← België

Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen van machines

Kort samengevat

Dit besluit regelt het op de markt brengen van machines en aanverwante producten om de veiligheid en gezondheid van personen, huisdieren en goederen te waarborgen. Het zet een Europese richtlijn om in Belgisch recht.

Wat het reguleert

Wie het aanbelangt

Kernpunten

📄 Wettekst
12 AUGUSTUS 2008. - Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen van machines ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 9 februari 1994 betreffende de veiligheid van producten en diensten, artikel 4, vervangen bij de wet van 4 april 2001 en gewijzigd bij de wet van 18 december 2002 en artikel 10bis ingevoegd bij de wet van 25 april 2007; Gelet op het koninklijk besluit van 26 september 1966 betreffende de schiethamers; Gelet op het koninklijk besluit van 5 mei 1995 betreffende het op de markt brengen van machines; Gelet op het advies nr. 44.518/1 van de Raad van State, gegeven op 3 juni 2008 met toepassing van het artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Klimaat en Energie en van Onze Minister van Werk en Gelijke Kansen, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Dit besluit heeft tot doel de richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van richtlijn 95/16/EG gedeeltelijk om te zetten. Art. 2.§ 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder « machines », de producten bedoeld in § 2, 1° tot en met 6°. § 2. Voor de toepassing van dit besluit zijn de volgende definities van toepassing : 1° « machine » : a) een samenstel, voorzien van of bestemd om te worden voorzien van een aandrijfsysteem - maar niet op basis van rechtstreeks gebruikte menselijke of dierlijke spierkracht -, van onderling verbonden onderdelen of componenten waarvan er ten minste één kan bewegen, en die samengevoegd worden voor een bepaalde toepassing;b) een samenstel als bedoeld onder het punt a) waaraan slechts de componenten voor de montage op de plaats van gebruik of voor de aansluiting op kracht- of aandrijfbronnen ontbreken;c) een samenstel als bedoeld onder de punten a) en b) dat gereed is voor montage en dat alleen in deze staat kan functioneren na montage op een vervoermiddel of montage in een gebouw of bouwwerk;d) samenstellen van machines als bedoeld in de punten a), b) en c) of niet voltooide machines als bedoeld in 7°, die, teneinde tot hetzelfde resultaat te komen, zodanig zijn opgesteld en worden bestuurd dat zij als één geheel functioneren;e) een samenstel van onderling verbonden onderdelen of componenten waarvan er ten minste één kan bewegen, en die in hun samenhang bestemd zijn voor het heffen van lasten en die uitsluitend rechtstreeks aangedreven worden door menselijke spierkracht;2° « verwisselbaar uitrustingsstuk » : een inrichting die na inbedrijfstelling van een machine of trekker door de bediener zelf hieraan wordt gekoppeld om de functie te wijzigen of een nieuwe functie te geven, voorzover dit uitrustingsstuk geen gereedschap is;3° « veiligheidscomponent » : een component : a) die een veiligheidsfunctie vervult;b) die afzonderlijk in de handel wordt gebracht;c) waarvan het niet en/of verkeerd functioneren de veiligheid van personen in gevaar brengt, en d) die niet nodig is voor de werking van de machine of die door gewone componenten kan worden vervangen om de machine te doen werken. In bijlage V is een indicatieve lijst opgenomen van veiligheidscomponenten; 4° « hijs- of hefgereedschap » : niet vast met de hijs- of hefmachine verbonden onderdeel of uitrustingsstuk voor het hijsen of heffen van een last, dat tussen de machine en de last, of op de last zelf, wordt aangebracht dan wel bestemd is om een integrerend deel van de last uit te maken, en dat afzonderlijk in de handel wordt gebracht.Stroppen en hun onderdelen worden eveneens als hijs- of hefgereedschappen beschouwd; 5° « kettingen, kabels en banden » : kettingen, kabels en banden die zijn ontworpen en geproduceerd voor hijs- en hefdoeleinden als onderdeel van hijs- of hefmachines of van hijs- of hefgereedschap;6° « verwijderbare mechanische overbrengingsinrichting » : verwijderbaar onderdeel dat is bestemd voor krachtoverbrenging van een aandrijfmachine of trekker naar de eerste vaste aslager van de aangedreven machine.Wanneer de inrichting met de afscherming in de handel wordt gebracht, moet het als één product worden beschouwd; 7° « niet voltooide machine » : een samenstel dat bijna een machine vormt maar dat niet zelfstandig een bepaalde toepassing kan realiseren.Een aandrijfsysteem is een niet voltooide machine. Een niet voltooide machine is slechts bedoeld om te worden ingebouwd in of te worden samengebouwd met een of meer andere machines of andere niet voltooide machine(s) of uitrusting, tot een machine waarop dit besluit van toepassing is; 8° « in de handel brengen » : het voor het eerst tegen vergoeding of gratis in de Gemeenschap ter beschikking stellen van een machine of niet voltooide machine met het oog op de distributie of het gebruik ervan;9° « fabrikant » : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onder dit besluit vallende machine of niet voltooide machine ontwerpt en/of produceert, en die verantwoordelijk is voor de overeenstemming van deze machine of niet voltooide machine met dit besluit teneinde haar onder zijn eigen naam of merk of voor eigen gebruik in de handel te brengen of voor eigen gebruik.Bij gebreke van een fabrikant die aan deze definitie voldoet, wordt elke natuurlijke of rechtspersoon die een onder dit besluit vallende machine of niet voltooide machine in de handel brengt of in bedrijf stelt, als fabrikant beschouwd; 10° « gemachtigde » : elke in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die schriftelijk door de fabrikant is gemachtigd om namens hem alle of een deel van de in dit besluit bedoelde verplichtingen en formaliteiten te vervullen;11° « inbedrijfstelling » : eerste gebruik in de Gemeenschap van een onder dit besluit vallende machine overeenkomstig het gebruiksdoel;12° « geharmoniseerde norm » : een geharmoniseerde norm zoals bepaald in artikel 1, punt 11, van de wet van 9 februari 1994 betreffende de veiligheid van producten en diensten;13° « de minister« : de minister tot wiens bevoegdheden de bescherming van de veiligheid van de consumenten behoort;14° « harmonisatiereglementering » : ofwel een nationale reglementering tot omzetting van een Europese reglementering, ofwel een Europese reglementering die onmiddellijk toepasbaar is. HOOFDSTUK II. - Toepassingsdomein Art. 3.Dit besluit is van toepassing op de volgende producten : 1° machines;2° verwisselbare uitrustingsstukken;3° veiligheidscomponenten;4° hijs- en hefgereedschappen;5° kettingen, kabels en banden;6° verwijderbare mechanische overbrengingssystemen;7° niet voltooide machines. Art. 4.Dit besluit is niet van toepassing op : 1° veiligheidscomponenten die bestemd zijn om identieke componenten te vervangen en die geleverd zijn door de fabrikant van de oorspronkelijke machine;2° specifiek voor kermissen en/of amusementsparken bestemd materieel;3° machines die speciaal zijn ontworpen of in bedrijf zijn gesteld voor nucleaire doeleinden en waarvan een defect uitstoot van radioactiviteit tot gevolg kan hebben;4° wapens, met inbegrip van vuurwapens;5° de volgende vervoermiddelen : a) landbouw- of bosbouwtrekkers voor de risico's bedoeld in het koninklijk besluit van 26 februari 1981Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 26/02/1981 pub. 29/10/2013 numac 2013000672 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit houdende uitvoering van de richtlijnen van de Europese Gemeenschappen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, hun bestanddelen alsook hun veiligheidsonderdelen. - Officieuze coördinatie in het Duits van uittreksels sluiten houdende uitvoering van de richtlijnen van de Europese Gemeenschappen betreffende de goedkeuring van motortuigen en aanhangwagens daarvan, landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, hun bestanddelen alsook hun veiligheidsonderdelen, met uitzondering van machines die op deze voertuigen zijn aangebracht;b) voertuigen bedoeld in het koninklijk besluit van 15 maart 1968Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 15/03/1968 pub. 16/03/2005 numac 2005000019 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de motorvoertuigen en hun aanhangwagens moeten voldoen. - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 15/03/1968 pub. 03/06/2014 numac 2014014295 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, met uitzondering van machines die op deze voertuigen zijn aangebracht;c) voertuigen bedoeld in het koninklijk besluit van 4 augustus 1996 houdende uitvoering van de richtlijnen van de Europese Gemeenschappen betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen, hun onderdelen en technische eenheden alsook hun veiligheidstoebehoren, met uitzondering van machines die op deze voertuigen zijn aangebracht;d) motorvoertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor wedstrijden;e) vervoermiddelen voor het vervoer door de lucht, over het water en over spoornetten met uitzondering van daarop aangebrachte machines;6° zeeschepen en mobiele offshore-eenheden, alsmede machines die aan boord van dergelijke schepen en/of eenheden zijn geïnstalleerd;7° machines die specifiek voor militaire of politiële doeleinden zijn ontworpen en geproduceerd;8° machines die specifiek zijn ontworpen en gebouwd voor onderzoeksdoeleinden voor tijdelijk gebruik in laboratoria;9° mijnliften;10° machines voor het verplaatsen van kunstenaars tijdens een optreden;11° elektrische en elektronische apparatuur binnen de volgende gebieden, voorzover deze vallen onder het koninklijk besluit van 23 maart 1977 betreffende het op de markt brengen van elektrisch materieel : a) huishoudelijke apparaten die voor privégebruik zijn bestemd;b) audio- en videoapparatuur;c) apparatuur die wordt gebruikt in de informatietechnologie;d) gewone kantoormachines;e) schakelmaterieel en besturingsapparatuur voor laagspanning;f) elektromotoren;12° de volgende hoogspanningsinstallaties : a) schakelmaterieel en besturingsapparatuur;b) transformators. Art. 5.Wanneer voor een machine de in bijlage I bedoelde gevaren al geheel of gedeeltelijk en meer specifiek door andere harmonisatiereglementeringen worden bestreken, is dit besluit, wat betreft bovengenoemde gevaren, vanaf de toepassingsdatum van die andere harmonisatiereglementeringen niet of niet langer van toepassing op die machine. HOOFDSTUK III. - In de handel brengen Art. 6.§ 1. De machines kunnen uitsluitend in de handel gebracht en/of in bedrijf gesteld worden indien zij voldoen aan de erop van toepassing zijnde bepalingen van dit besluit en geen gevaar opleveren voor de veiligheid en de gezondheid van personen en, in voorkomend geval, huisdieren of goederen, wanneer zij op passende wijze worden geïnstalleerd en onderhouden en overeenkomstig hun bestemming of in redelijkerwijze voorzienbare omstandigheden worden gebruikt. § 2. Machines en niet voltooide machines die niet met dit besluit in overeenstemming zijn, kunnen worden tentoongesteld op jaarbeurzen, tentoonstellingen, bij demonstraties enzovoort, mits duidelijk zichtbaar is aangegeven dat zij niet met het besluit in overeenstemming zijn en niet te verkrijgen zijn voordat zij met het besluit in overeenstemming zijn gebracht. Bij het demonstreren van dergelijke machines of niet voltooide machines die niet met het besluit in overeenstemming zijn gebracht, moeten bovendien toereikende veiligheidsmaatregelen worden genomen om de bescherming van personen te waarborgen. Art. 7.§ 1. De fabrikant of diens gemachtigde moet, alvorens een machine in de handel te brengen en/of in bedrijf te stellen : 1° zich ervan vergewissen dat deze machine in overeenstemming is met de toepasselijke, in bijlage I vermelde essentiële gezondheids- en veiligheidseisen;2° zich ervan vergewissen dat het in bijlage VII, afdeling A, bedoelde technisch dossier beschikbaar is;3° inzonderheid de noodzakelijke informatie verstrekken, zoals de gebruiksaanwijzing;4° de procedures ter beoordeling van de overeenstemming uitvoeren, overeenkomstig artikel 9;5° de EG-verklaring van overeenstemming opstellen overeenkomstig bijlage II, deel 1, onder A, en zeker stellen dat deze de machine vergezelt;6° overeenkomstig artikel 12 de CE-markering aanbrengen. § 2. De fabrikant of diens gemachtigde moet, alvorens een niet voltooide machine in de handel te brengen, zich ervan vergewissen dat de in artikel 10 bedoelde procedure is afgewikkeld. § 3. De fabrikant of diens gemachtigde moet, ten behoeve van de in artikel 9 bedoelde procedures, beschikken over of toegang hebben tot de middelen die nodig zijn om zich ervan te vergewissen dat de machine voldoet aan de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen van bijlage I. § 4. Wanneer de machines ook onder andere harmonisatiereglementeringen vallen die betrekking hebben op andere aspecten en voorzien in het aanbrengen van de CE-markering, wordt door deze markering aangegeven dat de machines ook aan die andere harmonisatiereglementeringen voldoen. Wanneer de fabrikant of diens gemachtigde op grond van een of meer van die harmonisatiereglementeringen echter gedurende een overgangsperiode de toe te passen regeling kan kiezen, wordt door de CE-markering uitsluitend aangegeven dat de machine in overeenstemming is met de bepalingen van de door de fabrikant of diens gemachtigde toegepaste Europese reglementeringen. De verwijzingen naar de Europese reglementeringen, zoals in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt, moeten in de EG-verklaring van overeenstemming worden vermeld. HOOFDSTUK IV. - Vermoeden van overeenstemming en geharmoniseerde normen Art. 8.§ 1. Machines die van de CE-markering zijn voorzien en vergezeld gaan van de EG-verklaring van overeenstemming, zoals beschreven in bijlage II, deel 1, onder A, worden beschouwd aan dit besluit te voldoen. § 2. Machines gebouwd overeenkomstig een geharmoniseerde norm worden geacht in overeenstemming te zijn met de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen waarop deze geharmoniseerde norm betrekking heeft. HOOFDSTUK V. - Procedures voor de overeenstemmingsbeoordeling van machines Art. 9.§ 1. Met het oog op certificatie van overeenstemming van een machine met de bepalingen van dit besluit, past de fabrikant of diens gemachtigde een van de in de §§ 2, 3, 4 beschreven procedures voor de beoordeling van de overeenstemming toe. § 2. Wanneer de machine niet in bijlage IV wordt genoemd, past de fabrikant of diens gemachtigde de in bijlage VIII bedoelde overeenstemmingsbeoordelingsprocedure met interne controle van de productie van machines toe. § 3. Wanneer de machine in bijlage IV wordt genoemd en de machine overeenkomstig de in artikel 8, § 2, bedoelde, geharmoniseerde normen is gebouwd, past de fabrikant of diens gemachtigde, op voorwaarde dat de geharmoniseerde normen alle relevante essentiële gezondheids- en veiligheidseisen dekken, een van de volgende procedures toe : 1° de in bijlage VIII bedoelde procedure voor overeenstemmingsbeoordeling met interne controle van de productie van machines;2° de in bijlage IX omschreven procedure voor het EG-typeonderzoek, plus de interne controle van de productie van machines bedoeld in punt 3 van bijlage VIII;3° de in bijlage X omschreven procedure voor volledige kwaliteitsborging. § 4. Wanneer de machine in bijlage IV wordt genoemd en de machine niet of slechts gedeeltelijk overeenkomstig de in artikel 8, § 2, bedoelde, geharmoniseerde normen is gebouwd, dan wel wanneer de geharmoniseerde normen niet alle relevante essentiële gezondheids- en veiligheidseisen dekken of er voor de machine in kwestie geen geharmoniseerde normen bestaan, past de fabrikant of diens gemachtigde een van de volgende procedures toe : 1° de in bijlage IX omschreven procedure voor het EG-typeonderzoek, plus de interne controle van de productie van machines bedoeld in punt 3 van bijlage VIII;2° de in bijlage X omschreven procedure voor volledige kwaliteitsborging. Art. 10.§ 1. De fabrikant of diens gemachtigde moet, alvorens een niet voltooide machine in de handel te brengen, zich ervan vergewissen dat : 1° de relevante technische documenten zoals beschreven in bijlage VII, deel B, worden opgesteld;2° de montagehandleiding zoals beschreven in bijlage VI wordt opgesteld;3° een inbouwverklaring zoals beschreven in bijlage II, deel 1, onder B, is opgesteld. § 2. De montagehandleiding en de inbouwverklaring moeten bij de niet voltooide machine zijn gevoegd totdat de inbouw is geschied, en vervolgens deel uitmaken van het technische dossier van de afgewerkte machine. Art. 11.§ 1. De minister erkent de instanties, aangemelde instanties genoemd, die gemachtigd zijn voor de uitvoering van de procedures bedoeld in de artikel 9, §§ 3, 4 van dit besluit volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde conformiteitsbeoordelingsprocedures. § 2. Voor de toepassing van dit besluit worden de instanties die aangemeld zijn bij de Commissie van Europese Gemeenschappen door een van de lidstaten voor het uitvoeren van de procedures bedoeld in artikel 12, leden 3 en 4 van de richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 95/16/EG gelijkgesteld met de instanties aangemeld voor de uitvoering van de procedures bedoeld in de artikelen artikel 9, §§ 3, 4. HOOFDSTUK VI. - CE-markering Art. 12.§ 1. De CE-markering van overeenstemming bestaat uit de letters « CE » overeenkomstig het in bijlage III opgenomen model. § 2. De CE-markering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op de machine aangebracht overeenkomstig bijlage III. § 3. Op machines mogen geen merktekens, tekens of opschriften worden aangebracht die derden kunnen misleiden omtrent de betekenis of de grafische vorm, of beide, van de CE-markering. Op de machines mogen wel andere merktekens worden aangebracht, mits dit niet ten koste gaat van de zichtbaarheid, de leesbaarheid en de betekenis van de CE-markering. Art. 13.§ 1. Wordt als een niet-conforme markering beschouwd : 1° het aanbrengen van de CE-markering uit hoofde van dit besluit op producten waarop dit besluit geen betrekking heeft;2° het ontbreken van de CE-markering en/of het ontbreken van de EG-verklaring van overeenstemming bij een machine;3° het aanbrengen op een machine van een ander merkteken dan de CE-markering en dat krachtens artikel 12, § 3, verboden is. § 2. Wanneer een niet-conforme markering wordt vastgesteld is de fabrikant of diens gemachtigde verplicht het product weer met de betreffende bepalingen van dit besluit in overeenstemming te brengen en de inbreuk overeenkomstig de door de minister vastgestelde voorwaarden te doen beëindigen. HOOFDSTUK VII. - Overgangs- en slotbepalingen Art. 14.Het op de markt brengen en in bedrijf stellen van draagbare bevestigingswerktuigen met explosieve lading en andere slagwerktuigen die in overeenstemming zijn met de bepalingen van de wet van 20 januari 1971 houdende goedkeuring van de overeenkomst tot wederzijdse erkenning van de beproevingsstempels voor draagbare vuurwapens en van het reglement met bijlagen I en II kunnen toegestaan worden tot 29 juni 2011. Art. 15.Worden opgeheven : 1° het koninklijk besluit van 26 september 1966 betreffende de schiethamers;2° het koninklijk besluit van 5 mei 1995 betreffende het op de markt brengen van machines, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 december 2005. Art. 16.Dit besluit treedt in werking op 29 december 2009. Art. 17.Onze minister bevoegd voor de veiligheid van de consumenten en Onze minister bevoegd voor de arbeidsveiligheid zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Nice, 12 augustus 2008. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Klimaat en Energie, P. MAGNETTE De Minister van Werk en Gelijke Kansen, Mevr. J. MILQUET Bijlage I Essentiële veiligheids- en gezondheidseisen betreffende het ontwerp en de bouw van machines ALGEMENE BEGINSELEN 1. De fabrikant van een machine of diens gemachtigde garandeert dat een risicobeoordeling wordt uitgevoerd om na te gaan welke veiligheids- en gezondheidseisen op die machine van toepassing zijn; bij ontwerp en bouw van de machine moet vervolgens rekening worden gehouden met de resultaten van deze risicobeoordeling. Via het herhalen van bovenbedoelde risicobeoordeling en -beperking dient de fabrikant of diens gemachtigde : - de grenzen van de machines te bepalen, zowel uitgaande van het beoogde gebruik als van elk redelijkerwijs voorzienbare verkeerd gebruik daarvan, - na te gaan welke gevaren door de machines kunnen worden veroorzaakt en welke gevaarlijke situaties daaraan verbonden zijn, - de risico's in te schatten met inachtneming van de ernst van het mogelijke letsel of de aantasting van de gezondheid en de waarschijnlijkheid dat deze zich voordoet, - de risico's te beoordelen teneinde, overeenkomstig de doelstelling van dit besluit, te bepalen of risicoreductie vereist is, - de gevaren weg te nemen of de aan deze gevaren verbonden risico's te verminderen door de toepassing van beschermende maatregelen in de in punt 1.1.2, onder b) vastgestelde volgorde. 2. De verplichtingen die zijn vervat in de essentiële veiligheids- en gezondheidseisen zijn alleen van toepassing indien het gevaar in kwestie bij de betrokken machine aanwezig is wanneer deze op de door de fabrikant of diens gemachtigde bedoelde wijze, dan wel in voorzienbare abnormale omstandigheden wordt gebruikt.De beginselen van geïntegreerde veiligheid van punt 1.1.2 en de voorschriften inzake markering en gebruiksaanwijzing van de punten 1.7.3 en 1.7.4 gelden in ieder geval. 3. De in deze bijlage vermelde essentiële veiligheids- en gezondheidseisen zijn dwingend.Gezien de stand van de techniek is het evenwel mogelijk dat de daarin gestelde doelen niet kunnen worden bereikt. In dat geval moeten die doelstellingen bij het ontwerp en de bouw van de machine zoveel mogelijk worden nagestreefd. 4. Deze bijlage bestaat uit verschillende delen.Het eerste deel heeft een algemene werkingssfeer en is van toepassing op alle soorten machines. In de andere delen wordt verwezen naar bepaalde soorten, meer specifieke, gevaren. De gehele bijlage moet evenwel worden bekeken om zeker te zijn dat aan alle toepasselijke essentiële eisen is voldaan. Bij het ontwerpen van machines overeenkomstig punt 1 van deze algemene beginselen, worden de eisen van het algemene deel en de eisen van een of meer andere delen in aanmerking genomen, naar gelang van de resultaten van de risicobeoordeling, uitgevoerd overeenkomstig punt 1 van deze algemene beginselen. 1. ESSENTI"LE VEILIGHEIDS- EN GEZONDHEIDSEISEN 1.1. ALGEMEEN 1.1.1. Definities In deze bijlage wordt verstaan onder : a) « gevaar » : een mogelijke bron van verwonding of aantasting van de gezondheid;b) « gevarenzone » : zone in en/of rondom een machine waar een persoon blootstaat aan een gevaar voor zijn veiligheid of gezondheid;c) « blootgestelde persoon » : persoon die zich geheel of gedeeltelijk in een gevarenzone bevindt;d) « bediener » : de persoon (personen) die tot taak heeft (hebben) een machine te installeren, te laten werken, af te stellen, te onderhouden, te reinigen, te herstellen of te vervoeren;e) « risico » : combinatie van de waarschijnlijkheid en de ernst van een letsel of aantasting van de gezondheid die zich kan voordoen in een gevaarlijke situatie;f) « afscherming » : een machineonderdeel dat specifiek wordt gebruikt om te beschermen door middel van een materiële barrière;g) « beveiligingsinrichting » : inrichting (anders dan een afscherming) die, alleen of in combinatie met een afscherming, een risico vermindert;h) « beoogd gebruik » : gebruik van een machine overeenkomstig de informatie in de gebruiksaanwijzing;i) « redelijkerwijs voorzienbaar verkeerd gebruik » : gebruik van een machine op een manier die niet in de gebruiksaanwijzing staat maar het resultaat kan zijn van gemakkelijk voorspelbaar menselijk gedrag. 1.1.2. Beginselen van geïntegreerde veiligheid a) De machine moet zodanig ontworpen en gebouwd zijn dat zij bediend, afgesteld en onderhouden kan worden zonder dat personen aan een risico worden blootgesteld, wanneer deze handelingen onder de vastgestelde omstandigheden worden verricht, tevens rekening houdend met redelijkerwijs voorzienbaar verkeerd gebruik. De genomen maatregelen moeten erop gericht zijn elk risico gedurende de te verwachten levensduur van de machine, met inbegrip van de fasen van het vervoer, het monteren, het demonteren, de buitenbedrijfstelling en de sloop, uit te sluiten. b) Bij het kiezen van de meest geschikte oplossingen moet de fabrikant of diens gemachtigde de volgende beginselen toepassen, in de aangeduide volgorde : - de risico's uitsluiten of zoveel mogelijk verminderen (veiligheid in het ontwerp en de bouw van de machine integreren), - de noodzakelijke beveiligingsmaatregelen treffen voor risico's die niet kunnen worden uitgesloten, - de gebruikers informeren over de restrisico's ten gevolge van een tekortkoming van de getroffen beveiligingsmaatregelen, aangeven of een bijzondere opleiding vereist is en vermelden dat persoonlijke beschermingsmiddelen vereist zijn.c) Bij ontwerp en bouw van de machine en bij het opstellen van de gebruiksaanwijzing moet de fabrikant of diens gemachtigde niet alleen het beoogde gebruik van de machine maar ook elk redelijkerwijs voorzienbare verkeerd gebruik voor ogen houden. De machine moet zo zijn ontworpen en gebouwd om abnormaal gebruik, indien dat een risico zou inhouden, te voorkomen. In voorkomend geval dient de gebruiksaanwijzing de aandacht van de gebruiker te vestigen op te ontraden gebruik van de machine dat uit ervaring zou kunnen blijken. d) Bij ontwerp en bouw van de machine moet rekening worden gehouden met de belemmeringen die de bediener ondervindt door een noodzakelijk of te voorzien gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.e) De machine moet worden geleverd met alle speciale uitrusting en accessoires die essentieel zijn om deze veilig te kunnen afstellen, onderhouden en gebruiken. 1.1.3. Materialen en producten De voor de bouw van de machine gebruikte materialen of de bij het gebruik ervan aangewende en ontstane producten mogen geen gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van personen. Met name bij het gebruik van fluïda moet de machine zijn ontworpen en gebouwd om risico's als gevolg van vullen, gebruiken, opvangen en afvoeren te voorkomen. 1.1.4. Verlichting De machine moet worden geleverd met een ingebouwde, aan de werkzaamheden aangepaste verlichting indien de afwezigheid van die ingebouwde verlichting, ondanks een normale ruimteverlichting, een risico kan inhouden. De machine moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat de verlichting geen hinderlijke schaduwzones, verblinding of gevaarlijke stroboscopische effecten op de bewegende delen veroorzaakt. Indien bepaalde organen aan de binnenzijde dikwijls moeten worden geïnspecteerd en afgeregeld, moeten zij van een passende verlichting zijn voorzien; dit geldt tevens voor de zones waar afstelling en onderhoud plaatsvinden. 1.1.5. Ontwerp van de machine om het hanteren ervan gemakkelijker te maken De machine of elk van de componenten moet : - veilig kunnen worden gehanteerd en vervoerd, - verpakt of ontworpen zijn om veilig en zonder beschadigingen te kunnen worden opgeslagen. Bij vervoer van de machine en/of onderdelen daarvan mogen zich geen plotselinge verplaatsingen kunnen voordoen of mag geen gevaar ontstaan door gebrek aan stabiliteit, indien de machine en/of onderdelen daarvan volgens de gebruiksaanwijzing worden gehanteerd. Wanneer het gewicht, de omvang of de vorm van de machine of de verschillende componenten ervan handmatige verplaatsing onmogelijk maakt, moet de machine of elk samenstellend deel : - voorzien zijn van bevestigingspunten voor hijs- en hefgereedschap, of - zodanig zijn ontworpen dat dergelijke bevestigingspunten kunnen worden aangebracht, of - een vorm hebben die gemakkelijke bevestiging van standaard hijs- en hefgereedschap mogelijk maakt. Wanneer de machine of een van de samenstellende delen daarvan met de hand wordt verplaatst, moeten deze : - hetzij gemakkelijk verplaatsbaar zijn, - hetzij uitgerust om veilig te kunnen worden opgepakt en verplaatst. Bijzondere voorzieningen moeten worden getroffen voor het hanteren van gereedschappen en/of onderdelen van machines die gevaarlijk zouden kunnen zijn, zelfs als deze een gering gewicht hebben. 1.1.6. Ergonomie Onder de beoogde gebruiksomstandigheden moeten hinder, vermoeidheid en fysieke en psychische belasting waarmee de bediener wordt geconfronteerd tot het minimum beperkt blijven, met inachtneming van ergonomische beginselen zoals : - het rekening houden met de verscheidenheid aan fysieke afmetingen, kracht en uithoudingsvermogen van de bedieners, - het voorhanden zijn van voldoende ruimte opdat de bediener zijn lichaamsdelen vrijelijk kan bewegen, - het vermijden dat de machine het werktempo bepaalt, - het vermijden dat langdurige concentratie is vereist, - het aanpassen van het raakvlak tussen mens en machine op de te voorziene eigenschappen van de bedieners. 1.1.7. Bedienerspost De bedienerspost moet zo zijn ontworpen en gebouwd dat ieder risico door uitlaatgassen en/of zuurstofgebrek wordt vermeden. Indien de machine bedoeld is om te worden gebruikt in een gevaarlijke omgeving die risico's voor de gezondheid of de veiligheid van de bediener vertoont, dan wel indien de machine zelf een gevaarlijke omgeving creëert, moet er met passende middelen voor worden gezorgd dat de bediener in goede arbeidsomstandigheden werkt en beschermd is tegen alle voorzienbare gevaren. In voorkomend geval, moet de werkplek van een deugdelijke cabine zijn voorzien, die zo moet zijn ontworpen, gebouwd en/of uitgerust dat aan de bovengenoemde eisen wordt voldaan. De uitgang moet een snelle ontruiming mogelijk maken. Bovendien moet, in voorkomend geval, een nooduitgang worden voorzien in een andere richting dan de gewone uitgang. 1.1.8. Zitplaats In voorkomend geval en wanneer de arbeidsomstandigheden dit toelaten, moeten de bedieningsposten die een integrerend deel van de machine uitmaken, zo ontworpen zijn dat zitplaatsen kunnen worden geïnstalleerd. Indien het de bedoeling is dat de bediener tijdens het werk zit en indien de bedieningspost een integrerend deel van de machine uitmaakt, moet op de machine een zitplaats zijn aangebracht. De zitplaats voor de bediener moet hem de mogelijkheid bieden een stabiele positie te behouden. Bovendien moeten de zitplaats en de afstand tussen de zitplaats en de bedieningsorganen kunnen worden aangepast aan de bediener. Als de machine aan trillingen onderhevig is, moet de zitplaats zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat het doorgeven van trillingen aan de bediener zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt beperkt. De verankering van de zitplaats moet tegen alle mogelijke belastingen bestand zijn. Indien zich onder de voeten van de bediener geen vloer bevindt, moet deze kunnen gebruikmaken van voetsteunen met een stroeve bekleding. 1.2. BESTURINGSSYSTEMEN 1.2.1. Veiligheid en betrouwbaarheid van de besturingssystemen De besturingssystemen moeten zodanig ontworpen en gebouwd zijn dat er geen gevaarlijke situaties ontstaan. Meer bepaald moeten zij zodanig ontworpen en gebouwd zijn dat : - zij bestand zijn tegen de normale bedrijfsbelasting en tegen invloeden van buitenaf, - een storing in de apparatuur of de programmatuur van het besturingssysteem niet tot een gevaarlijke situatie leidt, - fouten in de besturingslogica niet tot een gevaarlijke situatie leiden, - redelijkerwijs voorzienbare menselijke fouten gedurende de werking niet tot een gevaarlijke situatie leiden. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de volgende punten : - de machine mag zich niet onverwacht in werking stellen, - de parameters van de machine mogen niet op een ongecontroleerde wijze veranderen wanneer dit tot gevaarlijke situaties kan leiden, - het stopzetten van de machine mag niet worden verhinderd indien de opdracht tot stopzetten reeds is gegeven, - geen enkel bewegend deel van de machine of geen enkel door de machine vastgehouden stuk mag vallen of worden uitgeworpen, - het automatisch of manueel stopzetten van enig bewegend deel mag niet worden gehinderd, - de beschermingsinrichtingen moeten volkomen functioneel blijven dan wel een opdracht tot stopzetten geven, - de veiligheidsgerelateerde elementen van het besturingssysteem moeten op een coherente wijze gelden voor een samenstel van machines en/of niet voltooide machines. Bij draadloze bediening wordt de machine automatisch stopgezet wanneer er geen correcte besturingssignalen worden ontvangen; dit is ook het geval wanneer de communicatie is weggevallen. 1.2.2. Bedieningsorganen De bedieningsorganen moeten : - duidelijk zichtbaar en herkenbaar zijn en, waar nodig, voorzien zijn van pictogrammen, - zodanig zijn geplaatst dat de bediening veilig, zonder aarzeling of tijdverlies en zonder misverstand kan geschieden, - zodanig zijn ontworpen dat er een logisch verband bestaat tussen de beweging van het bedieningsorgaan en het bewerkstelligde effect, - buiten de gevarenzones geplaatst zijn, behalve wanneer dit voor bepaalde bedieningsorganen, zoals noodstoporganen of hangende bedieningsstations, nodig is, - zodanig geplaatst zijn dat hun bediening geen extra risico met zich meebrengt, - zodanig zijn ontworpen of beveiligd dat het beoogde effect, indien dat gevaar kan opleveren, uitsluitend door een opzettelijke handeling kan plaatsvinden, - zodanig zijn vervaardigd dat zij aan de voorzienbare krachten kunnen weerstaan. Bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de noodstopvoorzieningen, die sterk belast kunnen worden. Als een bedieningsorgaan zodanig is ontworpen en gebouwd dat er verschillende handelingen mee kunnen worden verricht, dat wil zeggen dat de werking ervan niet eenduidig is, moet duidelijk worden aangegeven welke handeling is gekozen en moet deze keuze zo nodig worden bevestigd. De bedieningsorganen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat, rekening houdend met de ergonomische beginselen, de opstelling, het bereik en de bedieningsweerstand verenigbaar zijn met de te verrichten handeling. De machine moet zijn voorzien van signalerings- en aanwijsinrichtingen die noodzakelijk zijn voor een veilige werking. De bediener moet deze signalen en aanwijzingen vanaf de bedieningspost kunnen waarnemen. De bediener moet zich er vanaf iedere bedieningspost van kunnen vergewissen dat er zich geen personen in de gevarenzones bevinden of het bedieningssysteem moet zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat het inschakelen van de machine wordt verhinderd zolang er zich iemand in de gevarenzone bevindt. Wanneer geen van deze mogelijkheden kan worden toegepast, moet voor het inschakelen van de machine een geluids- en/of lichtsignaal worden gegeven. Blootgestelde personen moeten voldoende tijd hebben om de gevarenzone te verlaten of het inschakelen van de machine te verhinderen. Zo nodig moeten voorzieningen worden getroffen om zeker te stellen dat de machine uitsluitend vanaf bedieningsposten in een of meer vooraf bepaalde zones of plaatsen kan worden bediend. Wanneer er meer dan één bedieningspost is, moet het besturingssysteem zodanig zijn ontworpen dat bij gebruik van één van de posten het gebruik van de overige posten onmogelijk wordt, met uitzondering van stopinrichtingen en noodstops. Wanneer een machine twee of meer bedienersposten heeft, moet iedere post voorzien zijn van alle noodzakelijke bedieningsorganen, zonder dat de bedieners elkaar hinderen of in een gevaarlijke situatie brengen. 1.2.3. In werking stellen Het in werking stellen van een machine mag alleen kunnen geschieden door een opzettelijk verrichte handeling met een hiervoor bestemd bedieningsorgaan. Dezelfde eis geldt wanneer : - de machine opnieuw in werking wordt gesteld na een stilstand, ongeacht de oorzaak daarvan; - een belangrijke wijziging in de bedrijfsomstandigheden wordt bewerkstelligd. Voor zover dit niet tot een gevaarlijke situatie leidt, mag het opnieuw in werking stellen of het wijzigen van de bedrijfsomstandigheden geschieden door een opzettelijk verrichte handeling met een ander orgaan dan het hiervoor bestemde bedieningsorgaan. Bij machines die werken in automatische modus mag het in werking stellen, het opnieuw in werking stellen na een stilstand of het wijzigen van de bedrijfsomstandigheden, zonder ingreep kunnen plaatsvinden als dit geen gevaarlijke situatie oplevert. Wanneer een machine door meer dan één bedieningsorgaan in werking kan worden gesteld, en de bedieners elkaar daardoor in gevaar kunnen brengen, moeten aanvullende inrichtingen worden aangebracht om dit risico uit te sluiten. Wanneer het om veiligheidsredenen nodig is de machine volgens een specifieke volgorde in werking te stellen en/of stop te zetten, moeten er inrichtingen zijn die waarborgen dat deze handelingen in de correcte volgorde worden uitgevoerd. 1.2.4. Stopzetting 1.2.4.1. Normale stopzetting Een machine moet zijn voorzien van een bedieningsorgaan waarmee zij op veilige wijze volledig kan worden stopgezet. Elke bedienerspost moet zijn voorzien van een bedieningsorgaan waarmee, naar gelang van de bestaande gevaren, hetzij alle functies van de machine, hetzij een aantal daarvan kunnen worden stilgelegd, zodat de machine in veilige toestand wordt gebracht. De stopopdracht aan de machine moet voorrang hebben op opdrachten voor het in werking stellen. Wanneer de machine of de gevaarlijke functies ervan tot stilstand zijn gekomen, moet de energievoorziening van de betrokken aandrijvingen worden onderbroken. 1.2.4.2. Operationele stop Wanneer om operationele redenen een stopopdracht de energievoorziening van de aandrijvingen niet onderbreekt, dient de stoptoestand bewaakt en gehandhaafd te worden. 1.2.4.3. Noodstop Een machine moet zijn voorzien van één of meer noodstopinrichtingen waarmee reële of dreigende gevaarlijke situaties kunnen worden afgewend. Dit geldt niet voor : - machines waarbij het risico niet verminderd zou worden door de noodstopinrichting, hetzij omdat deze de normale tijd waarbinnen de machine stopt niet vermindert, hetzij omdat deze het niet mogelijk maakt de in verband met het risico vereiste bijzondere maatregelen te nemen, - met de hand vastgehouden en/of met de hand geleide draagbare machines. De inrichting moet : - duidelijk herkenbare, goed zichtbare en snel bereikbare bedieningsorganen hebben, - stopzetting van een gevaarlijk proces binnen de kortst mogelijke tijd bewerkstelligen zonder extra risico's te scheppen, - indien nodig, bepaalde veiligheidsbewegingen in gang zetten of mogelijk maken dat deze in gang worden gezet. Wanneer de werking van de noodstopinrichting wordt beëindigd nadat een stopbevel is gegeven, moet het stopbevel door inschakeling van de noodstopinrichting gehandhaafd blijven totdat deze wordt opgeheven; inschakeling van de inrichting zonder dat deze een stopbevel genereert, mag niet mogelijk zijn. Het uitschakelen van de inrichting mag alleen door een passende handeling kunnen geschieden en mag de machine niet in werking stellen, maar mag alleen het opnieuw in werking stellen mogelijk maken. De noodstopfunctie moet te allen tijde beschikbaar en operationeel zijn, ongeacht de bedrijfsmodus. Noodstopinrichtingen dienen ter ondersteuning van andere veiligheidsmaatregelen, niet ter vervanging ervan. 1.2.4.4. Complexe machines Machines of machinedelen die zijn ontworpen om in combinatie te functioneren, moeten zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat de stopinrichtingen - met inbegrip van de noodstopinrichtingen - niet alleen de machine, maar tevens alle daarmee verbonden installaties kunnen stopzetten, indien het blijven functioneren daarvan gevaar kan opleveren. 1.2.5. Keuze van de bedienings- of bedrijfsmodus De gekozen bedienings- of bedrijfsmodus moet voorrang hebben op alle andere bedienings- of bedrijfsmodi, met uitzondering van de noodstopinrichting. Als de machine is ontworpen en gebouwd om gebruikt te worden volgens verschillende bedienings- of bedrijfsmodi, waarbij verschillende beschermingsmaatregelen en/of werkwijzen vereist zijn, moet de machine voorzien zijn van een in elke stand vergrendelbare functiekeuzeschakelaar. Elke positie van de functiekeuzeschakelaar moet duidelijk herkenbaar zijn en mag slechts met één bedienings- of bedrijfsmodus verbonden zijn. Om het gebruik van bepaalde functies van de machine tot bepaalde categorieën bedieners te beperken, mag de keuzeschakelaar door andere middelen worden vervangen. Als de machine voor bepaalde handelingen moet kunnen functioneren met een verplaatste of verwijderde afscherming en/of een uitgeschakelde beveiligingsinrichting, moet de functiekeuzeschakelaar voor de bedienings- of bedrijfsmodus tegelijkertijd : - alle andere bedienings- of bedrijfsmodi uitschakelen; - de werking van gevaarlijke functies uitsluitend mogelijk maken door middel van bedieningsorganen die onafgebroken moeten worden bediend; - de werking van gevaarlijke functies alleen mogelijk maken in omstandigheden met een verminderd risico en daarbij elk gevaar ingevolge aan elkaar geschakelde regelingen voorkomen; - de werking van gevaarlijke functies door gewilde of ongewilde invloed op de sensoren van de machine, onmogelijk maken. Indien aan deze vier voorwaarden niet gelijktijdig kan worden voldaan, moet de functiekeuzeschakelaar andere beschermingsvoorzieningen in werking stellen, die zijn ontworpen en gebouwd om een veilige werkruimte te garanderen. Verder moet de bediener vanaf de bedieningspost het functioneren van de onderdelen waarop hij invloed uitoefent, kunnen beheersen. 1.2.6. Defecten in de energievoorziening Een onderbreking, het herstel na een onderbreking of een schommeling van welke aard ook in de energievoorziening van de machine, mag niet tot gevaarlijke situaties leiden. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de volgende punten : - de machine mag zich niet onverwacht in werking stellen, - de parameters van de machine mogen niet op een ongecontroleerde wijze veranderen wanneer dit gevaarlijke situaties kan doen ontstaan; - het stopzetten van de machine mag niet worden verhinderd indien de opdracht tot stopzetten reeds is gegeven; - geen enkel bewegend deel van de machine of geen enkel door de machine vastgehouden stuk mag vallen of worden uitgeworpen; - het automatisch of manueel stopzetten van enig bewegend deel mag niet worden gehinderd; - de beschermende inrichtingen moeten volkomen functioneel blijven dan wel een opdracht tot stopzetting geven. 1.3. MAATREGELEN TER BEVEILIGING TEGEN MECHANISCHE GEVAREN 1.3.1. Risico van verlies van stabiliteit De machine, haar onderdelen en toebehoren moeten voldoende stabiliteit bezitten opdat kantelen, omvallen of onbeheerste verplaatsingen worden vermeden tijdens het vervoeren, monteren, demonteren en elke andere handeling waarbij de machine betrokken is. Als de vorm van de machine zelf of de bedoelde installatie, onvoldoende stabiliteit bieden, moeten passende verankeringsmiddelen worden ingebouwd, die in de gebruiksaanwijzing moeten zijn aangegeven. 1.3.2. Risico van breuken tijdens het gebruik De verschillende delen van de machine en hun verbindingen moeten bestand zijn tegen de belastingen waaraan zij tijdens het gebruik worden blootgesteld. De duurzaamheid van de gebruikte materialen moet toereikend zijn voor het soort gebruiksomgeving, dat verwacht wordt door de fabrikant of diens gemachtigde, inzonderheid wat betreft de verschijnselen moeheid, veroudering, corrosie en (af)slijting. In de gebruiksaanwijzing moeten de aard en de frequentie worden vermeld van het onderhoud en de inspecties die om veiligheidsredenen noodzakelijk zijn. Zo nodig dient te worden aangegeven welke onderdelen aan slijtage onderhevig zijn, en welke de criteria voor vervanging zijn. Indien ondanks de getroffen voorzorgsmaatregelen gevaar voor scheuring of verwering van betreffende onderdelen blijft bestaan, moeten de betreffende delen zodanig worden aangebracht, gepositioneerd en/of beschermd dat brokstukken worden ingekapseld en gevaarlijke situaties worden vermeden. Zowel stijve als flexibele leidingen voor fluïda, in het bijzonder hogedrukleidingen, moeten bestand zijn tegen de bedoelde interne en externe spanningen waaraan zij normaal worden blootgesteld; zij moeten stevig zijn bevestigd en/of afgeschermd om er zeker van te zijn dat geen risico door het scheuren wordt gevormd. Bij automatische toevoer van het te bewerken materiaal naar het gereedschap moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan om risico's voor personen te vermijden : - wanneer het werkstuk in contact raakt met het gereedschap moet het laatstgenoemde zijn normale gebruiksomstandigheden hebben bereikt; - wanneer het gereedschap (al dan niet opzettelijk) in werking wordt gesteld en/of stopgezet, moet de aanvoerbeweging en de beweging van het gereedschap gecoördineerd zijn. 1.3.3. Risico's in verband met vallende of uitgeworpen voorwerpen Er moeten voorzorgsmaatregelen worden genomen om risico's in verband met vallende of uitgeworpen voorwerpen te voorkomen. 1.3.4. Risico's in verband met oppervlakken, scherpe kanten, hoeken Bereikbare machineonderdelen mogen, voor zover dat in verband met hun functie toegelaten is, geen scherpe kanten en hoeken of ruwe oppervlakken vertonen die gemakkelijk verwondingen kunnen veroorzaken. 1.3.5. Risico's in verband met gecombineerde machines Wanneer een machine is bedoeld om een aantal verschillende bewerkingen te verrichten, waarbij het werkstuk na iedere bewerking met de hand wordt verwijderd (gecombineerde machine), moet zij zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat het mogelijk is ieder deel afzonderlijk te gebruiken zonder dat de overige machinedelen voor de blootgestelde persoon een risico inhouden. Met het oog hierop moet ieder deel, dat niet volledig is afgeschermd, afzonderlijk in werking gesteld of gestopt kunnen worden. 1.3.6. Risico's in verband met de verschillende bedrijfsomstandigheden Bij bewerkingen in verschillende gebruiksomstandigheden, moet de machine zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat deze gebruiksomstandigheden veilig en betrouwbaar kunnen worden gekozen en ingesteld. 1.3.7. Risico's in verband met de bewegende delen De bewegende delen van de machine moeten zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat wat betreft risico voor aanraking waardoor zich ongelukken zouden kunnen voordoen, wordt voorkomen, of, wanneer risico's blijven bestaan, voorzien zijn van afschermingen of beveiligingsinrichtingen. Alle nodige maatregelen moeten worden genomen om het onverwacht blokkeren van bewegende delen die bij het werk zijn betrokken, te verhinderen. Wanneer ondanks deze voorzorgsmaatregelen het waarschijnlijk is dat een blokkering kan optreden, moet waar nodig worden gezorgd dat deze blokkering met de nodige specifieke beschermingsmiddelen en gereedschappen zonder gevaar kan worden verholpen. Deze specifieke beschermingsmiddelen moeten in de gebruiksaanwijzing en, indien mogelijk, op de machine zelf worden vermeld, met een beschrijving van het gebruik ervan. 1.3.8. Keuze van de beveiliging tegen risico's in verband met bewegende delen Afschermingen of beveiligingsinrichtingen ontworpen om te beschermen tegen risico's veroorzaakt door bewegende delen, moeten worden gekozen op grond van de aard van het risico. De volgende richtsnoeren moeten als hulp worden gehanteerd om de keuze te maken. 1.3.8.1. Bewegende overbrengingsorganen Afschermingen ontworpen ter beveiliging van personen tegen de gevaren die worden veroorzaakt door bewegende overbrengingsorganen, moeten : - hetzij vaste afschermingen zijn als bedoeld in punt 1.4.2.1, - hetzij beweegbare afschermingen met blokkeervoorziening als bedoeld in punt 1.4.2.2. Als frequente toegang te verwachten is, zouden beweegbare afschermingen met blokkeervoorziening moeten worden gebruikt. 1.3.8.2. Bewegende delen die voor de bewerking dienen Afschermingen of beveiligingsinrichtingen ter beveiliging van personen tegen gevaren veroorzaakt door bewegende delen die voor de bewerking dienen, moeten : - hetzij vaste afschermingen zijn als bedoeld in punt 1.4.2.1, - hetzij beweegbare afschermingen met blokkeervoorziening zijn als bedoeld in punt 1.4.2.2, - hetzij beveiligingsinrichtingen zijn als bedoeld in punt 1.4.3, - hetzij een combinatie zijn van bovenstaande elementen. Wanneer echter bepaalde bewegende delen die dienen voor de uitvoering van de werkzaamheden, niet volledig onbereikbaar kunnen worden gemaakt wanneer zij in werking zijn, wegens handelingen die het ingrijpen van de bediener noodzakelijk maken, moeten deze delen worden voorzien van : - vaste schermen of beweegbare afschermingen met blokkeervoorziening, waardoor de toegang tot de niet bij het werk gebruikte delen onmogelijk wordt, en - instelbare afschermingen als bedoeld in punt 1.4.2.3, waardoor de toegang beperkt wordt tot de bij de werkzaamheden gebruikte bewegende delen waarvan de toegang nodig is. 1.3.9. Risico's ten gevolge van niet-gecontroleerde bewegingen Wanneer een machinedeel tot stilstand is gebracht, moet iedere verschuiving vanuit die stilstandpositie door ongeacht welke andere oorzaak dan het hanteren van de bedieningsorganen, worden voorkomen of dusdanig zijn dat ze geen enkel gevaar oplevert. 1.4. VEREISTE KENMERKEN VAN DE AFSCHERMINGEN EN BEVEILIGINGSINRICHTINGEN 1.4.1. Algemene eisen Afschermingen en beveiligingsinrichtingen : - moeten stevig zijn uitgevoerd, - moeten stevig op hun plaats worden gehouden, - mogen geen bijkomende gevaren met zich brengen, - mogen niet op eenvoudige wijze omzeild of buiten werking gesteld kunnen worden, - moeten voldoende ver van de gevarenzone verwijderd zijn, - moeten het zicht op het verloop van het werk zo min mogelijk belemmeren, en - moeten de noodzakelijke werkzaamheden voor het aanbrengen en/of vervangen van de gereedschappen en voor de onderhoudswerkzaamheden mogelijk maken, waarbij de toegang nauwlettend wordt beperkt tot de sector waar het werk moet worden verricht, zo mogelijk zonder dat de afscherming moet worden verwijderd of de beveiligingsinrichting moet worden uitgeschakeld. Tevens moeten de afschermingen, voorzover mogelijk, bescherming bieden tegen het wegspringen of vallen van materialen of voorwerpen en tegen de emissies voortgebracht door de machine. 1.4.2. Bijzondere eisen voor afschermingen 1.4.2.1. Vaste afschermingen Vaste afschermingen moeten zodanig zijn bevestigd dat zij alleen met behulp van gereedschappen kunnen worden geopend of verwijderd. Bij demontage moeten de bevestigingsmiddelen met de afschermingen of de machine verbonden blijven. Waar mogelijk, mogen afschermingen niet zonder hun bevestigingsmiddelen op hun plaats kunnen blijven. 1.4.2.2. Beweegbare afschermingen met blokkeervoorziening Beweegbare afschermingen met blokkeervoorziening moeten : - wanneer geopend, zoveel mogelijk met de machine verbonden blijven, - zodanig worden ontworpen en gebouwd dat ze enkel met een opzettelijke handeling kunnen worden ingesteld (zie 1.4.3.). Beweegbare afschermingen met blokkeervoorziening moeten gecombineerd zijn met een vergrendelinrichting die : - voorkomt dat gevaarlijke machinefuncties in werking treden totdat de afscherming gesloten is, en - een opdracht tot stopzetting geeft wanneer de afscherming niet meer gesloten is. Wanneer het mogelijk is dat een bediener de gevarenzone bereikt voordat het risico dat voortvloeit uit de gevaarlijke machinefuncties is geweken, moeten de beweegbare afschermingen met blokkeervoorziening niet alleen worden gecombineerd met een vergrendelinrichting, maar ook met een voorziening voor het vergrendelen van de afscherming die : - voorkomt dat gevaarlijke machinefuncties in werking treden voordat de afscherming gesloten en vergrendeld is, en - de afscherming gesloten en vergrendeld houdt totdat het risico van verwonding door de gevaarlijke machinefuncties is geweken. Beweegbare afschermingen met blokkeervoorziening moeten zodanig worden ontworpen dat het ontbreken van of een defect aan een van de onderdelen het op gang brengen van gevaarlijke machinefuncties verhindert of gevaarlijke machinefuncties tot stilstand brengt. 1.4.2.3. Instelbare afschermingen die de toegang beperken Instelbare afschermingen die de toegang beperken tot de bewegende delen die voor de werkzaamheden strikt noodzakelijk zijn, moeten : - afhankelijk van de aard van de te verrichten werkzaamheden, met de hand of automatisch instelbaar zijn, - gemakkelijk kunnen worden ingesteld zonder het gebruik van gereedschap. 1.4.3. Bijzondere eisen voor beveiligingsinrichtingen Beveiligingsinrichtingen moeten zodanig worden ontworpen en ingebouwd in het besturingssysteem dat : - de bewegende delen niet in beweging kunnen worden gesteld zolang zij binnen het bereik van de bediener zijn; - personen de bewegende delen tijdens de beweging niet kunnen bereiken, en - het ontbreken van of een defect aan een van de onderdelen het op gang brengen verhindert of de bewegende delen tot stilstand brengt. De veiligheidsvoorzieningen moeten enkel met een opzettelijke handeling kunnen worden ingesteld. 1.5. RISICO'S INGEVOLGE ANDERE GEVAREN 1.5.1. Risico ten gevolge van de elektriciteitsvoorziening Wanneer de machine een stroomvoorziening heeft, moet zij zodanig zijn ontworpen, gebouwd en uitgerust dat alle gevaren in verband met elektriciteit worden of kunnen worden voorkomen. De veiligheidsdoelstellingen van het koninklijk besluit van 23 maart 1977 betreffende het op de markt brengen van elektrisch materiaal zijn van toepassing op machines. Evenwel vallen de verplichtingen betreffende de overeenstemmingsbeoordeling en het in de handel brengen en/of de inbedrijfstelling van machines, wat betreft de gevaren door elektriciteit, uitsluitend onder de bepalingen van dit besluit. 1.5.2. Risico's door statische elektriciteit De machine moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat accumulatie van elektrostatische lading die gevaar kan opleveren, wordt verhinderd of beperkt, en/of uitgerust met een systeem van massaverbinding. 1.5.3. Risico's ten gevolge van energievoorziening andere dan elektrische Indien de machine door een andere energiebron dan elektriciteit wordt aangedreven, moet de machine zodanig zijn ontworpen, gebouwd en uitgerust dat alle risico's voortvloeiend uit het gebruik van deze energiebronnen worden voorkomen. 1.5.4. Risico's ten gevolge van montagefouten Voor de hand liggende fouten bij het monteren of opnieuw monteren van bepaalde onderdelen waardoor risico's kunnen ontstaan, moeten onmogelijk gemaakt worden door het ontwerp en de bouw van deze onderdelen of anders door aanwijzingen op de onderdelen zelf en/of op de behuizing. Dezelfde aanwijzingen moeten zijn aangebracht op de bewegende delen en/of de behuizing ervan, indien men de richting van de beweging moet kennen om risico te voorkomen. In voorkomend geval moet de gebruiksaanwijzing aanvullende informatie over deze risico's geven. Indien een gebrekkige aansluiting risico kan opleveren, moeten verkeerde verbindingen uitgesloten zijn door het ontwerp ervan, of, anders, door aanwijzingen op de aan te sluiten elementen en, indien van toepassing, op de aansluitingsmiddelen. 1.5.5. Risico's ten gevolge van extreme temperaturen Er moeten voorzieningen worden getroffen om elk risico voor verwondingen door aanraking van of geringe afstand tot onderdelen of materialen met een hoge of zeer lage temperatuur te voorkomen. Tevens moeten de nodige voorzieningen worden getroffen om het risico van het uitwerpen van warm of zeer koud materiaal te voorkomen of er bescherming tegen te bieden. 1.5.6. Risico's door brand De machine moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat elk risico van brand of oververhitting, veroorzaakt door de machine zelf of door gassen, vloeistoffen, stofdeeltjes, dampen en andere door de machine geproduceerde of gebruikte stoffen, wordt vermeden. 1.5.7. Risico's door ontploffing De machine moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat de machine zelf en de gassen, vloeistoffen, stofdeeltjes, dampen en andere door de machine geproduceerde of gebruikte stoffen geen risico van ontploffing opleveren. De machine moet in overeenstemming zijn met de specifieke harmonisatiereglementeringen, wat betreft de risico's van ontploffing in een omgeving met ontploffingsgevaar. 1.5.8. Risico's door geluid De machine moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat risico's als gevolg van de emissie van luchtgeluid tot een minimum worden teruggebracht, rekening houdend met de vooruitgang van de techniek en de beschikbaarheid van middelen om geluid te verminderen, in het bijzonder bij de bron. Voor de beoordeling van het niveau van de geluidsemissie mag worden uitgegaan van vergelijkbare emissiegegevens voor soortgelijke machines. 1.5.9. Risico's door trillingen De machine moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat risico's voortvloeiend uit door de machine veroorzaakte trillingen tot een minimum worden teruggebracht, rekening houdend met de vooruitgang van de techniek en de beschikbaarheid van middelen om trillingen te verminderen, in het bijzonder bij de bron. Voor de beoordeling van het niveau van de trillingsemissie mag worden uitgegaan van vergelijkbare emissiegegevens voor soortgelijke machines. 1.5.10. Risico's door straling Ongewenste emissie van straling van de machine moet worden geëlimineerd of verminderd tot een niveau dat geen nadelige gevolgen heeft voor personen. Functionele emissie van ioniserende straling van de machine moet worden beperkt tot het laagste niveau dat volstaat voor de goede werking van de machine tijdens het installeren, het werken en het schoonmaken. Wanneer er een risico bestaat, moeten de nodige beschermende maatregelen worden genomen. Iedere functionele emissie van niet-ioniserende straling tijdens het installeren, het werken en het schoonmaken moet worden beperkt tot een niveau dat geen nadelige gevolgen heeft voor personen. 1.5.11. Risico's door uitwendige straling De machine moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat uitwendige straling de werking ervan niet kan verstoren. 1.5.12. Risico's door laserstraling Als laserapparatuur wordt gebruikt, moeten de volgende voorschriften in acht worden genomen : - de laserapparatuur op een machine moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat iedere onopzettelijke straling wordt vermeden, - de laserapparatuur op een machine moet zodanig zijn beveiligd dat noch de nuttige straling, noch de straling door reflectie of diffusie, noch de secundaire straling schade aan de gezondheid toebrengt, - de optische apparatuur voor de waarneming of het afstellen van de laserapparatuur op een machine moet van dien aard zijn dat de laserstraling geen enkel gevaar voor de gezondheid oplevert. 1.5.13. Risico's door emissie van gevaarlijke materialen en stoffen De machine moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat het risico van inademing, inslikken, contact met de huid, ogen en slijmvliezen en penetratie door de huid van gevaarlijke materialen en stoffen die deze produceert, wordt vermeden. Indien dergelijke gevaren niet kunnen worden geëlimineerd, moet de machine zijn uitgerust met voorzieningen om gevaarlijke materialen en stoffen op te vangen, af te zuigen, neer te slaan door waterverneveling, te filteren of te behandelen met een andere, even doeltreffende methode. Wanneer het werkproces niet in een volledig afgesloten ruimte verl …

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.