📄 Wettekst
22 MEI 2014. - Koninklijk besluit betreffende het goederenvervoer over de weg
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat aan Uwe Majesteit ter ondertekening wordt voorgelegd, werd genomen ter uitvoering van: 1. de verordening (EG) nr.1071/2009 van het Europees parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad; 2. de verordening (EG) nr.1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg; 3. de
wet van 15 juli 2013Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
15/07/2013
pub.
18/02/2014
numac
2013014763
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Wet betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (1)
type
wet
prom.
15/07/2013
pub.
18/02/2014
numac
2013014761
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Wet betreffende het reizigersvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 (1)
type
wet
prom.
15/07/2013
pub.
18/02/2014
numac
2013014762
bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
Wet betreffende het eRegister van wegvervoersondernemingen
sluiten betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de verordening (EG) nr.1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (hierna "de wet" genoemd).
I. ACTUELE TOESTAND De vigerende regelgeving inzake goederenvervoer over de weg bestaat uit: 1° de
wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/05/1999
pub.
30/06/1999
numac
1999014158
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg
type
wet
prom.
03/05/1999
pub.
04/05/1999
numac
1999021210
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen
sluiten betreffende het vervoer van zaken over de weg;2° het
koninklijk besluit van 7 mei 2002Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/05/2002
pub.
30/05/2002
numac
2002014131
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het vervoer van zaken over de weg
sluiten betreffende het vervoer van zaken over de weg;3° het
koninklijk besluit van 8 mei 2002Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
08/05/2002
pub.
30/05/2002
numac
2002014133
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende de erkenning van de instellingen die de cursussen voor de vakbekwaamheid voor het vervoer van zaken over de weg organiseren
sluiten betreffende de erkenning van de instellingen die de cursussen voor de vakbekwaamheid voor het vervoer van zaken over de weg organiseren;4° het
koninklijk besluit van 10 augustus 2009Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten0 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers die gevestigd zijn op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte worden toegelaten tot het binnenlands goederenvervoer over de weg in België;5° het
ministerieel besluit van 8 mei 2002Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten3 genomen ter uitvoering van het onder 2° bedoelde koninklijk besluit. Daarnaast werd bij
koninklijk besluit van 1 februari 2012Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten1 de dienst die in de F.O.D. Mobiliteit en Vervoer bevoegd is voor het wegvervoer als bevoegde instantie aangeduid voor de toepassing van de genoemde verordening (EG) nr. 1071/2009.
Aangezien de bovenvermelde verordeningen (EG) nrs. 1071/2009 en 1072/2009, die in werking zijn getreden op 4 december 2009, ingrijpende veranderingen inhouden t.o.v. de actuele regelgeving, is een nieuwe nationale regelgeving vereist.
II. ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT Samengevat zijn de voornaamste wijzigingen die worden aangebracht door de wet en dientengevolge door dit ontwerp van koninklijk besluit, de volgende: 1. aanpassing aan de reglementaire bepalingen van de Europese Unie, in het bijzonder inzake de toegang tot het beroep en de toegang tot de markt (onder meer het cabotagevervoer en het bestuurdersattest);2. aanpassing aan de bepalingen van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat;3. de administratieve vereenvoudiging;4. betere controle van de voorwaarden inzake de toegang tot het beroep, onder meer door de invoering van het begrip "vervoersmanager", de herbeoordeling van de betrouwbaarheid na zware inbreuken en de intensere samenwerking tussen de lidstaten;5. aanscherping van de administratieve sancties, vooral wat de intrekking van de vergunningen betreft;6. invoering van administratieve geldboetes om een meer efficiënte bestraffing van bepaalde inbreuken mogelijk te maken;7. samensmelting van de Commissie goederenvervoer over de weg en het Overlegcomité goederenvervoer over de weg. III. BESPREKING VAN DE ARTIKELEN Titel 1. - Definities Artikel 1 definieert enkele begrippen die noodzakelijk zijn voor een juiste interpretatie van het koninklijk besluit. Andere begrippen worden uitgelegd in de Verordeningen en in artikel 5 van de wet en hier niet meer herhaald.
Titel 2. - Ondernemingen gevestigd in België Toegang tot het beroep en uitoefening van het beroep. HOOFDSTUK 1. - Betrouwbaarheid Afdeling 1 - Bewijs
Artikel 2.Artikel 8 van de wet bepaalt welke personen (de onderneming zelf, haar vervoersmanager en dagelijkse bestuurders) betrouwbaar moeten zijn en welke elementen in aanmerking worden genomen om uit te maken of aan de betrouwbaarheidsvereiste is voldaan (strafrechtelijke veroordelingen tot gevangenisstraf of geldboete, niet-strafrechtelijke sancties, zoals administratieve geldboeten of andere geldstraffen, algemene of specifieke beroepsverboden). Alleen de antecedenten van de voorbije tien jaar worden nagegaan. § 1. De betrouwbaarheid wordt in de eerste plaats aangetoond door middel van een uittreksel uit het strafregister (of door een document met een andere benaming dat inhoudelijk als gelijkwaardig te beschouwen valt). Het uittreksel dient alle straffen te bevatten die de Belgische regelgeving in aanmerking neemt, in het bijzonder de gevangenisstraffen, de geldboeten en beroepsverboden van strafrechtelijke aard, die de betrokken personen hebben opgelopen.
Het bewijs van betrouwbaarheid van de natuurlijke personen en van de rechtspersonen wordt geleverd door de betrokkenen zelf zolang de minister of zijn gemachtigde geen elektronische toegang heeft tot het Centraal strafregister.
Het komt voor dat het uittreksel uit het Belgische strafregister niet volstaat om alle strafrechtelijke antecedenten van de voorbije tien jaar aan te tonen. In het Belgische strafregister worden immers alleen de veroordelingen opgenomen die natuurlijke personen van Belgische nationaliteit in België en in het buitenland oplopen, alsook de veroordelingen die vreemde onderdanen in België oplopen. Zo zal de betrouwbaarheid van een natuurlijke persoon die de Franse nationaliteit heeft en in Frankrijk woont, die gedelegeerd bestuurder is van een Belgische vervoersonderneming, worden aangetoond door middel van een uittreksel uit het Franse strafregister. Een natuurlijke persoon met de Belgische nationaliteit wonende in Frankrijk, die vervoersmanager is van een Belgische vervoersonderneming, zal zijn betrouwbaarheid in principe aantonen aan de hand van een uittreksel uit het Belgische strafregister.
Rechtspersonen naar buitenlands recht tonen hun betrouwbaarheid aan door middel van een uittreksel uit het strafregister van de Staat waar hun maatschappelijke zetel is gevestigd.
Staten wisselen informatie uit over de strafrechtelijke veroordelingen van hun respectievelijke onderdanen. In voorkomend geval zullen bilaterale en multilaterale rechtshulpverdragen toepassing vinden voor het verkrijgen van alle strafrechtelijke antecedenten van de betrokkenen, bijvoorbeeld het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (EVR) en zijn aanvullende Protocollen. Wanneer bijvoorbeeld een Belgische onderdaan, al of niet woonplaats hebbende in Groot-Brittannië, aldaar is veroordeeld, wordt de veroordeling volgens de in het toepasselijke verdrag vastgestelde periodiciteit medegedeeld aan de FOD Justitie en geregistreerd in het Centraal Strafregister. Gelet op die periodiciteit, die normaal jaarlijks is, kan het dus toch noodzakelijk zijn een uittreksel uit het Britse strafregister te vragen, in afwachting dat de veroordeling is meegedeeld aan de Belgische autoriteiten.
Vermits de nationaliteit in ieder geval determinerend is om te bepalen welk bewijs van betrouwbaarheid vereist is, dient de administratie te weten welke nationaliteit(en) de betrokkene in de voorbije tien jaar heeft gehad. Stel bijvoorbeeld dat een dertigjarige Turkse onderdaan met woonplaats in België, in 2008 de Belgische nationaliteit verwerft door naturalisatie en in 2014 wordt aangewezen als vervoersmanager van een Belgische vervoersonderneming. Zijn betrouwbaarheid voor de periode 2004 tot 2014 zal dan worden aangetoond door middel van een uittreksel uit het Turkse strafregister voor de periode 2004 tot 2008 - de betrokkene was in die periode immers, ongeacht zijn woonplaats, een Turkse onderdaan zodat zijn veroordelingen werden geregistreerd in Turkije voor zover Turkije met de vonnissende Staat een rechtshulpverdrag had gesloten - en voor de periode 2008 tot 2014 door middel van een uittreksel uit het Belgisch strafregister.
Voorts dient ervoor gewaakt dat het door de betrokkenen voorgelegde soort van uittreksel wel degelijk melding maakt van alle in aanmerking te nemen straffen. In talrijke landen bestaan verschillende soorten van uittreksels waarvan de inhoud sterk kan verschillen. Zo bevatten bijvoorbeeld het Franse en Luxemburgse bulletin nr. 3, dat het enige bulletin is dat aan een particulier wordt ter hand gesteld, onvoldoende gegevens. Arabische staten geven aan hun onderdanen uittreksels uit het strafregister af die uitsluitend de vrijheidsstraffen en niet de geldboeten vermelden. Deze documenten worden niet aangenomen als toereikend bewijs van betrouwbaarheid. In zodanig geval vraagt de minister of zijn gemachtigde, via de FOD Justitie, het bulletin nr. 2 rechtstreeks aan de bevoegde autoriteit van het land van oorsprong van de betrokkene. Verzoeken om rechtshulp zullen in de toekomst overigens rechtstreeks door de FOD Mobiliteit en Vervoer kunnen worden gericht aan de bestuurlijke of rechterlijke autoriteit van de aangezochte partij overeenkomstig het tweede aanvullende Protocol bij het EVR (artikelen 1 en 2).
Indien de betrouwbaarheid niet kan worden aangetoond omdat de betrokken Staat geen uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document afgeeft aan zijn onderdanen, en de minister of zijn gemachtigde het vereiste document niet rechtstreeks bij de aangezochte partij kan verkrijgen omdat er geen rechtshulpverdrag bestaat, mag het uittreksel worden vervangen door een plechtige verklaring of een verklaring onder ede ( § 2). Het volstaat daarbij niet dat de betrokkene louter beweert dat hij geen uittreksel uit het strafregister van zijn land van oorsprong kan verkrijgen: noodzakelijk is dat hij zijn bewering staaft aan de hand van stukken, bijvoorbeeld een verklaring afgegeven door het consulaat van de Staat waarvan hij de nationaliteit heeft (gehad), die onmiskenbaar aantonen dat hij in de absolute onmogelijkheid verkeert aan het gevraagde te voldoen.
De hierboven bedoelde documenten moeten minder dan drie maanden voor hun overlegging worden afgegeven ( § 3).
Het bewijs van niet-strafrechtelijke sancties kan in beginsel niet worden geleverd bij middel van een uittreksel uit het strafregister.
De buitengerechtelijke sancties die worden opgelegd voor de ernstige inbreuken bepaald in artikel 8, § 1, 4°, van de wet worden geregistreerd in het eRegister van wegvervoersondernemingen. De minister of zijn gemachtigde verschaft zich een uittreksel (afdruk) uit dit register zonder tussenkomst van de betrokkenen ( § 4). § 5. Ten slotte wordt opgemerkt dat de bewijslast inzake de betrouwbaarheid in de eerste plaats bij de betrokken natuurlijke personen en rechtspersonen zelf berust, dat zij tijdig alle inlichtingen moeten inwinnen bij de Staten die hun een bewijsstuk (uittreksel strafregister of ander document) moeten afgeven.
De betrouwbaarheid moet worden aangetoond telkens wanneer de minister of zijn gemachtigde erom verzoekt. Zij zal hoe dan ook eens om de vijf jaar moeten worden bewezen, dit is vóór de vijfjaarlijkse vernieuwing van de vergunning (zie artikel 22, § 3).
Paragraaf 5 voorziet in een termijn van drie maanden om het bewijs van betrouwbaarheid te leveren.
Het niet of niet tijdig aantonen van de betrouwbaarheid door de betrokkene of het niet beantwoorden van verzoeken om rechtshulp door de aangezochte partij, heeft de weigering of de intrekking van de vergunning tot gevolg (zie artikelen 23 en 24).
Na de intrekking van een vergunning moet de betrouwbaarheid opnieuw worden aangetoond (art. 26). Afdeling 2 - Deler
Artikel 3 stelt de deler vast van de deling die wordt toegepast op de strafrechtelijke geldboeten die niet zijn onderworpen aan het stelsel van de opdeciemen. Het gaat hier in het bijzonder om de fiscaalrechtelijke geldboeten, met inbegrip van douane en accijnzen en enkele andere bijzondere wetten, alsook om de geldboeten opgelopen in het buitenland, waar het systeem van opdeciemen niet bestaat.
Een geringe fiscaalrechtelijke of buitenlandse geldboete zou immers kunnen leiden tot een toestand van onbetrouwbaarheid. Uiteraard kan het niet de bedoeling zijn een onevenredig belang toe te kennen aan weinig ernstige fiscale of buitenlandse veroordelingen, zodat in artikel 3 een deler wordt voorzien.
De deler volgt de evolutie van de opdeciemen volgens de aangegeven formule. Wanneer een persoon is veroordeeld in 2006 is de deler gelijk aan 45 opdeciemen + 10 : 10 = 5,5; in 2013 is de deler gelijk aan 50 + 10 : 10 = 6. Afdeling 3 - Beoordeling van de betrouwbaarheid
Artikel 4.§ 1. Een ernstige inbreuk op de regelgevingen vermeld in artikel 8, § 1, 4°, van de wet kan de betrouwbaarheid van de vervoersonderneming (en dus ook haar vergunning) in het gedrang brengen. Om te voorkomen dat één zware inbreuk, die bijvoorbeeld kan veroorzaakt zijn door eenmalige uitzonderlijke omstandigheden, onevenredige gevolgen heeft, bepalen de Verordening (EG) nr. 1071/2009 en artikel 8, § 8, van de wet dat de bevoegde overheid de betrouwbaarheid beoordeelt op discretionaire wijze.
De minister of zijn gemachtigde neemt een aantal elementen in overweging ( § 1, 1° tot 5° ), zonder dat hij zich daartoe moet beperken. Wanneer het gaat om een ernstige inbreuk die is begaan in het buitenland mag hij zich eveneens baseren op informatie die hem wordt aangeleverd door de Staat waarin de inbreuk heeft plaatsgevonden. § 2. De minister of zijn gemachtigde kan het advies inwinnen van het Overlegcomité goederenvervoer over de weg.
De onderneming wordt opgeroepen om er te worden gehoord over de zaak.
Zij kan zich laten vertegenwoordigen door haar wettelijke vertegenwoordigers (zaakvoerder, bestuurder) en laten bijstaan door een raadsman (advocaat). De zitting vindt plaats binnen de maand nadat de zaak in staat van wijzen is. § 3. De onderneming ontvangt het resultaat van de beoordeling binnen vier maanden nadat de minister of zijn gemachtigde kennis heeft genomen van de inbreuk in kwestie, wanneer het een aanvraag van een vergunning betreft. Zo niet wordt de beoordeling geacht gunstig te zijn. De termijn van vier maanden geldt niet voor de ondernemingen die houdster zijn van een vergunning. Indien het weigeren of het ontnemen van de betrouwbaarheidsstatus in het gegeven geval niet als een onevenredige sanctie wordt aanzien, wordt de vergunning geweigerd (artikel 23, eerste lid, 2° ) of na verloop van drie maanden ingetrokken (artikel 24, § 2). Om de rechten van de onderneming maximaal te waarborgen, zal echter geen negatieve beoordeling van de betrouwbaarheid mogelijk zijn, zonder dat het (niet-bindend) advies van het Overlegcomité goederenvervoer over de weg is ingewonnen ( § 4). HOOFDSTUK 2. - Vakbekwaamheid Afdeling 1 - Bewijs
Artikel 5.Het eerste lid van dit artikel geeft een opsomming van de getuigschriften die als voldoende bewijs van vakbekwaamheid in het goederenvervoer worden beschouwd.
Onder 6° vallen de getuigschriften die worden of werden afgegeven door de (andere) lidstaten van de E.U. en de E.E.R. of door Zwitserland op grond van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 of van vroegere instrumenten (Richtlijn 96/26/EG van 29 april 1996, Richtlijnen 74/561/EEG van 12 november 1974 en 77/796/EEG van 12 december 1977, zoals gewijzigd) of op grond van de Overeenkomsten met Zwitserland en de E.E.R. De documenten moeten uitdrukkelijk vermelden dat wordt of werd voldaan aan de actuele of toentertijd vigerende communautaire regeling.
Tweede lid. De administratie heeft gemerkt dat het aantal aanvragen om duplicaten van de getuigschriften van vakbekwaamheid van jaar tot jaar toeneemt en dat de slordigheid van de gediplomeerden aanleiding geeft tot overlast. Het tweede lid houdt in dat er geen duplicaten meer worden uitgereikt van het getuigschrift. Aan de betrokkenen die absoluut een exemplaar van hun getuigschrift nodig hebben (bijvoorbeeld aan hen die het willen doen gelden in het buitenland) zal uitsluitend op gemotiveerd verzoek nog een vervangend attest worden uitgereikt. Afdeling 2 - Opleiding en examen
Artikel 6 werd herzien om gevolg te geven aan de opmerking van de Raad van State dat het artikel nauwer moet aansluiten bij het kader dat door artikel 13, 2°, van de wet gedefinieerd is.
Aldus werden overeenkomstig artikel 13, 2°, van de wet de selectiecriteria en de gewogen erkenningscriteria bepaald van de instellingen die de opleiding aanbieden die voorbereidt op het examen van vakbekwaamheid.
De erkenning zelf zal door de minister gebeuren. Hij kan de erkenning intrekken van de instelling die niet meer aan de criteria voldoet of die zijn richtlijnen niet opvolgt.
Rekening houdend met de opkomst van nieuwe onderwijsvormen, wordt in de selectiecriteria ook bepaald dat de instellingen naast klassikaal onderwijs in hun programma ook "e-learning" zullen moeten aanbieden binnen een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van de door de minister bepaalde modaliteiten ervan. Artikel 7.De minister bepaalt de wijze van organisatie van de cursussen en de deelnemingsvoorwaarden.
Artikel 8 bepaalt de wijze waarop het examen wordt georganiseerd.
Het examen bestaat uit een schriftelijke proef - deels theorie, deels oefeningen - en een mondelinge proef. De onderwerpen waarover geëxamineerd wordt, zijn deze die zijn opgenomen in bijlage I van de Verordening (EG) nr. 1071/2009, aangevuld met de eventuele bijkomende onderwerpen die overeenkomstig artikel 13, 4°, van de wet bepaald kunnen worden.
Paragraaf 4 legt de slaagnormen voor het examen vast en bepaalt over welke marge de examencommissie beschikt om te delibereren.
Artikel 9, § 2, bepaalt de vergoedingen voor de prestaties van de voorzitter, de secretaris en de leden van de examencommissie. Deze vergoedingen vallen ten laste van de VZW Instituut wegTransport en Logistiek België, die wordt aangewezen om de examencommissie logistieke ondersteuning te verlenen.
De VZW Instituut wegTransport en Logistiek België int voor haar rekening het inschrijvingsgeld voor het examen waarvan het bedrag door de minister wordt vastgesteld ( § 3).
De Raad van State merkt op dat het niet duidelijk is welke bepaling van de wet rechtsgrond zou opleveren voor artikel 9, §§ 2 en 3.
De rechtsgrond wordt opgeleverd door artikel 13, 5°, van de wet.
Volgens deze bepaling kan de Koning de wijze bepalen waarop de cursussen en het examen worden georganiseerd.
De minister bepaalt de samenstelling, de bevoegdheden en de werking van de examencommissie en de andere modaliteiten van de organisatie van het examen ( §§ 1 en 4). Afdeling 3 - Vervoersmanager
Artikel 10.Overeenkomstig het advies van de Raad van State werd dit artikel herzien om de strekking ervan op een duidelijkere en correctere wijze tot uiting te brengen.
Het artikel bepaalt dat de onderneming op verzoek van de minister of zijn gemachtigde onmiddellijk moet kunnen aantonen dat zij nog aan de voorwaarde van vakbekwaamheid (vereiste van vervoersmanager) voldoet.
De onderneming zal dus onverwijld de bewijzen moeten overleggen dat er een regelmatig aangestelde vervoersmanager is, bv. diens lastgevingsovereenkomst of diens arbeidsovereenkomst, een getuigschrift van woonplaats, enz... Bovendien zal eveneens onmiddellijk moeten worden bewezen dat de vervoersmanager daadwerkelijk en permanent (sedert zijn aanstelling) de vervoerswerkzaamheden van het bedrijf leidt. De controle van de effectieve en permanente leiding kan zowel in het bedrijf, als van op afstand gebeuren. Artikel 11.De aangewezen vervoersmanager moet de minister of zijn gemachtigde binnen vijftien dagen in kennis stellen van de datum waarop hij opgehouden heeft de vervoerswerkzaamheden te leiden ( § 1, 1° ).Het is daarbij niet relevant of de betrokkene al of niet de onderneming verlaat: hij kan bv. andere taken toegewezen krijgen. De vervoersmanager heeft de meldingsplicht en het niet naleven van die verplichting wordt strafrechtelijk beteugeld.
De vervoersmanager moet binnen dezelfde termijn de beëindiging van zijn reële band of van zijn contract met de onderneming meedelen ( § 1, 2° en 4° ). Zo kan hij zijn arbeids- of lastgevingovereenkomst opzeggen, ontslagen worden of zijn aandelen van de onderneming verkopen. Het beëindigen van het contract of de band kan dus ofwel het gevolg zijn van een handelen van de vervoersmanager zelf, ofwel van de onderneming.
De te melden wijzigingen behelzen elke verandering in de toestand van de vervoersmanager die weliswaar een band met de onderneming behoudt ( § 1, 3° en 5° ). Zo kan een werknemer bijvoorbeeld zaakvoerder worden, het aandelenpercentage van de vervoersmanager kan veranderen of zijn contract met de onderneming kan inhoudelijk wijzigen.
De mededelingen bedoeld in § 1 moeten op een bewijskrachtige manier worden gedaan door de vervoersmanager (bijvoorbeeld een ondertekende aangetekende brief, een ondertekend faxbericht, enz...). § 2. Aan de vervoersmanager en aan de onderneming wordt binnen vijftien dagen een bericht gezonden waarin de ontvangst van de melding wordt bevestigd. In het bericht kan ook worden gewezen op de termijnen die voorzien zijn om een plaatsvervanger aan te wijzen, alsook de wijze waarop dit moet gebeuren. § 3. De niet-verlengbare termijn van zes maanden geldt automatisch vanaf de onbetwistbare datum waarop de vervoersmanager de werkzaamheden niet meer leidt of vanaf de onbetwistbare datum waarop de vereiste reële of contractuele band is weggevallen (eerste lid).
In geval van een niet-permanente of niet-duurzame leiding of (reële/contractuele) band met de onderneming kan de zesmaandelijkse termijn worden ingekort tot drie maanden. Er moet immers worden vermeden dat ondernemingen enkel formeel een vervoersmanager aanstellen om een vergunning te verkrijgen, hem na bv. één maand ontslaan, na vijf maanden een nieuwe vervoersmanager aanstellen, en vervolgens dezelfde operatie herhalen (tweede lid).
De onderneming zal de administratie tijdig in kennis moeten stellen van de identiteit van haar nieuwe vervoersmanager. In concreto zal dit door middel van een (elektronisch) formulier gebeuren (derde lid).
In de in het vierde lid aangehaalde gevallen kan de onderneming geen aanspraak maken op een vervangingstermijn: 1° logischerwijze vóór dat de eerste vergunning is afgegeven;2° wanneer uit een controle blijkt dat de vervoersmanager de vervoerswerkzaamheden niet effectief heeft geleid, ergo dat de reglementering wordt overtreden;3° en 4° wanneer uit een controle blijkt dat er geen band of contract bestond tussen de vakbekwame persoon en de onderneming, onder meer door het verstrekken van onjuiste gegevens of het afleggen van onjuiste verklaringen. § 4. Het overlijden of de lichamelijke ongeschiktheid van de vervoersmanager moet worden gemeld door de onderneming. De vervangingstermijn van zes maanden kan worden verlengd. De administratie kan een bewijsstuk van de ongeschiktheid vragen. Afdeling 4 - Vrijstelling
Artikel 12.De minister kan de houders van bepaalde erkende kwalificaties (diploma's) van hoger of technisch onderwijs vrijstellen van het examen over bepaalde onderwerpen en hij bepaalt de wijze waarop de vrijstelling wordt ingeroepen. HOOFDSTUK 3. - Financiële draagkracht Afdeling 1 - Bewijs
Artikel 13.De voorwaarde van financiële draagkracht bepaald bij de ingetrokken Richtlijn 96/26/EG is door de Verordening (EG) nr. 1071/2009 niet gewijzigd. Het artikel somt de instellingen op bij wie de vervoersondernemingen een borgtocht kunnen stellen die als bewijs van hun financiële draagkracht wordt aanvaard. Het betreft dezelfde instellingen als vermeld in artikel 15 van het vigerende
koninklijk besluit van 7 mei 2002Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/05/2002
pub.
30/05/2002
numac
2002014131
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het vervoer van zaken over de weg
sluiten.
De Deposito- en Consignatiekas ( § 2) werd pas bij wijzigingsbesluit van 22 december 2009 aan die lijst van instellingen toegevoegd om een tijdelijk alternatief te bieden voor de ondernemingen die het slachtoffer dreigden te worden van de extreme voorzichtigheidspolitiek van het bank- en verzekeringswezen sinds het uitbreken van de financiële crisis. De ondernemingen kunnen er een borgsom vastzetten als waarborg voor de bedoelde schuldeisers.
Het is aangewezen om deze crisismaatregel vooralsnog te behouden en ze op te heffen wanneer de economie terug een voldoende stabiele trend vertoont. Op termijn is een borgstelling bij een instelling die hiervoor zelf het risico draagt immers een betere waardemeter voor de financiële draagkracht: dergelijke instelling heeft er alle belang bij om de kredietwaardigheid van de vervoersonderneming te blijven opvolgen en haar verplichtingen op te zeggen wanneer de financiële draagkracht van de onderneming in het gedrang komt.
Artikel 14 machtigt de minister om de modellen van de borgtochtbewijzen vast te stellen. Afdeling 2 - Borgtocht
Artikel 15 gaat over de bestemming van de borgtocht: hij strekt tot waarborg van welbepaalde schulden van de vervoersonderneming.
De bestemming van de borgtocht, dit wil zeggen de schulden of schuldvorderingen waarvoor hij kan worden aangesproken, is beperkt en noodzakelijkerwijs arbitrair, maar moet wel als volledig worden beschouwd. Zo kan de borgtocht bijvoorbeeld niet worden aangesproken voor schulden of schuldvorderingen die voortvloeien uit de levering van brandstoffen.
Aldus garandeert de borgtocht de schulden die voortspruiten uit de levering van een aantal materiële goederen en diensten die als onontbeerlijk worden beschouwd voor de uitvoering van goederenvervoer over de weg, alsook van de ledige ritten in verband met dit vervoer.
Wat de in § 1, 1°, a) en b), bedoelde levering van goederen en diensten betreft, maakt het bij gebrek aan uitdrukkelijke beperkingen weinig verschil uit of de betrokken goederen rechtstreeks werden gefactureerd door de leverancier, dan wel of zij werden aangekocht met een betaalkaart.
Overeenkomsten van onderaanneming, waarvan sprake in § 1, 2°, worden in de praktijk dikwijls gesloten, zodat de borgtocht zeker ook moet kunnen worden aangewend ter bescherming van die onderaannemers. Om de bescherming niet uit te hollen, wordt onderstreept dat de relatie hoofdvervoerder - onderaannemer minstens zo belangrijk is als de relatie hoofdvervoerder - opdrachtgever.
Wanneer een hoofdvervoerder transporten toevertrouwt aan onderaannemers, is het de bedoeling dat deze onderaannemers een beroep kunnen doen op de borgtocht van de hoofdvervoerder, zelfs in de hypothese dat deze laatste zou beschikken over een vergunning van vervoerscommissionair.
Bovendien mag de overeenkomst niet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst indien de onderaannemer veelvuldig, zelfs uitsluitend, rijdt voor één klant/hoofdvervoerder. De economische en financiële organisatie van het werk wordt door de onderaannemer gedaan zodat hij wel degelijk aanspraak kan maken op de borgtocht. De onderaannemer heeft immers het statuut van zelfstandig beroepsgoederenvervoerder daar hij moet voldoen aan de voorwaarden inzake toegang tot het beroep en moet beschikken over de vereiste vergunningen om vervoer voor rekening van derden - meer bepaald de hoofdvervoerder - te verrichten.
Artikel 16 handelt over de procedure voor het aanspreken van de borgtocht en de afhandeling van de aanspraken.
Inbegrepen het geval van faillissement, geldt voor de afhandeling van de aanspraken in principe de regel prior tempore, potior iure: wie het eerst is in de tijd, heeft de sterkste rechtspositie ( § 2, eerste lid). Voor schuldeisers die de borgtocht op dezelfde dag aanspreken, zal, wanneer het bedrag van de borgtocht onvoldoende is, worden overgegaan tot een evenredige verdeling ( § 2, tweede lid).
Schuldeisers die hun vordering aantonen door middel van een bewijs van aanvaarding in het passief van het faillissement zullen de borgtocht pas kunnen aanspreken nadat het laatste proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen werd neergelegd. Op die manier wordt voorkomen dat schuldeisers zouden benadeeld worden bij gefaseerde aanvaarding van de schuldvorderingen. Er zal vervolgens tot een evenredige verdeling worden overgegaan tussen deze schuldeisers mits zij de borgtocht rechtsgeldig aanspreken binnen een termijn van dertig dagen volgend op de datum van neerlegging van dit laatste proces-verbaal.
Aldus beschikken deze schuldeisers over dezelfde redelijke termijn om gelijke rechten te doen gelden zonder dat een wedloop naar de borgtocht hoeft te ontstaan in de eerste dagen na neerlegging van dit laatste proces-verbaal ( § 2, derde lid, 2° ). Deze regel is een afwijking op het principe prior tempore, potior iure.
Schuldeisers die hun vordering aantonen door middel van een rechterlijke beslissing - die voortspruit uit een procedure die vóór het faillissement is ingegaan - hebben voorrang op de schuldeisers die zich beroepen op de loutere aanvaarding van hun vordering in het passief. Deze regel is een tweede afwijking op het principe prior tempore, potior iure. Zonder deze afwijking zouden de schuldeisers die vóór het faillissement reeds een gerechtelijke procedure zijn gestart het resultaat van hun inspanningen teloor zien gaan door een tussengekomen faillissement. Deze voorrang geldt slechts tot de periode van dertig dagen volgend op de datum van neerlegging van het laatste proces-verbaal van verificatie van schuldvorderingen is verstreken ( § 2, derde lid, 1° ). Voor alle schuldeisers die pas na deze periode de borgtocht aanspreken, is het principe prior tempore, potior iure opnieuw onverkort van toepassing ( § 2, eerste lid).
Artikel 17 bepaalt de verplichtingen van de betrokken partijen in geval van afneming op de borgtocht en in geval van vermindering en opzegging van de borgtocht.
Er weze opgemerkt dat de verplichtingen van de ondernemingen worden versoepeld wanneer zij zich in de toestand van gerechtelijke reorganisatie bevinden. Enerzijds wordt na afneming op de borgtocht de regularisatietermijn van dertig dagen ( § 1, 5° ) op drie maanden gebracht, zijnde dezelfde regularisatietermijn als wordt verleend na opzegging of gedeeltelijke vermindering van de verplichtingen van de hoofdelijke borg ( § 2, 4° ). Anderzijds worden de beide regularisatietermijnen opgeschort gedurende de periode van gerechtelijke reorganisatie. De opening van de procedure van de gerechtelijke reorganisatie wijst er immers op dat de rechter heeft bevonden dat de onderneming haar kredietwaardigheid kan terugwinnen.
Het zou dan ook totaal onlogisch zijn dat tijdens de periode van gerechtelijke reorganisatie de vervoersvergunning van de onderneming zou worden ingetrokken omdat zij niet meer zou voldoen aan de voorwaarde van financiële draagkracht. Dit zou de onderneming immers elke kans op herstel ontnemen en een discriminatie uitmaken van de vervoersondernemingen doordat zij zich niet zouden kunnen beroepen op de
wet van 31 januari 2009Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
31/01/2009
pub.
09/02/2009
numac
2009009047
bron
federale overheidsdienst justitie
Wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen
sluiten betreffende de continuïteit van de ondernemingen. Artikel 18.Dit artikel handelt over de bevrijding van de borg. Hier is het van belang de borgtochtovereenkomst, die wordt bewezen aan de hand van het in artikel 14 bedoelde document - waaruit de verplichtingen van de hoofdelijke borg voortvloeien ten opzichte van de eventuele schuldeisers -, niet te verwarren met de overeenkomst of de polis die wordt afgesloten tussen de vervoersonderneming en de borg, waaruit wederzijdse verplichtingen tussen die partijen voortvloeien.
Titel 3 - Vergunningen HOOFDSTUK 1. - Ondernemingen gevestigd in België Gemeenschappelijke bepalingen voor de nationale en communautaire vergunningen Afdeling 1 - Aanvraag en vervanging
Artikel 19.De minister bepaalt de wijze waarop de aanvraag, de heraanvraag na intrekking, alsook de vervanging van de nationale en communautaire vergunningen zullen gebeuren.
De heraanvraag na intrekking is een aanvraag met het oog op de herafgifte van een vergunning. Afdeling 2 - Geldigheid
Artikel 20.Een vergunning mag op geen enkele wijze worden overgedragen aan een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon.
Artikel 21 bepaalt de gevallen waarin de nationale en communautaire vergunningen ongeldig zijn.
Vooral het eerste lid, 4°, verdient hier verdere toelichting.
Ter wille van de administratieve vereenvoudiging wordt het nummer van de kentekenplaat voortaan niet meer vermeld op het voor eensluidend gewaarmerkte afschrift van de vergunning. Om misbruiken tegen te gaan - elk voor eensluidend gewaarmerkt afschrift is dan immers bruikbaar voor om het even welk motorvoertuig - blijft de onderneming echter verplicht de kentekenplaten van de voertuigen die zij zal gebruiken om bezoldigd vervoer te verrichten, vóór het aanvatten van de werkzaamheid, mee te delen aan de administratie (derde lid). De administratie zal ze registreren in het eRegister van wegvervoersondernemingen. Bij een controle op de weg kan de bevoegde ambtenaar nagaan of de kentekenplaat opgenomen is in het eRegister.
Het voor eensluidend gewaarmerkte afschrift dat aan boord is van het voertuig zal ongeldig zijn indien de kentekenplaat niet is opgenomen in de databank. In dat geval gebeurt er een onwettig vervoer.
Eerste lid, 6°, b). Wanneer de bestuurder niet zelf het voertuig huurt, moet aan de controleambtenaar op de weg het bewijs worden voorgelegd van de band tussen de onderneming die het voertuig huurt en zijn bestuurder.
Tweede lid. Ten einde zich bij eventuele controle te kunnen verantwoorden, wordt aan de onderneming toegestaan dat zij de te vervangen exemplaren van haar vervoersvergunning niet meestuurt bij de aanvraag om vervanging, doch ze pas ter vernietiging naar de administratie terugzendt nadat zij de nieuwe exemplaren heeft ontvangen.
Die terugzending moet dan wel binnen dertig dagen na ontvangst van de nieuwe exemplaren gebeuren.
Het vierde en het vijfde lid behoeven geen commentaar. Artikel 22.§ 1. Zowel het origineel als de afschriften worden afgegeven voor maximum vijf jaar. Onder het
koninklijk besluit van 7 mei 2002Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/05/2002
pub.
30/05/2002
numac
2002014131
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het vervoer van zaken over de weg
sluiten waren de voor eensluidend gewaarmerkte afschriften slechts één jaar geldig. § 2. In welbepaalde omstandigheden is het niet verantwoord vergunningen af te geven voor vijf jaar. 1° Vervoersondernemingen kunnen als dekmantel worden gebruikt voor illegale activiteiten, zoals handel in verdovende middelen of hormonale producten, mensenhandel, wapentrafiek, invoer van nagemaakte producten, enz..., die dikwijls in handen zijn van criminele organisaties. Deze onwettige praktijken kunnen belangrijke vermogensvoordelen genereren. De wetgever heeft voorzien in de bijzondere verbeurdverklaring van die voordelen (zie o.m. art. 43quater Sw.). Indien er een risico bestaat, dat moet blijken uit de inlichtingen waarover de administratie beschikt, dat de onderneming of geïdentificeerde personen van die onderneming, de vergunning zouden kunnen gebruiken om ernstige misdrijven te plegen waaruit aanzienlijke voordelen voortspruiten, wordt, voor zover de onderneming aan alle toegangsvoorwaarden voldoet, een vergunning afgegeven voor een beperkte duur (bv. zes maanden). Daarna vindt een nieuwe evaluatie plaats. 2°. Er kunnen aanwijzingen zijn dat een onderneming niet duurzaam (blijvend) zal voldoen aan de voorwaarde van vestiging of van vakbekwaamheid. Wat de vestiging betreft, kan dit bijvoorbeeld het geval zijn wanneer alle zaakvoerders en de vervoersmanager in het buitenland (gaan) wonen en de onderneming in België geen personeel (meer) in dienst heeft. Op gebied van vakbekwaamheid kan dit bv. blijken uit de overeenkomst gesloten met de vervoersmanager waarin staat dat betrokkene zijn getuigschrift van vakbekwaamheid "ter beschikking stelt" van of "verhuurt" aan de onderneming. In zulke gevallen wordt een vergunning afgegeven voor kortere duur en na verloop van tijd wordt de vestiging of de vakbekwaamheid (ter plaatse) gecontroleerd. 3°. De ondernemingen die het herhaaldelijk niet te nauw nemen met de vervoersreglementering zullen geen vergunning krijgen voor vijf jaar en zullen van nabij worden gevolgd.
De beslissing om vergunningen af te geven die minder dan vijf jaar geldig zijn, hoeft niet te worden gemotiveerd omdat ze de belangen van de onderneming niet schaadt. § 3. Vóór de (vijfjaarlijkse) vernieuwing wordt nagegaan of de onderneming en de betrokken personen nog voldoen aan de toegangsvoorwaarden. De vervoerder dient niet te verzoeken om de vernieuwing; ze vindt automatisch plaats indien de voorwaarden vervuld zijn. Afdeling 3 - Weigering
Artikel 23.De nationale en communautaire vergunningen worden geweigerd wanneer de onderneming niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden van vestiging, betrouwbaarheid, vakbekwaamheid en financiële draagkracht. Afdeling 4 - Intrekking
Artikel 24 somt de gevallen op die aanleiding geven tot intrekking van de nationale of communautaire vergunning.
De intrekking is niet definitief, in die zin dat herafgifte van een vergunning mogelijk is wanneer opnieuw aan alle afgiftevoorwaarden wordt voldaan (zie artikel 26).
Niettemin kan de vergunning in welbepaalde gevallen voor een zekere periode ingetrokken blijven, ook al zouden de afgiftevoorwaarden eerder vervuld zijn ( §§ 3, 5 en 6). Het betreft hier een administratieve sanctie die wordt opgelegd voor zeer ernstig geachte misbruiken of tekortkomingen.
Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 22 van de wet, zij het dat het aan de appreciatie van de minister of zijn gemachtigde wordt overgelaten om ad hoc te bepalen voor welke (minimum)duur de intrekking van de vergunning moet gehandhaafd blijven.
Zo wordt de vergunning voor maximum vierentwintig maanden ingetrokken wanneer de intrekking voortspruit uit de onvoldoende leiding van de vervoerswerkzaamheden door de vervoersmanager of uit de vaststelling dat de voorgehouden reële band - bedoeld in artikel 4, eerste lid, b), van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 - tussen hem en de onderneming niet heeft bestaan ( § 3).
De vergunning wordt voor maximum zesendertig maanden ingetrokken wanneer de onderneming, met inbegrip van haar aangestelden en lasthebbers, onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt of dito verklaringen heeft gedaan om haar vergunning te verkrijgen of behouden. Informatieverstrekking of verklaringen gebeuren, onder meer door middel van de formulieren waarmede de vergunningen worden aangevraagd. De administratie zal gegeven inlichtingen inderdaad voor waar aannemen, maar moet echter de ondernemingen die haar vertrouwen beschamen op een voldoende ontradende wijze kunnen sanctioneren ( § 5).
De communautaire vergunning - of een aantal voor eensluidend gewaarmerkte afschriften ervan - kan eveneens voor maximum vierentwintig maanden worden ingetrokken wanneer de vervoerder ernstige inbreuken pleegt op de vervoersregels ( § 6). Artikel 25.De vergunningen moeten binnen tien dagen na ontvangst van de kennisgeving van de intrekking, op bewijskrachtige wijze (aangetekend) worden teruggezonden. De onderneming draagt de bewijslast van de terugzending. Artikel 26.De onderneming kan opnieuw een vergunning verkrijgen op haar aanvraag en nadat werd nagegaan of alle toegangsvoorwaarden vervuld zijn. Afdeling 5 - Gemeenschappelijke bepalingen voor de weigering en de
intrekking van nationale of communautaire vergunningen Artikel 27 omvat de procedureregels die zowel op de weigering als op de intrekking van een vergunning van toepassing zijn.
De minister of zijn gemachtigde dient de onderneming per aangetekende brief de mogelijkheid te bieden haar verweermiddelen in te dienen.
Deze brief wordt aan het laatst gekende adres van de onderneming gezonden.
De reactietermijn van dertig dagen begint te lopen op de derde werkdag die volgt op de overhandiging aan de postdiensten. De onderneming die beweert de brief niet te hebben ontvangen, zal het bewijs moeten leveren dat zij zich in de volstrekte onmogelijkheid bevond de brief te ontvangen.
Elke overmacht zal afdoende moeten worden bewezen.
Verweermiddelen die op een andere dan de voorgeschreven wijze of die buiten de termijn worden ontvangen, zijn van rechtswege onontvankelijk en worden niet meer onderzocht ( § 1).
De onderneming die voorhoudt de kennisgeving van de intrekking niet te hebben ontvangen, moet daarvan het bewijs leveren. Voor de administratie volstaat in principe het bewijs van aangetekende verzending.
Tegen elke formele (of impliciete) weigering of intrekking van een vergunning is beroep mogelijk bij de Raad van State. De Raad van State is, overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van de Verordening (EG) nr. 1071/2009, een onafhankelijke en onpartijdige instantie. Deze beroepsmogelijkheid hoeft niet expliciet in de reglementering te worden opgenomen, maar wordt vermeld in de kennisgeving van de beslissing aan de betrokken onderneming. Afdeling 6 - Retributies
Artikel 28 stelt het bedrag van de jaarlijkse retributie bedoeld in artikel 23 van de wet vast op 20 euro per voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de nationale of communautaire vergunning. Dit bedrag volgt de evolutie van het gezondheidsindexcijfer. Afdeling 7 - Statistieken
Artikel 29 bepaalt dat ondernemingen die houdster zijn van een nationale of communautaire vergunning op verzoek van de minister, zijn gemachtigde of de door hem aangeduide instellingen statistische gegevens moeten verstrekken die betrekking hebben op de in artikel 2 van de wet bedoelde werkzaamheden. Afdeling 8 - Uitvoering
Artikel 30, 1°, machtigt de minister om de door de ondernemingen over te leggen documenten en bewijsstukken vast te leggen voor de eerste afgifte, de vervanging, de afgifte van een duplicaat, de herafgifte (na intrekking) en de vernieuwing van de nationale en communautaire vergunningen. 2° en 3° machtigen de minister respectievelijk het precieze model van de in 1° bedoelde nationale vergunning en de wijze van de inning van de retributies te bepalen. HOOFDSTUK 2. - Ondernemingen gevestigd buiten de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en Zwitserland Vergunning internationaal vervoer Afdeling 1 - Gelijkstelling
Artikel 31 stelt de ECMT-vergunning gelijk met de vergunning internationaal vervoer die in België wordt geëist van de buiten de E.E.R. en Zwitserland gevestigde vervoerders. De ECMT-vergunning wordt (in een beperkt aantal) afgegeven in de Europese lidstaten van het International Transport Forum. Afdeling 2 - Uitzonderingen
Artikel 32.De gevallen waarin, bij gebrek aan wederkerigheid, een vergunning internationaal vervoer ook vereist is voor aanhangwagens en voor het vervoer voor eigen rekening, worden bepaald op grond van internationale akkoorden.
Die internationale akkoorden bepalen ook de transporten die, bij wijze van uitzondering, niet onderworpen zijn aan de vergunning internationaal vervoer (tweede lid).
Artikel 33 bepaalt dat de bestuurder die zich beroept op een vrijstelling van vergunning internationaal vervoer, het bewijs moet leveren dat aan de voorwaarden hiertoe voldaan wordt. Afdeling 3 - Geldigheid
Afdeling 4 - Weigering en intrekking
De artikelen 34, 35 (geldigheid) en 37 (weigering en intrekking) vergen geen commentaar. Artikel 36.Er zijn twee soorten van vergunningen internationaal vervoer: één voor een beperkt aantal ritten (ritvergunning) en één voor een onbeperkt aantal (termijnvergunning). Afdeling 5 - Uitvoering
Artikel 38 machtigt de minister om de wijze van afgifte en het model van de vergunningen internationaal vervoer te bepalen. HOOFDSTUK 3. - Ondernemingen gevestigd buiten de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en Zwitserland Cabotagevergunning Afdeling 1 - Gelijkstellingen
Afdeling 2 - Afgifte
Afdeling 3 - Geldigheid
De artikelen 39 tot 43 hebben betrekking op het eventuele cabotagevervoer in België door niet in de E.E.R. of Zwitserland gevestigde vervoersondernemingen. Er wordt bepaald dat deze ondernemingen in België cabotagevervoer mogen verrichten met een specifieke cabotagevergunning of daarmee gelijkgestelde vergunning.
Deze vergunning wordt op dit ogenblik nog niet afgegeven. Tot op heden mogen enkel de in de E.E.R. gevestigde vervoersondernemingen cabotage verrichten, maar men kan zich indenken dat de vervoerders van sommige extra-communautaire landen op een dag cabotage zullen mogen doen in België op grond van de communautaire regelgeving of op grond van bilaterale of multilaterale akkoorden, in het bijzonder op voorwaarde van wederkerigheid. Afdeling 4 - Uitvoering
Artikel 44 kent de minister de bevoegdheid toe om de wijze van afgifte en het model van de cabotagevergunningen te bepalen.
Titel 4 - Bestuurdersattest Artikelen 45 tot 49. De Verordening (EG) nr. 484/2002 van 1 maart 2002 heeft een bestuurdersattest ingevoerd. De bepalingen zijn thans opgenomen in de Verordening (EG) nr. 1072/2009. De titel 4 bevat de regels betreffende de afgifte (artikel 45), de geldigheid (artikel 46), de weigering (artikel 47) en de intrekking (artikel 48) van het bestuurdersattest.
Artikel 49 kent de minister de bevoegdheid toe om de door de onderneming over te leggen documenten en bewijsstukken vast te leggen.
Titel 5 - Vrachtbrieven Artikel 50 strekt ertoe de reeds bestaande regels in verband met de vrachtbrieven (vb. het aantal exemplaren, de verplichte modellen,...) ook na inwerkingtreding van de nieuwe reglementering te behouden.
Titel 6 - Administratieve geldboetes Artikel 51 sluit aan bij artikel 48, § 1, van de wet en bepaalt dat de ambtenaren die worden benoemd om administratieve boetes op te leggen een graad van niveau A moeten hebben en moeten behoren tot de dienst die bevoegd is voor het vervoer over de weg.
In de praktijk kan aldus slechts uit een zeer beperkt aantal ambtenaren gerekruteerd worden zodat het niet wenselijk is om nog meer beperkende voorwaarden te stellen. Het komt aan de minister toe om die ambtenaren te benoemen die hij daartoe het meest geschikt acht.
Artikel 52 stelt de termijn vast om de boete te betalen, alsook de wijze waarop en aan wie die boete moet worden betaald.
Titel 7 - Overlegcomité goederenvervoer over de weg Artikel 53 handelt over de samenstelling, de frequentie van de bijeenkomsten en de werking van het Overlegcomité goederenvervoer over de weg (hierna "het Overlegcomité" genoemd).
Er werd rekening gehouden met het advies van de Raad van State door de samenstelling van het Overlegcomité te specificeren. De facto wordt de werking van het reeds bestaande Overlegcomité voortgezet met dezelfde organisaties uit de sector van het wegvervoer.
Het Overlegcomité zal voortaan ook overeenkomstig de bepalingen van dit besluit advies verstrekken met betrekking tot de beoordeling van de betrouwbaarheid van vervoersondernemingen. Hiertoe zullen nadere regels worden opgenomen in het huishoudelijk reglement. Dat huishoudelijk reglement zal ter goedkeuring aan de minister worden voorgelegd.
De frequentie van de zittingen (tweede lid) zal uiteraard bepaald worden door de behoeften, doch er wordt vastgelegd dat het Overlegcomité minstens eenmaal per jaar moet samenkomen.
De werking van het Overlegcomité (derde lid) zal worden bepaald door de minister.
Titel 8 - Wijzigings- en opheffingsbepalingen Artikel 54.Vermits de
wet van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
03/05/1999
pub.
30/06/1999
numac
1999014158
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg
type
wet
prom.
03/05/1999
pub.
04/05/1999
numac
1999021210
bron
diensten van de eerste minister
Wet houdende budgettaire en diverse bepalingen
sluiten betreffende het vervoer van zaken over de weg en haar uitvoeringsbesluiten worden opgeheven, moeten de verwijzingen naar die reglementeringen in het
koninklijk besluit van 19 juli 2000Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/07/2000
pub.
26/07/2000
numac
2000014182
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg
type
koninklijk besluit
prom.
19/07/2000
pub.
01/08/2000
numac
2000012543
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers
sluiten betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg worden vervangen.
De tabellen m.b.t. het goederenvervoer (vergunningen en vrachtbrief) in bijlage 1 bij het
koninklijk besluit van 19 juli 2000Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
19/07/2000
pub.
26/07/2000
numac
2000014182
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg
type
koninklijk besluit
prom.
19/07/2000
pub.
01/08/2000
numac
2000012543
bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers
sluiten betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg worden integraal vervangen door de bijlage bij dit besluit.
De boete voor het ontbreken van de vereiste vervoervergunning in het voertuig - waarbij het bestaan van die vergunning niet onmiddellijk kan worden aangetoond - wordt van 990 euro opgetrokken tot 1.500 euro.
Deze maatregel kadert in de strijd tegen de oneerlijke concurrentie in het wegvervoer en dringt zich op na de recente verhoging tot 1.500 euro van de boete voor het ontbreken van de voor de zending opgemaakte vrachtbrief in het voertuig.
Er wordt voortaan ook voorzien in een boetebedrag wanneer het voorgelegde voor eensluidend gewaarmerkte afschrift van de vergunning wordt gebruikt voor een voertuig waarvan de kentekenplaat niet is opgenomen in het eRegister van wegvervoersondernemingen (punt a), 2).
Deze toevoeging is logisch nu de opname van de kentekenplaat in het eRegister een voorwaarde wordt voor de geldigheid van de voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van de nationale en communautaire vergunningen.
De boetebedragen voor inbreuken waar fraude of manifeste verhindering van controle mee gemoeid is, worden verdubbeld om het ontradend effect ervan te verhogen (punten a), 12 tot 15). Artikel 55.Het
koninklijk besluit van 7 mei 2002Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/05/2002
pub.
30/05/2002
numac
2002014131
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het vervoer van zaken over de weg
sluiten wordt opgeheven en vervangen door dit koninklijk besluit.
Het
koninklijk besluit van 8 mei 2002Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
08/05/2002
pub.
30/05/2002
numac
2002014133
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende de erkenning van de instellingen die de cursussen voor de vakbekwaamheid voor het vervoer van zaken over de weg organiseren
sluiten wordt opgeheven aangezien de opleidingsinstellingen voortaan zullen erkend worden op basis van de selectiecriteria en gewogen erkenningscriteria die in artikel 6 van dit besluit worden bepaald. Artikel 56 van de wet bepaalt echter bij wijze van overgangsmaatregel dat de VZW Instituut Wegtransport en Logistiek België nog één jaar als opleidingsinstelling erkend blijft.
Het
koninklijk besluit van 10 augustus 2009Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten0 wordt eveneens opgeheven aangezien het cabotagevervoer sinds 14 mei 2010 wordt geregeld door de Verordening (EG) nr. 1072/2009 en voortaan ook in de daarbij aansluitende bepalingen in de wet en in dit besluit.
Tenslotte wordt ook het
koninklijk besluit van 1 februari 2012Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
08/08/1980
pub.
11/12/2007
numac
2007000980
bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits
sluiten1 opgeheven aangezien de uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 voortaan volledig geregeld wordt door en krachtens de wet alsook in de parallelle wetgeving voor het reizigersvervoer over de weg waarvoor dezelfde datum van inwerkingtreding voorzien wordt.
TITEL 9 - Overgangsbepalingen en inwerkingtreding Artikel 56.De (hoofdelijke) borgtochten die werden gesteld overeenkomstig de bepalingen van de vroeger vigerende reglementeringen worden gelijkgesteld met de borgtocht die zal worden gesteld op grond van de huidige wet.
Indien de hoofdelijke borgtocht die werd gesteld overeenkomstig de bepalingen van de vroeger vigerende reglementeringen ontoereikend zou zijn om te beantwoorden aan de bedragen vastgesteld in de eerste alinea van lid 1 van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1071/2009, moet het bedrag van de borgtocht uiteraard worden verhoogd. Artikel 57.Ondanks de opheffing van het
koninklijk besluit van 7 mei 2002Relevante gevonden documenten
type
koninklijk besluit
prom.
07/05/2002
pub.
30/05/2002
numac
2002014131
bron
ministerie van verkeer en infrastructuur
Koninklijk besluit betreffende het vervoer van zaken over de weg
sluiten moeten de ondernemingen de (achterstallige) retributie betalen die ze overeenkomstig artikel 33 van dat koninklijk besluit nog verschuldigd zijn. Artikel 58.De nationale en communautaire vergunningen die werden afgegeven vóór 4 december 2011, datum waarop de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van toepassing is geworden, blijven geldig tot hun vervaldatum.
Artikel 59 bepaalt de inwerkingtreding van de wet en van dit besluit.
Artikel 60 maakt de betrokken ministers bevoegd voor de uitvoering van dit besluit.
Wij hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar.
De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. J. MILQUET De Minister van Justitie, Mevr. A. TURTELBOOM De Minister van Financiën, K. GEENS De Staatssecretaris voor Mobiliteit, M. WATHELET
Raad van State, afdeling Wetgeving advies 55.260/4 van 3 maart 2014 over een ontwerp van koninklijk besluit `betreffende het goederenvervoer over de weg' Op 3 februari 2014 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `betreffende het goederenvervoer over de weg'.
Het ontwerp is door de vierde kamer onderzocht op 3 maart 2014. De kamer was samengesteld uit Pierre Liénardy, kamervoorzitter, Jacques Jaumotte en Bernard Blero, staatsraden, Christian Behrendt, assessor, en Anne-Catherine Van Geersdaele, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Yves Chauffoureaux, eerste auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre Liénardy.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 3 maart 2014.
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat deze dri …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.