← België

Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tot wijziging van het besluit van het Verenigd College van de Gemeens

Kort samengevat

Dit besluit wijzigt het administratief statuut en de bezoldigingsregeling voor ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad. Het introduceert nieuwe definities en past de organisatiestructuur en rangen aan.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

📄 Wettekst
GEMEENSCHAPPELIJKE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE VAN BRUSSEL-HOOFDSTAD 29 NOVEMBER 2018. - Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tot wijziging van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad Het Verenigd College, Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, artikel 79, § 1, gewijzigd bij artikel 58, 6°, van de bijzondere wet van 6 januari 2014; Gelet op het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad; Gelet op het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 30 januari 2014 tot wijziging van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad; Gelet op het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 21 mei 2015 tot wijziging van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad; Gelet op het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 26 januari 2017 tot wijziging van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad; Gelet op het akkoord van de Leden van het Verenigd College bevoegd voor het Openbaar Ambt, gegeven op 12 juli 2018 ; Gelet op het protocol nr. 2018/7 van het Comité van Sector XV van 14 september 2018; Gelet op het advies van de Directieraad ; Gelet op de adviesaanvraag binnen 30 dagen, die op 26 oktober 2018 bij de Raad van State is ingediend, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het advies niet is meegedeeld binnen die termijn; Gelet op artikel 84, § 4, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op voorstel van de Leden van het Verenigd College, bevoegd voor Openbaar ambt, Na te hebben beraadslaagd, Besluit : Artikel 1.In de artikelen 21/1, tweede lid, 36, eerste lid en 77, § 2, derde lid van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, worden de woorden "Dienst voor het personeelsbeleid" vervangen door de woorden "HRM". Art. 2.In artikel 8, eerste lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden « stellen de Ministers vast » vervangen door de woorden « stelt de Minister vast », en in artikel 81, tweede lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden « De Ministers bepalen » vervangen door de woorden « De Minister bepaalt ». Art. 3.In artikel 9, eerste lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden « leggen de Ministers vast » vervangen door de woorden « legt de Minister vast ». Art. 4.In de artikelen 12, tweede lid, 23/1, zevende lid, 35, 84, § 1, eerste lid, 85, eerste lid, 97, 2°, 115, tweede lid, 116, § 5, 117, tweede lid, 179, § 5, tweede lid, 216, tweede lid, 239, § 1, 3°, 239, § 3, derde lid en 242, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, wordt het woord « Ministers » vervangen door het woord « Minister ». Art. 5.In de artikelen 111, § 1, tweede lid, en 246, tweede lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden « De Ministers beslissen » vervangen door de woorden « De Minister beslist ». Art. 6.In de artikelen 18, tweede lid, 1°, 23/1, tweede, zesde en achtste lid, 23/3, tweede en zesde lid, 36, tweede lid, 71, eerste lid, 199, tweede lid en 208, 3°, van hetzelfde besluit, wordt het woord « Ministers » vervangen door het woord « Minister ». Art. 7.In artikel 197, eerste en tweede lid van hetzelfde besluit, worden de woorden « kunnen de Ministers » vervangen door de woorden « kan de Minister ». Art. 8.In de artikelen 23/1, vierde lid, en 23/3, vijfde lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden « De Ministers duiden » vervangen door de woorden « De Minister duidt ». Art. 9.In artikel 193 van hetzelfde besluit, worden de woorden « De Ministers verlenen » vervangen door de woorden « De Minister verleent ». Art. 10.In artikel 199, vierde lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden « kennen de Ministers » vervangen door de woorden « kent de Minister ». Art. 11.In artikel 281 van hetzelfde besluit worden de woorden « De Ministers worden belast » vervangen door de woorden « De Minister wordt belast ». Art. 12.In boek I, titel II, artikel 2 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. De bestaande tekst zal paragraaf 1 vormen;2. De bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt: "1° "Minister": het Lid of de Leden van het Verenigd College, bevoegd voor het Openbaar Ambt"; 3. De bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt: "2° "Dienst van Staat": elke niet over afzonderlijke rechtspersoonlijkheid beschikkende dienst die ressorteert onder de wetgevende en uitvoerende machten van de Staat, van de Gemeenschappen en Gewesten, van de Gemeenschapscommissies of van de rechterlijke macht;" 4. De bepaling onder 3° a) wordt vervangen als volgt: "3° "Andere openbare diensten dan de diensten van de Staat": a) elke dienst met afzonderlijke rechtspersoonlijkheid die ressorteert onder de uitvoerende macht van de Staat, van de Gemeenschappen, van de Gewesten, van de Gemeenschapscommissies " 5.Er wordt een bepaling onder 6° ingevoegd, luidende: "6° "Dienst": de bicommunautaire Dienst voor gezondheid, bijstand aan personen en gezinsbijslag, opgericht bij de ordonnantie van 23 maart 2017"; 6. Er wordt een bepaling onder 7° ingevoegd, luidende: "7° "De functionele chef": personeelslid dat de leiding of de dagelijkse controle heeft over het functioneren van een team ingevolge zijn functiebeschrijving"; 7. Er wordt een bepaling onder 8° ingevoegd, luidende: "8° "De hiërarchisch meerdere": de ambtenaar aan wie de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde de verantwoordelijkheid heeft toegekend voor een dienst of een directie en die door dit feit een directe autoriteit uitoefent over de personeelsleden;" 8. Er wordt een bepaling onder 9° ingevoegd, luidende: "9° "HRM": de dienst binnen de Diensten van het Verenigd College die belast is met het personeelsbeheer";9. Er wordt een bepaling onder 10° ingevoegd, luidende: "10° : "De kennisgeving": het gebruik van één van de volgende middelen om aan de ambtenaar of stagiair bijzondere informatie ter kennis te brengen: a) Hetzij de afgifte van een document aan de ambtenaar of aan de stagiair tegen een gedateerd en getekend ontvangstbewijs; b) Hetzij de aangetekende verzending van een document naar het laatste door de ambtenaar of stagiair meegedeelde adres;" 10. Er wordt een bepaling onder 11° ingevoegd, luidende: "11° : "In kennis stellen van": overgaan tot een kennisgeving." 11. Er wordt een tweede paragraaf ingevoegd, luidende: " § 2.Het begrip "ontwikkelingslanden" slaat op de lijst van landen geklasseerd door de OESO als "minst ontwikkelde landen", "landen met een laag inkomen" en "landen met een lager intermediair inkomen", ook DAC-lijst genoemd." 12. Er wordt een derde paragraaf ingevoegd, luidende: " § 3.Wanneer dit besluit een termijn voorziet die begint te lopen na een kennisgeving, wordt deze termijn berekend vanaf de dag volgend op de afgifte van het document of vanaf de derde dag volgend op de aangetekende zending ervan, postdatum ter staving, behoudens tegenbewijs van de verzender. De vervaldag is in de termijn begrepen. Wanneer deze dag evenwel valt op een zaterdag, een zondag of een in artikel 171 bedoelde feestdag, wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. Als deze dag valt tussen Kerst en Nieuwjaar, wordt hij verplaatst naar de eerstvolgende werkdag na Nieuwjaar." 13. Er wordt een vierde paragraaf ingevoegd, luidende: " § 4.Wanneer dit besluit voorziet in een termijn dan wordt deze, behoudens andersluidende bepalingen, gerekend in kalenderdagen." 14. Er wordt een vijfde paragraaf ingevoegd, luidende: " § 5.Het gebruik van de mannelijke benamingen in dit besluit is gemeenslachtig." Art. 13.In Boek II, Titel I, Hoofdstuk I van hetzelfde besluit, wordt artikel 4 vervangen als volgt: "Art. 4.De Diensten van het Verenigd College bestaan uit: 1° De Directie Coördinatie en Procedures, samengesteld uit: a) Dienst HRM b) Dienst Infrastructuur c) Dienst Coördinatie en transversale ondersteuning d) Dienst Procedures en juridische ondersteuning 2° De Directie Gezondheid en Bijstand aan personen, samengesteld uit: a) Dienst Gezondheid b) Dienst Bijstand aan Personen 3° De Directie Begroting en Financiën, samengesteld uit: a) Dienst Begroting en beheerscontrole b) Boekhouding en verrichtingen 4° De Directie Controle, samengesteld uit: a) Dienst administratieve controle b) Dienst financiële controle 5° De Dienst Communicatie, die rechtstreeks afhangt van de leidende ambtenaren. 6° de Studiedienst, hierna genoemd het "Observatorium voor Gezondheid en Welzijn."" Art. 14.In Boek II, Titel I, Hoofdstuk III, artikel 7 van hetzelfde besluit, worden de woorden "bedoeld in artikel 15" ingevoegd tussen de woorden "de Directieraad" en de woorden "en het Basisoverlegcomité". Art. 15.In artikel 9, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "ambtenaren-generaal" vervangen door de woorden "leidend ambtenaren". Art. 16.In Boek II, Titel I, Hoofdstuk IV, artikel 10 van hetzelfde besluit, worden de woorden « vier niveaus en zeven rangen » vervangen door de woorden « vier niveaus en acht rangen ». Art. 17.In artikel 11 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. In paragraaf 2, derde lid, eerste zin, wordt in de Nederlandse tekst het woord "niveau" vervangen door het woord "niveaus";2. Paragraaf 2, derde lid, 1° wordt vervangen als volgt: "1° in niveau A, vijf rangen gerangschikt van rang A1 tot rang A5";3. Paragraaf 3, tweede lid wordt vervangen als volgt: "Volgende graden worden opgericht : 1° in rang A5 : leidend ambtenaar;2° in rang A4+ : adjunct-leidend ambtenaar;3° in rang A3 : directeur;4° in rang A2 : eerste attaché;eerste ingenieur deskundige, eerste geneesheer deskundige, eerste attaché deskundige; 5° in rang A1 : geneesheer;ingenieur; attaché; 6° in rang B1 : assistent;7° in rang C1 : adjunct; 8° in rang D1 : klerk." 4. In paragraaf 4 worden de woorden "ambtenaren-generaal" vervangen door de woorden "leidend ambtenaren" en de rang "A4" vervangen door de rang "A4+". Art. 18.In Boek II, Titel I, Hoofdstuk IV, Afdeling 2, van hetzelfde besluit, wordt het opschrift vervangen als volgt: "Afdeling 2. Opdrachten en taken van de Leidend Ambtenaren." Art. 19.In Boek II, Titel I, Hoofdstuk IV, Afdeling 2, van hetzelfde besluit, wordt een artikel 14/1 ingevoegd, luidende : "Art. 14/1.De leidende ambtenaren kunnen binnen de beperkingen van hun bevoegdheden, hun bevoegdheden geheel of gedeeltelijk delegeren aan de ambtenaren van niveau A en B die zij aanwijzen. De delegaties worden ter kennis van de personeelsleden gebracht." Art. 20.In Boek II, Titel I, Hoofdstuk V van hetzelfde besluit, wordt artikel 16, vijfde lid, vervangen als volgt: "Elk voorstel of elke individuele beslissing, door de directieraad genomen ten opzichte van een ambtenaar of stagiair, gebeurt bij geheime stemming. Tenzij één wettelijk tweetalig lid van de directieraad aanwezig is, is een lid van de directieraad van dezelfde taalrol als de ambtenaar of stagiair aanwezig." Art. 21.In artikel 17 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. In het tweede lid worden de woorden "buiten de directieraad" vervangen door de woorden "onder zijn leden";2. In het derde lid wordt in de Nederlandse tekst het woord "aanwezigheidsquotum" vervangen door het woord "aanwezigheidsquorum". Art. 22.In Boek II, Titel I, Hoofdstuk VI, Afdeling 2, van hetzelfde besluit, artikel 19, vervangen door artikel één van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 26 januari 2017 tot wijziging van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. In paragraaf 4 wordt het woord "commissie" vervangen door het woord "raad van beroep";2. In paragraaf 6 worden de woorden "twee maanden" vervangen door de woorden "een maand";3. In paragraaf 7 wordt in de Nederlandse tekst het woord "betekeningen" vervangen door het woord "kennisgevingen". Art. 23.In Boek II, Titel I, Hoofdstuk VI, Afdeling 3, Onderafdeling 1 van hetzelfde besluit, wordt artikel 20, vervangen door artikel 1 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 26 januari 2017 tot wijziging van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, vervangen als volgt: "Art. 20.In de in artikel 66/9, derde lid, bedoelde gevallen brengt de stagebegeleider krachtens artikel 65, § 1, verslag uit over het verloop van de stage. Deze ambtenaar en de directeur van de Directie Coördinatie en Procedures belast met de opleiding krachtens artikel 72, of zijn vervanger, worden gehoord. De raad: 1° beslist de stage te verlengen, volgens de nadere regels die zij bepaalt, met inachtneming van de maximumtermijnen bedoeld in artikel 66/3.In geval van verlenging van de stage wordt de stagiair geëvalueerd zoals tijdens de initiële stage. Artikel 66/9 is van toepassing, met dien verstande dat de directieraad geen tweede verlenging van de stage kan voorstellen; 2° of geeft de benoemende overheid het advies de stagiair te benoemen;3° of geeft de benoemende overheid het advies de stagiair te ontslaan wegens ongeschiktheid voor het uitoefenen van een betrekking. De beslissing of het advies van de raad wordt genomen binnen de termijn voorzien in artikel 19, § 6. Wanneer het advies van de raad erin bestaat aan de benoemende overheid de benoeming van de stagiair of zijn afdanking voor te stellen, heeft deze een maand om zijn beslissing te nemen. Deze termijn wordt met een maand verlengd wanneer de gerechtelijke vakanties tijdens deze termijn lopen." Art. 24.In Boek II, Titel I, Hoofdstuk VI, Afdeling 3, Onderafdeling 2, van hetzelfde besluit, artikel 21, tweede lid, vervangen door artikel één van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 26 januari 2017 tot wijziging van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, worden de woorden "twee maanden" vervangen door de woorden "een maand". Art. 25.In Boek II, Titel I, Hoofdstuk VI, Afdeling 3, Onderafdeling 2/1, van hetzelfde besluit, artikel 21/1, eerste lid, ingevoegd door artikel één van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 26 januari 2017 tot wijziging van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, worden de woorden "vijfde lid" vervangen door de woorden "zevende lid". Art. 26.In Boek II, Titel I, Hoofdstuk VII, artikel 23 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. Het eerste lid wordt vervangen als volgt: " De gemiddelde wekelijkse arbeidsduur wordt op achtendertig uur maximum vastgesteld, gespreid over vijf werkdagen, wat een dagelijkse uurregeling van gemiddeld zeven uur en zesendertig minuten betekent." 2. Het tweede lid wordt vervangen als volgt: "In afwijking van het vorige lid, kan het arbeidsreglement voor specifieke werkzaamheden een bijzondere werktijdregeling bepalen." Art. 27.In Boek II, Titel I, Hoofdstuk VIII van hetzelfde besluit, artikel 23/1, ingevoegd bij het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 21 mei 2015 tot wijziging van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, worden volgende wijzigingen aangebracht: 1. In het eerste lid wordt het woord " bevoegde" weggelaten; 2. Tussen het derde lid en het vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende: "Wanneer een betrekking vacant wordt verklaard voor kandidaten van beide taalrollen, dient één lid van de selectiecommissie de kennis van de tweede taal bewezen te hebben overeenkomstig artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966." 3. Het huidige zesde lid wordt weggelaten. Art. 28.In Boek II, Titel I, Hoofdstuk VIII van hetzelfde besluit, worden in artikel 23/3, ingevoegd door artikel 3 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 21 mei 2015 tot wijziging van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, volgende wijzigingen aangebracht: 1. Het eerste lid wordt aangevuld met de woorden "of tot de Dienst";2. In het achtste lid worden in de Franse tekst de woorden "en quelle que qualité" vervangen door de woorden "en quelque qualité". Art. 29.In Boek II, Titel II, artikel 31 van hetzelfde besluit, worden in de Nederlandse tekst de woorden "de wetgeving inzake strafrecht" vervangen door de woorden "de strafwetten". Art. 30.In Boek II, Titel III, artikel 34, van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. Paragraaf 1, eerste lid, wordt aangevuld met de woorden "tenzij er toestemming voor werd gegeven". 2. Paragraaf 2, derde lid, wordt vervangen als volgt: "De uitoefening van een mandaat bedoeld in artikel 104 is onverenigbaar met een politiek mandaat." Art. 31.Boek II, Titel III, artikel 35 van hetzelfde besluit, wordt aangevuld met een lid, luidende: "De door een mandaathouder gevraagde afwijking om een politiek mandaat uit te oefenen, kan maar betrekking hebben op een niet-uitvoerend politiek mandaat bedoeld in artikel 183." Art. 32.In Boek II van hetzelfde besluit, worden de Titels IV, V en VI vervangen door een Titel IV genaamd « Werving, de stage en de benoeming", bestaande uit de artikelen 38 tot 67/3, en luidende als volgt: "Titel IV. - Werving, de stage en de benoeming. HOOFDSTUK I. - De werving en de selectie Afdeling I. - Algemene bepaling Art. 38.Voor de aanwerving sluiten de Minister en de afgevaardigde bestuurder van SELOR een samenwerkingsprotocol af voor de Diensten van het Verenigd College en voor de Dienst. De Minister pleegt voorafgaandelijk overleg met de leidend ambtenaren van de voormelde instellingen. SELOR organiseert de selecties en speelt een beslissende rol in de uitvoering ervan. Afdeling 2. - De benoemings-, toelaatbaarheids- en wervingsvoorwaarden Art. 39.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende voorwaarden: 1° Voldoen aan de opgelegde toelatingsvoorwaarden van de in te vullen betrekking;2° Slagen voor de voorziene vergelijkende proeven;3° Met goed gevolg de stage volbrengen. Art. 40.Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende algemene toelaatbaarheidsvoorwaarden: 1° Belg zijn wanneer de uit te oefenen functies een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan het openbaar gezag inhouden of werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Staat of andere openbare instanties;2° gedrag vertonen in overeenstemming met de eisen van de beoogde betrekking;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, houder zijn van getuigschrift van vaardigheden die buiten het diploma verworven zijn en die toegang verlenen tot de functie waarvoor de selectie georganiseerd wordt, of slagen voor de instapkaartmodule, overeenkomstig de tabel in bijlage bij onderhavig besluit. Art. 41 Voor bepaalde selecties kunnen volgende bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien worden: 1° het bezitten van een specifiek diploma dat in het bijzonder toegang verleent tot het ambt waarvoor de selectie georganiseerd wordt;2° relevante werkervaring wanneer de aard van de te verlenen betrekking zodanige eisen wettigt;3° het toelaten van studenten die in het laatste jaar zitten van de studies voor het behalen van het vereiste diploma of getuigschrift, wanneer de organisator van de selectie vermoedt dat het aantal deelnemers niet groot genoeg zal zijn om voldoende kandidaten of geslaagden te kunnen weerhouden;in welk geval zij die geslaagd zijn voor het examen van het voorlaatste jaar en verklaren dat zij het examen van het laatste jaar voor de examencommissie van hun Gemeenschap zullen afleggen, ook tot dat wervingsexamen worden toegelaten. Voor hun benoeming kunnen de geslaagden van deze selecties zich slechts vanaf de dag waarop zij aan de organisator van de selectie het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd, op hun rangschikking beroepen; 4° behalve de in artikel 40, 4° vermelde diploma's en getuigschriften, de volgende diploma's en getuigschriften aanvaarden voor de selectie in een bepaalde graad wanneer de vereisten van de uit te oefenen ambten dit toelaten: a) diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs voor socioculturele promotie;b) diploma's en getuigschriften van het technisch onderwijs, kunstonderwijs of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan;5° voor de selectie van bepaalde functies van niveau D, het bezit van bepaalde diploma's, vormingsattesten of bevoegdheidstitels als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen ambten;6° voor de selectie in bepaalde graden van de niveaus A, B en C de vormingsdiploma's of vormingsgetuigschriften of competentie titels eisen als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen ambten en voor zover de houders van die diploma's en getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in artikel 40, 4°.7° medische geschiktheid voor het uit te oefenen ambt, indien de aard van het ambt dit vereist;8° andere voorwaarden vereist door de aard van het ambt. Afdeling 3. - Organisatie van de selecties en samenstelling van de selectiecommissie Art. 42.Op voorstel van de HRM kiest de leidend ambtenaar één of meerdere van de volgende mogelijkheden, en de rangschikking waarbinnen ze worden georganiseerd: - Overplaatsing zoals bepaald in artikel 116; - Externe mutatie zoals bepaald in artikel 116/1; - Mobiliteit zoals bepaald in artikel 102; - Overgang tot een hoger niveau zoals bepaald in de artikelen 93 en volgende; - Aanwerving. Art. 43.De vergelijkende selectieproeven worden georganiseerd voor de werving in de graden van de rangen A1, A2, B1, C1 en D1. Worden als wervingsgraden beschouwd : 1° in niveau A, a) rang A2: eerste attaché-deskundige;eerste ingenieur deskundige, eerste geneesheer deskundige; b) rang A1: geneesheer;ingenieur; attaché; 2° in niveau B, rang B1 : assistent;3° in niveau C, rang C1 : adjunct;4° in niveau D, rang D1 : klerk. Art. 44.§ 1. De afgevaardigd bestuurder van SELOR kondigt de vergelijkende selectie minstens aan door middel van publicatie in het Belgisch Staatsblad. Het bericht vermeldt minstens de laatste dag waarop kan worden gesolliciteerd en of er eventueel een wervingsreserve wordt aangelegd van de laureaten. Desgevallend wordt de geldigheidsduur van en het aantal laureaten dat opgenomen wordt in de wervingsreserve vermeld. § 2. Wanneer een vergelijkend examen wordt georganiseerd, dan bepaalt de afgevaardigd bestuurder van SELOR de datum waarop de kandidaten moeten voldoen aan de diplomavoorwaarden of de voorwaarden met betrekking tot studiegetuigschriften, en in voorkomend geval, de datum waarop de kandidaten een minimumleeftijd bereikt moeten hebben of over specifieke professionele vaardigheden moeten beschikken. § 3. De afgevaardigd bestuurder van SELOR roept de kandidaten op die toegelaten worden om deel te nemen aan de selectieproeven voorzien door het selectieprogramma. § 4. De afgevaardigd bestuurder van SELOR bepaalt de kandidatenlijst en verzekert zich ervan dat zij beantwoorden aan de algemene en specifieke toelaatbaarheidsvoorwaarden voor de functie waarnaar ze meedingen. Vanaf het moment dat de afgevaardigd bestuurder van SELOR vaststelt tijdens de vergelijkende selectieproeven, dat een kandidaat niet voldoet of niet kan voldoen aan één van de algemene voorwaarden of aan de bijzondere toelatingsvoorwaarden gesteld voor de functie waarvoor de kandidaat solliciteert, dan sluit hij de kandidaat uit en deelt hem zijn gemotiveerde beslissing mee. Art. 45.§ 1. Voor elke selectie stelt de afgevaardigd bestuurder van SELOR een selectiecommissie samen. De selectiecommissie bestaat uit: 1° de afgevaardigd bestuurder van SELOR of zijn/haar afgevaardigde, voorzitter;2° op voorstel van de leidend ambtenaar, ten minste twee bijzitters gekozen uit de personeelsleden van de Diensten van het Verenigd College die minstens een rang bekleden gelijk aan deze van de in te vullen functie, en die beschikken over een professionele kwalificatie of ervaring die verband houdt met de functiebeschrijving van de in te vullen betrekking of uit externe personen die wegens hun ervaring bijzonder gekwalificeerd zijn;3° ten minste één plaatsvervanger voor elk lid van de selectiecommissie.De plaatsvervangers wonen alle gesprekken met de kandidaten bij. Ten hoogste twee derden van de leden behoren tot hetzelfde geslacht. § 2. De beslissingen worden genomen bij meerderheid van stemmen. § 3. Een toelage kan worden toegekend aan de leden van de commissie bedoeld in paragraaf 1, 2°, als ze geen personeelslid van de Diensten van het Verenigd College zijn. De Minister bepaalt het bedrag van deze toelage. Afdeling 4. - Functiebeschrijving, programma en organisatie van de selectie Art. 46.De HRM stelt, in samenspraak met de leidend ambtenaren, de functiebeschrijvingen op. Deze functiebeschrijvingen worden bepaald overeenkomstig artikel 9 van dit besluit. Art. 47.Op basis van de functiebeschrijving die opgesteld en bepaald werd overeenkomstig de artikelen 9 en 46, legt de afgevaardigd bestuurder van SELOR het programma van de selectie vast en bepaalt hierin: 1° voor zover de aard van de betrekking het vereist, de bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden, zoals omschreven in artikel 41;2° het selectieprogramma, vastgesteld overeenkomstig afdeling 5;3° het aantal punten dat aan de volledige selectie, aan iedere proef en desgevallend aan de onderdelen ervan wordt toegekend;4° het minimaal aantal punten dat voor het slagen van de selectie wordt vereist;5° de uiterste datum waarop de kandidaten geslaagd moeten zijn voor de instapkaartmodule om te mogen deelnemen aan de generieke module;6° de datum waarop de kandidaten geslaagd moeten zijn voor de generieke module om te mogen deelnemen aan de specifieke module;7° de datum waarop aan de toelatingsvoorwaarden moet worden voldaan;8° het aantal toelaatbare kandidaten voor de specifieke module van de selectie indien een tussenmodule wordt georganiseerd. Afdeling 5. - De selectieproeven Onderafdeling 1. - Algemene bepaling Art. 48.§ 1. De selectie omvat minstens een schriftelijke of computergestuurde generieke module waarbij de anonimiteit van de kandidaten is gewaarborgd, en een specifieke module die een tussentest kan omvatten. § 2. De inhoud van de generieke module wordt bepaald door SELOR. De inhoud van de specifieke modules wordt bepaald door SELOR in samenspraak met de HRM. § 3. Die proeven zijn eliminerend. Een kandidaat wordt pas toegelaten om een proef af te leggen op voorwaarde dat hij of zij geslaagd of vrijgesteld is voor de voorgaande proef. § 4. Indien het aantal ingeschreven kandidaten of de aard van de in te vullen functie het verantwoorden kunnen meerdere opeenvolgende selectieproeven worden georganiseerd. § 5. De HRM of SELOR roept de kandidaten voor elke test op. Een afwezige kandidaat wordt van de selectie uitgesloten. Onderafdeling 2. - De instapkaartmodule Art. 49.§ 1. De instapkaartmodule is een module met proeven voor een kwalitatieve selectie die nagaat of de kandidaat over de basis- en cognitieve vaardigheden beschikt, die vereist worden op een hoger niveau dan datgene waar hij krachtens zijn graad, zijn diploma('s) of zijn studiegetuigschrift(en) aanspraak op kan maken. Het slagen geldt als getuigschrift voor vaardigheden die buiten het diploma verworven zijn en die toegang verlenen tot het niveau van de graad tot welke de functie behoort waarvoor de selectie georganiseerd wordt. De geldigheidsduur van dit getuigschrift wordt bepaald door de afgevaardigd bestuurder van SELOR. De instapkaartmodule wordt georganiseerd per niveau minstens om de twee jaar. § 2. Het certificaat voor vaardigheden of het getuigschrift dat door de Gemeenschappen of de Gemeenschapscommissies afgegeven wordt, heeft dezelfde waarde als de instapkaartmodule. § 3. De kandidaat die niet slaagt voor de instapkaartmodule van de vergelijkende selectie mag gedurende een periode van zes maanden geen proeven van dezelfde module afleggen. Deze periode van zes maanden gaat in op de dag dat de resultaten van de proef worden meegedeeld. Onderafdeling 3. - De generieke module Art. 50.De generieke module van de selectie omvat de proeven die dienen om een eerste kwalitatieve selectie te maken van de kandidaten op basis van de generieke vaardigheden die verbonden zijn aan een functieniveau. Indien meerdere selecties binnen eenzelfde niveau een generieke module gemeenschappelijk hebben, geeft de organisator van de selectie de geslaagden een vrijstelling voor de generieke module wanneer ze deelnemen aan een andere selectie. De afgevaardigde bestuurder van SELOR bepaalt de geldigheidsduur van de vrijstelling bij de mededeling van het resultaat. Elke ambtenaar benoemd door de federale staat of een andere gefedereerde entiteit van een bepaald niveau geniet een vrijstelling van de generieke module voor dit niveau. Art. 51.De kandidaat die niet slaagt voor de generieke module van een vergelijkende selectie, mag gedurende een periode van zes maanden geen proeven van dezelfde module afleggen. Deze periode van zes maanden gaat in op de dag dat de resultaten van de proef worden meegedeeld. Onderafdeling 4. - De specifieke module en rangschikking van de geslaagden Art. 52.De specifieke module strekt ertoe de motivatie van de kandidaten te evalueren met betrekking tot de te bekleden functie, alsook de specifieke vaardigheden van de kandidaten. Deze module kan bestaan uit meerdere schriftelijke en/of mondelinge uitsluitingsproeven. Op het einde van elke test worden de kandidaten gerangschikt op basis van de behaalde resultaten. Art. 53.Indien het aantal kandidaten voor een betrekking, die geslaagd zijn voor de generieke module van de selectie, of die hiervoor zijn vrijgesteld, en die naar de betrekking in kwestie solliciteren, en indien de betrekking dit rechtvaardigt of als de complexiteit van het aan te werven profiel dit vereist, kan in de specifieke module een uitsluitingsproef georganiseerd worden. De afgevaardigd bestuurder van SELOR bepaalt, in samenspraak met de HRM, de aard van de proef en de vaardigheden waarop de bijkomende proef betrekking zal hebben. Art. 54.§ 1. Er worden één of meerdere specifieke proeven georganiseerd voor een betrekking die ingevuld moet worden op basis van een bepaalde functiebeschrijving. § 2. Indien het aantal laureaten het rechtvaardigt, dan stelt de afgevaardigd bestuurder van SELOR, in samenspraak met de HRM het aantal laureaten vast die mogen deelnemen aan de specifieke module. Art. 55.De laureaten van de specifieke module die geschikt bevonden worden door de selectiecommissie voor de in te vullen functie worden gerangschikt. De afgevaardigd bestuurder van SELOR of zijn afgevaardigde stelt een proces-verbaal op met de rangschikking van de laureaten. Onderafdeling 5. - Over de samenstelling en de raadpleging van de wervingsreserve en van de wervingsreserve van de andere overheden. Art. 56.§ 1. De laureaten van de generieke module worden opgenomen in een wervingsreserve. Een wervingsreserve is samengesteld uit laureaten van de specifieke module, vervolgens van elk van de specifieke proeven die in de loop van de selectieprocedure plaatsvonden, en desgevallend van de bijkomende proef. § 2. De geldigheidsduur van een wervingsreserve bedraagt twee jaar. De afgevaardigd bestuurder van SELOR, op vraag van de Minister, kan de geldigheidsduur van de wervingsreserve verlengen die op zijn initiatief werd samengesteld, telkens voor een periode van maximaal één jaar. § 3. De laureaten van een wervingsreserve kunnen uitgenodigd worden om deel te nemen aan de specifieke module georganiseerd overeenkomstig de artikelen 52 en volgende met het oog op een andere betrekking dan die waarvoor ze werden gerangschikt. Art. 56/1.De Minister kan voor een aanwerving waarvoor geen wervingsreserve is samengesteld, een beroep doen op de wervingsreserves die SELOR voor een andere overheid heeft samengesteld, op voorwaarde dat deze overheid daarvoor toestemming verleend heeft. In overleg met de gedelegeerd bestuurder van SELOR kan de Minister beslissen een specifieke module te organiseren volgens de regels in artikelen 52 tot 55. Art. 56/2.De Minister kan een andere instelling toestaan de wervingsreserve te consulteren. Onderafdeling 6. - Regels voor de toelating van de geslaagden. Art. 57.§ 1. Elke geslaagde krijgt bericht van zijn resultaat en van zijn rangschikking . § 2. De geslaagden die een betrekking aanvaarden, verbinden er zich toe in dienst te treden. Zij die na deze aanvaarding weigeren in dienst te treden, worden ambtshalve uit de rangschikking geschrapt. Als de geslaagde de betrekking aanvaard heeft, vergewist de HRM zich ervan dat hij aan alle vereiste voorwaarden voldoet. Art. 58.Na het afsluiten van het proces-verbaal van de selectie, worden de batig gerangschikte geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de volgorde van hun rangschikking, tot de stage toegelaten in de functie waarvoor zij hebben meegedongen. Zij worden voor een vacante betrekking van die graad aangewezen. Onderafdeling 7. - Oproep tot indiensttreding van de geslaagden. Art. 59.De HRM roept de geselecteerde kandidaat op tot indiensttreding. Ze stelt een maximumtermijn vast voor zijn indiensttreding. Indien de geslaagde de functie niet binnen een termijn van drie maanden kan invullen, kan de HRM de volgende gerangschikte oproepen. Wanneer de geslaagde nog gebonden is door een arbeidsovereenkomst houdt de HRM rekening met een eventuele opzegtermijn. HOOFDSTUK II. - Werving van personen met een handicap Art. 60.Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt verstaan onder " erkenningsinstellingen " de zes volgende instellingen : 1° het Waals Agentschap voor een Kwaliteitsvol Leven, in het kort AViQ;2° de Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor personen met een handicap (Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung);3° het Vlaams Agentschap voor Personen met een handicap, in het kort VAPH;4° de Brusselse Franstalige dienst voor mindervaliden;5° de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;6° de Algemene directie voor gehandicapte personen van de FOD Sociale Zekerheid. Art. 60/1.De Diensten van het Verenigd College moeten personen met een handicap tewerkstellen a rato van twee percent van het personeelskader. De betrekkingen die voor personen met een handicap bestemd zijn, kunnen bekleed worden door kandidaten die bij hun aanwerving ten minste één van de volgende voorwaarden vervullen : 1° ingeschreven zijn bij één van de erkenningsinstellingen bedoeld in artikel 60 of het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot tegemoetkoming vanwege één van deze instellingen en één van deze instellingen in kennis te hebben gesteld van elke beslissing betreffende maatregelen inzake hulp of sociale integratie of inschakeling in het arbeidsproces, die door de federale of gemeenschapsoverheid is genomen;2° het slachtoffer zijn geweest van een arbeidsongeval en een attest voorleggen van het Federaal Agentschap voor Beroepsrisico's of van het Bestuur medische expertise waarbij een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;3° door een beroepsziekte zijn getroffen en een attest voorleggen van het Federaal Agentschap voor Beroepsrisico's of van het Bestuur medische expertise waarbij een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;4° het slachtoffer zijn geweest van een gemeenrechtelijk ongeval en een door de griffie van de rechtbank afgeleverd afschrift van het vonnis voorleggen waarbij een handicap of een blijvende ongeschiktheid van ten minste 30 % wordt bevestigd;5° het slachtoffer zijn geweest van een thuis-ongeval en een afschrift van de beslissing van de verzekeringsinstelling voorleggen waarbij een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;6° een inkomensvervangende of integratietegemoetkoming genieten krachtens de wet van 27 februari 1987Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/02/1987 pub. 18/10/2004 numac 2004000528 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten Duitse vertaling sluiten betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. Art. 60/2.De leidend ambtenaar zendt de lijst van de vacante betrekkingen die door een persoon met een handicap bekleed kunnen worden naar de erkenningsinstellingen bedoeld in artikel 60, alsook naar Actiris, het FOREM en de VDAB. Hij voegt er een fiche bij met de functiebeschrijving, de vereiste kwalificaties en bekwaamheden voor elke betrekking. Art. 60/3.§ 1. De Minister richt zich tot de afgevaardigd bestuurder van SELOR om een persoon met een handicap aan te werven. De persoon met een handicap moet voldoen aan de wervingsvoorwaarden voor elke betrekking en slagen voor een wervingsexamen dat aangepast is aan de beperkingen opgelegd door zijn handicap en bestemd is om zijn bekwaamheid tot het bekleden van de betrekking na te gaan. De Minister duidt de kandidaten aan die naar zijn mening het beste profiel voor het bekleden van de betrekking bezitten. § 2. De leidend ambtenaar duidt een ambtenaar aan, belast met de begeleiding van de bij de Diensten van het Verenigd College tewerkgestelde personen met een handicap die dit wensen. HOOFDSTUK III. - De stage Eerste afdeling. - Algemene bepalingen Art. 61.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit. De bepalingen van dit besluit gelden voor hem slechts in zover zij uitdrukkelijk op hem toepasselijk zijn verklaard. Art. 62.Perioden van afwezigheid gedurende de stage hebben een verlenging van de stage tot gevolg zodra ze, buiten de verloven bedoeld in artikel 163, 1°, tien werkdagen gewettigde afwezigheid overschrijden, verspreid over één of meerdere malen, zelfs als de stagiair in dienstactiviteit is. Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair. Hij behoudt zijn hoedanigheid van stagiair eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of ontslag wordt genomen. Art. 63.De geslaagde die in dienst wordt geroepen, wordt tot de stage toegelaten door de leidend ambtenaar of de adjunct-leidend ambtenaar die hem voorlopig aanstelt in de betrekking waarvoor hij in dienst werd geroepen. Art. 64.De leidend ambtenaar of de adjunct-leidend ambtenaar kan de aanwijzing wijzigen: 1° in het belang van de dienst;2° op vraag van de stagiair. Afdeling 2. - Inhoud van de stage Art. 65.§ 1. De stage is bedoeld om de stagiair optimaal te integreren in zijn Directie, in de Diensten van het Verenigd College en in het openbaar ambt in het algemeen. Daartoe duidt de leidend ambtenaar, in overleg met de functionele chef van de stagiair, het personeelslid aan dat, als hiërarchische meerdere, bevoegd is voor de stagebegeleiding, hierna de `stagebegeleider' genoemd, en dit volgens de taalrol van de stagiair. § 2. De HRM waakt eveneens over het goede verloop van de stage. Hiertoe kan hij deelnemen aan alle stagegesprekken. Als de stagebegeleider meer dan tien werkdagen afwezig is, brengt de HRM de leidend ambtenaar daarvan op de hoogte opdat hij een "vervangende stagebegeleider" zou kunnen aanstellen die de stagebegeleider tijdens diens afwezigheid vervangt. De vervangende stagebegeleider wordt aangeduid conform de daartoe voorziene modaliteiten voorzien in paragraaf 1. In dit kader beschikt hij over dezelfde bevoegdheden als de stagebegeleider. Afdeling 3. - Het verloop van de stage Art. 66.Aan het begin van de stage heeft de stagebegeleider een eerste gesprek met de stagiair waarbij de volgende punten verduidelijkt worden: 1° De verwachte resultaten en houdingen bij de verwezenlijking van de taken die overeenkomen met de functiebeschrijving van de stagiair;2° De opleidingsactiviteiten die de stagiair moet volgen;3° De andere middelen ter ontwikkeling van de vaardigheden zodat de inzetbaarheid van de stagiair vergroot wordt. Art. 66/1.Met het oog op de voorbereiding van dit eerste stagegesprek, pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met de HRM. Art. 66/2.De stagebegeleider maakt de verslagen bedoeld in de artikelen 66/6, § 2 en 66/7 . De stagebegeleider kan, in overleg met de HRM en de functionele chef, en desgevallend met de vervangende stagebegeleider, beslissen dat bijkomende vormingsactiviteiten vereist zijn. De verantwoordelijke van de HRM legt het model van het stageverslag vast. Art. 66/3.De stage duurt één jaar voor de stagiairs van de niveaus A en B. Ze duurt 6 maanden voor de stagiairs van de niveaus C en D. Art. 66/4.De directieraad kan een vormingstraject per functietype vastleggen. Art. 66/5.Na het eerste stagegesprek organiseert de stagebegeleider tweemaandelijks een stagegesprek over het verloop van de stage. Wanneer hij het nodig acht, kunnen bijkomende gesprekken georganiseerd worden. Met het oog op de voorbereiding van de stagegesprekken pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met de HRM. Art. 66/6.§ 1. Het stagegesprek gaat over: 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan voor de ontwikkeling van de vaardigheden van de stagiair;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van zijn werkopdrachten. Het gesprek heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen. Het beoogt eveneens de beoordeling mogelijk te maken van zowel de gunstige als de ongunstige feiten. Ingeval ongunstige feiten worden vastgesteld, geeft de stagebegeleider een verwittiging aan de stagiair. § 2. De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag. De stagiair wordt in kennis gesteld van het verslag en kan er desgevallend zijn opmerkingen aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan de HRM. Bij afwezigheid van de stagebegeleider voert de vervangende stagebegeleider het stagegesprek en stelt hij het stageverslag op. In dat geval hebben het gesprek en het verslag betrekking op de periode waarin de vervangende stagebegeleider de stage heeft opgevolgd. Bij terugkeer van de stagebegeleider moet deze een verslag opstellen over de periode waarin hij de stage effectief opgevolgd heeft. Wat betreft de eerste tien werkdagen bedoeld in artikel 65, § 2, tweede lid, vraagt de vervangende stagebegeleider aan de officiële stagebegeleider of aan de hiërarchie de informatie die hij nodig heeft voor het opstellen van zijn stageverslag. Als er geen informatie beschikbaar is, dan geeft de in artikel 65, § 2, tweede lid bedoelde periode aanleiding tot een gunstige beoordeling van de stagiair. Wanneer de stagebegeleider de dienst hervat, stelt de vervangende stagebegeleider een verslag op over de periode waarin hij de stage opgevolgd heeft. Dit verslag beantwoordt aan de vereisten van § 1 .De stagiair wordt in kennis gesteld van het verslag en kan er desgevallend zijn opmerkingen aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan de HRM en aan de stagebegeleider. Laatstgenoemde houdt er rekening mee tijdens het volgende stagegesprek. Afdeling 4. - Het einde van de stage Art. 66/7.De stage wordt afgesloten met een laatste stagegesprek. De stagebegeleider stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met de HRM en de functionele chef. Hij voegt er één van de voorstellen bedoeld in artikel 66/9 aan toe. Hij stelt de stagiair in kennis van het eindverslag, die over vijftien dagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen. Art. 66/8.De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, zowel gunstig als ongunstig, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties. Art. 66/9.De stagebegeleider overhandigt het eindverslag aan de leidend ambtenaar of adjunct-leidend ambtenaar. Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stelt de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar voor de benoeming van de stagiair voor te leggen aan de Minister. Indien het eindverslag ongunstig is, legt de leidend ambtenaar het dossier voor aan de in artikel 18 bedoelde raad van beroep. Hij voegt er een voorstel van beslissing aan toe. Hij stelt de stagiair in kennis van deze voorlegging. De datum van kennisgeving doet de in artikel 19, § 6 bedoelde termijn lopen. HOOFDSTUK IV. - Benoeming als ambtenaar Art. 67.Onverminderd artikel 104 worden de ambtenaren benoemd door de Minister. Art. 67/1.De stagiairs leggen de eed af wanneer zij tot ambtenaar worden benoemd. Zij worden geacht als ambtenaar in dienst te zijn getreden vanaf de aanvangsdatum van de stage. De ambtenaren leggen de eed af in handen van de leidend ambtenaar. Art. 67/2.De in het vorig artikel bedoelde eed wordt afgelegd in de termen, bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/07/1831 pub. 07/02/2013 numac 2013000079 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet op de drukpers type decreet prom. 20/07/1831 pub. 26/07/2012 numac 2012000423 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Decreet « betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie ». - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. Art. 67/3.Indien zij verzuimen de in artikel 67/2 bedoelde eed af te leggen, wordt hun benoeming met terugwerkende kracht vernietigd." Art. 33.In Boek II, Titel VII, artikel 71, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "artikel 41" vervangen door de woorden "artikel 60". Art. 34.Artikel 72 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : "Art. 72.De directeur van de Directie Coördinatie en Procedures of zijn afgevaardigde is belast met de functies van verantwoordelijke voor de opleiding en voorlichting." Art. 35.In Boek II, Titel VII, wordt artikel 73 van hetzelfde besluit vervangen als volgt: "Art. 73.De verantwoordelijke voor de opleiding, de verantwoordelijke voor de voorlichting of hun afgevaardigde dienen in het bezit te zijn van een bekwaamheidsattest, dat afgeleverd wordt na een opleidingscursus waarvan het Verenigd College de nadere regelen vaststelt." Art. 36.In Boek II, Titel VII, wordt artikel 74 van hetzelfde besluit vervangen als volgt: "Art. 74.§ 1. De verantwoordelijke voor de opleiding is belast met: 1° de opmaak van een jaarlijks opleidingsplan.Het plan wordt door de Minister goedgekeurd, na overleg met de vakorganisaties. Dit plan bevat: a) de te bereiken algemene doelstellingen van de vorming, zowel kwalitatief als kwantitatief;b) de prioriteiten voor het komende jaar;c) de inhoud, de vorm en duur van de vormingen;d) het al dan niet verplicht karakter van de vormingen;e) de te voorziene begroting voor ieder van de vormingsdoelstellingen;f) na verloop van het eerste vormingsplan, een evaluatie van de mate waarin de doelstellingen werden verwezenlijkt.2° de organisatie van de voorgeschreven opleidingen voor de vergelijkende bevorderingsselecties;3° de organisatie van de opleidingen voor de ambtenaren die het voorstel inzake voorlopige globale vermelding en de vermelding van globale evaluatie dienen op te stellen;4° de organisatie van de noodzakelijke vervolmakingscursussen voor de ambtenaren. § 2. De verantwoordelijke voor de voorlichting is belast met: 1° de uitvoering van de onthaalprogramma's; 2° de opmaak van een strategisch plan voor de communicatie." Art. 37.In Boek II, Titel VIII van hetzelfde besluit, wordt een Hoofdstuk I « Evaluatie van de ambtenaren zonder mandaat » ingevoegd. Art. 38.In Boek II, Titel VIII, Hoofdstuk I, artikel 76,van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. Paragraaf 1, eerste zin, wordt vervangen als volgt: "De evaluatie gebeurt door de hiërarchisch meerdere van de ambtenaar, met eerbiediging van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken." 2. In paragraaf 1, derde lid, worden in de Nederlandse tekst de woorden "een vorming" vervangen door de woorden "een aangepaste vorming"; 3. In paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen als volgt: "Voor de graden van rang A1 en A2 is dit de directeur waarvan de geëvalueerde ambtenaar afhangt." 4. In paragraaf 2, vijfde lid, worden de woorden "functionele meerdere" vervangen door de woorden "functionele chef". 5. Paragraaf 2 wordt aangevuld met een zesde lid, luidend als volgt: "Een ambtenaar aan wie de globale evaluatievermelding "met voorbehoud" of "onvoldoende" wordt toegekend, kan niet belast worden met evaluaties." Art. 39.In artikel 77 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 3, gewijzigd bij het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 21 mei 2015 tot wijziging van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, vervangen als volgt: " § 3. Op het einde van elke evaluatieperiode heeft de in artikel 76, § 1, bedoelde hiërarchische meerdere een evaluatiegesprek met de ambtenaar. Op vraag van de ambtenaar kan een vakbondsafgevaardigde als waarnemer deelnemen aan het evaluatiegesprek. Dit gesprek heeft, in beginsel, om de twee jaar plaats tussen 15 januari en 15 maart, het ene jaar voor de ambtenaren van de niveaus A en B, het volgende jaar voor die van de andere niveaus. Als het gesprek niet kan plaatshebben tussen 15 januari en 15 maart, kan het plaatshebben op een andere datum, voor zover de periode van effectieve prestaties van de geëvalueerde ambtenaar sinds het functiegesprek minstens zes maanden bedraagt. Het evaluatiegesprek handelt over de verwezenlijking van de tijdens het functiegesprek opgestelde doelen en over de in § 2, tweede lid, bedoelde elementen. De ambtenaar krijgt één van de drie volgende globale evaluatievermeldingen : 1° gunstig;2° onder voorbehoud;3° onvoldoende. Wanneer een vermelding " onder voorbehoud " toegekend is, heeft een nieuwe evaluatie plaats na een termijn van één jaar, welke termijn op verzoek van de ambtenaar ingekort kan worden tot zes maanden. Deze laatste evaluatie moet worden gevolgd door een nieuw functiegesprek; het nieuwe functiegesprek kan plaatshebben tussen 15 januari en 15 maart aan het einde van de lopende evaluatieperiode, voor zover de effectieve prestaties een periode van minstens zes maanden bestrijken." Art. 40.In artikel 78 van hetzelfde besluit, eerste lid, wordt de eerste zin vervangen als volgt: "De ambtenaar wordt in kennis gesteld van het verslag van het evaluatiegesprek." Art. 41.In artikel 79 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1. In paragraaf 2, eerste lid, worden in de Nederlandse tekst de woorden ""gunstig" globale evaluatievermelding" vervangen door de woorden "globale evaluatievermelding "gunstig"";2. In paragraaf 2, tweede lid, worden in de Franse tekst de woorden "de l'agent" vervangen door de woorden "du fonctionnaire";3. In paragraaf 2, derde lid, wordt de termijn van "één jaar" gebracht op een termijn van "zes maanden";4. In paragraaf 2 wordt de tweede zin van het vierde lid het vijfde lid;5. In paragraaf 2, worden een zesde en zevende lid toegevoegd, luidend als volgt: " Hiertoe roept de directieraad de ambtenaar minstens tien dagen voor de hoorzitting op, door middel van een kennisgeving. Tijdens deze periode heeft hij toegang tot de stukken van het dossier. Voor deze hoorzitting kan de ambtenaar zich laten vergezellen door een door hem gekozen persoon." 6. In paragraaf 3, eerste lid, wordt het woord `commissie" vervangen door het woord "raad van beroep". 7. In paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "artikel 130/1" vervangen door de woorden "artikel 19 § 7, tweede en derde lid." Art. 42.In artikel 80 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. In paragraaf 2 wordt het woord « commissie » vervangen door het woord « raad van beroep »; 2. In paragraaf 3 wordt het eerste lid vervangen als volgt: "Na advies van de in artikel 18 bedoelde raad van beroep, spreekt de overheid die overeenkomstig artikel 12 bevoegd is voor de benoeming, zich uit over de definitieve ambtsneerlegging door de vaststelling van de definitieve beroepsongeschiktheid." 3. In paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "de index der kleinhandelsprijzen" vervangen door de woorden "de spilindex van de consumptieprijzen". Art. 43.Artikel 82 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling: "Het in artikel 81 bedoelde individueel evaluatiedossier wordt in het persoonlijk dossier opgenomen en bewaard op de HRM die de geheimhouding omtrent de inhoud ervan dient te bewaren". Art. 44.In Boek II, Titel VIII van hetzelfde besluit, wordt er na het artikel 82 een hoofdstuk II ingevoegd, met als opschrift « Evaluatie van de mandaathouders ». Art. 45.In Boek II, Titel VIII, Hoofdstuk II, artikel 83/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd door artikel 21 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 21 mei 2015 tot wijziging van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, worden in het eerste lid de woorden "bedoeld in artikel 23/3" ingevoegd tussen de woorden "de evaluatiecommissie" en het woord "evalueert". Art. 46.In artikel 83/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd door artikel 22 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 21 mei 2015 tot wijziging van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, worden in paragraaf 2, tweede lid, de volgende wijzigingen aangebracht: 1. In de Nederlandse tekst wordt het woord "mandataris" vervangen door het woord "mandaathouder".2. De woorden "artikel 108, laatste lid" worden vervangen door de woorden "artikel 108/5, tweede lid". Art. 47.In artikel 83/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd door artikel 23 van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 21 mei 2015 tot wijziging van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 5 juni 2008 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren en stagiairs van de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. In het eerste lid wordt in de Nederlandse tekst het woord "betekening" vervangen door het woord "kennisgeving"; 2. Het tweede en het derde lid worden vervangen door een tweede lid, luidend als volgt: "Het Verenigd College spreekt zich, met uitsluiting van de in artikel 18 bedoelde raad van beroep, uit over het beroep van een mandaathouder." 3. Het huidige vierde lid wordt aangevuld als volgt: "indien de mandaathouder niet vraagt om gehoord te worden, ofwel in de maand die volgt op het verhoor";4. Het huidige vijfde lid, eerste zin, wordt aangevuld als volgt: "door het Verenigd College of door zijn door hem aangeduide Leden"; 5. Het huidige vijfde lid wordt aangevuld met de volgende zin: "Zijn hoorzitting vindt plaats ten vroegste tien dagen na de vraag van de mandaathouder." Art. 48.In Boek II, Titel IX, artikel 84, § 1, eerste lid van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. De woorden "of de Vlaamse en Franse Gemeenschapscommissies" worden vervangen door de woorden "of de Gemeenschapscommissies" 2.In de Nederlandse tekst wordt het woord "beslissen" vervangen door het woord "beslist". Art. 49.In Boek II, Titel IX, artikel 85, eerste lid, van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1. De woorden "of de Vlaamse en Franse Gemeenschapscommissies" worden vervangen door de woorden "of de Gemeenschapscommissies".2. In de Nederlandse tekst wordt het woord "beslissen" vervangen door het woord "beslist". Art. 50.In Boek II, Titel X, Hoofdstuk I van hetzelfde besluit, wordt artikel 88 vervangen als volgt : "Art. 88.Onverminderd de bepalingen betreffende de mobiliteit, kunnen de bevorderingen worden toegekend door verhoging in graad of door overgang naar het hogere niveau." Art. 51.In artikel 89 van hetzelfde besluit, wordt het eerste lid vervangen als volgt : "Art. 89. …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.