← België

Koninklijk besluit inzake de handhaving van scheepvaartregelgeving

Kort samengevat

Dit besluit regelt de handhaving van scheepvaartregelgeving in België, met een specifieke focus op de verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat voor Belgische zeeschepen. Het zorgt ervoor dat Belgische schepen voldoen aan nationale en internationale veiligheids- en milieunormen.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
FEDERALE OVERHEIDSDIENST MOBILITEIT EN VERVOER 14 JULI 2020. - Koninklijk besluit inzake de handhaving van scheepvaartregelgeving FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de Grondwet, artikel 108; Gelet op het Belgisch Scheepvaartwetboek, artikelen 1.1.1.2, 4°, 2.2.3.9, 2.5.2.4 en 4.2.1.6; Gelet op de wet van 25 december 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/12/2016 pub. 19/01/2017 numac 2017030001 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Wet tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten sluiten tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten, artikel 6, § 2, en artikel 11, derde lid; Gelet op het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement; Gelet op het koninklijk besluit van 22 december 2010Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/12/2010 pub. 29/12/2010 numac 2010014271 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit betreffende havenstaatcontrole type koninklijk besluit prom. 22/12/2010 pub. 29/12/2010 numac 2010022532 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot vaststelling van het percentage van het voorschot van de subsidiaire heffing voorzien door artikel 191, eerste lid, 15°undecies van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en tot vaststelling van de uitzonderingsmodaliteiten voor sommige farmaceutische specialiteiten. - Jaar 2010 type koninklijk besluit prom. 22/12/2010 pub. 29/12/2010 numac 2010009984 bron federale overheidsdienst justitie Koninklijk besluit betreffende de regels van toezicht op en de controle van de kansspelen in de kansspelinrichtingen klasse IV en de plaatsen waar weddenschappen worden aangenomen bedoeld in artikel 43/4, § 5, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, inzonderheid door middel van een passend informaticasysteem type koninklijk besluit prom. 22/12/2010 pub. 29/12/2010 numac 2010010031 bron federale overheidsdienst justitie Koninklijk besluit betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de Kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, A+, B, B+, C, E, F, F+ en G voor het kalenderjaar 2011 sluiten betreffende havenstaatcontrole; Gelet op het koninklijk besluit van 13 maart 2011Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/03/2011 pub. 23/03/2011 numac 2011014041 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor de met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties sluiten inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor de met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties; Gelet op het koninklijk besluit van 15 juni 2011Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 15/06/2011 pub. 17/06/2011 numac 2011014148 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit betreffende de naleving van vlaggenstaatverplichtingen sluiten betreffende de naleving van vlaggenstaatverplichtingen; Gelet op het koninklijk besluit van 15 maart 2017Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 15/03/2017 pub. 22/03/2017 numac 2017020264 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 25 december 2016 tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten sluiten tot uitvoering van de wet van 25 december 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/12/2016 pub. 19/01/2017 numac 2017030001 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Wet tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten sluiten tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten; Gelet op het koninklijk besluit van 28 februari 2019Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/02/2019 pub. 05/04/2019 numac 2019040653 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit betreffende een inspectiesysteem voor de veilig exploitatie van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersschepen op geregelde diensten sluiten betreffende een inspectiesysteem voor de veilig exploitatie van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersschepen op geregelde diensten; Gelet op het koninklijk besluit van 28 juni 2019Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/06/2019 pub. 04/07/2019 numac 2019041207 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit betreffende de pleziervaart sluiten betreffende de pleziervaart; Gelet op het koninklijk besluit van 6 april 2020Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/12/2016 pub. 19/01/2017 numac 2017030001 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Wet tot instelling van administratieve geldboetes van toepassing in geval van inbreuken op de scheepvaartwetten sluiten0 betreffende de gedeeltelijke inwerkingtreding van het Belgisch Scheepvaartwetboek ; Gelet op de betrokkenheid van de gewestregeringen; Gelet op het advies nr. 47/2020 van de Gegevensbeschermingsautoriteit gegeven op 5 juni 2020 met toepassing van artikel 23 van de wet van 3 december 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/12/2017 pub. 10/01/2018 numac 2017031916 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit type wet prom. 03/12/2017 pub. 25/09/2018 numac 2018013819 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 2 april 2020; Gelet op het advies 67.403/4 van de Raad van State gegeven op 8 juni 2020 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op de voordracht van de Minister van Noordzee, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Artikel 1.1. Voor de toepassing van dit besluit betekent: 1° Directoraat: het Directoraat-generaal Scheepvaart van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;2° erkende organisatie: een organisatie die is erkend overeenkomstig Verordening (EG) nr.391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties (herschikking); 3° EER : Europese Economische Ruimte. Art. 1.2. Wanneer het woord "schriftelijk" wordt gebruikt in dit besluit, sluit dit niet uit dat een document in elektronische vorm kan worden opgesteld en/of verstuurd. Art. 1.3. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald in dit besluit is de verantwoordelijke voor de verwerkingen van persoonsgegevens met oog op handhaving en controle van het Belgisch Scheepvaartwetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. De persoonsgegevens overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van de natuurlijke personen in verband met de verwerking van de persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) worden bewaard tot maximum 10 jaar nadat het schip niet meer onder Belgische vlag vaart. HOOFDSTUK 2. - Vlaggenstaat Art. 2.1. Dit hoofdstuk voorziet in de omzetting van: - richtlijn 2009/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de naleving van vlaggenstaatverplichtingen. Dit hoofdstuk voorziet in de gedeeltelijke omzetting van: - richtlijn 2013/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende bepaalde verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat met betrekking tot de naleving en de handhaving van het Verdrag betreffende maritieme arbeid, 2006. Art. 2.2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: 1° certificaten: wettelijk voorgeschreven certificaten die met betrekking tot de relevante IMO-verdragen en/of overeenkomstig het MLC-Verdrag zijn afgegeven;2° relevante onderdelen van het MLC-Verdrag: de onderdelen van het MLC-Verdrag waarvan de inhoud geacht wordt overeen te komen met de bepalingen in de bijlage bij richtlijn 2009/13/EG van de Raad van 16 februari 2009 tot tenuitvoerlegging van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) inzake het verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 en tot wijziging van richtlijn 1999/63/EG;3° Dienst Vlaggenstaat: de bevoegde autoriteit van België overeenkomstig richtlijn 2009/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de naleving van vlaggenstaatverplichtingen. Art. 2.3. § 1. De dienst Vlaggenstaat is een onderdeel van het Directoraat. § 2. Om te garanderen dat de vlaggenstaatverplichtingen doeltreffend en consequent vervuld worden en om de veiligheid en de maritieme arbeid te verbeteren en verontreiniging door Belgische zeeschepen te voorkomen, wordt de Dienst Vlaggenstaat belast met volgende opdrachten: 1° toezicht op het naar behoren naleven van de internationale en nationale regelgeving met betrekking tot maritieme arbeid, de veiligheid van Belgische zeeschepen, de voorkoming van verontreiniging van het mariene milieu door Belgische zeeschepen en de bemanning van Belgische zeeschepen;2° instaan voor de afgifte van de certificaten en de certificaten van vrijstelling aan de Belgische zeeschepen, met uitzondering van de certificaten betreffende verzekeringen en aansprakelijkheden. § 3. De Directeur-generaal van het Directoraat kan bijkomende taken toevertrouwen aan de Dienst Vlaggenstaat. Art. 2.4. Voordat toegestaan wordt dat een Belgisch zeeschip in gebruik wordt genomen, neemt de Dienst Vlaggenstaat de maatregelen die deze geschikt acht om te waarborgen dat het bewuste Belgische zeeschip aan de toepasselijke internationale en nationale regelgeving voldoet. De Dienst Vlaggenstaat vergewist zich met name met alle redelijke middelen van de veiligheidsrapporten van het Belgische zeeschip. Indien nodig pleegt de Dienst Vlaggenstaat overleg met de vorige vlaggenstaat om vast te stellen of er door de genoemde staat ontdekte tekortkomingen of veiligheidsproblemen zijn die onopgelost zijn gebleven. Wanneer een andere vlaggenstaat informatie vraagt over een zeeschip dat voorheen de Belgische vlag voerde, verstrekt de Dienst Vlaggenstaat onverwijld bijzonderheden over nog te verhelpen tekortkomingen en andere relevante veiligheidsinformatie aan de vlaggenstaat die de informatie vraagt. Art. 2.5. § 1. Wanneer de Dienst Vlaggenstaat ervan in kennis gesteld wordt dat een Belgisch zeeschip door een havenstaat is aangehouden, ziet de Dienst Vlaggenstaat erop toe dat het Belgische zeeschip in overeenstemming wordt gebracht met de toepasselijke IMO-verdragen en het MLC-Verdrag. De dienst Vlaggenstaat stelt hiervoor de procedures vast. § 2. Bij het uitoefenen van de in § 1 vastgestelde taken kan er door de Dienst Vlaggenstaat een beroep gedaan worden op een erkende organisatie. Art. 2.6. § 1. De dienst Vlaggenstaat houdt ten minste de volgende gegevens betreffende de Belgische zeeschepen bij en zorgt ervoor dat deze gemakkelijk toegankelijk zijn voor het doel van artikel 1 van richtlijn 2009/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de naleving van vlaggenstaatverplichtingen: 1° scheepsgegevens (naam, IMO-nummer indien van toepassing, enz.); 2° datum van de controles, inclusief eventuele aanvullende controles, en van de audits;3° identificatie van de erkende organisaties die betrokken zijn bij de certificering en classificering van het Belgische zeeschip;4° identificatie van de bevoegde autoriteit die het Belgische zeeschip heeft geïnspecteerd overeenkomstig de havenstaatcontrolebepalingen en de data van de inspecties;5° resultaat van de havenstaatcontrole (tekortkomingen: ja of neen, aanhoudingen: ja of neen);6° informatie over ongevallen op zee overeenkomstig hoofdstuk 7 van titel 7 van boek 2 van het Belgisch Scheepvaartwetboek;7° identificatie van de zeeschepen die in de voorbije twaalf maanden hebben opgehouden de Belgische vlag te voeren. § 2. De eigenaars van de Belgische zeeschepen leveren de gegevens vermeld in § 1, 2° tot en met 6°, elektronisch en kosteloos aan in een vorm die geschikt is voor het rechtstreeks en automatisch invoeren ervan. § 3. De erkende organisaties leveren de gegevens vermeld in § 1, 2°, elektronisch en kosteloos aan in een vorm die geschikt is voor het rechtstreeks en automatisch invoeren ervan. Art. 2.7. De administratie van de inspectiesystemen van de Dienst Vlaggenstaat, zoals bepaald in dit hoofdstuk, wordt voortdurend door een systeem van kwaliteitsbewaking getoetst volgens de ISO norm 9001 of volgens een gelijkwaardige norm teneinde te garanderen dat de daartoe vastgestelde doelstellingen worden verwezenlijkt, met inbegrip van de doelstellingen zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 13 juni 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2014 pub. 11/07/2014 numac 2014204102 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer, federale overheidsdienst justitie, federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Wet tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006 sluiten tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid, 2006. Het personeel van de Dienst Vlaggenstaat dat gemachtigd is inspecties uit te voeren overeenkomstig dit hoofdstuk en de wet van 13 juni 2014Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/2014 pub. 11/07/2014 numac 2014204102 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer, federale overheidsdienst justitie, federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Wet tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006 sluiten tot uitvoering en controle van de toepassing van het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006, en belast is met de controle op de correcte tenuitvoerlegging van de relevante onderdelen van het MLC-Verdrag, krijgt de opleiding en beschikt over de competentie en de onafhankelijkheid die nodig of wenselijk zijn om die controle te kunnen uitvoeren en om te zorgen voor de handhaving van de relevante onderdelen van het MLC-Verdrag. Art. 2.8. In het geval dat België zou voorkomen op de zwarte, of twee jaar na elkaar op de grijze lijst in het meest recente jaarverslag van het Memorandum van Overeenstemming van Parijs inzake havenstaatcontrole (MOU van Parijs), dient de Dienst Vlaggenstaat uiterlijk vier maanden na de bekendmaking van het jaarverslag van het MOU van Parijs een verslag over hun prestaties als vlaggenstaat in bij de Commissie. Dit verslag stelt de voornaamste redenen voor het gebrek aan naleving dat tot aanhoudingen en tekortkomingen heeft geleid, met de zwarte of grijze status als gevolg, vast en analyseert deze. HOOFDSTUK 3. - Delegatie Afdeling 1 - Delegatie aan erkende organisaties Art. 3.1. Deze afdeling voorziet in de omzetting van: - richtlijn 2009/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties; - uitvoeringsrichtlijn 2014/111/EU van de Commissie van 17 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2009/15/EG, wat betreft de vaststelling door de IMO van bepaalde codes en de bijbehorende wijzigingen van bepaalde verdragen en protocollen. Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van: - richtlijn 2013/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende bepaalde verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat met betrekking tot de naleving en de handhaving van het Verdrag betreffende maritieme arbeid, 2006. Art. 3.2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder: a) internationale verdragen: het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1 november 1974 (SOLAS-Verdrag) met uitzondering van hoofdstuk XI-2 van de bijlage bij dat verdrag, het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 5 april 1966 en het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 2 november 1973 (MARPOL-Verdrag), samen met de protocollen en wijzigingen daarvan, en de daarmee verband houdende codes met een verbindend karakter in alle lidstaten met uitzondering van de punten 16.1, 18.1 en 19 van deel 2 van de code inzake de uitvoering van IMO-instrumenten, en van de punten 1.1, 1.3, 3.9.3.1, 3.9.3.2 en 3.9.3.3 van deel 2 van de IMO-code voor erkende organisaties, in hun bijgewerkte versie; b) inspecties en controles: de inspecties en controles die verplicht zijn op grond van de internationale verdragen;c) wettelijk voorgeschreven certificaat: een certificaat dat door of namens een vlaggenstaat is afgegeven overeenkomstig de internationale verdragen; d) Resolutie A.847(20): Resolutie A.847(20) van de IMO van 27 november 1997, getiteld "Richtlijnen ter ondersteuning van de vlaggenstaten bij de toepassing van IMO-instrumenten"; e) de minister: de minister bevoegd voor de maritieme mobiliteit;f) zeggenschap: voor de toepassing van de bepaling onder g) : rechten, contracten of alle andere middelen, rechtens of feitelijk, die afzonderlijk of in combinatie de mogelijkheid verlenen om beslissende invloed uit te oefenen op een juridische entiteit, of die entiteit in staat te stellen taken uit te voeren die binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen;g) organisatie: een juridische entiteit, haar dochterondernemingen en alle andere entiteiten waarover zij zeggenschap heeft, die gezamenlijk of afzonderlijk taken uitvoeren die binnen het toepassingsgebied van deze afdeling vallen; h) machtiging: een handeling waarbij de minister aan een erkende organisatie een recht verleent of bevoegdheid delegeert overeenkomstig artikel 3.3, § 2 en/of § 4; i) Resolutie A.739(18): Resolutie A.739(18) van de IMO van 4 november 1993, getiteld "Richtlijnen voor het machtigen van organisaties die namens de administratie optreden"; j) MSC/Circulaire 710: MSC/Circulaire 710 van de IMO, getiteld "Modelovereenkomst voor de machtiging van erkende organisaties die namens de administratie optreden";k) MEPC/Circulaire 307: MEPC/Circulaire 307 van de IMO, getiteld "Modelovereenkomst voor de machtiging van erkende organisaties die namens de administratie optreden";l) Verordening (EG) nr.391/2009: Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties; m) voorschriften en procedures: de eisen van een erkende organisatie voor het ontwerp, de bouw, de uitrusting, het onderhoud en de controle van zeeschepen;n) klassecertificaat: een door een erkende organisatie afgegeven document waarin wordt bevestigd dat een zeeschip, overeenkomstig de door die erkende organisatie vastgestelde en gepubliceerde voorschriften en procedures, geschikt is voor een bepaald gebruik of een bepaalde dienst;o) lidstaat: een lidstaat van de EER. Art. 3.3. § 1. De Scheepvaartcontrole ziet erop toe dat de internationale verdragen, met name die betreffende de inspectie en de controle van zeeschepen en de afgifte van wettelijk voorgeschreven certificaten en certificaten van vrijstelling, naar behoren worden nageleefd. De Scheepvaartcontrole gaat te werk overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de bijlage en het aanhangsel van Resolutie A.847(20). § 2. Onverminderd de bepalingen van § 4, wanneer de minister, rekening houdend met de samenstelling, de technische kenmerken en het beschikbare marktsegment van de Belgische vloot, voor de toepassing van § 1 besluit om, voor de Belgische zeeschepen: 1° organisaties te machtigen tot de volledige of gedeeltelijke uitvoering van inspecties en controles in verband met wettelijk voorgeschreven certificaten, met inbegrip van die voor het beoordelen van de naleving van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement en, wanneer van toepassing, tot het afgeven en vernieuwen van de betrokken certificaten, of 2° organisaties te belasten met het volledig of gedeeltelijk uitvoeren van de onder 1° bedoelde inspecties en controles, vertrouwt de minister deze taken alleen toe aan erkende organisaties. Voor de eerste afgifte van certificaten van vrijstelling is in ieder geval de goedkeuring van de Scheepvaartcontrole vereist. De in de bepaling onder 1° bedoelde machtiging kan echter niet de afgifte van het certificaat van deugdelijkheid bedoeld in artikel 2.2.3.10 van het Belgisch Scheepvaartwetboek omvatten. § 3. Dit artikel is niet van toepassing op de certificatie van afzonderlijke onderdelen van de scheepsuitrusting. § 4. De minister kan een erkende organisatie, indien zij daarmee instemt en op voorwaarde dat zij aantoont dat zij voldoende capaciteit heeft en voldoende bevoegd en onafhankelijk is, een bijkomende erkenning en bijkomende machtiging verlenen voor het toezicht op de naleving van het MLC-Verdrag en de afgifte van krachtens het MLC-Verdrag wettelijk voorgeschreven certificaten en certificaten van vrijstelling. In ieder geval blijft de Belgische overheid volledig verantwoordelijk voor de inspectie van de leef- en werkomstandigheden van de betrokken zeevarenden op een Belgisch zeeschip. Deze bepaling doet geen afbreuk aan richtlijn 2009/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor de met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties. De erkende organisatie die krachtens deze paragraaf een bijkomende machtiging heeft ontvangen ziet erop toe dat haar personeel dat gemachtigd is inspecties uit te voeren en belast is met de controle op de correcte tenuitvoerlegging van het MLC-Verdrag de opleiding krijgt en over de competentie en de onafhankelijkheid beschikt die nodig of wenselijk zijn om die controle te kunnen uitvoeren en om te zorgen voor de handhaving van het MLC-Verdrag. De bepalingen van dit lid doen geen afbreuk aan de bepalingen van bijlage I van Verordening (EG) nr. 391/2009. De bepalingen van deze afdeling en Verordening (EG) nr. 391/2009, uitgezonderd de bepalingen betreffende de erkenning van organisaties en de bepalingen inzake kennisgeving aan de Europese Commissie en de Lidstaten van de Europese Unie, zijn mutatis mutandis van toepassing voor wat betreft het MLC-Verdrag. Art. 3.4. § 1. Nadat de minister een besluit ingevolge artikel 3.3, § 2 en/of § 4, heeft genomen neemt, stelt de minister een werkafspraak vast voor de relatie tussen de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer en de in naam van de minister optredende organisaties. De werkafspraak wordt vastgesteld in de vorm van een formele en niet-discriminerende overeenkomst waarin de door de organisaties uit te voeren specifieke taken en functies worden omschreven en die minimaal behelst: 1° de bepalingen van aanhangsel II bij Resolutie A.739(18), met als inspiratiebron de bijlage, aanhangsels en toevoeging bij MSC/Circulaire 710 en MEPC/Circulaire 307; 2° de volgende bepalingen betreffende de financiële aansprakelijkheid: a) indien de overheid definitief en onherroepelijk door een rechtbank of naar aanleiding van een uitspraak in een geschillenbeslechtingsprocedure aansprakelijk wordt gesteld voor en wordt verplicht tot het schadeloos stellen van gelaedeerden voor het verlies van of schade aan goederen, persoonlijk letsel of dood ten gevolge van een ongeval op zee waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door een opzettelijk handelen dan wel verzuim of grove nalatigheid van de erkende organisatie, haar organen, werknemers, vertegenwoordigers of anderen die namens de erkende organisatie optreden, heeft de overheid recht op schadeloosstelling door de erkende organisatie in de mate waarin voormeld verlies, schade, letsel of dood naar het oordeel van die rechtbank, door de erkende organisatie werd veroorzaakt;b) indien de overheid definitief en onherroepelijk door een rechtbank of naar aanleiding van een uitspraak in een geschillenbeslechtingsprocedure aansprakelijk wordt gesteld voor en wordt verplicht tot het schadeloos stellen van gelaedeerden voor het persoonlijk letsel of de dood ten gevolge van een ongeval op zee waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door een nalatige of roekeloze handeling dan wel verzuim van de erkende organisatie, haar organen, werknemers, vertegenwoordigers of anderen die namens de erkende organisatie optreden, heeft de overheid recht op schadeloosstelling door de erkende organisatie in de mate waarin genoemd persoonlijk letsel of de dood naar het oordeel van die rechtbank door de erkende organisatie werd veroorzaakt;het door de erkende organisatie te betalen maximumbedrag kan worden beperkt, maar een dergelijk bedrag moet ten minste 4 miljoen euro bedragen; c) indien de overheid definitief en onherroepelijk door een rechtbank of naar aanleiding van een uitspraak in een geschillenbeslechtingsprocedure aansprakelijk wordt gesteld voor en wordt verplicht tot het schadeloos stellen van gelaedeerden voor het verlies van of schade aan goederen ten gevolge van een ongeval op zee waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door een nalatige of roekeloze handeling dan wel verzuim van de erkende organisatie, haar organen, werknemers, vertegenwoordigers of anderen die namens de erkende organisatie optreden, heeft de overheid recht op schadeloosstelling door de erkende organisatie in de mate waarin het verlies of de schade naar het oordeel van die rechtbank door de erkende organisatie werd veroorzaakt;het door de erkende organisatie te betalen maximumbedrag kan worden beperkt, maar een dergelijk bedrag moet ten minste 2 miljoen euro bedragen; 3° een periodieke controle door de Scheepvaartcontrole of door een door de overheid benoemd onpartijdig extern orgaan van de wijze waarop de door haar gemachtigde organisaties hun taken uitvoeren, als bedoeld in artikel 3.6; 4° de mogelijkheid van willekeurige en gedetailleerde inspecties van zeeschepen;5° de verplichte rapportering van belangrijke gegevens betreffende de door hen geklasseerde vloot, en de wijziging, schorsing of intrekking van de klassering van vaartuigen. 6° voor welke verdragen bedoeld in artikel 1.1.1.1 van het Belgische Scheepvaartwetboek dat de erkende organisatie wordt gemachtigd naast de internationale verdragen bedoeld in artikel 3.2, onder a. § 2. In de overeenkomst kan als voorwaarde worden gesteld dat de erkende organisatie die door de minister overeenkomstig artikel 3.3, § 2 en/of § 4, gemachtigd werd, een plaatselijke vertegenwoordiging heeft op Belgisch grondgebied. Een plaatselijke vertegenwoordiging voldoet aan die voorwaarde wanneer zij overeenkomstig de Belgische wetgeving rechtspersoonlijkheid heeft, zetel heeft in België en onder de rechtsbevoegdheid van de Belgische rechtbanken valt. § 3. De minister maakt een kopie van deze werkafspraak over aan de Europese Commissie. Art. 3.5. Niettegenstaande de in de bijlage I bij Verordening (EG) nr. 391/2009 vermelde minimumcriteria kan de minister indien deze van oordeel is dat deze een erkende organisatie niet langer kan machtigen om namens de minister de in artikel 3.3 omschreven taken uit te voeren, die machtiging schorsen of intrekken. In dat geval stelt de minister de Europese Commissie en de andere lidstaten onverwijld in kennis van zijn met redenen omklede besluit. Art. 3.6. De Scheepvaartcontrole vergewist zich ervan dat erkende organisaties de taken waartoe zij voor de toepassing van artikel 3.3, § 2 en/of § 4, werden gemachtigd, daadwerkelijk uitvoeren ten genoegen van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. Om de in het eerste lid bedoelde taak uit te voeren, controleert de Scheepvaartcontrole minstens om de twee jaar elke namens de minister optredende erkende organisatie en legt zij uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op het jaar waarin die controles werden verricht een verslag over de resultaten van die controles voor aan de andere lidstaten en de Europese Commissie. Art. 3.7. Om de in artikel 3.6, eerste lid, bedoelde taken uit te voeren, deelt de Scheepvaartcontrole alle informatie over alle toepasselijke nationale wet- en regelgeving en relevante internationale instrumenten mee aan de erkende organisatie. Art. 3.8. Bij de uitoefening van de inspectierechten en het nakomen van de verplichtingen als havenstaat meldt de Scheepvaartcontrole aan de Europese Commissie en de overige lidstaten, alsmede aan de betrokken vlaggenstaat, wanneer zij ontdekt dat door namens een vlaggenstaat optredende erkende organisaties geldige wettelijk voorgeschreven certificaten zijn afgegeven aan een zeeschip dat niet aan de desbetreffende bepalingen van de internationale verdragen voldoet, of dat een zeeschip met een geldig klassecertificaat een tekortkoming heeft die valt onder de in het certificaat vermelde kenmerken. Alleen gevallen van zeeschepen die een ernstig gevaar betekenen voor veiligheid en milieu of die tekenen vertonen van ernstige nalatigheid van de kant van de erkende organisaties, worden binnen de doelstellingen van dit artikel gemeld. De erkende organisatie in kwestie wordt bij de eerste inspectie op deze situatie gewezen, zodat zij onmiddellijk de nodige vervolgmaatregelen kan treffen. Art. 3.9. Het Directoraat houdt een lijst bij van de erkende organisaties, gemachtigd om op te treden voor wat betreft het MLC-Verdrag en overhandigt die aan het Internationaal Arbeidsbureau. Op deze lijst wordt vermeld voor welke taken de erkende organisaties zijn gemachtigd Art.3.10. De Scheepvaartcontrole ziet erop toe dat de Belgische zeeschepen, worden ontworpen, gebouwd, uitgerust en onderhouden overeenkomstig de voorschriften en procedures van een erkende organisatie betreffende de romp, de machines, de elektrische installaties en de bedieningsapparatuur. De Scheepvaartcontrole werkt samen met de erkende organisaties die door de minister overeenkomstig artikel 3.3, § 2 en/of § 4, gemachtigd werden, bij de ontwikkeling van de voorschriften en procedures van de erkende organisaties. Zij overlegt met de erkende organisaties om te komen tot een consistente interpretatie van de internationale verdragen. Afdeling 2 - Delegatie aan andere partijen Art. 3.11. De minister kan taken van de Scheepvaartcontrole die niet onder afdeling 1 vallen toekennen aan ondernemingen die hun maatschappelijke zetel binnen de EER hebben. Art. 3.12. Nadat de minister een besluit ingevolge artikel 3.11 heeft genomen, stelt de minister een werkafspraak vast voor de relatie tussen de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer en de desbetreffende onderneming. De werkafspraak wordt vastgesteld in de vorm van een formele en niet-discriminerende overeenkomst waarin de door de organisaties uit te voeren specifieke taken en functies worden omschreven en die minimaal het volgende behelst: 1° de volgende bepalingen inzake financiële aansprakelijkheid: a) indien de overheid definitief en onherroepelijk door een rechtbank of naar aanleiding van een uitspraak in een geschillenbeslechtingsprocedure aansprakelijk wordt gesteld voor en wordt verplicht tot het schadeloos stellen van gelaedeerden voor het verlies van of schade aan goederen, persoonlijk letsel of dood ten gevolge van een ongeval op zee waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door een opzettelijk handelen dan wel verzuim of grove nalatigheid van de onderneming, haar organen, werknemers, vertegenwoordigers of anderen die namens de onderneming optreden, heeft de overheid recht op schadeloosstelling door de onderneming in de mate waarin voormeld verlies, schade, letsel of dood naar het oordeel van die rechtbank, door de onderneming werd veroorzaakt;b) indien de overheid definitief en onherroepelijk door een rechtbank of naar aanleiding van een uitspraak in een geschillenbeslechtingsprocedure aansprakelijk wordt gesteld voor en wordt verplicht tot het schadeloos stellen van gelaedeerden voor het persoonlijk letsel of de dood ten gevolge van een ongeval op zee waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door een nalatige of roekeloze handeling dan wel verzuim van de onderneming, haar organen, werknemers, vertegenwoordigers of anderen die namens de onderneming optreden, heeft de overheid recht op schadeloosstelling door de onderneming in de mate waarin genoemd persoonlijk letsel of de dood naar het oordeel van die rechtbank door de erkende onderneming werd veroorzaakt;het door de onderneming te betalen maximumbedrag kan worden beperkt, maar een dergelijk bedrag moet ten minste even hoog zijn als het bedrag bepaald door de minister bij de toekenning bedoeld in artikel 3.11. c) indien de overheid definitief en onherroepelijk door een rechtbank of naar aanleiding van een uitspraak in een geschillenbeslechtingsprocedure aansprakelijk wordt gesteld voor en wordt verplicht tot het schadeloos stellen van gelaedeerden voor het verlies van of schade aan goederen ten gevolge van een ongeval op zee waarvan voor die rechtbank bewezen is dat het veroorzaakt is door een nalatige of roekeloze handeling dan wel verzuim van de onderneming, haar organen, werknemers, vertegenwoordigers of anderen die namens de onderneming optreden, heeft de overheid recht op schadeloosstelling door de onderneming in de mate waarin het verlies of de schade naar het oordeel van die rechtbank door de erkende onderneming werd veroorzaakt;het door de onderneming te betalen maximumbedrag kan worden beperkt, maar een dergelijk bedrag moet ten minste de helft zijn van het bedrag bedoeld in de bepaling onder b; 2° een periodieke controle door de Scheepvaartcontrole of door een door de overheid benoemd onpartijdig extern orgaan van de wijze waarop de door haar gemachtigde organisaties hun taken uitvoeren, als bedoeld in artikel 3.6; 3° de mogelijkheid van willekeurige en gedetailleerde inspecties van zeeschepen;4° de verplichte rapportering. Afdeling 3. - Gegevensverwerking Art. 3.13. De verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van dit hoofdstuk is de erkende organisatie respectievelijk de onderneming zoals bedoeld in afdeling 2 van dit hoofdstuk. De personeelsleden van het Directoraat en de personeelsleden van de erkende organisatie respectievelijk de onderneming zoals bedoeld in afdeling 2 van dit hoofdstuk hebben toegang tot de persoonsgegevens overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van de natuurlijke personen in verband met de verwerking van de persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) in het kader van dit hoofdstuk. De persoonsgegevens overeenkomstig de algemene verordening gegevensbescherming worden bewaard tot maximum 10 jaar nadat het schip niet meer onder Belgische vlag vaart. HOOFDSTUK 4. - Havenstaatcontrole Art. 4.1. Dit hoofdstuk voorziet in de omzetting van: - richtlijn 96/40/EG van de Commissie van 25 juni 1996 houdende het vaststellen van een gemeenschappelijk model voor een identiteitskaart voor inspecteurs die de havenstaatcontrole verrichten; en - richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole gewijzigd bij Richtlijn 2013/38/EU en gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de monitoring, de rapportage en de verificatie van kooldioxide-emissies door maritiem vervoer en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG; en - richtlijn 2017/2110/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 betreffende een inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG en tot intrekking van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad. Art. 4.2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: 1° verdragen: de volgende verdragen, met inbegrip van de op deze verdragen betrekking hebben protocollen, wijzigingen en voorschriften met dwingend karakter, in de versie die van kracht is: a) LL-Verdrag;b) SOLAS-Verdrag;c) MARPOL-Verdrag;d) STCW-Verdrag;e) COLREG-Verdrag;f) TMC-Verdrag;g) CLC-Verdrag 1992;h) MLC-Verdrag;i) AFS-Verdrag;j) BUNKER-Verdrag;k) BWM-Verdrag;2° MOU van Parijs: het op 26 januari 1982 te Parijs ondertekende Memorandum van overeenstemming inzake havenstaatcontrole, in de versie die van kracht is; 3° Kader en procedures voor de audit van de lidstaten door de IMO: resolutie A.1067(28) van de algemene vergadering van de IMO; 4° Onder het MOU van Parijs vallende gebied: het geografische gebied waarin de ondertekenende partijen bij het MOU van Parijs inspecties uitvoeren overeenkomstig het MOU van Parijs;5° Schip: een zeegaand vaartuig waarop één of meer van de verdragen van toepassing zijn, varend onder een andere vlag dan die van de havenstaat;6° Schip/haven-raakvlak: de interacties die plaatsvinden wanneer een schip rechtstreeks en onmiddellijk betrokken is bij de acties die gepaard gaan met de verplaatsing van personen of goederen, dan wel de verlening van havendiensten aan of vanuit het schip;7° Schip voor een ankerplaats: een schip in een haven of in een ander gebied onder de jurisdictie van een haven dat niet aan de kade ligt en een schip/haven-raakvlak uitvoert;8° Inspecteur: de scheepvaartcontroleur aangeduid om havenstaatcontroles in de zin van dit besluit uit te voeren;9° Bevoegde autoriteit: maritieme overheid die overeenkomstig Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole verantwoordelijk is voor de havenstaatcontrole;10° Nachttijd: de tijd tussen 20 uur `s avonds en 6 uur 's ochtends; 11° Eerste inspectie: een bezoek door een inspecteur aan boord van een schip teneinde na te gaan of wordt voldaan aan de geldende verdragen en voorschriften waarbij ten minste de in artikel 4.12, 1, vermelde controles worden uitgevoerd; 12° Meer gedetailleerde inspectie: een inspectie waarbij het schip, de uitrusting en de bemanning, geheel of, voor zover van toepassing, gedeeltelijk onder de in artikel 4.12, 3, beschreven omstandigheden worden onderworpen aan een grondig onderzoek, dat de constructie van het schip, de uitrusting, de personeelssterkte, de leef- en werkomstandigheden en de naleving van de operationele voorschriften aan boord omvat; 13° Uitgebreide inspectie: een inspectie die tenminste de in bijlage VII opgesomde onderdelen omvat.Een uitgebreide inspectie kan een meer gedetailleerde inspectie omvatten indien daarvoor op grond van artikel 4.12, 3, gegronde redenen zijn; 14° Klacht: informatie of rapport ingediend door een persoon of organisatie die een legitiem belang heeft bij de veiligheid van het schip, met inbegrip van de veiligheids- en gezondheidsrisico's voor bemanning, leef- en werkomstandigheden aan boord en de voorkoming van verontreiniging;15° Aanhouding: het formele verbod voor een schip om uit te varen omdat er tekortkomingen zijn geconstateerd die afzonderlijk of gezamenlijk maken dat het schip niet zeewaardig is;16° Besluit tot weigering van de toegang: een besluit dat aan de kapitein van het schip, de verantwoordelijke maatschappij en de vlaggenstaat wordt overhandigd waarbij wordt meegedeeld dat het schip de toegang tot alle havens en ankerplaatsen van de EER wordt geweigerd;17° Stopzetting van een activiteit: het formele verbod voor een schip om een activiteit voort te zetten omdat er tekortkomingen zijn geconstateerd die afzonderlijk of gezamenlijk maken dat voortzetting van deze activiteit gevaarlijk is;18° Maatschappij: de eigenaar van het schip of een andere organisatie of persoon, zoals de bedrijfsvoerder of rompbevrachter, die de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het schip heeft overgenomen van de eigenaar en er daardoor mee heeft ingestemd alle door de Internationale Veiligheidsmanagementcode (ISM-code) voorgeschreven taken en verantwoordelijkheden op zich te nemen;19° Wettelijk voorgeschreven certificaat: een door of namens een vlaggenstaat overeenkomstig internationale verdragen afgegeven certificaat;20° Klassecertificaat: een document waarin wordt bevestigd dat wordt voldaan aan SOLAS-Verdrag, hoofdstuk II-1, deel A-1, voorschrift 3-1;21° Inspectiedatabank: het informatiesysteem dat ontwikkeld, onderhouden en bijgewerkt wordt door de Europese Commissie en dat bijdraagt tot de uitvoering van de regeling inzake het havenstaatcontrolestelsel in de Europese Unie en betreffende de gegevens van inspecties uitgevoerd in de Europese Unie en in het onder het MOU van Parijs vallende gebied;22° lidstaat: een lidstaat van de EER;23° ro-ro-passagiersschip: een schip dat de nodige voorzieningen heeft om weg- of spoorvoertuigen het schip op en af te laten rijden, en dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;24° hogesnelheidspassagiersschip: een schip als omschreven in hoofdstuk X, voorschrift 1, van het SOLAS-verdrag van 1974, dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;25° geregelde dienst: een reeks oversteken van een ro-ro-passagiersschip of een hogesnelheidspassagiersschip ten behoeve van het verkeer tussen dezelfde twee of meer havens, of een reeks reizen van en naar dezelfde haven zonder tussen liggende aanloophavens, welke plaatsvinden: i) Volgens een gepubliceerde dienstregeling;of ii) Met een zodanige regelmaat of frequentie dat zij een herkenbare systematische reeks vormen. Alle verwijzingen in dit hoofdstuk naar de verdragen, internationale codes en resoluties, waaronder voor certificaten en andere documenten, worden beschouwd als verwijzingen naar de actuele versies van die verdragen, internationale codes en resoluties. Art. 4.3. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op ieder schip en zijn bemanning dat een Belgische haven of ankerplaats aandoet om een interactie schip/haven-raakvlak te verrichten. Indien een inspecteur een schip inspecteert dat zich bevindt in de onder de jurisdictie van België vallende wateren op een andere plaats dan in een haven, wordt deze inspectie beschouwd als een inspectie voor de toepassing van dit hoofdstuk. Dit artikel laat het recht om op te treden waarover een inspecteur op grond van de relevante internationale verdragen beschikt, onverlet. Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op inspecties van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidsschepen die worden uitgevoerd buiten een haven of ankerplaats tijdens een geregelde dienst overeenkomstig artikel 4.15. § 2. In het geval van schepen met een brutotonnenmaat van minder dan 500, passen de inspecteurs de toepasselijke bepalingen van de verdragen toe en voor zover een verdrag niet van toepassing is, nemen zij de maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de schepen geen duidelijk gevaar opleveren voor de veiligheid, de gezondheid of het milieu. Bij de toepassing van deze paragraaf nemen de inspecteurs bijlage 1 van het MOU van Parijs als richtsnoer. § 3. Bij de inspectie van een schip dat vaart onder de vlag van een staat die geen partij is bij een verdrag, zien de inspecteurs erop toe dat schip en bemanning geen gunstiger behandeling krijgen dan een schip dat vaart onder de vlag van een staat die wel partij is bij dat verdrag. Een dergelijk schip wordt onderworpen aan een meer gedetailleerde inspectie in overeenstemming met de procedures van het MOU van Parijs. § 4. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op vissersvaartuigen, oorlogsschepen, marinehulpschepen, houten schepen van primitieve bouw, voor niet-commerciële doeleinden gebruikte overheidsschepen en niet-commerciële pleziervaartuigen. § 5. Maatregelen die ter uitvoering van dit hoofdstuk worden vastgesteld, leiden niet tot een verlaging van het algemene niveau van de bescherming die zeevarenden op grond van het sociaal recht van de Unie genieten op de gebieden waarop dit hoofdstuk van toepassing is, ten opzichte van de situatie die in iedere lidstaat reeds bestaat. Als de Scheepvaartcontrole bij de uitvoering van die maatregelen te weten komt dat er sprake is van een duidelijke schending van het Unierecht aan boord van schepen die onder de vlag van een lidstaat varen, meldt deze instantie dit in overeenstemming met het nationale recht en de nationale praktijk onverwijld aan andere bevoegde autoriteiten met het oog op passende reacties daarop. Art. 4.4. De inspecteurs voeren inspecties uit overeenkomstig de in artikel 4.11 en in bijlage I omschreven keuzeregeling. Teneinde te voldoen aan de jaarlijkse inspectieverplichting: 1° inspecteren de inspecteurs alle schepen van prioriteitsklasse I, als bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, onder 1° die de Belgische havens en ankerplaatsen aandoen, en 2° voeren de inspecteurs jaarlijks een aantal inspecties uit van schepen van de prioriteitsklasse I en II, als bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, onder 1° en onder 2°, dat tenminste overeenkomt met het inspectieaandeel van België van het totale aantal jaarlijks in de EER en in het onder het MOU van Parijs vallende gebied uit te voeren inspecties. Het inspectieaandeel van België is gebaseerd op het aantal individuele schepen die de havens van België aandoen in verhouding tot de som van de individuele schepen die de havens van alle lidstaten in de EER en in het onder het MOU van Parijs vallende gebied aandoen. In een ankerplaats liggende schepen worden niet meegerekend in het in het tweede lid, onder 2°, bedoelde deel van het totale aantal inspecties dat jaarlijks in de EER en in het onder het MOU van Parijs vallende gebied moet worden verricht. Art. 4.5. Wanneer de voorgeschreven inspecties bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, onder 1°, niet volledig uitgevoerd worden, wordt de inspectieverplichting als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, onder 1°, nageleefd indien de niet-uitgevoerde inspecties binnen de volgende marges blijven: 1° 5 % van het totale aantal schepen van prioriteitsklasse I met een hoog risicoprofiel die de Belgische havens en ankerplaatsen aandoen, 2° 10 % van het totale aantal schepen van prioriteitsklasse I zonder hoog risicoprofiel die de Belgische havens of ankerplaatsen aandoen, Onverminderd de percentages in het eerste lid, onder 1° en 2° wordt voorrang gegeven aan inspecties van schepen die volgens de informatie van de inspectiedatabank niet vaak havens in de EER aandoen. Onverminderd de percentages vermeld in het eerste lid, onder 1° en 2° wordt voor schepen van prioriteitsklasse I bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, onder 1° die ankerplaatsen aandoen, voorrang gegeven aan inspecties van schepen met een hoog risicoprofiel die volgens de informatie van de inspectiedatabank niet vaak havens in de EER aandoen. Art. 4.6. Indien het totale aantal schepen van prioriteitsklasse I die een Belgische haven aandoen, groter is dan het inspectieaandeel als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, onder 2°, wordt de inspectieverplichting nageleefd indien een aantal inspecties op schepen van prioriteitsklasse I worden uitgevoerd dat ten minste beantwoordt aan het inspectieaandeel en ten hoogste 30 % van het totale aantal schepen van prioriteitsklasse I die de Belgische havens en ankerplaatsen aandoen, niet wordt geïnspecteerd. Indien het totale aantal schepen van prioriteitsklasse I en II die een Belgische haven aandoen, kleiner is dan het inspectieaandeel als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, onder 2°, wordt de inspectieverplichting nageleefd indien de op grond van artikel 4.4, tweede lid, onder 1°, voorgeschreven inspecties van schepen van prioriteitsklasse I worden uitgevoerd en ten minste 85 % van het totale aantal schepen van prioriteitsklasse II die de Belgische havens en ankerplaatsen aandoen worden geïnspecteerd. Art. 4.7. § 1. De inspecteurs kunnen in de volgende omstandigheden besluiten de inspectie van een schip van prioriteitsklasse I dat een Belgische haven heeft aangedaan, bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, onder 1° uit te stellen: 1° indien de inspectie kan worden uitgevoerd de eerstvolgende keer dat het schip opnieuw een Belgische haven aandoet, op voorwaarde dat het schip in de tussentijd geen andere haven in de EER of in het onder het MOU van Parijs vallende gebied heeft aangedaan en het uitstel niet meer dan 15 dagen bedraagt, of 2° indien de inspectie binnen 15 dagen kan worden uitgevoerd in een andere haven die in de EER of in het onder het MOU van Parijs vallende gebied wordt aangedaan, op voorwaarde dat de staat waar die haven gelegen is, zich vooraf bereid heeft verklaard de inspectie uit te voeren. Indien een inspectie wordt uitgesteld overeenkomstig de bepalingen vermeld in het eerste lid, onder 1° of 2°, en in de inspectiedatabank wordt geregistreerd, wordt die inspectie niet als een niet-uitgevoerde inspectie gerekend. Wanneer een inspectie van een schip van prioriteitsklasse I als bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, onder 1° niet is uitgevoerd in een haven van de EER, is het betrokken schip niet van inspectie vrijgesteld indien de volgende haven die aangedaan wordt een Belgische haven is. § 2. Onder de volgende uitzonderlijke omstandigheden wordt een om operationele redenen niet-uitgevoerde inspectie van schepen van prioriteitsklasse I als bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, onder 1° niet als niet-uitgevoerde inspectie aangerekend, mits de reden voor het niet uitvoeren van de inspectie in de inspectiedatabank wordt geregistreerd: 1° indien het uitvoeren van de inspectie naar het oordeel van de Scheepvaartcontrole een gevaar oplevert voor de veiligheid van de inspecteurs, het schip, de bemanning ervan of de haven, of voor het mariene milieu, of 2° indien het schip alleen gedurende de nachttijd de haven aandoet.De Scheepvaartcontrole neemt in dit geval echter de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat schepen die regelmatig gedurende de nachttijd een haven aandoen, eventueel kunnen worden geïnspecteerd. § 3. Indien een in ankerplaats liggend schip niet wordt geïnspecteerd, wordt zulks niet als niet-uitgevoerde inspectie aangerekend, indien: 1° het schip binnen 15 dagen in een andere haven of ankerplaats in de EER of in het onder het MOU van Parijs vallende gebied wordt geïnspecteerd overeenkomstig bijlage I;of 2° het schip alleen gedurende de nachttijd de haven aandoet, of gedurende een zodanig korte tijd de haven aandoet dat de inspectie niet naar behoren kan worden uitgevoerd, en de reden voor het niet uitvoeren van de inspectie in de inspectiedatabank wordt geregistreerd;of 3° het uitvoeren van de inspectie naar het oordeel van de Scheepvaartcontrole een gevaar oplevert voor de veiligheid van de inspecteurs, het schip, de bemanning ervan of de haven, of voor het mariene milieu, en de reden voor het niet uitvoeren van de inspectie in de inspectiedatabank wordt geregistreerd. Art. 4.8. De exploitant, agent of kapitein van een schip dat overeenkomstig artikel 4.14 voor een uitgebreide inspectie in aanmerking komt en op weg is naar een Belgische haven of ankerplaats dient de aankomst daarvan te melden overeenkomstig de bepalingen van bijlage III. Indien mogelijk geschiedt communicatie als bedoeld in dit artikel elektronisch. De met het oog op bijlage III ontwikkelde procedures en formulieren dienen te voldoen aan de betreffende bepalingen van het koninklijk besluit van 17 september 2005Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 17/09/2005 pub. 11/10/2005 numac 2005014166 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit tot omzetting van richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van richtlijn 93/75/EEG van de Raad sluiten tot omzetting van Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van richtlijn 93/75/EEG van de Raad. Art. 4.9. Aan elk schip dat een Belgische haven of ankerplaats aandoet, wordt in de inspectiedatabank een scheepsrisicoprofiel toegekend, dat bepalend is voor de voorrang voor inspectie, de termijnen tussen de inspecties en de reikwijdte van de inspectie. Het risicoprofiel van een schip wordt bepaald door een combinatie van de volgende algemene en historische risicoparameters: 1° algemene parameters Overeenkomstig bijlage I, deel I.1 en bijlage II, worden de algemene parameters gebaseerd op het type, de ouderdom, de vlaggenstaat, de betrokken erkende organisaties en de prestatie van de maatschappij. 2° historische parameters Overeenkomstig bijlage I, deel I.2 en bijlage II, worden de historische parameters gebaseerd op het aantal tekortkomingen en aanhoudingen over een bepaalde periode. Art. 4.10. Schepen die een Belgische haven of ankerplaats aandoen, worden als volgt aan een periodieke of een aanvullende inspectie onderworpen: 1° schepen worden afhankelijk van hun risicoprofiel met vooraf vastgestelde tussenpozen aan een periodieke inspectie onderworpen, overeenkomstig bijlage I, deel I.De termijn tussen twee periodieke inspecties neemt toe naarmate het risico afneemt. Voor schepen met een hoog risicoprofiel is deze termijn nooit langer dan zes maanden; 2° ongeacht de datum waarop de laatste periodieke inspectie heeft plaatsgevonden, worden schepen als volgt aan een aanvullende inspectie onderworpen: - de Scheepvaartcontrole zorgt ervoor dat schepen waarvoor dwingende factoren gelden als bedoeld in bijlage I, deel II.2A, worden geïnspecteerd; - schepen waarvoor onverwachte factoren gelden als bedoeld in bijlage I, deel II. 2B, kunnen worden geïnspecteerd. Het besluit om een aanvullende inspectie te verrichten, wordt overgelaten aan het professionele oordeel van de Scheepvaartcontrole. Art. 4.11. De Scheepvaartcontrole zorgt ervoor dat schepen voor inspectie worden geselecteerd op basis van hun risicoprofiel als bedoeld in bijlage I, deel I, dan wel, indien dwingende of onverwachte factoren optreden, overeenkomstig bijlage I, deel II. 2A en 2B. Met het oog op de inspectie van schepen: 1° selecteert de Scheepvaartcontrole schepen die aan een verplichte inspectie moeten worden onderworpen, "schepen van prioriteitsklasse I" genoemd, volgens de in bijlage I, deel II.3A, beschreven selectieregeling; 2° kan de Scheepvaartcontrole schepen selecteren die voor inspectie in aanmerking komen, "schepen van prioriteitsklasse II" genoemd, overeenkomstig bijlage I, deel II.3B. Art. 4.12. De Scheepvaartcontrole zorgt ervoor dat schepen die overeenkomstig artikel 4.11 of artikel 4.15 voor inspectie zijn geselecteerd, als volgt aan een eerste of meer gedetailleerde inspectie worden onderworpen: 1° Bij elke eerste inspectie van een schip zorgt de Scheepvaartcontrole ervoor dat de inspecteur ten minste: a) de in bijlage IV opgesomde certificaten en documenten controleert die zich overeenkomstig de communautaire maritieme wetgeving, de Belgische wetgeving en de internationale verdragen met betrekking tot veiligheid en beveiliging aan boord dienen te bevinden;b) zo nodig verifieert of de tekortkomingen die een lidstaat of een staat die het MOU van Parijs heeft ondertekend bij een vorige inspectie heeft vastgesteld zijn verholpen;c) nagaat hoe het staat met de algemene toestand van het schip, met inbegrip van de hygiënische omstandigheden, en van de machinekamer en de accommodatie.2° Wanneer na een inspectie als bedoeld in de bepaling onder 1° door een bevoegde autoriteit van een lidstaat in de inspectiedatabank is geregistreerd welke tekortkomingen moeten worden verholpen in de volgende haven die wordt aangedaan en wanneer deze volgende haven een Belgische haven is, kan de Scheepvaartcontrole besluiten dat de in de bepaling onder 1°, onder a) en c), bedoelde verificaties niet worden uitgevoerd.3° Er vindt een meer gedetailleerde inspectie plaats en er wordt gecontroleerd of aan de operationele voorschriften aan boord wordt voldaan wanneer er, na de in de bepaling onder 1° bedoelde inspecties, gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de toestand van het schip of zijn uitrusting of bemanning op belangrijke punten niet voldoet aan de relevante voorschriften van een verdrag. Er bestaan gegronde redenen indien de inspecteur feiten ontdekt die naar zijn beroepsmatige oordeel een meer gedetailleerde inspectie van het schip, de uitrusting of de bemanning rechtvaardigen. Voorbeelden van gegronde redenen zijn opgenomen in bijlage V. De inspecteur moet overgaan tot een meer gedetailleerde inspectie, indien wordt vastgesteld dat de leef- en werkomstandigheden waarvan geoordeeld of aangevoerd wordt dat deze niet conform de bepalingen van het MLC-Verdrag zijn, een reëel gevaar kunnen betekenen voor de veiligheid, de gezondheid of de beveiliging van de zeevarenden of wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat elke tekortkoming een ernstige inbreuk is op de bepalingen van het MLC-Verdrag, met inbegrip van de rechten van de zeevarenden. Wanneer er een klacht is overeenkomstig norm A5.2.1.1(d) van het MLC-Verdrag, is de inspectie in het algemeen beperkt tot het voorwerp van de klacht, tenzij de klacht of het onderzoek ervan gegronde redenen oplevert om aan te nemen dat de leef- en werkomstandigheden aan boord van het schip niet overeenstemmen met de bepalingen van het MLC-Verdrag. In dat geval wordt tot een meer gedetailleerde inspectie overgegaan. Wanneer een meer gedetailleerde inspectie wordt verricht op basis van de in norm A5.2.1.1, (a), (b) of (c), van de in het MLC-Verdrag genoemde omstandigheden, moet deze inspectie in beginsel op de in Bijlage A5-III van het MLC-Verdrag vermelde punten betrekking hebben. Art. 4.13. Bij elke inspectie van een schip kan de inspecteur overgaan tot het bemonsteren van het ballastwater van het schip in overeenstemming met de toepasselijke richtsnoeren opgesteld door de IMO. De tijd die nodig is voor het analyseren van de monsters mag evenwel niet worden gebruikt als grond voor onnodige vertraging van de exploitatie, verplaatsing of het vertrek van het schip. De inspecteur mag het ballastwaterjournaal aan boord van een schip controleren en een afschrift maken van de vermeldingen en van de kapitein verlangen dat deze het afschrift voor eensluidend waarmerkt. De controle van een ballastwaterjournaal en het maken van een gewaarmerkt afschrift dienen zo spoedig mogelijk plaats te vinden zonder te leiden tot onnodige vertraging van het schip. Art. 4.14. § 1. De volgende categorieën schepen komen in aanmerking voor een uitgebreide inspectie overeenkomstig bijlage I, deel II. 3A en 3B: 1° schepen met een hoog risicoprofiel;2° passagiersschepen, olietankers, g …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.