← België

Koninklijk besluit tot vaststelling van Boek 1 betreffende de elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning, Boek 2 betreffende de

Kort samengevat

Dit Koninklijk Besluit stelt een nieuw Algemeen Reglement op de elektrische installaties vast, ter vervanging van het oude AREI, om de veiligheidseisen voor elektrische infrastructuur in België te moderniseren en te verbeteren.

Wat het regelt

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
8 SEPTEMBER 2019. - Koninklijk besluit tot vaststelling van Boek 1 betreffende de elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning, Boek 2 betreffende de elektrische installaties op hoogspanning en Boek 3 betreffende de installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het koninklijk besluit dat de Minister van Energie en de Minister van Werk aan u voorleggen, laat uwe Majesteit toe om een nieuw Algemeen Reglement op de elektrische installaties vast te stellen. Dit koninklijk besluit strekt ertoe het huidige Algemeen Reglement op de elektrische installaties (in dit verslag AREI genoemd) op te heffen, dat bindend werd verklaard door het koninklijk besluit van 10 maart 1981 voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie en het koninklijk besluit van 2 september 1981 voor de installaties in inrichtingen gerangschikt als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk en in inrichtingen beoogd bij artikel 28 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming. I. Context en doelstellingen van een nieuw Algemeen Reglement op de elektrische installaties De veiligheidseisen voor de elektrische infrastructuur in België zijn vastgelegd in het AREI. Het AREI is een verdeelde bevoegdheid tussen de Algemene Directie Energie van de Federale Overheidsdienst van Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Dit is van toepassing op alle elektrische installaties bestemd voor productie, omvorming, transport, verdeling of gebruik van elektrische energie voor zover de nominale frequentie van de stroom niet groter is dan 10.000 Hz. Dit dekt de drie spanningsdomeinen: 1° de zeer lage laagspanning;2° de laagspanning;en 3° de hoogspanning. Het AREI werd bindend verklaard: 1° voor de elektrische installaties en de belangrijke wijzigingen en uitbreidingen op de bestaande elektrische installaties in de huishoudelijke gebouwen en de inrichtingen van de werkgevers die geen elektriciteitsdienst hebben en waarvan de uitvoering ter plaatse nog niet is aangevangen op 1 oktober 1981;2° voor de elektrische installaties in de wooneenheden die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een controle overeenkomstig het AREI en waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 1 oktober 1981, bij een verkoop of waarvoor een verzwaring van de netaansluiting wordt aangevraagd;3° voor de elektrische installaties en de belangrijke wijzigingen en uitbreidingen op de bestaande elektrische installaties in de inrichtingen van de werkgevers die een elektriciteitsdienst hebben en waarvan de uitvoering ter plaatse nog niet is aangevangen op 1 januari 1983;en 4° voor sommige elektrische installaties voor transport en verdeling van elektrische energie en de belangrijke wijzigingen en uitbreidingen op sommige bestaande elektrische installaties voor transport en verdeling van elektrische energie en waarvan de uitvoering ter plaatse nog niet is aangevangen op 1 januari 1983. Het AREI omvat 281 artikelen. De inleiding betreffende het toepassingsgebied en de eenheden buiten beschouwing gelaten, is dit gestructureerd in zes hoofdstukken, namelijk: 1° Hoofdstuk I: Algemene voorschriften voor elektrisch materieel en elektrische installaties;2° Hoofdstuk II: Beschermingsmaatregelen;a) Deel I: Bescherming tegen elektrische schokken;b) Deel II: Bescherming tegen thermische invloeden;c) Deel III: Elektrische bescherming tegen overstroom;d) Deel IV: Elektrische bescherming tegen overspanning;e) Deel V: Bescherming tegen bepaalde andere uitwerkingen.3° Hoofdstuk III: Keuze en gebruik van elektrische geleiders en leidingen;4° Hoofdstuk IV: Keuze en ingebruikname van elektrische toestellen en materieel;5° Hoofdstuk V: Algemene voorschriften door personen na te leven;6° Hoofdstuk VI: Bijzondere voorschriften betreffende zekere oude elektrische installaties. Deze structuur uitgewerkt in 1980, heeft de installateurs toegelaten om gedurende 38 jaar elektrische installaties te realiseren met een hoog veiligheidsniveau. Het voornaamste bezwaar tegen deze structuur betreft het gebrek aan leesbaarheid. Dit gebrek aan leesbaarheid zou ook enerzijds te wijten zijn aan het zeer brede toepassingsgebied van het AREI, dat alle types van elektrische installatie dekt, en anderzijds aan het feit dat het AREI essentieel gestructureerd is per type van probleem en niet per type van installatie. Dit probleem zou ook gedeeltelijk gebonden zijn aan de talrijke verwijzingen van het ene artikel naar het andere in het AREI zelf evenals aan de wijzigingen aangebracht sinds zijn bekendmaking in 1981 in het Belgisch Staatsblad. Een ander probleem van het AREI is de moeilijkheid van het verkrijgen van een snelle consensus bij een wijziging van een artikel van het AREI. Aangezien bijna elk artikel van het AREI alle types van installatie dekt is het zeer moeilijk om het te wijzigen want het aantal betrokken partijen is zeer hoog en er moet telkens tussen iedereen een consensus worden gevonden. Dat is één van de redenen die de evolutie van het AREI hebben geremd in de laatste jaren. Meer nog, de structuur van het AREI is zeer verschillend van deze van de overeenstemmende Europese normen. Dit verschil in structuur bemoeilijkt de omzetting van nieuwe normen in het AREI. Daarom gaat dit koninklijk besluit het AREI herstructureren en vervangen. Dit besluit stelt een nieuw reglement voor de elektrische installaties vast, dat bestaat uit drie thematische Boeken: 1° Boek 1: voorschriften betreffende de elektrische installaties op laagspanning en op zere lage spanning;2° Boek 2: voorschriften betreffende de elektrische installaties op hoogspanning;3° Boek 3: voorschriften betreffende de installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie. Beoogde doelstellingen van dit nieuw reglement zijn: 1° de leesbaarheid van het reglement verbeteren en vergroten;2° het reglement meer evolutief maken;3° een thematisch reglement richten naar zijn doelpubliek;4° de structuur van het reglement gelijklopend maken met de desbetreffende internationale en Europese normen. De noodzakelijkheid van het bereiken van een consensus op elke toekomstige wijziging in elk Boek zal behouden blijven, het aantal betrokkenen voor elk Boek zou minder zijn. II. Beschrijving van het uitvoeringsproces van het nieuwe Algemeen Reglement op de elektrische installaties Het ontwerp van herstructurering van het AREI is in 2013 begonnen. Een eerste beperkte werkgroep, die uit experten van sommige door het AREI betrokken federale overheden en professionele federaties werd samengesteld, werd door de Algemene Directie Energie van de Federale Overheidsdienst Economie opgericht om dit nieuw reglement op te stellen, volgens de beoogde doelstellingen. Tussen 2013 en 2016 heeft deze werkgroep de drie thematische Boeken opgesteld. Hij heeft de structuur van die drie Boeken overgenomen van een compilatie van verschillende normen die erop betrekking hebben, door zoveel mogelijk de structuur van de harmonisatiedocumenten van Cenelec en de EN's te volgen. Hij heeft de inhoud van de bepalingen van het AREI overgeschreven, met toevoeging van beperkte inhoudelijke wijzigingen waarover een consensus is bereikt. Tussen 2017 en 2018 werd een tweede brede werkgroep - steeds samengesteld uit experten van sommige door het AREI betrokken federale overheden en professionele federaties - door de Algemene Directie Energie van de Federale Overheidsdienst Economie opgericht om het ontwerp van herstructurering van het AREI te herlezen. Deze werkgroep heeft nog een aantal diepgaandere inhoudelijke wijzigingen aangebracht waarover een consensus is bereikt. Deze wijzigingen betreffen onder meer (niet-limitatieve lijst): 1° de herziening van de voorzorgsmaatregelen tegen brand (artikel 104 van het AREI); 2° de integratie van een oud ontwerp van wijziging van sommige artikelen van het AREI (3, 16, 17, 19, 28, 46, 159, 164, 174bis, 266 tot 274 en 178) betreffende de documenten en de markering van de elektrische installaties, het plan met de uitwendige invloeden, de controles van de elektrische installaties, ...; 3° de integratie en de schoonmaak van de ministeriële besluiten van het AREI genomen in uitvoering van sommige artikelen, om over een gecentraliseerde wetgeving te beschikken;4° de toepassing van dit nieuwe reglement voor de bestaande elektrische installaties, waarvan de uitvoering, wijziging of uitbreiding ter plaatse is aangevangen vóór de inwerkingtreding van dit besluit (betrokken installaties en afwijkende beschikkingen);5° de integratie en de schoonmaak van de nota's van de Algemene Directie Energie van de Federale Overheidsdienst Economie ter attentie van de erkende organismen, om over een gecentraliseerde wetgeving te beschikken. De Algemene Directie Energie van de Federale Overheidsdienst zal op haar website nota's ter beschikking stellen betreffende de structuur en de werking van de Boeken en de wijzigingen aan de inhoud van het AREI. De elektrische installaties zijn in de drie Boeken ingedeeld volgens de volgende categorieën: 1° huishoudelijke installaties (Boek 1): wooneenheid en gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel met uitzondering van technische lokalen (gang, kelder, ...); 2° niet-huishoudelijke installaties (Boeken 1 en 2): installaties die niet als huishoudelijke installaties beschouwd worden;3° installaties voor transmisse en distributie van elektrische energie van de netbeheerders (Boek 3). Wat Boek 3 betreft, zullen er bijkomende voorwaarden moeten worden bepaald om het toepassingsgebied van Boek 3 aan netbeheerders andere dan deze van het openbare netwerk uit te breiden. Het nieuwe reglement is van toepassing voor de elektrische installaties waarvan de uitvoering, wijziging of uitbreiding is of wordt aangevangen vóór en na de inwerkingtreding van dit ontwerpbesluit. Wat betreft de bestaande elektrische installaties waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 1 oktober 1981 of 1 januari 1983 en die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een controle overeenkomstig het AREI, is het nieuwe reglement alleen van toepassing op de oude huishoudelijke installaties in de wooneenheden, bij een verkoop of waarvoor een verzwaring van de netaansluiting wordt aangevraagd. De oude installaties in de huishoudelijke gebouwen of de inrichtingen die geen werknemers tewerkstellen kunnen altijd dit nieuwe reglement naleven in geval van een eventuele verplichting. In het algemeen vermeldt deel 8 van elk Boek de afwijkende beschikkingen van toepassing op de bestaande installaties, waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Zodra dit besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad zal de Algemene Directie Energie van de Federale Overheidsdienst Economie, in samenwerking met de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en de betrokken federaties, een tweede fase opstarten waarin de verdere evolutie van dit nieuwe reglement wordt verdergezet op basis van een consensus. De veiligheid van personen en goederen zal het hoofddoel van dit nieuwe reglement blijven. Dit besluit werd aan de verschillende betrokken wettelijke adviesorganen voorgelegd: 1° aan de Europese Commissie overeenkomstig de Richtlijn 2015/1535/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij: a) notificaties van 12 juli 2018 en 6 augustus 2018 (2018/0356/B, 2018/0402/B, 2018/0403/B en 2018/0404/B);b) mededeling nr.303 van de Europese Commissie betreffende de notificaties 2018/0402/B, 2018/0403/B en 2018/0404/B. 2° aan de hoge Raad voor Beveiliging tegen Brand en Ontploffing van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken overeenkomstig artikel 6, § 1, tweede lid, b), van de wet van 30 juli 1979Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1979 pub. 24/06/2011 numac 2011000394 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen (advies nr.HR/1752/18/001 van 24 mei 2018); 3° aan de hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg overeenkomstig artikel 95, eerste lid, van de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 sluiten betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (advies nr.220 van 22 februari 2019); 4° aan het Vast Elektrotechnisch Comité van de Algemene Directie Energie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie overeenkomstig artikel 22, vijfde lid, van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening, gewijzigd door de wet van 8 mei 2014 (advies nr. 2 van 31 oktober 2018); 5° aan de Raad van State overeenkomstig artikel 3, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (advies nr.65.788/3 van 26 april 2019). Wat de adviezen van de punten 1° tot 4° betreft, heeft de Algemene Directie Energie van de Federale Overheidsdienst Economie de verschillende adviezen onderzocht die gunstig waren voor dit ontwerp van herstructurering van het AREI. Sommige wijzigingen werden aangebracht met behoud van het resultaat van de eerste werkfase van het ontwerp van de herstructurering van het AREI. Deze wijzigingen betreffen onder meer het vrij verkeer van goederen, het vermogen van het automatische scheidingssysteem van de autonome bronnen, ... De meeste opmerkingen liggen in de lijn van de doelstelling van de tweede werkfase van het ontwerp van de herstructurering van het AREI. III. Structuur van dit koninklijk besluit en zijn bijlagen tot vaststelling van het nieuwe Algemeen Reglement op de elektrische installaties Dit besluit bestaat uit twintig artikelen en vier bijlagen. 1. Het koninklijk besluit: Artikel 1 bepaalt de term "elektrische installatie" en het toepassingsgebied van de drie Boeken. De artikelen 2 tot 8 bepalen de toepassing van de drie Boeken voor de nieuwe elektrische installaties, de bestaande elektrische installaties en de kabels ten behoeve van communicatie en informatietechnologie, van signalisatie of bediening. De artikelen 9 en 10 maken het mogelijk voor de betrokken ministers om individuele afwijkingen toe te staan, volgens het type van elektrische installatie. De artikelen 11 en 12 beschrijven de procedure om de voorschriften van de drie Boeken te wijzigen, volgens het type van elektrische installatie. De artikelen 13 tot 15 regelen het toezicht van dit besluit door de twee bevoegde federale overheden, volgens het type van elektrische installatie. Artikel 16 voorziet de sancties in geval van inbreuk op dit besluit. Artikel 17 voorziet in de intrekking van het AREI en zijn ministeriële besluiten genomen in uitvoering van sommige artikelen. Artikel 18 bepaalt het verband tussen het oude AREI en de drie nieuwe Boeken door middel van concordantietabellen. Artikel 19 voorziet een overgangsperiode van zeven maanden vóór de inwerkingtreding van dit besluit en waarbinnen het oude AREI nog van toepassing zal zijn. Artikel 20 belast de betrokken ministers met de uitvoering van dit besluit. 2. De bijlagen 1 tot 4: De bijlagen 1 tot 3 bepalen de drie Boeken: 1° Bijlage 1 tot vaststelling van Boek 1: voorschriften betreffende de elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning;2° Bijlage 2 tot vaststelling van Boek 2: voorschriften betreffende de elektrische installaties op hoogspanning;3° Bijlage 3 tot vaststelling van Boek 3: voorschriften betreffende de installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie. De drie Boeken bestaan uit negen delen, namelijk: 1° Deel 1 - Algemene voorschriften voor het elektrisch materieel en de elektrische installaties;2° Deel 2 - Begrippen en definities;3° Deel 3 - Bepaling van de algemene kenmerken van elektrische installaties;4° Deel 4 - Beschermingsmaatregelen;5° Deel 5 - Keuze en gebruik van het materieel;6° Deel 6 - Controles van installaties;7° Deel 7 - Bepalingen voor bijzondere installaties en ruimten;8° Deel 8 - Bijzondere voorschriften met betrekking tot bestaande elektrische installaties;9° Deel 9 - Algemene voorschriften door personen na te leven. Bijlage 4 (van het niet-normatieve type) bepaalt de concordantietabellen tussen het AREI en de drie Boeken en omgekeerd. IV. Advies 65.788/3 van 26 april 2019 van de Raad van State, afdeling Wetgeving Dit ontwerp van koninklijk besluit werd voor advies voorgelegd aan de Raad van State. De Raad van State leverde op 26 april 2019 advies 65.788/3 af met toepassing van artikel 3, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. De opmerkingen van de Raad van State die uitleg en/of wijziging vergen worden hierna weergegeven. Wat de opmerkingen 4 en 5 van het advies 65.788/3 betreft, vermeldt de Raad van State dat de rechtsgrond van het ontwerpbesluit, dat wordt gezocht in de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening en in de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 sluiten betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, wankel is voor de twee volgende punten: 1° de kabels ten behoeve van communicatie en informatietechnologie, van signalisatie of bediening vermeld bij artikel 8 van het ontwerpbesluit;2° de erkende organismen vermeld bij hoofdstuk 6 van elk Boek, betreffende hun erkenning en de uitvoering van de controles door deze organismen. De Raad van State raadt ten sterkste aan de rechtsgrond van het ontwerpbesluit voor deze twee punten aan te vullen. De Raad van State oordeelt als volgt: "Lijnen bestemd voor telecommunicatie brengen vanuit strikt fysisch oogpunt weliswaar ook elektrische energie over, maar het doel van deze lijnen is in wezen het overbrengen van signalen en niet het overbrengen van elektrische energie ". (Zie het advies van de Raad van State 65.788/3 van 26 april 2019 over een ontwerp van koninklijk besluit waarbij het Boek 1 betreffende de elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning, het Boek 2 betreffende de elektrische installaties op hoogspanning en het Boek 3 betreffende de installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie bindend worden verklaard, pagina 5). Als de kabels ten behoeve van communicatie en informatietechnologie, van signalisatie of bediening echter niet als zodanig in de definitie "elektrische lijnen" passen, hetzij leidingen die worden gebruikt voor de transmissie van de elektrische energie, hebben deze kabels ten behoeve van communicatie en informatietechnologie, van signalisatie of bediening, die fysiek in de elektrische installaties geïntegreerd worden, hoofdzakelijk als doel de werking en het gebruik van de elektrische installaties te garanderen. Met de huidige technologische evolutie nemen deze kabels bovendien een steeds belangrijker plaats in de elektrische installaties in en worden ze een onontbeerlijk element in de elektrische installaties. Met andere woorden, deze kabels ten behoeve van communicatie en informatietechnologie, van signalisatie of bediening zijn in de loop van de tijd onlosmakelijk elementen geworden van de elektrische installaties. Bovendien hebben deze voorschriften, die preventiemaatregelen tegen brand voorzien voor deze kabels, die in de elektrische installaties geïntegreerd worden, als doel de veiligheid van de elektrische installaties te garanderen. Bijgevolg moet worden gesteld dat dergelijke voorschriften bestaan uit "veiligheidsmaatregelen" zoals bedoeld in artikel 21, 1°, van de voornoemde wet van 10 maart 1925. Wat de rechtsgrond van de erkende organismen belast met de controles van de betrokken installaties betreft, vindt het ontwerpbesluit rechtsgrond in artikel 21, 1°, van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening en in artikel 40, § 3, eerste lid, van de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 sluiten betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Inderdaad, volgens artikel 21, 1°, van de wet van 10 maart 1925, "koninklijke besluiten bepalen de algemene verordeningen inzake het aanleggen en in bedrijf nemen van elektrische lijnen en inzake veiligheidsmaatregelen". Artikel 40, § 3, eerste lid, van de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 sluiten belast de Koning met de bepaling van de voorwaarden en de regelen volgens welke externe diensten voor technische controle op de werkplaats kunnen worden erkend. Verder vermeldt artikel 22 van boek II titel 5 van de codex over het welzijn op het werk betreffende de externe diensten voor technische controle op de werkplaats het volgende voorschrift: "Voor de controles van elektrische installaties gelden de bepalingen van deze titel niet, wanneer het AREI een andere erkenningsprocedure voorziet.". De controles die door de erkende organismen worden uitgevoerd, hebben ook als doel de conformiteit van de elektrische installaties met de voorschriften van de Boeken na te gaan. Deze voorschriften betreffen hoofdzakelijk de veiligheid. Bijgevolg bestaan de regels inzake de controle van de betrokken installaties en de erkenning van de organismen belast met deze controle uit "veiligheidsmaatregelen", zoals bedoeld aan voornoemd artikel 21, 1°. Bovendien moet er worden verduidelijkt dat het ontwerpbesluit niet de inhoud van de voorschriften wijzigt inzake de controle van de betrokken installaties en de erkenning van de organismen belast met deze controle. Het gaat alleen over van een herziening van de teksten. De rechtsgrond van hoofdstuk 6.3. van elk Boek is dus identiek aan deze van het huidige artikel 275 van het Algemeen Reglement op de elektrische installaties. In dit verband werd het huidige artikel 275 in 2004 aan de Raad van State voorgelegd bij zijn laatste wijziging. In zijn advies 37.926/1 van 28 december 2004 heeft de Raad van State geen opmerking op de strekking en de rechtsgrond van het ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van artikel 275 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties en van artikel 23 van het koninklijk besluit van 29 april 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 29/04/1999 pub. 02/09/1999 numac 1999012364 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controles op de werkplaats sluiten betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controle op de werkplaats". Dit ontwerp van koninklijk besluit voerde nieuwe regels in inzake de erkenning voor de erkende organismen belast met de controle van elektrische installaties. De Raad van State had ook geoordeeld dat de controles tot doel hebben de overeenstemming na te gaan van de installaties met de voorschriften van het algemeen reglement en dat die voorschriften in hoofdzaak gericht zijn op de veiligheid (zie het advies 37.926/1 van de Raad van State van 28 december 2004 betreffende een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van artikel 275 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties en van artikel 23 van het koninklijk besluit van 29 april 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 29/04/1999 pub. 02/09/1999 numac 1999012364 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controles op de werkplaats sluiten betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controle op de werkplaats", pagina 2). Bovendien moet er worden opgemerkt dat de Raad van State geoordeeld had dat het ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van artikel 275 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties en van artikel 23 van het koninklijk besluit van 29 april 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 29/04/1999 pub. 02/09/1999 numac 1999012364 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controles op de werkplaats sluiten betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controle op de werkplaats" rechtsgrond vond in artikel 21, 1°, van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening en in artikel 40, § 3, eerste lid, van de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 sluiten betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (zie het advies 37.926/1 van de Raad van State van 28 december 2004 betreffende een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van artikel 275 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties en van artikel 23 van het koninklijk besluit van 29 april 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 29/04/1999 pub. 02/09/1999 numac 1999012364 bron ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controles op de werkplaats sluiten betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controle op de werkplaats", pagina's 2 en 3). In tegenstelling tot het voornoemde advies van de Raad van State van 26 april 2019 zijn we dus van oordeel dat het vastgestelde kader wel over een rechtsgrond beschikt inzake de controle van de betrokken installaties en de erkenning van de organismen belast met deze controle. De aanhef van het koninklijk besluit werd ook aangepast in die zin door het invoegen van artikel 40, § 3, van de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 sluiten betreffende de bepaling van de voorwaarden en de regels volgens welke externe diensten voor technische controle op de werkplaats kunnen worden erkend. Wat de opmerkingen 6.1 en 6.2 van het advies 65.788/3 betreft, geeft de Raad van State voor de artikelen 11 en 12 van het ontwerpbesluit betreffende de adviesverplichtingen in geval van wijziging in de Boeken de aanbeveling enerzijds om ze te herformuleren en anderzijds om de adviestermijn van het Vast Elektrotechnisch Comité te laten overeenstemmen. In de artikelen 11 en 12 van het ontwerpbesluit werden de verwijzingen naar de betrokken artikelen van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening en de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 sluiten betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk verduidelijkt overeenkomstig het voorstel van de Raad van State. Wat de opmerking 7 van het advies 65.788/3 betreft, vraagt de Raad van State artikel 13 van het ontwerpbesluit betreffende het toezicht van de elektrische installaties, waarvoor de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg bevoegd is, te herformuleren. In artikel 13 van het ontwerpbesluit werden de verwijzingen naar de wettelijke bepalingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg verduidelijkt overeenkomstig het voorstel van de Raad van State. Wat de opmerking 8 van het advies 65.788/3 betreft, vraagt de Raad van State de titel van het ontwerpbesluit en de artikelen 2 tot 8 betreffende de toepassing van de bepalingen van de Boeken te herformuleren. De titel en de artikelen 2 tot 8 van het ontwerpbesluit werden herschreven overeenkomstig het voorstel van de Raad van State. Wat de opmerking 9.1 van het advies 65.788/3 betreft, vraagt de Raad van State voor de artikelen 9 en 10 van het ontwerpbesluit betreffende de afwijkingen van de voorschriften van de Boeken om de individuele aard van de afwijking te verduidelijken. In de artikelen 9 en 10 van het ontwerpbesluit werd de individuele aard van elke afwijking toegevoegd overeenkomstig het voorstel van de Raad van State. Wat de opmerking 9.2 van het advies 65.788/3 betreft, vraagt de Raad van State om opnieuw te onderzoeken of de in de Boeken voorziene ministeriële delegaties effectief betrekking hebben op bijkomstige of detailmatige aangelegenheden en om ze indien nodig in overeenstemming te brengen. Er werd een nieuw onderzoek van deze ministeriële delegaties uitgevoerd. Er werd een herziening van de teksten van de ministeriële delegaties uitgevoerd, hetzij door de verwijdering hetzij door de verwijzing naar de regels van goed vakmanschap in het ontwerpbesluit zelf, als de ministeriële delegatie geen betrekking had op bijkomstige of detailmatige aangelegenheden. Wat de opmerkingen 10.1 en 10.2 van het advies 65.788/3 betreft, vermeldt de Raad van State dat de Boeken op een algemene of specifieke wijze naar technische normen verwijzen. De Raad van State vermeldt bijgevolg de problematiek van de technische normen waarnaar wordt verwezen in wet- en regelgeving en het niet-naleven van artikel 190 van de Grondwet: publicatie in het Belgisch Staatsblad, vertaling in de landstalen, beschikbaarheid en versie. In antwoord op de opmerking van de Raad van State is het passend eraan te herinneren dat artikel 190 van de Grondwet het volgende bepaalt: "Geen wet, geen besluit of verordening van algemeen, provinciaal of gemeentelijk bestuur (...) verbindend (is) dan na te zijn bekendgemaakt in de vorm bij de wet bepaald". Te dien einde, vestigt artikel 56, § 1, derde lid, van de wet van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken het beginsel volgens hetwelk de koninklijke en ministeriële besluiten integraal in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt. Paragraaf 3 van hetzelfde artikel bepaalt dat "De wetten en verordeningen kunnen bovendien een andere wijze van bekendmaking van de koninklijke en ministeriële besluiten, alsook van de in § 2 bedoelde vertalingen voorschrijven [vertaling in het Duits]". Volgens artikel VIII.1 van het Wetboek van economisch recht echter geven normen "de regels van goed vakmanschap weer die, op het ogenblik dat ze worden aangenomen, gelden voor een bepaald product, een bepaald procedé of een bepaalde dienst" en gebeurt hun naleving, volgens het tweede lid van hetzelfde artikel, op vrijwillige basis, tenzij de naleving ervan is opgelegd door een wettelijke, reglementaire of contractuele bepaling. Het commentaar bij artikel VIII.1, tweede lid, verduidelijkt het volgende: "Het tweede lid van artikel VIII.1 is een nieuwe bepaling die tot doel heeft te herhalen dat de naleving van een norm vrijwillig is maar dat dit geen afbreuk doet aan de mogelijkheid om de naleving verplicht te stellen in wetten, besluiten, verordeningen, administratieve handelingen, lastenboeken of overeenkomsten van gemeen recht. Aangezien ze uit hun aard van vrijwillige toepassing zijn, is de naleving van de normen juridisch niet verplicht. Het is echter mogelijk dat dwingende regels zoals een wet of een koninklijk besluit, verwijzen naar normen en ze verplicht stellen. In dat geval verkrijgen deze normen een verbindend karakter, dat ze dus halen uit de regelgeving. Een identieke aanpak geldt voor de overeenkomsten die verwijzen naar normen, en dit overeenkomstig artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek" (wetsontwerp tot invoering van het Wetboek economisch recht, artikelsgewijze bespreking van Boek VIII, Parl.St., Kamer, 2012-2013, nr. 53-2543/001, p. 28).Bijgevolg maakt een norm zoals bedoeld door het wetboek van economisch recht niet op zichzelf een reglementaire handeling uit die het voorwerp dient uit te maken van een bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. De bindende kracht van de norm zal dus niet uit zichzelf voortkomen maar uit haar eventuele opname in een andere handeling en de juridische kracht die daarmee verband houdt (J. Dumortier, L. Godts, "Les aspects juridiques de la normalisation en Belgique", in Legal Aspects of Standardisation of the E.C. and E.F.T.A., vol. 2, Country Reports, edited by Jose Falke, Harm Schepel, Luxembourg: Office for Official Publications of the European Communities, ISBN 92-828-8908-4.). Wat de normen bekendgemaakt door het Bureau voor Normalisatie betreft, voorziet het koninklijk besluit van 25 oktober 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 25/10/2004 pub. 09/11/2004 numac 2004011453 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende de uitvoeringsmodaliteiten van de normalisatieprogramma's evenals de bekrachtiging of registratie van normen sluiten betreffende de uitvoeringsmodaliteiten van de normalisatieprogramma's evenals de bekrachtiging of registratie van normen in artikel 2 het volgende : "De Staat en de andere publiekrechtelijke personen kunnen aan de door het Bureau gepubliceerde normen refereren, in besluiten, verordeningen, administratieve handelingen en bestekken door een eenvoudige verwijzing naar het indicatief van deze normen". Ook in overeenstemming met artikel 2 van het voornoemde koninklijk besluit van 25 oktober 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 25/10/2004 pub. 09/11/2004 numac 2004011453 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende de uitvoeringsmodaliteiten van de normalisatieprogramma's evenals de bekrachtiging of registratie van normen sluiten, verwijst het ontwerpbesluit naar de door het Bureau voor Normalisatie bekendgemaakte normen door eenvoudige verwijzing naar deze normen. Bovendien moet er worden gepreciseerd dat deze bekendmaking door het Bureau voor Normalisatie tegemoet komt aan de essentiële voorwaarden inzake toegankelijkheid en zichtbaarheid van een officiële bekendmaking zoals opgeworpen door de Raad van State in zijn advies aangezien: 1° zij beschikbaar zijn in het Frans en in het Nederlands;en 2° de te betalen kosten niet kunnen beschouwd worden alsof zij op onevenredige wijze de toegang verhinderen tot de normen, rekening houdend, enerzijds, met de vermelde prijzen en, anderzijds, met de professionele hoedanigheid van de personen die deze normen dienen na te leven. Betreffende opmerking 11 van het advies 65.788/3 vraagt de Raad van State om de in deel 4 van de Boeken opgenomen Europese verplichting in de aanhef van het ontwerpbesluit te verduidelijken met betrekking tot het reglement voor bouwproducten (CPR- reglement) en om het vrij verkeer van goederen en de eventuele geharmoniseerde regels in de betrokken voorschriften van de Boeken na te leven. In de aanhef werd de verwijzing naar het CPR-reglement toegevoegd overeenkomstig de opmerking van de Raad van State. De in de Boeken bedoelde voorschriften zijn gebaseerd op het naleven van de Europese verplichting van de integratie van het CPR-reglement in de nationale wetgevingen en het vrij verkeer van goederen: 1° Verordening (EU) nr.305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad; 2° Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/364 van de Commissie van 1 juli 2015 betreffende de indeling van bouwproducten in klassen van materiaalgedrag bij brand overeenkomstig Verordening (EU) nr.305/2011 van het Europees Parlement en de Raad; 3° Mededeling van 10 juni 2016 van de Commissie in het kader van de uitvoering van Verordening (EU) nr.305/2011 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (2016/C209/03). Wat de opmerkingen 12.1 tot 12.5 van het advies 65.788/3 betreft, vermeldt de Raad van State dat de in hoofdstuk 6.3. van elk Boek bedoelde bepalingen van de erkende organismen vallen onder het toepassingsgebied van de Europese Richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten op de interne markt. Bijgevolg moeten deze bepalingen aan de artikelen 10, 11, 15 en 16 van deze richtlijn worden getoetst. Er dient te worden vermeld dat de in hoofdstuk 6.3. van elk Boek bedoelde bepalingen van de erkende organismen betreffende de door de Raad van State vermelde opmerkingen, worden aangepast aan deze van de externe diensten voor technische controle op de werkplaats waarvoor de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg bevoegd is (Boek 2 Titel 5 van de Codex over het welzijn op het werk voorgelegd aan het advies 59.620/1/V van de Raad van State gegeven op 9 september 2016). Wat de notificatie betreft van de bepalingen van de erkende organismen overeenkomstig artikel 15 punt 7 van de Europese Richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten op de interne markt, werd het ontwerpbesluit op 12 juli 2018 en 6 augustus 2018 aan de Europese Commissie meegedeeld, met toepassing van artikel 5, paragraaf 1, van de Europese Richtlijn 2015/1535/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij. Overeenkomstig artikel 15, lid 7, derde alinea, van de dienstenrichtlijn geldt die aanmelding ook als aanmelding in de zin van artikel 15, lid 7, eerste alinea, van de dienstenrichtlijn. Al vanaf het einde van de status-quoperiode van de notificatie, heeft de Europese Commissie een mededeling 18-0402-B-303 over het ontwerpbesluit uitgebracht. De beschikkingen van hoofdstuk 6.3. van elk Boek inzake de erkende organismen belast met de controle van de betrokken installaties, hebben geen aanleiding gegeven tot opmerkingen van de Europese Commissie. Wat de beperkte duur van de erkenning betreft, heeft dit voorschrift inderdaad als doel om het behoud van een voldoende hoog kwaliteitsniveau van de erkende organismen bij de door deze organismen uitgevoerde controles op elektrische installaties te waarborgen. Om het hoofddoel van het ontwerpbesluit te garanderen (veiligheid van goederen en personen) moeten deze organismen elektrische installaties kunnen goedkeuren door ze aan de hand van de evolutieve wetgeving te toetsen aan de technologie en de regels van goed vakmanschap. Deze beperking waarborgt dit kwaliteitsniveau met een periodieke verificatie (hernieuwing van de erkenning) van het behoud van de kennis en de bevoegdheid van de erkende organismen. Hierbij dient te worden vermeld dat de in hoofdstuk 6.3. van elk Boek bedoelde bepalingen over de erkende organismen geen beperking inhouden van het aantal erkende organismen belast met de controle van de elektrische installaties. Met betrekking tot de opmerking van de Raad van State op de rechtspersoonlijkheid waaronder de erkende keuringsorganismen moeten worden opgericht, stemmen wij niet in met het advies van de Raad van State. Wij geloven dat de rechtsvorm van een vereniging zonder winstoogmerk toelaat om voorrang te geven aan de aspecten van onpartijdigheid, onafhankelijkheid en veiligheid en niet aan het lucratieve aspect. Dit statuut biedt inderdaad een echte economische onafhankelijkheid - volgens ons advies van groot belang in het kader van een opdracht gericht op de veiligheid van de goederen en de personen - doordat het ontbreken van aandeelhouders die betaald moeten worden een grotere waarborg biedt voor het ontbreken van economische druk. Bovendien geloven we dat het opleggen van het statuut van een vereniging zonder winstoogmerk geen belemmering vormt voor de geest van vrij verkeer van diensten omdat de oprichting van dit type vereniging een vereenvoudigde administratieve formaliteit is. Om het vrij verkeer van diensten te garanderen werd haar gelijkwaardige rechtsvorm in een andere lidstaat van vestiging binnen de Europese Economische ruimte toegevoegd, zoals voorzien voor de externe diensten voor technische controle op de werkplaats bij de omzetting van de Europese Richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten op de interne markt (advies nr. 153 van de Hoge Raad voor de Preventie en de Bescherming op het werk gegeven op 25 juni 2010). Het begrip vereniging zonder winstoogmerk is niet noodzakelijk hetzelfde in een ander EU-land. Wat de eis van de aangepaste wetenschappelijke en beroepservaring van de technisch verantwoordelijke van een erkend organisme betreft, bedoelt dit voorschrift de ervaring en de kennis van de technische en reglementaire voorschriften in het activiteitsdomein waarvoor het keuringsorganisme een erkenning aanvraagt. Het volgt dezelfde logica als de logica die is opgenomen in de antwoorden betreffende de beperkte duur van de erkenning en de toekenning van de erkenning. Wat de referentie van de norm NBN EN ISO/IEC 17020 voor de accreditatie betreft, moet er worden verwezen naar het antwoord op de opmerkingen 10.1 en 10.2 van de Raad van State. Wat de door de Belgische bevoegde overheid toegekende erkenning betreft, moet er worden herhaald dat de erkenning betrekking heeft op de controle van de elektrische installaties van vestiging binnen België. Deze installaties moeten aan een nationale en niet aan een Europese wetgeving beantwoorden. Ongeacht het land van herkomst van het organisme (Belgisch of buitenlands) is de erkenning de basis om er zeker van te zijn dat elk erkend organisme de nationale wetgeving beheerst en garandeert dat elke Belgische gecontroleerde elektrische installatie deze naleeft en dat ze het in België geëiste veiligheidsniveau naleeft. In opmerking 13 van het advies 65.788/3 wijst de Raad van State op een verschil van beschermingsniveau tussen installaties op laagspanning en installaties op hoogspanning met betrekking tot de veiligheidscurves op laagspanning en deze op hoogspanning. Het uittreksel van het voorschrift waarnaar de Raad van State verwijst (onderafdeling 4.2.3.4 punt a derde alinea punt 1 van Boek 2) moet worden begrepen in zijn algemene context en volgens de bepaling van de beschermingsmaatregelen tegen onrechtstreekse aanraking in installaties op hoogspanning. De voorschriften van de Boeken 2 en 3, betreffende de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking bij hoogspanning en het voorkomen van elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking ten gevolge van potentiaalverspreiding werden uit de artikelen 98 en 99 van het AREI overgeschreven. Deze artikelen werden in 2004 herzien om aan verbeteringen en aanvullingen te kunnen beantwoorden met betrekking tot het voorkomen van elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking bij hoogspanning om de veiligheid te waarborgen. Dankzij deze herziening die gebaseerd is op de voorschriften van de norm HD 637-S1 (elektrische installaties met nominale spanning hoger dan 1kV bij wisselstroom) kon het concept van de globale aarding worden geïntroduceerd en konden sommige regels en ingewikkelde maatregelen worden vervangen door een meer efficiënte controle om de geïntegreerde veiligheid te vrijwaren. De bescherming tegen onrechtstreekse aanraking bij hoogspanning omvat onder meer passieve maatregelen (maatregel toegepast bij de aanwezigheid van een gevaarlijke contactspanning, zoals de isolatie, de verwijdering, ...), actieve maatregelen (onderbreking van de voeding volgens de voorziene tijd door de veiligheidscurves) en het concept van de globale aarding (verdeling van de foutstroom met als effect het verlagen van de plaatselijke aardpotentiaal en het verkrijgen van een spanningscontact op een aanvaardbaar niveau). De opmerking van de Raad van State heeft betrekking op de actieve maatregelen tegen onrechtstreekse aanraking bij hoogspanning. De toelaatbare contactspanning bij hoogspanning hangt af van het type ruimte. Voor gewone ruimten met installaties op hoogspanning zijn de veiligheidscurves bij laagspanning van toepassing. Voor ruimten met installaties op hoogspanning en die alleen toegankelijk zijn voor gewaarschuwd (BA4) of bevoegd (BA5) personeel en voor de installaties op hoogspanning van de netbeheerders voor transmissie en/of distributie, mag de veiligheidscurve bij hoogspanning worden toegepast. De veiligheidscurve bij hoogspanning werd bepaald op basis van de norm HD 637-S1 (elektrische installaties met nominale spanning hoger dan 1kV bij wisselstroom) en de norm IEC 479-1 (effect van de stroomdoorgang door het menselijke lichaam). Deze bepaling houdt rekening met sommige factoren die het risico op onrechtstreekse aanraking (opleiding, ervaring, persoonlijk beschermingsmiddel, ...) beperken en met hypotheses (kans op ventriculaire fibrillatie, stroomdoorgang, toegevoegde weerstanden, ...). Wat de door de Raad van State vermelde eventuele grens van vijf seconden voor technische redenen betreft, moet de regel in zijn geheel worden bekeken. Deze regel is niet van toepassing op gewone ruimten. De toelaatbare contactspanning kan als voldoende worden beschouwd indien de installatie op hoogspanning deel uitmaakt van een globale aarding en indien de duur van de fout beperkt is tot vijf seconden. In geval van een globale aarding wordt de aardpotentiaalstijging op elk ogenblijk beschouwd als lager dan de toelaatbare contactspanning bij hoogspanning (aangetoond door verschillende studies). Voor de andere gevallen of als niet voldaan is aan de vorige voorwaarden is het voorschrift van onderafdeling 4.2.3.4 punt a derde alinea punt 2 van Boek 2 van toepassing. Indien aan de voorwaarden van actieve maatregelen tegen onrechtstreekse aanraking niet voldaan is, moeten bijkomende passieve maatregelen worden toegepast. In opmerking 14 van het advies 65.788/3 vraagt de Raad van State om de aanhef van het ontwerpbesluit in overeenstemming te brengen met de opmerkingen 4 tot 7 over de rechtsgrond. De betrokken artikelen van de huidige rechtsgrond van het ontwerpbesluit werden toegevoegd in de aanhef. In opmerking 15 van het advies 65.788/3 geeft de Raad van State de aanbeveling om een niet-normatieve bijlage toe te voegen betreffende de concordantietabellen tussen de Boeken en het AREI. De concordantietabellen werden via een nieuwe bijlage (bijlage 4) toegevoegd aan het ontwerpbesluit. Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Energie, M. C. MARGHEM De Minister van Werk, W. BEKE Raad Van State Afdeling Wetgeving Advies 65.788/3 van 26 april 2019 over een ontwerp van koninklijk besluit `waarbij het Boek 1 betreffende de elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning, het Boek 2 betreffende de elektrische installaties op hoogspanning en het Boek 3 betreffende de installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie bindend worden verklaard' Op 27 maart 2019 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Energie, Leefmilieu en Duurzame Ontwikkeling verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `waarbij het Boek 1 betreffende de elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning, het Boek 2 betreffende de elektrische installaties op hoogspanning en het Boek 3 betreffende de installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie bindend worden verklaard'. Het ontwerp is door de derde kamer onderzocht op 23 april 2019. De kamer was samengesteld uit Jo Baert, kamervoorzitter, Jeroen Van Nieuwenhove en Peter Sourbron, staatsraden, Jan Velaers en Bruno Peeters, assessoren, en Astrid Truyens, griffier. Het verslag is uitgebracht door Tim Corthaut, auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 26 april 2019. 1. Rekening houdend met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht op het feit dat, wegens het ontslag van de regering, de bevoegdheid van deze laatste beperkt is tot het afhandelen van de lopende zaken.Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de regering in aanmerking kan nemen als ze te oordelen heeft of het vaststellen of het wijzigen van een verordening noodzakelijk is. 2. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. STREKKING VAN HET ONTWERP 3. Het voor advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt tot het `goedkeuren' (lees: vaststellen) van drie boeken die als bijlage bij het ontwerp zijn gevoegd en die in de plaats komen van het Algemeen Reglement op de elektrische installaties voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie, `goedgekeurd' (lees: vastgesteld) bij het koninklijk besluit van 10 maart 1981. Artikel 1 van het ontwerp definieert de term `elektrische installatie', alsook welke bepalingen moeten worden verstaan onder elk van de drie boeken. Boek 1, dat is opgenomen in bijlage 1 bij het ontwerp, heeft betrekking op de elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning (wisselspanning ? 1000 V en gelijkspanning met en zonder rimpel ? 1500 V). Boek 2, dat is opgenomen in bijlage 2 bij het ontwerp, betreft de elektrische installaties op hoogspanning (wisselspanning > 1000 V en gelijkspanning met en zonder rimpel > 1500 V). Boek 3, dat is vervat in bijlage 3 bij het ontwerp, heeft betrekking op de installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie. Overeenkomstig de artikelen 2 en 3 gelden de bepalingen van boek 1 voor elektrische installaties op laagspanning en zeer lage spanning. Voor de bestaande installaties gelden alle delen van boek 1, voor de installaties waarvan de uitvoering, wijziging of uitbreiding wordt begonnen na de inwerkingtreding van het te nemen besluit, wordt deel 8 van boek 1 uitgesloten. Overeenkomstig de artikelen 4 en 5 gelden de bepalingen van boek 2 voor elektrische installaties op hoogspanning, maar ook hier wordt deel 8 ervan uitgesloten voor nieuwe installaties. Overeenkomstig de artikelen 6 en 7 gelden de bepalingen van boek 3 op installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie, opnieuw met uitsluiting van deel 8 ervan voor nieuwe installaties. Overeenkomstig artikel 8 gelden de voorzorgsmaatregelen tegen brand in de delen 4 en 5 van de boeken 1 en 3 voor de kabels ten behoeve van communicatie en informatietechnologie, van signalisatie of bediening, die in de elektrische installaties van de boeken 1 en 3 geïntegreerd worden en waarvan de uitvoering, wijziging of uitbreiding werd begonnen na 4 september 2013. Artikel 9 verleent de minister bevoegd voor energie de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden en volgens een bepaalde procedure afwijkingen toe te staan van bepalingen van de boeken 1, 2 of 3, betreffende een aantal opgesomde installaties. Overeenkomstig artikel 10 kunnen de minister bevoegd voor energie en de minister bevoegd voor welzijn v …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.