, over de aanwending van de lestijden. Het schoolbestuur kan het totale aantal toegekende lestijden aanwenden voor de organisatie van leeractiviteiten, muzikaal begeleiden en leeractiviteiten op maat. Het schoolbestuur kan maximaal drie percent van het aantal toegekende lestijden aanwenden voor pedagogische coördinatie. Dat percentage kan worden overschreden, mits hierover een akkoord wordt bereikt in het lokale comité. §
  29. Elke lestijd die voor leeractiviteiten aangewend wordt resulteert elke week van het schooljaar in een leeractiviteit van minstens vijftig minuten voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten en ministens zestig minuten voor de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek, of minstens vijftig of zestig minuten voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding, rekening houdend met de bepalingen over de organisatie van het schooljaar, vermeld in artikel 63 en
  30. In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering de voorwaarden waaronder een academie de wekelijkse leeractiviteiten kan clusteren in grotere gehelen. §
  31. Maximaal vijf percent van de lestijden berekend volgens de bepalingen, vermeld in artikel 69 tot en met 72, kunnen aangewend worden om voordrachtgevers in te zetten. Dat percentage kan worden overschreden, mits hierover een akkoord wordt bereikt in het lokale comité. In het eerste lid wordt verstaan onder voordrachtgever : een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de academie. Een voordrachtgever geeft, in eigen naam of in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, voordrachten in de academie of op een andere locatie in het kader van de realisatie van de basiscompetenties, specifieke eindtermen en beroepskwalificaties vanuit zijn deskundigheid of ervaring in de amateurkunsten, de professionele kunsten, de creatieve industrie of het cultureel erfgoed. Bij de aanwending van lestijden voor voordrachtgevers worden lestijden omgezet in een krediet. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding ervan aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten, de grootte van het krediet per lestijd dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet. De aanwending van lestijden voor voordrachtgevers maakt voorwerp uit van onderhandeling in het lokaal comité. §
  32. Maximaal vijf percent van de lestijden, berekend volgens de bepalingen, vermeld in artikel 69 tot en met 72, kunnen aangewend worden om leeractiviteiten op maat, vermeld in artikel 4, derde lid, te organiseren. Leeractiviteiten op maat kunnen alleen ingezet worden voor de doelstellingen, vermeld in artikel 4, derde lid. Het schoolbestuur kan de leeractiviteiten op maat vrij inplannen in de loop van het schooljaar. Art. 74.Het schoolbestuur kan de lestijden van het domein beeldende en audiovisuele kunsten alleen in dat domein aanwenden. De lestijden van de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek kunnen onderling worden uitgewisseld. De lestijden van de domeinoverschrijdende initiatie kunnen alleen in dat structuuronderdeel worden aangewend. De lestijden van de structuuronderdelen van de vierde graad kunnen aangewend worden in de eerste, tweede en derde graad. De lestijden van de structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad kunnen niet aangewend worden in structuuronderdelen van de vierde graad maar kunnen wel onderling worden uitgewisseld. De lestijden van de kortlopende studierichtingen kunnen alleen onderling worden uitgewisseld. Voor de personeelsregelgeving worden de kortlopende studierichtingen beschouwd als een structuuronderdeel van de vierde graad. Art. 75.Een schoolbestuur kan tijdens een bepaald schooljaar lestijden die het in een academie niet aanwendt, overdragen naar het volgend schooljaar of naar een ander schoolbestuur als het voldoet aan al de volgende voorwaarden : 1° het maximaal aantal lestijden van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen wordt uiterlijk op 1 november van dat schooljaar vastgelegd;2° het maximaal aantal lestijden van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen, kan nooit hoger liggen dan 3% van het aantal lestijden van dat schooljaar.Het maximum aantal overgedragen lestijden wordt altijd naar boven afgerond naar een volledige lestijd; 3° de lestijden kunnen alleen in het lopende of het volgende schooljaar worden aangewend;4° het schoolbestuur van de academie heeft op eer verklaard dat het tijdens dat schooljaar in de academie overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel moet uitspreken of als de leden van het onderwijzend personeel die nieuw of bijkomend ter beschikking werden gesteld wegens ontstentenis van betrekking, kunnen worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in een academie van het schoolbestuur voor de hele verdere duur van het schooljaar. In afwijking van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4°, worden voor de toepassing van het eerste lid in een kunstacademie, het domein beeldende en audiovisuele kunsten en het geheel van de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek als een afzonderlijke academie beschouwd. Als niet aan de voorwaarden voldaan is, vermeld in het eerste lid, en in het geval van een kunstacademie het eerste, tweede en derde lid, heeft een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking ten aanzien van de overheid. In de overgedragen lestijden, vermeld in het eerste lid, kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden. Als niet aan de voormelde voorwaarde voldaan is, hebben de vaste benoemingen geen uitwerking ten aanzien van de overheid. Onderafdeling
  33. - Bijzondere bepalingen Art. 76.§
  34. Kunstacademies hebben vanaf vierhonderd leerlingen zoals die geteld zijn op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in de academie recht op twintig lestijden voor beleidsondersteuning. Onder dat minimum wordt het aantal lestijden voor beleidsondersteuning toegekend naar rato van 1/20 per volledige reeks van twintig leerlingen. In afwijking van het eerste lid is de teldag voor academies in oprichting 1 oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt vanaf het schooljaar van oprichting en de elf daaropvolgende schooljaren. Academies die op 1 september 2017 een tijdelijk project intergemeentelijke samenwerking of een tijdelijk project regionale samenwerking organiseerden, behouden de lestijden voor pedagogische coördinatie die hun krachtens de projectvoorwaarden zijn toegekend. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten waarin een academie met de les-tijden, vermeld in het eerste en derde lid, betrekkingen kan organiseren en de wijze waarop de lestijden naar die betrekkingen worden omgerekend. §
  35. Vanaf het schooljaar 2019-2020 hebben academies, vermeld in bijlage 2 bij dit decreet, recht op extra lestijden. Deze extra lestijden worden jaarlijks berekend volgens de formule opgenomen in het tweede lid. Als X voor de academies, vermeld in bijlage 2 bij dit decreet, kleiner is dan Z dan heeft de betrokken academie recht op Y extra lestijden, berekend volgens de formule : Y = Z - X, waarbij : 1° Z : het aantal lestijden, vermeld in bijlage 2, bij dit decreet voor de betrokken academie;2° X gelijk is aan A - B, waarbij;a) A : de omkadering berekend volgens artikel 69;b) B : de omkadering berekend volgens artikel 69, maar in afwijking van artikel 67, § 3, vijfde lid, worden de betrokken leerlingen aan 1 gewogen. Y wordt afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier en naar het lagere geheel getal als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier. Als de betrokken academie, conform artikel 155, recht heeft op additionele lestijden voor de eerste, tweede en derde graad dan wordt de helft van Y, voor de betrokken academie, afgetrokken van de lestijden bekomen voor de eerste, tweede en derde graad volgens artikel
  36. Als het hierdoor bekomen aantal lestijden negatief is dan wordt het aantal lestijden volgens artikel 155 voor de betrokken academie voor de eerste, tweede en derde graad gelijkgesteld met nul. Als de betrokken academie, conform artikel 155, recht heeft op additionele lestijden voor de vierde graad en de kortlopende studierichtingen dan wordt de helft van Y, voor de betrokken academie, afgetrokken van de lestijden bekomen voor de vierde graad en de kortlopende studierichtingen, conform artikel
  37. Als het hierdoor bekomen aantal lestijden negatief is, wordt het aantal lestijden, conform artikel 155, voor de betrokken academie voor vierde graad en de kortlopende studierichtingen gelijkgesteld met nul. Afdeling
  38. - Omkadering bestuurspersoneel Art. 77.Academies hebben vanaf tweehonderd leerlingen zoals die geteld zijn op 1 februari van het voorgaande schooljaar in de academie recht op een ambt van directeur. Onder dat minimum wordt het ambt van directeur toegekend naar rato van 1/20 per volledige reeks van tien leerlingen. In afwijking van het eerste lid is de teldag voor academies in oprichting 1 oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt vanaf het schooljaar van oprichting en de elf daaropvolgende schooljaren. Art. 78.Het personeelslid dat vastbenoemd is in het ambt van directeur in een academie en dat als gevolg van fusie van academies ter beschikking gesteld wordt wegens ontstentenis van betrekking, kan op persoonlijke titel tewerkgesteld worden in een niet-organieke betrekking van directeur die aan de gefuseerde academie wordt toegevoegd. De tewerkstelling in de niet-organieke betrekking wordt beschouwd als een reaffectatie en schort alle reaffectatie- en wedertewerkstellingsverplichtingen buiten de academie op. De niet-organieke betrekking, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend op basis van dezelfde berekening als voor het ambt van directeur, vermeld in artikel
  39. De niet-organieke betrekking wordt alleen toegekend zolang het personeelslid, vermeld in het eerste lid, erin tewerkgesteld wordt. Zolang aan de kunstacademie een niet-organieke betrekking toegekend wordt als vermeld in het tweede lid, worden in die kunstacademie in afwijking van artikel 76, § 1, geen lestijden voor beleidsondersteuning gefinancierd of gesubsidieerd. Afdeling
  40. - Omkadering ondersteunend personeel en opvoedend hulppersoneel Art. 79.§
  41. Elke academie heeft recht op administratieve omkaderingseenheden die berekend worden volgens de formule : (a x 0,001 x 38) - (b x 38/32), waarbij : 1° a : het aantal leerlingen op 1 februari van het voorgaande schooljaar in de academie;2° b : het aantal uren van een betrekking studiemeester-opvoeder; beperkt tot de omvang, vermeld in paragraaf 3; 3° 32 : het aantal uren van een voltijdse betrekking studiemeester-opvoeder;4° 38 : het aantal omkaderingseenheden voor een voltijdse betrekking administratief medewerker. In afwijking van de teldag, vermeld in het eerste lid, 1°, is de teldag voor academies in oprichting 1 oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt vanaf het schooljaar van oprichting en de elf daaropvolgende schooljaren. §
  42. Als het eerste cijfer na de komma groter dan of gelijk is aan vijf, wordt de uitkomst van die formule naar boven afgerond. Als dat cijfer kleiner is dan vijf, wordt de uitkomst naar beneden afgerond. §
  43. In een academie die op 30 juni 2007 beschikte over een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking in het ambt van studiemeester-opvoeder, waar een vastbenoemd personeelslid of een tijdelijk personeelslid in een vacante betrekking titularis van was, of waar op 30 juni 2007 een vast benoemd studiemeester-opvoeder ter beschikking gesteld was wegens ontstentenis van betrekking, wordt dat ambt gefinancierd of gesubsidieerd, zolang datzelfde personeelslid er titularis is. Het recht, vermeld in het eerste lid, is beperkt tot de omvang van de betrekking waarvan dat personeelslid titularis was op 30 juni
  44. Art. 80.De Vlaamse Regering bepaalt de ambten waarin een academie met de administratieve omkaderingseenheden, vermeld in artikel 79, § 1, betrekkingen kan organiseren en de wijze waarop de administratieve omkaderingseenheden naar die betrekkingen worden omgerekend. Art. 81.§
  45. Voor de academies, vermeld in bijlage 1 bij dit decreet, wordt de administratieve omkadering berekend op basis van de volgende formule, rekening houdend met het aantal lestijden berekend conform artikel 69 : [(15 x a + 16 x b + 13 x c)/5000-d/32] x 38, waarbij : 1° a : aantal lestijden van de structuuronderdelen van de eerste en tweede graad;2° b : aantal lestijden van de structuuronderdelen van de derde graad;3° c : aantal lestijden van de structuuronderdelen van de vierde graad en van de kortlopende studierichtingen;4° d : het aantal uren van een betrekking studiemeester-opvoeder beperkt tot de omvang, vernoemd in artikel 79, § 3;5° 32 : het aantal uren van een voltijdse betrekking studiemeester-opvoeder;6° 38 : het aantal omkaderingseenheden voor een voltijdse betrekking administratief medewerker. De uitkomst van de berekening, vermeld in het eerste lid, wordt afgerond naar de onmiddellijk lagere eenheid. §
  46. Vanaf het schooljaar waarvoor de methode, vermeld in artikel 79, voor de academies, vermeld in bijlage 1, bij dit decreet, evenveel of meer omkadering voor ondersteundend personeel en opvoedend hulppersoneel oplevert dan de methode, vermeld in paragraaf 1, wordt die omkadering berekend conform artikel
  47. Afdeling
  48. - Personeel ten laste van de werkingsmiddelen of van de eigen middelen Art. 82.Het schoolbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 83 en 84, of van de Vlaamse ondersteuningspremie, uitgekeerd door de VDAB of van de eigen middelen personeel aanwerven. In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel. In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs. De betrekking die met de middelen, vermeld in het eerste lid, wordt georganiseerd kan niet vacant worden verklaard en de inrichtende macht kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekking. Het personeelslid dat door een schoolbestuur van een academie van het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven conform het tweede lid, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 is op hem van toepassing. Het personeelslid dat door een schoolbestuur van een academie van het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven conform het derde lid, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug. Afdeling
  49. - Werkingsmiddelen Art. 83.Elke academie van het gesubsidieerd onderwijs heeft recht op werkingsmiddelen. Het werkingsbudget voor het schooljaar (X/X+1) wordt berekend volgens de formule : aantal toegekende lestijden voor het schooljaar (X/X+1) x bedrag per lestijd. Het bedrag per lestijd in het domein beeldende en audiovisuele kunsten en de domeinoverschrijdende initiatie bedraagt 79,34 euro. Het bedrag per lestijd in de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek bedraagt 26,45 euro. Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden de bedragen van het voorgaande schooljaar jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A die als volgt berekend wordt : A = (CX-1/CX-2), waarbij : 1° CX-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-1;2° CX-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-
  50. De A-coëfficiënt wordt voor 100% in rekening gebracht. Art. 84.§
  51. Voor het begrotingsjaar 2019, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2018-2019, is het bedrag dat bestemd is voor het deeltijds kunstonderwijs in het gemeenschapsonderwijs 1.729.877 euro. Vanaf het schooljaar 2019-2020 wordt het werkingsbudget van het voorgaande schooljaar jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A die voor een schooljaar (X/X+1) als volgt berekend wordt : A = (CX-1/CX-2), waarbij : 1° CX-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-1;2° CX-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-
  52. De A-coëfficiënt wordt voor 100% in rekening gebracht. §
  53. De Vlaamse Regering regelt de wijze waarop het bedrag, berekend conform paragraaf 1, uitbetaald wordt aan de academies. Art. 85.Een schoolbestuur dat werken, leveringen of diensten aanneemt die geheel of gedeeltelijk betaald worden met de middelen, vermeld in artikel 83 en 84, sluit een overeenkomst volgens de toepasselijke procedure en onder de toepasselijke voorwaarden die voor het Rijk gelden. Art. 86.Ieder schoolbestuur van een gesubsidieerde academie legt aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten verantwoording af over het gebruik van zijn werkingsmiddelen. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten kan ter plaatse controle uitoefenen zonder dat die controle betrekking mag hebben op de opportuniteit. De Vlaamse Regering bepaalt de controlemaatregelen nader en ontwikkelt een methode die het mogelijk maakt om jaarlijks een zicht te krijgen op de besteding van de werkingsmiddelen. Afdeling
  54. - Terugvorderingen en sancties Onderafdeling
  55. - Terugvorderingen Art. 87.Conform artikel 13 van de wet van 16 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/05/2003 pub. 30/07/2015 numac 2015000394 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot vaststelling van de

die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 16/05/2003 pub. 25/06/2003 numac 2003003343 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole en federale overheidsdienst financien Wet tot vaststelling van de

die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof sluiten tot vaststelling van de

die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, wordt elke ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring van het schoolbestuur teruggevorderd. Een ten onrechte uitbetaald salarisgedeelte wordt evenwel van het betrokken personeelslid teruggevorderd, als het schoolbestuur niet verantwoordelijk is voor de uitbetaling ervan. Onderafdeling

  1. - Sancties Art. 88.§
  2. Met behoud van toepassing van de strafvervolging waartoe een van onderstaande overtredingen aanleiding zou geven, kan het schoolbestuur gesanctioneerd worden voor : 1° elke onnauwkeurige verklaring, afgelegd met de bedoeling om de berekening van het bedrag van een salaristoelage of werkingsbudget te beïnvloeden, die de berekening van het bedrag voor financiering of subsidiëring beïnvloedt;2° elke onnauwkeurige verklaring over de bezoldiging van het personeel;3° elke inbreuk op de verplichting om gegevens mee te delen, conform artikel 49, op de wijze en op de data waarop die uiterlijk verstrekt moeten zijn;4° elke inbreuk op de bepalingen van de vakantie- en de onderwijstijd;5° elke inbreuk op de aanwending van de financiële middelen;6° elke inbreuk op de verplichting om op de data, bepaald conform artikel 93, de inschrijvingsgelden te betalen;7° elke inbreuk op de naleving van de verplichtingen tot behandeling van de leerling en van de personeelsleden met respect voor hun rechten en plichten en de uitvoering van de administratieve en organisatorische opdrachten en bevoegdheden die door dit decreet of door de Vlaamse Regering worden toegewezen aan de academies. §
  3. De sanctie, vermeld in paragraaf 1, is een financiële sanctie van ten hoogste 10% van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 83 of
  4. In afwijking van het eerste lid bedraagt de financiële sanctie voor de inbreuk, vermeld in paragraaf 1, 3°, maximaal 0,75 euro per leerling, gegenereerd door leerlingen over wie de academie de gegevens, conform artikel 49, niet correct en tijdig aangeleverd heeft. De financiële sanctie, vermeld in het eerste en tweede lid, kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat gebruikt wordt voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet getroffen zou worden. De teruggave van de ten onrechte als subsidiëring gestorte bedragen wordt geëist tenzij de fout te wijten is aan de betalende overheid. Art. 89.De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties. Het voormelde besluit waarborgt de rechten van de verdediging en voorziet in een mogelijkheid tot beroep. HOOFDSTUK
  5. - Inschrijvingsgeld en bijdrageregeling Art. 90.Een regelmatige leerling betaalt inschrijvingsgeld voor elk domein waarvoor hij zich inschrijft. Het volledige inschrijvingsgeld wordt betaald vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als een opleiding in een afzonderlijk domein beschouwd. Art. 91.Voor het schooljaar 2018-2019 bedraagt het inschrijvingsgeld : 1° 307 euro;2° 129 euro als de leerling de leeftijd van 25 jaar niet heeft bereikt of voldoet aan een voorwaarde als vermeld in artikel 92, § 1 of § 2;3° 65 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie;4° 42 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het betrokken schooljaar en voldoet aan een voorwaarde als vermeld in artikel
  6. De inschrijvingsgelden voor het deeltijds kunstonderwijs worden jaarlijks vanaf het schooljaar 2019-2020 vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die als volgt berekend wordt : A = (CX-1/CX-2), waarbij : 1° CX-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-1;2° CX-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-
  7. Het bedrag wordt afgerond naar de hogere eenheid. Art. 92.§
  8. Om in aanmerking te komen voor het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 91, eerste lid, 2° of 4°, moet de leerling op de dag van de inschrijving aan minstens een van de volgende voorwaarden voldoen : 1° uitkeringsgerechtigd volledig werkloos zijn of daarmee gelijkgesteld zijn;2° verplicht ingeschreven zijn als werkzoekende op grond van de reglementering in verband met de arbeidsvoorziening en de werkloosheid;3° een leefloon van het OCMW ontvangen of een uitkering die daarmee gelijkgesteld is;4° een inkomensgarantie voor ouderen of een rentebijslag ontvangen;5° erkend zijn als persoon met een handicap en een tegemoetkoming van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid ontvangen;6° voor ten minste 66% arbeidsongeschikt zijn;7° begunstigde zijn van een verhoogde kinderbijslag (erkend voor ten minste 66%);8° in een gezinsvervangend tehuis of in een medisch-pedagogische instelling of in een pleeggezin verblijven;9° het statuut van erkend politiek vluchteling bezitten;10° begunstigde zijn van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming. §
  9. Een leerling die ten laste is van een persoon die aan minstens een van de voorwaarden voldoet, vermeld in paragraaf 1, komt eveneens in aanmerking voor het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 91, eerste lid, 2° of 4°. §
  10. Een leerling die de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie, betaalt het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 91, eerste lid, 4° : 1° als op de dag van de inschrijving een ander lid van de leefeenheid waartoe hij behoort het inschrijvingsgeld al heeft betaald in dezelfde of een andere academie;2° voor iedere extra inschrijving in een ander domein aan dezelfde of een andere academie. §
  11. In afwijking van paragraaf 1 en 2 komt een leerling die op de dag van inschrijving niet aan minstens een van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 en 2, voldoet, in aanmerking voor vermindering onder de voorwaarde dat de leerling in de maand september eraan voldoet. §
  12. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het recht van een leerling aangetoond wordt. Art. 93.Elk schoolbestuur betaalt jaarlijks aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten voor elk van zijn gesubsidieerde of gefinancierde academies een bedrag dat berekend wordt volgens de formule : B = B1 + B2, waarbij : 1° B1 uiterlijk 15 november van het schooljaar (X/X+1) wordt betaald en voor het gefinancierd onderwijs wordt berekend volgens de formule : B1= i, en voor het gesubsidieerd onderwijs berekend wordt volgens de formule : B1 = i - w, waarbij : a) i : 95% van de inschrijvingsgelden van de regelmatige leerlingen die ingeschreven waren op 1 oktober van het schooljaar (X-1/X);b) w : de werkingsmiddelen voor het schooljaar (X/X+1) berekend volgens artikel 83;2° B2 uiterlijk 15 april van het schooljaar (X/X+1) wordt betaald en wordt berekend volgens de formule : B2 = I - i, waarbij : a) I : 100% van de inschrijvingsgelden van de regelmatige leerlingen die ingeschreven waren op 1 oktober van het schooljaar (X/X+1);b) i : 95% van de inschrijvingsgelden van de regelmatige leerlingen die ingeschreven waren op 1 oktober van het schooljaar (X-1/X). In afwijking van het eerste lid, 1°, is de component B1 voor de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen gelijk aan i. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het schoolbestuur de inschrijvingsgelden overmaakt aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Art. 94.De bedragen, vermeld in artikel 91, worden volledig toegewezen aan het fonds "Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs", verder genoemd "het Fonds". In het eerste lid wordt verstaan onder fonds : een begrotingsfonds als vermeld in artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/07/2011 pub. 05/08/2011 numac 2011035642 bron vlaamse overheid Decreet houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof sluiten houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof. De middelen van het Fonds moeten worden aangewend voor uitgaven voor de betaling van salarissen en salaristoelagen in het deeltijds kunstonderwijs. De boekhoudkundige verwerking van de verrichtingen gebeurt voor elk onderwijsnet afzonderlijk. Art. 95.Als een schoolbestuur bijkomende bijdragen vraagt aan de leerling, dan moet deze een billijke behandeling van alle leerlingen garanderen en mag deze de participatiekans niet in het gedrang brengen. Indien er een bijdrage gevraagd wordt voor cursusmateriaal of auteurs- of reprografierechten wordt deze aangerekend tegen kostprijs en moet deze bij het begin van elk schooljaar geraamd worden en moet voor de inschrijving aan de leerling meegedeeld worden. In het tweede lid wordt verstaan onder cursusmateriaal : alle benodigdheden die door het schoolbestuur als noodzakelijk voor het volgen van de opleiding worden opgegeven en die door het schoolbestuur worden aangerekend. Art. 96.Een schoolbestuur kan de bijdrage van niet-regelmatige leerlingen of leerlingen in leeractiviteiten op maat, vermeld in artikel 4, derde lid, vrij bepalen, op voorwaarde dat het bedrag niet hoger ligt dan het bedrag dat een regelmatige leerling voor zijn inschrijving in een domein zou betalen. HOOFDSTUK
  13. - Erkennings-, financierings- en subsidiëringsvoorwaarden van academies Afdeling
  14. -

Art. 97

.Een academie kan de volgende vormen van onderwijs organiseren : 1° onderwijs dat conform dit decreet is erkend, waarvoor de academie onderwijsbevoegdheid heeft en waarvan de lestijden volledig comform dit decreet zijn gefinancierd of gesubsidieerd;2° onderwijs dat conform dit decreet is erkend, waarvoor de academie onderwijsbevoegdheid heeft en waarvan de lestijden geheel of gedeeltelijk door derden zijn gefinancierd of gesubsidieerd. Middelen van de Vlaamse overheid kunnen niet aangewend worden voor de organisatie van onderwijs dat noch gefinancierd noch gesubsidieerd wordt door de Vlaamse overheid. Art. 98.Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk worden de studierichtingen, vermeld in artikel 12 tot en met 20, ondergebracht in structuuronderdelen. Alle langlopende studierichtingen van een bepaalde graad in een domein vormen daarbij eenzelfde structuuronderdeel. Alle kortlopende studierichtingen en de domeinoverschrijdende initiatieopleiding vormen elk een afzonderlijk structuuronderdeel. In afwijking van het tweede lid vormen de derde graad voor jongeren en de derde graad voor volwassenen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten afzonderlijke structuuronderdelen. In afwijking van het tweede lid vormen de tweede graad voor jongeren en de tweede graad voor volwassenen van het domein muziek afzonderlijke structuur-onderdelen. Afdeling

  1. - Erkenning van academies Art. 99.Erkenning is noodzakelijk om in aanmerking te kunnen komen voor subsidiëring of financiering. Het opleidingsaanbod van erkende academies komt alleen in aanmerking voor subsidiëring of financiering als de onderwijsbevoegdheid is toegekend, conform artikel
  2. Art. 100.Een academie kan erkend worden als ze aan al de volgende voorwaarden voldoet : 1° ze is georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van een schoolbestuur;2° ze is gevestigd in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden voor de hygiëne, de veiligheid en de bewoonbaarheid, voldoen;3° ze neemt een structuur aan als vermeld in artikel 10 tot en met 25 van dit decreet;4° ze vormt een pedagogisch geheel;5° ze beschikt over voldoende didactisch materiaal en over een aangepaste schooluitrusting;6° ze leeft de bepalingen over de taalregeling in het onderwijs en de taalkennis van het personeel na;7° ze maakt de controle van de onderwijsinspectie mogelijk;8° ze leeft de reglementering over de organisatie van het schooljaar na;9° ze leeft de reglementering betreffende de einddoelen en leerplannen na;10° ze eerbiedigt in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de Rechten van de Mens en van het Kind in het bijzonder;11° ze voert een doeltreffend beleid om het rookverbod, vermeld in artikel 4 van het decreet van 6 juni 2008Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/06/2008 pub. 18/07/2008 numac 2008202338 bron vlaamse overheid Decreet houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding sluiten houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, kenbaar te maken en te handhaven, en dat controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid, vermeld in het academie- of arbeidsreglement. Art. 101.Een academie die wordt opgericht, kan voorlopig erkend worden als ze voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 100, 1°, 2°, 3°, 7° en 10°. Een schoolbestuur dat voor een academie de voorlopige erkenning wil verkrijgen, dient uiterlijk op de dag van 1 april die aan de oprichting voorafgaat een aanvraag in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die termijn geldt als vervaltermijn. De Vlaamse Regering legt het model van het aanvraagformulier vast. In afwijking van het tweede lid dient het schoolbestuur een aanvraag tot voorlopige erkenning voor een oprichting van een academie die start vanaf het schooljaar 2018-2019, in vóór 1 mei
  3. Conform artikel 35, § 1, van het decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035790 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035809 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het onderwijs XIX sluiten betreffende de kwaliteit van onderwijs, gaat de onderwijsinspectie na of de academie voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 100, 1°, 2°, 3°, 7° en 10°, van dit decreet. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat daaruit volgt, beslist de Vlaamse Regering, conform artikel 35, § 1, van het voormelde decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035790 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035809 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het onderwijs XIX sluiten, een voorlopige erkenning voor één schooljaar te verlenen, ofwel geen voorlopige erkenning te verlenen. Uiterlijk zes maanden na de start van het schooljaar waarin de academie voorlopig erkend wordt, onderzoekt de onderwijsinspectie, conform artikel 35, § 2, van het voormelde decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035790 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035809 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het onderwijs XIX sluiten, via een doorlichting ter plaatse of de academie voldoet aan de voorwaarden voor een erkenning. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat daaruit volgt, beslist de Vlaamse Regering, conform artikel 35, § 2, van het voormelde decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035790 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035809 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het onderwijs XIX sluiten, uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van de voorlopige erkenning, dat de academie voldoet aan de voorwaarden voor een erkenning als vermeld in artikel 100 van dit decreet, ofwel dat de academie niet erkend wordt vanaf het volgende schooljaar. Art. 102.Een schoolbestuur dat een structuuronderdeel of domein van een academie wil laten erkennen dient uiterlijk op 1 april van het schooljaar dat aan de erkenning voorafgaat een aanvraag in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. In afwijking van het eerste lid dient het schoolbestuur een aanvraag tot erkenning van een structuuronderdeel of domein van een academie dat start vanaf het schooljaar 2018-2019, in vóór 1 mei
  4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere aanvraagprocedure voor erkenning. Art. 103.De Vlaamse Regering kan de erkenning van een academie of een structuuronderdeel of domein ervan opheffen met inachtname van artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035790 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs type decreet prom. 08/05/2009 pub. 28/08/2009 numac 2009035809 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het onderwijs XIX sluiten betreffende de kwaliteit van onderwijs. Art. 104.Een academie die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 100, of in geval van een voorlopige erkenning aan artikel 100, 1°, 2°, 3°, 7° en 10°, kan de benaming academie voor deeltijds kunstonderwijs niet dragen. Art. 105.Als een academie uit meer vestigingsplaatsen bestaat, bepaalt het schoolbestuur vrij op welke vestigingsplaats de administratieve zetel van de academie wordt gevestigd. Deze vestigingsplaats wordt de hoofdvestigingsplaats genoemd. Art. 106.De academies die op 31 augustus 2018 erkend zijn, behouden hun erkenning als academies voor deeltijds kunstonderwijs, met behoud van toepassing van artikel 100 en
  5. Afdeling
  6. - Financiering en subsidiëring van academies Onderafdeling
  7. -

Art. 107

.Deze afdeling is van toepassing op de academies die erkend of voorlopig erkend zijn en in aanmerking komen om gefinancierd of gesubsidieerd te worden. Art. 108.De academies voor deeltijds kunstonderwijs die op 31 augustus 2018 erkend zijn en in de financierings- en subsidiëringsregeling opgenomen zijn, komen in aanmerking om gefinancierd of gesubsidieerd te worden, met behoud van toepassing van artikel

  1. Art. 109.Elk schoolbestuur draagt de financiële verantwoordelijkheid en desgevallend de kosten voor de organisatie van het onderwijs in zijn academies en vestigingsplaatsen. Voor de academies die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 111, komt de Vlaamse overheid financieel tussen, door een financiering voor het gemeenschapsonderwijs en door een subsidiëring in de vorm van omkadering en werkingsmiddelen, voor het gesubsidieerd onderwijs. Art. 110.Voor het bereiken van de rationalisatie- en programmatienormen worden alleen regelmatige leerlingen geteld. Elke regelmatige leerling telt in elke academie en in elke vestigingsplaats voor één teleenheid. De teldag voor de programmatie is 1 oktober van het lopende schooljaar. De teldag voor de rationalisatie is 1 februari van het voorgaande schooljaar. Art. 111.§
  2. Met behoud van toepassing van de specifieke voorwaarden voor het verkrijgen van salarissen als vermeld in artikel 66 van dit decreet, verkrijgt een schoolbestuur financiering of subsidiëring voor elk van zijn academies die voldoen aan al de volgende voorwaarden : 1° voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 100, of voorlopig erkend zijn conform artikel 101;2° voldoen aan de programmatie- en rationalisatievoorwaarden, vermeld in artikel 114 tot en met 130;3° beschikken over een inspraakbeleid rond de afstemming van het opleidingsaanbod en de werking van de academie op haar lokale culturele omgeving, in het bijzonder de amateurkunstbeoefening. §
  3. Een schoolbestuur dat voor een academie of onderdeel ervan financiering of subsidiëring wil verkrijgen, dient uiterlijk op 1 april van het schooljaar dat aan de opname in de financiering- of subsidiëringsregeling voorafgaat, een aanvraag in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. In afwijking van het eerste lid dient het schoolbestuur zijn financierings- of subsidiëringsaanvraag voor een oprichting van een onderdeel van een academie dat start vanaf het schooljaar 2018-2019, in vóór 1 mei
  4. De Vlaamse Regering neemt de beslissing over de opname in de financierings- of subsidiëringsregeling. De beslissing wordt schriftelijk of elektronisch meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur en gaat in bij aanvang van het schooljaar dat volgt op de aanvraag tot financiering of subsidiëring. §
  5. In een voorlopig erkende academie is affectatie, mutatie of vaste benoeming van personeelsleden niet mogelijk. Art. 112.Een schoolbestuur verliest de financiering of subsidiëring van zijn academie of een onderdeel ervan als niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel
  6. Art. 113.Als voor een gefinancierde of gesubsidieerde academie of een onderdeel ervan niet meer voldaan

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.